Ik leid tegenwoordig een bukkend leven. Toen ik veertig jaar jonger was en gedichten naar literaire tijdschriften stuurde en mijn oma vertelde dat ik de weg omhoog zocht, zei ze me dat ze wenste dat ik ‘een bukkend leven’ mocht leiden.
De ingestuurde gedichten kreeg ik terug met commentaar dat ik mij aanstelde. Zoek je stem, zo was het advies. En wees geen epigoon. Dat woord zocht ik op. Daarna vreesde ik een leven lang een epigoon te zijn.
Ik zocht, vond niets und lebte mein Leben in wachsenden Ringen.
Afgelopen zaterdag kwamen mijn broers en (schoon)zussen langs. Familiedag en viering van de beginnende zomer. Die middag had ik het gras gemaaid, het onkruid gewied en op mijn knieën gelegen om de laatste brandnetel aan de mesthoop toe te voegen. Ook meende ik het vingergras de baas te zijn.
Het was een mooie bijeenkomst en iedereen was voor de zondag weer vertrokken. In die nacht regende het hard en waaide de wind zoals zij nooit eerder waaide. Het is nu twee dagen later. Opnieuw loop ik langs de paden en zie het opkomend vingergras. Het zou vingergras zijn, maar het lijkt op duivelsgras; groene hanenpoten.
Het duivelsgras zit overal. Ik pluk en pluk en als ik meen klaar te zijn, steekt op de achterste steen het vuige groen opnieuw zijn steel omhoog. Niet steels. Er zit niets anders op. Ik moet opnieuw op de knieën. Een bukkend leven, beter wordt het niet: mijn oma’s epigoon.
