in 't Wasdom

Antiquariaat Cornelissen & De Jong – Zwolle

Dagaantekeningen van een antiquaar

2019.11.11, 09.00 – verplaatsing dagaantekeningen

De laatste items uit de rubriek ‘dagaantekeningen van een antiquaar’ zijn verplaatst naar de homepage van deze website. 

2019.11.06, 13.50 – Versnipperd bestaan (uit de collectie van ‘t Wasdom)

De biografie van Fens heb ik dubbel. Dus één van die twee kan ik zonder enige moeite te koop aanbieden. Ik heb de beste herinneringen aan Fens, vooral aan zijn stukjes in de Volkskrant. Wat een prachtige miniaturen zijn dat. Grote kunst. Ik weet uit betrouwbare bron hoe een auteur na een positieve recensie van Fens drie weken lang in de wolken was. Mooi is dat. Hieronder een eerder verschenen recensie van de biografie in het tijdschrift Wapenveld.

“Mijnheer, wat heeft u een mooie dochter!” Het was in het voorjaar van 1994. Ik stond met mijn dochter aan mijn borst gedrukt in de aula van de universiteit van Nijmegen. Een jonge vader, met een mavodiploma, maar uiteindelijk toch in het heilig hof van de wetenschap beland. En daar was hij: prof. Kees Fens, bebrild en gekleed in een net uitgesneden maatpak. Met vriendelijke ogen in het gevlekte gezicht keek hij mij aan en zei: “Mijnheer, wat heeft u een mooie dochter en hoe heet ze!” Ik noemde hem haar namen. “Prachtige namen, bijbelse namen, weet u dat!?” Hoe ironisch, de man die ik bewonderde om zijn maandagstukken in de Volkskrant, de man die mij in zijn schrijven meenam naar onbekende streken, tijden en ervaringen en wiens stukken mij bij het lezen deden geloven dat de wereld alleen uit bedrukt papier bestond, uitgerekend hij, sprak mij daar aan. Niet als lezer, maar als vader en naamgever. In het hier en nu.

In de biografie van Wiel Kusters over Kees Fens is er overigens relatief weinig aandacht voor zijn rol als vader en echtgenoot. Des te meer ruimte geeft Kusters aan de opvattingen van Fens over de literatuur, zijn relatie tot de katholieke wereld en zijn rol als criticus, docent en hoogleraar. En natuurlijk aan de allesbepalende jeugd in de jaren dertig Amsterdam-West, in het stadsdeel De Baarsjes, in ‘een gewijde buurt’ met veel katholieken, grotendeels zonder vader die al jong aan het gezin ontviel. Tegenover zijn ouderlijk huis in de Chasséstraat staat de Chassékerk, tussen 1924 en 1926 ontworpen door de architect Karel Petrus Tholens vol van licht, witheid en ruimte. Die kerk, voor de jonge Fens het symbool voor het hemelse Jeruzalem, betrad hij in 2008 voor het laatst. Nu was zij leeg en onttakeld en bevatte zij in de beleving van Fens nog slechts het geraamte van ‘een God die in de versukkeling was geraakt’. Steunend op een stok en snakkend naar adem, opent hij de deur van de kerk en zegt: ‘Grote God …’. Een leegte die als God wordt aangeroepen, zo klinkt het, schrijft Kusters. Het is te zien in een film van Hans Keller – Kees Fens, erfgenaam van een lege hemel – de film waarmee Kusters zijn biografie opent en die sterk aansluit bij de interpretatie die Kusters geeft van het leven van Fens.

De stukken die Fens in de jaren negentig voor de Volkskrant schreef bevatten een onnavolgbare mix aan melancholie, humor, beschouwing en bewondering die – wanneer het over een boek ging – mij vaak naar de boekhandel deed snellen. Het was een verlangen naar iets dat per definitie onherhaalbaar was, maar waarvan Fens een tipje had opgelicht: kort, terloops en in het voorbijgaan. Verlangen naar geluk, niet de zaak zelf. In verband met dat verlangen naar geluk vertelde Fens zijn studenten eens zijn theorie van de twee vaderlanden: iedereen heeft twee vaderlanden nodig in zijn leven, zo zei hij, “anders kun je niet leven en je bent het gelukkigst als je tussen die twee in zit.” Wonen in dat andere vaderland wilde Fens niet. Dan kon je er immers niet meer naartoe en niets is leuker dan op reis te gaan.

De anekdotiek zegt misschien ook iets over het schrijven van Fens als bemiddelaar tussen wat was en wat is, tussen het vaderland in de verte en het nu. Hij was geboeid door de continuïteit en de rijkdom van de christelijke traditie. Fens zag zichzelf als onderdeel van die cultuur en al was ‘de hemel naar beneden gekomen en lag zij in scherven op de aarde. Die resten vormen toch nog steeds de bevestiging van wat je in het leven bent geweest’, zo zei hij aan het einde van zijn leven.

Kusters geeft ruime aandacht aan de rol van het katholicisme in het leven van Kees Fens. Dat doet hij onder meer door het uittekenen van zijn katholieke jeugd en de opkomst van Fens als recensent en criticus binnen de katholieke zuil. Ook gaat hij in op de kritische positie die Fens inneemt als het gaat om de liturgische vernieuwing in de kerk sinds het Tweede Vaticaans Concilie. Vanaf de jaren zestig verdwijnt geleidelijk het religieuze en culturele landschap waarin de betekenis van de christelijke woorden en beelden wortelden. De overgeleverde denk- en spreekvormen sluiten niet of nauwelijks aan bij nieuw opgedane menselijke ervaringen en raken daardoor uit het zicht, waardoor menigeen de relevantie en inhoud van het christendom uit het oog verliest. Men wordt door weinig meer bij elkaar gehouden dan de claim katholiek te zijn.

Fens onderkende einde jaren zestig de toenemende kloof tussen taal en tijd in de liturgie en de geloofsbeleving. Van het kerklied vond hij dat het de ruimte van het volledige leven tot uitdrukking zou moeten brengen: het moet ‘de hoogte van het Gloria en de diepte van het De Profundis (boetedoening) trachten te halen’. Het moet tegelijk ‘gratievol kunnen spelen aan de oppervlakte van het dagelijkse leven’ en bovendien ook nog eens ver wegblijven van een massage van de ziel van de religieuze gevoelsmatige middelmaat. Liturgische liederen zouden volgens hem vrij moeten zijn van het allerpersoonlijkste; er wordt iets gesproken, gezongen en gezegd binnen en vanuit de traditie. Dat maakt ‘particularisme al bij voorbaat onmogelijk’. Boeiend vond ik de beschrijving van zijn verhouding tot Huub Oosterhuis, wiens liederen Fens waardeerde, maar wiens accent op het horizontale hij verafschuwde. De politisering van het evangelie liet weinig ruimte voor het mysterie. In die wending naar het actuele hier en nu leek ook in de liturgie de opwaartse verticale lijn naar het goddelijke losgelaten. Tegelijk had Fens grote moeite met het ultraconservatieve katholicisme. In een gesprek met Nijmeegse studenten zei hij dat hij er vooral op uit was ‘allerlei waarden uit de traditie te redden’.

Eén manier om dat te doen was het schrijven van de al eerder genoemde maandagstukken. Kees Fens liet de krantenlezers kennismaken met middeleeuwse dichters en denkers. Hij gaf hen het gevoel dat ze de eeuwigheid zouden missen als zij nalieten onmiddellijk na het lezen van zijn column over de dichter Petrarca het boek De top van de Ventoux aan te schaffen. En dat was ook zo. Zo herinner ik mij hoe ik, lezend in dat meesterwerk van Petrarca, de tijd vergat en haar daardoor als het ware overwon. Die overwinning van de tijd was volgens Fens ook kenmerkend voor de monniken die met hun rituele gelijkmatigheid in het aardse leven al een soort eeuwigheid bereikten: “Gaan ze dood, dan gaan ze als het ware even de hoek om”, zo schreef hij eens.

Tegelijk was Kees Fens er oog- en oorgetuige van hoe een wereld van kennis van de christelijke cultuur aan het verdwijnen was. Tijdens een college gebruikte hij eens het woord ‘gekerstend waarop een student hem na de betekenis van dat woord vroeg. Op zijn vraag wie het woord ook niet kende stak meer de helft van de aanwezigen de vinger op. Daar stond hij “als Franciscus voor de vogels, als Antonius voor de vissen” en vroeg zich af waar te beginnen. Op welke historische, religieuze, literaire kennis moest hij aansluiten, zo vroeg Fens zich af. Het nuttigheidsdenken aan de universiteiten stond hem tegen en daarover debatteerde hij ook wel. Hij was ervan overtuigd dat alleen kennis die was ingebed binnen een zingevend cultureel kader, dat continuïteit waarborgt, vrucht draagt.

Op het laatst van zijn leven herlas Fens na vijftig jaar het evangelie van Lucas en had hij een leeservaring zoals nooit eerder: “Ik las verblind en bekeerde mij tot het vertrouwde. Ik heb me ermee verzoend en ik kan er niet omheen.” Verblind door het licht en de intensiteit van de tekst van het boek waarin het nooit geziene en ook nooit vermoede gestalte kreeg. Misschien dat juist op dat moment de scherven van de omlaag gevallen hemel op weergaloze wijze weer aaneen werden gelijmd, zo dacht ik bij het lezen van die passage. Jawel, groot en vrij de mens die in een punt des tijds de eigen kleinheid inziet en zich in de erkenning en herkenning van de traditie over kan geven aan dat wat groter is dan hijzelf.

Bij de uitvaart van Kees Fens werd een gedicht van Gerard Manley Hopkins ingelast, ‘Pied Beauty’. Daarin staat eigenlijk alles. Contrast, individualiteit, deel en geheel. En in het voort vaderen in de tijd zit eeuwigheid.

Glorie zij God om wat is gevlekt – / om luchten zo bont als de huid van een koe; / om rozige stippeltjes op een forel / vurige-kool kastanje-herfsten; van vinken de vlerk;

opgelapt landschap – geplooid, braak, geploegd; / en van ieder beroep het gerei en gestel.

Alles op zich, apart, vreemd, zeldzaam; / En vlug, traag; zoet, zuur; dof, fel; / Hij vadert voort, en zijn pracht houdt aan:/ Het ga Hem wel.

Naar aanleiding van: Wiel Kusters (2014). Mijn versnipperd bestaand. Het leven van Kees Fens 1929-2008. Amsterdam: Athenaeum – Polak & Van Gennep

Eerder gepubliceerd in: Wapenveld

2019.11.04, 16.15 – Winterlogboek van Paul Auster

Winterlogboek doet je onontkoombaar stilstaan bij je eigen leven. Over de mogelijkheden en onmogelijkheden van dat stoffelijk omhulsel, lichaam genoemd. Wat ben je meer dan dat lichaam? Wat is bewustzijn precies en wat blijft er van je over als je dementeert en je geheugen wordt prijsgegeven? Als herinneringen vervagen en jou alleen de schemering blijft waarin je werktuigelijk brood neemt en op aardappels kauwt: waar is dan die ik-heid van ooit?

Auster beschrijft de geschiedenis van het lichaam, zijn lichaam en wat het meemaakte aan zintuiglijke gewaarwordingen: pijn, lijden en genot. Een lichaam dat wordt begrensd door de dimensies tijd en ruimte en blootgesteld aan ongelukken. Meerdere ongelukken.

Er zitten mooie stukken in het boek zoals de beschrijving van een auto-ongeluk dat bijna leidde tot de vernietiging van het gezin Auster. Hij schildert heel taalvaardig de onontkoombaarheid van dat ongeluk. Auster zegt het niet expliciet, maar je weet dat er iets ergs gaat gebeuren. Je wilt de details weten, de exacte toedracht, maar dat er een ongeluk staat aan te komen is  duidelijk.

Het verhaal van die ontmoeting met dat meisje, dat zich prostitueert in Parijs, is ook prachtig neergezet. Ze wordt van een ding, een meisje uit vele andere meisjes, van een hoer tot een individu gemaakt. Ja, tot een bijna-bruid die Auster een van de meest bijzondere momenten, gelukkigste momenten van zijn leven bezorgde, zo schrijft hij. Nog tijden nadien vroeg hij zich af of hij niet het eerstkomende vliegtuig naar Parijs moest nemen en haar, Sandra, ten huwelijk vragen. Ik snap dat wel. Wie wil nou niet iets met een meisje dat aan het einde van een lange liefdesnacht Baudelaire voordraagt? Foutloos reciteert. Wat zeg ik, niet zomaar reciteert, maar met intens gevoel en een volmaakt nauwkeurige precisie. Er is een mijmeraar aan het woord in het Winterlogboek. Een dichter die zich de dingen wil herinneren zoals ze zouden kunnen zijn gebeurd. Herinneringen die hij uit zijn hoofd trekt alsof ze er altijd al waren. Herinneringen die eenzaamheid verdrijven of tenminste in tweezaamheid doet veranderen.

En dan is er de beschrijving van de hand. De hand van de schrijver die de pen hanteert, maar ook allerlei andere dingen heeft gedaan. Met sardonisch genoegen beschrijft Auster die dingen. De hand die de kont afveegt, puistjes uitknijpt, neushaartjes uittrekt en over de aars van zijn lief strijkt. De hand die de das strikt en de gulp dichtritst. En meer van die dingen die handen doen, kunnen doen.

Het valt nauwelijks op dat het boek geen hoofdstukken kent. Het gaat om 191 bladzijden tekst, slechts gestructureerd door een lichaam dat geleidelijk aan wordt prijsgegeven aan de lezer; stoffelijk omhulsel, ingeperkt door tijd en ruimte. Eens begon dat lichaam met ademen. Op een dag zal het ophouden. Er is begin, er is ook einde. Dat is de cirkel van het leven. Auster schrijft geschiedenis van zijn lijf en heeft dat op een schone manier gedaan.

2019.11.02, 15.03 – De les van Cees Buddingh (uit de collectie van ‘t Wasdom)

Ik ben dol op encyclopedieën. Voor mij ligt de Encyclopedie voor de wereldliteratuur van C. Buddingh (Utrecht/Amsterdam, 1954). Een Fundgrube voor de literatuurhistoricus: nationaal en internationaal. Laat ik mij hier beperken tot de Grote drie van de naoorlogse literatuur: Hermans, Reve en Mulisch. Willem Frederik Hermans en G.K. van het Reve worden er als beginnende schrijvers behandeld. Hermans vertegenwoordigt een existentiële sfeer, “een purgatorium der onthechting aller waarden” en is vlg. Buddingh ook als dichter een belangwekkende figuur. Hij krijgt 21 regels

Gerard Kornelis van het Reve krijgt vijftien regels, vooral vanwege De Avonden.  Het lemma wordt besloten met de mededeling dat hij nog slechts in het Engels wenst te publiceren. Enfin, Van het Reve heeft wel meer dingen gezegd.

Mulisch krijgt acht regels naar aanleiding van zijn debuut Archibald Strohalm. Zijn belangstelling, schrijft Buddingh, “gaat vooral uit naar de filosofie, waarover hij werk in voorbereiding heeft.” Ik heb daar nooit iets van gezien. Heb ik iets gemist?

Ik heb diep respect voor het werk van Buddingh. Het lijkt mij schitterend om bezig te zijn met het onderzoeken en boekstaven van de voortbrengselen van de menselijke geest. Het doorbladeren en lezen van zo’n werk brengt je bescheidenheid bij. Het word je direct duidelijk dat je vrijwel niks weet.

Ik wil de encyclopedie van Buddingh niet eens persé verkopen. Maar als u zo nodig moet dan kunt u hier de gegevens vinden.

2019.11.01, 09.40 – Verboden te lezen (uit de collectie van ‘t Wasdom)

Ik droomde vannacht dat ik “een tot slaaf gemaakte” was die niet kon lezen, maar wel gedwongen werd om iedere dag boeken in een reusachtige bibliotheek af te stoffen. Boeken met titels in goudopdruk, boeken over boeken. Er was ook een boek bij dat iedere boekenverzamelaar kent. Het tweede deel van Hayns Bibliotheca Germanorum erotica et curiosa. Enfin, veel papier. Er was in mij veel verlangen tot weten, maar ik wist niks met de leestekens aan te vangen. Een analfabeet met honger die het ook nog eens was verboden het lezen te leren.

Telkens wanneer ik een etage had afgestoft zag ik in de verte de glimp van een jonge vrouw met lange blonde haren en hoorde haar stem die steeds eenzelfde tekst declameerde: “Hoe schoon zijn uw gangen in de schoenen, gij prinsendochter! De omdraaiingen uwer heupen zijn als kostelijke ketens, zijnde het werk eens kunstenaars.” De woorden hadden zich vastgezet in mijn hoofd. In haar handen had zij de tekst die tegelijk de sleutel was tot die gehele bibliotheek.

Bij de laatste etage aangekomen zag ik dat zij de tekst voorlas van een reusachtig plakkaat. In een punt des tijds – dat gaat zo in dromen – verbond ik het geschrevene met het gesprokene. Ik kon lezen! Op dat moment donderden alle boeken uit de schappen en bedolven mij. Er was veel stof, maar weinig lucht. Ik werd wakker. In ademnood. 

Het was niet heel moeilijk de herkomst van mijn droom te achterhalen. Een variant, maar dan beter, staat in Een geschiedenis van het lezen (hoofdstuk Verboden Lezen) van Alberto Manguel. Ik had twee dagen eerder in het boek zitten bladeren en was blijven steken bij het verhaal van Thomas Johnson, een slaaf die later een bekende zendingspredikant zou worden. Of het verhaal van Johnson klopt weet ik niet. Een goed verhaal moet je niet dood checken. 

2019.10.29, 21.55 – Arabische boekdrukkunst vóór Gutenberg. Een hoofdstuk uit de boekdrukgeschiedenis (uit de collectie van ‘t Wasdom)

Vanmiddag kwam K. rondkijken op mijn zolderkamer op het klooster in het plaatsje Z. “Je hebt hier een goed verborgen antiquariaat – ‘t Is hier Ons’ Lieve Heer op Solder” zei hij. Mooi gesproken. Niet onjuist; er staat hier veel God. Of afgod. Boeken dus. Op planken, in dozen en in stapels op de grond. Een veelgodendom. Maar er hangt veel meer tegen de hanebalken.

Ook K. had een boek bij zich. Hoe kan het anders? Een zeldzaam exemplaar over boekgeschiedenis. Mij werd op school geleerd dat de Haarlemmer Laurens Janszoon Coster de uitvinder van de boekdrukkunst was. Later begreep ik van Antonius van der Linde (1833-1897) dat het Gutenberg moest zijn. Van der Linde werd in Nederland afgedaan als Costermoordenaar, maar het standbeeld van ons ‘Lautje’ staat nog steeds op de grote markt in Haarlem. Misschien moet er een bord bij. Van der Linde sleet zijn dagen als bibliothecaris in Wiesbaden. Hij had Gutenberg op de troon gezet. Een foutje, we weten nu beter. Althans, het gebruik van losse letters is wel degelijk zijn verdienste, maar de zogenaamde blokboeken – waarbij één hele bladzijde uit één blok werd gemaakt – werden pas in de eerste helft van de 15e eeuw in Europa gesignaleerd.

In het handboek dat K. meebracht staat het Midden-Oosten als vindplaats van boekdrukkunst centraal. Dáár werden al langere tijd blokboeken gemaakt. De techniek circuleerde in de 12e en 13e eeuw in het Midden-Oosten. China geldt als bakermat van de boekdrukkunst (ca. 8e eeuw).

Dit en nog veel meer in: Hanebutt-Benz, Eva-Maria, Dagmar Glass Geoffrey Roper (editors) (2002). Voor liefhebbers van de boekgeschiedenis een aanwinst. Nee, een must. Het boek is verkrijgbaar bij mij op de kloosterzolder: op ‘t Wasdom dus.

2019.10.24, 16.40 – Maarten ‘t Hart (uit de collectie)

In de jaren tachtig was ik er als de kippen bij om de nieuwe ‘t Hart te kopen. Rond 1990 was dat afgelopen. Abrupt. Ik kocht daarna alleen nog maar Het Psalmenoproer, een documentaire roman over de beroeringen rond de nieuwe psalmberijming van 1773. Ik vond dat interessant en wilde als aankomend religiehistoricus het naadje van de kous weten, althans de kous zoals ‘t Hart die had gestopt. Zelf zong ik in mijn jonge jaren ook nog wel uit de berijming (1566) van de zestiende eeuwse Datheen, de man met de knevel. Die had (en heeft) het in Zeeland nog steeds voor het zeggen.

De boekjes van ‘t Hart lezen snel weg. In een uurtje of twee, misschien drie ben je er doorheen. Grappig, maar weinig inhoud. Zijn essays (Het roer kan nog zesmaal om) gaf ik weg aan een vriend met wie ik regelmatig schaakte. Die essays waren wel goed, vooral omdat ze vanuit de ziel waren geschreven. Ik kan mij de boektitels nog herinneren die voor ‘t Hart de fasen naar het ongeloof markeerden; het was een snelle afloop der wateren. En dan was er De Jacobsladder. Die roman maakte wel indruk op mij, vooral omdat het duidelijk was dat ‘t Hart het geloofsdialect van de bevindelijke wereld grondig bestudeerde en op respectvolle wijze gebruikt. In zijn andere romans ging het altijd over Gereformeerden op Grote Wielen; maar nu ging het over de echten: het arme en ellendige volk.

De laatste zinnen van De Jacobsladder ken ik uit mijn hoofd: “Hij stond stil bij het grindpad. Het was voorjaar. Vlak bij zijn voeten bloeide het gele speenkruid. De zon kwam weer door, scheen op zijn gezicht. En hij zei, met diezelfde stem waarmee hij had gezegd: ‘Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk: die zullen op de naam des Heeren betrouwen,’ die zwakke toch verdragende stem van het Fenacoliusplein: ‘Hij heeft mijn ziel liefelijk omhelsd.’

Maarten ‘t Hart – zes romans voor 15 euro – bij t’ Wasdom in Zwolle.

2019.10.23, 14.15 – “Ik houd van al wat stroomt” (uit de collectie)

De kreeftskeerling (met vouwtje op pagina 229)

“Ik houd van al wat stroomt” zei de grote blinde dichter John Milton eens. Ik moest er aan denken toen ik zojuist het boek van Henry Miller uit de kast pakte om te beschrijven. Op pagina 229 zit een vouwtje en dat is bijzonder. Ik hou mijn boeken meestal netjes. Zelden maak ik een vouw om iets te onthouden. Dat doen barbaren. Er moest iets bijzonders zijn dat mij tot vouwen heeft gebracht op die dertiende september 1997. Ik geef toe: mij is niets barbaars vreemd.

“Ik houd van al wat stroomt” en zo goed als ik weet u dat er nu iets bijzonder komt, iets smerigs, iets bijzonder smerigs, een enorme lavastroom aan gedachten, een kolkende lavastroom. En dat is ook zo. Ik citeer, maar hou het kort. Moet door met beschrijven. Nog twintig boeken te gaan. Miller was een existentialist en een vitalistische melancholicus of allebei en dat is te merken:

Ik houd van al wat stroomt: rivieren, riolen, lava, sperma, bloed, gal, woorden, zinnen. Ik houd van het vruchtwater als het uit de zak loopt, ik houd van de nier met haar pijnlijke stenen, haar niersteen en wat al niet meer; ik houd van de urine die er kokend heet uitkomt en de gono die eindeloos blijft lopen; ik houd van hysterische woorden en zinnen die als dysenterie steeds blijven doorgaan en alle zieke beelden van de ziel weerspiegelen.

Ik houd van al wat stroomt. Ook van de dynamiek in een boekenkast. Het boek van Henry Miller De kreeftskeerkring (Amsterdam, De Bezige Bij, 1963) is te koop en het is goed.

Alleen zit er op pagina 229 een vouwtje.

2019.10.22, 16.15 – Marcus Ehrenpreis (1869-1951) (uit de collectie)

Na de middagpauze zo’n vijftien boeken ingevoerd, afkomstig uit de bibliotheek van Igor Cornelissen. Het gaat grotendeels om drie categorieën: religie (dogmengeschiedenis), socialisme & marxisme, muziek (jazz). Die collectie gaat dus over veel, maar er zit vrijwel altijd een oorlog bij.

Bijzonder is het boek van Marcus [Mordecai] Ehrenpreis; een diepgravend reisverslag door Spanje, Portugal en Marokko (jaren twintig). Voorin staat een brief van de schrijver Alfons Paquet die hem herinnert aan zijn invloed op hem (naast Martin Buber). Paquet roemt het reisverslag als iets buitengewoons. Een reis, niet alleen ruimtelijk – door het land tussen Orient en Okzident – maar ook door de tijd. Zo gaat Ehrenpreis in op de historische achtergrond van de Marranen, ontmoet in Porto de emancipator van de Joden in Portugal (Arthur Carlos de Barros Basto) wiens levensverhaal hij vertelt. Die vertelling benadrukt de betekenis van de bekering (vanuit het katholicisme) van De Barros Basto voor de religieus-culturele emancipatie van de Joodse minderheid in Portugal.

Het reisverslag staat in het teken van de missie van rabbijn Marcus Ehrenpreis; de bevordering van de culturele emancipatie van de Joodse minderheid, als een zichtbaar geheel binnen de algemene cultuur. Zijn zionisme was meer cultureel dan politiek en daarin week hij af van Theodor Herzl met wie hij overigens wel het eerste Zionistisch congres organiseerde.

Overigens was Marcus Ehrenpreis zo’n beetje de laatste die de diplomaat Raoul Wallenberg in Stockholm in levende lijve ontmoette en bijstond in zijn missie Hongaarse Joden van de ondergang te redden. Maar dat is een ander verhaal.

2019.10.21, 16.30 – Over Louis de Bourbon (1908-1975) (uit de collectie)

Het portier van zijn auto werd gesierd door drie Franse lelies en de prinsenkroon.  Was hij een afstammeling van Lodewijk XVII? Op zijn graf op het kerkhof in Oosterbeek – de Algemene Begraafplaats – staat dat hij een prins was: “Prince Louis Jean Henri Charles de Bourbon Duc de Normandie”. Maar in 2013 bewees Jean-Jacques Cassiman aan de hand van DNA dat die claim niet waar kon zijn. Het is dat hij al overleden was, anders had hij die boodschap wellicht niet overleefd.

Als hij al ijdel was dan is het hem vergeven. In de oorlog nam Louis de Bourbon ontslag als burgemeester van Oss. Hij dook onder, geraakte in het verzet en werd door de Duitsers bij verstek ter dood veroordeeld. Hij redde het en werd na een kort oponthoud als burgemeester voorgoed dichter. Vóór de oorlog had hij al drie dichtbundels gepubliceerd, waaronder In Extremis. Verstaanbare gedichten die veel vergeefsheid ademen. Ik hou daar van.

Trouwens Louis was tenminste voor enige tijd een prins; een prins onder de dichters, althans volgens sommigen. De door menigeen gevreesde criticus Menno ter Braak tipte hem om zichzelf te blijven: wordt géén epigoon. Je moet dan wel een Zelf hebben. Dat had hij.

U kunt hem kopen, althans zijn bundel In Extremis (1935) uitgegeven bij de beroemde uitgever A.A.M. Stols te Maastricht. Meer gegevens over de bundel kunt u hier vinden.

2014.07.09, 19.40

John Hoole, geest van Hamlet

Eten bij het bruin Eetcafe Lijn 4 in de Twijnstraat. Ik zit aan een tafeltje bij het raam en eet er mijn gebraden ganzenfilet. Er hangen tientallen portretten van bekenden en miskenden. Boven mij portretten van Sigmund Freud en John Hoole (1727-1803). Van John Hoole hoorde ik nooit eerder. Hoole, miskend genie, werd uiteindelijk vertaler. Wilde eerder zijn vader opvolger als horlogemaker. Die wilde daar niet van weten, dus ‘this idea too was discouraged by his father’. Zijn plan acteur te worden mislukte eveneens, wel had hij een keer ’n rol als de geest van Hamlet in het toneelstuk van Shakespeare. Als vertaler werd hij niet geprezen Integendeel. Walter Scott noemde hem ‘a noble transmuter of gold into lead’.

John Hoole, de man die van goud lood maakte. Wie zal nog aan hem denken als dit café wordt opgedoekt? Overigens smaakte mij de ganzenfilet best. Dit echter terzijde.

Vanavond voetbal, maar ook dat gaat gelukkig voorbij.

2014.06.25

Vandaag mailde mij een vriend die schreef dat hij mij op een bijeenkomst had gemist, terwijl hij meende dat ik tijd genoeg had, daar ik alle dagen mijmerend over de begraafplaats Soestbergen wandel. Nu is het waar dat ik daar best graag loop, maar dat komt meer omdat het er groen is, mooi groen en ook heel rustig. De doden op Soestbergen schreeuwen niet als andere mensen, maar liggen maar wat en verder is er alleen vogelgeschrei. Nee, het is geen verlangen naar dood die mij daar brengt. Na je veertigste hecht je niet minder aan het leven, maar meer. Dat het anders is, menen alleen dichters die nog geen dertig zijn. Maar dit alles terzijde.

2014.06.08

De koelte binnen laten. Heerlijk. Net thuis en nu moe als een eendagsvlieg in de avond. Morgen aan programma schrijven. Nu een biertje drinken. Wat is het stil.

2014.05.27, 0.45

Geef mij Nocturnes van Chopin en een glas rode wijn en ik ben geheel van de wereld. Chopin snapte het.

2014.05.19 en 20 mei (19)

Op Soestduinen loop ik tegen de grafsteen van Janus de Winter (1882-1951) aan. Het is een gebeeldhouwde vlam-op-sokkel waarop alleen zijn naam, de geboorte- en sterfdatum staat. Ik ken hem niet, maar de steen is bijzonder. Naast het graf een rood bordje met nr. 31. Dat betekent dat er een verhaal over hem is, een verhaal dat vindbaar is. Van zoveel levens rest er weinig meer dan een steen, maar over de schilder-mysticus Janus de Winter is er veel. Genoeg voor een boek dat ik niet zal schrijven.

De Winter, een gewezen spoorwegambtenaar, ligt vrijwel naast het spoor Utrecht-Arnhem, zo’n driehonderd meter loodrecht op mijn huis. Voluit heette hij Adrianus Johannes Jacobus de Winter.

Hij was, denk ik, niet mooi om te zien, maar wel bijzonder. Naar aanleiding van zijn eerste ontmoeting met De Winter schreef Theo van Doesburg dat Janus de W. hem aan Don Quichotte deed denken. Hij tekende hem ook (zie hiernaast). Daar zijn kruin nogal dicht aanlag bij zijn ogen verwachtte hij weinig van het intellect van De Winter, maar des te meer van het psychische en intuïtieve, zo schrijft hij (Theo van Doesburg, 1916, p. 2). En van zijn schilderwerk natuurlijk. Hij onderkent vernieuwende aspecten in zijn schilderijen en bespeurt de invloed van Kandinksky in zijn werk.

Van Doesburg vertelde zijn vrienden over de ontmoeting en zo komt De Winter rond 1916 in contact met onder meer de psychiater-schrijver Frederik van Eeden die in die dagen in de ban is van het spiritisme. De Winter komt dikwijls voor in de dagboeken van Van Eeden (periode 1916-1923) en is zeker niet de figuur die Van Eeden tempert in zijn zucht naar het bovennatuurlijke. Integendeel. In de jaren twintig stijgt de ster van De Winter en schildert hij veel, vooral binnenwereld. Fantasiefiguren, dromen. Er zijn er die zijn werk beter vinden dan dat van Van Gogh. Hij gaat naar Parijs waar hij Piet Mondriaan en andere schilders ontmoet.

In zijn latere jaren boet De Winter aan creativiteit in en kiest hij er voor het grote publiek te behagen. Het is het begin van het einde. Hij verliest zijn vrouw aan een huisvriend, raakt aan de drank en sterft op 5 augustus 1951 bij zijn dochter in Den Helder, 69 jaar oud. Het Utrechtse genootschap Kunstliefde begraaft hem op Soestduinen en schenkt het grafmonument.

Doesburg, Theo van (1916). De schilder De Winter en zijn werk. Haarlem: J.H. de Bois.

Eeden, Frederik van (1971). Dagboek 1878-1923. Deel 3: 1911-1918 (ed. H.W. van Tricht). Culemborg: Tjeenk Willink-Noorduijn

Maes, Edwin (2006). Soestbergen. Utrechts aardse paradijs. Utrecht: Spou

2014.05.17 (18), 07.05

Zeven uur. Bij Orloff op de Oosterkade worden de stoelen op het terras gezet. De gehelmde mannen van het spoor zijn al bezig met hun baanbrekend werk. De zon, die nu nog wat langs de dingen streelt, zet straks alles in een gloed. De stilte is er niet meer één die bij de diepe slaap hoort, de stad sluimert nog, maar is bezig te ontwaken. Ik hou van dit moment; van het nog net niet, maar straks. Ik hou van het ‘nog even’.

2014.04.30 (17)

Ik lees een tweet over James Salter, raak geïnteresseerd en lees via EBL in zijn briefwisseling met Robert Phelps. Bevalt. Bestelde later vanmorgen een kookboek van hem en zijn vrouw: Smakelijk leven. Literatuurgeschiedenis met weetjes rond een recept waardoor het maal beter genietbaar wordt, zo hoop ik. Het is de eerste keer dat ik een boek via bol.com bestel. Die zonde zal ook wel wennen.

2014.04.25 (16)

De wereld is zo groot en zo vol dingelijk-heid. Misschien kan ik haar kleiner maken, vindbaar, door goed te kijken: in mijzelf, daarna buiten mijzelf. Allereerst in mijzelf, wellicht blijft er dan genade in mijn ogen vindbaar. Vanuit het zelf naar de ander.

2014.04.16 (15)

Een wandeling gemaakt op Soestbergen. Op weg naar de tuin der doden kwam ik F. tegen die ik helemaal niet kende. Ons gesprekje ging over van alles: over Armando, Cobra, zijn werk als kunstenaar. Over Ischa Meijer – de beste journalist van Nederland – de melancholie van Wim Kayser en het stiekeme loeren van Adriaan Morriën die, naar verluidt, altijd op zoek was naar de bekoring die uitging van mooie meisjes die hun haren vlechten. Zo’n meisje te zien en te bespieden was “de luisterrijke bekroning van het vliedende ogenblik”, zo zei F. En zo ging het nog even door. Herenleed en herenvreugden.

Op Soestbergen zag ik haar steen weer. Anne de Man, schrijfster van meisjesboeken (29 sept. 1910 – 8 jan. 2008). Vlakbij haar graf bloeien viooltjes en ook staat er een prachtige struik. Op de site van de DBNL staat er een vraagteken bij haar geboorte- en sterfjaar. Haar boeken werden allen uitgegeven bij Kluitman in Haarlem (tussen ca. 1950 en 1983). Verder weten we eigenlijk niet zoveel over Annie de Man. Alleen dat een recensent-azijnpisser vond dat boeken als ‘De sneeuwvlokjes’ beter niet geschreven konden worden. Er gaan er wel dertien van in een dozijn, zo schreef hij en ‘met een inhoud die ook al in geen enkel opzicht verrassend is.’ Soms is het niet leuk om schrijfster te zijn van meisjesboeken.

Voor het raam van mijn huis ontluiken de eerste rode rozen. Wat er ook nog moge komen. Het is genoeg voor vandaag.

2014.04.09 (14)

Aan het einde van de middag loop ik op Soestbergen tegen een gave zwarte grafsteen die op het eerste gezicht geen naam leek te dragen. Wel zichtbaar is een Duitse tekst van Abraham Mendelsohn [Bartholdy]: Dies ist meine Religion – Ich weiss dass es in allen Menschen einen ewigen Hang zu allem guten, wahren und rechten und ein Gewissen giebt.

Mijn interesse is gewekt. Net boven de zwarte grond en verborgen achter onkruid staat haar naam: Anna Fles. Verder zijn er geen gegevens. Geen geboortedatum of sterfjaar. Niets. Ik heb geen idee hoe oud de steen is, noch ook wie Anna Fles is. Nooit eerder hoorde ik van haar.

Maar het internet legt veel bloot, al moet je er wel een beetje naar graven.

Zo schrijft het Algemeen Handelsblad van 21 november 1906 niet alleen dat er op de begrafenis van Anna Fles niet gesproken werd, maar ook wie er bij de groeve aanwezig waren, onder meer: Alphons Diepenbrock, Willem Petri, Hendrik Zwaardemaker, Lodewijk van Deijssel. Allemaal mensen uit het culturele circuit (m.n. literatuur en muziek). Een advertentie in diezelfde krant op 18 november leert dat zij nog één zus had die haar dood diep betreurde: de kunstenares Etha Fles. De beide ouders waren al eerder overleden.

Anna Fles (20 januari 1854-17 november 1906) was een Utrechtse muziekpedagoge, componiste, schrijfster (pseudoniem A.M. Eldar) en voorzitster van het Utrechtse Palestrinakoor. Zij was bevriend met Frederik van Eeden die haar volgens zijn dagboek regelmatig in Utrecht bezocht, m.n. in de jaren negentig. De vriendschap met Van Eeden stond in de jaren voor haar overlijden onder spanning. Hij was niet op haar begrafenis, maar schrijft er wel over in zijn dagboek: “Gisteren is Anna Fles begraven. Martha [van Vloten/zijn vrouw, Jon] ging er heen, en het was mooi. Ik hield van haar, hoewel we tweemalen van elkaar vervreemd zijn, eens door Betsy, en eens door Bertha. Maar ze waardeerde mij ten slotte toch en ik haar evenzeer. ▫ Het doet mij leed dat ik haar nog niet éénmaal voor haar dood vertrouwelijk heb kunnen spreken. ▫ Maar ach! er blijft zooveel onopgelost en onafgedaan bij ons leven.” (Dagboekaantekening Van Eeden, 21 november 1906).

Anna vertaalde overigens ook nog De kleine Johannes in het Duits. Die, door Van Eeden, geautoriseerde Duitse vertaling werd later door Lu Xun gebruikt in zijn Chinese vertaling van De Kleine Johannes. Ik was als jongen een dolle liefhebber van de Kleine Johannes, het Windekind en Pluizer. Ik denk dat de kleine Chinezen dat ook wel zullen zijn. Maar dit terzijde.

Als ik weer langs haar grafsteen loop zal ik aan hen denken: aan Windekind, Pluizer, Cijfer en ook een beetje aan Anna Fles. En aan de Chinezen natuurlijk.

2014.03.31 (13)

Op het station liep een mooi meisje, haar blonde haren samengebonden in een paarse strik. Ze had een hemelsblauw rokje aan en droeg een panty met een ladder bij haar billen. En ze lachte in zichzelf. Alsof ze dingen in de juiste proporties zag. De proporties die ik niet zag, nu niet en nooit niet.

In haar plastic tas zaten wel vijf paar schoenen, drie hoeden en ook nog twee flessen. Leeg. Toen ging ze dansen op de vierkante stenen en lachte nog harder. Ik ging wat dichter bij haar staan en vroeg of het wel goed met haar ging. Ja, het gaat heel goed, zei ze en ze nam haar hoofd in handen. In de verte zag ik de trein aankomen. Ik ging nog wat meer in haar buurt staan. Mijn beenspieren aangespannen en helemaal klaar om te redden. Ook voelde ik al enige ontroering bij de gedachte aan de heldenrol die ik voor mijzelf in petto had.

In razende vaart ging de goederentrein voorbij. Het meisje met de blonde haren in een paarse strik, het blauwe rokje en de gescheurde panty lachte. “Dit was niet mijn trein”, zei ze. “Mijn trein komt nog wel. Later. Als de NS het wil en ook als ze het niet wil.”

Tien minuten later arriveerde mijn trein. Ik ging mee en liet haar achter bij haar plastic tas met de lege flessen. Alleen. Het meisje met de blonde haren in een paarse strik, met het hemelsblauwe rokje en de panty met een ladder bij haar billen.

Ik kan alleen maar hopen dat haar trein niet komt. Nu niet, nooit niet.

2014.03.18 (12)

De doden op Soestbergen zijn met zoveel draden verbonden aan de stads- en universiteitsgeschiedenis. Ik loop er rond in een tuin en tegelijk in een levend geschiedenisboek.

Willem BarnardEn dat alles vlak bij mijn deur. Vanmiddag liep ik onverwacht tegen het graf van de dichter Willem Barnard op. Hij ligt er met zijn vrouw Tinka. Bovenaan de steen staat: “Het is de tijd die ons gelukkig maakt”. Mooi groen rondom de steen.

Thuis zoek ik in Een zon diep in de nacht naar een dagboekaantekening van Willem Barnard rond de tijd dat Tinka B. stierf. Die aantekening is er niet of mogelijk zijn er passages weggelaten. Toch is er wel iets, want twee jaar na haar dood schrijft hij weer en dan is het direct raak:

“Maar ik ben alleen. Vannacht droomde ik van Tinka, wij liepen samen, ik wou haar kussen – en ze was weg. Het verdriet wordt minder, maar het gemis wordt groter, zei Stella [Hasselaar]. Het is waar.

Het knagende gemis. Die vrouw, mijn vrouw, de vrouw. En het besef, steeds meer, dat ik het af moet leggen tegen de tijd. Dus, als altijd, de liefde en de dood. De simpele amour, de serieuze dood. Venus en Thanatos. En niet veel geloof. De hunkering is rood, de angst is donkergrijs.”

Willem Barnard en zijn Tinka liggen vlakbij de graven van de dode vliegeniers waarover ik eigenlijk had willen schrijven. Over de man die in juni 1943 dwars door het dak viel van een huis aan de Kapelstraat. Dood. Hangend aan een parachute die niet openging. Vervolgens kwam hij op het bed terecht van een echtpaar dat de schrik van hun leven kreeg. Voor hem en die andere vliegeniers was ik naar het kerkhof gegaan. Ik vond hen, maar ik vond nog meer. Te veel.

Er is zoveel. Te veel dood in de lente.

2014.03.11 (11)

Werd vanmorgen wakker met een leren lap in de bek. Wankelde het bed uit en bereikte nog net op tijd de kraan. Water. Moest denken aan het verhaal van C., de Turkse fietsenmaker in de R.straat. Hij vertelde mij gisteren het verhaal dat stervenden vlak voor hun dood vaak een enorme dorst hebben. Op dat moment verschijnt de duivel aan het voeteneinde en belooft de bijna dode water in ruil voor de afzwering van het geloof. Het was zijn moeder ook overkomen, zei hij, ‘maar het liep goed af. want wij gaven haar water en zij stierf in vrede.’

2014.03.08 (10)

Gelukkig is er muziek die het lijden van de wereld op zich neemt. ‘t Verzoent wel niet, maar ‘t verzacht. Vanmorgen wakker geworden met Arnalds – Eulogy for Evolution. Elektronische muziek weliswaar, maar zorgt er voor dat de geest weer tot het lichaam komt. Geist im Glas, bitte!

2014.03.07 (9)

Als ik, zoals vanmiddag, langs de plaats wandel waar de schilder en zeeman Dolf Zwerver ligt, moet ik altijd even glimlachen. ‘Tot hier is hij gekomen’ staat er op zijn steen. Hij was vast ook filosoof. Boven zijn naam staat de afbeelding van een uil. Die heeft iets met wijsheid, meen ik.

Zwerver was volgens de dichter Ingmar Heytze de laatste grote schilder uit een Utrechtse school van magisch realisten als Pyke Koch en J.H. Moesman. Heytze zegt nog meer mooie dingen over Zwerver: bescheiden mens, groot schilder en ontsnappingskunstenaar.

Het zegt toch wat over de ervaren werkelijkheid dat bijna iedereen er aan wil ontsnappen. Ver komen we niet, maar ‘soms even’ is genoeg. Dolf Zwerver wist dat en hij maakte zich geen illusies: tot hier is hij gekomen. Soestbergen, vak G.

2014.03.06 (8)

Las vanmorgen op hardhoofd, een digitaal tijdschrift, een stuk over vergankelijkheid en eeuwigheid. Daarin bespreekt Emy Koopman haar ervaring met Alle mensen zijn sterfelijk, de roman van Simone de Beauvoir die in september 1989 diepe indruk op mij maakte. Ik had, zo meende ik toen, het concept van de eeuwigheid begrepen: eindeloze herhaling, verveling en ook uitstel omdat noch tijd, noch dood, noch schaarste, noch nood het Zijn ordende en je tot een keuze dwong.

Maar niet alleen de eeuwigheid, ook het heden werd nooit meer hetzelfde. Het dak boven mijn hoofd verdween en de mij toegemeten tijd kromp en ik moest kiezen. En in de loop van krimpende tijd werd dit besef niet minder, maar meer. Simone de Beauvoir zette met de roman Alle mensen zijn sterfelijk het hier en nu op de kaart. Voortaan gedoemd om te kiezen. Voor nu en altijd. Men onkomt niet aan de Prediker. Nu niet, nooit niet.

Maar vanaf vandaag wil ik eeuwigheid. Ruimte.

2014.03.05 (7)

Gustave Flaubert13.30 – Kwam gisteren een passage in brief van F. aan Louise Colet tegen over wat een optimist de ‘circle of life’ noemt. Lijkt erg op de ideeën die de nu zo dode Leo Vroman had: “het Leven verdringt de Dood, het laat gras groeien in versteende schedels en op het steen, waarin een van ons zijn droom gehouwen heeft, verschijnt steeds het Eeuwige Principe, telkens als de gele muurbloem bloeit. – Het is een zoete gedachte dat ik eens zal helpen tulpen te laten groeien. Wie weet? De boom aan de voet waarvan ik begraven zal worden, zal misschien uitstekende vruchten dragen. Ik zal geweldige humus zijn, voortreffelijke vogelmest.”

Er staat geen boom aan wiens voet Gustave Flaubert is begraven. Hij ligt in Rouen. Niet onder bomen of bij bloemen, maar wel, zo zegt Cees Nooteboom ergens: ‘in zo’n lullig burgerlijk familiegraf’ en omgeven door dor gras. Tja.

2014.03.04 (6)

21.45 – Flaubert spreekt in zijn brieven in de jaren veertig regelmatig over het schilderij De Verzoeking van de heilige Antonius. In een brief aan zijn geliefde, Louise Colet (21/22 augustus 1846), schrijft hij hoe het somber groteske van het schilderij hem bekoort. Jammer dat ik niet weet van welke schilder hij die afbeelding kocht. Mooi ook hoe hij beschrijft hoe dat schilderij hem aanzet tot reflectie: ik ben als ‘een arabesk in een mozaïek’ met stukjes ivoor, goud, ijzer en er zijn er van beschilderd karton. Er zijn er van diamant. En er zijn er van blik. Maar zijn geliefde Colet ziet  Flaubert als een vrouw uit één stuk. De dwaas 😉

11.00 – Op Soestbergen schijnt de zon op de grafsteen van Elisabeth Somermeijer. Alleen haar naam staat op de steen, maar de grafbezorgers waren voor het overige wel scheutig. Zo staat er een strak en stevig zwartgeverfd hek omheen. Misschien waren ze bang om haar opnieuw te verliezen.

Elisabeth S. ligt vlakbij de rotonde van Zocher, waar de elite van het 19e eeuwse Utrecht werd begraven. In mijn plattegrond ligt ze op de scheiding van vak F en G. Jaja, ik werp mijzelf maar even op als de administrateur van de doden van Soestbergen.

Merkwaardig dat er niets op de steen van Elisabeth staat. Ik heb mijn bronnen, maar die leveren weinig op. Elisabeth S. werd 33 jaar en stief in 1898. Op 22 jarige leeftijd werd ze hulponderwijzeres in Semarang, de havenplaats in het toenmalige Nederlands Indië, waar ze na 2 jaar promotie maakte als onderwijzeres van de openbare 1e lagere school A. Dit alles volgens het Bataviaasch Dagblad.

Eind 1897 krijgt Elisabeth Somermeijer zes maanden verlof. Onbetaald verlof, want ‘buiten bezwaar van den lande’. Tja, dat is Nederland. Groot voor de groten, klein voor de kleinen. Wellicht was ze ziek. We weten het niet, maar op 9 maart 1898 sterft ze. De moeder van Elisabeth was trouwens al eerder overleden. Op een overgeleverde foto kijkt ze ietwat triest uit haar ogen. Maar ze had een leuk hoedje op en prachtige lippen. Hàd, dat dan weer wel.

2014.02.24 (5)

Ik zat in de trein toen ik hoorde dat hij was overleden. Opgenomen in de heerlijkheid van het Systeem. Fijn vond ik het, voor hem dan, dat hij eerder was gegaan dan T., de vrouw die sterker was dan hij, maar met wie hij samen sterker, moediger en misschien ook wel blijer was dan wie ook. Ik denk dat te weten, zag een paar jaar geleden een documentaire over hem en zijn vrouw. Maar wat weten wij van een ander en wat kunnen wij weten? Niet zo heel veel, vrees ik.

Vroman dus, de dichter die zijn psalmen richtte aan het Systeem. Spinozistische gedichten en zo vreselijk intiem. Zin om te citeren uit Psalm 1. Systeem! Gij spitst geen oog of baard | en draagt geen slepend kleed; | hij die in U een man ontwaart | misvormt U naar zijn eigen aard | waar hij ook niets van weet. (…) Systeem! Lijf dat op niets gelijkt, | Aard van ons hier en nu, | ik voel mij diep door U bereikt | en als daardoor mijn tijd verstrijkt | ben ik nog meer van U.

Ben ik nog meer van U.

2014.02.23 (4)

Ik luister naar Amy Winehouse en dat komt door Hans Engberts, een van de twee eigenaars van Hindericks & Windericks, maar nu verscheiden. Gisteren liep ik toevallig – maar wat is toeval? – tegen zijn grafsteen op en dacht meteen aan een interview met Engberts over ziekte, dood, drank, vrouwen en muziek van Winehouse (NRC weblog).

Vroeger  kwam ik vaak bij Hindericks & Windericks. Na het lezen van het Winkeldagboek van de beide antiquairs was ik altijd bang om in deel II ontmaskerd te worden als één van die domme klanten van H & W. die nooit gepast geld bij zich hebben, maar wel altijd afdingen op de boekenprijs. Als ik al naar binnen durfde wilde ik het liefst onzichtbaar zijn. Intussen was en is Hindericks & Windericks wel de mooiste tweedehands boekenzaak van Utrecht.

Hans Engberts was naast antiquair ook schrijver en schaker. We hadden ooit een boeiend gesprek over Antonius van der Linde, één van de merkwaardigste figuren (en een schaker) uit de 19e eeuw die –  van doopsgezinde afkomst – als gereformeerd predikant de dubbele predestinatie leerde (vanzelfsprekend natuurlijk gezien zijn schaakachtergrond), promoveerde op Spinoza, bibliografieën samenstelde over David Joris, Spinoza en Balthasar Bekker en als vrijdenker en Spinozist eindigde. De man was trouwens doodongelukkig. In de liefde, maar ook buiten de liefde. Van de Linde schreef ook een studie over de bronnen en geschiedenis van het schaken, een boek dat een paar jaar geleden nog honderden euro’s kostte. Ik was er jaren naar op zoek en hoopte een exemplaar te vinden bij Hindericks & Windericks. Ik heb het nooit gevonden.

Hans Engberts heeft een mooie grafsteen, heeft wel iets weg van een surfplank. Zo’n ding waarop men wel voor altijd zou willen scheren op gods golven en langs eeuwige stranden gaan. Zoiets, maar dan beter.

2014.02.18 (3)

Geschiedenis leeft en zeker op het kerkhof. Ik liep vanmiddag op Soestbergen tegen het graf van Robert van Genechten aan. Hij ligt er – sinds zijn herbegrafenis in 1958 – samen met zijn zoon Frits die eind oktober 1949 een sierijzer tegen zijn hoofd kreeg en aan de gevolgen daarvan overleed. Het grafmonument maakte in eerste instantie op mij de indruk van een Boeddhabeeld. Het zit echter anders. Al in 1943 gaf Van Genechten opdracht aan de beeldhouwer en sierkunstenaar Chris Agterberg tot het ontwerp van het beeld op het graaf: een barende vrouw met een eikentak in haar hand. Germaanse symboliek.Genechten In dat jaar leed Van Genechten overigens aan een depressie en werd hij door de nazi’s op een zijspoor gezet. Robert van Genechten was een vooraanstaande NSB-er – naast Mussert en Van Geelkerken – en werd in oktober 1945 ter dood veroordeeld. In een laatste brief aan de griffier van het Bijzonder Gerechtshof betuigde hij schuld over zijn daden: ‘het is alsof ik uit een droom ontwaakt ben’ (RIOD, [1946], 78).

Van Genechten wilde geen gratieverzoek indienen omdat zijn schuldbekentenis daardoor zijn betekenis zou verliezen en ook ‘omdat overigens de dood mij liever is dan het leven’. Hij ontliep het vuurpeloton door zich op te hangen aan de broekband van een onderbroek aan de buis van de centrale verwarming in zijn cel in Scheveningen, zo meldt het rapport van het RIOD.

Wat de geschiedenis nog interessanter maakt is het gegeven dat de uit Vlaanderen afkomstige Van Genechten ooit bevriend was met de dichter / dadaïst Paul van Ostaijen en hem rond 1919, tijdens zijn Berlijnse periode, brieven stuurde waarmee hij Van Ostaijen mogelijk op een politiek spoor zette. Die brieven waren in het bezit van Gerrit Borgers, maar zijn onlangs uitgegeven.

De brieven kan ik nog deze week bij de UB ophalen (Macht moet zijn in handen van de menschen met ethos : 5 brieven over macht en revolutie van Robert van Genechten aan Paul van Ostaijen (januari-maart 1919). Geschiedenis ligt op straat!

2014.02.17 (2)

Op Soestbergen. De krokussen bloeien er mooi in het groene gras. Nieuw leven temidden van de dood. Er liggen nogal wat hoogleraren theologie op dat kerkhof. Ik signaleer er J.I. Doedes, Nicolaas Beets, J.J. van Oosterzee en Jacob Cramer. Het valt me op dat de meesten onder van hen een zuiltje hebben. Een laatste poging om tot aan de hemel te reiken. In een enkel geval ligt de echtgenote voor het zuiltje, zoals bij J.J. van Oosterzee. Nicolaas Beets is een uitzondering. Die heeft geen zuil, alleen een platte steen met de tekst God is mijn licht. De man werd tijdens zijn leven aanbeden. Ik heb een zwak voor de man vanwege zijn moerbeitoppen en de toevende god.

Ik spreek de hovenier aan die me naar de grafsteen van de architect Gerrit Rietveld brengt. Rietveld lag eerder begraven naast zijn minnares Truus Schröder-Schräder. Zijn kinderen vonden dat niet leuk en daarom werd hij in 1995 vanuit Bilthoven verplaatst naar Utrecht en herbegraven op Soestduinen. Nu ligt hij er als ‘weduwnaar van Vrouwgien Hadders.’ Voor altijd alleen.

2014.02.16 (1)

In het Verzameld proza van Nescio gelezen (Insula Dei). Dat is filosofie verstopt in kannetjes en melkkokers. Ofwel reflecties omtrent het Eeuwige in het alledaagse. Daarna een ontroerende documentaire over een Staphorster vrouw die van het leven houdt, zichzelf serieus neemt en voor haar rechten opkomt. Mooi. Zag ook jeugdvriend G. op een SGP bijeenkomst figureren, uiterlijk weinig veranderd. Wat beter in het vet.

Het weer is prachtig, de zon komt door en ik geniet van de lysianthes en de lelies in mijn glazen vazen, en ook van de prunus autumnalis. Zo nog even wandelen en een paar boodschappen doen voor het eten. JD komt vanavond. Dan experimenteren met een maaltijd, heb een recept voor knoflooksoep.