Het overkomt mij met regelmaat dat iemand mij vraagt of ik ‘aan geloverij’ doe. Ik wist daar nooit een bevredigend antwoord op te geven. Ik stamel dan dat ik met passie en hartstocht mijn zintuigen gebruik, maar dat geloven een wat moeilijk woord is en bij mijn weten niets te doen heeft met die zintuigen en wat hebben wij verder nog naast ratio en zintuigen?
Vanavond luisterde ik naar een uitvoering van BWV 131 van Vox Luminus onder leiding van Lionel Meunier, met name naar de aria. Nu weet ik wat te zeggen wanneer die onbeschaamde vraag mij nog eens wordt gesteld: meine Seele wartet en daarna zeg ik dat Simone Weil het in haar opstel Aandacht goed heeft opgeschreven en misschien ook nog dat haar essaybundel Wachten op God niet denkbaar is zonder De Profundis (Psalm 130). Wachten, niet (be)grijpen.
Dat is afdoende. Men zal het niet begrijpen. Wachten is genoeg. Niet zo maar ergens; op de vlakte, onder een moerbeiboom. Waar leegte is, een ruisen.
Niets wordt gezegd.
Wachten op God van Simone Weil verkoop ik niet. Ander werk van haar is sinds gisteren niet meer beschikbaar.
Er is muziek.
