Vanmorgen las ik een mooie passage over de in september 1976 aangekomen student wijsbegeerte Michaël Zeeman (1958-2009). Hij liep, ‘eenzamer dan Adam voor God’ door de stad Utrecht en besloot bij het antiquariaat Beijers, Achter St. Pieter 140, aan te kloppen. Zijn beschrijving van het antiquariaat klopt met mijn herinnering: ‘Hoog en zwaar was de deur, imposant de marmeren gang waar een vooroorlogs heer [Edgar Franco, 1915-1999] met een vlinderdas en brillenglazen als knikkers mij minzaam tegemoet trad.’
Anders dan Zeeman, begon ik tijdens mijn eerste ontmoeting met Franco te stotteren en maakte ik mij schielijk uit de voeten, bang dat ik door duizend manden zou vallen bij de antiquaar die duizend-en-een vragen kon stellen. Ik herinner mij een lange tafel in het midden van een grote zaal. Een tafel vol met kaarten en dikke folianten. Toen al eeuwen oud en ze zullen ons nog eeuwen overleven. Het plafond was hoog en de ogen van Franco keken dwars door mij heen. Ik moest weg. Ik was een jongen met een groot verlangen, maar een dunne portemonnee. Dat is nog steeds zo.
Dat overkwam Michaël Zeeman niet. Die kocht daar, als achttienjarige, de Redekundige bedenkingen van Christian Wolff (1679-1754), hoogleraar te Marburg. Het was zijn eerste aankoop van het oude boek. Zijn vriend en biograaf Willem Otterspeer citeert hem als hij het uiterlijk van de boeken beschrijft: ‘twee kalfsleren bandjes, met sierlijke gouden stempels tussen de ribben.’ Ik vermoed dat die kalfsleren bandjes rood waren geverfd. Dat het werk Redekundige bedenkingen twee deeltjes telt is essentieel.
Wat is het geval?
Zeeman sloeg het boek open en las daar de openingszin: ‘Wij zyn van Ons zelve en van andere Dingen bewust. Daar aan zal niemand twyfelen, die niet gantsch van zyne zinnen berooft is.’ In de marge stond een kanttekening: ‘Hoe wy bemerken dat wy zyn’. Uit de biografie wordt heel duidelijk dat Michaël meestal wel wist dat hij was en moest zijn en dat hij daarbij in alles groot was. Behalve als hij verliefd was, dan geraakte hij misschien in een situatie die ik hier maar – bij gebrek aan beter –Selbstvergessenheit noem. Een heerlijke zaak. Dat is zeker.
‘Ooit hield ik zielsveel van een vrouw’, schrijft hij. ‘Zij trof mij, zoals een boek je soms treft.’ Zoveel hield hij van haar dat hij haar de helft van Wolffs metafysisch werkje gaf. Als bewijs, zo stelt Otterspeer, ‘van zijn vertrouwen in de toekomst met haar en om haar aan te tonen dat hij meer gaf om haar leven dan om zijn lezen.’
Wat het heeft gekost om die twee deeltjes weer samen te voegen, weet ik niet. Ook niet hoe ze bij elkaar kwamen. Maar, zo vervolgt het citaat (uit een dagboek?) ‘dat ze weer bij elkaar zouden komen, daaraan kon niemand twijfelen die niet gans van al zijn zinnen beroofd is. Losse delen en incomplete reeksen: zij zijn de getuigen van onvervulde liefdes.’
Op een dag gaat de biograaf Willem Otterspeer mij vertellen hoe die twee deeltjes weer bij elkaar kwamen. En hoe in dat samen komen en verenigen toch sprake was van verlies. Ik weet het zeker. Bijna zeker.
En Michaël Zeeman? Zeeman was een man met een groot verlangen. Naar boeken? Ja, ook naar boeken.
Hieronder vindt u de laatste tweehonderd ingevoerde boeken. Te bestellen via onze catalogus of boekwinkeltjes e.d. Otterspeers biografie staat er niet bij. Die komt in mijn bibliotheek te staan, gesigneerd en met opdracht;-)
