In 't Wasdom

antiquariaat Cornelissen & De Jong – Notter | Zwolle
april 16th, 2020 by Igor Cornelissen

Bouwmeester Berlage

Toen Amsterdam, al weer jaren geleden, uitgeroepen werd tot de Culturele hoofdstad van Europa, vond mijn vriend Eduard Groeneveld, bibliothecaris van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie dat hoogst misplaatst. Hij woonde er en vond het De Pisbak van Europa geworden. Niet alleen dromden hasjrokers en bierdrinkers uit alle delen van het continent er tesamen, ook lag zijn woning midden in de zone waar krakers een verwoestende slag toebrachten aan wonigen en het gezag.

Is het er nu nog erger? In ieder geval is er veel bewaard van wat eens mooi was en wat bleef. Ik doel op de architectonische nalatenschap van de grote H. P. Berlage en niet alleen zijn Beurs. Overal in de hoofdstad staan zijn merktekens in Een bouwmeester in beeld mooi gefotografeerd. Berlage bouwde niet alleen in Amsterdam, maar ook in Bilthoven, Laren, Groningen en Den Haag. Berlage was links, tegen het communisme aan, ging in 1929 zelfs mee op reis naar het nieuwe Rusland en schreef in het kritiekloze boek dat Henri Pieck over die tocht schreef een soort loflied in rijmvorm. Zijn bouwkunst heeft daar gelukkig niets mee te maken. Berlage, een man waar Nederland trots op mag zijn.

Nog meer Berlage in het boek van Marien van der Heijden. Wie nooit in de Burcht van Berlage is geweest, heeft een belangrijk Amsterdams monument gemist. Het was vele jaren het hoofdkwartier van de eens machtige Algemene Nederlandse Diamantbewerkers Bond.

De leider van de ANDB, Henri Polak, had voor de joodse arbeiders het gezag wat voordien de rabbijnen hadden gehad. De ANDB bestaat niet meer. De joodse diamantbewerkers werden voor het overgrote deel vermoord. Nu is het een vakbondsmuseum. Ik gaf er eens een lezing en was onder de indruk van het vakmanschap van H.P. Berlage, vele jaren de toonaangevende architect van de hoofdstad.

Méér architectuur

april 15th, 2020 by Igor Cornelissen

Twee tuinen

Salamon Dembitzer (1888-1964) werd geboren in Krakow en woonde in Berlijn, Lissabon, Amsterdam en Amerika. Vaak op de vlucht zoals voor een jood niet ongebruikelijk. In Nederland schreef hij voor het Algemeen Handelsblad en Het Volk. Dat was in de jaren van de Eerste Wereldoorlog, toen van zijn hand ook meerdere boeken verschenen.

De Twee Tuinen (ca. 1919) werd uit het Jiddisch vertaald door Arnold Saalborn, neerlandicus en zoon van een Russische jood. Saalborn was een geliefd leraar. Onder zijn leerlingen waren Jacques Gans, Willem Frederik Hermans, de verzetsstrijdster Reina Prinsen Geerligs en de dit jaar overleden Eli Asser. Arnold Saalborn zelf zou al een studie waard zijn. Na zijn pensioen ging hij nog les geven op de Kees Boeke School.

Niet minder interessant is de geschiedenis van de uitgeverij Cohen en Zonen die veel uitgaf, maar financieel nooit erg hoog scoorde. Uiteindelijk wint het boek het van de centen.

Méér judaica

april 14th, 2020 by Igor Cornelissen

Een ambitieuze onderwijzer

Om iets te bereiken moet je wel over enige ambitie beschikken. Johannes van Loon was onderwijzer toen hij rechten ging studeren. Hij kende armoede, kwam niet uit een welgesteld gezin.

Van Loon bleek te veel ambitie te  hebben want hij liet zich door de Duitsers in 1941 benoemen tot president van de Hoge Raad nadat zijn voorganger mr. Visser als jood was ontslagen. Loe de Jong schrijft in zijn geschiedwerk dat Van Loon fout was, maar minder fout dan anderen. Een bewijs, zegt biograaf Herman Hermans, dat De Jong wel degelijk grijstinten erkende.

Hermans leverde een gedegen stukje werk af. Prettig voor hem was dat hij de medewerking kreeg van de zoons van Van Loon. Johannes van Loon vestigde zich na zijn veroordeling in 1948 op de Nederlandse Antillen. Was hij alleen maar naïef geweest zoals zijn vrienden beweerden?

Meer geschiedenis en/of biografieën

april 13th, 2020 by Igor Cornelissen

Japie Groenteman, de kleine orgelman op het Waterlooplein

Jazz spelen is, ik spreek uit ervaring, opwindend, ernaar luisteren een waar genoegen. Er over lezen is goed te doen mits je er een jazzplaat bij opzet. Maar gedichten lezen over die muziek? Het is te doen, als de kunstenaar de goede toon weet te raken. Jan Hanlo kon het: “Het was half vijf ’s morgens in April / ik liep, en floot de St. Louis Blues / Maar ik floot die op mijn eigen wijze…” En dan verder zelf maar lezen.

Leuk vond ik ook Richter Roegholt in zijn gedicht Amsterdam. Hij laat daarin de kleine orgelman voortleven die in de jazztent Casablanca op de Zeedijk grote blonde meiden om en over zich heen liet dansen. Ik heb dat zelf gezien in de jaren vijftig.

Die orgelman, dat kleine kereltje, heette Japie Groenteman en iedereen kende hem want hij ging heel brutaal met zijn centenbakje langs de mensen op terrassen en in café’s. Ik zag hem eens bij Hoppe op het Spui binnenkomen. Hij vroeg eigenlijk niet om geld, maar eiste het op. Een ware nazaat van generatie schnorrers die je de gelegenheid gaven een goede daad te verrichten door iets van je rijkdom af te staan. Die schnorrers bestaan al lang niet meer en het is ook al weer lang geleden dat ik Japie in Amsterdam zag met zijn brutale, maar toch innemende koppie. Ik deed altijd een munt in zijn bakje. Het kwam ook omdat ik van die Amsterdamse draaiorgelmuziek hield. Als ik ‘s morgens een wals hoorde, kon de dag niet meer stuk. Nog bedankt Japie en Richter.

Verder zijn in de bundel natuurlijk Martin Schouten, Simon Vinkenoog, Jan Kal en Lucebert present, Kal hield van Frank Sinatra en Lucebert wist echt veel van jazz en had een uitgebreide collectie platen zoals ik eens zelf kon constateren.

Méér poëzie en/of meer muziekgeschiedenis

april 12th, 2020 by Igor Cornelissen

Versteend Joods leven in Amsterdam

Verhalen uit joods Amsterdam geeft een mooi beeld van hoe het was met verhalen van Grete Weil, Maurits Dekker, Sal Santen, Marga Minco, Bernard Canter (ik vond na jaren zoeken een eerste druk van zijn boek Kalverstraat) en bovenal Multatuli die zijn Woutertje Pieterse door de Jodenbuurt liet dwalen.

Martin van Amerongen schreef een boeiende inleiding waarin hij van de valse romantiek, opgeroepen door een VVV-folder, niets overlaat. Joods Amsterdam bestaat niet meer. Er lopen nog wat individuele joden rond die handel drijven, in kranten schrijven of een rol in het culturele leven spelen. ‘Zij vormen een marginaal verschijnsel in een stad die niet of nauwelijks een joods gezicht meer heeft. Het joodse leven – economisch, maatschappelijk, artistiek – is versteend tot gedenkplaten, musea, bruggen en monumenten.’

Het is een harde constatering die ik niet anders dan bevestigen kan. In 1947 logeerde ik op de Zwanenburgwal in een totaal verwoeste jodenbuurt. Jaren later kwam ik er te wonen om te werken bij kranten. Inderdaad restjes van een vrijwel vermoord volk. En van die monumenten komen er alleen nog maar bij, inclusief de bijbehorende bonjes en debatten. Er zijn altijd bewogen toespraken. Dat dan weer wel.

Meer judaica.

april 11th, 2020 by Jaap de Jong

De Gave Gods

Lezen in De Gave Gods, daarna bezig met een kunstwerk waarin woorden van Rainer Maria Rilke, Max Stirner en het Vita Brevis van Hippocrates samen komen. Dan drie bestellingen (#Elsschottiana) wegbrengen en wandelen met de geliefde.

Een rondje om de Oude Stad. Het is niet druk. Bij Klein Wezenland, aan de oostzijde van de stad, loopt iemand in een lang middeleeuws gewaad met een puntmuts. Hij draagt een gasmasker en grabbelt in vuilnisbakken. Een maanzieke man met een doodskop. Een surrealistisch schouwspel. Hij externaliseert de angst en leent haar zijn gezicht. Fascineert het vanwege de herkenning?

Overal in de stad hangen posters met de tekst Heb lief, een halfhartige tekst in een lelijk lettertype. Gebiedend ook. De woorden doen mij denken aan de veel betere, want vollediger, tekst van Augustinus: heb lief en doe wat je wilt. Een willen gestuurd door liefde. Maar heb lief is lekker kort. Enfin, een stad krijgt de kunst die zij verdient.

Neen dan liever Boeijen. Heb mij lief, bevrij mij en maak mij zo licht van alle lusten los. Nu terug naar De Gave Gods.

april 11th, 2020 by Igor Cornelissen

Van Saulus tot Paulus

Zonder Paulus zouden de volgelingen van de joodse Jezus het nooit tot een wereldgodsdienst hebben kunnen brengen. Daarover zijn christenen en niet-gelovigen het, denk ik, wel eens.

Wie was die man die man die zich, van het ene op het andere moment, bekeerde en daarna een ijveraar werd? Een ‘ruim’ mens aan de ene kant, want besnijden hoefde niet meer van hem en de strenge voedingsvoorschriften lapte hij ook aan zijn laars. Maar ten opzichte van vrouwen was hij minder ruimhartig. Ik heb wel eens gehoord dat sommige christenen hem daarom niet zo ‘mogen’.

Schonfield begint met een indringend beeld van Tarsus, de stad waar Paulus werd geboren. Een stad met een zeer gemengde bevolking destijds. Broeinest of broedplaats? De joodse geleerde Hugh J. Schonfield noemde zich een Nazarener wat betekent dat hij meende dat Jezus inderdaad de Messias was zoals die in het Oude Testament wordt voorspeld.

Méér theologie of méér godsdienstwetenschappen

april 10th, 2020 by Igor Cornelissen

De kwasten van Harrie Gerritz

In de Librije in Zwolle was heel lang geleden de synagoge en veel later had Jonnie Boer er zijn restaurant. Maar daartussen was het expositieruimte en ik heb er ook jazzconcerten gehoord. Ik zag er de drummer Art Taylor spelen en ik zag ook hoe de guitarist Jimmy Raney die avond niet kon spelen. Hij was er wel, maar zat ladderzat op een trap. De koffie die ik voor hem haalde, hielp niet.

In 1977 had de schilder Harrie Gerritz er een solo-expositie. Mathilde Visser die eerder voor het communistische dagblad De Waarheid werkte en daarna voor het Financieele Dagblad vond zijn werk zeer de moeite waard. Zij schreef de inleiding voor de brochure die bij de tentoonstelling hoorde. Ze besloot aldus: “Het uiterlijke aspekt van de wereld waarin hij leeft, is alleen aanleiding voor het zichtbaar maken van een diepere belevenis die door middel van een dichterlijke ordening tot ons overkomt.’

Mevrouw Visser (Tilly voor vrienden) was zeer gecharmeerd van het werk van Harrie Gerritz wiens kwasten overigens tot op de dag van vandaag niet rusten.

Meer kunst.

april 9th, 2020 by Igor Cornelissen

De oplichter

Toen ik bezig was aan mijn biografie van de Pools-joodse oplichter Siegried Wreszynski, maakte Hans Gruijters mij attent op de wetenschappelijke studie De oplichter van de forensische psychiater (en hoogleraar) dr. Machiel Zeegers. Ik had er veel aan.

Aanzien, rijkdom, avontuur, liefde. Het zijn geen geringe zaken die de oplichter ons te bieden heeft. De oplichter is de magiër, die ons het land van belofte voortovert. Hij treedt in onze wereld binnen als degene die onze wensdromen vervult”, zo las ik bij Zeegers.

Dat alles was mijn hoofdfiguur Wreszynski op het lijf geschreven. Zeegers analyseert in zijn dissertatie (uit 1959) een aantal gevallen. Eenmaal met bedrog begonnen, kunnen de meeste oplichters niet meer stoppen. Het is een verslaving. Wie kranten leest, weet dat oplichters onuitroeibaar zijn. Ook steeds vindingrijker in de digitale wereld.

Ik raakte bevriend met Hans Gruijters. We bezochten de horeca in Zwolle en in Lelystad waar hij burgemeester was. Maar dat laatste geheel terzijde.

Meer psychiatrie

april 8th, 2020 by Igor Cornelissen

De rozen van Adenauer

Konrad Adenauer (1876-1967) The Father of the New Germany noemen klinkt wat zoetsappig, maar het is verdedigbaar. Duitsland was na 1945 een verzameling ruïnes. Nu is het opnieuw de sterkste staat in Europa. Adenauer, een conservatieve heer met een lange ervaring als burgemeester van Keulen, bleek het meest geschikt om Duitsland weer aanzien te geven. Conservatief. Niet echt fout, al onderschatte hij rondom 1933 de duivelse plannen van Hitler. Met het verzet had hij weinig tot niets te maken, maar hij was afstandelijk genoeg om door de nazi’s als burgemeester afgezet te worden. Enkele keren zat hij kort vast.

Als felle anti-communist kon hij het goed vinden met de bezetters in het Westen. Een zware klus kreeg hij in 1955 toen hij in Moskou de laatste tienduizend Duitse krijgsgevangenen los moest zien te krijgen. Gelukkig voor hem zaten de Russen ook met die ontevreden schurken in hun maag. Het was niet zo dat Adenauer die voormalige soldaten omarmde, maar het waren wel Duitse onderdanen. Pas op de laatste dag van zijn verblijf in Moskou kwam het tot een vergelijk toen Nicolai Boelganin uitriep: Je kunt ze allemaal van ons krijgen. Ook zonder verdrag. Adenauer kreeg later nog kritiek dat hij Boelganin op zijn woord had geloofd.

Adenauer zei eens dat verdragen net zijn als jonge meisjes en rozen: ze verwelken snel. Of hij verstand van jonge meisjes had is de vraag. In ieder geval wel van rozen. Hij had een enorme rozentuin. Er is tegengesproken dat hij ze kweekte, hij verzorgde ze. Die tuin is nog steeds te bezichtigen in Rhöndorf aan de Rijn waar hij op hoge leeftijd overleed.

Meer biografieën

april 7th, 2020 by Igor Cornelissen

De wereld die er nooit kwam

Toen De Slegte nog een pand had op de Melkmarkt in Zwolle stond er op de afdeling Criminaliteit een boek over het anarchisme te koop. Niet helemaal onbegrijpelijk, want de anarchisten rond 1900 werden vaak vereenzelvigd met bommengooiers en aanslagplegers. Dat was spannend.

Niet alleen in Rusland (de tsaren en hun secundanten waren gewilde objecten), maar ook in Frankrijk en Amerika waren er aanslagen. De Italiaanse anarchisten Nicola Sacco en Bartholomeo Vanzetti kwamen er, waarschijnlijk onterecht, voor op de elektrische stoel. Dat kon niemand verhinderen, ook al tekenden Albert Einstein, Anatole France en Madame Curie petities en klonken er overal protesten.

Hedendaagse anarchisten worden niet graag herinnerd aan dat gewelddadige verleden. Ik schrijf zelf een rubriek in het anarchistische blad De As, maar abonnees en de auteurs gooien nooit iets dat kan ontploffen, althans ik heb tot nog toe niets gehoord. Sacco en Vanzetti komen in De wereld die er nooit kwam niet voor. Domela Nieuwenhuis, de bekendste anarchist in Nederland, evenmin. Toch is het een enorm dik boek geworden.

Alex Butterworth behandelt niet alleen de grote theoretici als Peter Kropotkin en Elisée Reclus, maar laat ook de cafés waar de plannen werden beraamd herleven. Een mooi hoofdstuk over complotten. En uiteraard uitgebreid de Commune van Parijs. Kropotkin had al snel door dat Lenin en zijn aanhangers niet deugden. Hij noemde ze ‘rovers en gangsters’. Het debat daarover gaat door. In Parijs bezocht ik ooit het politiemuseum. Een beleving! Niet alleen alle kostuums van vroegere commissarissen en hun sabels, maar ook krantenverslagen van de jacht op moorddadige anarchisten. Ik herinner me zelfs de opgezette koppen van de onthoofde daders in potten met sterk water. Of bedriegt mijn geheugen mij nu?

Méér geschiedenis

maart 28th, 2020 by Jaap de Jong

“Gott ist ein lauter Nichts”. Over Aurelius Augustinus en Angelus Silesius

De Nicolaikerk is zonder enige twijfel de mooiste kerk van Utrecht: daar treffen jeugd, dood, waanzin en ouderdom tezamen. En ook de vroomheid. Het zijn niet mijn woorden, maar die van de Utrechtse schrijfster Clare Lennart. In een gedenksteen gebeiteld en met regelmaat met graffiti besmeurd door hen die voor het eerst of opnieuw in “de ochtend van het leven” zijn aangeland.

Het was op een zondagmorgen ergens aan het einde van de jaren negentig dat ik daar stond: in het portaal van de Utrechtse Nicolaikerk. Alleen. Binnen zong de gemeente: “Ach, dat ik u zo laat herkende/Gij die de schoonheid zelve zijt/dat ik mij eer niet tot U wende.” Het gemeentegezang (lied 430), die ik in het portaal beluisterde, trof mij als de bliksem – niet zozeer door een goddelijke interventie (hoewel ik die niet wil uitsluiten) – maar omdat ik het lied direct herkende als een geslaagde interpretatie van een passage uit de Belijdenissen. Deze thriller van Augustinus is één van de mooiste teksten – zo niet de mooiste – uit de wereldliteratuur.

Ik was nog geen twintig toen ik de Belijdenissen voor het eerst in handen kreeg. Ik spuug niet in de bron waaruit ik dronk, maar kwam er wel achter dat Augustinus er meer geprezen dan gelezen werd. Een genie in taal en in denken, maar zo anders dan ik gewend was. Bij die lezing realiseerde ik mij dat het huis van de Heer inmiddels grondig was verbouwd en dat gold zeker voor het huis waar ik was groot gegroeid; dat was verworden tot een lemen nachthut in de komkommerhof. Ik las de Belijdenissen een kwart eeuw later nog eens. Bij die laatste lezing was ik mij wat meer bewust van het retorisch talent van Augustinus: zijn vaardigheid om in een uiterst persoonlijke stijl de emoties te bespelen. Hij bespeelt niet één toets, maar zet alle registers van de taal open. Ja, hij legt de Schoonheid zelve op tafel, proeft haar en maakt van de lezer een voyeur van een bijkans erotisch spel. Nee, niet bijkans, hij gaat vol op het orgel:

“Te laat heb ik U lief gekregen, o Schoonheid, die zo oud en toch zo nieuw bent, te laat heb ik U lief gekregen! En zie, U waart in mijn binnenste en ik was buiten en daar zocht ik U, en ik, die wanstaltig was, stortte mij op de schone dingen, die U gemaakt hebt. U waart met mij, maar ik was niet bij U. Die dingen hielden mij ver van U, die niet zouden zijn, als ze niet waren in U. U hebt mij genood en geroepen en mijn doofheid verbroken, U hebt geblonken en geschitterd en mijn blindheid verdreven, U hebt liefelijke geur verspreid en ik snoof die in en hijg nu naar U, ik heb geproefd en nu honger en dorst ik, U hebt mij aangeraakt en ik ben ontbrand naar Uw vrede.”

Angelus Silesius, een pseudoniem voor Johan Scheffler (1624-1677) maakte van de passage uit boek X van Belijdenissen een gedicht dat later door Ad den Besten is vertaald. Het werd als lied 430 in het Liedboek van de kerken opgenomen.

Silesius studeerde in de jaren veertig medicijnen in Leiden en promoveerde later in Padua. In Leiden verkeerde hij onder sympathisanten van Jacob Böhme. Ik vond indertijd helaas geen sluitend bewijs van zijn inschrijving als student in Leiden. Angelus Silesius is beroemd geworden door zijn Cherubinischer Wandersman, een verzameling van puntdichten, die blijk geven van zijn pantheïstisch mystieke inslag. Hij was verwant aan Meister Eckhart en de richting die ook wel bekend is als de negatieve theologie.

Gott ist ein lauter Nichts, ihn rührt kein Nun noch Hier; je mehr du nach ihm greifst, je mehr entwird er dir.

Ik geef de voorkeur aan het Duitse origineel. Het is duidelijk zijn dat Silesius God als de onbenoembare, de niet grijpbare voorstelt. Hoe meer je hem tracht te (be)grijpen, hoe meer hij je ontgaat. Ik gebruik het soms als ik per ongeluk in gesprek raak met dogmatische scherpslijpers, met Jehova-getuigen of andere getuigenden. Maar liever niet.

Van Silesius is ook het puntdicht dat mij ieder jaar met kerst in gedachten springt: Ook al is Jezus duizendmaal in Bethlehem geboren, maar niet in u, dan bent u nog verloren. Tja, ik kom er maar niet af. Overigens schreef Silesius later een dogmatisch werk waarvan je in slaap valt. Je ziet dat vaker bij dichters. Gorter die de Ethica vertaalt en later in dogmatisch marxisme verzandt. Je bronnen dichtgooien. Moet je niet doen.

Mijn eigen exemplaar van Belijdenissen is van Alexander Sizoo (1889-1961), classicus en hoogleraar aan de VU die naast Augustinus ook de Institutie van Calvijn vertaalde. Dat exemplaar verkoop ik niet, evenmin als de Cherubinischer Wandersman oder geistreiche Sinn- und Schlussreime. De vertaling van de Belijdenissen van Gerard Wijdeveld is te koop, evenals ander geestrijk werk. Met Salomo zeg ik: koop de waarheid en verkoop ze niet.

Meer theologie

maart 28th, 2020 by Igor Cornelissen

De Harzreis – in het voetspoor van Heinrich Heine

Anderhalve eeuw nadat de Duitse dichter Heinrich Heine door de Harz wandelde, deed mijn betreurde collega en vriend Martin van Amerongen dat met zijn vrouw Anneke Woudstra opnieuw. Anneke vertaalde Die Harzreise en Martin speurde naar de steden, pleinen en herbergen waar Heine verbleef.

De Harz lag in 1974 deels in West en voor een ander deel in Oost Duitsland, toen nog de Deutsche Demokratische Republik geheten wat hier en daar gepeperde commentaren opleverde. Gedenkstenen voor de dichter? Niet of nauwelijks. Zoveel jaren na zijn dood werd Heine nog altijd gehaat. Iets dat Van Amerongen een hele prestatie noemde. De tekst verscheen eerder in Vrij Nederland, twee weken achter elkaar op drie volle pagina’s. Krantenformaat destijds hetgeen Martin deed uitroepen; VN is verreweg het beste weekblad in het Nederlandse taalgebied.

Van Amerongen  werd op de redactie overigens door menig collega verweten dat hij altijd over dooie Duitse dichters schreef. Wat deze autodidact met zijn enorme productie allemaal bij elkaar schreef verdient echter de hoogste achting. Waar haalde hij toch de tijd vandaan?

Merkwaardig was die reis door de natuur overigens wel, want Martin was een stadsmens pur sang. Toen hij eens door Anneke werd meegetroond naar het vakantieoord Fredeshiem in de buurt van Steenwijk had hij na twee dagen al een dwingende reden bedacht om spoorslags terug te keren naar zijn geliefde Amsterdam.

maart 27th, 2020 by Igor Cornelissen

George Melly: de vissende performer

Toen ik lang geleden met de Kerst in Londen was, kondigde de omroeper op de TV aan dat er die avond toch iets open was: een jazzclub waar George Melly zou zingen met de Feetwarmers. Binnen een kwartier zitten mijn vriendin en ik in een taxi naar Ronnie Scott’s jazzclub. Wat een avond. Warmte en vreugde!

Melly zong oude bekende en bijna vergeten jazzliedjes uit de jaren twintig en dertig. Ik heb hem daarna vaker gehoord. Een performer met een gevarieerd leven. Als groot kenner van het surrealisme schreef hij kunstkritieken. Voor de Observer recenseerde hij TV en films. Zijn seksleven was gevarieerd. Biseksueel en daarna toch vooral hetero. In ieder geval diverse kinderen uit verschillende huwelijken. Hij hield van vissen en verkocht twee dure schilderijen om een molen te kunnen kopen in de buurt van een rivier in Wales. Hij ging met zingen door tot het bittere einde. Longkanker en andere ziektes. Voor de Britse TV zag ik hem kort voor zijn dood met een ooglap voor. Ook was hij vrijwel stokdoof geworden. Het leek hem niet te deren.

Ik ontmoette Melly eens in de Amsterdamse Damstraat waar hij voor een antiekwinkel naar binnen stond te kijken. Toen ik hem aansprak en vertelde dat ik jazzliefhebber was en hem in Londen had gehoord, stelde hij direct voor een biertje te gaan drinken. Ik had geen tijd, want was op weg naar een belangrijke spoedvergadering van de redactie van Vrij Nederland. Waar die vergadering over ging, ben ik al lang vergeten. Ik had natuurlijk dat biertje moeten gaan drinken. In Rum bum vertelt hij over zijn tijd aan het einde van de oorlog toen hij dienst nam bij de marine. Het werd geen succes en hij werd nog bijna voor de krijgsraad gedaagd omdat hij een anarchistisch blaadje las.

Meer muziekgeschiedenis

maart 26th, 2020 by Igor Cornelissen

De zonden der vaderen

Nu de discussie over Amsterdam (opnieuw?) start als geschonden stad wegens de slavenhandel is de serieuze studie Sins of the Fathers uiterst welkom. Amsterdam komt er maar een paar keer in voor, maar wel wordt Michiel De Ruyter genoemd (en glorieus afgebeeld) die enige tijd in Elmira, het fort op de Westkust van Afrika vertoefde.

Veel aandacht ook voor Willem Bosman die twee slavenopstanden neersloeg. Deze studie over de Atlantische slavenhandelaars tussen 1441 en 1807 gaat natuurlijk niet alleen over Hollanders. De Portugezen wilden ook graag geld verdienen. Mooi geïllustreerd.

maart 25th, 2020 by Igor Cornelissen

Igor Cornelissen over “het domste dat bestaat”

Das Ende Israels? kwam uit in 1975. In zekere zin kan het vraagteken ruim veertig jaar later dus met Nein worden beantwoord. Het zeer kritische en anti-zionistische boek werd geschreven door Nathan Weinstock.

Alles wat de Israëliërs de Palestijnen aandeden, waar of niet waar, staat er in, met een rijke verwijzingen middels voetnoten naar andere literatuur. Nathan Weinstock (Antwerpen, 1939) is vertaler Hebreeuws en jiddisch. In de tijd dat hij dit boek schreef was hij lid van een Matzpén, een trotskistische splintergroepering.

Das Ende Iraels? is zware en geen vrolijke kost. Ik denk dat geschiedenis per definitie niet vrolijk is. Zware kritiek op Israël dus. En ook nog door een jood. Zoals mijn vriendin Anke me leerde: Alles bestaat. 

Ergens bewust geen kennis van willen nemen, is het domste dat bestaat.

maart 24th, 2020 by Igor Cornelissen

“Van nature vreesachtig”

Dr. J. W. Berkelbach van der Sprenkel gold als een geliefd docent. Hij was leraar in Gorinchem en Haarlem. Hij wilde graag een breed publiek bereiken. Daarvoor was Oranje en de vestiging van de Nederlandse staat  uiterst geschikt. Onderhoudend vertelt hij over de Inneming van Den Briel waarbij niet wordt verdoezeld dat de watergeuzen het plunderen veelvuldig beoefenden.

Oranje was, besluit Van der Sprenkel, van nature vreesachtig, maar eindigde moedig. Het boek dat in 1946 verscheen bevat een bibliografie. Er is sindsdien veel geschreven over de Oranjes en het ontstaan van wat we nu Nederland noemen.

Dit boek van Berkelbach van der Sprenkel blijft een mooie introductie.

Meer biografieën

maart 24th, 2020 by Igor Cornelissen

Simon Vinkenoog: vergroeid met en door boeken

Al heb ik hem twee- hooguit driemaal ontmoet, Simon Vinkenoog was de aardigste en meest opene van de vijftigers die ik heb gekend. Als hij daar tenminste bij hoort. Ik kwam hem eens; laat op de avond tegen. Dat was op het Spui en we keken beiden in de etalage van Atheneum keken naar de nieuwe aanwinsten. Er was net een boek van mij uit. ‘Jij moet, ’sprak Simon, ‘jij moet beslist doorgaan met schrijven. Doorgaan hoor.’

Simon werd door zijn vele hasjrokerij en soms wat onsamenhangende teksten door velen als een wat rare kwibus weggezet. Ik had zijn Zolang te water gelezen met die fantastische omslagfoto van Ed van der Elsken, genomen in Parijs. Simon omhelst een vrouw. Wie dat was, zou ik nog wel eens willen weten. Ik was dus heel blij met Simons aanmoediging.

In zijn boek trof me de passage als de verteller naar een arts gaat met het verzoek zijn vrouw of vriendin te aborteren. Ze zijn beiden nog zo jong. De arts spreekt hem bestraffend toe: De moffen hebben in de oorlog zoveel (joodse) kindertjes vermoord, zij moesten blij zijn iets nieuws op de wereld te zetten. Mijn hospita, getrouwd met Bert Schierbeek, wist waarom Simon zijn hoofd zo raar op zijn romp had staan. Nogal ver vooruit. Dat kwam, vertelde Frida Koch mij, omdat Simon in zijn Parijse jaren, waar hij voor de Unesco een derderangs baantje had, ‘s avonds altijd lang in bed las met zijn hoofd naar voren. Simon was een beetje vergroeid met en door boeken.

Ik kocht zijn boek rond 1958 in Deventer, waar ik toen redacteur was van de plaatselijke editie van Het Vrije Volk, landelijk het grootste dagblad. In Deventer gebeurde nooit iets. Wat verlangde ik toen naar Parijs, alleen al door die foto.

maart 24th, 2020 by Igor Cornelissen

Van Randwijk: onderwijzer uit de Jordaan

Henk van Randwijk had enkele voordelen boven alle anderen die over de oorlog schreven. Hij was voor de oorlog onderwijzer in de Jordaan geweest en wist dus hoe hij een begrijpelijk verhaal moest vertellen. In de tweede plaats kon hij ook nog goed schrijven. Hij had heel wat bijgeleerd sinds hij, voor de oorlog, zijn progressieve christelijke roman Burgers in nood schreef. Voornaamste reden: hij had midden in het verzet gezeten als (hoofd) redacteur van het illegale Vrij Nederland. Dat bleef hij na de oorlog. Tot het weekblad bijna geen lezers meer overhield.

Van Randwijk was voor een vrij, onafhankelijk Indonesië, maar de regering (KVP en PvdA) bleef troepen sturen en oorlog voeren omdat het land ‘van ons’ was. Van Randwijk schreef dat hij zich schaamde Nederlander te zijn. Voor het Algemeen Handelsblad schreef hij onder de naam Sjoerd van Vliet (zijn verzetsnaam) terugblikken; Hoe het werkelijk geweest was. De angst, de moed, de steun, trouw. Al die gewone woorden kregen bij hem een lading omdat hij wist waarover hij schreef.

Ik kwam bij Vrij Nederland in 1962 toen Van Randwijk al lang was opgevolgd door de katholieke Mathieu Smedts, ook een verzetsman, die een gruwelijk kamp had overleefd waar iedere week mensen onder de valbijl stierven. Ik heb een keer met Van Randwijk in een televisieforum gezeten. Hij was een begaafd spreker. Iemand met wat vroeger een charisma werd genoemd. Ik weet er weinig meer van. Het ging meen ik over hulp aan arme landen. Van Randwijk pleitte voor ontwikkelingshulp. Ik zat nog in mijn trotskistische periode en mikte op de wereldrevolutie en de opstand van de Afrikaanse volkeren. We zaten er, denk ik nu, beiden naast.

Als Van Randwijk over de oorlog schreef had hij gelijk. Het verzet had wel degelijk zin gehad. Niet eens om het nuttig effect als wel als houding. Een teken om een grens te stellen aan Hitlers macht. ‘En welke morele kracht, welke oproep voor vandaag en morgen zou nog betekenis hebben, als die van gisteren wordt ontkend?

Meer biografieën

maart 23rd, 2020 by Igor Cornelissen

Rosa Luxemburg in Nederland: “was soll ich tun?”

Volgend jaar is het 150 jaar geleden dat Rosa Luxemburg werd geboren. Ze wordt nog ieder jaar herdacht in Berlijn waar ze in 1919 werd vermoord. Haar moordenaar heeft nog een tijdje in Nederland vrij rond gelopen. De vraag dringt en dreigt: Wat moet ik met mijn Rosa Luxemburg collectie doen? Volgend jaar naar het antiquariaat ‘t Wasdom verhuizen?

Rosa was in Nederland toen in 1904 de Socialistische Internationale vergaderde. Het was de tijd dat de anarchisten de parlementaire socialisten wel konden vreten. De socialisten lieten zich dan ook soms vergezellen door potige lijfwachten. Rosa kreeg Wolf Lelie toegewezen. Wolf Lelie, de krachtige vaandeldrager van de SDAP, kende geen Duits. Beiden konden ze overweg met het jiddisj. Toen een opstootje dreigde vroeg Rosa aan Wolf: “Was sol ich tun?” Waarop Wolf Lelie antwoordde: ‘Ba mir bleibe’.

Rosa Luxemburg was vele jaren het schitterende voorbeeld voor de socialisten die zich verzetten tegen de Eerste Wereldoorlog. Rosa stemde met Karl Liebknecht in het Duitse parlement tegen de oorlogskredieten en bleef ageren. Ze kwam in de gevangenis. Veel socialisten en communisten noemden hun dochter naar Rosa. Zoals de Nederlandse communistenleider Paul de Groot. Zijn Rosa werd (met zijn vrouw) in Auschwitz vermoord. Paul de Groot hertrouwde, maar kwam dat verlies nooit te boven. De man was getraumatiseerd, maar ging niet naar een psychiater. Dat zou op zwakte kunnen wijzen.

Of ik mijn boeken van en over Rosa weg doe, merkt u wel. Deze kleine wetenswaardigheden heeft u alvast: onbetaalbaar.

maart 23rd, 2020 by Jaap de Jong

Een bofkont in ’t klooster

Ik zit in mijn kloosterkamer en kijk door het raam naar boven. De lucht is strak blauw, rechtsboven kijk ik op het glas-in-lood werk van pater Raymond van Bergen: de verbeelding van verhalen van droefheid & blijdschap. Een schitterende kerk en een schoon voorbeeld van de rooms-katholieke renaissance aan het einde van de negentiende eeuw. De parel van Zwolle.

Een nieuwe week dringt zich op: online-onderwijs geven, het antiquariaat en bolas. Eigenlijk valt hier op ’t Wasdom alles op zijn plek: toegang bieden tot kennis. Op papier en digitaal. Ik bof maar.

Komende week nieuwe aandacht voor #Elsschottiana, de digitale goudmijn in de applicatie bolas en méér boeken. En vanaf vandaag elke dag een blog van Igor Cornelissen. Straks een verhaal over Rosa Luxemburg: “was soll ich tun?” Ik wens u goeds. Bleib gesund!

maart 12th, 2020 by Vic van de Reijt

Elsschots onvindbare werk in een morsig antiquariaat

Vic van de Reijt (fotograaf Ringel Goslinga)

Met Willem Elsschot kwam ik voor het eerst in aanraking op de middelbare school. Niet via mijn docent Nederlands, die de literatuur liet ophouden bij de Tachtigers, maar via mijn jongere broer en mijn moeder. Mijn broertje zat op de HBS en worstelde zich voor zijn leeslijst door Lijmen-Het Been. Mijn moeder zorgde voor het uittreksel. ‘Dat boek moet jij ook lezen,’ zei mijn moeder, ‘dat gaat over het zakenleven, heel interessant, je vader werkt bij V&D, zo leer je zijn wereld ook kennen.’

Op het gymnasium hadden wij geen verplichte boekenlijst (’jullie lezen toch wel’, dacht de rector), dus ik las voor mijn plezier die geestige en soms onbegrijpelijke roman over Het Wereldtijdschrift, waarin helaas geen sprake was van de heren Vroom en Dreesman, maar Boorman en Laarmans bleken uitstekende vervangers. Tijdens mijn studie Nederlands in Amsterdam maakte ik kennis met de jonge uitgever Kees Aarts, die het virus van het boeken verzamelen op mij overbracht: Van het Reve, W.F. Hermans, de dichters van Barbarber en Gard Sivik, en Elsschot natuurlijk, van wie ik slechts één boek kende, maar van wie een Verzameld werk in één band was uitgegeven, dat sindsdien als onvindbaar gold.

Het duurde een jaar tot ik er een zag liggen, in de etalage van het morsige antiquariaat van mevrouw Jansen in de Spuistraat. Ooit was ik daar binnengestapt en meteen weggekeken, druk als mevrouw Jansen het had met de heren in regenjas die daar vanonder de toonbank pornobladen kwamen kopen. ‘Ben je er alweer? Ik heb niks voor jou,’ zei mevrouw Jansen. Met veel moeite wist ik haar richting etalage te bewegen. ‘Negen gulden en wegwezen!’

Deze zesde druk van het Verzameld werk (de blauwe kartonnen band uit 1963) was het begin van mijn Elsschot-verzameling, die in de loop der jaren verhonderdvoudigd is. Ik heb alles al, in alle drukken tijdens Elsschots leven verschenen, maar blijf bijkopen, steeds mooiere exemplaren. De doubletten gaan nu de deur uit, met een aantal muurbloemen waar ook geen plaats meer voor was – Vic van de Reijt

Naar de collectie

maart 12th, 2020 by Jaap de Jong

Kaas, vuur en water

Een paar maanden geleden kwam ik in contact met Vic van de Reijt, Elsschotkenner en -bezitter. En niet alleen dat, ook een goede gastheer, muziekkenner, voormalig uitgever en wat al niet meer.

Natuurlijk kende ik Willem Elsschot. Het gedicht Het Huwelijk vond ik als jongen fantastisch, vooral de passage over de wetten die het komen tot de daad in de weg staan. Aan “het bewegingloos en zwijgend zitten bij het vuur” ben ik ontkomen. Het “rennen door het vuur en door het water plassen” laat ik nu aan anderen.

Met Kaas had ik weinig. Ik las het op de middelbare school. Het stond mij bij als saai. Wat een vergissing! Onlangs kreeg ik van Vic van de Reijt een collectie boeken ter verkoop aangeboden. Kostbare schatten met veel pracht en praal en stofomslag. Ik las Kaas, een exemplaar met inleiding en was verkocht bij de eerste zin: “Buffon heeft gezegd dat de stijl de mensch zelf is. Bondiger en juister kan het niet. Maar een gevoelsmensch is weinig gebaat met dat slagwoord dat daar staat als een model, om vereeuwigd te worden door een steenkapper. Kan men echter wel met woorden eenig inzicht geven in wat stijl eigenlijk is?” Zuinigheid met woorden, juist vanuit een weten dat woorden moeten raken. Dat is Elsschot. Ik wilde meer weten van Elsschot en las de prachtig uitgegeven biografie van Vic van de Reijt: Wat een vorm, wat een vent, wat een stijl en wat een tijd.

In de komende weken volop aandacht voor Elsschot en andere grootheden uit de collectie van Vic van de Reijt. Vic geeft in een hierop volgend blog de aftrap en vertelt hoe hij tot Elsschot kwam: in een morsig antiquariaat.

De collectie die wij aanbieden is opgesplitst in drie delen. Vanmiddag het eerste deel: een twintigtal boeken van Vestdijk, Elsschot, Reve, Richard Minne (Reve hield zeer van zijn poëzie) en Paul van Ostaijen. Bibliofiele uitgaven, een mooi stel bij elkaar.

We werken aan een catalogus waarin de totale door ons aangeboden collectie VdReijt staat. Blijf in contact, abonneer u op de nieuwsbrief.

Naar de deelcollectie

maart 11th, 2020 by Igor Cornelissen

“Ik ken maar één volk: de mens,” zei Motley

Klop maar op ‘n deur was een van de eerste ‘dikke boeken’ die ik als jongen las. Willard Motley beschrijft het leven van een Italiaanse knaap in de sloppenwijken van Chicago die van kwaad tot erger vervalt. Het ergste is dat hij een politieagent dood schiet. Daarvoor krijgt hij de doodstraf. Motley beschrijft uiterst levendig (als dat woord hier gebruikt kan worden) over de gang van de knaap naar de elektrische stoel en zijn laatste ogenblikken.

Motley was een zwarte schrijver en werd door andere Afro Amerikanen aangevallen. Waarom het leven van een blanke beschreven en niet van iemand uit zijn eigen volk? “Ik ken maar één volk”, antwoordde Motley, “de mens”. Motley had het van een andere kant ook niet makkelijk. De FBI jaagde op hem omdat hij communist was.

Het boek is verfilmd. Alles heel aangrijpend. Ik leerde er wel wat van. Niet alleen dat ik me ver van de criminaliteit moest houden, maar ook dat enige vrijmoedigheid met dames op zich geen kwaad kan.

Méér literatuur.

maart 10th, 2020 by Igor Cornelissen

Man met gleuf onder hoed: Henri Toulouse-Lautrec

Henri Toulouse-Lautrec. Wie kent hem niet? Klein mannetje, misgroeid als een soort veredelde dwerg. Hij was van adelijke afkomst en groeide op in een kasteel. Hij had een ziekte waardoor aan zijn normale romp benen en armen vast zaten die niet mee groeiden.

Henri stortte zich als kunstenaar op Montmartre en daar in de danshuizen en bordelen. De meisjes van plezier mochten hem wel en boden hem hun gunsten aan. Henri tekende en schilderde alles at vast en vooral los zat op een manier die nog niet was vertoond. Zijn affiches voor de Moulin Rouge werden wereldberoemd. Minder bekend is zijn vriendschap met Vincent van Gogh die hij aanried in Arles te gaan wonen vanwege de luchten daar en het (toen) goedkope leven.

Opmerkelijk en vooral prettig aan de levendige biografie van Henri Perruchot is het grote aantal onbekende foto’s van de man die altijd met een stok liep en een hoed droeg. Dat laatste vanwege een gleuf in zijn hoofd die niet dicht wilde gaan. We zien Henri op een boot en daarna te water gaan in zijn nakie in de Baai van Arcachon. Verder veel wulpse, niet of half geklede dames die hij schilderde of wat anders liet doen.

Arme Henri stierf aan de gevolgen van drankgebruik, bovendien leed hij aan syfilis en werd hij voor enige tijd als krankzinnige opgenomen in een psychiatrische inrichting. Zijn ziekte was mogelijk veroorzaakt door inteelt. De adel trouwde in die tijd (nu nog?) graag onder elkaar om de bezittingen niet te laten versnipperen. Toulouse-De Lautrec werd geboren in Albi. Gaat daarheen. Er is een museum over hem. De zon schijnt daar, heb ik me eens laten vertellen door een Frankrijkkenner, altijd. Ook zonder zon kun je er altijd goed eten. Maar dit terzijde.

Méér biografieën.

maart 9th, 2020 by Igor Cornelissen

Speel, zing en dans

Hebt u nog een piano thuis (harmonium of huisorgel mag ook) en kunt u er op spelen? Dan is (als iemand mee wil zingen) Zo de ouden zongen een mooie vulling voor sombere dagen vol regen en mist. De olieman en Hallo Bandoeng staan er in en het onvermijdelijke Ik heb eerbied voor jouw grijze haren. Die olieman en Bandoeng zijn voorgoed verleden tijd, maar grijze haren die emoties oproepen zijn er nog alom.

Samensteller Jacques Klöters heeft er veel verstand van. Cabaret en liedjes zijn zijn vak. Jacques leverde mij eens het adres van een zangeres uit de oude tijd die ik nodig had voor een boek dat ik schreef over een oplichter. Ze was met die man intiem geweest. Toen ik haar belde, schold ze me de huid vol en dreigde met een advocaat als ik haar naam in mijn boek zou noemen. Ik heb het er toch in gezet en de advocaat meldde zich niet. Ook dat geheel terzijde.

Enfin, speel, dans en zing alle dagen van uw ijdel leven. En koop het boek van Klöters of andere muziek voor de sombere dagen. Méér muziekgeschiedenis

maart 8th, 2020 by Igor Cornelissen

Moord en doodslag in Overijssel

Waarom lezen redelijk fatsoenlijke mensen (zoals ik er een meen te zijn) over moord en doodslag. Waarschijnlijk omdat je veilig en er ver vanaf denkt te zijn. hetzelfde met gruwelfilms. Voordeur op slot: Hier kan Dracula niet binnendringen.

Moord en doodslag in West-Overijssel (1946-2006) kocht ik omdat ik dat gebied ken en me zelfs sommige zaken uit de krant herinner. Dat geldt al helemaal de man die zijn vrouw wurgde met een kous. Dat was in Deventer, oktober 1956. In die IJsselstad was ik als gestationeerd als redacteur van de editie Deventer. Er gebeurde nooit iets totdat die moord gebeurde. Ik had iets horen fluisteren over een crime passionelle en had me terdege voorbereid door er literatuur over te lezen. De zaak zou in Zutphen behandeld worden want Deventer had geen rechtbank. De pers stond binnen tien minuten weer op straat. Gesloten deuren. Er zat inderdaad een seksuele kant aan de zaak en de pers werd blijkbaar als minderjarig beschouwd. Een boeiend boek over andere moorden: een molenaar uit Olst en een Heinose zenuwarts die zijn vrouw doodschoot. Over de moord in de Deventer president Steynstraat werd ik helaas niet wijzer.

Bij de moord op de vijftienjarige Maartje Pieck kan ik toevoegen dat zij (verre) familie was van de tekenaars Anton en Henri Pieck. De laatste beschreef ik uitvoerig in mijn boek over vooroorlogse spionnen voor Moskou. Dat laatste geheel terzijde.

maart 7th, 2020 by Igor Cornelissen

Rode wijnvlekken op het kostuum van Van Vriesland

Victor E. van Vriesland was ooit een gezaghebbend criticus. Op de televisie was hij prominent en uiterst beschaafd aanwezig in forums die het volk vertelden wat goed en slecht was. Later vond men hem wat te zoetig. Een beetje ten onrechte want als je zijn stukje tegen Pearl Buck leest die volgens hem ten onrechte de Nobelprijs voor literatuur kreeg, merk je dat Victor scherp kon zijn. Die prijs zou alleen maar vanwege literaire criteria toegekend moeten worden en niet omdat Pearl Buck begrip wilde brengen voor het lijdende Chinese volk. Haar boek This proud heart vond hij ‘onecht, onwaarachtig en slecht’. 

De twee delen Verzameld critisch en essayistisch proza. Onderzoek en vertoog geven een goed overzicht van wat er voor 1958 verscheen, de tijd dat er nog veel boeken werden gelezen. Leuk om te zien wat van Vriesland van Willem Frederik Hermans’ Moedwil en misverstand vond.

Voorzover ik me herinner heb ik Van Vriesland slechts eenmaal gesproken. Dat was op de befaamde kunstenaarssociëteit De Kring in Amsterdam, waar ik geen lid van was, maar werd geïntroduceerd door de 34 jaar oudere aquarelliste Milly van Duivenbode, een charmante dame. Het werd een verhit gesprek met Victor. Waarschijnlijk over politiek. Van Vriesland was wel een beetje links, maar volgens mij (toen) natuurlijk niet links genoeg. In ieder geval belandde de inhoud van mijn glas rode wijn zonder opzet op zijn lichtkleurige, driedelige kostuum. Ik bood mijn excuses aan die hij, minzaam glimlachend vanachter zijn dikke brillenglazen, aanvaardde. Ik drink zelden rode wijn, maar dat terzijde. Victor E. van Vriesland was daar meer bedreven in.

Tijdens de bezetting dook Victor van Vriesland onder bij de familie Bouman in de Zwolse Koestraat 18. Ik meen dat hij nog eens een gedicht heeft geschreven over Zwolle met de Peperbus erin, maar dat heb ik nooit kunnen terugvinden. Zo kom je voor alles tijd te kort.

februari 24th, 2020 by Jaap de Jong

“Een vlieger oplatende oom”. Over een onbekende foto van een liefde van Gerard Reve

Vanmorgen een nieuwe zending uit de collectie van Igor Cornelissen doorgenomen, waaronder een fotoboek. Mij treft een foto van een “moord en zelfmoord” op de Keizersgracht in Amsterdam. Rechts bovenin de foto staat in spiegelschrift het adres en de datum van een vermoedelijk tragische geschiedenis: Keizersgracht 722, 19 maart 1943. Verder geen gegeven dan de naam van de fotograaf: A. Lotens en de afbeelding zelf. De foto is afkomstig uit het Amsterdamse Politiearchief, maar er wordt geen enkele context geboden: niet in tekst, niet in noten en niet in de literatuur. Ik tast volledig in het duister. Er moet iets zijn. Dit is geen film, dit is de naakte werkelijkheid van dood, angst en passie. Dit is tragiek in zwart-wit. Moord? Een crime-passionel wellicht, wanhoop toch, maar geen koelbloedige moord als ik de foto bekijk.

Datum, adres en afbeelding zijn genoeg om de details van de geschiedenis te achterhalen. Links op de foto een paar flessen wijn of sterke drank, een Duitse krant. Op de kast staan wat boeken, op een kachel een pan. Zoeken op internet – ik ben daar goed in – en combineren van gegevens leert mij veel. Hier liggen de dode lichamen van Lies (Elize Marianna) Mogendorff (6 februari 1919-18 maart 1943) en Ernst ten Haaf. De laatste was in de jaren dertig docent aan het Vossius, een van de docenten – naast Jacques Presser en D.A.M. Binnendijk – die Reve wèl competent vond. Reve noemt de natuurkundedocent Ernst ten Haaf in Moeder en Zoon abusievelijk Ten Haeff, maar het gaat om Ernst Frederik Carl ten Haaf (3 juli 1889-19 maart 1943) die, na zijn geliefde Liesje – ex-leerlinge van het Vossius – door het hoofd te hebben geschoten, ook zichzelf om het leven brengt. Volgens Reve schoot hij zich door het hoofd. Bij Reve overigens geen letter over de andere dode: Lies Mogendorff, die vanwege haar joodse achtergrond was ondergedoken en, net als Ernst ten Haaf, in het verzet zou zijn geraakt.

Ik denk niet dat Reve de foto kende. Misschien zelfs – ik acht het waarschijnlijk – dat deze foto tot op de dag van vandaag (24 februari 2020) niet eerder in verband is gebracht met Lies Mogendorff en Ernst ten Haaf. De meeste foto’s uit het boek zijn zonder gegevens en/of verwijzingen naar personen. Ten Haaf had zich volgens Reve “als officier onttrekkend en, ondergedoken op het land, in een uitzichtloze liefde met een eveneens ondergedoken jong meisje het spoor totaal bijster gerakend (…) zich voor het hoofd geschoten.”

Gerard Reve vond Ten Haaf niet alleen een competent docent, maar hield van hem en droomde dat hij zijn vader “of een met mij vliegers oplatende oom zoude zijn”. Reve speculeert in Moeder en Zoon dat Ten Haaf “een even formidabele als fel verdrongen homo-erotiek zijn leven heeft verwoest”. Het zou kunnen, ik weet het niet. Reve beschrijft Ten Haaf als “een jongensachtige, joviale, gulle, man, een totaal verscheurd mens weliswaar, maar die niettemin heel levendig en onderhoudend les wist te geven. Zijn werkelijke leven was echter het Nederlandse leger, en zijn schaarse perioden van levensgeluk waren de weken dat hij, als kapitein van de genie, op herhalingsoefeningen ging, teneinde door ‘zijn jongens’ op de handen gedragen te worden, over wie hij nooit uitgepraat geraakte. Een zeer intelligente en gevoelige, maar weerloze padvinder, die het leven in zijn gezin en op de school eigenlijk niet aan kon, en van wie ik, in het geheim hield.”

Van Lies Mogendorff weten we meer. Haar zus Ro, een begaafd tekenares, tekende haar gezicht. Een dromerige vrouw die rechten studeerde en in de oorlog onderdook, maar zich ook wel op een vervalst paspoort door Amsterdam bewoog.

Wat een levens, wat een tragiek.

Later meer over foto en vindplaats.

februari 18th, 2020 by Igor Cornelissen

Links richten

Martin Mooij, socialist en vertaler, was jarenlang de spil van het kunstleven in Rotterdam. Hij bedacht Poetry International waar ieder jaar dichters uit binnen- en buitenland kwamen voordragen. Simon Vinkenoog, Remco Campert en Jules Deelder waren vaste gasten.

Mooij bedacht dat het aardig zou zijn een herdruk te maken van Links Richten, een initiatief van de communistische partij om arbeiders de cultuur in te trekken. Proletkult heette dat in de Sovjetunie. Van Links Richten verschenen tussen 1932 en 1933 twaalf nummers. Het blad ging, voorspelbaar, aan politieke conflicten te gronde. Veel medewerkers maakten later naam: Maurits Dekker, Nico Rost, Gerard Vanter, Jef Last en Frans Goedhart. In zijn Nawoord is Martin Mooij optimistisch: Links Richten, beweerde hij, had bewezen dat arbeiders heel goed tot zelfexpressie waren te brengen.

februari 17th, 2020 by Jaap de Jong

Boeken die “ek gaan nie verkoop nie”: Elisabeth Eybers en oom Manie

Bladerend door de Versamelde gedigte van Elisabeth Eybers stuit ik op Dagdroom. Het bestaan van Eybers werd mij ooit geopenbaard door een Chileense vrijheidstrijdster die mij over haar (en over de Dagdroom) schreef. Ik, onbesneden Filistijn, had toen – ergens einde jaren tachtig – nooit van haar gehoord.

De vader van Elisabeth Eybers, John Henry Eybers (1879-1962), was predikant in de Nederduits Gereformeerde kerk. Tijdens zijn preken nam hij haar meer in met de ogen, dan met het gesproken woord, zoals ze schrijft: “die lang, regop gestalte in die swart toga, die asketiese profiel en die gevoelige skraal hande wat langsaam en liefderik oor die blaaie van die oop Boek beweeg het.”

Oom Manie nam haar met het woord in. Oom Manie, koster en dorpsouderling, moet haast wel onder hen zijn die Eybers “die woordensoet het oor die tong gesprei.” In haar herinneringen schrijft Eybers over hem en zijn preken die ze als een “klein vakansie in die kerk” ervoer. Hij sprak, zo schrijft ze, over het alledaagse en bracht het zo dat “selfs die ‘hemelske’ (…) nooit te ver [was] van die ‘aardske’ nie, ons het sy beeldryke taal geniet.

Ik moest aan die herinnering denken terwijl ik de dagdroom herlas. Op de achtergrond het Kol Nidrei van Max Bruch dat ook al een en al droeve ingetogenheid is.

Dagdroom

Ek het jou brief gelees terwyl ek eet, /die woordesoet het oor my tong gesprei. /Verby die aardse brood het ek gestaar / dwarsdeur die bome in die raam, dwarsdeur die grys / wolkeplafon tot in die paradys / waar alles lig en helder is. En net / soos in die Bybel was ons naak en het ek, aangekla, gou hom die skuld gegee / wat skemerig sis. . . toe ek opeens gewaar / dat ek my halfgerookte sigaret / aftik in my twee-derde koppie tee.

De Versamelde gedichte van Eybers behoort tot de collectie die “ek gaan nie verkoop nie.” Voorlopig niet.

februari 17th, 2020 by Igor Cornelissen

Indonesische overpeinzingen

Soetan Sjahrir was in 1945 de eerste premier van de Republiek Indonesië. In de jaren dertig studeerde hij enkele jaren in Leiden. Hij huurde er een kamer bij de (toen) links-socialist Sal Tas. Sjahrir ging er met de vrouw van Tas vandoor, wat de vriendschap tussen hen niet verstoorde.

Sjahrir werd na 1945 vrij snel naar het tweede plan verstoten. Hij kon niet opschieten met Soekarno die de volksmassa  beter wist te bespelen. In zijn scherpzinnige Indonesische Overpeinzingen schreef Sjahrir in 1936 al dat hij bij de andere nationalisten niet zo goed lag omdat hij leed aan Hollandophie. Hij was beïnvloed door de westerse cultuur. De scherpzinnige en belezen Sjahrir kruist in zijn overpeinzingen de degens met prof. Johan Huizinga. Nog altijd de moeite van het (her)lezen waard.

Méér autobiografieën

februari 16th, 2020 by Igor Cornelissen

De voetstappen van Theun de Vries

Theun de Vries was de enige bekende Nederlandse schrijver die ook communist was. Al sinds de jaren dertig. Hij was zelfs lid van het partijbestuur van de CPN, hoewel hij (schreef hij aan vriendin Tilly Visser) zwaar tabak had van al dat vergaderen en discussiëren. Hij schreef liever. Dat laatste lukte gezien zijn enorme productie. Tegen Hans van de Waarsenburg was hij openhartig. Dat kon ook, want toen had hij al voor de CPN bedankt.

Ook ik heb hem wel eens gesproken. Een goedmoedige, zachtaardige man. Maar in zijn jonge jaren was dat anders. In De Waarheid kon hij tekeer gaan. Toen Koestlers Darkness at Noon in Nederlandse vertaling verscheen, sabelde hij dat boek neer als “leugenachtig” en “de klacht van een renegaat”. In zijn roman Het meisje met het rode haar, een ode aan de verzetsstrijdster Hanny Schaft is de trotskistische arbeider, de enige die er in voorkomt, natuurlijk wel een onbetrouwbare schoft. De Vries kreeg vele onderscheidingen en in Dantumadeel is een school naar hem vernoemd.

Méér literatuur

februari 15th, 2020 by Igor Cornelissen

De sax van Stan Getz

Cees Schrama was een gedreven musicus en propagandist van de muziek waar hij van hield: Jazz. Zijn herinneringen staan vol met leuke anekdotes over de musici die hij ontmoette als presentator van radioprogramma’s  Sesjun die goed werden beluisterd.

Zijn portrettering van de altijd humeurige Stan Getz is voorbeeldig. Getz, zware drinker en gebruiker van verdovende middelen had altijd iemand nodig om af te zeiken. Een hulpmiddel om zijn eigen frustraties kwijt te raken. Gelukkig was dat over zodra hij op zijn saxofoon begon te spelen. Schrama had hem eens aangekondigd als Mr Stanley Getz wat hem woedend maakte. Hij was Stan, geen Stanley. Een jaar later wist Getz het nog en kreeg Cees opnieuw de wind van voren. Nadat ze het hadden uitgepraat, bood Getz zijn excuses aan, maar een prettig mens werd Getz nooit. Ook met zijn toen Zweedse vrouw had hij hooglopende ruzies.

Dat Cees Schrama een uitstekend pianist was kan ik getuigen. Hij was enkele malen mijn pianist als ik met de IGORiginal NEW Hot Shots optrad. Cees overleed in 2019.

Méér muziekgeschiedenis

februari 14th, 2020 by Igor Cornelissen

Berlijns blauw

Ger Verrips, van origine gereformeerd, bekeerde zich tot het socialisme. Toen iedereen zich al zo’n beetje had afgekeerd van het communisme werd hij in 1953 lid van de CPN. Hij kwam zelfs in het partijbestuur, een diehard in die tijd. Hij bedankte omdat hij schrijver wilde worden.

Er staat een omvangrijk oeuvre op zijn naam, maar bij zijn dood kreeg hij slechts enkele regels in de kranten. Of helemaal niks. Zo gaat dat in Nederland: snel vergeten. In Berlijns blauw schrijft hij over zijn breuk met de CPN. Toen hij eens naar Zwolle kwam om mijn documentatie over de CPN te raadplegen (hij schreef er later een dik geschiedenisboek over) kwam hij over als een zachtmoedig man. In het toen nog bestaande literaire café In de Sinnepoppen dronken we vele borrels.

Hij werd steeds vredelievender.

N.a.v. Berlijns Blauw met recensie door Louis Ferron in Vrij Nederland.

februari 13th, 2020 by Igor Cornelissen

Delauny – alles over potten- en pannenmuziek

Charles Delaunay’s New Hot Discography was vele jaren, om het oneerbiedig te zeggen, mijn bijbel. Alle jazzplaten, opgenomen tussen 1921 en ruwweg 1948 staan er in. Met niet alleen de namen van de musici, maar ook de plaats en datum van opname.

Toen ik dat boek in 1958 kocht was er in Nederland heel weinig bekend over die Amerikaanse muziek die hier veelal werd afgedaan als potten- en pannen muziek. Bij Delaunay kon je nalezen wie toch die trombonist was die met King Olivers Creole Syncopators in april 1923 Canal Street Blues had opgenomen. Kid Ory? Nee, die speelde pas later met Oliver. Het was Honore Dutray.

Over dat soort zaken kon het kleine groepje jazzliefhebbers zich rondom 1958 enorm opwinden. Inmiddels weten we dat de juiste spelling van zijn naam Honoré Dutrey is en dat hij bijna zijn hele leven aan astma leed. Voor een blazer een nare ziekte. Dat van die astma haal ik overigens niet uit Delaunay. Er zijn andere bronnen, maar dit laatste geheel terzijde.

Méér potten- en pannenmuziek

februari 12th, 2020 by Igor Cornelissen

Dramatiek bij Weizmann

Chaim Weizmann de eerste president van Israël was, als veel andere zionisten, afkomstig uit het tsaristische Rusland. Hij kwam al vroeg naar Engeland waar hij als chemicus een erkend geleerde werd. Dat vergemakkelijkte zijn contacten met Britse politici zoals Winston Churchill die hij met achting beschrijft in zijn memoires Trial and Error. Weizmann probeerde de anti-Britse gevoelens van veel zionisten in de periode rond het ontstaan van de staat Israël te temperen. Niet altijd met succes.

Zijn zoon Michael sneuvelde tijdens de Tweede Wereldoorlog voor de kust van Frankrijk als piloot van de RAF. In de korte passage waarin Weizmann die ramp beschrijft, is hij terughoudend, maar je voelt het verdriet van hem en zijn vrouw. ‘Immensely dramatic’ was het oordeel van Malcolm Muggeridge  over zijn memoires.

Meer autobiografieën

februari 11th, 2020 by Igor Cornelissen

Leonie’s raadsels

Als Gerard Aalders, jarenlang werkzaam op het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, in de archieven duikt dan is het diep. Hij is belust op ‘smeerlapperijen’ uit WO II die nooit goed uit de verf zijn gekomen. Prins Bernhard was en werd dan ook nooit zijn vriend.

In Leonie gooit hij zich op de dubbelspionne Leonie Brandt-Putz. Ze speelde een vreemde rol in het Bureau Nationale Veiligheid, de voorloper van de AIVD. In Leonie schrijft Aalders ook een hoofdstuk over de geruchten over de stadhoudersbrief die prins Bernhard in april 1942 aan Hitler zou hebben geschreven en die Menten in de jaren veertig gebruikt zou hebben om mensen onder druk te zetten. De oerbron van het verhaal over de stadhoudersbrief is Leonie Brandt-Pütz. Aalders beweerde overigens nooit dat de brief ook werkelijk bestaat.

Ik probeerde Leonie eens te interviewen, maar ze was, op leeftijd al, ladderzat. Ze liep steeds naar een kast in haar kamer waar een fles stond. Dan nam ze een slok en ging weer zitten. Mijn ontmoeting met Leonie, kon Aalders in zijn boek verwerken. Aalders kon niet alle vraagtekens beantwoorden, maar wie van ‘sjoemelpraktijken’ houdt, blijft geboeid lezen.

Meer geschiedenis

februari 10th, 2020 by Igor Cornelissen

Simon Wiesenthal, de jager uit Wenen

Simon Wiesenthal overleefde concentratiekampen en werd na de oorlog bekend als jager op verdwenen en dus nooit berechte vervolgers en beulen. Hij had in de jaren zestig en zeventig een naam als vrijwel eenzaam strijder voor gerechtigheid. Met name in Nederland had hij, door zijn nauwe samenwerking met met Loe de Jong en Ben Sijes van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, een grote naam. Hij leek alleen te werken. Die indruk kreeg ik ook toen ik hem in zijn met papieren en documenten volgestouwde kantoortje in Wenen bezocht. Ik zag alleen nog een andere dame, een vrijwilligster, achter een typemachine.

Uiteraard kreeg Wiesenthal een biograaf. Dat werd Hella Pick, geboren in Wenen jarenlang redactrice van The Guardian en specialiste in de Oost West verhouding. Pick schetst een genuanceerd beeld van de man die gedreven werd door zijn gevoel voor gerechtigheid, maar ook veel weerstand opriep. Niet alleen van ex- of neo-nazi’s maar ook in eigen joodse kring.

Er komt veel aan bod: de aanhoudende ruzie met de (ook joodse) premier van Oostenrijk Bruno Kreisky; de mening van Isser Harel van de Mossad die Eichmann gevangen nam en ontvoerde; prof David Cesarani, biograaf van Eichmann) en het Joods Wereldcongres. Evenals de aanvallen vanuit Polen waar men Wiesenthal collaboratie met de nazi’s verweet. Harel noemde Wiesenthal een bedrieger. Pick beschrijft Wiesenthal als een man die ‘niet zonder fouten’ was, maar is tegelijk overtuigd van zijn rechtschapenheid.

Meer biografieën.

februari 9th, 2020 by Igor Cornelissen

Bill Crow – Scenes from a jazz life

Bill Crow (1927-) is een jazzbassist die met veel grote namen heeft gewerkt. Hij was ook een goed waarnemer en onthield niet alleen de eigenaardigheden en uitspraken van zijn collega’s maar schreef ze gelukkig ook op. Een mooie vond ik over de door mij bewonderde trombonist Vic Dickenson. Die was uit het verre Xenia in Ohio naar New York gekomen en had daar naam gemaakt door platen te maken met Sidney Bechet en, later, met de trompettist Ruby Braff.

Niet meegekomen naar de grote stad was Vic’s broer Carlos die heel goed altsaxofoon moet hebben gespeeld. Vic probeerde hem zonder succes over te halen zijn geluk te proberen in New York. Vic Dickenson had het vaak over die broer. Na het overlijden van Carlos ging Vic naar de begrafenis. De volgende dag stond hij al weer op de Bühne. Van zijn gezicht straalde het verdriet af. Die hele avond speelde Vic Dickenson door. De liedjes waren somber en de achtergrondjes die hij speelde droefgeestig. Zijn mondstuk nooit langer dan een minuut van zijn lippen. ‘It was a remarkable example of the healing power of music.’

Meer jazz & muziekgeschiedenis

februari 8th, 2020 by Igor Cornelissen

Walter Laquer en de ziekte Hollanditis

Walter Laqueur was een uit Duitsland gevluchte journalist die in Palestina en later in Israël journalist was. Daarna werd hij boekenschrijver, gevolgd door een directeurschap van de Wiener Library in Londen en een hoogleraarschap in Amerika. Hij was een veelschrijver, maar een van het goede soort. Hij schreef over de Sovjetunie, massa terreur, spionage en wat al niet meer.

Ik sprak hem in de jaren tachtig in Maastricht waar hij een lezing gaf. Hij las een beetje Nederlands, geleerd in een kibboets waar een grote bibliotheek was. Las men in Nederland nog Vondel, Gorter en Henriette Roland Holst, wilde hij weten. Ik moest hem teleurstellen.

In Het gruwelijke geheim ontleedt hij de massamoord op de joden. Er was tijdens de oorlog meer over bekend dan werd toegegeven. Niet alles, maar wel snippers waarheid. Het leek allemaal te gruwelijk om te geloven. In 1942 waren er al berichten dat er een miljoen joden waren vermoord. Dat kwam in de Daily Telegraph en werd door andere kranten overgenomen. Geen leuk boek. Is geschiedenis ooit echt leuk?

Walter Laqueur was overigens ook de uitvinder van het woord Hollanditis waarmee hij de passiviteit en overheersende pacifistische gevoelens bedoelde die in Nederland (en elders) het communistische gevaar onderschatten.

februari 7th, 2020 by Igor Cornelissen

Lucebert, de dichter die van zijn voetstuk viel

Lucebert, keizer der vijftigers (zelfkroning), vereerd en na de onthulling door Hazeu dat hij een jodenhater en bewonderaar van Hitler was, werd toch een beetje afgedankt. Hazeu leverde een boeiende levensbeschrijving van de man. Links in gevoelens, maar met een tweede huis in het Spanje van dictator Franco. Hij had in de armoedige jaren vijftig moeite om aan de kost te komen.

Ik woonde rond 1960 op kamers bij pottenbakster Frieda Koch, Van Eeghenlaan 7 in Amsterdam. Zij was eerder de geliefde van Lucebert geweest en had voor hem Bert Schierbeek verlaten. Toen ik op de Van Eeghenlaan woonde herinnerden tekeningen van Lucebert op de vloerplinten aan de roemruchte jaren van knarsende liefde en bijbehorend verdriet.

In het boek o.a. een fraaie foto van Frieda Koch wier dochter ik nog even beminde. Zij (die dochter) was veel te jong en schrok toen ik haar zoende. Ik moest mijn excuses aanbieden. Frieda aanvaardde die met een warme, begripvolle glimlach. Maar daar schrijft Hazeu natuurlijk niet over. Wel veel over de gelauwerde dichter en schilder die postuum toch een beetje (?) van zijn voetstuk viel.


Houdt u niet van gevallen dichters of kiest u liever voor een andere biografie of twee anderen? Kuyper, Wiesenthal, Mata Hari, Anna Blaman, Beel en wie al niet meer…

februari 6th, 2020 by Igor Cornelissen

Een misser in mijn leven

Eén van de missers in mijn leven: Ik ben nooit naar een concert van Louis Armstrong geweest. Hij is meerdere malen in Nederland geweest. Voor de oorlog tweemaal. Toen was ik te jong. Na de oorlog had het gekund, waarschijnlijk had ik de eerste keer geen geld. En daarna? Ik denk dat ik hem toen te commercieel vond. Ik was purist en vond het bedenkelijk dat hij La vie en rose en Mack the Knife speelde.

Pas later begreep ik dat Louis de grootste van alle jazzmusici was, niet alleen als trompettist maar ook als performer. Een warme man die wilde, en daar ook in slaagde, dat zijn publiek een uitbundige avond kreeg. Vanuit de sloppen van New Orleans veroverde hij, via Chicago en New York, de wereld. Honderden trompettisten, zwart en blank, namen hem als voorbeeld. Ik draai hem nog vaak. Zelfs de eerste plaat die ik van hem kocht: Weary Blues, opgenomen in 1927.

Er zijn inmiddels veel boeken over Armstrong geschreven. James Lincoln Colliers biografie blijft recht overeind staan. Aardig is zijn beschrijving van Louis mening over zijn impresario Joe Glaser, een man met zekere contacten in de maffia. Glaser incasseerde een heel hoog percentage voor de diensten die hij Armstrong dertig jaar bewees. Toen Glaser overleed was Louis van streek. Ze mochten elkaar. Collier is niet helemaal up to date want sinds zijn boek in 1984 verscheen, heeft een dame zich bekend gemaakt als de dochter van het genie. De discussie over de betrouwbaarheid van haar bewering is, meen ik, nog gaande. Louis was gek op kinderen, maar iedereen dacht dat hij er zelf geen verwekt had.

Meer muziekgeschiedenis?

februari 5th, 2020 by Igor Cornelissen

Een monument voor Selma

Toen Bart de Cort nog op het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in Amsterdam werkte, spraken we vaak over dezelfde zaken: links-socialisten die in de vergetelheid waren geraakt. We schreven er boeken of artikelen over. Bart reisde een geliefde achterna en woont nu al jaren in Canada. We zijn hetzelfde blijven doen en helpen elkaar soms bij onze naspeuringen. In de korte biografie van Selma Meyer heeft De Cort een monumentje opgericht voor een joodse vrouw die met andere linkse mensen het vaak bezongen woord Solidariteit gestalte gaf.

Selma Meyer hielp na 1933 Duitse vluchtelingen en later zette ze zich in voor de door Franco aangevallen Spaanse republiek. Ze was onconventioneel en onafhankelijk wat het moeilijk maakt haar in een hokje onder te brengen. Waarschijnlijk stond ze ook in contact met de Engelse geheime dienst. MI6. Ze werd in oktober 1940 gearresteerd. Niet als jodin, maar als vijand van Hitler-Duitsland. Ze overleed een jaar later in een Duits ziekenhuis aan een dubbele longontsteking. Haar moeder had nog opdracht gegeven een steen op haar graf te plaatsen, maar of dat ooit is gebeurd viel niet te achterhalen. Het notenapparaat in het boekje getuigt van De Corts speurzin en nauwgezetheid.

februari 4th, 2020 by Igor Cornelissen

Anna Blaman: ben liever als man

De stad Rotterdam vereerde Anna Blaman (1905-1960) in 2010 met het standbeeld van een Harley. Op de bagagedrager staat “eenzaam avontuur”, een bekende titel van de schrijfster. Dat rijden op een Harley zou een teken van mannelijkheid zijn. Anna reed met regelmaat naar Brussel en Parijs. Op de motor.

Anna Blaman was het pseudoniem van Johanna Petronella Vrugt. Haar schrijversnaam zou betekenen Ben Liever Als MAN. Zij was een van de eerste schrijfsters die voor haar gevoelens uitkwam. Anna Blaman woonde haar hele leven in Rotterdam maar zocht in Amsterdam contact met andere schrijvers en kunstminnenden. Daar kwam ze in contact met Mathilde Visser, communiste. Anna schreef uiterst erotische brieven aan Mathilde, die niet inging op haar uitnodiging in Rotterdam bij haar te komen logeren. Anna had een bed dat groot genoeg was. Ik kon de brieven van Anna gebruiken voor mijn biografie over Mathilde Visser, die in een paar boeken van Blaman onder een andere naam voorkomt.

Anna Blaman hing in die eerste naoorlogse jaren dicht tegen de CPN aan. Over die gegevens beschikte biograaf Henk Struyker Boudier van Anna Blaman niet. Zijn dissertatie bevat genoeg andere bijzonderheden over deze vrouw wier proza zowel geprezen als afgekraakt is. Voor sommige vrouwen bleef ze een boegbeeld. Ze was in ieder geval een fenomeen als dat woord tenminste iets zegt.

De omslag van het boek van Henk Struyker Boudier is van de kunstenaar Paul Citroen. Maar dit terzijde.

Méér biografieën?

februari 3rd, 2020 by Igor Cornelissen

Kunst aan banden

Hans Mulder schreef een uitgebreid en overzichtelijk boek over de kunst in de crisis- en bezettingsjaren. Er komen tientallen namen in voor, maar er is een goed personenregister. Heldere illustraties van het werk van Wichman, Melle, Jan Sluyters, de vervalser Han van Meegeren en de surrealist Moesman (die graag vrouwen met zweepjes sloeg, maar dat staat niet bij Mulder).

Prof. Hans Jaffé merkt in zijn Inleiding op dat er een overeenkomst is tussen de artsen en de kunstenaars tijdens de oorlog. Ook artsen waren in de oorlog vrijwel eensgezind in hun afwijzing van de door de bezetter opgelegde normen en waarden. Maar de kunstenaars waren veel meer afhankelijk van publieke bekendheid en erkenning. Wie niet tekende voor de Kultuurkamer (voor joden verboden), mocht niet meer exposeren of publiceren. Dat zovelen toch weigerden zich voor die Kultuurkamer aan te melden, strekt hen tot eer.

In het boek van Mulder ook nog een interessant lijstje van uitkeringen door het (foute) Departement van Volksvoorlichting en Kunsten aan de meelopers. Karel Appel ontving in 1944 nog 585 guldens. Veel ophef is daar na de oorlog niet over gemaakt. De toenmalige directeur van het Stedelijk Museum, jhr. Willem Sandberg, liep nogal met de schilder weg. Appel was immers vernieuwend. Claartje Wesselink, die in haar recente dissertatie (2014) voortbouwde op het werk van Hans Mulder, legt daar de vinger op. Tijdens de expositie Jonge schilders uit 1946, waar ook Appel te zien was, werd Sandberg er in een brief op gewezen dat de schilder tijdens de oorlog ‘uit den duitschen hand’ had gegeten en ‘van Gerdes z’n duitsche fooi’ had ontvangen. Maar Sandberg weet het niet geheel brandschone verleden van Karel Appel onder het tapijt te schuiven.

Dit geheel terzijde.

Nog meer kunst bij Cornelissen & De Jong

februari 2nd, 2020 by Igor Cornelissen

Geheel terzijde: George Grosz

George Grosz was een begenadigd tekenaar. Zijn karikaturen van Das Militär, het burgerdom, luxe en voosheid van het Berlijn van de jaren 20 zijn messcherp. Dat hij net zo scherp kon schrijven als tekenen blijkt uit Een klein ja, een groot nee. Zette hij eerst zijn karikaturen neer uit verwondering, het werd al snel woede. Die kwaadheid is in zijn geschreven herinneringen gelukkig omgebogen tot vrolijkheid en humor.

Schitterende portretten van tijdgenoten als Bertolt Brecht en kunsthandelaar Alfred Flechtheim. Zijn excursie (op uitnodiging!) naar het communistische Rusland in 1922 is meeslepend. Grosz geloofde er toen al niet in en schreef er met humor over. In 1933 vertrok Grosz met vrouw en twee zoons, kort voor het aan de macht komen van Hitler, naar Amerika. Nee, legt hij in zijn boek uit, hij had het niet zien aankomen. Marty Grosz, een van zijn zoons, werd een bekwaam en gevierd jazz guitarist.

Ik musiceerde met Marty Grosz toen hij in Nederland concerten gaf. We speelden, zonder repetitie, vlekkeloos Rosetta van, dat weet iedere jazzliefhebber, pianist Earl Hines. Marty vertelde over zijn vroege jaren in Amerika. Zijn vader vond die jazz geweldig goed en opwindend. Zijn moeder, een echte Duitse en dus liefhebster van opera, vond het Musik von betrunkene Neger. Dat laatste weer geheel terzijde. 

februari 1st, 2020 by Igor Cornelissen

Over de ‘wording’ van een knaap

Henry Roth werd in 1906 in Galicië geboren en kwam een jaar later met zijn ouders naar Amerika, voor veel joden toen het Beloofde Land. Zijn Noem het slaap over de ‘wording’ van een knaap in het levendige East Side van Manhattan, kwam in 1934 uit. Ondanks de goede kritieken zweeg Roth tot 1964.

Zijn boek werd herontdekt en beleefde een laat wereldsucces. In Nederland werd Roth aangeprezen door Maarten ‘t Hart. In Vrij Nederland nam hij het op voor ten onrechte vergeten boeken. Mij werd het boek aangeraden door een handelaar op de Zwolse boekenmarkt. Aangezien hij vooral goede boeken in de verkoop had, vertrouwde ik hem. Hij had gelijk. Het kan nooit kwaad eens naar een ander te luisteren.

Achterin een korte lijst met woorden en uitdrukkingen uit het Hebreeuws en Jiddisch vertaald. De vertaling is van Beccy de Vries van wie ik een aardig joods kookboekje heb dat ik vanwege haar viskoekjes en de matzeballen (nog) niet weg doe.

Andere kookboeken doen we dan weer wel weg.

januari 31st, 2020 by Igor Cornelissen

Ben Kam over de dood en het lichte leven in Zwolle

Ben Kam was vele jaren een bekwaam huisarts in Zwolle. Hij promoveerde op het leven van lichte vrouwen in Zwolle in vroeger tijden. Het materiaal had hij uit een afvalbak voor oud papier gevist die voor het oude politiebureau stond.

Dr. B.J. Kam interesseerde zich ook voor de in deze stad uitgesproken en uitgevoerde doodstraffen. Inclusief radbraken en vierendelen. Een diepgravende studie die niet makkelijk is te lezen omdat Kam oude documenten raadpleegde in een voor ons moeilijke taal. Waar stond de galg precies?

Na zijn pensionering was Kam, die als jongeman in Helmond, zijn geboortestad, in het verzet verzeild raakte en het illegale Parool verspreidde, een vaste bezoeker van het stadsarchief. Hij maakte, maar dit geheel terzijde, zijn vlinderdasjes zelf. Ik kon hem nog eens een van de eerste naoorlogse nummers van Het Parool schenken waarin hij als directeur van de Helmondse editie vermeld stond. Hij was er blij mee. Nadat hij zijn medicijnen studie had afgerond, kwam hij naar Zwolle. Zijn patiënten, soms in de verre omtrek, bezocht hij per bromfiets. Een auto kwam pas later.

januari 31st, 2020 by Igor Cornelissen

Blessed with jazz

Rudi Blesh was een van de eerste niet musicerende Amerikanen die de jazz serieus nam. Zijn boek Shining Trumpets laat hij de muziek uit New Orleans, waar het allemaal rondom 1900 begon, herleven. Met schitterende illustraties van de eerste bands, de praalwagens en de begrafenissen waar jazz werd gespeeld. Pianist Montana Taylor heeft een fles drank op de piano staan.

Er wordt nog steeds gemusiceerd en gedronken in New Orleans, maar het is nu allemaal erg toeristisch. Marken en Volendam ineen. Blesh raadpleegde niet alleen antropologen, maar spoorde nog familie op van de legendarische pianist Jelly Roll Morton wat een zeldzame foto opleverde.

Rudi Blesh schreef ook een biografie van Buster Keaton, een bewijs dat hij (Blesh) gevoel voor humor had. Meer muziekgeschiedenis?

januari 30th, 2020 by Jaap de Jong

Elisabeth F. als buikspreekster van Nietzsche

Ik kocht de dundruk met het profetisch woord van Nietzsche eind jaren tachtig (februari 1988, om precies te zijn). Het was in een antiquariaat in de Dorpsstraat van Ede. Het bestaat niet meer. Ik kwam er elke zaterdag, minstens één keer per week en weet niet meer of dat voor de boeken was of voor haar, de prachtige vrouw die de zaak runde. Ik vermoed het laatste, maar dat schrijf ik hier maar niet op. Ik kocht er veel Achterberg en een weinig Nescio en nog zoveel meer. Je moest onder een poort door en dan nog eens een trap op. Voor een goed boek doe je wat.

Het boek dat ik kocht – dit exemplaar – is vervalst door Elisabeth Förster-Nietzsche, de antisemitische serpent die later ook nog eens de wandelstok van haar broer aan de heer Schicklgruber gaf, de stok die F.N. misschien ook bij zich had toen hij in Orta de berg op ging. Elisabeth F. was later met haar man enige tijd in Paraguay waar nu nog steeds blondharigen met blauwe ogen ronddartelen en daar het Duitse ras vertegenwoordigen zoals Bernard Förster dat voor ogen had.

Ik ben best benieuwd zijn naar de precieze tekstvarianten tussen de nieuwe vertaling van Also sprach en deze oude uit 1925. Overigens is Also sprach Z. een interessant boek, dat alleen al qua vorm niet denkbaar is zonder het evangelie. En de inhoud is, of maakt in elk geval de indruk van, een anti-evangelie. Ik denk dat het complexer zit. Maar dit alles terzijde.

Ik moest aan dit en andere dingen denken toen ik een paar weken terug in de Groene Amsterdammer een artikel las van iemand die blijkbaar ook de idee had dat je Nietzsche van alles in de schoenen kunt schuiven op basis van dingen die zijn zuster deed en naliet. En de gevolgen daarvan. Ik moet er weer aan denken nu ik het boek in handen heb.

Enfin, je kunt ook niet alles lezen. Je kunt wel van alles kopen; er is zoveel meer in onze collectie. Neem en lees. Ik wens u een prachtige middag en ook een bord erwtensoep met spekjes erbij. Geniet er van.

PS – dit exemplaar is zojuist verkocht, maar er is meer filosofie bij het Cornelissen & De Jong

januari 28th, 2020 by Igor Cornelissen

Stenen halzen

Chaja Polak (1943-) kwam recentelijk weer in het nieuws door haar aanval op Ad van Liempt die een oorlogsboek dat hij niet had gelezen de hemel in prees. Het boek ging over een man die in de oorlog voor een moordkommando van de SD had gewerkt.

Chaja wist dat die man verantwoordelijk was voor de arrestatie van haar ouders. Haar moeder overleefde een kamp. Haar vader stierf in Dachau. Stenen halzen werd indertijd zeer positief beoordeeld door Elsbeth Etty in NRC Handelsblad.

januari 28th, 2020 by Igor Cornelissen

Nooit saai met Henk van Randwijk

Henk van Randwijk was onderwijzer op een christelijke school toen hij in de oorlog werd gevraagd de redactie van het illegale Vrij Nederland op zich te nemen. Hij vond het een te knullig blaadje om je leven voor te wagen. Zijn vrouw Ada zei dat hij het toch moest doen.

Na de bevrijding bleef Van Randwijk hoofdredacteur, maar het abonnee-aantal liep snel terug. Van Randwijk schreef tegen de koloniale oorlogen in Indonesië. Hij startte een uitgeverij, schreef zijn herinneringen aan het verzet en werd een bekende TV discussiant.

Hij lustte een stevige borrel en verliefde zich in een Oostenrijkse barpianiste. Met Van Randwijk werd het nooit saai en dat laten Mulder en Koedijk goed naar voren komen in hun dikke biografie. Aan zijn graf sprak toch nog een dominee. Eind goed, al goed.

En er is dus een boek over hem, een biografie

januari 24th, 2020 by Igor Cornelissen

Reizen met Magelhaes

Op Youtube bezoek ik Londense café’s die al honderden jaren bestaan. In Tokio loop ik een visrestaurant binnen, liefst met zicht op de keuken waar een tonijn wordt gefileerd. En in Goa, de voormalige kolonie in India, zoek ik digitaal de stilste plekken op het strand op met veel palmen.

Die bomen zag Fernao Magelhaes, de eerste zeevaarder die de reis rondom de wereld volbracht ook. Hij moest er veel meer moeite voor doen. Hij vertrok in september 1519 met vijf schepen. Van de oorspronkelijk bemanning van 237 koppen waren er nog achttien over toen ze op 8 september 1522 bij Sevilla voor anker gingen. De rest was gesneuveld bij gevechten met inboorlingen, gedeserteerd of van honger omgekomen. Magelhaes was er niet meer bij. Hij was op een Filippijns eiland gedood tijdens een gevecht met inlanders.

Een ooggetuige heeft de reis beschreven die in 2001 in het Nederlands werd vertaald. Uiteraard was het Panamakanaal er nog niet zodat de schepen bij Chili door de Kaap van de elfduizend maagden moesten varen. Op Maluku speelden de mensen op violen met koperen snaren. Daar had Willem Mengelberg nog nooit van gehoord.

Te koop bij ’t Wasdom

januari 23rd, 2020 by Igor Cornelissen

Nooit meer koude botten?

Het rijk geïllustreerde Koud tot op het bot laat ons zien hoe het ooit was en misschien nooit meer zal worden. Ijspret om de zestiende en zeventiende eeuw geschilderd en getekend door grootmeesters en andere uiterst kundige handwerkslieden.

Evert van Straaten kan goed kijken. Op een paneel van A. Grimmer ziet hij hoe een jongeman een sneeuwbal in het decolleté van een vrouw probeert te duwen. Elders valt een dame waardoor haar rok in de war is geraakt en haar billen te zien zijn. Dit tot grote vreugde van een passerende schaatser. Het paneel hangt helaas in Brussel voor wie het in het echt wil zien.

Uiteraard is Avercamp vertegenwoordigd. De veelzijdigste. Elders een mooi gezicht op de stadswal van Haarlem.

Nog meer kunst

januari 22nd, 2020 by Igor Cornelissen

Liefde en jaloezie op de plantage

Alain Robbe-Grillet was een van de pleitbezorgers van de ‘nieuwe roman’. Botanicus van beroep schreef hij veel boeken en produceerde hij succesvolle films. Als landbouwdeskundige werkte hij in Frans Guyana en Guadeloupe. Zijn roman Jaloezie is gesitueerd op een bananenplantage. De schrijver kon putten uit eigen ervaring. Zijn liefde voor de planten en bloemenwereld liet hem nooit los. Als hij bij vrienden op bezoek was, onderbrak hij het gesprek graag voor een wandeling door hun tuin om dan alle namen van planten bloemen te noemen die hij er zag.

Nico Lijssen, vertaler van dit boek – waarvan bij verschijning in het Frans slechts 746 exemplaren werden verkocht – woonde met pottenbakster Frieda Koch (de ex van Bert Schierbeek en van Lucebert) op de Van Eeghenlaan 7 in Amsterdam. Ik woonde daar in de jaren zestig en huurde een kamer bij Frieda en Nico. Vanuit de Van Eeghenlaan wandelde ik door het Vondelpark naar een café op de Jacob van Lennepkade. Daar hield men mij voor een sportjournalist en dat liet ik maar zo. Dit laatste geheel terzijde.

Nog meer literatuur

januari 21st, 2020 by Igor Cornelissen

Zwolle in rep en roer: Multatuli, de dominee en de barones

Henri A. Ett was een bekende en serieuze Multatuli vorser. Hij correspondeerde al in 1939/’40 over hem met E. du Perron. Waarschijnlijk is hij op de zaak van de Zwolse weduwe Pruimers gestuit omdat Multatuli het ooit voor de weduwe, die zich al te langdurig door een predikant had laten troosten, heeft opgenomen. Niet iedereen was blij met die aandacht. Baron Van Dedem, een nazaat van weduwe Pruimers, probeerde nog in 1951 zonder succes het boek van Ett te laten verbieden.

Jaren na Henri A. Ett wierp de Zwolse slavist en historicus Wim Coster zich opnieuw op de zaak van de weduwe. Uiteraard figuurlijk. In de tijd dat Coster dikke folianten met familiepapieren van de Van Dedems doornam, trof ik hem op het Historisch Archief Overijssel. Hij zat er stralend bij want hij had net een ver familielid van de weduwe opgespoord die in Zwitserland woonde. De man wilde Coster wel ontvangen. Ga je erheen, vroeg ik Coster. Natuurlijk ga ik, was zijn antwoord.

Het zijn de rijke momenten van een onderzoeker: iets vinden waarop je niet meer rekende of iets vinden wat je niet zocht. Coster heeft de zaak van de een predikant vererende weduwe, die zich voor een deel in Zwolle afspeelt, tot op het bot uitgezocht. Volgens mij leed ze aan godsdienstwaanzin. Coster was wat voorzichtiger in zijn oordeel, maar weersprak het niet.

Meer over Zwolle.

januari 20th, 2020 by Igor Cornelissen

De papieren tijger – Thom K. de Vries, archivaris te Zwolle

Thom. J. de Vries, stadsarchivaris van Zwolle, de plaats waar hij was geboren en stierf, was een productief schrijver. Hij schreef veel cadeau boekjes voor de ooit bekende Zwolse uitgeverij Tjeenk Willink, zijn buren op de Melkmarkt.

De stille straat uit 1946 is er één van. Het is een ode aan het beschreven papier en aan de Zwolse schrijvers. Hun beeltenissen afgedrukt. Willem Bartjens, de rekenmeester incluis. Thom J. de Vries gaf het boekje een mooie ondertitel mee: meditatie over meesters en boeken in een Zwols papierpakhuis.

Thom. K. de Vries zou zeer geschikt zijn geweest voor het onderwijs, maar doofheid belette dat. Het schijnt dat hij op latere leeftijd zelfs niet meer de indruk wilde wekken dat hij naar iemand luisterde. Het had geen zin. Er bleven documenten te over om te bestuderen.

Niet meer leverbaar

januari 12th, 2020 by Igor Cornelissen

Over aanpalende thema’s: Een Alpenroman

Niet aansluitend op Gertrude Stein en Toklas, maar wel over een aanpalend thema handelt Vestdijks Een Alpenroman. De lesbische liefde dus, destijds nog ‘een precair thema’ genoemd. Dat is het nu buiten Veenendaal, de Alblasserwaard en Genemuiden al lang niet meer, maar wel in 1961 toen die roman werd uitgegeven.

Vestdijk droeg zijn roman op aan Ans. Was dat niet zijn huishoudster? Als Lucie afreist om haar kelnerin in Zwitserland nog een keer te zien, reist ze langs de Rijn. Volgens haar geen echt Duitse rivier. Wel internationaal. Wijnbergen deed haar aan Frankrijk denken en Rijnaken had je ook in Nederland. Bovendien waren er volgens haar geen concentratiekampen langs de Rijn geweest. Lucie wilde eindelijk wel eens Duitsers zien. Vestdijk wist wel alle registers open te trekken. Toch met terughoudendheid. ‘Voor het inslapen hadden ze meer dan eens elkaars blote huid beroerd, zuiver toevallig. Zoiets was niet te vermijden.’ Een Alpenroman heet het boek, maar ze krijgen het heel warm onder een dekbed dat dan ook wordt afgeworpen.

Het omslag is van Karel Beunis (1933-1983) die naam maakte door zijn werk voor de Bezige Bij. Vooral de reeks Literaire Reuzenpockets kreeg zijn stempel. Modern en trefzeker. Hier te vinden

Nog meer literatuur.

januari 10th, 2020 by Igor Cornelissen

Het zwijgen van Kees de Prater

Toen Bart van der Boom zijn boekje over Kees van Geelkerken schreef, leefden er nog mensen die Van Geelkerken goed hadden gekend. Een voordeel voor de auteur. ‘Kees de prater’ zoals hij ook in eigen kring werd genoemd, was de rechterhand van Mussert. Hij kreeg nog net niet de doodstraf. Wel levenslang. De reden is dat hij pas in 1951 werd berecht omdat men hem in veel andere processen nodig had als getuige.

Van Geelkerken is kort op Youtube te zien als getuige in het proces tegen Rauter, die overigens wel voor het vuurpeloton eindigde. Ik ontmoette Van Geelkerken na zijn vrijlating (in 1959) eenmaal toevallig. Toen ik vroeg of hij die Van Geelkerken was, bevestigde hij dat volmondig. Maar op een verzoek om een gesprek dat mogelijk in Vrij Nederland zou komen, ging hij niet in. Hij had ‘alles al gehad’. Dat was verstandig van hem. Nieuwe publiciteit zou hem waarschijnlijk alleen maar last hebben bezorgd.

januari 9th, 2020 by Igor Cornelissen

Jezus als Zeloot

Brandons Bijbel, geloof en geschiedenis handelt over drie terreinen waarover mensen nog wel eens willen lezen. De kerken mogen dan, tenminste in Nederland en omringende gebieden, leeg worden, belangstelling voor onze vroegste geloven (of bijgeloof) blijft bestaan. Brandon was een priester die sinds 1951 jarenlang in Manchester professor was. Archeologie speelde een belangrijke rol bij zijn overwegingen.

Volgens Brandon behoorde Jezus zeer waarschijnlijk tot de Zeloten, de groep die geen enkel compromis met de bezettende macht, de Romeinen, wilden. Het hoofdstuk over de Zeloten is hoogst interessant. Voor een jood was de betaling van een schatting niet alleen een erkenning van een vreemde overheerser, maar bovendien een godslastering. Daar werd tegen gerebelleerd. Brandon vermoedt dat twee van die rebellen samen met Jezus werden gekruisigd. Dat brengt Brandon tot verdere overwegingen, alles onderbouwd.

Meer godsdienstwetenschap of anders theologie?

januari 8th, 2020 by Igor Cornelissen

Koken met Alice

Gertrude Stein was in het literaire Parijs van de jaren twintig en dertig een centrale figuur. Zij was de genereuze gastvrouw van Picasso, Matisse, Scott Fitzgerald en Hemingway. Alice Toklas was haar vaste gezellin. Die kon volgens het boek goed koken. Of ze voor Hemingway, die van stierenvechten hield, ook stierenkloten kookte of braadde, is niet bekend. Uiteraard is het kookboek niet alleen gevuld met recepten. Ontmoetingen met beroemde kunstenaars worden breed uitgesponnen, gelardeerd met maagdensaus (voor groenten) en roomijs op de trouwdag.

Het voorwoord is van Doeschka Meijsing die enkele jaren mijn collega bij Vrij Nederland was, maar werd ontslagen door Joop van Tijn. Hij masseerde de pijnplek nog wat extra door het uitspreken van de charmante zin: ‘Jij bent eigenlijk meer schrijfster dan journalist.’ Of Doeschka maagd was of getrouwd werd, heb ik nooit geweten. Joop moet het hebben geweten. Volgens Doeschka was Alice lelijk, had ze een snor, maar was ze de baas in de keuken. Ik had daar wel eens willen eten. Bijvoorbeeld (pg. 178) de jonge eend met port. Daarvoor moesten wel eerst 24 verse vijgen onder de beste port in een hermetisch gesloten pot 26 uur staan weken. Prettig als je iemand hebt die dat allemaal voor je doet. Ik wil ook wel zo’n Alice, als het even kan zonder snor.

Nog niet genoeg kookboeken?

januari 7th, 2020 by Igor Cornelissen

De legende van de Baalsjem

Martin Buber was vele jaren een guru of, zo men wil, een heilige voor vooral niet-joden. De Nederlandse vertaling De legende van den Baalsjem kwam in 1928 uit. Joods mysticisme waarvan niemand, aldus bespreker Joseph Gompers in Nu van juni 1928, “zal kunnen ontkennen dat het heidense invloeden bevat”. Dat u het maar weet.

Gompers prijst de vertaling uit het Hebreeuws door mevrouw R. Colaco Osorio-Swaab (1881-1971). Zeldzame uitgave met bandomslag van Wybo Meyer, 1e druk.

U kunt hem hier vinden, opgenomen onder de rubriek judaica.

januari 6th, 2020 by Igor Cornelissen

Liberaal jodendom

Caransa vertelt in Jodendom, een gelede levensbeschouwing veel. De ondertitel van zijn boekje is ‘een oefening in begrip en tolerantie’. Ab Caransa sloot zich bij de liberale joden aan, een groep die door de orthodoxie niet voor vol wordt aangezien.

Wellicht dat Caransa daarom relatief veel aandacht schenkt aan de groepen joden die zich in Duitsland, Frankrijk, Engeland en Amerika van de orthodoxie afsplitsten. Aardig als kennismaking met het jodendom in al zijn geledingen. Hier te bestellen.

Méér judaica.

januari 5th, 2020 by Igor Cornelissen

Altijd van huis. Vluchtwegen van Graham Greene

Graham Greene werd tweemaal genomineerd voor de Nobelprijs. Hij kreeg hem niet. Onbegrijpelijk. Zijn autobiografische werk Vluchtwegen stamt uit 1980. Greene was zeer reislustig. In dit boek vertelt hij over zijn ervaringen in Haïti, Cuba, Vietnam en Praag.

Mijn oud hoofdredacteur Mathieu Smedts was dol op hem. Niet alleen, denk ik, omdat Greene katholiek werd om een katholieke vrouw te trouwen. Ook na de (niet officiele) scheiding van Vivien Dayrell-Browning  bleef Greene katholiek. En schrijflustig. Gelukkig, zo hield hij mij van de straat. Na Stamboel Train uit 1932 volgde een rijk oeuvre. Men denke aan The Quiet American en Our man in Havanna, ook vertaald in het Nederlands.

Ik denk nog vaak aan de film The Third Man met Orson Welles. Greene schreef het verhaal. Zijn boek Vluchtwegen is hier te bestellen.

Méér literatuur.

januari 5th, 2020 by Jaap de Jong

Zonder zeulen: virtueel catalogiseren

Het aardige van het indelen van een virtuele boekenkast is dat je je voorraad kunt verplaatsen zonder werkelijk met boeken te hoeven zeulen. De ruimte op de digitale boekenplank is immers onbeperkt. Een virtueel leven heeft z’n voordelen.

Enfin, ik maakte zojuist even een voorlopige indeling: filosofie, judaica, theologie, godsdienstwetenschap, wetenschapsgeschiedenis, geschiedenis, literatuur. Dit zijn tot nog toe ook wel de meest belangrijke categorieën in het antiquariaat. De indeling is een beetje arbitrair en er valt natuurlijk veel over te zeggen. Waarom maak ik bijvoorbeeld onderscheid tussen theologie en godsdienstwetenschap? En wat is literatuur eigenlijk?

En kookboeken natuurlijk. Zonder kookboek is geen menswaardig bestaan mogelijk.  Later meer.

januari 1st, 2020 by Igor Cornelissen

Bij nader inzien: meneer Beerta en de klassenstrijd

In de bus door Engeland spraken achter mij twee dames over Het Bureau van J.J. Voskuil waarvan net het eerste deel was verschenen. Ik was op reis met andere boekenverzamelaars. De vrouwen waren zo opgewonden dat ik hen om informatie vroeg. Heel Nederland was vol van Het Bureau. Ik kreeg een goed advies van ze: “Als u zo ongeveer op pagina 70 bent, weet u of u verder leest”. Ik deed het en las verder. Alle delen. Nog net niet ademloos, want ik wilde doorgaan.

Ik had meneer Beerta de directeur van het dialectenbureau waar het verhaal zich grotendeels afspeelt herkend. Het was de keurige, half nichterige, dr. Piet Meertens die ik had ontmoet bij een klein groepje links socialisten dat in Amsterdam vergaderde. Wij wilden de PvdA naar links ombuigen. De klassenstrijd moest weer worden gevoerd. We waren kansloos.

Mij ging het om meneer Beerta. Hij ging weer leven. Waarheidsgetrouw. Voskuils Bureau werd een hype. Er verscheen zelfs een boekje Wie is wie in Het Bureau? Ik bleek heel wat figuren uit Het Bureau gekend te hebben. Read the rest of this entry »

december 31st, 2019 by Igor Cornelissen

Schijnheilige iconenaanbidders

Michael Saltykov-Sjtsjedrin(1826-1889) was criticus, tijdschriftredacteur en romancier. Te oordelen naar de Geschiedenis van de Russische literatuur van Karel van het Reve hoorde hij niet bij de allergrootsten zoals Tsjechov en Poesjkin. In zijn literatuurgeschiedenis komt hij alleen terloops voor. De familie Golowljow verscheen in 1972 in de beroemde Russische bibliotheek van Van Oorschot. De roman over een familie die uit louter nare mensen lijkt te bestaan geeft op een zijspoor nog een aardig kijkje op het Russische toneel in de provincie. Een van de meisjes van de familie is actrice en wordt steeds lastig gevallen door officieren die bezoekjes brengen aan de kleedkamers.

Het boek werd vertaald door Eva van Santen, dochter van het communistische Eerste Kamerlid drs. Joop van Santen die in 1953 met de CPN brak omdat Joop tegen sprak dat er in het Westen een grote crisis op handen was. Maar dit terzijde. Karel van het Reve schreef elders over het boek: ‘Het oude feodale Rusland in al zijn modderigheid.’ En dat is voor dit naargeestige boek niet te sterk uitgedrukt. Wat een schijnheilige iconen aanbidders!

Hier te koop #Igoriana

december 30th, 2019 by Igor Cornelissen

De prijs van juwelen: The Gaslight Murders

The Gaslight Murders is een adembenemend verhaal over misdaad in Londen. In Sidney Street werd in 1910 een juwelier overvallen en beroofd. Russische gangsters. Of Litouwers? Joden. Ook nog anarchisten? Drie dode politiemannen en twee zwaar gewond. We zijn tegenwoordig meer gewend. Toen rukten ook militairen uit.

Fraai geïllustreerd. Minister Winston Churchill ging, zoals een foto toont, met hoge hoed op kijken naar de gevechten hoewel hem dat wegens het risico ernstig ontraden. Voor wie wil weten waar Sidney Street lag, en nog steeds ligt, is er een fraaie oude Bacon gids van Londen met een prachtige uitslaande kaart. Hier te koop #Igoriana

december 28th, 2019 by Igor Cornelissen

Nathan en Shylock in de Lage Landen

De jood in de Nederlandse literatuur. Er is en wordt veel over geschreven. De jood is meestal een karikatuur, niet zelden behept met nare eigenschappen. Vaak, niet altijd, hebben die beschrijvingen een antisemitische ondertoon. Jaap Meijer schreef er eerder over. Zijn publicaties zijn vaak in eigen beheer uitgegeven. Kleine oplages en dus moeilijk te krijgen. Ewoud Sanders houdt zich er nog altijd mee bezig.

Dr. M.J.P.M. Weijtens was een van de eersten die zich er wetenschappelijk over boog. Hij promoveerde in 1971 op Nathan en Shylock in de Lage Landen (Kath. Universiteit Nijmegen). Shylock de slechte jood uit de Koopman van Venetië kennen we allemaal. Al was het maar uit de schitterende film met Al Pacino als de joodse woekeraar. Maar hoe schreven Bilderdijk, Van Lennep en Bosboom Toussaint over hen? Ook Potgieter uit Zwolle, de liberale voorman van De Gids, wordt behandeld. De joden ‘hadden allerminst zijn sympathie’. Wie het precies wil weten: Weijtens lezen. Hier te koop #Igoriana

december 25th, 2019 by Igor Cornelissen

Wereldberoemd in Koekange: Max Dendermonde

Max Dendermonde, in Groningen geboren met een andere naam, was een productief schrijver. Romans, gedichten en herdenkingsboeken voor bedrijven. Met dat laatste verdiende hij zijn geld. Zijn dag bestond uit twee delen.

‘s Morgens schreef hij de bedrijfsboeken. Dan voelde hij zich in de middag vrij om tijd te besteden aan de schone kunsten. Hij verhuisde naar Florida in Amerika en daarna hoorden we minder van hem. Af en toe kwam hij nog naar Holland. Zo ontmoette ik hem toen hij in de buurt van Meppel in een dorpscafé sprak over een moord die daar lang geleden was gepleegd. Onopgelost. Max zei dat hij wist wie de dader was en schreef er een roman over.

In Koekange was het. Er stond een lange rij dorpelingen die het boek kochten en lieten signeren. Wereldberoemd in Koekange. Bij die gelegenheid gaf hij mij de dichtbundel Het geheim van de miereneuker. Gesigneerd.

Hier te koop #Igoriana

december 23rd, 2019 by Igor Cornelissen

De huisgod spreekt

De dichter Alain Teister schonk mij in 1964 zijn dichtbundel De huisgod spreekt. Teister, geboren als Jacques Boersma, was korte tijd eindredacteur bij Vrij Nederland, maar hij had te veel moeite met de de werktijden. Hij sprak graag en veel, het liefst in een kroeg waar hij ongeremd innam. Daaraan is hij jong gestorven.

Alain schilderde ook en ik herinner mij zijn kunstwerken, staketsels van roomse heiligen die hij had doorboord met punaises en spelden. Hij was permanent aan het afrekenen met het geloof van zijn jeugd. Een andere dwangmatige passie van hem was seks. Vandaar zijn opdracht aan mij: ‘Voor als je opstaat na de daad.’ Hier te koop.

december 21st, 2019 by Igor Cornelissen

Heibel om het kind

In Om het joodse kind beschreef Elma Verhey indringend de heibel, ellende en verdriet om joodse kinderen die door onderduik de oorlog hadden overleefd. Hun ouders waren vermoord. Wat moest er met hen gebeuren? Katholieke en protestante pleegouders wilden de kinderen volgens hun religie opvoeden. Joodse instanties verzetten zich. Een centrale figuur in het verhaal is prof. Gezina van der Molen, dapper in de oorlog, daarna onverzettelijk gereformeerd.

Nog niet zo lang geleden was er in haar woonplaats een hele discussie of er nu wel of niet een straat naar haar moest worden genoemd. Oud VN redacteur Elma Verhey kon daar helaas niet meer over schrijven. Ze overleed in januari 2019.

Boek met opdracht van Elma aan Igor Cornelissen die haar leerde dat ‘liefde voor geschiedenis’ bij Vrij Nederland hoort. Hier te koop.

december 16th, 2019 by Igor Cornelissen

Het blad voor wakker Nederland

Het geheim van De Telegraaf

Zij die al wakker waren lazen De Telegraaf niet. Ik heb het blad nooit gekocht, maar wel gelezen. Vroeger – hoe lang is dat geleden? – lieten mensen in de trein wel eens een uitgelezen blad liggen. Het kan De Graafschapsbode zijn, De Haarlemmer Courant of de Leeuwarder Courant. Dat laatste dagblad kon wat moeilijkheden opleveren omdat sommige bijdragen in het Fries waren. De Telegraaf begreep je zo.

Mariëtte Wolf promoveerde op Het geheim van de Telegraaf. Dat geheim bestond er in om dat te publiceren wat mensen met een beetje onderbuik willen lezen. Mariëtte Wolf schreef een zeer leesbaar boek, vol met interessante illustraties. In de beginjaren schreven socialisten (Van der Veer) en anarchisten (Alexander Cohen) in De Telegraaf. Na de oorlog kwam Jan Spierdijk van De Waarheid de kunstredactie versterken. Die afdeling gold als een links bolwerk binnen de krant met aandacht voor Gerard Reve en Willem Frederik Hermans. Heel bijzonder. Niet te missen was de societyrubriek met veel recepties, wijn, paardenrennen, diplomaten en af en toe een verdwaalde socialist. Ook van hen stonden foto’s in de rubriek.

De foute oorlogsperiode is correct beschreven. Wat de meesten al wisten na dr. L. de Jong gelezen te hebben is dat De Telegraaf niet fouter was dan de andere kranten die onder Duitse censuur stonden. Enfin, wie De Telegraaf nog steeds niet wil lezen, kan het boek hier aanschaffen.

december 14th, 2019 by Jaap de Jong

Sigmund Feist als biologisch antropoloog

Met Stammeskunde der Juden maakte Sigmund Feist in 1925 geen vrienden onder de nazi’s. Hij was in die jaren actief als etnograaf/biologisch antropoloog. In zijn studie nam hij 89 afbeeldingen op van joden in verschillende landen en volken (China, Ethiopië, Perzië, Marokko etc.). Een vorm van fotografische antropologie waarbij de diversiteit van de beelden (in kleding en voorkomen) zijn stellingname demonstreert. Het gaat om diversiteit & verschil, niet om eenvormigheid en/of ras. Boeiend. Na de machtsovername door Hitler wordt het leven nog moeilijker gemaakt en emigreert Feist met zijn gezin in 1939 naar Denemarken waar hij een paar jaar later zal overlijden.

In het dagelijks leven was Sigmund Feist jarenlang directeur van een Joods weeshuis. Hij onderhield nauwe contacten met zijn pupillen, ook na hun vertrek uit het weeshuis. In de Eerste Wereldoorlog correspondeerde hij met meer dan zeventig pupillen die dienst deden in de loopgraven. Die brieven werden in 2002 uitgegeven.

De studie van Feist verscheen in 1925 bij Hinrichs in Leipzig en werd in Nederland verkocht door de antiquaar Jacob Ginsberg (1886-1943) die zijn bedrijf op het Kort Rapenburg als universiteitsboekhandel presenteert (zie foto). Jacob Ginsberg was overigens een kleurrijke figuur in het vooroorlogse Leiden, een bohemien, maar dat is een ander verhaal.

Mijn collega-antiquaar Igor Cornelissen mailde mij zojuist dat hij op geen van de anderen op de foto’s lijkt, waarmee de stellingname van Feist nog meer empirische evidentie krijgt.

december 6th, 2019 by Jaap de Jong

Camus en Nederland

Het was een mooie dag vandaag. Werk van studenten nakijken, boeken invoeren, het bestand van het antiquariaat vernieuwen en daarna de erudiete predikant CW inwijden in de kunst van het zoeken (met BOLAS, maar dit terzijde). Een dominee zoekende te maken is een godswerk, zo vertelde mij een lerend ouderling eens. Ik moet dat bevindelijk tegenspreken; het lukte mij ook.

Eindelijk thuis was er zuurkool met spekjes en ketchup. Op de grijszwarte deurmat lag de nieuwste Parelduiker. Een onderschat blad dat meer dan tienduizend abonnees verdient. Er staat deze keer een artikel in over Camus die prachtige dingen schrijft aan zijn geliefde Maria Casares. Een paar maanden voor zijn dood op een ijzige landweg richting Parijs. Men moet ook niet naar Parijs gaan. De brief gaat over Amsterdam, maar de regens en de nevels van Amsterdam lijken ook vanavond op die van Zwolle:

“het is een stad, nog een, waar ik met jou terug zou willen komen. Het regent, zonder ophouden, de wind is koud, maar zijn nevels zijn vol van licht, de zee is daar, die je neusgaten en je hart vult…ik beleef het opnieuw, ik ben gelukkig ver van Parijs waar jij niet bent en dat voor mij de stad van het verdriet blijft.”

Koop dat blad. Lees het op papier of desnoods digitaal. Hier staan de gegevens. Ik heb geen ander belang dan een inhoudelijk belang. Het is zo waar wat Multatuli zei: De Parelduiker vreest de modder niet.

En nu ga ik de dag afmaken en twee opstellen van Camus herlezen: Het absurde en de zelfmoord en De myte van Sisyfus. Het eerstgenoemde essay heeft een indringende beginzin; het laatste een magistrale eindzin.

En als het u interesseert: u moet zich mij voorstellen als een gelukkig mens.

december 2nd, 2019 by Jaap de Jong

Vestdijk en de toekomst

Vorige week een veelbelovende collectie meegenomen uit Amsterdam. Er zit prachtig materiaal bij: Elsschot, veel Elsschot, Hermans, Vestdijk, Van Ostaijen en nog veel meer.

In plastic verpakt het uit de hand gelopen essay van Vestdijk: de toekomst der religie. Dat boek dat Vestdijk in de herfst van 1943 afrondde deed destijds veel stof opwaaien. Het speelde een rol in het debat over de projectietheorie. Het deed stof opwaaien, maar was zelf allerminst stoffig. Ik bezit zelf de paperbackversie, maar heb hier het exemplaar dat in roodlinnen is gebonden (met daaromheen een wel heel nette stofomslag), de eerste druk uit 1947 (zie foto).

Ik streel de rug, bekijk het stofomslag, snuif de geur op van gebruind papier en betast titel en het vignet van Van Loghum Slaterus. Die staan in goudopdruk op de rode band. Heeft een eerdere bezitter een spoor nagelaten? Ik wil het leren kennen, de pagina’s tellen, op zoek gaan naar illustraties, ontwijdingen of krachttermen in de marges. Is het schutblad nog maagdelijk of heeft iemand in euvele overmoed het boek gemerkt met naam of initialen?

Er is werk te doen. Ik moet de toekomst zeker stellen.

november 20th, 2019 by Jaap de Jong

Igoriana – Karel Čapek

Nieuwe #Igoriana binnen, waaronder items van de onlangs opnieuw vertaalde Karel Čapek die nog altijd gelezen en vertaald wordt. Zijn broer Jozef was de uitvinder van het woord ‘robot’, Karel introduceerde het in de literatuur Had overigens ook niet zoveel met ideologieën en massa’s. Igor kent het Tsjecho-Slowaakse verleden, de verhalen over Čapek – die ook de biograaf was van de charismatische presedent Tomás Maseryk –  en vertelt: “Hij [Karel Čapek] overleed in 1938 wegens verdriet over de teloorgang van zijn Tsechoslowakije. De nazi’s kwamen hem enkele maanden later arresteren. Uit woede (dat ‘ie al dood was) arresteerden ze zijn vrouw en broer Jozef, de begaafde schilder. Zijn broer Jozef overleed in Bergen-Belsen. Fantastische schrijver met een interessant kunstenaar als broer!”.

Binnenkort meer #Igoriana in het antiquariaat

november 14th, 2019 by Jaap de Jong

Alle mensen zijn sterfelijk – Simone de Beauvoir

“Wie leert te sterven vóór het sterven, weet ook hoe te leven.” Ik hoorde die uitspraak (vrij naar Montaigne) vanavond uit de mond van de sympathieke, grijze en op dat moment ook wijze, politie-inspecteur, de hoofdrolspeler uit de mooie Netflixserie The Missing.

Ik moest bij dat filmfragment direct denken aan een midden twintigste eeuwse graftekst op begraafplaats Soestbergen (Utrecht) die op dit thema varieert: “wie leert te sterven vóór het sterven, hoeft niet te vrezen voor het sterven.” Daarna dacht ik aan Simone de Beauvoir en aan de muis die van de levenselixer had gesnoept en aan de graaf Fosca die hetzelfde deed en zich gruwelijk verveelde. Na een aantal gemaakte “existentiële” keuzes wist hij het wel. Nou ja, ongeveer. Maar hij was veroordeeld tot een eeuwig bestaan. Zoals de muis. Het schijnt dat die nog steeds ergens rondtrippelt. Ik hoorde net iets.

Ik kwam vroeger vaak langs die grafsteen met de tekst waaruit afschuw voor het leven spreekt. Ik woonde in de Pelikaanstraat, bijna de mooiste straat van Europa, temidden van de fel levenden (studenten) en de heel erg stillen, de doden op begraafplaats Soestbergen. Tweehonderd voet gaans vanuit mijn toenmalige woning. Ik heb de fel levende studenten natuurlijk wel vaak vermaand. Dat begrijpt u.

Het graftekstcitaat lijkt op dat van Montaigne, maar dat is schijn. Michel de Montaigne gaf zich over aan het leven, maar was zich heel bewust van het tijdelijke. Als je het een naam wilt geven: gematigd hedonisme. En zijn scepsis staat haaks op de daadkracht van Simone de B. Uit het graftekstcitaat spreekt, zo lijkt, vooral levensangst en een grondstemming die op het hiernamaals is aangelegd.

Anders, of sterker, radicaal anders is de positie die Simone de Beauvoir inneemt: Het leven is tijdelijk. Het dak van de hemel is in scherven naar beneden gevallen. Je moet keuzes maken. Hier en nu en snel graag, want hierna is het afgelopen. Je word er niet echt vrolijk van. Die keuze van Sartre en De Beauvoir pakten ook niet altijd goed uit. Och, och wat een tragiek toch. Ik begrijp heel goed dat Levi Weemoedt in zijn jonge jaren altijd in een zwarte trui rondliep. En met hem vele andere zogeheten existentialisten. Jammer is dat. Misschien is het beste om de eeuwigheid binnen in je te ontdekken. De eeuwigheid is binnen in u, zei een groot leraar. De dingen waar te nemen en van geen waarom of waartoe te weten. De roos is een roos is een roos. Leef. Alle lust wil (en heeft) eeuwigheid; in die eeuwigheid, die restloze seconde, is zelfverlies. Selbstvergessenheit.

Ik las de roman van De Beauvoir in 1989 en wat een keuzes maakte ik in dat jaar! Ik meende dat het goed was om de revolutie in Parijs te herdenken en een dansje te doen met de laatste communiste. In de daaropvolgende winter – eind 1989 – reed ik bijna het ravijn in met een volgeladen vrachtauto; eten en kleding bestemd voor Hongaarse Gereformeerden in de stad Cluj, Gods rest in Cluj. Een mens maakt wat mee.

november 11th, 2019 by Jaap de Jong

Alleen voor volwassenen: Hampton Hawes

“Het is wel een boek voor volwassenen”, zegt Igor terwijl de laatste klant het pand verlaat. Het is vrijdag 8 november 2019, 17.33 precies. Ik voer de gegevens van de autobiografie van Hampton Hawes in en zet hem ook nog eens op de speakers. Voor volwassenIk weet weinig van jazz, maar dat geeft niks, zegt Igor. “Het gaat helemaal niet om weten, maar om muzikale bevindelijkheid. Dat behoort tot het allerhoogste.”

Hawes kwam in de problemen toen hij gearresteerd werd wegens het bezit van heroïne. Nog net voor zijn dood verleende Kennedy hem gratie. Hij kwam er bovenop en beleefde in 1964 een come back in de muziek en schreef z’n autobiografie. Er komen veel woorden in voor als “shit” en “motherfucker”. Zijn vader was dominee, maar hij boog hooguit voor het brood in de goot. Zijn taal was van de straat. Alleen voor volwassenen dus” zegt Igor. Het is inmiddels vijf uur en ik heb deze middag meer titels ingevoerd dan verkocht. Dat moet anders, omgekeerd liefst. Igor tikt op het glas, maakt danspasjes en speelt op een denkbeeldige trompet. Hampton Hawes dus. Ik ben verkocht, maar vind Petite Fleur van Sidney Bechet beter. Stiekem dan.

Meer #Igoriana

november 10th, 2019 by Jaap de Jong

150 jaar Koos Speenhoff -’t is anders

De zanger-muzikant, liedjesschrijver en tekenaar Koos Speenhoff (1869-1945) komt uit de tijd dat oma nog opoe was. Op 23 oktober j.l. is zijn 150e geboortedag gevierd. Als kleinkunstenaar en cabaratier was hij een grootheid in de Nederlandse literatuur. Een pionier en voorbeeld voor velen, ook voor cabaretiers van na de oorlog. Maar wellicht dat Youp van’t Hek hem niet kent. De troubadoor Speenhoff staat voor een nieuw geluid in het Rotterdamse: “’t is anders”, zei hij. Die woorden gelden als zijn lijfspreuk. De houding die daaruit spreekt neemt mij voor hem in. Speenhoff geldt als een sociaal bewogen mens, maar ook als een tragische melancholicus. De helft van zijn leven was er een van ongekende bloei, de laatste helft was er een van ongekende neergang en ondergang, zegt Wim Ibo in Namen die je nooit vergeet. Rond zijn vijfentwintigste woont hij enige tijd samen met de schilder Kees van Dongen. Hij tekent, schrijft liedjes en heeft enorm succes, treedt op in de grote steden en verkeert in kunstenaarskringen (met o.m. Willem Kloos, Herman Heijermans, Henriette Roland Holst en Willem Mengelberg).

Na 1920 treedt de neergang in. Zijn lijfspreuk ’t Is Anders roept na die tijd vooral irritatie op. Koos Speenhoff maakt in die jaren een tournee door Nederlands-Indië en verheerlijkt na zijn terugkeer het kolonialisme. Dat wordt hem niet dank afgenomen. Veel van zijn vroegere vrienden wensen hem daarop naar de hel. Daar maakt Speenhoff een lied van: Speenhoff in de hel. Lach er niet om, want dat is daar plaats waar we elkaar eens zullen ontmoeten, zegt hij hier. Speenhoff ontmoet grote namen in de hel: Rembrandt, Michelangelo, Multatuli en Willem III en – je verwacht het niet of misschien toch ook wel – Abraham Kuyper, die was conferencier. Dat laatste begrijp ik.

In de jaren dertig zou Speenhoff zich antisemitisch uitlaten, lid van de NSB werd hij niet. Wel schrijft hij in de oorlog pro-Duitse teksten. En hij drinkt en is eenzaam. ’t Was anders geworden. Zijn dochter Ceesje treedt in de oorlogsjaren op in het genazificeerde zondagmiddagcabaret van Paulus de Ruyter. Koos Speenhoff verliest op 3 maart 1945 het leven; bij het bombardement op het Haagse Bezuidenhout.

Eén van de bundels van Speenhoff maakt deel uit van de collectie #Igoriana. Igor schonk het boekje, een liedbundel, aan zijn moeder Truus Cornelissen-Os (met een daarbijbehorende brief op VN-papier en een bijpassende VN-enveloppe). Het is dan 1974, dus midden in de tijd dat VN nog het VN was. De inhoud van de brief zal ik hier verder niet verklappen. Alleen nog dit: bij twee liedjes uit de bundel staan aandachtstreepjes. Bij Opoe en Een meisje dat je niet vergeet.

oktober 31st, 2019 by Jaap de Jong

Engelen

De Dunne Man droomde dat hij met zijn zusje met de bal speelde. De bijtjes zoemden en de oranje afrikaantjes waren oogverblindend, ze geurden bovendien naar veel zomer. Plots lag de bal op het dak. De Dunne Man klom omhoog waar de bal op de voor haar bestemde plaats lag. Klimmen was gemakkelijker dan dalen. De Dunne Man dacht dat engelen hem wel zouden vangen als hij sprong. Hij was bang, maar wilde voor alles geloven. De pijn van het gekneusd stuitje was verschrikkelijk. De zielenpijn was erger en ging nooit over. Engelen zijn net mensen. Complex, wist hij nu. (5)

juli 17th, 2019 by Jaap de Jong

November in juli

Het is juli en toch is het november. Altijd regen. De Dunne Man zit achter zijn hardhouten tafel. Vierpotig en gedagtekend met 405 putjes. Hij luistert naar Max Richter en denkt aan J.C. Bloem. Niet na te volgen associaties teisteren zijn geest. Buiten regent het gewoon door. Wel denken of niet denken: tegen regen helpt niets. Voor de Dunne Man is er geen onderscheid tussen dove herinneringen, wat geleefd wordt en wat verbeid. Hij loopt naar het raam, prevelt iets over prille wegen en het ontkomen aan de tijd. Het is altijd november, altijd regen, altijd dit lege hart. Altijd. (4).

november 24th, 2018 by Jaap de Jong

Stilte op ’t Janskerkhof

De Dunne Man zit met zijn Leermeester op het Janskerkhof. Aan de wand hangen repro’s van schilderijen van Rubens, Meester van nog net niet vervallen Schoonheid. De Dunne Man denkt aan de herfst die niet zal schitteren. Toch zal ze zijn. Buiten regent het, binnen citeert de Leermeester Rilke. Alles  is als het moet zijn: Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr | Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben | wird wachen, lesen, lange Briefe schreiben | und wird in den Alleen hin und her unruhig wandern, wenn die Blätter treiben. Dan drinken ze. En zwijgen. (3)

november 20th, 2018 by Jaap de Jong

Het lot tarten

De Dunne Man zit bij zijn moeder en vraagt wat zij zou doen als zij opnieuw zou mogen beginnen. “Neem je opnieuw twaalf kinderen of eerder een zeeman, een zendeling desnoods?” Zij giechelt als een jong meisje. Zij lacht zoals hij haar nooit zag lachen. Haar hoofd schudt heen en weer en haar ogen zien de Oneindigheid. Onbezorgd, vrij en open. Alsof er geen God is, geen regel. Even dan. ‘Kinderen neem je niet, jongen. Kinderen ontvang je. Maar voor die zeeman of zendeling tart ik het lot. Ja, een mens moet één keer in zijn leven het lot tarten.’ (2)

november 13th, 2018 by Jaap de Jong

De verhalenvlechter

De Dunne Man zit naast het bed en luistert naar het Meisje met de Vlecht. ‘Op de tafel liggen alle verhalen van de wereld’, zegt het Meisje. De Dunne Man kijkt en zegt: ‘Ik zie alleen woordenboeken’. ‘Dat is zo’, antwoordt het Meisje, ‘maar daarin staan alle woorden van de wereld. Als je die in de goede volgorde zet heb je een wereldverhaal’. ‘Dat is zo’, denkt de Dunne Man. ‘Later zeil ik over de wereld en neem ik al die woordenboeken mee, versnipper ze en strooi ze over het water. Zo trek ik een spoor van verhalen. Mijn spoor.’ (1)

juli 24th, 2013 by Jaap de Jong

Candide of het optimisme

Over een Duitse professor, Robeck genaamd

candide.jpgPrecies een jaar geleden las ik het verhaal Candide van Voltaire. Ik bezit een gaaf exemplaar met fraaie tekeningen van Paul Klee dat in juni 1977 het eigendom werd van Eline M. Jansen. Van haar weet ik niets dan dat zij het boekje wegdeed. Vandaag werd ik aan het boekje herinnerd omdat ik een mail van de UB ontving dat ik De Zwarte Zon van Jeroen Brouwers moet terugbrengen. Dat is een essaybundel met opstellen over zelfmoord. Brouwers houdt zichzelf in leven door over de suïcide van auteurs te schrijven. Hij kan dat goed, doet dat graag en schrijft in De Zwarte Zon dan ook in een toon van solidariteit over de levens van auteurs die hun leven beëindigden. Een van hen was een Duits professor, Robeck genaamd. In Candide van Voltaire krijgt hij één regeltje, maar Brouwers gaf hem zes bladzijden. Dat is rechtvaardig. Zes bladzijden van Brouwers en  daarnaast één regel van Voltaire: dan heeft je leven toch nog wat zinnen gehad. Die ene regel bij Voltaire was trouwens voor mij aanleiding mij in het leven en de dood van Johannes Robeck te verdiepen. Ik was een beetje vermetel en dacht even dat ik de eerste zou zijn, maar kwam al snel bij Jeroen Brouwers terecht. Wie goed zoekt zal altijd meer vinden dan eigenlijk wenselijk is, maar dit terzijde.

Voltaire laat in Candide een oude vrouw tegenover Cunegonde en Candide over haar leven vertellen. Een leven waarin zij tal van lieden ontmoette die van hun bestaan walgden, maar zo zegt zij dan: ‘slechts twaalf heb ik vrijwillig een eind aan hun lijden zien maken: drie negers, vier Engelsen, vier inwoners van Geneve en een Duitse professor, Robeck genaamd.’ Read the rest of this entry »

december 19th, 2012 by Jaap de Jong

Dagvers

Vandaag is het 121 jaar en 19 dagen geleden dat de dichter uit Gent, Richard Minne (1891-1965), werd geboren. Zonder meer voldoende reden voor een gedicht. Met minder reden kan het ook nog: Drieluik

Daar is in de wereld niets, mijn God | dan de ruimten om ons | dan de zingende oceanen | dan de zonnen en ’t gegons | der zwermen in den avond laat | daar is niets dan wat hol gepraat | en mijn verlangen dat vecht naar U.

Op de DBNL meer over Richard Minne. Genoeg voor nu, ‘wie dieper delft, zal ’t erts wel vinden.’

Verder gaan met dingen doen.

december 10th, 2012 by Jaap de Jong

Over de schoonheid van het kennen

Naar aanleiding van het lezen van Nihilisme en Cultuur van Goudsblom dwaalde ik vanavond, hoe kan het anders, in Nietzsche’s Werke (editie Karl Schlechta, 3 dln.). Was bezig na te gaan of de interpretatie van Spinoza door Nietzsche, zoals weergegeven door Goudsblom, klopte met mijn lezing.

Daarbij kwam ik moois tegen en dat geef ik door.

Nietzsche stelt Spinoza en Pascal boven Kant. Vooral omdat hun denken tegelijk een biografie van hun ziel is: eine leidenschaftliche Seelen-Geschichte. Bij Kant zijn geen ‘Krisen, Katastrophen und Todesstunden zu erraten.’ (I, 1241). Die woorden gelden zeker wel voor Pascal, misschien meer nog dan voor Spinoza. Toch, zou het Theologisch-politiek traktaat van Spinoza denkbaar zijn geweest zonder zijn verbanning uit de synagoge? Ik denk het niet. En juist in de Ethica poogt Spinoza de emoties te beheersen door ze onder de zweep van de rede te leggen. Voor de dichter Herman Gorter – ook vertaler van de Ethica – lag juist daarin het aantrekkelijke van Spinoza.

In het kennen, in de bezigheid van een welgeoefend en vindend verstand ligt het hoogste geluk, schrijft Nietzsche. Het is de ervaring van puur genot. En dat genot is, zo schrijft N. niet te vinden in de intuïtie of in het visioen van de mysticus, noch ook in het scheppen van de ambachtsman (I, 1270). Het is de ervaring van schoonheid, de schoonheid van het doorbrekende inzicht, van het weten. Kennis is een vorm van liefde en in het begrijpen wordt geluk ervaren. En zo oordeelde ook Descartes en Spinoza, stelt Nietzsche iets verder.

Ooit kwam ik dat geluk tegen bij de stukadoor Hendrikus Keijzer die de 270 stellingen van de Ethica uit het hoofd leerde. Behalve dan de allerlaatste, maar hij wist wel waar die over ging. Zij gaat over de blijdschap die je ervaart, zo zei hij, ‘de blijdschap die je ervaart als je Spinoza begrepen hebt.’ De stukadoor Keijzer beschreef het bijna als een openbaring en misschien is dat het ook wel. Aan een kennen dat gepaard gaat met inzicht, aan begrip, kan men zich overgeven. En in die overgave, in dat bekennen, openbaart zich misschien wel iets van het sublieme.

december 9th, 2012 by Jaap de Jong

Joop Goudsblom en de PC Hooftprijs

Zojuist deelde Max Pam de wereld via Twitter mee dat hij vond ‘dat Joop Goudsblom de PC Hooftprijs moet krijgen.’ Voor wie het niet weet: Joop Goudsblom was jarenlang hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij stond aan de wieg van de zgn. Amsterdamse School, was in elk geval één van de peetvaders naast Abraham de Swaan. De socioloog Norbert Elias woonde jarenlang bij hem in huis.

Toevallig lag de dissertatie van Goudsblom (Nihilisme en Cultuur) vanmiddag juist op mijn bureau. Ik heb een exemplaar uit 1960 (1e druk). Nadien zijn er nog tenminste vier herdrukken van zijn proefschrift verschenen. Bovendien werd het werk in het Engels en Italiaans vertaald. Ja, ik vind ook wel dat Goudsblom de PC Hooftprijs mag krijgen, ook al is die prijs niet ingesteld voor de wetenschap.  Goudsblom schrijft toegankelijk, helder en hij heeft bovendien iets te zeggen.

In de eerste alinea van zijn dissertatie beschrijft hij hoe hij tot het thema van zijn proefschrift was gekomen. Die aanleiding is het waard om hier te worden geciteerd, omdat de boekhouders van de cultuur die tegenwoordig als achterhaald zien. Promoveren doe je – ook binnen de Letterenfaculteit of bij Sociale Wetenschappen – binnen een projectgroep en met een vooraf vastgesteld doel. Hooguit geldt een andere, meer persoonlijke aanleiding, alleen nog voor een enkele buitenpromovendus. Toch is het de enig, in elk geval de meest, vruchtbare werkwijze. Ik citeer:

                De aanleiding tot het schrijven van dit boek was – hoe kan het anders? – een persoonlijke. Ik wist bepaalde motieven in mij werkzaam, die het mij in vele gevallen moeilijk maakten te beslissen tussen waar en niet waar, tussen goed en niet goed. Het was een lastig probleem; maar, zo merkte ik herhaaldelijk, het was geen bizonder probleem. Lectuur en gesprekken met vrienden toonden mij, dat velen met dezelfde moeilijkheid zaten. Ook zij hadden kennelijk met nihilistische motieven te kampen; het was, als zaten deze motieven in de cultuur.

Komende tijd ga ik Nihilisme en Cultuur herlezen. Ik kan er niet meer omheen. Het zit in de lucht, in mijn lucht in elk geval.

O ja, of Joop Goudsblom de PC Hooftprijs verdiend heeft? Max Pam vindt van wel en aan de lengte en de inhoud van zijn bibliografie kan het niet liggen. Het hier weergegeven lijstje is lang, maar zeker niet compleet. Het geeft een indruk. Ik zeg: Ja, doén!

november 25th, 2012 by Jaap de Jong

Honger in het hoofd en honger in de heupen

Susan Sontag was een leesbeest. Haar stiefvader raadde haar aan niet te veel te lezen, daar ze anders niet aan de man zou komen. Tevergeefs. Aan de man kwam ze wel, maar dat was maar voor even. In Herboren: dagboeken en aantekeningen 1947-1963, bezorgd door haar zoon David Rieff, geeft ze tal van lijstjes met muziek en boeken. Ik ben een dolle liefhebber van dat soort rijtjes.

Susan S. was een omnivoor. Ze specialiseerde zich in de filosofie, literatuur en theologie (m.n. godsdienstsociologie). In de vroege dagboeken Herboren noemt ze een groot aantal titels van boeken en muziekstukken. Een feest voor de geest en ook voor het gehoor. Dankzij Youtube kunnen we de door haar genoemde componisten direct beluisteren. Sjostakovitsj, Pianoconcert; Skrjabin, Preludes; Franck, Symfonie in d mineur; Bach met de Mis in b mineur. Seks op muziek! zo is het commentaar van Susan S. bij dit rijtje en dat is ook zo.

Sontag gaat ook uitvoerig in op haar huwelijk en liefdes. Ze was zeven jaar getrouwd met  Phillip Rieff, met wie ze een studie over Freud publiceerde. Met het huwelijk had ze niet veel: daar wordt ieder verlangen een besluit, schrijft ze ergens. Enfin, het gras was elders ook niet zoveel groener, zo krijg ik de indruk. Maar saai was het nooit, dat niet.

Schrijven is jezelf op het spel zetten, jezelf verliezen, jezelf blootgeven. Dat laatste doet Sontag in haar dagboeken, maar een systematisch betoog vind je daar niet. Het zijn fragmenten, observaties vooral. Ze laat in haar ziel kijken en haar zoon, de bezorger, vraagt zich af of ze dit alles wel had willen openbaren. Mooi dat hij dat in elk geval wel deed. Susan Sontag wilde in de eerste plaats zichzelf leren kennen. Of dat haar is gelukt weet ik niet. De dagboeken laten in elk geval een mens zien: twijfelend, hopeloos, depressief, maar ook vitalistisch, veeleisend, passioneel. Een vrouw ook met honger in het hoofd en honger in de heupen.

februari 24th, 2012 by Jaap de Jong

Jezelf zijn!

Fernando Pessoa, de Portugese dichter, werkte in zijn leven vooral samen met zichzelf. Hij schiep tientallen personages, zgn. heteroniemen, die hij liet discussiëren met andere scheppingen. Stem en tegenstem. Ieder personage kreeg een eigen biografie. Een begin. Een einde ook. Read the rest of this entry »

november 3rd, 2011 by Jaap de Jong

Meer dagaantekeningen van een antiquaar!

Oudere afleveringen van de rubriek “dagaantekeningen van een antiquaar” staan hier.

PHP Code Snippets Powered By : XYZScripts.com