Bob Albrecht (1942-2023) hield veel van boeken. Toch waren die hem minder lief dan zijn twee dochters. Voor hen was er iedere middag een kop thee en aandacht, en hij ging overal met hen naartoe. Bob was huisman, zijn vrouw Nel zorgde voor het inkomen. Daarnaast was Bob een leven lang student.
Bob kwam uit de Bommelerwaard, zijn ouders waren sociaal-democraten, zijn vader bracht het tot wethouder voor de PvdA. Er was iets met de Hervormde Kerk en een doorbraak, zo begreep ik. Dat klopt ook wel met de boeken die ik vond: De rode dominee Buskes met zijn Hoera voor het leven (1959). Buskes van de Ruskes, zo spotten zijn tegenstanders. Als zeventienjarige hoorde ik Buskes’ radiotoespraken. Die toespraken – en zeker zijn Hoera voor het leven – boeiden ook mij.
Geen uitje was Bob te veel. De katten Mormel (17 juni 1973 – 20 december 1989) en Kwiebus (13 juni 1973-23 december 1985) gingen dan vast niet mee. Ze hadden trouwens koosnaamjes Mormeltje en Kwiepke. Dat ik dat weet is door een aantekening op het schutblad van een kattenboek en een aanvullende opmerking van zijn dochter. Daarna waren er nog vier katten. Hun namen staan misschien ook ergens opgetekend. In een ander boek, een boek dat ik nog niet vond. Als je in een boek staat, ben je gered; immers opgeborgen in het bundeltje voor de levenden.
Verder hield Bob zijn boeken schoon. Hij kafte ze zelfs. Iets dat hij ook deed met de schoolboeken van zijn dochters. Hun kaftpapier zat aan het einde van het schooljaar nog even strak om het boek als in het begin. In zijn boeken staken talloze papiertjes. Ik vermoed dat hij die leggertjes zelf maakte door het papier onder een snijmachine te leggen en in een vast formaat te snijden: 10,5 x 2,5 cm. De boeken zijn schoon, zonder aantekeningen. De namen op het schutblad van het kattenboek vormen de uitzondering. Een uitzondering bevestigt de regel; een noodzaak en een zonde die de wet rechtvaardigt: géén pennestreek in een boek.
In zijn boeken vind ik ook wel eens een brief waarin hij een vraag stelt, een kanttekening zet, een anekdote vertelt of een compliment geeft. Zoals aan Hilde Pach voor haar prachtige vertaling van Amos Oz’ Een verhaal van liefde en duisternis. En dan lees je in haar antwoordbrief allerlei weetjes die je dan weer bij kunt zetten in het kabinet van nutteloze kennis. Een mooier kabinet ken ik niet. Bob kocht het boek op 17 september 2005 op het Spui bij de boekhandel Athenaeum. Hij liet het signeren door Amos Oz (1939-2018) die daar toen zat. Het bonnetje zit nog steeds in het boek. Niets blijft onopgemerkt voor het medogend oog van de boekbeschrijver.
Bob had een enorme collectie boeken waaronder buitengewoon veel judaica. Van de filosofe Hannah Arendt (1906-1975) moet hij veel hebben gehouden. Ik ben nu ook de eigenaar van een meter boeken van Hannah Arendt die in mijn Zwolse bibliotheek staan. Die verkoop ik nog niet. Ik moet eerst The Origins of Totalitarianism lezen en doorgronden. Een fenomeen dat overal doorwerkt — niet alleen in natie en staat, maar ook in organisaties. Maar dit terzijde.
Bob studeerde politicologie en was in de jaren zestig assistent van Hans Daudt (1925-2008). Hij was erbij toen studenten het aftreden van Daudt eisten. Ze vonden zijn colleges onvoldoende ‘maatschappijkrities’. Daudt zelf werd er heet noch koud van en karakteriseerde de studie aan de UvA als vijftig procent marxisme, veertig procent feminisme en tien procent kritiek op boeken die studenten niet lazen.
Met Bob is het goed gekomen. Híj́ las wel en ook goed. Over de twee wereldoorlogen, het jodendom en de geschiedenis van het communisme, het socialisme en wat al niet meer. In de laatste jaren van zijn leven bekende hij aan zijn vrouw Nel dat hij nu wist wat hij echt had willen studeren: geschiedenis.
Dat is mooi, vind ik. Mooi is het als je op het laatst van je leven toch iets zeker weet.
Klik op de afbeelding hieronder voor een overzicht van de collectie Albrecht op bookmanager [work in progress]
