in 't Wasdom

Antiquariaat Cornelissen & De Jong – Zwolle
december 10th, 2012 by Jaap de Jong

Over de schoonheid van het kennen

Naar aanleiding van het lezen van Nihilisme en Cultuur van Goudsblom dwaalde ik vanavond, hoe kan het anders, in Nietzsche’s Werke (editie Karl Schlechta, 3 dln.). Was bezig na te gaan of de interpretatie van Spinoza door Nietzsche, zoals weergegeven door Goudsblom, klopte met mijn lezing.

Daarbij kwam ik moois tegen en dat geef ik door.

Nietzsche stelt Spinoza en Pascal boven Kant. Vooral omdat hun denken tegelijk een biografie van hun ziel is: eine leidenschaftliche Seelen-Geschichte. Bij Kant zijn geen ‘Krisen, Katastrophen und Todesstunden zu erraten.’ (I, 1241). Die woorden gelden zeker wel voor Pascal, misschien meer nog dan voor Spinoza. Toch, zou het Theologisch-politiek traktaat van Spinoza denkbaar zijn geweest zonder zijn verbanning uit de synagoge? Ik denk het niet. En juist in de Ethica poogt Spinoza de emoties te beheersen door ze onder de zweep van de rede te leggen. Voor de dichter Herman Gorter – ook vertaler van de Ethica – lag juist daarin het aantrekkelijke van Spinoza.

In het kennen, in de bezigheid van een welgeoefend en vindend verstand ligt het hoogste geluk, schrijft Nietzsche. Het is de ervaring van puur genot. En dat genot is, zo schrijft N. niet te vinden in de intuïtie of in het visioen van de mysticus, noch ook in het scheppen van de ambachtsman (I, 1270). Het is de ervaring van schoonheid, de schoonheid van het doorbrekende inzicht, van het weten. Kennis is een vorm van liefde en in het begrijpen wordt geluk ervaren. En zo oordeelde ook Descartes en Spinoza, stelt Nietzsche iets verder.

Ooit kwam ik dat geluk tegen bij de stukadoor Hendrikus Keijzer die de 270 stellingen van de Ethica uit het hoofd leerde. Behalve dan de allerlaatste, maar hij wist wel waar die over ging. Zij gaat over de blijdschap die je ervaart, zo zei hij, ‘de blijdschap die je ervaart als je Spinoza begrepen hebt.’ De stukadoor Keijzer beschreef het bijna als een openbaring en misschien is dat het ook wel. Aan een kennen dat gepaard gaat met inzicht, aan begrip, kan men zich overgeven. En in die overgave, in dat bekennen, openbaart zich misschien wel iets van het sublieme.