In 't Wasdom

antiquariaat Cornelissen & De Jong – Notter | Zwolle
juli 16th, 2025 by Jaap de Jong

“Blij dat ik geen koe ben.” Of: “Het is niet te denken, dat zij me straks niet zal wenken…”

“Er wordt om mij geroepen | mijn moeder sterft. | Ik moet de valleien opzoeken | die ik erf” schrijft Achterberg in het voorjaar van 1942 nadat zijn moeder Pietje Achterberg – van der Meent (1879-1942) op tweeënzestigjarige leeftijd was overleden.

Gisteren appte mijn broer dat onze moeder die middag was gevonden in het gras, bij de rand van de sloot die uitmondt in de Rijn. Naast haar lagen de bloemen die zij had geplukt en even verderop stond de rollator. In het veld loeide een koe. Achter haar stond de Cuneratoren, die immers altijd blijft staan.

Na die boodschap kwamen de dichtregels stevig bij mij binnen.

Het is een prachtige plek waar zij wonen. Nescio kwam er meerdere malen, schreef over het “gezicht op Rhenen”, een schilderij van zijn vriend: “Ik had zoveel van ’t vlakkeland en de neveligheid genoten dat de romantiekerigheid van ’t landschapje en de felle belichting mij kinderlijk verheugden. De kalveren in de wei, het ritselen van de populieren die hier en daar in kleine groepjes in de velden stonden, de massieve berg voor ons, in ’t oosten dichtbegroeid en eindigend in een steile kaap, de berg die de wereld begrensde, het stadje met zijn roode daken etagegewijs tegen den heuvel.”  En dat zijn woorden over het schilderij. De werkelijkheid is oogverblindender: met het molentje op de berg, de rivier die schittert en het licht terugkaatst.

En daar lag mijn moeder. Eerst nog gebogen over de bloemen. Toen de val. Daarna lag ze een half uur in het gras – want kon zelf niet meer opstaan — hunkerend leven. Bloemen, gras, moeder, stof en as. Het beeld bracht me direct terug bij de dichtregels van Achterberg, die zich als vanzelf aandienden. Ik leerde als twintiger (en dertiger) veel van zijn gedichten uit het hoofd. Dat ging als vanzelf en het brengt mij veel goeds.

Mijn moeder overleefde de val en vertelt: “ik kreeg daarbij een uurtje van een kort duurtje daar de Heere mij indachtig maakte dat ik er beter aan toe was dan de koe wiens adem nedervaart in de aarde.  Maar die van de mensen gaat opwaarts naar de hemel, jongen. Toen ik jong was, liep ik graag in de wei op de boerderij van mijn opa Peter en wilde ik liefst een koe zijn. Zijn adem gaat, als hij sterft, naar de aarde. Die koe wordt tot Niets, dacht ik. Dat wilde ik ook wel. Dat weet jij toch wel, jongen? Maar, zei ze, nu ben ik blij – of beter: opnieuw blij gemaakt – dat ik geen koe ben. Dat liet de Heere mij zien en de loeiende koe, herinnerde mij eraan.” 

“Blij dat ik geen koe ben”, zei mijn moeder. Achterberg daarentegen droomde – in zijn gedicht De dichter is een koe – dat hij het wél was. Ik citeer de laatste twee regels: ’s Nachts, in de mist, droom ik gans onbewust | dat ik een kalfje ben, dat bij de moeder rust.”

Terug naar Rhenen, de stad waar Nescio zijn laatste twee rijksdaalders had willen verteren en, zo schrijft hij verder, de stad die in mijn afwezigheid een korte poos de hoofdstad der wereld was geweest. Ik breng haar straks de bloemen – daar waar de rivier schittert en de toren blijft staan.

PHP Code Snippets Powered By : XYZScripts.com