Het is vrijdagmiddag twee uur als meneer B. het Spui op komt fietsen. Hij rijdt op een sportieve fiets, maar wel met twee zware tassen op het bagagerek. Daarin zitten twee wijnflessen, zo zal ik later weten. Alles aan meneer B is tegenstrijdig. In hem woedt de geest, maar ook het vlees. Elke keer als hij mij spreekt citeert hij Paulus over het goede dat hij wil, maar niet doet.
Hij heeft drie joodse grootouders. Zijn ouders waren NSB-ers, beiden geboren op dezelfde dag in het jaar 1915. Als hij langskomt filosofeert hij met mij over Heidegger, Paulus en wie en wat al niet meer. Meneer B. is een smous. Als ik dat zeg, lacht hij en zegt: ‘dat is ook zo’. Ik mag dat zeggen, ik ben zelf ook een smous.
Meneer B. werd in 1945 geboren. Ergens bij Berlijn, waar zijn ouders heen waren gevlucht. Zelf heeft hij geen idee over die eerste jaren, maar zijn broer zag er de eerste oorlogsmisdaad gebeuren, zegt hij: ‘een Amerikaanse soldaat die een Duitse hond neerschiet’.
Meneer B. is het afgelopen jaar drie keer in elkaar gezakt en voor dood achtergelaten, maar gered. Hij wil dat niet nog eens meemaken en heeft nu een papier op zak om dat te voorkomen. Zijn testament is opgemaakt. Ik snap dat wel, hij is immers tachtig; ik heb nog minstens achttien jaar. ‘Hij is klaar’, zegt hij. Ik nog niet. Tot nog toe is het altijd de ander die dood gaat.
Meneer B. is klein, hij heeft korte benen en een vlek op zijn broek. En hij weet dat ook. Hij draagt de broek met vlek met verve, zoals hij ook zijn bril draagt; de bril die hij hanteert als gereedschap om de wereld te verkennen. Meneer B. heeft mij niet alleen gezien, maar ook waargenomen. ‘Ik kom straks bij je, eerst een rondje doen’.
Dat zal lang duren, weet ik. Hij zal speuren in de boeken die hem interesseren, zijn brillenglazen vlakbij de tekst. Meneer B. leest geen boeken, hij selecteert ze op zinnen die hem raken. Hij wil dat de taal hem recht in het hart treft, koopt het boek dan voor die ene zin. Zo kocht hij bij mij Sein und Zeit van Heidegger en gaf mij het omslag dat nu in het antiquariaat hangt, naast de Zaanse klok. In het omslag zit piepschuim. Zwart. Het líj́kt.
Als meneer B. een uur later bij mijn kraam komt, pakt hij een boek uit zijn plastic tas en zegt: ‘Ik heb het je eerder gezegd, maar nu nog eens: Paulus, Tolstoi en Wittgenstein; deze drie zijn één’. Dan rommelt hij in zijn fietstas, pakt twee flessen wijn en bladert in het gekochte exemplaar van de dagboeken van Wittgenstein. Stopt met bladeren en leest zijn zin: ‘De mens is onmachtig in het vlees, maar vrij door de geest’ (dagboekaantekening Wittgenstein, 12 september 1914). Daarna houdt hij mij zijn flessen voor. Ik kies voor de biologische Tempranillo uit Spanje. ‘Waarom dat is’, vraag ik. ‘Nou’, zegt hij, ‘mijn moeder, je weet wel, die NSB-ster, deed dat ook wel – zomaar iets geven – en ik wil haar hiermee gedenken.’
Ik heb brood noch beker bij mij en laat de fles dicht. Zeg hem wel dat ik zijn tip zal opvolgen en Het evangelie in het kort van Tolstoi ga kopen. Helaas niet het exemplaar dat Wittgenstein in augustus 1914 in de boekhandel van Zygmunt Jeleń kocht, maar een kopie. Die boekhandel lag aan het Kazimierz Wielki-plein in Tarnów (zie de foto [ca. 1912] hieronder). Een mooie kopie, dat wel. En ik zeg hem dat ik daarna de wijn zal drinken en aan hem zal denken: meneer B., de man met de korte benen wiens bril de woorden selecteert en aaneensmeedt om zijn vijfde evangelie te schrijven.

