Het was druk in de binnenstad van Zwolle. De Blauwvingerdagen worden in juli gevierd. Ik wilde de tweedehandsboeken in de Grote Kerk bekijken en liefst daarbij de klanken van het gerenoveerde Schnitger-orgel beluisteren. En in de consistorie van de Grote Kerk een blik werpen op het schilderij van Hendrik ten Oever (1639-1716) waarop de predikant Frederik van Leenhof (1647-1715) met zijn ganzenveer staat afgebeeld.
Iedereen weet dat de gereformeerde predikant Van Leenhof van spinozisme werd beschuldigd en rond 1712 de preekstoel moest verlaten. Hij behield zijn traktement en ging eigenlijk met vervroegd pensioen. Stil leven. Wie wil dat niet, behalve dan het festivalvolk?
Van Leenhof schreef in zijn Zwolse jaren de Hemel op Aarde (1703) dat over de ware en standvastige blijdschap ofwel het genieten van het goede leven gaat. Het was de Ethica voor het gewone kerkvolk. Als ik in de consistorie van de Grote Kerk ben groet ik Van Leenhof altijd door mijn hoed af te nemen. ‘Predik dan elkander de blijdschap in’, was zijn motto. Ik kan het niet beter zeggen.
De kans op live muziek van het orgel, dat overigens enige malen door Albert Schweitzer (1875-1965) – de beroemde arts uit Lambarene – werd bespeeld, was niet bijzonder groot. Dat wist ik van tevoren, maar dat ik niet eens de kerk binnen zou komen; dat had ik geen moment gedacht.
De toegang tot de kerk was versperd. In plaats daarvan werd de Melkmarkt vol gezet met bierinstallaties. Er is een festijn op handen, een muziekfestival. Een beschaafd mens zou de stad uitvluchten, maar ik hoorde dat de VIP’s van Zwolle op een speciale tribune gaan zitten om naar René Froger, Danny de Munk, John de Bever en anderen te luisteren. Van mij mag het allemaal als ik er maar niet hoef te zitten. Gelukkig ben ik geen VIP, was ik geen VIP en ben ik niet van plan er ooit eentje te worden.
Ik nam de smalle stegen naar de voormalige kloosterkerk van de Dominicanen waar het woord nog steeds is te vinden. Ik vond en kocht er Brieven aan mijn leraar van Albert Camus, Het milieu. Een mystiek lichaam van Nico Tydeman en Alles stroomt van Vasili Grossman. Begeerte had mij aangeraakt. Iets dat weinig kwaad kan, daar ik boeken goed behandel om ze later weer te verkopen.
In Camus’ Brieven aan mijn leraar is – naast de brieven aan zijn onderwijzer Louis Germain (1881-1966) een romantekst van Camus opgenomen over de onderwijzer monsieur Bernard. Er is geen twijfel dat monsieur Bernard staat voor Louis Germain, een kort citaat ter lering van onze onderwijsvernieuwers: “En dan de klas. Bij meneer Bernard boeide de les voortdurend, om de eenvoudige reden dat hij zielsveel van zijn vak hield.” Dat lijkt mij genoeg voor de komende onderwijsvernieuwing en genoeg voor de koop van het boek.
Na de koop zocht ik thuis de stilte op waar ik in de inleiding van Brieven van Camus las dat de kleine Camus die stilte in de jaren van zijn jeugd als zeer vormend had ervaren. Hij groeide op in de Algerijnse wijk Belcourt waar in de straten onophoudelijk het lawaai heerste: stof, stem en schreeuw. Maar thuis heerste de stilte. Een gevoelig jongetje dat nauwelijks woorden hoorde, maar het onuitgesprokene – gebaren, blikken – des te sterker onderging.
Bas Heijne legt een verband met Camus’ stijl. Die is sober en onopgesmukt. Camus zelf wenste zijn autobiografische verhaal nog eens te herschrijven opdat hij dan ‘alsnog de bewonderenswaardige stilte van een moeder tot middelpunt zou maken en de inspanningen van een man om een nobel doel of een liefde te vinden die deze stilte evenaart.’
Het goede leven is het stille leven. Met behoud van traktement. Te genieten zonder blauwe vingers te krijgen.
Onderstaande boeken maken deel uit van onze private bibliotheek die - op afspraak - toegankelijk is voor gasten met interesse voor de Zwolse stadsgeschiedenis, inclusief bezoek aan ons antiquariaat in Notter; een verblijf tussen de boeken.
