In 't Wasdom

antiquariaat Cornelissen & De Jong – Notter | Zwolle
mei 20th, 2026

Een nabrander: Over Marina Ginestà en de man die Durruti doodde

Vannacht droomde ik dat mijn kompaan mij de toegang tot het grote geheim ontzegde. Ik had iets gedaan, of beter, nagelaten dat verwerpelijk was: ‘Je bent vergeten Van Zwolle tot Brest-Litowsk ofwel mijn Onstuimige herinneringen te raadplegen bij je stuk over de mislukte moordaanslag op Trotski’, zo sprak een stem die onmiskenbaar van Igor Cornelissen (1935-2021) was. ‘Als je dat had gedaan, dan had je ontrafeld hoe de dingen werkelijk waren. Nu doe je het met kruimels. Je behoort toch niet tot de kunstmatige intelligentsia? Raadpleeg de registers!’ De stem was streng, toch proefde ik ook mildheid.

Zwetend werd ik wakker en strompelde naar het bruine kastje om het register van de Onstuimige herinneringen te raadplegen op de naam Siqueiros en jawel; op pagina 263 e.v. stond het verhaal concreter en preciezer dan ik uit andere bronnen had gedestilleerd. Het werk kon beginnen. Ik gloeide van opwinding daar ik wist dat ik nu Schrift met Schrift kon vergelijken en conclusies trekken. Groeien zou ik en bloeien, zo droomde ik wakker zijnde.

Ik kwam erachter dat de Spaanse vriend, die Igor Cornelissen tijdens zijn bezoek aan Moskou vergezelde, Manuel Perianez-Ginestà (1940-2026) heette. Hij overleed op 9 februari j.l. in Parijs. Ik kan hem nu helaas niet meer vragen naar zijn Trotskistische verleden en familiegeschiedenis. Zijn Nederlands was natuurlijk oneindig veel beter dan mijn Spaans ooit zal zijn. Zijn ouders vochten in de Spaanse burgeroorlog. Zo tolkte zijn moeder Marina Ginestà i Coloma (1919-2014) voor de Spaanse anarchist Buenaventura Durruti (1896–1936). Zij werd wereldberoemd vanwege de iconische foto op het dak van het hotel Colón aan Plaça de Catalunya 9 in Barcelona. Zij, de la chica del fusil, was toen zeventien jaar.

Marina Ginestà werkte in de zomer van 1936 als typiste en vertaalster op het hoofdkwartier van de communisten in dat hotel. Zij werd verliefd op de Spaanse communist Ramón Mercader (1913-1978), die Trotski met zijn pikhouweel vermoordde. Hem lukte wat eerder bij David Alfaro Siqueiros (1896-1974) mislukte. Mercader had overigens ook een relatie met Fanny Schoonheyt (1912-1961), ‘de koningin van de mitrailleur’, die in het vorige blog al wordt beschreven in relatie tot Albert Helman.

In haar directe nabijheid vielen meer doden. Dat gebeurt bij een oorlog. Zo kwam ook de man voor wie zij tolkte, Buenaventura Durruti, om tijdens het beleg van Madrid. Over de oorzaken van zijn dood zijn meerdere versies in omloop. In de Nederlandstalige Wikipedia-pagina over Durruti staat een bekend citaat van hem: ‘Er zijn slechts twee wegen, de overwinning voor de werkende klasse, vrijheid, of de overwinning voor de fascisten hetgeen tirannie betekent.’ Die uitspraak van Durruti is niet alleen actueel, maar ook een vooruitgang t.o.v. de doodlopende weg van Siqueiros die immers stelde dat er ‘geen enkele andere weg [is] dan de onze.’ (zie mijn vorige stuk).

Marina Ginestà keerde in 1952 naar Barcelona terug waar zij haar zoon Manuel opvoedde die in de jaren zestig in Nederland studeerde en lid was van de radicaal-linkse en trotskistische vereniging Politeia. Manuel raakte bevriend met Trotskisten als Fritjof Tichelman (1929-2012), Sal Santen (1915-1998), Maurice Ferares (1922-2022) en Igor Cornelissen. Er zal ook over Manuel Perianez-Ginestà wel een dossier liggen bij de BVD / AIVD. Net zoals over zijn moeder, vermoed ik.

Sinds 2014 werkte Manuel aan een onderzoek naar zijn familiegeschiedenis. Die werd gevoed door de autobiografische verhalen die zijn moeder in de jaren zeventig schreef. Manuel was jarenlang actief als socioloog en psychoanalyticus, maar wist weinig tot niets over het revolutionaire verleden van zijn moeder. In 2016 was Manuel erbij toen de iconische foto van Juan Guzmán (1911-1982) in de straten van Barcelona hing om de tachtigste verjaardag van het begin van de Spaanse Burgeroorlog te gedenken. In 2022 publiceerde Manuel Perianez-Ginestà La Bande Mauve, gewijd aan de complexe geschiedenis van zijn Spaanse familie. Het was bedoeld als het eerste deel van een serie over het (Spaanse) anarchisme die hij helaas niet heeft kunnen voltooien. Yvonne Scholten schreef eerder over hem, zijn moeder en andere anarchisten en communisten.

Het weten gaf mij enige voldoening. Ik weet nu meer dan Igor Cornelissen over deze kwestie had kunnen weten. Alles dankzij de voorspellende droom waarin hij mij advies gaf. Beter dan de voorspelling van Samuel die de heks van Endor aan Saul voorschotelde. Alles dankzij het doorlopen van de tijd. Dit natuurlijk geheel terzijde.

Uitgeverij KELDER gaf in 2025 een boekje uit over de Spaanse burgeroorlog met de titel De man die Durruti doodde. De vormgeving is misschien artistiek verantwoord, maar voor een volgende druk adviseer ik om de iconische foto van Marina Ginestà op het omslag te zetten en de titel te wijzigen in: De vrouw die voor Buenaventura Durruti tolkte en de man die hem doodde.

In die nieuwe druk moet dan nog wel iets geschreven worden over de rol van Marina Ginestà in relatie tot Durruti. Er ligt genoeg.

mei 17th, 2026

‘Er is geen andere weg dan de onze’. Over de moordaanslag op Lev Trotski

Opgeborgen in doos 170, beveiligd in een zware kluis, bevindt zich een gesigneerd exemplaar van No hay más ruta que la nuestra van de Mexicaanse beeldende kunstenaar David Alfaro Siqueiros (1896-1974).

Het bundeltje met opstellen over kunst is afkomstig uit de nalatenschap van Albert Helman ofwel Lou Lichtveld (1903-1996). Er staat een persoonlijke opdracht in aan Albert Helman. Eén keer in de vijf jaar blader ik door het boekje en lijkt het net of ik in een onmiddellijk contact sta met Albert Helman, David Alfaro Siqueiros en Lev Trotski (1879-1940). Ja, ook met Lev Trotski.

‘Er is geen andere weg dan de onze’, zo luidt de vertaling van het werk van Siqueiros die in die bundel de principes van het Mexicaans muralisme verkondigt en kunst met politiek verbindt. Onlosmakelijk. Sociaal realisme. De kunstenaar en politiek activist Siqueiros gaf zijn boekje met opstellen in mei 1948 aan Albert Helman die toen Mexico bezocht. “Er is geen andere weg dan de onze.” Ik onderschrijf dat parool wel, maar uitsluitend op het persoonlijke vlak, als de uitkomst van een reeks eerdere beslissingen die tot een onontkoombaar einde leiden. Ik onderschrijf het zeker niet als een collectieve strijdkreet. En dat was het: Siqueiros was een stalinist van de gestaalde kaders voor wie alles in dienst stond van de revolutie.

Kenners van het Trotskisme weten dat Siqueiros het niet bij theorieën alleen liet. Hij – volgeling van Stalin die Trotski haatte – was de man die de eerste, mislukte moordaanslag op Trotski beraamde en uitvoerde. Albert Helman had gans andere sympathieën. Hij had meer met anarchistische arbeiders en minder of niets met communisten. Ik snap dat wel; ik zou ook liever anarchist zijn als ik niet nog liever helemaal niks was.

Gaandeweg was Albert Helman vervreemd geraakt van de NRC-journaliste Fanny Schoonheyt, een grote blondine uit Rotterdam, die zich tijdens de Spaanse burgeroorlog had ontwikkeld tot ‘de koningin van de mitrailleur’. Schoonheyt had in Spanje een relatie met Ramón Mercader (1913-1978) die bij de stalinisten in Moskou een speciale opleiding kreeg, naar Mexico reisde en Trotski vermoordde. Het lukte hem wel wat eerder bij Siqueiros mislukte: de moord op Lev Trotski.

Eind jaren dertig hingen Helman en zijn vrouw Lili rond in Mexico-stad waar zij begin 1938 een woning betrokken aan de Avenida Campestra 15 in Villa Obregon. Die villa bestaat nog steeds. Er waren nogal wat intellectuelen en kunstenaars die daar samenkwamen, zoals Frida Kahlo (1907-1954), haar minnaar Lev Trotski en de ex-partner van Kahlo: Diego Rivera (1886-1957). David Alfaro Siqueiros, die in Parijs bevriend was geraakt met Diego Rivera, was ook altijd in de buurt. In die dagen was Siqueiros in de ban van Cézanne die overigens wél meer dan zeventig perspectieven op de berg Mont Sainte-Victoire in olieverfschilderijen en aquarellen verwerkte.

Self-portrait dedicated to TrotskiFrida Kahlo droeg in 1937 één van haar zelfportretten op aan Trotski. Zij schilderde het in haar atelier dat grensde aan de achtertuin van Helman. Albert Helman maakte wel eens een praatje met Diego bij de lage heg. Michiel van Kempen doet er in zijn vuistdikke biografie verslag van: “Ik kwam weleens bij Frida en Diego over huis, hij had een prachtige verzameling oude Aztekische beeldjes (…). Op een morgen, ik had even tevoren een kras verhaal gehoord, zag ik hem en zei: “Don Diego, is het waar dat de schorpioenen hier zó giftig zijn, dat hun steek meteen dodelijk is?” – “Ja, dat is waar!” zei Diego over het tuinhek tegen mij, “het is me de vorige week nog gebeurd.” – “Maar u bent tóch niet doodgegaan.” – “Nee, de schorpióen.”

Wie ook niet doodging was Lev Trotski. Althans niet op die 23e mei 1940 als Siqueiros aan het hoofd van een Mexicaanse legerpatrouille aan de poort van Trotski’s zwaar bewaakte villa staat. Het venijn zat die nacht niet in een kleine schorpioen, maar in de loop van twintig machinegeweren. Hij verzoekt de wachtpost hem binnen te laten. Argument is dat de autoriteiten besloten zouden hebben Trotski extra bescherming te geven. De toelating van het nepcommando kost de wachtpost het leven. In een oogwenk is de groep de patio binnengestormd, doorzeefd de aangrenzende slaapvertrekken met machinegeweervuur (driehonderd kogels) en gooit brandbommen door de ramen naar binnen. Daarna trekt men zich haastig terug, een grote dynamietbom achterlatend. De overval mislukt. De bom ontploft niet, Trotski is slechts licht gewond en zijn vrouw en zoontje komen er vrijwel ongedeerd vanaf. Ton Crijnen schreef het in januari 1974 in De Tijd allemaal nog eens netjes op.

Siqueiros komt er met een lichte straf vanaf, wordt door de Mexicaanse autoriteiten op borgtocht vrijgelaten en wijkt uit naar Chili om Pablo Neruda (1904-1973) te ontmoeten die hem uitnodigde tot het maken van enige muurschilderijen. Revolutie en kunst maken: Siqueiros deed het. Een paar maanden later slaat Ramón Mercader de 62-jarige Trotski met een pikhouweel de schedel in.

In november 1967 – dan nog zo’n vier jaar verwijderd van zijn definitieve afscheid van het Trotskisme – worstelt de 32-jarige journalist Igor Cornelissen (1935-2021) met de kopij. Hij zit op dat moment in Moskou om de vijftigjarige herdenking van de revolutie mee te maken, had weliswaar een “bijna opwindend avontuur met de dochter van een generaal van het Rode Leger”, maar geen regeltje kopij. En daarvoor was hij op weg gestuurd.

Igor Cornelissen stond op die novemberdag met een vriend op een heuveltje bij een klein park met uitzicht op Moskou. Iets verderop werd een man voor de televisie geïnterviewd. Die oude man zag er met zijn zwarte jas, witte sjaal, grote hoed en bruine gelaatskleur heel karakteristiek uit. Wie zou dat zijn, vraagt zijn vriend. “Siqueiros”, zegt Igor Cornelissen zonder spoor van bewijs, “maar ik had hem in het Spaans iets horen zeggen over de vele bezoeken die hij aan zijn tweede vaderland had gebracht.” Voordat Cornelissen en zijn vriend David Alfaro Siqueiros kunnen spreken wordt hij afgevoerd door potige lijfwachten in leren jassen.

De korte ontmoeting was genoeg voor een voetnoot in Het Parool. Cornelissen beschrijft hoe Siqueiros tijdens zijn proces stelde dat het geen moordaanslag was geweest, maar slechts een protest tegen Trotski’s aanwezigheid in Mexico. Het zou hem zijn gegaan om het toebrengen van een ‘psychische schok’ door het afvuren van een paar honderd kogels. David Alfaro Siqueiros bleef tot op het einde een stalinist. Van het gestaalde kader. Voor hem “geen andere weg dan de onze.” No hay más ruta que la nuestra.

Er is altijd een andere weg en een andere berg.

PHP Code Snippets Powered By : XYZScripts.com