in 't Wasdom

Antiquariaat Cornelissen & De Jong – Zwolle

Archive for the ‘Aantekeningen van een antiquaar’ Category

november 20th, 2020 by Jaap de Jong

God in Veenendaal: de Koksiaanse en de Kersteniaanse God – Op bergen en in dalen

Gisteren sprak ik mijn oude schoolmeester Wim Kok, eind jaren zestig onderwijzer aan de Johannes Calvijnschool in Veenendaal. Daarna was hij nog lang docent aan het Ichthuscollege. Hij gaf les in de vakken geschiedenis, Engels en biologie. Wim Kok was altijd aan het leren en gaf ook na zijn pensioen de pijp niet aan Maarten. In de jaren zestig was hij vóór het Nieuwe Leren (de natuur in, dia’s tonen, interviews met oud-verzetslieden in de klas). Hij was een buitenbeentje op de Johannes Calvijnschool. In de jaren negentig was hij tegen het Nieuwe Leren: “Ik ben geen coach, maar cultuuroverdrager”, zei hij tegen mij. Hij studeert op dit moment theologie in Apeldoorn. Bij onze ontmoeting stond Wim Kok in zijn tuin te werken, prees intussen God en maakte het woord van Voltaire waar: een man moet zijn tuin onderhouden. Ik stopte, stapte uit en vroeg hem hoe het hem verging. Hij begon te spreken en hield niet meer op.

Wim Kok is de kleinzoon van de predikant Reinier Kok (1890-1982) die – vanwege de plaatselijke scheuringen – mede aan de basis stond van dertien keer gereformeerd in Veenendaal. Hij was een rechtvaardig man die Joden verborg en ds. G.H. Kersten (1882-1948) tegensprak. Onder de preekstoel en op andere plekken in het dorp liet hij Joden onderduiken. Henri Kersten – de Kuyper van de kleinere luyden – liep ooit mokkend van hem weg na een conflict over het Joodse meisje Mirjam de Groot. Kok wilde haar – verhuld als Nederlandse – op de Veenendaalse Johannes Calvijnschool laten leren. Volgens Kersten kon ze wel naar Westerbork. Reinier Kok werd na een langlopend conflict in 1950 afgezet. Tussen 1950 en 1956 vormde Kok met zijn getrouwen een Gereformeerde Gemeente buiten verband en kerkte in een apart gebouw (Pniëlkerk). In 1956 sloot de gemeente van Reinier Kok zich aan bij het verband van de Christelijke Gereformeerde Kerk. Er bestond plaatselijk al een Christelijke Gereformeerde Kerk (Bethelkerk), maar die was qua ligging ‘lichter’ en kwam – anders dan de Pniëlkerk – voort uit de landelijke afscheidingsbeweging (1934) onder De Cock. Voordat een kerkganger van Bethel tot Pniël kwam, moest er wel wat gebeuren. Dat ging niet zonder slag en stoot. De Gereformeerde Gemeente scheurde in 1953 nogmaals in tweeën en in december 1980 nog eens. Met Mirjam de Groot liep het beter af. Mijn schoolvriend Gerard van Deelen vertelde mij in 1973 onder de Veenendaalse kastanjeboom aan de Kerkewijk (tegenover Prummel Optiek) hoe zijn vader Barend als jongetje de oorlogsdagen doorbracht met de ondergedoken Mirjam de Groot. In 1979 zou Mirjam, die inmiddels in Israël woonde, Barend van Deelen nog eens bezoeken.

De SGP-voorman en predikant Henri Kersten meende dat het Duitse gezag na de overgave de nieuwe, van God gegeven, orde vormde. Zijn woning stond in mei 1940, na het bombardement op Rotterdam, op instorten, maar toch vond hij het “een goddelijke genade dat hij voor Gods recht buigen mocht en Hem te midden van de oordelen aanbidden kon”. God zou zich tegen Nederland hebben gekeerd. Na de inval van de Duitsers was Juliana op zondag het land ontvlucht en dat gegeven viel volgens de opvattingen van Kersten ook onder de ontheiliging van de zondagsrust.

Henri Kersten was de man van het korte geheugen. In 1932 had hij zijn eigen zondagswet overtreden en dat was uitgekomen door de oplettendheid van de lutherse predikant ds. B. E. J. Bik. Bik las in de krant dat Kersten zondagmiddag om vijf uur zou preken in Gouda en ’s avonds om halfacht in Stolwijk. Hij vroeg zich af of zijn collega te voet van Gouda naar Stolwijk zou gaan. Bik kon dat nauwelijks geloven, want Kersten preekte lang en de wandeling duurde wel anderhalf uur. Hij besloot de predikant te volgen en ontdekte dat deze na afloop van de middagdienst naar een donker hoekje in de Goudse binnenstad liep. Daar stond de auto met chauffeur Jan Gerrit Deelen (1899-1971) te wachten, die hem naar Stolwijk reed. Mijn vriend Willem Bouwman – die deze geschiedenis beschreef – liet mij jaren geleden de foto zien van de auto waarin Kersten zijn zondagsrit maakte [zie update, hieronder].

Toen ik in 1969 op de Johannes Calvijnschool op de Duivenwal kwam was er nog een duidelijk verschil tussen de Kersteniaanse en de Koksiaanse God. De Kersteniaanse God had 1001 ogen en volgde je overal. Hij ging tot op het bot en er was geen ontkomen aan: je voelde, neen, je wist je een worm, geen mens. De Kersteniaanse God had op de Calvijnschool verschillende meesters en juffen in dienst. Maar er was ook een Koksiaanse God bij wie Wim Kok en juffrouw Schot dienden. Juffrouw Schot gaf enorm hoge cijfers en zij leerde ons het lied Op bergen en in dalen. Het is als lied VII opgenomen in de gezangbundel van de Hervormde Kerk, De Evangelische Gezangen (1806). Vooral het tweede couplet zong ik uit volle borst (“Hij hoort de jonge raven/Hij heeft voor ’t groot heelal/Heeft zelfs voor wormen gaven/en bloemen voor het dal”). Die regels over de wormen en de bloemen gaven mij veel lucht en ook zag ik mijzelf wel zitten als een jonge raaf.

Het lied Op bergen en in dalen was gecomponeerd en bewerkt door Christoph Christian Sturm (1740-1786), theoloog en gepromoveerd filosoof. Het lied werd vertaald door Ahasuerus van den Berg (1733-1807). Sturm was beroemd vanwege zijn Reflections on the Works of God in Nature. Dat werk behoort tot de zogenaamde fysicotheologie, een vorm van theologie die in de achttiende eeuw populair was, bijvoorbeeld bij de doopsgezinde predikantenopleiding waar ook een zgn. fysisch kabinet of natuurkundig laboratorium aanwezig was. Het godsbestaan werd bewezen vanuit de pracht & harmonie van de natuur. Het is nooit als zodanig benoemd, maar ik vermoed dat het godsbeeld van de aanhangers van de fysicotheologie een weinig verschilt van het pantheïsme. Ludwig Beethoven, wiens spiritualiteit als pantheïstisch wordt getypeerd, had een exemplaar van de Reflections on the Works of God in Nature dat door hem zwaar was geannoteerd. Het boek van Sturm inspireerde Beethoven ook bij het schrijven van de Zesde Symfonie (Pastorale). Die Zesde Symfonie was overigens mijn eerste eigen muzikale aanschaf. In mijn ouderlijk huis doorbrak ik daarmee het monopolie van de man die altijd vol op het orgel ging: Feike Asma (1912-1984), ook al weer jaren dood.

De revolutionaire predikant L.G.C. Ledeboer (1808-1863), stichter van de Ledeboeriaanse gemeenten (één van de bloedgroepen van de huidige Gereformeerde Gemeenten), wierp in 1840 in jeugdige overmoed de bundel Evangelische Gezangen en de bestuursreglementen van de kansel. Daarna begroef hij de bundels in de tuin van de pastorie in Benthuizen en verliet net als de eerder afgescheiden Hendrik de Cock (1801-1842) uit Ulrum de Hervormde Kerk. Ik kwam niet lang geleden langs het huis van Ledeboer en moest de neiging onderdrukken in de tuin te gaan graven om de gezangenbundel te vinden. Ondanks de afkeer van Ledeboer bleef de bundel Evangelische Gezangen in gebruik, ook bij afgescheiden Cocksianen en Ledeboerianen in al hun varianten (waaronder dus de 20e eeuwse Koksiaanse en Kersteniaanse navolgers)

Als jongetje kon ik het niet onder woorden brengen, maar nu weet ik dat de Cocksiaanse & Koksiaanse God mij dankzij juffrouw Schot van de Veenendaalse Johannes Calvijnschool beter beviel dan de Ledeboeriaanse & Kersteniaanse God. Hij was op de bergen en in dalen, in de bloemen, bij raven en zelfs bij de wormen. Overal, behalve dan begraven in zwarte grond. Een jaar later verruilde ik gedwongen de Johannes Calvijnschool voor de dr. C. Steenblokschool. Het was de tijd van de ayatollah’s en haviken als Khomeini waren er ook in Veenendaal. Het kon niet streng genoeg. Er moest en zou een nieuwe school komen, gereformeerder dan Johannes Calvijn. Op de in 1972 gestichte dr. C. Steenblokschool bleef het heel stil. Er klonk geen lied. Er klonk niets meer: niet op de bergen en niet in de dalen. Nergens meer.

Dit alles terzijde uiteraard.

Evangelische Gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbare godsdienst in de Nederlands Hervormde Gemeenten gebruikt te worden op uitdrukkelijke last van alle de Synoden der voornoemde gemeenten bijeen verzameld en in orde gebragt in de jaren 1803, 1804 en 1805 (1806). Amsterdam: Johannes Allart. Niet meer beschikbaar, behalve digitaal.

Wèl bij ons te koop: nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, ook over godsdienstwetenschap en theologie.


Update 22 en 26.11.2020: De kleinzoon van de chauffeur Jan Gerrit Deelen [naam aangevuld in tekst], die Henri Kersten van Gouda naar Stolwijk vervoerde, liet mij weten dat hij het verhaal uit familiekring kende. Hij was benieuwd naar de foto met Henri Kersten en zijn grootvader Jan Gerrit Deelen (1899-1971).

Willem Bouwman schreef mij zojuist dat het hoogstwaarschijnlijk om een samenvoeging van twee afzonderlijke gebeurtenissen gaat. Er is géén foto van de zondagsrit, maar wel eentje van Henri Kersten naast een auto tijdens zijn reis naar Amerika.

Kleinzoon Cees Deelen stuurde mij op 26 november de foto waarop Jan Gerrit Deelen, handelaar in vleeswaren, naast zijn auto staat. De auto stamt uit de dertiger jaren en is hoogstwaarschijnlijk de auto waarmee hij op bewuste zondag Henri Kersten van Gouda naar Stolwijk reed. Uit een krantenbericht over de kwestie komt nog naar voren dat de auto van Deelen om 19.20 het tol passeerde zonder te betalen. Volgens de tolbaas klopt dat wel, want die “meneer Van Deelen is Christelijk, die betaalt niet op Zondag, maar op Maandag.” (De Vrije Westfries, 7 april).

Hoe men de kiezers voorlicht. Friesch Dagblad, 24 juni 1933. Geraadpleegd op 20 november 2020 op de krantendatabank Delpher


november 20th, 2020 by Igor Cornelissen

Men had beter kunnen weten ofwel de tocht der dwaasheid

Barbara Tuchman was geen historica, maar ze schreef zo boeiend dat ze erg veel lezers kreeg. Erkenning kreeg ze vanwege de Pulitzerprijs. Ze is in veel talen vertaald. Het eerste boek dat ik van haar las ging over de Amerikaanse generaal Joseph Stillwell die in China opereerde.  Het speelde zich af in de jaren dat nog niet duidelijk wie als overwinnaar uit de strijd zou komen: de communist Mao Tse Toeng of zijn tegenstander Tsjiang Kai Sjek die van de Amerikanen financiële en militaire hulp kreeg. Stillwell, die Chinees sprak (al konden veel Chinezen hem moeilijk verstaan), zag het mis gaan. Het regiem van Tsjiang Kai Sjek was vergeven van en leunde op corruptie. Stillwell, die omdat hij vaak nogal zuur keek Vinegar Joe werd genoemd, rapporteerde dat aan zijn regering die er weinig mee deed. De strijd tegen de communisten had de voorrang.

Ook in the March of Folly is het thema: men had beter kunnen weten. In Troje had men het houten paard beter moeten bekloppen en in Vietnam, dat weet nu iedereen, stortten de Amerikanen zich in een heilloos avontuur. Ze hadden van de Fransen kunnen en moeten leren: die hadden ervaring in Indo China.

Niet minder lezenswaard is de bijgevoegde recensie door André Spoor uit  de NRC Handelsblad. Spoor, afgestudeerd theoloog, maar als journalist opgeklommen tot hoofdredacteur van NRC Handelsblad had nogal wat kritiek op Tuchman. Volgens hem maakte ze niet duidelijk waarom politieke leiders volharden in hun hoogmoed. In zijn recensie heeft hij tussen haakjes (…) een opmerkelijke passage opgenomen. Spoor vertelt dat op zijn bureau een penning staat ter ere van de Nederlandse legercommandant in Nederlands Indië tussen 1945 en 1949. Op de penning staat een Nederlandse soldaat afgebeeld die vreedzaam op het land werkende inlanders beschermt. Wat heeft dat met Tuchman te maken? Niets. Maar die legercommandant was generaal Spoor, de vader van de journalist. Ik heb André Spoor slechts enkele malen ontmoet. Tijdens een van die gesprekken vertelde hij mij dat hij van plan was geweest de biografie van zijn vader te schrijven. Hij zag ervan af daar hij vreesde dat hij onvoldoende objectief zou zijn. Een verstandig besluit.

Tuchman, Barbara W. (1984). The March of Folly. From Troy to Vietnam. New York: Albert A. Knopf, 1984. I.g.st.. Gebonden, XIV, 448 pp., 1e druk. Met illustraties, met bibliografie en noten. Uit de collectie Igor Cornelissen. Met krantenknipsels. € 17,50 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 19th, 2020 by Igor Cornelissen

Een mislukt diplomaat, maar een uitstekend schrijver: Lord Vansittart

Robert Gilbert Vansittart (1861-1957) – inderdaad met Nederlandse voorouders – kwam al jong op Foreign Office van Great Britain (Buitenlandse Zaken) terecht. Daar maakte hij een glanzende carrière door. Zijn grote liefde voor Frankrijk (hij was o.a. gestationeerd in Parijs) was mede door oorzaak van een sprankelende hantering van het Frans. Iets dat van weinig hoge Britse diplomaten kon worden gezegd.

Vansittart diende vele heren. Niet altijd tot zijn genoegen. Ze luisterden wel altijd naar hem, maar deden er weinig of niets mee. Hij was in de jaren dertig een fel tegenstander van dat deel van de bourgeoisie dat met Hitler aanpapte, hem althans tevreden wilde stellen. Neville Chamberlain, de baas van het Foreign Office stond daar absoluut niet alleen in. Vansittart had al vroeg door dat de nazi’s op gebiedsuitbreiding uit waren. Ten koste van alles. De Labour aanhang stond niet alleen toen ze tegen opvoering van de bewapening was.

Vansittart bestempelde zijn professionele leven als een mislukking. Gelukkig schreef hij een uitmuntende autobiografie die een helder licht werpt op de manier van denken en handelen toen Groot-Brittannië nog een wereldrijk was. De Union Jack wapperde in alle werelddelen en het leek erop alsof dat altijd zo zou blijven. Het wereldrijk had, alsdus de schrijver, twee wereldoorlogen kunnen voorkomen als het zich eerder had bewapend. Vansittart beschrijft dat met een buitengewoon rijk taalgebruik en dat verbaast niet als men weet dat hij ook romans, gedichten en toneelstukken schreef. Hij was een groot vriend van Alexander Korda, de van origine Joods-Hongaarse filmregisseur Alexander Korda, die op het landgoed van Vansittart niet alleen zijn gang kon gaan maar ook door hem financieel werd gesteund (de schrijver noemt hem slechts eenmaal terloops).

Ik kwam slechts één misser tegen. Als Vansittart het over de Rijksdagbrand van 1933 heeft noemt hij Marinus van der Lubbe een perverse halve dwaas en de brand een opzetje van de nazi’s. Maar misschien mag men zelfs van zo’n hoge diplomaat niet verwachten dat hij wist dat de werkloze Leidse metselaar een radencommunist was die een (mislukte) poging deed de Duitse arbeiders tot massaal verzet tegen Hitler aan te zetten.

Bij het boek een tweetal Nederlandse recensies. Eén uit de NRC, de ander door H.A. Lunshof, hoofdredacteur van Elsevier die het betreurt dat Vansittart ook na 1945 nog fel anti-Duits bleef. Inderdaad zou Vansittart er zich over hebben verbaasd dat Duitsland nu de meest betrouwbare, democratische en sterkste staat van Europa is.

Vansittart, Robert (1958). The Mist Procession. Autobiography. Londen: Hutchinson. I.g.st., gebonden in linnen met stofomslag, 568 pp., 1e druk. Gaaf exemplaar. Niet meer beschikbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 18th, 2020 by Igor Cornelissen

“U denkt toch wel aan het instituut, meneer Cornelissen”. Over het IISG en het anarchisme

Al droeg hij dan de titel van prins, als een heilige is Peter Kropotkin (1842-1921) door de anarchisten nooit geëerd. Niet als heilige, maar wel als voorman. In de hoogtijdagen van het Nederlandse anarchisme, ruwweg 1870-1900, werd hij veel gelezen en aangehaald. Anarchisten (en communisten, socialisten) vereren wel mensen, maar tot een bijna goddelijke status kunnen ze het onmogelijk brengen. De beweging was in origine nu eenmaal sterk anti-kerkelijk zoals ze ook tegen Kroeg en Kapitaal was. Drie keer K dus.

Kropotkins vader  was de eigenaar van 1200 mannelijke lijfeigenen en ongeveer evenveel vrouwen. Zoon Peter, van beroep geoloog en geograaf, was tegen lijfeigenschap. Via een nichtje kwam prins Peter Kropotkin in aanraking met democratisch geschriften, zoals die van Alexander Herzen.

Wie over zijn leven meer wil weten leze zijn boeiende gedenkschriften. Vele malen zat hij gevangen. Hij was een echte doener en niet alleen theoreticus. Tijdens een bezoek van een week aan Zwitserland in 1872 bezocht hij een vergadering van horlogemakers. Hij leerde er anarchisten kennen.  ‘En toen ik uit de bergen kwam na een week bij de horlogemakers te zijn geweest, had ik mijn mening gevestigd. Ik was anarchist.’ Weinigen weten nog dat Zwitserland ooit een broeinest was van revolutionaire arbeiders en sympathisanten. Ook zonder die koeienbellen en koekoeksklok is het land historisch van belang. Toen Kropotkin een paar jaar later vastzat in een vochtige cel in de Petrus en Paulsvesting dreigde hij er onder door te gaan. Een arts wist te bewerkstelligen dat hij af en toe een wandeling mocht maken op de binnenplaats. Kropotkin zag dat af en toe de poort open ging om hout binnen te brengen. Via een ingenieus plan wist hij te ontsnappen. Daar was een violist voor ingehuurd die buiten de poort zou spelen. Als hij met zijn spel stopte was de kust veilig. Buiten stond een rijtuig klaar. Kropotkin ontsnapte. Dat waren de tijden dat de (plannen tot) revolutie nog een romantisch tintje hadden. Drones hebben inmiddels de plaats van violen ingenomen. Kropotkin stierf in communistisch Rusland en de heersers van toen hadden nog net genoeg eerbied voor deze voorganger dat ze hem een staatsbegrafenis gunden. De familie van Kropotkin, die een fel tegenstander van Lenin c.s. was, weigerde dit. Zijn begrafenis was de laatste gelegenheid waarbij anarchistische en anti-bolsjewistische leuzen werden meegedragen. Er bestaat een filmpje over die gebeurtenis dat op Youtube te zien is. Indrukwekkend.

Ik kreeg het boek van een oude revolutionair. Het was in slechte staat. In die tijd (1963, denk ik) bezocht ik voor het eerst het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. Maria Hunink, afkomstig uit een katholiek fabrikantengeslacht uit Wijhe (vleesverwerking), was er de gedreven bibliothecaresse die mij, toen ik haar vertelde van mijn correspondentie met oude socialisten op nogal dwingende toon vroeg: “U denkt toch wel aan het Instituut, meneer Cornelissen.’

Daar dacht ik aan en toen ik enkele brieven had geschonken, vroeg ze heel lief of het Instituut iets voor mij kon doen. Ik bracht enkele gehavende boeken en brochures en die werden uitstekend gerestaureerd. Ze hadden op het IISG voortreffelijke boekbinders in dienst.

Toen Maria Hunink overleed ben ik naar haar begrafenis in Wijhe geweest. Op de r.k. begraafplaats. Arthur Lehning (ze had hem jarenlang gediend bij zijn uitgave van  werken over Bakoenin, de andere grote anarchist) sprak een gedenkrede uit. Er was weinig van te verstaan want een onbarmhartige regenbui kletterde op paraplu’s, maar ik hoorde wel steeds het woord Oeuvre, Oeuvre, want Arthur had het vooral over zijn eigen werk. Voor de uitgave van de wetenschappelijke uitgave was Maria Hunink onmisbaar geweest.

Ik dacht daar in Wijhe even aan Kropotkin en aan zijn, dankzij Maria, vakkundig gerepareerde  Gedenkschriften.

Kropotkin, P. (z.j. [ca.1902]). Gedenkschriften van een revolutionair. Met een voorrede van George Branders. Utrecht: W. Leijdenroth van Boekhoven. Redelijk, verkleurd omslag & papier, herstelde titelpagina en band. X, 387 pp., 1e druk. Met illustraties, vertaling Annette Dyserinck (uit het Engels). Uit de collectie Igor Cornelissen. Met portretfoto's. 2 delen in een band. Zeldzaam exemplaar (in deze uitgave). € 33,00 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 17th, 2020 by Igor Cornelissen

Thomas Fats Waller: “Hij kon het spelen niet laten”

Thomas ‘Fats’ Waller (1904-1943) was in de jaren dertig een van de beste, bekendste en meest geliefde jazzpianisten in Amerika. Hij was met zijn leermeester James P. Johnson één van de uitvinders van de stride stijl. De rechterhand speelt eerst de melodie en improviseert daarop, terwijl de linkerhand op een soort hoempa manier het ritme aangeeft. Zijn vader was predikant en de zoon begeleidde hem. Op het orgel. Daar leerde hij muziek spelen. Als het er niet al is, zit er een mooi boek in de jazzpianisten die hun eerste muziek in de kerk speelden.

Fats Waller was populair met zijn liedjes die wereldwijd over de radio te horen waren. En wie geld had bezocht een club waar hij met zijn bolhoed en een fles whiskey het publiek door de sombere  crisisjaren na 1929 wist heen te slepen. Op een paar filmpjes op Youtube is nog altijd te zien hoe de altijd vrolijke man met muziek, ogen en forse wenkbrauwen het publiek in vervoering brengt. Waller was een begenadigd componist; Honeysuckle Rose, Black and Blue, Ain’t Misbehavin’ staan nog steeds op het repertoire van iedere zichzelf respecterende jazzband. Een ode aan zijn jeugd of aan zijn vader? Af en toe speelde Waller nog op het orgel. Er zijn platen van.

Soms verkocht hij zijn composities voor een paar tientjes. Een ander streek dan met de eer, maar Waller had vaak geld nodig. Niet alleen voor de enorme porties eten die hij aan kon en de gin die naar binnen gleed, maar ook voor zijn alimentaties.

Een vriend vertelde mij hoe hij als jonge knaap door een oudere dame was verleid en niet alleen met geschonken wijn en het draaien van plaatjes van Fats Waller. Al kom je zo wel in een goede stemming. Thomas Fats Waller zou het verhaal schitterend hebben gevonden. Helaas werd hij niet oud. Zijn arts had hem gewaarschuwd. Hij kon het eten en drinken niet matigen, net zo min als het spelen. Een van zijn nummers heet dan ook Handful of Keys.

Joel Vance (1979). Fats Waller. His Life and Times. London: Robson Books. I.g.st., hardcover. Gebonden, 179 pp., 1e druk. Met illustraties en bibliografie. € 15,50 (incl. verzending). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 16th, 2020 by Igor Cornelissen

Een dochter eert haar vader: Sarah over Churchill

De literatuur over de grote staatsman Winston S. Churchill is onuitputtelijk. De man was over een zeer lange periode politiek actief en velen hebben hem geportretteerd. Tot zelfs zijn vaste arts toe, die er moeilijkheden mee kreeg omdat het als ‘te privé’ werd beschouwd. De boeken over Churchill als politicus (niet allemaal positief) zijn legio, maar Sarah beschrijft hem als vader. Ze lagen nogal eens dwars.

Sarah was toneelspeelster en ze dronk erg veel. Dat deed vader Winston ook, al waarschuwde hij zijn dochter wel: zorg er voor dat jij de baas blijft over de alcohol en niet omgekeerd. Die goede raad werd niet altijd opgevolgd. Ik herinner me een foto dat Sarah staande wordt gehouden door een agent omdat ze in dronken staat een auto bestuurde. Die foto staat uiteraard niet in dit boekje. Wel een mij onbekende foto van Churchill en president Roosevelt in Yalta, vergezeld door hun dochters. Sarah draagt een militair uniform. En Sarah is er ook bij als die staatslieden met Stalin vergaderen.

Uit het boekje spreekt veel liefde voor haar vader en moeder. Aan haar moeder droeg ze deze bijdrage aan een meer volledig beeld van haar vader op.

Churchill, S. (1967). A Thread in the Tapestry. Londen: Andre Deutsch. I.g.st., hardcover. 101 pp., 1e druk. Met illustraties, prima exemplaar € 13,50 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, ook over Churchill.

november 15th, 2020 by Igor Cornelissen

Kunst uit huize Israëls

Jozef Israëls (1824-1911) werd in een joods gezin in de stad Groningen geboren. Zijn vader was een kleine commissionair in effecten. Jozef trok al vroeg naar Amsterdam. Het zou nog jaren duren voor Groningen een kunstzinnig centrum werd. Dat kwam dan vooral, veel later, door de groep van De Ploeg.

Israëls was één van de eerste schilders die, aangetrokken door het impressionisme en modernisme, naar Parijs ging. Van Gogh bewonderde hen. Zelf werd hij beschouwd als één van de grondleggers van de Haagse school. Schilderijen van dat genre worden regelmatig aangeboden op veilingen tegen schappelijke prijzen. Jozef Israëls is veel duurder. En dat was tijdens zijn leven al zo. Wie kon zijn werk betalen? Toen ik de biografie van de communiste en kunstcritica Mathilde Visser schreef, ontdekte ik dat er bij haar ouders rond 1900 al schilderijen van Breitner en vader en zoon (Isaac) Israëls hingen. De ouders van Mathilde waren zeer bemiddeld. Kunst was altijd iets voor de happy few en dat is zo gebleven. Helaas.

Tegelijk is het curieus dat Jozef Israëls, nadat hij zich permanent in Den Haag vestigde, vaak naar Katwijk en Scheveningen trok om daar het (arme) vissersleven uit te beelden. Met enige overdrijving kun je zeggen dat vader Israëls met penseel en doek uitbeeldde wat later Herman Heijermans met de pen beschreef in Op hoop van zegen. Vader Jozef hielp zijn zoon Isaac Israëls in de eerste fase van zijn werkzame periode. Hij schreef ergens dat hij hoopte dat de zoon met hulp van de Heere een betere schilder zou worden dan hij zelf was.

In 1879 werd Jozef Israëls ridder in de Kroonorde van Italië. Die toevoeging is natuurlijk van geen enkel belang, maar het klinkt sierlijk. Of er veel Nederlanders zijn geweest die deze Kroonorde hebben mogen dragen, weet ik niet. De antiquaren in Het Wasdom opteren slechts voor het ridderschap in de Orde van de Kousenband. Dit laatste uiteraard geheel terzijde.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, bijv. over kunst, waaronder het schitterende boek over de schilderkunst van Jozef Israëls, inmiddels een klassieker.

november 13th, 2020 by Igor Cornelissen

Abba Eban geloofde niet in wonderen, maar wel in Israël

De in Zuid Afrika geboren Abba Eban was voordat hij in 1966 minister van Buitenlandse Zaken van Israël werd vele jaren Israëls permanente vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties. Hij was lid van de Mapam, de socialistische arbeiderspartij en werd gerekend tot de ‘duiven’. Het onderhandelen nam hij serieus en dus ook de mogelijkheden om tot vrede met de Arabische staten te komen. Er bleek weinig mogelijk. Eban geloofde niet in wonderen, maar het blijft verbazingwekkend hoe hij de tijd vond deze zeer leesbare geschiedenis in zijn vrije uren te schrijven. Hij schrijft nuchter en begint al met de mededeling dat het ontstaan van zijn volk schemerig is. Feiten en legenden zijn verweven tot een onontwarbaar geheel. Maar als er feiten zijn dan meldt hij die ook. Zo is en blijft voor hem Jezus een jood in woord en daad. Pas geleidelijk werd het christendom een godsdienst voor niet-joden. En zonder Paulus zou dat niet zijn gebeurd.

Bij Eban wisselen zich de hoogtepunten (grote filosofen, historici en andere geleerden) zich af met neergang en afslachtingen waarbij uiteraard de massamoord tussen 1940-1945 de nodige aandacht krijgt. Dat Eban voor de oorlog in Engeland heeft gestudeerd, is duidelijk te merken aan zijn geschiedschrijving: beheerst en duidelijk. Interessant, want vrijwel vergeten, is zijn beschrijving van het wantrouwen dat de overlevende joden na 1945 beheerste. Ze wilden niet in Polen of Duitsland blijven. Dat hun ouders en andere familie massaal was vermoord, kwam omdat ze geen eigen land hadden waarheen ze hadden kunnen vluchten. Daarom ‘moest er een eigen staat komen. Vanaf zijn vroege jeugd was Eban zionist. Zijn talenkennis (o.a. Arabisch) maakte hem tot een gezaghebbend politicus.

Vrijwel vergeten is ook dat in de jaren 1945-1948 de Labour regering misschien niet anti-joods was maar wel tegen de oprichting van die eigen staat. Ernest Bevin, de Britse minister van Buitenlandse Zaken, uitte zich zacht gezegd uiterst onvriendelijk over de plannen voor een eigen staat.  In Nederland was de PvdA heel blij dat er in Londen een zusterpartij de macht van Churchill overnam. Maar hoe er binnenskamers bij de PvdA over Bevin werd gedacht, zou nog eens beschreven moeten worden. Dat laatste terzijde, want daar gaat Ebans boek niet over.

Eban, Abba (1971). Mijn volk. De geschiedenis der joden. Amsterdam/Antwerpen: Keesing. I.g.st., gebonden in blauw linnen met smoezelig stofomslag. Roestvlekjes. Gebonden, 440 pp., met illustraties (fotokatern met o.m. afbeeldingen uit Amsterdam). Uit de collectie Igor Cornelissen € 14,50 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, bijv. judaica

november 12th, 2020 by Jaap de Jong

Geschiedenis van Overijssel

Onlangs werd ik vereerd met het lidmaatschap van de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis (VORG), een eerbiedwaardige vereniging die in 1858 in Zwolle werd opgericht. Vanaf 1860 geeft de VORG een bundel uit met interessante opstellen, de Overijsselse Historische Bijdragen.

In die bijdragen staan opstellen die voor de lokale geschiedenis zeer de moeite waard zijn. Voor Zwolle trof ik bijvoorbeeld eerder opstellen aan over de achtergrond van de schitterende preekstoel in de St. Michaëlskerk, de uitgever-drukker en catechismeermeester Berent Hakvoort, over godsdienstige conflicten in de Reformatietijd en wat al niet meer. Prachtig voor de fijnproever die het naadje van de kous wil weten en/of verder wil breien.

In het nieuwste nummer van de Overijsselse Historische Bijdragen staat onder meer een opstel over de taalgeschiedenis van Overijssel (Harrie Scholtmeijer). Interessant om te lezen hoe de anywheres (de niet-plaatsgebonden elite) in staat waren om het dialect van de somewheres volledig weg te vagen. Aan de andere kant was de elite ook zeer betrokken bij het conserveren van het Overijsselse (en plaatselijke) dialect, zoals bijvoorbeeld Karel Diederik Schönfeld Wichers (1901-1993)  – Karel van ‘n notoaris oet Riessen – en de Hengelose doopsgezinde predikant Anthonie Ballot (1836-1871).

Andere bijdragen gaan over grafveld en de trechtbekercultuur (Henk van der Velde), uitgevers en drukkers (Kees Leeffers, Georg Hartong en Henk Nalis), kaarten en mappen (Clemens Hogenstijn), de inspanningen van Egbert Tobi ten behoeve van de zedelijke verbetering van gevangenen (Cees Houtman), minvermogenden in Kampen (Iet Erdsieck), de textielindustrie (Joan H. Beune) en het boeiende verhaal van twee broers die een leven lang strijd voerden over gemaakte keuzes in de oorlog (Martin van de Linde). Het jaarboek besluit met de literatuursignalementen.

Het lidmaatschap van de vereniging geeft recht op de ontvangst van de Overijsselse Historische Bijdragen. U kunt op de website van de vereniging meer vinden over dat lidmaatschap.

Tot slot kan ik het niet nalaten te wijzen op de overzichtslijst van de Overijsselse Historische Bijdragen (1860-2007). Een aantal van de opgenomen artikelen zijn fulltext beschikbaar op de website van het Historisch Centrum Overijssel (HCO).

Als historicus en antiquaar ben ik natuurlijk zeer geïnteresseerd in materiaal betreffende de  geschiedenis van Overijssel (en Zwolle). Mail ons of neem anderszins contact op bij een geschikt aanbod.

november 12th, 2020 by Igor Cornelissen

Heijermans, het antisemitisme en de sjabbessoep

Vroeger was Jaap Meijer er druk mee: antisemitische passages opsporen bij bekende of minder bekende auteurs. Tijdens een interview verraste hij mij toen hij mij dergelijke passages toonde bij Menno ter Braak. ‘Dat had je niet verwacht, he?’ Nee, dat had ik niet verwacht.

Bij een reeks predikanten-schrijvers uit de 19e eeuw had Jaap ze voor het oprapen. En als de stukjes tekst niet van jodenhaat getuigden dan kwamen de joden er toch wel in voor als opvallend, vreemd sprekend, niet geheel betrouwbaar of (iets milder) uiterst gewiekst in de handel. Je moest in ieder geval altijd een beetje uitkijken met ze.

Tegenwoordig is Ewoud Sanders een bekwaam opvolger van Jaap Meijer, Hij verzamelt en bespreekt christelijke kinderboeken waarin joodse jongens en meisjes zich laten bekeren of dwars blijven liggen. De zending had het er druk mee. Sommige van die boekjes blijken nog in de handel te zijn.

Sabbath van de joodse (dat moet er bij) Herman Heijermans is niet van hetzelfde laken een pak, maar wekt wel bevreemding. In het afstotende  stijltje van de Tachtigers, doorspekt met jiddische woorden, zit een gezin  te genieten van de shabbessoep. Van een soepkip dus. ‘IJvrig op ‘t vlak van de tafel dekte nu Bekkie, handen in rap gebeweeg over schalen.’

Van joodse zelfhaat was bij Heijermans geen sprake: de joodse Esther de Boer – van Rijk liet hij niet voor niets jarenlang de rol van Kniertje met het pannetje soep in Op hoop van zegen spelen.

Eigenlijk wil je als je het leest daar niet tussen zitten. Kenners wisten dat het wel realiteit was in de van armoe walmende buurten waar gebrek aan alles was. Die buurt werd al lang voor de Tweede Wereldoorlog afgebroken. Heijermans schrijft levendig en was en blijft onze beste toneelschrijver.

De vis wordt nog steeds duur betaald. Anders dan vroeger. Het volk heeft nu misschien wel geld voor tarbot en tong, maar heeft het er niet voor over. Dan maar een gezinszak kibbeling: vis van onbekende herkomst in vette olie gebakken. Dit laatste natuurlijk terzijde, maar niet zonder hoop op zegen.

Naar aanleiding van: Heijmerans jr., Herman (1903). Sabbath. Eene studie. Amsterdam: H.J.W. Becht. I.g.st., gaaf exemplaar. Gebonden in linnen, 92 pp., 1e druk. € 19,00 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 11th, 2020 by Igor Cornelissen

Stukje strand met echtpaar. Over Isaak Babel, zijn vrouw Zjenja en andere verhalen

“In Isaak Babel: Brieven naar Brussel (Moussault 1970) staat een foto van de schrijver en zijn vrouw Zjenja (Babel, die onder Boedjonny vocht bij de rode ruiterij, op zijn dertigste al een legende, later door Stalin uitgespuwd, afgevoerd, fijngeknepen) in de zomer van ’28 op het rimpelloze strand van het Belgische Saint-Idesbald, of all places! Naar zo’n foto kijk ik met meer ongeloof en verbazing dan ik kijken zou naar het eigenhandig gesigneerde statieportret van God de Vader zelf.” – Cees Buddingh

Die woorden schreef Buddingh in het literaire tijdschrift Maatstaf (jaargang 20, 1972-1973, p. 200) naar aanleiding van een foto van Isaak Babel en zijn vrouw Zjenja, zittend op het strand in West-Vlaanderen, ergens in de buurt van Saint-Idesbald. Het is een korte biografie, maar raak (even afgezien van het “rimpelloze strand”, maar wie maalt daar om?).

Ik verzamelde boeken van en over Babel. Isaak Babel werd in 1894 geboren in de joodse wijk Moldavanka van de havenstad Odessa. Zijn vader was een kleine handelaar. Op de middelbare school had Babel een uitstekende leraar Frans die hem Flaubert en De Maupassant leerde lezen en waarderen. Zijn eerste verhalen schreef Babel in het Frans. In de jaren twintig werd Babel de bekendste schrijver van het nieuwe Rusland. In 1940 werd hij doodgeschoten als trotskist en spion voor de Fransen. Hij had, na enkele weken verhoor en (dus) marteling alles bekend. Dat hij kort voor zijn executie alles introk werd pas na zijn rehabilitatie (na Stalins dood) bekend.

Toen ik in oktober 1967 voor de eerste (en laatste) keer in Odessa was, kostte het mij dankzij mijn dertig woorden Russisch weinig moeite om de wijk Moldavanka te vinden. En ik ontdekte zowaar het huis waar Isaak Babel had gewoond. In de buitenmuur was een plaquette geplaatst die hem in herinnering bracht. Ik nam er uiteraard een foto van, maar die is tot mijn grote verdriet al jaren zoek. Dat zoek-zijn geldt ook de verhalen waar Babel mee bezig was en die bij zijn arrestatie in beslag werden genomen. Het enige wat zijn nazaten in ontvangst mochten nemen was zijn ziekenfondsbrilletje. Misschien dat zijn onvoltooide werk nog eens uit de kasten van de geheime dienst naar boven komt.

In Nederland heeft Charles B. Timmer, van origine houthandelaar, die zich tijdens zijn verblijf in andere landen (Finland, Estland en Rusland) de daar gesproken talen eigen maakte. Hij zette zich tientallen jaren voor Babel in. Hij vertaalde diens werk en maakte ons westerlingen duidelijk hoe Babel – gevierd vanwege zijn verhalen over de Ruiterarmee – rond 1930 in moeilijkheden kwam toen onder Stalin de censuur strenger werd. In zijn eerste werken kwam Trotski voor als leider van het Rode Leger. Dat klopt ook. Babel had bij de cavallerie dienst genomen om er in 1920 bij te zijn toen het Rode Leger naar Warschau oprukte. Die vermelding van Trotski werd hem aangerekend. In de jaren dertig trad hij nog wel op tijdens schrijverscongressen, maar tijdens een van die bijeenkomsten vertelde hij vooral de stilte te eerbiedigen.

Babel had ondanks de steeds massalere terreur toch de stoutmoedigheid om het huis van Jezjov te bezoeken. Dat was de man die de terreur tot ongekende hoogte opdreef. Babel had eerder een verhouding met een vroegere vrouw van Jezjov. Wat Babel dreef om juist hem te bezoeken blijft raadselachtig. Wellicht was het Babels niet te stuiten nieuwsgierigheid. Hij wilde waarschijnlijk weten wat iemand dreef tot zulke monsterlijke daden. Buitendien was Jezjov een ongeletterde. Ook dat trok Babels nieuwsgierigheid. Toen Jezjov zelf werd gearresteerd, beschuldigde hij, om zichzelf te redden,  Babel ervan een Franse spion te zijn. Dat alles hielp niet. Jezjov én Babel werden vermoord, evenals de vrouw met wie Jezjov op dat moment was getrouwd.

Gruwelijkheden komen veelvuldig voor in het werk van Babel. Maxim Gorki had hem bij de aanvang van zijn schrijversschap aangeraden vooral ‘meer onder de mensen te gaan’. Die raad heeft Babel opgevolgd. Misschien iets te vaak en te veel.

Rest mij nog te vertellen dat ik mij tijdens mijn bezoek aan Odessa ook onder de mensen begaf en in een schitterend hotel met kroonluchters aan een tafel kwam te zitten met drie vrolijke Bulgaarse zeelieden die vergezeld waren van een wonderschone Russin die een weinig Engels sprak, een taal die de Bulgaren niet verstonden. De Russin die mij in het Engels vertelde dat ze aan mij de voorkeur gaf boven de zeelieden, gaf mij de opdracht hen ‘onder de tafel te drinken’. Dat lukte wel. De ober bleef maar schenken. Wodka, Krim champagne en nog meer wodka, maar de gevolgen… Ach, was Isaak Babel er maar bij geweest. Die zou er een schitterend verhaal van hebben gemaakt.


Babel, Isaak (1979). Verhalen & dagboekbladen [deel 1, 590 pp.] Toneelstukken & brieven [deel 2, 545 pp]. Amsterdam: Meulenhoff. Vertaling Charles B. Timmer. Met bibliografie, register, aantekeningen. I.z.g.st., als nieuw en zonder lezerssporen. Zeer gaaf exemplaar van het Verzameld Werk van Babel met de beide delen in één luxe zwarte box! € 42,50

Tirade, 7e jaargang, nr. 83 (november 1963). Special met verhalen over/van Isaak Babel, 737-800 pp. Goed.

Babel, Isaak (1966). Verhalen. Amsterdam: Moussault. Uit het Russisch vertaald door Charles B. Timmer. Matig, met bibliografische notitie, 370 pp., 3e druk.

Babel, Isaac (1964). The Lonely Years 1925-1939.  Unpublished Stories and Private Correspondence. New York: Noonday Press. Edited, and with an Introduction by Nathalie Babel. Translated from the Russian by Andrew R. MacAndrew, XXVIII, 402 pp. Redelijk (titelpagina deels losgescheurd, 2 losse fotopagina's). Halflinnen met omslag, fotokatern [met o.m. bovenstaande foto].

Babel, Isaac (1961). Collected Stories. Translated or revised by Walter Morison with an introduction by Lionel Trilling. Harmondworth: Penguin Books. Goed, vergeeld papier, 332 pp.

Het hele pakket Isaak Babel uit de collectie Igor Cornelissen (bovenstaande 5 titels & 6 boeken) - € 57,50 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.
november 11th, 2020 by Igor Cornelissen

De verbroedering van Nikita Chroesjtsjov en Benny Goodman

Van jazz is niet alleen bijzonder dat het in New Orleans ontstond (een smeltkroes van blank, zwart, bruin, Frans, Italiaans, Joods enz.) maar ook dat het nog altijd wordt gespeeld.

Opmerkelijker nog dat het over de hele wereld navolgers kreeg. Jazzmusici speelden na het verschijnen in 1919 van de eerste grammofoonplaten met die ‘oerwoud muziek’ in Europa en zelfs in het deel van de Sovjetunie dat ten westen van de Oeral ligt. Later bleven musici in Europa (en ook nog Japan) hangen. De zwarte musici hadden minder last van discriminatie, ook er bleken nogal wat liefhebbers en kenners te wonen. Én de gages waren beter.

In het nieuwe Rusland van de communisten traden de saxofonist Sidney Bechet en de trompettist Tommy Ladnier op. Hun concerten werden uiteraard slechts door een kleine groep bezocht. Volgens één bron zat Trotski in de zaal. De jazz was ontstaan door een uiterst gemêleerd gezelschap en kreeg door grammofoonplaat en radio internationale allures. Onder Stalin werd het echter een droeve geschiedenis. De muziek was niet alleen Westers, maar werd ook als imperialistisch bestempeld. Verboden dus, net als in Duitsland onder Hitler. Starr beschrijft indringend de pogingen van Russen om er, toen het nog mocht, wat van te maken. Het lot was de doorzetters, zoals met alle “diversanten” niet goed gezind: het kamp en/of de dood.

Na Stalins dood veranderde er wat in de Sovjetunie. Benny Goodman mocht in de zomer van 1962 met zijn band komen en dat werd een groot succes. De nieuwe partijleider Nikita Chroesjtsjov was niet alleen aanwezig bij een van de concerten, hij nam ook deel aan de staande ovatie. De plaat die toen is opgenomen, heb ik nog en doe ik voorlopig niet weg. Starr weet te melden dat de Amerikaanse musici, ook na afloop van het optreden, doorspeelden met enthousiaste Russische artiesten. Er zal heel wat vodka hebben gevloeid. In ieder geval: jazz verbroedert; als het tenminste mag. Terzijde: veel van die Russische musici waren van joodse origine. Aan Amerikaanse kant was Benny Goodman niet de enige van joodse afkomst.

Frederick Starr (1983). Red & Hot. The Fate of Jazz in the Soviet Union. New York/Oxford: Oxford University Press. I.g.st., enige potloodaant. Uit de collectie van Igor C. (naast journalist, schrijver ook jazzmuzikant). IX, 368 pp., 1e druk. Met illustraties, met bibliografie en noten. € 25,00 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 10th, 2020 by Igor Cornelissen

Portugal als kolonisator: Salazar contra Boxer

Met vakantie naar Portugal. Het blijft hoog op mijn wenslijst staan. Ik was er vaak en vind de Portugezen heel vriendelijk en bescheiden. Toen ik het gesprek eens op hun kijk op vuurland Spanje bracht hoorde ik hetzelfde wat een gemiddelde Nederlander over Duitsland (van vóór Merkel) zou kunnen zeggen. Bij hun is alles groter en beter en ze maken te veel lawaai.

Dictator Salazar maakte niet zo veel lawaai (en hij is in Portugal nog altijd bij grote delen van de bevolking geliefd als een bescheiden heerser, wars van weelde, pracht en praal), maar hij schopte C. R. Boxer tegen het verkeerde been toen hij in een interview verklaarde dat Portugal het rassenonderscheid altijd had gemeden, ook als kolonisator.

Boxer, een veelzijdig historicus die Portugees las en sprak (evenals Nederlands), wist beter. Hij schreef boeken over Portugal als machtige staat met bezittingen in Zuid Amerika, Afrika, India en Oost Indië. Hij corrigeerde Salazar en schreef als reactie op het interview een kleine, maar pittige ‘correctie’. Het kwam hem te staan op een inreisverbod. Hij was niet meer welkom in Portugal. Na Salazar werd dat goedgemaakt.

Aan Boxer moest ik eens denken toen ik in een kroegje in Lissabon met een werkloze ingenieur in gesprek kwam. Het was een vriendelijke Portugees die goed Engels sprak. Hij vertelde me dat hij over enkele weken naar Mozambique ging. Vakantie? Nee, voor werk dat hij in Portugal niet kon vinden. Curieus: de vroegere kolonie verschafte werk aan een burger van zijn vroegere kolonisator. Zo ver is het met ‘ons’ Indië nooit gekomen.

Boxer, C.R. (1963) Race Relations in the Portuguese Colonial Empire (1415-1825). Oxford: Clarendon Press. I.g.st., hardcover. Gebonden, 136 pp., 1e druk. Met illustraties, met bibliografie en noten. € 35,00 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 9th, 2020 by Igor Cornelissen

Onder professoren – Judicus Verstegen en zijn koekoek in de klok

Judicus Verstegen (1933-2015) was een chemicus die promoveerde en werkte aan de universiteit van Amsterdam. Een knap geleerde die ook literatuur wilde schrijven. Het ging hem niet slecht af, maar met De koekoek in de klok kwam hij in moeilijkheden.

De roman speelt aan de Universiteit van Amsterdam en beschrijft de oplichting, het bedrog en de fraude. Een professor laat studenten voor zich werken en strijkt zelf het geld op. Bovendien sjoemelt hij met declaraties. Daar nog bovenop komen foute oorlogsverledens en moffenhoeren die zich in professorale bedden wentelden.

Professor J.A. Ketelaar, hoogleraar in de fysische chemie, meende zich in het boek te herkennen en dwong af dat er geen derde druk zou verschijnen. In diezelfde tijd voerde het communistische dagblad De Waarheid een actie tegen professor Kistemaker die in de oorlog gecollaboreerd zou hebben en bezig zou zijn met het maken van een atoombom. In de verhalen dook ook Ketelaar op als vriend (en beschermer) van Kistemaker. Ketelaar en Kistemaker hadden, dat staat nu wel vast,  tijdens de bezetting in Parijs gewerkt voor Cellastic, een wetenschappelijke spionageorganisatie van de nazi’s.  De actie bloedde dood, zoals veel acties, maar het vrat allemaal aan de schrijver Verstegen die in een psychiatrische inrichting werd opgenomen.

Er kwam een tweede druk, maar toen was het afgelopen. Verstegen werd bedreigd met processen wegens laster en had geen zin in vonnissen met dwangsommen. Het boek werd uit de handel genomen.

Literatuurkenners menen zeker te weten dat Willem Frederik Hermans zich met zijn Onder professoren stevig heeft laten beïnvloeden door Verstegens boek. Er is veel meer over te vinden over deze kwestie, maar die bronnen zijn alleen goed te begrijpen na lezing van dit boek. Verstegens boek wordt intussen een doodgezwegen meesterwerk genoemd. In het nieuwste nummer van De Parelduiker (2020, nr. 4, jaargang 25) is overigens een artikel van Sander Kollaard opgenomen over Judicus Verstegen.

Judicus Verstegen (1969). De koekoek in de klok. Roman over menselijke onmacht en tragiek tegen een achtergrond van twee conflicten aan een universiteit. Amsterdam: Querido. Redelijk [lichte vochtvlekken, leesvouwtjes in rug], paperback, 1e druk, 244 pp., reuzensalamander nr. 83. € 45,00. Uit de handel genomen. Zeer zeldzaam. Bestellen? Mail ons of neem anderszins contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 9th, 2020 by Igor Cornelissen

Het leven van Voline: eender, maar toch anders

Hij schreef onder de naam Voline, maar werd geboren als Vsevelod Michailovitsj Eichenbaum (1882-1945). Zijn beide ouders waren arts. Hij studeerde rechten en kwam al jong onder invloed van het socialisme. Voline belandde bij het anarchistische deel. De rest van zijn leven lijkt op dat van veel Russische revolutionairen: arrestatie, gevangenschap, verbanning, vrijlating en, op de vlucht voor het tsarisme, exil.

Voline kwam eerst in Berljn terecht, daarna Parijs. De Duitse en Franse taal beheerste hij al. Engels zou hij in Amerika leren, het volgende land waar hij actief was zoals tienduizenden Russen die daar woonden. In 1917 kwam hij terug naar Rusland. Hij kreeg het al spoedig aan de stok met de bolsjewiki die hem arresteerden. Zijn boeken over 1917 en de onderdrukte opstand in Kronstad (1921) en de Oekraïne werden klassiekers, wat niet wil zeggen dat ze veel werden gelezen.

Het was Ben Sijes die mij op het boek wees. Sijes was van origine een radencommunist (zoals Herman Gorter, de astronoom prof. Anton Pannekoek en de werkloze metselaar Marinus van der Lubbe). Hij kreeg bekendheid als medewerker van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (en schrijver van een studie over de Februaristaking van 1941). Sijes bespeurde bij mij in de jaren zestig nog een zekere sympathie voor de Russische revolutie door Lenin en Trotsky. Voline zou mij daar wel van af helpen. Het heeft even geduurd, maar anarchist werd ik niet, al schrijf ik dan met veel plezier in hun blad De As.

Dat lijkt natuurlijk allemaal op afdwalen, maar dat is het niet.

De bekende anarchist Rudolf Rocker schreef een inleiding bij Voline’s boek over 1917. Daarin leest men veel meer over diens uiterst avontuurlijke leven dat in 1945 eindigde in Parijs.

Meer nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 8th, 2020 by Igor Cornelissen

Harford Montgomery Hyde – een soort vriend

Zeer waarschijnlijk ben ik de laatste journalist die de advocaat, politicus en schrijver Harford Montgomery Hyde (1907-1989) heeft gesproken. Dat was in 1989 in Kent / Tenderden waar hij een schitterend landhuis bewoonde. Ik bezocht hem om zijn mening te horen over de Nederlands/Britse spion George Blake die tot een zeer lange gevangenisstraf was veroordeeld, maar wist te ontsnappen en in Moskou opdook waar hij met alle egards werd ontvangen.

Douglas Hyde stond in Groot Brittannië toch al bekend om zijn wat men kan noemen afwijkende meningen. Als Parlementslid voerde hij menigmaal het woord ten gunste van homoseksuelen die (mits van het mannelijk geslacht) met zware straffen werden bedreigd. Hij was ook de eerste die een uitgebreide geschiedenis over de homoseksualiteit schreef. Douglas Hyde vond dat Blake een veel te zware straf had gekregen. Ik had hem over veel meer onderwerpen kunnen spreken, want Montgomery Hyde was ooit bij MI6, de Britse geheime dienst die in het buitenland opereert. We deelden een belangstelling voor spionage. Ik was buitenstaander. Hij niet.

Ik heb als journalist vaker Britten geïnterviewd. Ik bleef voor hen altijd een (onbetekenende) foreigner. Iemand van ver weg die er eigenlijk toch niks van begreep. Bij Montgomery Hyde had ik dat gevoel van vervreemding helemaal niet. Hij beschouwde mij als een soort vriend. Hij schonk mij zijn biografie over Oscar Wilde en verontschuldigde zich dat het een Duitse vertaling was. Van de Engelse oerversie had hij alleen nog zijn eigen exemplaar. De opdracht was in een wat bibberig handschrift zodat ik niet precies kan lezen op welke dag van welke maand ik hem bezocht. Ik meen 6 mei. Het was in ieder geval 1989 en op 10 augustus van dat jaar overleed hij betreurd door zijn derde vrouw. Want Hyde was zelf geen homo.

Ik herinner me nog dat ik met de schrijver/politicus door zijn tuin liep. Hij al zichtbaar breekbaar en leunend op een stok.

Nu loop ik zelf met een stok.

George Blake heb ik ook nog eens opgezocht. In Moskou. Het verslag kwam in Vrij Nederland. Blake sprak nog uitstekend Nederland, maar met een licht Rotterdams accent, de plaats waar hij opgroeide. Dit laatste terzijde.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 7th, 2020 by Igor Cornelissen

Briefwisseling tussen Henri Borel en Frederik van Eeden

Over Frederik van Eeden weten de meeste lezers nog wel dat hij in het Gooi een kolonie stichtte. Walden. Idealisten deden er landbouwwerk en het geheel moest zichzelf bedruipen. De gewone Gooiers keken naar die vreemde stadse mensen die wortels verbouwden. Een marxistische essayist maakte het zaakje belachelijk in een nog steeds leesbaar stuk in De Nieuwe Tijd.

Van Eedens Kleine Johannes werd vroeger gelezen op middelbare scholen. Menigeen wist ook nog dat Van Eeden de anarchist Kropotkin bewonderde, met Sigmund Freud correspondeerde, psychiater was en zich op latere leeftijd bekeerde tot de katholieke kerk. Een veelschrijver die ooit invloed uitoefende.

Over Henri Borel, diplomaat en sinoloog, is minder bekend. Op boekenmarkten komt men nog wel zijn Zusje en Broertje tegen. Een boek dat niet zozeer door de inhoud als wel door de fraaie Jugendstil omslagen kopers trekt. Borel was een groot bewonderaar van Couperus.

De vriendschap tussen Borel en van Eeden ging ver. Van Eeden schreef hem in augustus 1897 vanuit Bussum: ’Er zijn hier bijna geen menschen, waar ik zoo op aan kan, als jou.’ De brieven gaan over schrijvers, kunst en God.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, bijv. binnen de categorie literatuur.

november 6th, 2020 by Igor Cornelissen

Over het smakken van Paul de Groot en de platgedrukte bril van de koningin

De meningen of Vestdijk nu nog wel of niet meer wordt gelezen lopen uiteen. In ieder geval werd de biografie die Hans Visser over hem schreef bij voorbaat al neergesabeld. Visser was chemicus van beroep en behoorde niet tot de intieme kring van Vestdijk adepten. In recensies werd Vissers boek weggezet als oppervlakkig en slordig.

Hazeu kreeg meer lof. In ieder geval was Hans Visser heel ijverig en van de tientallen brieven die hij ontving van mensen die Vestdijk goed (of nauwelijks) hadden gekend maakte hij een leuke selectie. Leo Hornstra een radencommunist die als katholieke Friese nationalist eindigde was net als Vestdijk geïnteresseerd in psychologie en ze hadden diepgaande gesprekken over Freud. De dichteres Vasalis had Vestdijk maar eenmaal ontmoet toen ze door koningin Wilhelmina kort na de bevrijding ontvangen werden. De koningin wilde kunstenaars ontmoeten. In groepjes van vier. Vasalis wist nog goed dat de kunstenaars hun lachlust nauwelijks konden bedwingen omdat de koningin steeds op haar bril ging zitten. En ook dat ze hongerig keken naar de schaal met koekjes. Die hadden ze nooit gehad tijdens die laatste bange oorlogsjaren.

De brieven bevatten voor elck wat wils. Ik weet toevallig dat Vestdijk tijdens zijn maaltijd altijd een boek naast zich had liggen. Dat had hij dan gemeen met de communistenleider Paul de Groot die er tijdens het lezen geweldig bij smakte. Maar dat geheel terzijde.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong. Het boek van Visser komt binnenkort in de catalogus. Wie nu wil bestellen, neme contact met ons op.

november 4th, 2020 by Jaap de Jong

Over het Zwols toerisme en de wijn van Frederik van Leenhof

Zojuist viel bij mij het Zwols Historisch Tijdschrift op de deurmat. Dit keer een themanummer over toerisme. Jan van de Wetering beschrijft aan de hand van kranten, kaarten, ansichtkaarten, reis- en wandelgidsen (Elberts, Van der Pot, Van der Loo etc.) de Zwolse bezienswaardigheden (vanaf vroegmoderne tijd tot op heden). De details ontgingen hem daarbij niet, zoals de wandeling van de Tachtigers Willem Kloos en Hein Boeken die het Zwolse nachtleven onveilig maakten. Tegelijkertijd heeft hij oog voor de middenstand die natuurlijk baat had bij het opkomend toerisme (fietshandel, vervoer, hotel- en restaurantwezen).

Kiekès Agterom (ofwel: Wim Coster) pakt een aantal highlights uit het reisverslag van de bibliofiel Zacharias Conrad van Uffenbach (1683-1734) die tijdens zijn bezoek aan Zwolle ook kennismaakt met de illustere voorganger Frederik van Leenhof (1647-1715). Van Leenhof, voor de ene luisteraar een geliefd voorganger, werd door andere tijdgenoten ook wel verafschuwd vanwege zijn spinozistisch getoonzette werk De Hemel op aarde. Het boek werd op de markt gebracht door de eveneens van ketterijen verdachte koster, boekhandelaar en catechismeermeester Barend Hakvoord (1652-1735) (en ook in meerdere talen vertaald). Van Leenhof schreef daarnaast een uitleg over Prediker. Ik neem aan dat hij er eveneens over preekte in de Zwolse St. Michaëlskerk (Grote Kerk); bijv. over het brood dat je met vreugde eet en de wijn die je met een goed hart drinkt en het behagen dat God daarin schept (Prediker 9). In zijn uitleg van het boek Prediker gebruikte Van Leenhof maar liefst 48 keer het woord ‘wijn’. Zegt dat iets? Ja, dat zegt iets.

Het portret van Van Leenhof, geschilderd door de Zwollenaar Hendrick ten Oever (1639-1716), hangt in de consistorie van St. Michaëlskerk, tegenover het bord met de predikanten die in Zwolle dienden, waaronder meerdere “ketters” en dwarsliggers. Van Leenhof, die uiteindelijk werd afgezet onder doorbetaling van het traktement, is de man met de ganzeveer in de hand. Zwolse ironie, ik ben een dolle liefhebber. Ik verwonder mij overigens dat bij het Zwolse Wijnhuis – tegenover de Michaëlskerk – nog steeds geen wijn wordt aangeboden onder het etiket De Hemel op Aarde. Daar zit toch handel in? Ik vraag maar.

Het nieuwste nummer wordt besloten met een recensie van het boek van mijn kompaan in het antiquariaat Cornelissen & De Jong. Memoires die voor een groot deel over Zwolle gaan (Michael Krielaars besprak het onlangs in de NRC). Een “aardige brompot” schrijft Steven ten Veen, “niet alleen geïnteresseerd in (Zwolse) revolutionairen als Henk Sneevliet, maar ook gefascineerd door bevindelijk gereformeerden in Genemuiden en elders, zoals ds. C. Hogchem”. Ik moet dat “brompot” overigens weerspreken. Igor bromt niet, hij komt minstens een keer per week fluitend in ‘t Wasdom op het Dominicanenklooster en gaat fluitend weg. Het vijfde deel van zijn memoires eindigt met de zin dat hij in de boekhandel een nieuwe stralende toekomst tegemoet gaat. En dat is ook zo. Bijna iedere dag een nieuw blog en wat al niet meer. Overigens kunt u zijn boek hier bestellen [gesigneerd exemplaar]. Dit terzijde uiteraard.

Voor het lidmaatschap van de Zwolse Historische Vereniging kunt u zich aanmelden op de website.  U ontvangt dan jaarlijks vier nummers van het tijdschrift.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 4th, 2020 by Igor Cornelissen

Ralph Springer en het fonds Verlag Allert de Lange

Toen ik boeken van en gegevens over de joodse loodgieter Ralph Springer (1886-1942) begon te verzamelen, vond ik in een Amsterdamse antiquariaat ook deze verhandeling over scherts en minnerij uit 1922.

Springer, die in de marxistische Nieuwe Tijd debuteerde, werd fascist. Dat verhinderde niet dat hij later als jood in een concentratiekamp werd vermoord. Hij schreef veel. Of hij daarnaast lood bleef gieten ben ik niet te weten gekomen. Het boek De oude zaak Godefrooi. Boek van scherts en minnarij is goeddeels in een soort Amsterdams dialect geschreven. Hoofdstuk tien van de roman heet Intimiteiten.

Ik verklap verder niets, behalve dan de naam van de uitgever: Allert de Lange (1855-1927). Hij was de vader van Gerard de Lange die in de jaren dertig Duitse exil literatuur uitgaf. Allert de Lange begon in 1880 zijn boekhandel aan het Damrak 62, het pand kocht hij in 1885, mede met het vermogen van zijn vrouw Rijkje. Gerard maakte van de uitgeverij, die later bekend was als Verlag Allert de Lange, een succes. Dat succes dankte hij aan Hilda van Praag-Sanders die bijv. Stefan Zweig, Max Brod en niet te vergeten Joseph Roth bij hem binnen bracht. Zelf zat Gerard het liefst op café, zo las ik ergens.

Ralph Springer wacht intussen op zijn biograaf. Het hoeft geen dik boek te worden, wel een mooi boek. Met gepaste aandacht voor de tragiek van déze man.

Springer, R. (z.j.[1922]). De oude zaak Godefrooi. Boek van Scherts en Minnarij. Amsterdam: Allert de Lange. I.g.st., gebonden in linnen met rode belettering, 206 pp. Zeldzaam. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 27,50 (incl. verzendkosten). Bestellen? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong