In 't Wasdom

antiquariaat Cornelissen & De Jong – Zwolle
november 20th, 2022

“We moeten allemaal een keer weg”. Over Cioran en Pessoa

Ik luisterde op eeuwigheidszondag naar een Rijssense kerkdienst waarin de namen van de mensen van voorbij werden gememoreerd. Ook de naam van de man die vijfenzestig jaar boerde op de Notterse velden en mij een week voor zijn dood zei “dat we allemaal een keer weg moeten”.

Intussen las ik het opstel van Jan Postma over Emil Cioran (1911-1995), de filosoof die als geen ander de paradox hanteert. In dat prachtige opstel in De Groene Amsterdammer memoreert Postma het verhaal over een boer die over het sterven niets anders wist te zeggen dan: ‘Zo gaat het … zo gaat het ….’ Die woorden maakten een koddige indruk op Cioran, maar hij moest toegeven dat de man ‘alles over de dood had gezegd wat men erover kan zeggen en kan weten’.

Dat is ook zo.

Er is nog een indrukwekkend verhaal dat Postma vertelt, vollediger dan dat ik mij herinnerde uit de inleiding van Bestaan als verleiding van Emil Cioran (inleider & vertaler Maarten van Buuren). Het handelt over de jonge Ciorian die net als zijn moeder Elvira Cioranu (1889-1963) aan depressies leed en haar op een dag vertelde dat hij het niet meer zag zitten, waarop zijn diepgelovige moeder – dochter van een Russisch-orthodoxe pope – hem zegt: ‘als ik dit had geweten, had ik me laten aborteren’.

Misschien anders dan Postma vind ik die uitspraak vooral indrukwekkend omdat er een diep mededogen voor haar zoon uit spreekt. Sommige hedendaagse ‘hulpverleners’ zullen Elvira Cioranu die uitspraak vast kwalijk nemen en haar gebrek aan veiligheid verwijten. Niets is minder waar: haar uitspraak ‘als ik dit had geweten, had ik me laten aborteren’ is niet los verkrijgbaar. Niet los dus van dat mededogen. Die empathie grenst of reikt de hand aan het net nog naderbare. De uitspraak van zijn moeder had overigens een bevrijdende werking op het bezwaard gemoed van Cioran. Het had immers heel anders kunnen zijn: de leegte van een niet-geweten-Niets. Nu hoefde er niets meer. Elk nieuw geschreven boek was een overwinning op de dood, ieder opgebruikt inktlint een vitalistisch vaandel.

Postma’s opstel deed mij denken aan een gedicht van Fernando Pessoa. Het was dat gedicht dat Jan Aarts – co-auteur van Dit is mijn boek. Joodse exlibriscultuur in Nederland dat, wonderbaarlijk genoeg, nog steeds op mijn kraam ligtafgelopen vrijdag op het Spui liet klinken. Bij zijn komst op de boekenmarkt schemerde het al en voor zover de bladeren niet van de bomen waren gevallen hingen ze bevroren aan de takken. Aarts wees naar het Maagdenhuis, aan de achterzijde van mijn boekenkraam, waar in een van de kamers het licht nog brandde en vertelde dat hij als jonge student dat gebouw in de meidagen van 1969 had bezet, maar niet voordat hij die morgen, de dag van de revolutie, nog een tentamen aflegde. Hij en hij niet alleen was in de ban van de lente, de komende revolutie, toen de wolken laag hingen, ja zwanger gingen van beloften. Onvervulde beloften.

Een veelbelovende revolutie baarde slechts wind en stoppelen, ja waaide voorbij. Er is niets meer van over dan de resten van een ontijdig geborene, een misgeboorte.

Nochtans zal de lente, net zoals de herfst, schitterend zijn en zullen de bloemen net zo bloeien als zij voor die revolutie deden. Als troost gaf ik Jan Aarts daarom de nieuwe boekenlegger van het antiquariaat In ‘t Wasdom waarop een fragment staat uit een gedicht van Fernando Pessoa (1888-1935). Dat was voor Aarts genoeg voor een nieuw verhaal over oude mensen en dingen die voorbijgaan, als ook voor het letterlijk citeren van een ander gedicht van Pessoa dat de rest van die dag bij mij bleef. Wat zeg ik? Het gedicht Wanneer de lente komt resoneert nog terwijl ik dit schrijf.


Wanneer de lente komt

En als ik dan al dood ben | Zullen de bloemen net zo bloeien | En de bomen zullen niet minder groen zijn dan het vorig voorjaar.

De werkelijkheid heeft mij niet nodig.

Ik voel een enorme vreugde | Bij de gedachte dat mijn dood volstrekt onbelangrijk is | Als ik wist dat ik morgen zou sterven | En het was overmorgen lente, | Zou ik tevreden sterven, omdat het overmorgen lente was.

Als dat haar tijd is, wanneer dan zou ze moeten komen tenzij op haar tijd?

Ik houd ervan dat alles werkelijk is en alles zoals het moet zijn; | Daar houd ik van, omdat het zo zou wezen ook als ik er niet van hield. | Daarom, als ik nu sterf, sterf ik tevreden

Want alles is werkelijk en alles is zoals het moet zijn.

Men mag Latijn bidden boven mijn kist, indien men wil. | Indien men wil, mag men rondom dansen en zingen. | Ik heb geen voorkeur voor wanneer ik toch geen voorkeur meer kan hebben | Dat wat zal zijn, wanneer het zijn zal, zal het zijn dat wat het is.

Fernando Pessoa (de vertaling is van August Willemsen, 1936-2007).


oktober 25th, 2022

“De inwerking van het licht”. Over een Amsterdamse stadsvilla en het licht van Scheerbart

Ooit vertelde Igor Cornelissen mij hoezeer hij getroffen was door een opmerking van Konstantin Paustovski (1892-1968) die ergens schrijft dat de studie van oude huizen (en hun bewoners) een prachtig iets is. Huizen blijven meestal langer bestaan dan hun bewoners. Maar wie waren die bewoners, hoe woonden zij, welke passies hadden zij, wat was hun lot en welke invloed hadden zij op anderen en wat was de aanleiding?

Die vragen hielden mij bezig nadat de germanist Leo Ikelaar (1937) – oud-bibliothecaris van de Universiteit van Amsterdam en medeoprichter van de Nederlandse Franz Kafka-kring (1992) – op zijn vrijdagse tocht over de boekenmarkt op het Spui ook mijn kraam had bezocht. Ik vroeg hem naar de stand van zaken rondom zijn Goethe-onderzoek. En van het een kwam het ander. Zo vertelde Leo dat hij in 1944, als zevenjarige jongen, het enorme huis op Vondelstraat 87 was binnengeslopen. De achterzijde van de stadsvilla grenst aan het Vondelpark waar het prettig toeven was. De jonge Leo was echter via de vooringang het huis aan de Vondelstraat binnengegaan. Bij de eerste aanblik van de huisbibliotheek, bereikbaar via de deur rechtsonder van de hoofdingang, voelde het alsof hij aan de grond stond vastgenageld. Hoe kon zoiets bestaan?

Het was immens. Zoiets had hij nooit gezien: een wand vol met boeken. De jonge Leo Ikelaar reikte naar het boek waarvan hij de tekens nog niet kon ontcijferen: “Ik trok het uit de kast, waarna de boekenrij ineenstortte. Op dat moment hoorde ik het gebonk van iemand die waarschijnlijk zware laarzen droeg. Ik maakte mij snel uit de voeten. Niet zonder het boek. Er was immers geen tijd het terug te zetten.” Thuis vertelde Leo dat hij het boek op straat had gevonden:

“Ze vonden het mooi, vooral de gekleurde prenten, afgedekt met zacht zijdeachtig papier, waren prachtig. Toen ik hen uitleg vroeg over het boek verwezen ze mij naar de schoolmeester die immers alles wist. In mijn herinnering waren alle schoolmeesters gelijk aan die ene Amsterdamse schoolmeester: Theo Thijssen (1879-1943). Op dat moment nog maar net dood, maar zijn roem was groot. Zijn naam lag bestorven op ieders lip. Mijn ouders hadden geen boeken, behalve dan een boek over bridgen en klaverjassen. Na de oorlog kwam er een telefoonboek bij. Dat was het. Mijn vader kon niet alleen goed kaartspelen. Met de kaarten voorspelde hij ook het lot van zieken en ik herinner mij niet dat hij zich daarin vergiste. Of toch wel. Eén keer twijfelde hij aan de waarde van de droom van mijn broer. Op een dag droomde hij dat een tante, een waarzeggende geest uit de Pijp, was gestorven. Hij noch ik hadden haar ooit gezien. We bezochten haar nooit. Mijn vader had hem gezegd dat het niet waar kon zijn, maar later op de dag bleek het toch anders te liggen. Hoe het precies zit, weet ik niet. Intuïtie is een belangrijk ding. En die intuïtie, het vermogen ook tot nauwkeurig waarnemen, verdwijnt als alle aandacht uitgaat naar dat ding, die mobiel.”

“Het boek, een band uit de tweedelinge serie  – Deutschland im 18. Jahrhundert (Berlin, 1921/22) – dat ik op mijn vlucht uit de Vondelstraat 87 meenam, was van de cultuurhistoricus Max von Boehn (1850-1932). Von Boehn was een veelzijdig man die over de Biedermeierperiode schreef, maar ook over de activiteiten van Albrecht Dürer als boek- en kunsthandelaar. En over zoveel meer, zoals over Goethe’s Faust.”

Johan Wolfgang Goethe zou later een belangrijke figuur worden voor Leo Ikelaar, maar dat is een ander verhaal.

“Een paar maanden na mijn eerste bezoek keerde ik terug naar de plaats van het delict. Wie waren toch die mensen die zoveel boeken bezaten? Glurend door het tuinhek zag ik hen zitten en rondlopen op het achterbalkon. Er was een man met een strak zittend militair uniform. Was het een Duits officier? Was het misschien dezelfde man op wiens dreigende voetstappen ik wegvluchtte nadat de boekenrij in elkaar was gestort? Naast hem stond een blondharige vrouw die een zwierige zomerjurk droeg en mij vriendelijk groette. De geüniformeerde en gelaarsde militair keek strak voor zich uit. Was hij een erudiete mof, iemand met Bildung, een cultuurdrager, behorend tot het Herrenvolk? En zij, de vrouw met blonde haren, blauwogig wellicht, het prototype van de ideale mens uit het Derde Rijk?”

Het huis aan de Vondelstraat 87 werd in 1881 ontworpen door de architect S. Batelt. In de jaren twintig en dertig woonde de familie Egeler-Korff er. Na het overlijden van de jurist dr. Rudolp Egeler (1886-1933) verlaat zijn weduwe Tonia Kolff (1891-1951) met haar drie zonen de woning aan de Vondelstraat. Rond 1934 vestigt het Belgische consulaat de kanselarij op dat adres. Consul Jules van Haute (1880-1953) kiest de stadsvilla als zijn hoofdverblijf. Het ligt voor de hand dat het personeel van het Belgisch consulaat de stadsvilla na de capitulatie moest verlaten en het pand in de oorlogsjaren door Duitsers of hun sympathisanten werd bewoond. In elk geval is zeker dat Jules van Haute in 1940 vluchtte en consul in Londen wordt. Wie er in de oorlogsjaren in de stadsvilla woonde heb ik – niet uitputtend, maar middels raadpleging van de krantendatabank Delpher – niet kunnen achterhalen. Wel blijkt uit de woningkaarten van het Amsterdamse Stadsarchief dat op 26 februari 1942 Jan (J.N.G.) de Ligt op het adres wordt ingeschreven, mogelijk is hij daar aangesteld als conciërge. Ik heb echter geen andere bewoners kunnen traceren in de oorlogsjaren. Na de oorlog doet de stadsvilla dienst als kantoor voor de officier van justitie. De eerder genoemde De Ligt vertrekt op 8 december 1952 naar elders. Via de woningkaarten vallen ook andere naoorlogse bewoners van het pand te traceren (tot eind jaren tachtig).

Rond 2018 waren er plannen om de stadsvilla – volgens Het Parool en Quotenet “het duurste huis van Amsterdam” – uit te breiden. Er moest een tweede verdieping worden gebouwd en het plan was om ondergronds extra kelders & parkeergarages aan te leggen. Ik denk niet dat er nog een bibliotheek aanwezig is in het huis aan de Vondelstraat, maar dit terzijde. Buurtbewoners kwamen in actie om de bouwvergunning tegen te houden. De ophoging ging niet door. Niet zozeer het veranderende uitzicht was voor het Amsterdamse stadsbestuur doorslaggevend, wel de wegneming van daglicht door de ophoging. Licht dat anderen zou worden onthouden.

Dat is inderdaad een goed argument: licht. Niet minder, maar méér licht. Gekleurd licht als het kan.

Méér licht! Het waren de woorden van Johan Wolfgang Goethe, woorden die hij uitsprak op zijn sterfbed. Een leven lang was Goethe gefascineerd door het licht. Hij ontwikkelde zijn beroemde kleurenleer, die gerelateerd is aan de harmonie der dingen. En hij was daar zeer trots op. Terecht: “Auf Alles was ich als Poet geleistet habe, bilde ich mir gar nichts ein. […] Daß ich aber in meinem Jahrhundert in der schwierigen Wissenschaft der Farbenlehre der Einzige bin, der das Rechte weiß, darauf tue ich mir etwas zu gute.” De enige die weet waar het om draait als het om de kleurenleer gaat. In elk geval was Goethe de eerste. Na hem waren er meer die zich bezighielden met de (psychologische) inwerking van het licht.

Onder hen was de visionair Paul Scheerbart (1863-1915), in zijn Berlijnse jaren onder meer bevriend met Paul van Ostaijen en Walter Benjamin, die met zijn boek over glasarchitectuur grote invloed had op de architect Bruno Taut (1880-1938). Scheerbart had zich laten inspireren door de gotische kerken en het gekleurde licht door de gebrandschilderde ramen. Ieder moment op de dag is het uitzicht anders, althans voor wie het ziet. Bruno Taut maakte met zijn input buitengewoon interessante ontwerpen.

Ook Leo Ikelaar was onder hen. Hij studeerde in de jaren vijftig en zestig Duitse taal- en letterkunde, schreef een studie over Goethe’s Werther in relatie tot de zelfmoordgolf die na de verschijning van de roman door Europa ging. Dat niet alleen, ook hij verdiepte zich in de glasarchitectuur van Scheerbart en de (psychologische) inwerking van het licht. In 1996 bezorgde Leo Ikelaar de briefwisseling tussen Paul Scheerbart, Gottfried Heinersdorff, Bruno Taut en Herwart Walden.

Vanuit zijn huis kijkt Leo Ikelaar iedere dag uit op de Westerkerk, ziet er de zon op- en ondergaan. Het licht verlaat hem nooit in het huis dat hij met eigen handen renoveerde. Net zo min als de boeken waaronder het, naar zijn zeggen, “onrechtmatig toegeëigende exemplaar” van Max von Boehn. Toen hij het boek onlangs nog eens raadpleegde voor zijn publicatie over Goethe, Werther en de zelfmoord bleek het inhoudelijk onbruikbaar. “Het was niets meer, maar ook niets minder dan een koffietafelboek, met gekleurde prenten, afgedekt met zacht zijdeachtig papier.”


Een lezer stuurde mij naar aanleiding van bovenstaande tekst een toepasselijk citaat van T.S. Eliot. Ik geef dat graag door: “In an old house there is always listening, and more is heard than is spoken. And what is spoken remains in the room, waiting for the future to hear it. And whatever happens began in the past, and presses hard on the future.”

Thomas S. Eliot in The Family Reunion


 
 
 
 
 
 
 
 

© bookmanager 2022 – bronnen en aantekeningen

september 24th, 2022

Een te grote broek. Over Irma la Douce en Bernard Canter

Afgelopen vrijdag stond er bij mijn kraam een jonge vrouw. Ze had een grappig hondje, een poedeltje, aan de riem en een rood bandje in haar hand. Het poedeltje kreeg alle ruimte en kroop onder de boekenkraam. Toen het poedeltje mij zag, begon het beestje te keffen. Ik begrijp dat. Als ik die hond zou zijn en mij zou zien, zou ik ook keffen.

Alles aan de vrouw deed mij denken aan de hoofdrolspeelster uit de film Irma La Douce (1963) van Billy Wilder: haar zwarte haren, het rode bandje en het poedeltje. Anders dan in de film was ook het hondje zwart. Maar dat gaf niks, bedacht ik, dat zou van de modder kunnen zijn. Met die dromerijen leek ik wel een beetje op die andere hoofdrolspeler, de kersverse – net naar Parijs overgeplaatste – politieagent Nester Patou die allesbehalve van de wereld was.

De vrouw bladerde minutenlang in een boek dat nog uit de Eerste Wereldoorlog afkomstig was. Toen keek ze op, kruiste mijn blik, lachte haar tanden bloot, legde het boek neer en wandelde weg met de poedel in haar armen. Ik keek ze na en voelde mij een beetje als de verhalenverteller Lou Jacobi, barman met hoed en wandelstok, die in diezelfde film kopje onder gaat in een Parijse gracht. Ik heb daar een actieve herinnering aan, “but that’s another story.” Jacobi was er wel bij, maar zat er toch niet in.

Ik zag de film Irma La Douce in de vroege jaren negentig. Het was aan het einde van de jaren dat ik nog vreesde dat het dak van de bioscoop zou instorten als ik daar naar binnen zou gaan. Op de dag dat die vrees verdween, verloor ik iets en won iets anders. Maar ook dat is een ander verhaal.

Het was niet zomaar een oud boek waarin Irma La Douce bladerde bij die boekenkraam op ’t Spui. Het was een boek van Bernard Canter (1870-1956). Igor Cornelissen, verzamelaar van het werk van Canter, beschrijft hem in een Voetnoot als een kleine man met een te grote broek. Treffend en raak. Iedereen, bijna iedereen, die zichzelf kent weet dat ‘ie meestal een te grote broek draagt.

augustus 2nd, 2022

Op het Spui. Over asfaltfeeën en kraamklevers

Begin jaren twintig maakte de journalist J.C.L. Sand een aantal reportages over misdadig Amsterdam: de ratten van Amsterdam. Met die ratten doelde hij op zakkenrollers, souteneurs, inbrekers, ruitentikkers en spelers, die nachtelijk Amsterdam terroriseerden. Sand vergat ook de asfaltfeeën van het Damrak niet te noemen; de tippelaarsters en lokvogels die met een bontmantel (geleend van hun souteneur) “het verwelkte lichaam bedekten en ‘s nachts als een hongerige troep hyena’s door de straten doolden.” Sand schreef een mooi tijdsdocument over vooroorlogs Amsterdam.

Ik probeerde het boekje afgelopen vrijdag op het Spui te slijten, onder meer door te wijzen op de illustraties van Otto Geerlings (1848-1930), schilder en illustrator van (kinder)boeken. Niemand hapte toe, ook de man niet die ruim twintigduizend banden over Amsterdam bezit en wiens huis en inrichting gebouwd is op boeken: “méér dan 300 meter over Amsterdam”, vertelde hij mij “en dit boekje herken ik, juist vanwege de illustraties.” Hij is een kenner en komt iedere week op de boekenmarkt op het Spui. Er zijn er die urenlang bij een marktkraam blijven hangen en inmiddels zoveel krediet opbouwden dat ze de boekhandelaren vervangen als die een kop koffie willen halen bij De Hoppe. Niet iedereen doet aan “kraamkleven”. Er zijn er ook die als storm en bliksem over de markt gaan, een Orwell kopen en verder wandelen al dan niet op weg naar café De Zwart, waar de witte wijn en het bier beter smaken dan de bitterballen.

Er zijn kraamklevers die ik herken als typische bibliofielen en liefhebbers van het oeuvre van Igor Cornelissen. Meestal zijn ze iets ouder. Grijzer ook. Als ze Der rasende Reporter van Egon Edwin Kisch ter hand nemen en daarna Vampier (1928) van Hanns Heinz Ewer, dan vermoed ik dat ze ook Der Prager Golem gaan inzien. Meestal heb ik gelijk. Hoe dan ook, ze houden wel van een praatje en bij de kraam bloeien gesprekken op over wie de grootste is in het koninkrijk van de lezer: is het Proust of is het Kafka? Toen ik ook iets over Kafka wilde vertellen, hoorde ik dat dit nu juist een clichéverhaaltje uit het oeuvre is. Ik droop af, ja jankte bijna als een hond in de nacht.

Er is een vaste bezoeker die op de mooiste plek in Amsterdam woont. Hij kijkt iedere dag uit op de Westerkerk, ziet de zon op- en ondergaan. Het licht verlaat hem nooit in het huis dat hij met eigen handen renoveerde. Hij kan meer dan lezen alleen, maar wil intussen wel alles weten over het bombardement van de geallieerden in Amsterdam-Noord (17 juli 1943) waarbij 150 mensen direct stierven en veel anderen later aan hun verwondingen overleden. Hij maakte het mee, net zoals Anne Frank die erover schreef op 19 juli 1943: “Zondag is Amsterdam-Noord heel zwaar gebombardeerd. De verwoesting moet ontzettend zijn, hele straten liggen in puin. Je hoort van kinderen die verloren in de smeulende ruïnes naar hun dode ouders zoeken. Rillingen krijg ik als ik nog aan het doffe, dreunende gerommel in de verte denk.” Maar, zo vertelt de man “het huis van mijn moeder bleef wonderbaarlijk genoeg gespaard. En zíj en ík. Verder was er alleen verwoesting.”

Dan vertelt hij nóg een verhaal. Dat gaat over Goethe’s Die Leiden des jungen Werthers, de zelfmoordgolf door het achttiende-eeuwse Europa, het lied Der Tod und das Mädchen van Franz Schubert en duizend andere dingen waarover hij wel dingen weet, maar de wereld nog niet. “Volop cultuur hier op ’t Spui”, roept een vrouw uit, die ademloos luistert en, zo denk ik, meer en nog meer wil.

Haar honger naar kennis en boeken doet mij denken aan de reclameslogan uit de jaren tachtig of negentig: Van boeken krijg je nooit genoeg en ik roep net iets te enthousiast: “Ik heb er wel een boek over!”

Maar ze heeft al een boek.

juli 23rd, 2022

Op het Spui: over de boeken die ik niet verkocht …

Gisteren als handelaar op proef naar het Spui gegaan en wat boeken verkocht. Daarbij veel geleerd. Niet alleen over het publiek, maar ook over de mens en mijzelve in het bijzonder. Zo leerde ik dat de Franstalige Celine (1e dr., 1932) bij verzamelaars een paar duizend euro waard kan zijn en dat mijn prijs (75 euro) veel te laag was. Ook leerde ik dat veel mensen – vooral mannen – gretig naar het boek met de rode lippen grepen, er even in bladerden en het daarna terzijde legden. Het was gebruikt en niet onopgemerkt gebleven.

Blijkbaar is het boek van Sarane Alexandrian te duur, ook al lijken de lippen op het omslag wel heel prachtig. Mens-zijn is verlangen. Te veel werkelijkheid in huis is dodelijk. Ook dat begrijp ik. Man Ray is intussen nog steeds te koop.

En er was bezoek van een groot verzamelaar van Nescio, een kenner van Elsschot. Een man met een bibliotheek als professor Kien uit Canetti’s Martyrium. Mooier nog, trouwens. Gelukkig heeft hij – anders dan Kien – geen huishoudster die misschien voor vuur, maar ook voor rook kan zorgen. Hij kocht De Trommius en ik ben er zeker van dat dit bijzondere exemplaar een waardige plek krijgt. Niet op een altaar, misschien wel op een plek die Abraham Trommius verdient: een katheder met een lampje erboven. Om licht te maken waar anders het duister heerst.

Toen kwam Chris Kooyman langs. Hij is één van de schrijvers van een boek – mijn boek – dat ik niet verkoop, maar toch in de aanbieding heb: Dit is mijn boek. Joodse exlibriscultuur in Nederland. Het exemplaar dat ik wel verkoop is van Igor Cornelissen bij wie ik het – bij leven – aantrof. Na wat bladeren wilde ik het ook hebben en ik kreeg het van de geliefde. Een waardig verjaardagscadeau. Kooyman was vooral geïnteresseerd in de boeken met de theaterstukken van Arthur Schnitzler. In die vier delen staat het exlibris van het echtpaar Wolff dat volgens mijn gegevens op 11 juni 1943 in Sobidor werd vermoord. Wat ik toen wist is opgeschreven in de column Over Arthur Schnitzler: dood, verderf en duisternis. En nochtans lichtheid. Ik was compleet vergeten dat ik eerder schreef over Arthur Schnitzler.

Chris Kooyman heeft veel gezag bij mij. Ik maak vaak gebruik van zijn handboek. Bij mijn beschrijving van de Gesammelte Werke van Schnitzler staat dat in de boeken een exlibris is opgenomen van Grete en Felix Woff met daarbij als toevoeging: niet in Aarts en Kooyman, 2017. Ooit vertelde mijn beoogd promotor dat er geen groter gezag bestaat dan dat iemand iets schrijft over een doopsgezinde predikant en dan, “uiteraard na raadpleging van jouw standaardwerk”, schrijft: niet in het repertorium van De Jong (2007). Dát repertorium zal er nooit komen, maar dit uiteraard geheel terzijde.

Wat er hopelijk wel komt is een supplement op Dit is mijn boek met daarin een beschrijving van het exlibris van het echtpaar Wolff. En daarin de notitie dat het exlibris afkomstig is uit de collectie Igor Cornelissen, m.n. uit de boekenverzameling van Igor die ik momenteel in het programma bookmanager beschrijf.

Het was gisteren een mooie, bijzondere en nuttige dag. En dat was het.


 

juli 2nd, 2022

Over het wenen van Pieter Sjoerds Gerbrandy en de verloren Trommius

In onderstaande column uit Het Parool van 20 juni 1998 vertelt Igor Cornelissen (1935-2021) over zijn eerste schreden in het boekverkopersvak op de Zwolse boekenmarkt. Als verkoper, maar ook, onvermijdelijk, als koper. Hij refereert in zijn column aan zijn bezoek op de vrijdagse boekenmarkt op het Spui en zijn spijt over de niet gekochte Trommius.

Het gebeuren speelt zich af op de Zwolse boekenmarkt rond Pinksteren 1998. Zijn broer Wil Cornelissen (1928-2014) verkocht die dag boeken en maakte daarbij plaats voor Igor die, zoals altijd, een rondje over de boekenmarkt maakte. Twintig jaar later, in 2018, schoof Igor Cornelissen opnieuw aan als boekverkoper en werden wij elkaars kompaan In ’t Wasdom.

Niet onmogelijk dat u binnen afzienbare tijd de Trommius uit onderstaand verhaal  op de vrijdagse boekenmarkt op het Spui aantreft (inclusief een speciale uitgave van onderstaande column). Dat zal dan zijn bij antiquariaat Cornelissen & De Jong in ’t Wasdom.

Over de toekomst van ’t Wasdom schreef Igor in het laatste deel van zijn autobiografische reeks. De laatste zin luidt: “Ik ging in de boekhandel een nieuwe, stralende toekomst tegemoet.” Zie: Mijn opa rookte ook een pijp. Joodse wortels en ander (on)gemak (Cornelissen, 2020, pp. 289-291).

Zo is het en zo zal het zijn op de dag dat de cirkel rond is.

Jaap de Jong


Het was beroerd weer op de boekenmarkt en mijn broer en ik zaten er verkleumd bij. Achter een kraam ditmaal, in de rol van handelaar. De verkoop ging goed, want door de aanhoudende regen waren de kijkers thuis gebleven en hadden de bezoekers zich voorgenomen in ieder geval met iets thuis te komen. De negotie was begonnen door mijn broer die zich, vele jaren geleden, enthousiast meldde toen een koopman in prenten en gravures bij het scheiden van de markt riep wie hem los wilde maken. Zo werd hij een kist met oude stadsgezichten, letterproeven en afbeeldingen van slakken, paddestoelen en schildpadden rijker en negenhonderd gulden armer. Soms verkocht hij een prent, maar de kist bleef toch vooral flink gevuld. Nu en dan maant zijn vrouw hem de handel toch eens serieus ter hand te nemen.

Hij had voor mij een plaatsje aan zijn kraam ingeruimd, zodat ik wat overtollige boeken kon aanbieden en hem kon aflossen. Hij raakte heel wat paddestoelen en schildpadden kwijt. Ik sleet onder meer – alles mild geprijsd – een boek over de buitenlandse politiek van de Sovjet-Unie, een kookboekje over taarten en desserts, een oude roman van Top Naeff, twee dichtbundels van Jaap Meijer en een boek van eigen hand.

Ik had mij ernstig voorgenomen niets te kopen; er liggen wegens plaatsgebrek al boeken op de grond. Dat kostte mij eerst weinig moeite, want om mij heen was het aanbod van Suske en Wiske’s, Konsaliks en Ludlums overweldigend. Maar bij een tweede rondgang stuitte ik op een boek dat ik jaren geleden op de boekenmarkt op het Spui in Amsterdam liet liggen. Spijt knaagde nog maandenlang aan mij. Nu lag de Trommius er weer, de Nederlandsche Concordantie des Bijbels. Een zesde, grondig herziene en veel vermeerdere druk, waarschijnlijk uit 1948. De verkoper vroeg er vijftig gulden voor. Op mijn vraag of hij er nog iets aan deed, zakte hij vijf gulden. Ik hield nog ruim geld over voor het koffiehuis. Deze Trommius stamt uit de bibliotheek van de mij onbekende meneer Th. de Haart in wie ik een predikant vermoed, want hier en daar zijn in de kantlijn in klein, nauwkeurig potloodschrift aanvullingen genoteerd. Ook dat Trommius nog bij zijn leven met een ere-doctoraat is geëerd.

Abraham Trommius (1633-1719) stond als predikant in Haren en Groningen en heeft 28 jaar van zijn leven besteed aan het opschrijven van alle namen, woorden en werkwoorden die in de bijbel voorkomen. Met de verwijzing waar het staat. Hij begint met het woord aalmoes en eindigt met zwijn, zwijnegel, zwijnenbloed en zwijnenvlees.

Een beetje predikant en student in de theologie heeft de Trommius natuurlijk in zijn kast staan. Toen ik de eerste keer over de Trommius las, was dat in verband met Pieter Sjoerds Gerbrandy, de Fries-gereformeerde premier van onze regering in ballingschap. In Londen miste Gerbrandy zijn Trommius verschrikkelijk. Hij voelde zich onthand. Kon het Nederlandse gezantschap in het neutrale Zwitserland hem er aan helpen? Ik wist niet waar Gerbrandy op doelde tot ik de naam opzocht in een encyclopedie. Ik weet niet of de kleine besnorde maar vooral standvastige Fries zijn Trommius nog heeft gekregen, maar aan zijn Bijbel had hij veel houvast. Toen de journalist A. den Doolaard op 4 mei 1945 bij hem binnenliep, trof hij Gerbrandy aan, gebogen boven een oude Statenbijbel, lezend in het boek Job. Toen Den Doolaard een hand op zijn schouder legde, begon Gerbrandy hartverscheurend te huilen. ‘Het heeft ook zo lang geduurd.’

Ik ben geen predikant en studeer ook geen theologie, maar de Trommius is een onmisbaar handboek in dit calvinistische land waar veel voorouders in ieder geval de Statenvertaling op de plank hadden staan en hun spreekwijze doorspekten met uitdrukkingen ontleend aan het voor hen heilige boek.


PS 1 – Door de noeste arbeid van Lou de Jong weten we dat Pieter S. Gerbrandy, premier van het oorlogskabinet in Londen uiteindelijk toch zijn ‘Trommius’ ontving, het naslagwerk dat hij zo miste. Dat gebeurde via Geneve door de bemiddeling van Van Rhyn (Het Koninkrijk, dl. 9, eerste helft, p. 134-135). Dit uiteraard geheel terzijde.

PS 2 – Th. de Haart, eerder eigenaar van ‘De Trommius’ was inderdaad (hervormd) predikant, zoals Igor C. vermoedde. Hij diende de gemeenten in Djakarta, Groningen, Kuinre, Wieringermeer en Bussum en was een ijverig studeerkamergeleerde.

Trommius, Abraham (z.j.). Nederlandsche Concordantie des BijbelsZesde, grondig herziene en veel vermeerderde druk bewerkt naar de origineele uitgave. Rotterdam: A. Voorhoeve.

Nr. 4218. Gebonden in linnen, 1069 pp., 6e druk, met register. Met krantenartikel, met column van Igor Cornelissen (en inleiding JdJ), op schutblad de stempels van de predikant Th. de Haart, met krantenartikel van Maarten 't Hart, zie blog: https://cornelissenendejong.nl/71924/ Niet meer leverbaar.
oktober 23rd, 2021

Op het Spui: tussen genieën en gefnuikte talenten

Gisteren bezocht ik de Amsterdamse boekenmarkt op het Spui. Het was aangenaam toeven bij de boekhandelaren, tussen genieën en gefnuikte talenten. Ik kocht het privé-domein deeltje Memoires van Boontje, vooral vanwege de herinneringen van Louis Paul Boon aan Nico Rost (1897-1967). Die leerde hem hoe je een reportage moet schrijven. Boon, wiens dood voorkwam dat hij de Nobelprijs ontving, tekent Rost treffend: “zwaar, breed, en als hij zijn hand uitstrekte, was het als een bijl waarmee men bomen uithakt”.

Rost verzette zich tegen het fascisme, maar werd later door zijn voormalige communistische vrienden genegeerd en uit de partij gezet. Naast dat verlies werd hem tot drie keer toe zijn zorgvuldig opgebouwde bibliotheek ontnomen.

Het was Nico Rost die Boon in contact bracht met een dorpsmeisje uit Dochamps, die tijdens de oorlog een Duits lief had, met de komst van de Amerikanen een Amerikaans lief en met het Ardennenoffensief nog eens een dubbele wissel. Nu keek haar geen enkele jongen uit de streek meer aan. Eenzaam, door iedereen vergeten en door niemand meer bekeken dwaalde ze door stukgeschoten dorpen. “Reportage nummer twee”, zei Nico Rost tegen Louis Paul Boon.

Bezag Rost zichzelf misschien een beetje als was hij het dorpsmeisje uit Dochamps die door niemand meer ten dans werd gevraagd?

Na het bezoek van de boekenmarkt liep ik met een vriend naar De Ysbreeker. Daar kwamen vroeger veel ontheemden en ventende profeten als Wijnkoop en Wibaut. Misschien bezocht Joseph Roth tijdens zijn Amsterdamse jaren dit café ook wel, zo mijmerde ik, onderwijl kijkend naar het fijne lijnenspel op een van de muren van De Ysbreeker: Jugenstil, waarmee men de sfeer uit de jaren twintig en dertig probeert na te bootsen. Ik trakteerde, want had juist een roman van Joseph Roth verkocht. Het was immers passend en juist en in de geest van Roth om het verdiende direct in alcohol om te zetten.

Aan de overkant verdwijnt een mager zonnetje achter het linkertorentje in de Pijp. Daar, in de Pijp, in een van de twee torentjes woonde eerder de gewaardeerde columnist Stephan Sanders. Misschien woont hij er nog steeds, zegt mijn vriend, die bijna alles weet: “want wie verhuist immers vrijwillig van een plek waar je de zon, als hij schijnt, in de Amstel kunt zien schijnen?”

Nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, ook van Louis Paul Boon, Nico Rost en de schrijvers Roth.

 

PHP Code Snippets Powered By : XYZScripts.com