Vanmorgen werd ik wakker met de resten van een Kafkaëske droom vers in het hoofd. En met een bijbeltekst. Dat laatste, invallende teksten die je zomaar overkomen, is een familieziekte. Ze wordt veroorzaakt door veel en eenzijdig lezen.
Ik weet niet of die kwaal al in de DSM staat, maar als ie er in staat zal ie er bij de volgende versie uit worden gehaald. Niemand leest meer, behalve een enkele zonderling. Ziekten wisselen nogal, behalve verkoudheid, die blijft altijd. De droomresten zijn nog vers en ik schrijf ze daarom maar op. Dat kan geen kwaad.
Ik stond bovenop de Grebbeberg bij een rotsblok. Aan de linkerkant stonden twee heren in lange zwarte jassen met diepe zakken. De hemel boven mij was donkergrijs, veel grijzer en donkerder dan de luchten boven Rhenen normaliter zijn. Links was ie weer heel erg licht. Licht genoeg voor wie de goede kant opkijkt. Het was diezelfde hemel als ik die avond daarvoor had gezien, maar dan boven Notter waar een dubbele regenboog te hangen hing, een zilverwitte duif zich in het zonlicht wentelde. Wind en licht speelden met de pluimen van de maïs, de kolven zelf verborgen zich.
Het was alles te mooi om waar te zijn, daarom is het ook niet waar. Wel was waar dat de twee zwartgeklede heren mij in de droom lieten knielen en vervolgens mijn hoofd op het koude blok legden. Ik mompelde een bijbeltekst: Heer, doe mij recht. Ik geloofde in de kracht van het woord en dat was mooi; de beide heren keken daarentegen zuur. Ik keek naar de boomstammen waarin ik in de jaren zeventig met mijn vriendje Jan van D. naar kogels had gezocht, restanten uit de meidagen van 1940. De lucht boven mij was inmiddels helderblauw geworden.
Toen flitste er een mes in het zonlicht en werd mijn hoofd afgesneden. Ik hoorde nog net de doffe klap. Mijn hoofd veranderde in de kop van Medusa, rolde naar beneden, sprong over steen en boomtak en bleef net voor de Grift liggen. Een spoor van bloed achterlatend. De Grift is de beek die vanaf Veenendaal naar de rivier de Rijn stroomt. In mijn jeugd roeide ik die route vaak. Er zwommen zwanen en er waren vissers die tussen het wuivende riet hun hengels uitwierpen. Op die plek, onderaan de Grebbeberg, waar nu weer mijn eigen bloederig niet meer bebrilde hoofd lag, had mijn oom Reijer vroeger zijn woonboot liggen.
In mijn droom stond ik vrolijk op, groette de twee heren minzaam, die vertwijfeld naar het bebloede mes keken, en wandelde als Sisyphus mijn hoofd achterna. Ik heb immers altijd veel van mijn hoofd gehouden, niet van gymnastiek.
Toen werd ik wakker en stond op om te toiletteren. Op de bruine tafel lag het boek waarin ik gisteravond mijn proces las. Kafka.
Men moet zich mij voorstellen als een gelukkig mens.
