in 't Wasdom

antiquariaat Cornelissen & De Jong – Zwolle
december 6th, 2020

De blasphemie van Jan van Leyden en de emancipatie van de doopsgezinden

Mijn privé-boekerij bevat een relatief kleine, maar fijne collectie Mennonitica: boeken, tijdschriften, bibliografieën etc. over de doopsgezinde theologie & geschiedenis. Elk jaar komt daar een nummer van de Doopsgezinde Bijdragen bij, het jaarboek dat in de 19e eeuw werd opgericht (Oude Reeks, 1861-1919) en in de 20e eeuw opnieuw leven werd ingeblazen (Nieuwe Reeks, 1975-heden). Ik doe daar momenteel niet heel veel mee, behalve dan als het regent: op zondagen in november en december, zoals vandaag.

Afgelopen donderdag viel het nieuwste nummer van de Doopsgezinde Bijdragen op de deurmat. Aangenaam verrast geef ik hier een korte weergave van de inhoud. Piet Visser levert op zijn eigen wijze – humoristisch-ironisch en betrokken – een diepgravende analyse van de bronnen rond de organisatie van het hulpbetoon van de Nederlandse doopsgezinden aan de migratie van de Zwitserse broeders [die in Amerika nog steeds bekendstaan als de Amish, waarvan sommigen in Nederland achterbleven en gemeenten vormden in Kampen, Deventer, Groningen en Harlingen]. Hij laat ook zien dat (en hoe) de succesvolle bemiddeling bij de Nederlandse overheid bij het hulpbetoon aan de vervolgde Zwitserse mennonieten blijk geeft van voortschrijdende emancipatie van de Nederlandse doopsgezinden.

Ik was ook onder de indruk van de bijdrage van Mirjam van Veen over de veranderende houding van de gereformeerden (Guillaume Farel) ten opzichte van de dopersen. Beiden dongen in de vroege zestiende eeuw naar een steviger positie op de religieuze markt, waarbij de dopersen uiteindelijk het onderspit delven. Het mislukte avontuur in Münster, de blasphemie van Jan van Leyden (1509-1536), die daar het dopers koninkrijk en het Nieuwe Jeruzalem poogde op te richten (met gemeenschappelijk bezit & polygamie) was daar debet aan. Het Münsterse avontuur en de naweeën ervan komen ook aan de orde in de artikelen rondom De blasphemie van Jan van Leyden (eerste uitgave dan wel herdruk uit 1627) van James M. Stayer en Brookelnn A. Cooper. Het auteurschap van De blasphemie van Jan van Leyden werd toegeschreven aan Menno Simons (ca. 1496-1561), maar daarover rezen al in de 19e eeuw twijfels. In elk geval speelt het boek – tenminste bij de eerste zestiende eeuwse (?) dan wel de herdruk (?) uit 1627 – een rol om Menno Simons en de mennonieten te zuiveren van de Münsterse associaties. Die zuivering – ofwel het isoleren van de mennonieten van de Münstersen, spiritualisten en andere, soms meer geweldadige groepen – zou immers de acceptatie van de vreedzame mennonieten vergroten en hun emancipatie stimuleren. De discussie over de bronneninterpretatie en het auteurschap van De blasphemie (James M. Stayer en Brookelnn A. Cooper) krijgt bij Cooper ook een meer technische en boekhistorische wending. Boeiend.

Ruud Lambour, specialist op het terrein van de Amsterdamse doopsgezinden in de lange zeventiende eeuw, levert een kleurrijke bijdrage in zijn artikel over bezitters van atlassen, kaarten en prenten. Mooi werk! En dat geldt ook voor de bronnenanalyse van Alpita de Jong die de preek van de illustere predikant Joost Halbertsma (1789-1869) op de Gorsselse heide analyseerde. Was de uitnodiging tot het houden van die preek in de nazomer van 1823 – een praktische uitwerking van de gelijkberechtiging van de verschillende godsdiensten – inderdaad een teken van een afgeronde emancipatie van de doopsgezinden? Halbertsma vond van wel. En zo is er nog veel meer, bijvoorbeeld over het studentenleven aan de Kweekschool rond 1840 en het hulpbetoon aan Oost-Europese ontheemden in de 20e eeuw.


Het nieuwste nummer van de Doopsgezinde Bijdragen is helaas niet te koop bij Cornelissen & De Jong. Ik bewaar mijn collectie Mennonitica vooralsnog in de privé-boekerij en sta open voor aanvullingen. Dat dan weer wel. Meer informatie over bestelmogelijkheden van de Doopsgezinde Bijdragen staan op de website van de Doopsgezinde Historische Kring.

september 22nd, 2020

Johan Theunisz en de Oostkolonisatie. Over een boek dat ik niet verkoop.

Het was afgelopen zondag een prachtige septemberdag. Een mooie gelegenheid om naar de IJssel te wandelen en onderweg het voormalige huis van de dichter, historicus en geograaf Johan Theunisz (1900-1979) te bekijken. Theunisz was tussen 1934 en 1941 docent aan het Celeanum en woonde aan de Sophiastraat 35, op loopafstand van het gymnasium en de Willemsvaart, de vaarroute naar de stad. In de wijk staan veel huizen met kenmerken van de Jugenstil, maar niet uitsluitend. Het eclecticisme is dominant in het Zwolle buiten de oude, niet meer bestaande, middeleeuwse stadsmuren: overal wat van, een allegaartje. Staat dat voor de aard van de Zwollenaar? Theunisz was getrouwd met de docente Engels & vertaalster Mildred van Neck (1896-1979). Dochter Patricia (1896-2005), één van de zes kinderen van het echtpaar Teunisz, herinnert zich haar vader – die zij in haar terugblik steevast “Opa” noemt – als de man die altijd gelijk had.

Johan Theunisz rolde bij wijze van spreken vanuit zijn bedstede zo het Celeanum in; het categorale gymnasium aan de Veerallee en kweekvijver van de Zwolse elite. Johan Theunisz was bevriend met Johan Schotman (1892-1976). Schotman, een man met veel talenten, werd in de jaren vijftig directeur van het Provinciaal Overijssels Museum (het latere Stedelijk Museum van Zwolle). Op de verdiensten van Schotman kom ik later nog eens apart terug. Theunisz en vooral Schotman werden in 1931 door Du Perron op de hak genomen, nadat Schotman het waagde om het tijdschrift Forum, de heilige graal van Ter Braak en Du Perron, te bekritiseren.

Johan Theunisz, die in 1941 lid werd van de NSB, kreeg van prof.dr. J. van Dam, secretaris-generaal van het genazificeerde departement van Onderwijs, Kunst en Wetenschappen, opdracht onderzoek te doen naar de Nederlandse Oostkolonisatie. Dat thema – dat natuurlijk in het geheel geen thema  was – maar wel als zodanig werd “geframed” en ideologisch op fascistische leest geschoeid: de zgn. “Oostkolonisatie” werd verbonden met de geschiedenis van de doopsgezinde emigranten uit de Lage Landen. Mennonieten uit Vlaanderen, na 1580 merendeels naar Nederland gevlucht, emigreerden later weer naar Polen. Eerst naar Dantzig (op oudere begraafplaatsen tref je daar veel Nederlandse namen aan) en in de 18e eeuw naar Rusland. Voertaal was het Plautdietsch, een reden waarom de mennonieten ook wel verward werden met de Volksduiters met alle problemen van dien (uitsluiting, discriminatie). Vanuit Siberië vertrokken de mennonieten in de 20e eeuw (in de jaren twintig en na 1945) naar Noord-Amerika, Canada en Mexico. Daar voegden zij zich bij verschillende groepen onder de Amish (behorend tot de familie der mennonieten, maar oorspronkelijk afkomstig uit Zwitserland) of vormden hun eigen facties.

Theunisz kreeg bij zijn onderzoek naar bronnen m.b.t. de zgn. Oostkolonisatie hulp van de doopsgezinde predikant J.S. Postma (1910-1995), die een bibliografie samenstelde (zie foto). Die bibliografie behoort tot mijn Mennoniticaverzameling, een collectie die ik niet verkoop. De bibliografie van Postma werd in 1941 door Johan Theunisz uitgegeven bij de nationaal-socialistische uitgeverij Hamer, opgericht door door de beruchte Henk Feldmeijer (1910-1945) die organisatorisch beter onderlegd was. Theunisz bezocht voor zijn eigen onderzoek, in SS-uniform en gewapend met revolver, buitenlandse archieven tot in Wenen toe. In 1943 gaf Theunisz bij uitgeverij Hamer een vervolg uit van het onderzoek naar de Oostkolonisatie: De Nederlandse Oost-kolonisatie. Meer in het bizonder die in Brandenburg in de 17e eeuw tijdens de regering van den Groten Keurvorst. Het is buitengewoon interessant materiaal, bijvangst van een onderzoek dat ik ooit begon, maar dat nu al jaren stilligt.

Johan Postma kwam net als Johan Theunisz in fascistisch vaarwater terecht. Hij vluchtte na de oorlog met zijn zwager Jacob Luijtjens (1919-) naar Paraguay en kwam later terug. Zijn zwager werd uiteindelijk in Nederland berecht. Na zijn vrijlating woont Luijtjens tot op de dag van vandaag in Friesland. Johan Theunisz en zijn echtgenote kwamen in 1979 om bij een brand in hun woning in Valencia. Er zijn er die stellen dat de brand door menselijk toedoen is ontstaan.

Onze wandeling, die langs het ooit door Johan Theunisz bewoonde huis ging, was nog maar net begonnen. Langs de Veerallee en de oude Veerweg lopen we naar de IJssel. De zon schijnt prachtig en gaat volop los op de oude sluizen bij Het Katerveer. Even waan ik mij als Nescio’s Bavink uit Titaantjes en hunker ik naar het allerhoogste: “Naar de zon loopen wilde-i over de lange, lange schitterende streep.” Even maar, want van alle titaantjes viel Bavink het diepste en dat wil ik dan weer niet. Enfin, buitengewoon jammer dat Zwolle niet meer via de Willemsvaart te bevaren is. Het zou een mooi project zijn om die oude vaarweg – al een wens in de Middeleeuwen (maar verhinderd door Kampen en Deventer), toch uitgevoerd in het begin van de 19e eeuw – opnieuw begaanbaar te maken: weg met de betonnen gruwel der parkeerhavens bij de Willemskade, het grauwe blik van het gemotoriseerd verkeer en ruim baan voor het water & het groen tussen IJssel en gracht rond de oude stad: een alternatief Engelenpad ernaast, maar dan beter. Dit alles terzijde natuurlijk.

Nijkeuter, H. (2001). De "pen gewijd aan Drenthe's dierbren grond". Literaire bedrijvigheid in de Olde Lantschap, 1816-1956 (dissertatie RUG). Groningen: RUG.

Perron, E. du (1932). Panopticum. Aandacht voor Schotman! Forum, jrg. 1, 267-270.

Postma, J.S. (1941). Bibliographie van Mennonitica. In verband met de Nederlandse Oostkolonisatie uitgegeven door dr. Johan Theunisz. Den Haag: Hamer.

Theunisz, P. (z.j.). Hoe het was aan de andere kant. Een 'oorlogsverslag' van Patricia Teunisz. Zwolle: St. Werkgroep Herkenning.