In De gouden roos beschrijft Konstantin Paustovskij (1892-1968) zijn ervaring met de schrijfsels van de ongedurige Andrej Sobol (1888-1926). Sobol werkte evenals Paustovskij als journalist bij de Morjak. Hij schijnt een aardige, maar ongedurige man te zijn geweest, die zich altijd wel ergens over opwond. Geweest, want toen Paustovskij zijn literaire herinneringen opschreef was hij dood. Ein betrübter Geist; himmelhoch jauchzend und zum Tode betrübt, totdat hij dood ging. Zelfmoord.
Op een dag kwam Sobol met een onsamenhangend verward, maar toch interessant verhaal aanzetten. Niemand durfde Sobol te verbeteren, want als zijn inkt was opgedroogd, mocht er van hem niets meer worden veranderd. Geen komma, geen punt. Maar ooit was er iemand die niets aan de tekst zelf wijzigde en toch alles veranderde. Zijn naam was Blagov, een corrector en liefhebber van dikke sigaretten van Koebantabak. Tabak die zwarter was dan de zwartste thee, schrijft Paustovskij. De corrector nam in de vroege nacht het manuscript over van Paustovskij en werkte eraan tot de dag begon te lichten. Daarna las Paustovskij het opnieuw. ‘Maar dat is een wonder’, zei hij, ‘Hoe heeft u dat gedaan?’
Het was bijna niets — en toch alles. Blagov had de leestekens op de juiste plek gezet; de punten, de komma’s en ook de puntkomma’s die toen nog een betekenisvolle rol vervulden. Bij Sobol was de interpunctie één grote chaos. Maar laat ik – als antwoord op de verbazing van Paustovskij – het de corrector Blagov zelf zeggen: Bijzondere aandacht besteedde ik aan de alinea’s, de punten en de komma’s. Dat is enorm belangrijk, mijn beste. Poesjkin had het al over de interpunctie. Die dient om de gedachten te accentueren, de woorden in hun juiste verband te brengen en aan de zin de nodige lichtheid en juiste sonoriteit te verlenen. De leestekens zijn als noten. Zij houden de tekst stevig bijeen en voorkomen dat deze uiteenvalt. Tot zover Blagov.
Het uiteenvallen van de tekst en de wereld moet te allen tijde worden vermeden. Nog even los van het uiteenvallen van de geest en het vlees. De journalist en Weense satiricus Karl Kraus (1874-1936) zag het risico van het misbruik van de komma scherp. Voor Kraus was het een verkeerd geplaatste komma die het verschil kon maken tussen oorlog en vrede. Het bekende citaat over die wereldoorlog kon ik niet vinden, maar ik vond in Die dritte Walpurgisnacht van Kraus wel een ander citaat over de betekenisvolle rol van de komma: Wenn zum Beispiel das sinnverwandte »Verderben, gehe deinen Gang! «[Schiller] ohne Komma dastünde, so würde nicht das Verderben angerufen, sondern etwa ein Führer, dessen Gang es folgen möge. Het illustreert wat Kraus bedoelt: één enkele komma bepaalt of je een abstract begrip (het verderf) aanspreekt, of dat je een bevel richt tot een persoon (verderf als “leider”).
Wie Karl Kraus zegt, zegt in mijn universum natuurlijk ook Kohlbrugge. Waar voor Kraus de komma het verschil maakt tussen oorlog en vrede, maakt de theoloog dr. H.F. Kohlbrugge (1803-1875) haar tot een grens tussen wanhoop en genade.
Op het nachtkastje van mijn moeder lag jarenlang een preekbundel van Kohlbrugge bovenop het dagboek van J.P. Paauwe (1872-1956) die zij de jongere Kohlbrugge noemde. Het boek van Kohlbrugge was, als ik mij niet vergis, gebonden in zwart linnen met stofomslag. Op het omslag staat in mijn herinnering een ernstig kijkende en toga dragende Kohlbrugge, uiteraard met witte bef. Kohlbrugge benadrukte in een preek over de bijbeltekst Romeinen 7:14 de betekenis van de komma en maakte daardoor het verschil.
In zijn beroemde “kommapreek” beschrijft Kohlbrugge hoe die komma de betekenis van Paulus’ woorden radicaal veranderde. Met komma: “Ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.” Dat is natuurlijk geheel iets anders dan zonder komma: “Ik ben vleselijk verkocht onder de zonde.” In het laatste geval ben je iemand die zichzelf moet redden. In het eerste geval ben je tot niets gebracht en moet je het, zo stelt Kohlbrugge, van een ander hebben.
Op het nachtkastje van mijn moeder lag het boek waarin beschreven werd hoe een enkele komma het verschil maakt; een grenssteen tussen orde en chaos, tussen zin en onzin, tussen wanhoop en genade. Een niemandalletje.
Soms is dat alles.
