In 't Wasdom

antiquariaat Cornelissen & De Jong – Zwolle
oktober 11th, 2022

Johan Huizinga en de onvergeeflijke zonde tegen de Heilige Geest

Afgelopen week kreeg ik vrijwel gelijktijdig twee titels in handen. In de schaduwen van morgen en de vierdelige reeks met de briefwisseling tussen Menno ter Braak & E. Du Perron (brieven tussen 1930-1940). Die briefwisseling bevat een schitterend register. Ik was benieuwd of in die briefwisseling tussen de heren Ter Braak & Du Perron en ook bij Johan Huizinga iets te vinden zou zijn over het essay ‘Een zonde tegen de Heilige Geest’ in Politicus zonder Partij (1934) van Menno ter Braak. Immers, waar hebben twee, nogal cerebraal ingestelde, heren het anders over dan over boeken? En dat was ook zo. Niet alleen in de briefwisseling, maar ook In de schaduwen van morgen stond iets over het befaamde opstel ‘Een zonde tegen de Heilige Geest.’  Befaamd bij mij en nog drie anderen in het land.

In de schaduwen van morgen van Johan Huizinga (1872-1945) verscheen begin oktober 1935 en kreeg in dat jaar nog drie herdrukken. Mijn exemplaar (zesde druk, 1936) werd gekocht door Robert Batten (1902-1990), notaris te Middelburg (actief tussen 1934-1970) die – afgaand op het exlibris – hield van moderne componisten als Eric Satie en Maurice Ravel, meer nog dan van het opmaken van notariële akten voor eerzame weduwen die eenzaam in de linkerhoek van zijn kantoor staan. Althans volgens het exlibris, dit natuurlijk geheel terzijde.

Het boek In de schaduwen van morgen is beroemd geworden als “diagnose van het geestelijk lijden van onze tijd.” Het begint met de constatering dat we in een bezeten wereld leven, waarin de motoren nog draaien en de vlaggen nog wapperen, maar de geest is geweken. Het eindigt met de wens dat jongeren die wereld niet laten ondergaan, “maar haar weer doordringen met geest.”

Die laatste woorden uit het essay waren volgens de Groninger historicus Wessel Krul zonder enige twijfel ook tot zijn achterneef Menno ter Braak (1902-1940) gericht. Op 1 augustus 1935, direct na de voltooiing van In de schaduwen van morgen, had Huizinga een commentaar geschreven op de essaybundel Politicus zonder Partij van Menno ter Braak. Zij hadden elkaar nog recent gesproken en Ter Braak had Huizinga daarop zijn bundel gestuurd met het verzoek vooral het vierde hoofdstuk (“Een zonde tegen de Heilige Geest”) te lezen.

Die essaybundel is zonder meer Nietzscheaans en het vierde hoofdstuk maakte indertijd veel indruk op mij. Nooit was mij door predikant, ouderling of theologisch handboek duidelijk gemaakt wat toch die onvergeeflijke zonde tegen de Heilige Geest zou zijn waarvoor geen vergeving is. Wel vertelden ze mij dat mensen die vrezen die zonde te hebben gedaan, die juist niet hebben begaan. Ik denk dat ik het nu wel weet: wie vreest gelooft in de betekenis van woorden. Kan hij die niet vreest in vrede leven met de heilige geest? Of helderder: bestaat er iets als heiligheid, geest of is er alleen belang?

Ter Braak maakt in het opstel Een zonde het punt dat woorden slechts belangenbehartigers zijn van hen die een zaak voorstaan waarin dat eigen belang centraal staat. Feitelijk zegt hij dat waarheid maar een woord is. Als dat doordringt dan resteert de ironie als wapen, terwijl op de achtergrond de afgrond van een nihilisme opdoemt dat het mijne niet is. Zijn vriend E. du Perron vond het essay van Ter Braak minder geslaagd. Hij stelt in zijn brief van 27 april 1934 dat Ter Braak tè koppig, tè opruiend, tè apodictisch en aprioristisch wordt ‘zonder hoogte.’ Huizinga was echter diep onder de indruk van Een zonde. Aan zijn zoon Leonard Huizinga (1906-1980), schrijver en journalist bij het Algemeen Handelsblad, schreef hij op 1 augustus 1935 dat hij het hoofdstuk Een zonde briljant vond, maar het toch verwierp vanwege het negativisme. Bovendien kon, zo stelde Hujizinga, Ter Braak zich niet aan de regels van het (taal)spel onttrekken zonder zijn eigen stellingname te schaden. Die opmerking van Huizinga over de ietwat paradoxale aanpak van Ter Braak was minstens zo briljant.

Het compliment en het verwijt kwam Ter Braak via Leonard Huizinga ter ore, maar hij gebruikte de reactie van de Leidse historicus niet in het openbaar. Toen de wereld negen decennia jonger was stond de journalistiek niet voor minder grote uitdagingen dan vandaag. Huizinga was geen pessimist, zegt hij zelf. Hij eindigt positief over de jonge generatie. Die schijnt “open, ruim, spontaan, vaardig tot genieten maar ook tot ontberen, snelberaden, moedig en van grote zin. Zij is lichter geschoeid dan de vroegere waren.”

Vandaag is men nog lichter geschoeid, denk ik wel eens. Voordeel is natuurlijk wel dat je, waar nodig, sneller kunt gaan. Maar ik mis de stilstand en verdieping. Die is voorhanden, maar niet vanzelfsprekend en wordt ook al niet aangemoedigd door de politiek. “Méér licht”, sprak Goethe op het laatst. Méér geest, zegt Huizinga, die zichzelf geen cultuurpessimist, maar een optimist noemde. Menno ter Braak koos uiteindelijk wel degelijk partij tegen de ongeest.

Woorden doen ertoe en voor spindoctors en de marketeers-zonder-inhoud is geen vergeving.


Braak, Menno ter (1962-1967). Menno ter Braak | E. du Perron. Briefwisseling 1930-1940. Amsterdam: G.A. van Oorschot.

Nr. 4500 - 115. I.z.g.st., uit de collectie Igor Cornelissen, met noten, register. 4 dln., blauw linnen met gouden belettering (rugtitel), met verantwoording, tekstverzorging en annotaties van H. van Galen Last. Gebonden door Elias P. van Bommel, in deel IV zit een scheurtje in het stofomslag, € 50.00
Huizinga, Johan (1936). In de schaduwen van morgenEen diagnose van het geestelijk lijden van onzen tijd. Haarlem: Tjeenk Willink.

Nr. 4501 - 115. I.g.st., wel ietwat roestig, hardcover, 230 pp.. Uit de collectie van Wessel ten Boom, met exlibris van R. Batten, notaris te Middelburg (actief 1934-1970), blijkens het exlibris liefhebber van de componisten Eric Satie en Maurice Ravel. Ontwerper exlibris: Cor de Wolff (1889-1964), wordt verzonden als brievenbuspakket, € 15.00
juli 23rd, 2022

Op het Spui: over de boeken die ik niet verkocht …

Gisteren als handelaar op proef naar het Spui gegaan en wat boeken verkocht. Daarbij veel geleerd. Niet alleen over het publiek, maar ook over de mens en mijzelve in het bijzonder. Zo leerde ik dat de Franstalige Celine (1e dr., 1932) bij verzamelaars een paar duizend euro waard kan zijn en dat mijn prijs (75 euro) veel te laag was. Ook leerde ik dat veel mensen – vooral mannen – gretig naar het boek met de rode lippen grepen, er even in bladerden en het daarna terzijde legden. Het was gebruikt en niet onopgemerkt gebleven.

Blijkbaar is het boek van Sarane Alexandrian te duur, ook al lijken de lippen op het omslag wel heel prachtig. Mens-zijn is verlangen. Te veel werkelijkheid in huis is dodelijk. Ook dat begrijp ik. Man Ray is intussen nog steeds te koop.

En er was bezoek van een groot verzamelaar van Nescio, een kenner van Elsschot. Een man met een bibliotheek als professor Kien uit Canetti’s Martyrium. Mooier nog, trouwens. Gelukkig heeft hij – anders dan Kien – geen huishoudster die misschien voor vuur, maar ook voor rook kan zorgen. Hij kocht De Trommius en ik ben er zeker van dat dit bijzondere exemplaar een waardige plek krijgt. Niet op een altaar, misschien wel op een plek die Abraham Trommius verdient: een katheder met een lampje erboven. Om licht te maken waar anders het duister heerst.

Toen kwam Chris Kooyman langs. Hij is één van de schrijvers van een boek – mijn boek – dat ik niet verkoop, maar toch in de aanbieding heb: Dit is mijn boek. Joodse exlibriscultuur in Nederland. Het exemplaar dat ik wel verkoop is van Igor Cornelissen bij wie ik het – bij leven – aantrof. Na wat bladeren wilde ik het ook hebben en ik kreeg het van de geliefde. Een waardig verjaardagscadeau. Kooyman was vooral geïnteresseerd in de boeken met de theaterstukken van Arthur Schnitzler. In die vier delen staat het exlibris van het echtpaar Wolff dat volgens mijn gegevens op 11 juni 1943 in Sobidor werd vermoord. Wat ik toen wist is opgeschreven in de column Over Arthur Schnitzler: dood, verderf en duisternis. En nochtans lichtheid. Ik was compleet vergeten dat ik eerder schreef over Arthur Schnitzler.

Chris Kooyman heeft veel gezag bij mij. Ik maak vaak gebruik van zijn handboek. Bij mijn beschrijving van de Gesammelte Werke van Schnitzler staat dat in de boeken een exlibris is opgenomen van Grete en Felix Woff met daarbij als toevoeging: niet in Aarts en Kooyman, 2017. Ooit vertelde mijn beoogd promotor dat er geen groter gezag bestaat dan dat iemand iets schrijft over een doopsgezinde predikant en dan, “uiteraard na raadpleging van jouw standaardwerk”, schrijft: niet in het repertorium van De Jong (2007). Dát repertorium zal er nooit komen, maar dit uiteraard geheel terzijde.

Wat er hopelijk wel komt is een supplement op Dit is mijn boek met daarin een beschrijving van het exlibris van het echtpaar Wolff. Met de notitie dat het exlibris afkomstig is uit de collectie Igor Cornelissen, m.n. uit de boekenverzameling van Igor die ik momenteel in het programma bookmanager beschrijf.

Het was gisteren een mooie, bijzondere en nuttige dag. En dat was het.


 

april 8th, 2022

Over Marc Rozelaar en het bitterzoete leven. Nooit zonder Bach

In 1922, toen hij veertien jaar oud was, ontwierp Marc Rozelaar (1908-1991) zijn eerste exlibris: de Oudemanhuis Poort in Amsterdam. Het is een tekening van een klein besloten holletje waarin hij wilde wegschuilen. Helemaal achterin staat een kaal boompje, een rozelaar. Marc Rozelaar kreeg op het Kennemer Lyceum les van Anton Pieck (1895-1987) die hem inwijdde in het maken van houtsnedes, lino’s, gravures en aquarellen.

Afgelopen week, dus honderd jaar later, vond ik in diezelfde Oudemanhuis Poort – in een boekenstalletje – het proefschrift, waarop Marc Rozelaar op 25 maart 1941 promoveerde: Lukrez, Versuch einer Deutung met de stellingen en het dankwoord. In de eerste stelling zet Rozelaar zich neer als voorstander van het psychologische perspectief op literaire teksten. Dat gezichtspunt zou volgens die stelling de voorrangspositie van het historische perspectief wel mogen overnemen. Hij deed dat zelf ook in zijn dissertatie over Lucretius over wie weinig historische data zijn.

Zijn vriend en medestander in de zionistische beweging, de historicus Jaap Meijer (1912-1993), zou ruim een half jaar later promoveren op Isaac da Costa (1798-1860), de dichter die, zo schrijft Meijer ergens ‘ons verlaten heeft’. In 1942 stopt de mogelijkheid om te promoveren, althans voor Joden. De vriendschap tussen Rozelaar en Meijer werd gevierd in teksten zoals portret dat Meijer (onder het pseudoniem Saul van Messel) naar aanleiding van het overlijden van Rozelaar schrijft:

genieter van het leven/vehement

door muzen als om strijd verwend

die hooglieds eros met geduld van job verbond

homo ludens/die bittere ernst verstond

Bij de dichter Saul van Messel weegt ieder woord. Altijd. Dat blijkt ook uit bovenstaand gedicht. Rozelaar vertaalde het Hooglied en het boek Job dat als Mijn leven is een ademtocht verscheen. De vertaling van Job droeg hij op aan zijn moeder Regina Rozelaar-Maykels die geen zerk kreeg, maar wier as op 11 juni 1943 door de schoorsteen in Sobidor ging en over de vier uithoeken van de aarde werd verstrooid. Zelf wist Marc aan de vernietiging te ontkomen door zich door het raam van de rijdende trein te wurmen en te springen. Marc Rozelaar tekende niet alleen, hij dichtte en bundelde een honderdtal kwatrijnen (ontstaan tussen 1934 en 1940) onder de titel Interludium die hij onder 25 goede vrienden verspreidde. Het lijkt mij zeer waarschijnlijk dat Jaap Meijer tot die groep van 25 goede vrienden behoorde die de bundel ontving. Meijer herkende (zie dualisme II) de existentiële twijfel bij Marc Rozelaar, maar wellicht ook scepsis. Scepsis die in de kwatrijnen tot uiting komt in een vragend zwenken tussen Jeruzalem en Athene.

De kwatrijnen weerspiegelen “een moeilijke levensperiode”, zo schreef Marc Rozelaar op het exemplaar dat hij op 4 april 1981 aan zijn jongste zoon Micha gaf (kopie & schriftelijke mededeling aan mij, van MR, 10 april 2022). Als ik mij niet vergis – en dat doe ik niet 😉 – schemert er in de kwatrijnen een epicurisch-stoicijnse levensvisie door. Dat is niet vreemd. Marc Rozelaar studeert in de jaren dertig intensief op het werk van Lucretius en promoveert uiteindelijk in maart 1941 op werk en duiding van de filosoof. Intussen leidde de verloving met Emily Konijn, aangekondigd in een advertentie in het Algemeen Handelsblad van 8 mei 1933, niet tot een huwelijk.

Marc Rozelaar voegt een interessant motto toe aan de honderd kwatrijnen: Breekt u braakland en zaait niet tussen doornen (Jer. 4:3). Het Nederlands uit de Statenvertaling vind ik simpeler: Ploeg voor uzelf ongeploegd land om! / Zaai niet tussen de dorens. Hij droeg de bundel op aan zijn (tweede) verloofde, Fanny Ichenhäuser, met wie hij in de oorlogsdagen van 1940 wel trouwt en met wie hij drie zonen kreeg.

Naast dit alles bespeelde Marc de cello tot in de concertzalen toe. Ondanks dit alles – of wellicht wel vanwege al die talenten – bleef hem een leven lang de twijfel. Meijer beschreef het in dualisme I en II

tot in de toppen van zijn vingers fel begerig

tot in de vezels van zijn geest abstract wijsgerig

een mens van grillige contrasten

die op de duur natuurlijk bij hem pasten


dualisme II

hij leek mij soms een hellenist

een nieuwe philo tussen twee culturen

als keuze bleef hem akelig beslist:

de twijfel die een leven lang zou duren

De twijfel tussen Jeruzalem en Athene komt sterk naar voren in de selectie van vier (nr. XV, XVIII, LXXI, XXXVIII) van de honderd kwatrijnen uit Interludium die door een onbekende in het Hebreeuws werden vertaald. Micha Razel (1946), de jongste zoon van Marc Rozelaar, die mij een kopie stuurde, schreef dat de precisie van de vertaling er op wijst dat zijn vader de vertaling maakte, “but I am not sure who translated it.”

Ik ben ook niet zeker, maar het zou mij – vanwege diezelfde precisie, de inhoud en de intensieve vriendschap – niet verbazen als niet Marc Rozelaar zelf, maar Jaap Meijer de vertaler van deze selectie is. Meijer vertaalde gedichten van o.m. Jan Hanlo, Jacob Israël de Haan in het Hebreeuws. In zijn opstel over De Haan schrijft Jaap Meijer dat het de ‘verlichte’ Hebraïci erom ging om aan te tonen dat het Hebreeuws in staat was alle gedachten vorm te geven die men als Aufklärer maar wenste uit te dragen, “ook (en soms bij uitstek) gedachten, die indruisten tegen het traditionele jodendom.” (Meijer, 1974). Meijer en Rozelaar waren misschien wel te joods om orthodox joods te kunnen zijn. In elk geval demonstreert Meijer zijn buitengewoon scherpe lezing van Marc Rozelaar in zijn kwatrijn dualisme II, juist op het punt als het gaat om de twijfel tussen Jeruzalem en Athene. In de selectie van de vier kwatrijnen wordt die twijfel opnieuw heel precies onder woorden gebracht. Of die vertaling nu van Meijer of van Rozelaar zelf is. Het doet er eigenlijk niet toe.

Naast vruchtbare twijfel was er levenslust! Misschien is die combinatie wel kenmerkend voor een pessimistisch vitalisme als dat van Marc Rozelaar. In een brief aan de componist-schrijver Matthijs Vermeulen (1888-1967) en zijn vrouw Thea Diepenbrock (1907-1995) neemt Rozelaar een reproductie op van een olijfboom die hij ooit tekende “omdat hij mij zo imponeerde doordat hij, uitgehold, verwrongen en geteisterd – kennelijk – door de wonderlijkste & verschrikkelijkste lotswisselingen, ondanks verwaarlozing en verlatenheid elk jaar zijn blaadjes trouw vernieuwt alsof niets hem deert”. In de brief bedankt hij en passant voor het proefschrift over Seneca dat Alphons Diepenbrock schreef en waarover hij via Thea kon beschikken.

De cello en de muziek is een constante in het leven van Rozelaar. De liefde voor de muziek komt ook in een tweede exlibris tot uiting waarin een prominente plek is toebedeeld aan de cello. In een artikel in De Joodsche Wachter – naar aanleiding van de emigratie van het gezin Rozelaar in 1952 – herinnert Jaap Meijer aan de zomermiddagen op de Prinsengracht, vlakbij de Amstel, waar Marc de cello bespeelde en hij met Meijer filosofische gesprekken (over thema’s uit “Jeruzalem en Athene”) voerde, zoals Meijer in zijn krantenartikel schrijft.

Ruim veertig jaar later doet hij dat opnieuw in het gedicht cellist, “het jammerhout”. In het gedicht van Meijer is zomermiddag een donkere novemberdag geworden. In november regent het vanzelf, al is het Bach. Dan valt het mee:

vlak bij de amstel op de prinsengracht

– zal ik wat spelen/wat had je gedacht –

een donkere novemberdag

regende zachtjes bach

Jammer dat Igor Cornelissen er niet meer is. Met hem had ik honderduit willen praten over het leven van Marc Rozelaar en de vriendschap met Jaap Meijer, die tevens de schakel was tussen Igor en Marc Rozelaar. En natuurlijk over Anton Pieck (en diens broer). Kortom, over het leven zelf, dat wonderbaarlijk is, vol van tegenstellingen: zuur, zoet en bitter, ja bitterzoet.

Maar nooit zonder Bach (en de jazz).


PS. Op het internet (en later bevestigt door de familie) ontdekte ik dat de kinderen van Marc Rozelaar de achternaam Rozelaar veranderden in het Hebreeuwse Razel en dat er onder zijn kleinzonen bekende muzikanten zijn, zoals Yonatan Razel.

Marc Rozelaar erfde zijn muzikale talent van zijn grootouders en gaf het door aan zijn kleinkinderen. In het gedicht De Fakkelloop kondigde hij het aan: “maar ook als ‘k lang tot stof zal zijn vergaan/en van mijn naam de klank zal zijn vergeten/geeft de een de ander nog mijn fakkel aan.”

Jaap Meijer zei iets anders in zijn motto bij het in memoriam marc rozelaar en dat is ook waar: laten we onthouden dat we vergeten worden.

april 29th, 2021

Over Arthur Schnitzler: dood, verderf en duisternis. En nochtans lichtheid

Ergens schrijft Lou Andreas-Salomé (1861-1937) dat ze bij het lezen van het werk van Arthur Schnitzler ‘net als bij het dansen’ het gevoel had van ‘opgeheven zwaartekracht’. Dit laatste hoorde ik van iemand die het weten kan. De thematiek van Arthur Schnitzler (1862-1931) is zwaar en somber (melancholie, liefde en dood), de toon in zijn werk is daarentegen licht, speels en muzikaal. De ene helft van het werk van Schnitzler is gewijd aan thanatos, de andere helft aan eros. Toen ik in de zomer van 1989 het huis van Freud in Wenen (Bergasse 19) bezocht liep ik niet langs de woning van Schnitzler. Hij was een buurtgenoot van Freud. En dat niet alleen, Schnitzler was ook sterk geïnteresseerd in het werk van Freud, hoewel hij sceptisch stond tegenover diens psychoanalyse. Nochtans analyseerde hij wel zijn eigen dromen in zijn dagboeken.

Leven en werk van Schnitzler zijn sterk met elkaar vervlochten. Rond zijn dertigste kampt hij met toenemende doofheid waardoor somberheid en wantrouwen een paranoïde vorm aannam. Drie jaar voor zijn dood pleegde zijn dochter Lili zelfmoord: “Op die dag in juli was mijn leven voorbij’, schrijft Schnitzler. Toch schreef hij daarna nog een van zijn mooiste novellen: Die Flucht in die Finsternis (1931). De novelle gaat over een man, een lijder aan achtervolgingswaanzin, die zijn broer vermoordt. Door zijn biograaf Ulrich Weinzierl wordt het verhaal in verband gebracht met Schnitzlers eigen, nogal problematische, verhouding tot zijn broer.

Voor de Tweede wereldoorlog was Arthur Schnitzler een populair en veelbesproken schrijver in Nederland. Zijn werk werd vertaald en opgevoerd. Ik weet niet of de vroegere eigenaars van het verzameld werk van Schnitzler – Grete en Felix Wolff – in Nederland ook naar de toneelopvoeringen gingen. Het echtpaar Wolff vluchtte in juni 1933 – samen met hun dochter Erika – vanuit Berlijn naar Amersfoort waar zij een woning op de Van Houtenlaan 12 betrokken. Zij behoorden tot de eerste groep vluchtelingen uit Duitsland na de machtsovername door Hitler. Felix Wolff en zijn echtgenote Grete doken in de loop van de oorlog onder, maar werden uiteindelijk opgepakt en vanuit Westerbork op 8 juni 1943 op transport naar Sobibor gesteld waar ze, drie dagen later, op 11 juni werden vermoord. Er is mij niet meer bekend over het echtpaar Wolff. Hun dochter Erika was al in september 1942 in het vernietigingskamp Auschwitz omgekomen.

Het door hen gebruikte en hiernaast afgebeelde exlibris komt niet voor in het handboek van Aarts en Kooyman (2017) over de joodse exlibriscultuur in Nederland, waarover ik eerder een blog schreef.

Net zoals Rilke, Joseph Roth en Stefan Zweig verdient Arthur Schnitzler het om gelezen en herlezen te worden. Dat kan nu.

Schnitzler, Arthur (1931 [1e tot 15e oplage]). Flucht in die Finsternis. Berlin: S. Fischer Verlag. I.z.g.st., bandontwerp Hans Meid. Met persoonsbibliografie, gebonden in linnen, 172 pp.

Schnitzler, Arthur (1913). Gesammelte Werke – Die Theater-Stucke [4 delen]. Berlin: S. Fischer Verlag. I.g.st., gebonden in linnen. Vlekken op voorplat van band I en IV, goud op bovensnede (dl.I-III). Exlibris Grete und Felix Wolff (niet in Aarts en Kooyman, 2017). Uit de collectie Igor Cornelissen. Alle genoemde titels samen voor € 75,00 (incl. pak- en verzendkosten binnen Europa).Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

juli 26th, 2020

Dit is mijn boek. Joodse exlibriscultuur in Nederland

Het leven speelt zich af binnen de dimensies ruimte en tijd; wordt gestuurd door hen die je ontmoet en hen die je ontwijkt. Er is geen ontkomen aan. Godlof dat er boeken zijn, boeken die je nooit meer kwijt wilt, ook al ben je boekhandelaar geworden. Of juist omdat je op weg bent om er één te worden. Boeken die je begeleiden, je weg verbreden, je helpen om je een weg te banen door een oerwoud dat grotendeels wel oerwoud zal blijven. Of boeken die als merkstenen zijn. Merkstenen en gedenktekens. Wie zal het zeggen?

Vorige week zag ik een titel in de boekenkast van mijn kompaan Igor Cornelissen. Ik vertelde er over en mijn geliefde zag begeerte in mijn ogen branden. Nu ligt het voor mij op tafel: Dit is mijn boek. Joodse exlibriscultuur in Nederland (Amsterdam, 2017). Het is een lijvig boekwerk dat 1492 pagina’s telt. Het zal wel toeval zijn dat dit aantal samenvalt met het jaar van de verdrijving van de Sefardim, die zich na dit Edict van Isabelle en Ferdinand over Europa verspreidden. Met in het kielzog het Boek en de boeken: woord, wet en gebod.

In het begin van de twintigste eeuw ontstaat er een apart genre: het (joodse) exlibris, waarin zo’n beetje alles tot uiting komt wat voor de ontwerper, bedenker en/of uitvoerder tot de essentie behoort. Jan Aarts en Chris Kooyman geven een interessante historisch-sociologische inleiding bij het handboek voor de boekcultuur. Centraal staat de aandacht voor de sporen die Duitse vluchtelingen nalieten. Zo wijzen zij op eerdere publicaties die het internationale aspect van de exlibriscultuur accentueren. Zo was er in 2011 een publicatie over de Exlibris in Exil: Duits-joodse vluchtelingen in Nederland 1933-1940. Uit de bespreking van die Duitse exlibriscultuur wordt bijvoorbeeld de “spanning” helder tussen assimilatie, emancipatie en persistentie. Een spanning die zich ook wel openbaart in de gebruikte afbeeldingen. Naast de lemmata over bijna 1400 titularissen en 600 kunstenaars zijn er essays opgenomen waaruit methodologische en sociologische aspecten helder worden. Jammer dat de namen van de beschreven titularissen (boekeigenaren) met hun exlibrissen (en paginaverwijzing) niet zijn opgenomen in het personenregister. Dat bemoeilijkt het snelle zoeken.

Het handboek van Aarts en Kooyman beperkt zich tot de Joodse exlibriscultuur in Nederland en daarover is al heel veel te vertellen. De inleiders geven zelf een mooie samenvatting van de studie. Het gaat over “de trots van de Sefardische Joden op hun aristocratische afstamming, het streven naar emancipatie, de bijzondere gehechtheid aan het boek, de intellectuele voorkeur, de religieuze overtuiging, het zionistisch ideaal of het lijden onder discriminatie en vervolging.” Voor veel titularissen en ontwerpers is het exlibris het enig overgebleven teken van hun existentie: hun leven eindigt in Sobibor, Auschwitz en andere oorden van verderf.

Dit doet mij denken aan een verhaal van historicus Jaap Meijer, of beter de glashelder schrijvende dichter Samuel van Messel. In zijn bundel Het eeuwige leven (1972) geeft hij de dialoog weer tussen een vrijdenker en de drager van een naam: te weten de naam Gebiha, zoon van Pesisa: “een vrijdenker zei tot gebiha de zoon van pesisa / gij dwazen die aan een opstanding gelooft / alles wat leeft sterft en het gestorvene zou weder leven? Gebiha antwoordde / gij dwaas die de opstanding loochent / ik zeg u dat wanneer reeds iets kan leven dat voordien niet bestond. Waarom zou dan niet opnieuw kunnen leven iets dat reeds heeft bestaan” [naar de babylonische talmud, tractaat sanhedrin, folio 91].

Boeken die wij wèl verkopen

PHP Code Snippets Powered By : XYZScripts.com