in 't Wasdom

antiquariaat Cornelissen & De Jong – Zwolle

Archive for the ‘Aantekeningen van een antiquaar’ Category

april 12th, 2021 by Jaap de Jong

Ronit Palache over Rubinstein, de Meijers, vriendschap en nog wat dingen. Een podcast

Renate Rubinstein (1929-1990) en Ischa Meijer (1943-1995) waren bekende journalisten in de tweede helft van de twintigste eeuw. Onder het pseudoniem Tamar schreef Renate Rubinstein columns in Vrij Nederland. Haar stijl was persoonlijk, helder en beknopt. Van haar jongere collega Ischa Meijer wordt wel gezegd dat hij de beste interviewer van Nederland ooit was. Ook wel dat hij vooral zichzelf beschreef in het portret dat hij van anderen gaf.

Hoe verhield Renate Rubinstein zich tot Friedrich Weinreb (1910-1988) en welke rol speelde haar vader daarin? Wat is dat toch; wat willen we wel en niet geloven en wat heeft die zelfmisleiding te maken met ons geheugen? Kan Rubinstein ons iets leren als het gaat om de balans tussen onafhankelijkheid en meebewegen en wat dan wel?

In deze podcast praten Igor Cornelissen, Ronit Palache en Jaap de Jong over het journalistieke werk van Renate Rubinstein en Ischa Meijer. De bewondering die Ronit heeft voor de visionaire blik van Renate en haar kritische kijk op de politiek, haar onafhankelijkheid, maar ook haar ambivalentie. We praten over vrijheid en onafhankelijkheid, maar ook over de grenzen daarvan. Over de liefde tussen Renate Rubinstein en Simon Carmiggelt. Igor Cornelissen ontdekte na de dood van Carmiggelt dat Renate Rubinstein en Simon Carmiggelt meer met elkaar deelden dan de liefde voor het woord.

Dat niet alleen; er komt nog veel meer op tafel, zoals de vriendschap tussen Jaap Meijer (1912-1993) en Igor Cornelissen en zijn verhouding tot Ischa. Wat is voor hen belangrijk in die vriendschap en waarom eigenlijk?

De muziekmontage van de podcast werd verzorgd door Sacha Boulogne van AppStudio.nl. Het boek Bange mensen stellen geen vragen is verkrijgbaar in de betere boekhandel en bij antiquariaat Cornelissen & De Jong (gesigneerd op 10 december 2020 in ‘t Wasdom).

Beluister hier de podcast!

april 11th, 2021 by Jaap de Jong

Liefdes Kronkelpaden

De afgelopen dagen gingen er duizenden boeken door mijn handen. Heel veel schoons en ook veel dat bijzonder is. Een van de meer bibliofiele boekjes – en niet in de handel – betreft het verhaal dat Igor Cornelissen schreef over J.A.N. Knuttel (1878-1965). Ik las het gisteravond voor aan de geliefde en bedacht toen dat ik Knuttels wederwaardigheden wel openbaar kon maken.

Igor interviewde de Neerlandicus, nudist en communist dr. J.A.N. Knuttel op een snikhete zomerdag in 1963. Ruim vijftig jaar spreekt hij zijn spijt uit over de door hem gemiste kansen: te veel politiek, te weinig literatuur. En Knuttel kende nogal wat schrijvers. Geen kleinen, maar groten: J.H. Leopold, Herman Gorter, Vondel en Bredero. Kortom, een hemel vol. Hij beschreef het eerder in Vrij Nederland:

“Ik had Knuttel helemaal niets moeten vragen over zijn politieke opvattingen. Hij had mij een prachtig verhaal kunnen vertellen over zijn jeugd, zijn studiejaren, zijn korte periode als leraar Nederlands aan het Rotterdams gymnasium en – vooral – over zijn eerste liefdes” (Vrij Nederland, 16 december 1989).

Knuttel was een lyricus, geen purist. Hij hield van een goed glas wijn en na twee of drie glazen had hij vast iets losgelaten uit een goudmijn aan anekdotes en bijzonderheden, bijvoorbeeld over de liefdesgeschiedenis die zich tussen hem en zijn leerlinge Nyza de Jong ontwikkelde. En over zijn dromerijen waarover hij schreef in de bundel Verzen aan N. de J.:

Jouw lijf naast het mijne, en zoo maar te hopen/En om ons de dingen, wier doen we niet zien,/Alleen te verlangen, niet week’lijk te hopen: aan ons is het nemen, geen wachtend “misschien”.

Knuttel lag nooit met zijn leerlinge Nyza in het hete zand. Hooguit was de wens de vader van de gedachte of in elk geval van het gedicht, maar toen hij op 25 mei 1905 met rode rozen op weg ging om Nyza met haar zeventiende verjaardag te feliciteren ging het mis en moest hij zich verantwoorden voor de rector en het curatorium. Hij kreeg het advies ontslag te nemen, waaraan Knuttel gehoor gaf. Nog geen twee jaar later maakte hij kennis met de Zwolse Maartje Visser – toen nog getrouwd met Henk Sneevliet en wist haar voor zich te winnen. Of beter: zij hem. Ze trouwden in november 1908.

De liefde of beter de roman Liefdes Kronkelpaden hield Knuttel intussen wel in de ban. In 1907 verschijnt bij W.L. & J. Brusse Liefdes Kronkelpaden. De roman van een jongen. Het boek verschijnt onder het pseudoniem K.T. Nieulant. In de tweede druk wordt aangegeven dat het boek van J.A.N. Knuttel is. Knuttel thematiseert in zijn roman de relatie tussen gevoel en verstand. Verschillende recensenten prijzen zijn inzicht in de psyche van de vrouw, maar in zijn roman schemert ook de liefde door voor de natuur, de zee, het strand en de fysieke aanraking. Knuttel was een overtuigd nudist en wilde het liefst zonder knellende kleding dichter bij de natuur komen.

Ik besluit met een citaat uit Liefdes Kronkelpaden. Dat deed mij denken aan de laatste zin uit Arthur Koestler’s Nacht in de middag, maar dat is een ander verhaal.

“De zee lag rimpelloos te droomen, bleef zich wonder gelijk tot een dampigen horizon en dat gezicht reeds gaf zekeren vrede. Hij voelde dat hij van de zee hield. Zóó in deze sombere, dreigende stilte en ’t was of zijn armelijk leed smolt in een veel grooter, dat door zijn eigen schoonheid tot geluk werd, of hij in juichtonen van uitrijzen boven lijden de oneindig verdiepte wateren zou willen groeten.”


Nieulant, K.T. [pseudoniem voor J.A.N. Knuttel](z.j.). Liefdes Kronkelpaden. De roman van een jongen. Rotterdam: W.L. & J. Brusse. Rug kwetsbaar en deels loslatend, kwetsbare omslag, binnenwerk uitstekend (nog niet losgesneden), 2e druk, 226 pp., rode en zwarte belettering. Zeer zeldzaam, niet in de handel.

Knuttel, J.A.N. (1991). Verzen aan N. de J. Rotterdam: Uitgeverij Ordeman. I.z.g.st., 48 pp. beperkte oplage (250 ex.).

In combinatie met Liefdes Kronkelpaden € 195,00 (incl. pak- en verzendkosten binnen Europa). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

april 7th, 2021 by Jaap de Jong

Heet van de naald. Over Max de Jong, de hospita en de tollenaar

Met Pasen vertelde mij een vriend uit Amsterdam dat ik Heet van de naald van Max de Jong zou moeten lezen. Nog geen dag later trek ik de bundel uit de nalatenschap van Igor uit de kast. En begin het staande te lezen om niet meer op te houden. Het zoemt nog steeds na in mijn hoofd.

Het is een lang, tragisch liefdesgedicht van 91 strofes van vier regels. Het leverde Max de Jong (1917-1951) roem en faam op. Tot op de huidige dag. Het gaat om een romanticus toevend in kamers, volgeladen met boeken die hij van een lastige hospita moet verlaten omdat hij zich niet houdt aan de geschreven en ongeschreven regels. Oorlogen voert hij met haar. Oorlogen die hij dan wel wint, maar wat dan wel met zich meebrengt dat hij “doorgaans op een opgezegde kamer woon – die woningnood is een bezoeking / en verhuizen is ook haast niet te doen met al die boeken! Ik snak er naar”.

Ik deel niet alleen de achternaam met Max. Ook ik moet verhuizen met tienduizenden boeken, net zoals mijn mede kantoorgenoten. Niet van een hospita, maar van een projectontwikkelaar; een soort tollenaar, maar niet eentje die zich, in de Zacheüs-positie, schuilhoudt in een boom.

“Jammer is zo iets”, luidt de laatste regel van het gedicht

Dat is ook zo.

Los van dit alles beschik ik over een unieke uitgave van de bundel, een nog niet bekende variant van Van Oorschot. Het ziet er anders uit dan de haar bekende eerste druk van de bundel, zo mailde Marsha Keja (literair onderzoekster & kenner van het oeuvre van Max de Jong) mij. Na het 29 bladzijden tellende boekje is een gedicht (in handschrift) van de criticus N.A. Donkersloot (1902-1965) afgedrukt. Het gaat om Le Jongleur de Notre-Dame (uit 1934). Ook het formaat wijkt af van die van de eerste druk. Verder weet ik toevallig dat Geert van Oorschot met de naoorlogse papierschaarste kampte. Heeft het daar iets mee te maken?

Jong, Max de (1946). Heet van de naald. Amsterdam: G.A. van Oorschot. I.z.g.st., met rode belettering op voorplat en titelpagina, 29 pp. Mede ingenaaid (laatste pagina): een handschrift van Le Jongleur de Notre-Dame (van N.A. Donersloot). Omslag met flappen, afwijkend formaat van reguliere 1e druk. Nog niet te koop, behalve dan tegen een zeer aannemelijk bod. Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

april 4th, 2021 by Jaap de Jong

Licht dat blijft

Zaterdag een lading kunstboeken en reproducties uit een opbergplaats gehaald, gesorteerd en naar het antiquariaat gebracht. Tussen veel ander moois (zoals Millet Mappe – Feuerbach Mappe) vond ik ook een studie over de wordingsgeschiedenis van De aardappeleters van de hand van de kunsthistoricus J.G. van Gelder (1903-1980). Dat verhaal interesseerde mij en niet zonder reden. In de jaren zeventig bezocht ik met mijn familie het Kröller-Müllermuseum. Wij gingen voor het eerst op vakantie en kampeerden in de achtertuin van een tante en oom die op de Veluwe woonden. Het regende die zomer alsof het november was. Alles nat in Nunspeet, dus naar het museum om op te drogen. Ik was nooit eerder in een museum geweest. Dat is logisch, kunst is ijdel vermaak.

Kort voor vertrek uit het museum mochten we een plaat uitzoeken. Ik koos voor De aardappeleters, een schilderij van Vincent van Gogh (1853-1890) uit de beginjaren van zijn carriere, toen hij Jean-François Millet (1814-1875) bewonderde. Millet legde het boerenleven vast en Van Gogh kopieerde hem. (verg. bijv. De Zaaier). Maar dat wist ik toen niet. De reproductie van De aardappeleters hing jarenlang boven mijn bed. Mijn keuze werd, denk ik, ingegeven door het licht dat boven de tafel hing en het vriendelijke gelaat van de boer die zijn, zo lijkt, wat somberende vrouw de melk aanreikt. Het contrast tussen het licht en de somberte. Tussen wat nog jong en dat wat ouder is, ja zelfs de verwelking nabij. Waarschijnlijk zou ik nu een volop bloesemende & bloeiende amandeltak met blauwe achtergrond kiezen. Van Gogh wees mij een uitnemende weg: vanuit het donker naar het licht. Contrast.

De kunstkenner Van Gelder bestudeerde voor zijn opstel ook de brieven van Van Gogh die, zoals iedereen weet, beter schrijft dan dat hij schildert. In een brief aan Anthon van Rappard (1858-1892) vertelt Vincent: “Ik schilder tegenwoordig niet alleen zoolang ’t licht is, doch zelfs ’s avonds bij de lamp, in de hutten, als ik ternauwernood iets op mijn palet kan onderscheiden, om zoo mogelijk iets te vangen van de eigenaardige effecten van verlichting ’s avonds, met bv. een groote slagschaduw op den muur.”

Het motief van het wroetende boerenleven, de lichtheid en de zwaarte, herhaalt Van Gogh. Zoals ook in 1885 als hij de half afgebroken toren op het kerkhof in Nuenen schildert. Het was in het jaar dat zijn vader stierf. “Ik heb willen zeggen”, zo schrijft hij zijn broer Theo, “hoe doodeenvoudig het sterven en begraven gaat, doodleuk als ’t afvallen van het herfstblad (…) hoe echter het leven en sterven der boertjes almee ’t zelfde is en blijft, gelijkmatig uitspruiten en verwelken als ’t gras en de bloempjes die daar wassen op dien kerkhofgrond. Les religions passent, mais Dieu demeure.” Het strak realisme, zoals dat van Anselm Feuerbach (1829-1880) was uit de mode. Maar met zijn techniek, palet en penseel kreeg de anatomie van het landleven het accent dat openbaart. En zo spreekt Van Gogh liegend de waarheid.

Contrast, continuïteit en verandering, bloei, verwelking, dood en opstanding. Veranderende vormen. Het licht blijft.

Gelder, J.G. van (1942). De genesis van de aardappeleters (1885) van Vincent van Gogh, in: Beeldende kunst. Maandblad onder redactie van A.M. Hammacher, J.G. van Gelder en Paul Haesarts. Jaargang 28, 1942, aflevering 1, pp. 1-8. Met acht losse platen  (compleet). Gaaf exemplaar, zeldzaam. € 22,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Millet Mappe. Herausgegeben vom Kunstwart. Kunstwart-Verlag bei Georg D.W. Callewy in München. 11 Tafeln (zw./w.), ca. 1920: Die Scholle - Der Säemann - Der Frühling - Aehrenlesserinnen - Gebetläuten [ontbreekt] - Der Manne met der Hacke - Die Schäferin - Küh an der Tränke [Holszschnitt von Baude] - Die Wasserschöpferinnen - Der Wildvogelzug - Der Tod und der Reisigträger - Die Kirche von Gréville. € 30,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

april 2nd, 2021 by Jaap de Jong

Wie was Jezus? Over de Jezus van Den Heyer, Schweitzer en Van Messel

Eergisteren overleed Cees J. den Heyer (1942-2021). Twintig jaar geleden las ik een paar van zijn boeken: over 150 jaar Jezus-onderzoek, over verzoening en – als laatste – zijn autobiografie Ruim geloven. Een theologisch zelfportret. Den Heyer was voor mij de hekkensluiter, na Albert Schweitzer, Herman Wiersinga, Harry Kuitert en nog een paar anderen.

Schweitzer vond ik de meest fascinerende man: filosoof, theoloog, arts en een liefhebber van Bach over wie hij een technisch-muzikale biografie schreef.  Dat hij piano speelde in het oerwoud bij Lambarene – Chopin’s Nocturnes uiteraard [maar dat heb ik niet gecheckt] – vond ik fascinerend. Bovendien bespeelde hij in 1932, toen hij tijdens zijn reis door Europa Zwolle aandeed, ook het Schnitgerorgel. Ongetwijfeld tot genoegen van zijn vriend Gerardus Horreüs de Haan (1879-1943), de rode dominee, die hier als predikant actief was en op Groot Wezenland woonde. Maar Schweitzer schreef ook een baanbrekend onderzoek over Jezus, promoveerde later nog eens als filosoof. Misschien dat hij in zijn filosofie Eerbied voor het leven nog wel het beste demonstreerde dat hij iets begreep van wat het ding van Jezus was.

Na het lezen van Den Heyer was ik wel zo’n beetje klaar met de theologische dogmatiek. Het was een lange weg: van de gereformeerde dogmatiek van G.H. Kersten tot Kuitert’s Algemeen betwijfelde christelijk geloof. Ik was weer terug bij wie ik was als achttienjarige jongen die tegen zijn vader zei dat het allemaal wel mooi en aardig was die godsdienst, die hemel of die hel, maar dat mijn portie wel naar Fikkie kon als het in het hier en nu niks uitwerkt.

Met Jezus had ik nooit zo veel. Zo zoet, zo weeïg als hij meestal werd afgeschilderd. Wel met God die bij mij nooit een baard droeg. Van Hem weet ik natuurlijk veel minder dan de predikers die ik over Hem hoorde. Alleen dat Hij het ontoegankelijk licht bewoont; dat Hij toeft aan de rand van het naderbare en is in het ruisen van de moerbeitoppen. Dat zijn Zijn -wat het ook is – het allermooist verfilmd werd in Reygades’ Stellet Licht, een verhaal dat speelt in Mexico en opgenomen is met Mennonitische amateur-acteurs. De existentialistische thematiek heeft veel weg van Ingmar Bergman. En dan is er de prachtige filmstijl: adembenemend is de beginscene: het lichtende licht. Dat is genoeg.

Den Heyer was zijn leven lang bezig met het thema die de grote dichter Saul van Messel in een A-viertje samenvat, maar dan van een andere, niet-christelijke, zijde. Wie was Jezus (als jodenjongen)?

Bloed-verwant / envoi – wij noemden hem doodgewoon jeizele/dat klonk grover dan jesulein/de tole heette ook wel thuis: de gehangene aan het kruis // toen ik later bij klausner las / hoe hij als jodenjongen wel was/heb ik dat nauwelijks bevat/binnen het raam van mijn jiddisjkat/hoelang dacht ik was het geleden/dat hij op nieuwjaar was besneden/wie fungeerde als mool/als gevatter/wie zong toen de geijkte gebeden. Uit: Saul van Messel (1988) – Golgotha met rente. Joodse jezus-poezie. Heemstede: eigen beheer.


Heyer, C.J. den (1997). Verzoening. Bijbelse notities bij een omstreden thema. Kampen: Kok - Heijer, C.J. den (2000). Ruim geloven. Een theologisch zelfportret. Zoetermeer: Meinema - Heijer, C.J. den (1996). Opnieuw: Wie is Jezus? Balans van 150 jaar onderzoek naar Jezus. Zoetermeer: Meinema. Alle boeken in goede staat. Wat leesvouwtjes in de rug, verder geen gebruikerssporen. € 35,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

maart 31st, 2021 by Jaap de Jong

Uit één lap gescheurd: Schulte Nordholt en Ernest Renan

Gisteren las ik de biografie van Johannes Tielrooy (1886-1953) over Ernest Renan (1823-1892). Ik dacht bij het lezen van de titel direct aan een gedicht van Jan Willem Schulte Nordholt (1920-1995): Verlegen met mijn god. Ik las het voor het eerst in de jaren negentig en het gaf mij toen precies wat ik nodig had.

Ook ik kan wel als Strauss en als Renan/en zoveel andere geleerde heren/het vreemde fenomeen analyseren/de fabels en parabels van de man/die door het koren liep in Kanaän.

Het gedicht – waarvan ik niet weet of het credo quia absurdum van Tertulianus de boventoon voert en het humanisme de ondertoon of juist omgekeerd – eist naast kennis, die ontmythologiseert, de plek op voor emotie en het menselijke. Het al te menselijke: dat wij stervelingen zijn. Dat zou bescheidenheid moeten leren.

Historisch is het ook wel te verstaan/de oude mythe kan men er in horen/een god wordt gaarne uit een maagd geboren/doet wonderen en sterft zoals het graan/om als het graan weer op te staan.

Johannes Tielrooy schreef in 1948 een zeer leesbare ‘biografie’ over Ernest Renan, hoewel veel is weggelaten. Renan had in de jaren zestig een groot bereik met zijn La Vie de Jesus (1863). Het werd in het Nederlands vertaald en was een bestseller in de eerste jaren van de opkomst van de moderne theologie. De jaren dat men zelfs bij de bakker en de kruidenier debatteerde over de al dan niet lichamelijke opstanding van Jezus. De filosoof Opzoomer schreef overigens dat Renan in zijn biografie nog te veel over Jezus beweerde.

Een paar jaar later schreef Tielrooy in een artikel in De Nieuwe Stem (1950) over de contacten van Renan met Nederland, die met de uit Nederland afkomstige Cornelie Scheffer was getrouwd. Renan ontmoette onder meer koningin Sophie (1818-1877), die net als hij, sterk geïnteresseerd was in het werk van Spinoza. Bij haar dood schreef Renan het In memoriam, dat in meerdere Nederlandse kranten verscheen.

Johannes Tielrooy behoorde tot de factie van het humanisme die zich sterk afzette tegenover het christendom. Ik begrijp dat wel, maar vind het wat moeilijk te verstaan. Ik heb meer met de ondogmatische verlegenheid van Schulte Nordholt, geboren vanuit besef dat wij allen uit één lap zijn gescheurd.

Dan ben ik niet verlegen met mijn god/dan is hij vlak bij mij, dan weet ik zeker/dat hij mij aankijkt uit de donkre beker/dat eet ik zijn genadebrood/dan leef ik van zijn dwaze dood.

Zo min als er een humanisme is zonder humanisten is er ook geen christendom zonder christenen, maar toch blijf ik er bij dat het christendom een humanisme is.


Tielrooy, J. (1948). Ernest Renan. Een groot humanist. Amsterdam: EM. Querido. Gebonden in linnen met gouden belettering op rug en logo uitgever op voorplat. Met omslag (licht besch.). 179 pp., met bibliografie. € 22,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

maart 27th, 2021 by Jaap de Jong

Zwolse mosterdsoep en het bruggetje van Six. Over schoonheid

Toen ik gisteravond de voordeur opende rook ik onmiddellijk wat mij gelukkig maakt: de geur van Zwolse mosterdsoep, klaargemaakt door de geliefde. En ik herinnerde mij het verhaal over de knecht die tijdens een bezoek van Rembrandt aan burgemeester Six werd weggestuurd om ingrediënten te halen voor het middagmaal. Men wilde aan tafel gaan toen men tot de ontdekking kwam dat de mosterd ontbrak. De burgemeester stuurde een knecht naar het nabijgelegen dorp om mosterd te kopen. Rembrandt ging hierop met Six een weddenschap aan, dat hij een ets zou voltooien vóór de knecht met zijn mosterd terug was. Het bruggetje van Six was het resultaat en Rembrandt won de weddenschap.

Ik was gisteren bezig met het invoeren van een groot aantal kunstcatalogi, waaronder die van de Tentoonstelling van Oude Kunst (Rijksmuseum Amsterdam, 1929) met prachtige werken uit de zeventiende eeuw. In de catalogus trof ik ook de naam van Bernard Houthakker (1884-1963), één van de belangrijkste Amsterdamse kunsthandelaren uit de twintigste eeuw. Zijn zoon Lodewijk (1926-2008) nam de zaak later over. Ik heb hem eens ontmoet toen ik als twintiger bedremmeld in zijn galerie (Rokin 98) naar de tekeningen en prenten keek. Het bruggetje van Six zat er niet bij, dat hing in het British museum.

Lodewijk Houthakker was een aardige man, daar kon ook de journalist Henk Hofland (1927-2016) [pseud. S. Montag] over mee praten. Toen Hofland eens in somberte over het Spui liep kwam hij Houthakker tegen. Kom mee, zei Houthakker, ik zal je iets laten zien waar je van opkikkert en troonde hem mee naar zijn galerie waar hij hem een grote gravure liet zien. Het ging om de achtersteven van het vlaggenschip van Lodewijk XIV. Ze bewonderden het vakmanschap van de kunstenaar en het optimisme van de scheepsbouwer. Daarenboven schonk Houthakker hem ook nog een glas sherry. Kortom, er was weer leven op aarde, schrijft S. Montag. Zoiets had ik ook toen ik gisteravond bij binnenkomst de geur van de mosterdsoep van mijn geliefde rook. Ik vergat onmiddellijk de Haagse politieke slangenkuil.

Onder de in te voeren catalogi zat er ook een over Hans Memling, prominent schilder van de Vlaamse Primitieven, over wiens werk in 1939 een overzichtstentoonstelling werd gehouden (Brugge). In de catalogus zit een krantenartikel met de titel Memling, de Vlaamsche schilder, die het paradijs op aarde bezat. Het artikel is van 23 augustus 1939, de dag dat het Duits-Russische niet-aanvalsverdrag werd getekend (Molotov-Ribbentroppact). De Delftsche Courant bespreekt de tentoonstelling op juichende toon. Terecht, want Hans Memling is een grootheid; dat is mij na een middag kijken wel duidelijk. Lezers worden opgeroepen de tentoonstelling te bezoeken: “Kunstliefhebbers uit alle landen en zij die het verstikkende materialisme van onzen tijd ontvluchten voor hoogere waarden van kunst en cultuur zullen van deze eenige gelegenheid gebruik willen maken om Memlings werk te bewonderen, dat als synthese kan worden beschouwd der roemrijke Vlaamsche schilderschool.”

Schoonheid overleeft alles, nou ja: veel. Zelfs het verstikkende neo-liberalisme van onzen tijd.


Davis, Martin (1963/'64). Les Primitifs Flamands. Corpus de la Peinture des Anciens Pays-Bas Merionaux au XVe Siecle. Fasciules 6-13. The National Gallery London [two volumes]. Antwerpen: De Sikkel. I.g.st., hardcover, gave exemplaren. Gebonden, geill., met bibliografie en verantwoording. € 115,00 (incl. pak- en verzendkosten binnen Europa). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, ook over kunst.

 

maart 25th, 2021 by Jaap de Jong

Over Gauguin en een brief van Strindberg

Vanmiddag een uurtje boeken invoeren: over architectuur en kunst. Een mens moet tenslotte iets met zijn leven. En de Haagse politiek heeft weinig met verheffing, dus moeten we het zelf doen.

Met de kunstenaar Gauguin heb ik weinig. Goed, het is een kleurrijk schilder, maar zijn modellen keren je de rug toe (zoals hier op het omslag) of de door hem geschilderde gezichten hebben nauwelijks uitdrukking. Het is alsof zij geen ziel hebben. Hoewel, het moet worden gezegd, die mensen ook bestaan. En verder plukken de door hem afgebeelde mensen altijd bloemen of zijn anderszins aan het luieren. Gauguin was een kennis van Van Gogh – die wèl goed met kleuren kon omgaan – en beide schilders leefden enige tijd samen in Alres. Het was altijd ruzie tussen die twee. Volgens een Duits onderzoek zou Gauguin in dat jaar het oor van Van Gogh met een zwaard hebben afgehakt, maar er werd afgesproken dat de toedracht geheim zou blijven om vervolging van Gauguin te voorkomen. 

In het aangeboden boek is een brief van August Strindberg opgenomen (en ook van Andre Gide). Hem werd verzocht een aanbeveling te schrijven. Strindberg weigerde dat en schreef dat hij de kunst van Gauguin niet begreep en en er ook niet van hield. Wel keek hij met diepe sympathie naar het schilderij van de ‘Arme visser’, die gespannen zijn vangst verbeidde. Maar hem stoorde de doornenkroon van de visser. Strindberg hield niet zo van doornenkronen en ook niet van Christus: “Monsieur, ik haat ze werkelijk, dat moet duidelijk worden gezegd. Ik wil niets met deze deerniswekkende God te maken hebben, die tegenslagen accepteert. Mijn god, dan nog liever de Vitsliputli, die in het zonlicht de harten der mensen verslindt.” Toch opvallend, ik meende dat Strindberg het lijden zag als loutering en het leven met het lijden als een mystiek gebeuren dat ons is opgelegd. Het is een en al schuld en boete bij Strindberg. Ik hou, denk ik, wel van de visser en ook wel van die doornenkroon, zolang ik die tenminste niet zelf hoef te dragen.

Ik begrijp best dat u het boek van Cogniat na deze aanbevelingen niet meer wilt kopen. Toch staan er ware dingen in en mooie brieven, want Strindberg en Andre Gide schrijven goed.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, ook over kunst. Interesse? Neem contact met ons op. 

maart 18th, 2021 by Jaap de Jong

Kennis is liefde. Igor Cornelissen in zijn eerste en laatste vlog over Van der Lubbe

Eind februari 2021, ruim twee weken voor zijn overlijden, sprak ik met Igor Cornelissen over Marinus van der Lubbe (1909-1934), de werkloze metselaar die in 1933 het gebouw van de Rijksdag in brand stak om het tegenovergestelde te bereiken van wat hij hoopte en beoogde; de revolte van de arbeiders tegen het oprukkend fascisme.

Die daad moest Marinus van der Lubbe – hij was nog geen vijfentwintig jaar oud – met de dood bekopen. Willem Elsschot (1882-1960) schreef in 1934 een gedicht over zijn dood en terechtstelling. En vergat de dag der wrake niet.

Jongen, met je wankel hoofd / aan den beul vooruit beloofd / toen je daar je lot verbeidde / stond ik wenend aan je zijde. (…) Moog je geest in Leipzig spoken / tot die gruwel wordt gewroken / tot je beulen, groot en klein / door den Rus vernietigd zijn.

Het was de bedoeling om met Igor en anderen vlogs over boeken te maken. Dit was de eerste (proef)opname van een voorgenomen serie vlogs met als enig criterium dat de inhoud van de besproken boeken ons interesseert.

Igor was iets nieuws op het spoor rond Marinus van der Lubbe, te weten de naam en de levensgeschiedenis van de Hongaarse die hem, een sportieve aantrekkelijke twintiger, wel wilde helpen om van Calais naar Dover te zwemmen (met geld, een volgboot en een masseuse). Er was vijfduizend gulden aan prijzengeld beschikbaar. Geld dat Marinus zou besteden aan de zaak van de arbeiders. Het kwam er niet van, maar Marinus droeg de rest van zijn leven haar verkreukelde foto met zich mee. Wie was zij en wat was haar rol in het leven van Van der Lubbe?

Het gaat hier om kennis van het detail – misschien minder nog dan een druppel in een onmetelijke oceaan – maar in dat detail openbaart zich het ganse leven. Mits goed opgeschreven natuurlijk. Kennis – ook of juíst van het detail – is liefde. “Ik wil het weten en ik ben het aan hem [=Marinus van der Lubbe] verplicht”, zei Igor tegen mij.

Niet alleen Van de Lubbe komt in dit gesprek aan de orde, Igor vertelt ook over zijn relatie tot Jef Last (1898-1972), over wie onlangs een biografie verscheen en geeft zijn mening over het journalistieke métier, waarbij hij zijn bewondering voor Philip Mechanicus (1889-1944) niet onder stoelen of banken steekt.

Bekijk hier de opname

maart 14th, 2021 by Jaap de Jong

“Hoe verder ik er vanaf raak, hoe dichter ik er bij kom.” Igor Cornelissen (1935-2021)

Toen ik Igor Cornelissen op een zomeravond in juni 2018 voor het eerst ontmoette – we keken uit op zijn tuin – vertelde hij mij dat er geen onkruid bestaat: “alles heeft een doel en er groeit niets voor niets, al is het maar om de luiwammesen onder ons aan het werk te zetten.” Ik kreeg een reprimande na mijn opmerking dat er toch wel erg veel onkruid in zijn tuin stond. We raakten die avond niet uitgepraat. Later vertelde ik hem mijn jongensdroom: een eigen antiquariaat. “Doe het nu” zei hij, “ik zal je op alle mogelijke manieren steunen.” Nog geen jaar later zaten we samen op het Dominicanenklooster in antiquariaat ’t Wasdom.

Igor droomde stiekem van een antiquariaat in de Thomas à Kempisstraat met een echte winkelbel en mooie houten boekenkasten – liefst uit de jaren dertig. Een etalage ook, boordevol met boeken. De keuze voor de Thomas à Kempisstraat was, denk ik, niet toevallig. Op loopafstand van Igor en ooit woonde daar de bakkerszoon Meindert Boss, de Zwolse schrijver J.K. van Eerbeek [pseud.], over wie Igor een prachtig boekje schreef: Borgtochtelijk lijden. Van Eerbeek, die in zijn boeken door nauwkeurig observatie van anderen de eigen innerlijke strijd op tafel legt: voor of tegen de waarheid? Wat betekent waarheid of het woord eigenlijk nog als het niet wordt waargemaakt? Meer nog, wat gebeurt er met mensen als de twijfel toeslaat, twijfel aan het systeem waarin hij eerder woonde? Igor was mateloos geïnteresseerd in mensen die in de marge geraakten. Die interesse hadden wij gemeen en we reflecteerden er ook graag over. Igor citeerde in dit verband met regelmaat Jaap Meijer: “hoe verder ik er vanaf raak, hoe dichter ik er bij kom.”

Dat antiquariaat waar Igor van droomde mocht ook wel in de Sassenstraat staan, op loopafstand van cafe De Hete Brij van Elles. Hij zou dan op woensdag- of vrijdagmiddag de scepter slaan. Op de achtergrond misschien wat jazzmuziek of Bach of helemaal niets. Dat laatste was eigenlijk wel het beste: een mens komt in een boekhandel voor boeken en in het café om te praten en wat te drinken, niet om onder de muziekvoorkeuren van anderen te lijden.

Vorige week vrijdag, tijdens een wandeling in de tuin van het Dominicanenklooster noemde hij me de namen van de bloemen, wees met zijn stok naar de nectar en vertelde me dat hij de hommel miste. Igor had oog voor het detail. Ik hou daar van: “der Herr Gott steckt im Detail.” Igor zag uit naar de lente. Na onze wandeling sprak hij in antiquariaat ’t Wasdom enthousiast over Marinus van der Lubbe (1909-1934): hij had beet, hij had een nieuw spoor te pakken. “Ik ben het aan hem verplicht. Vanaf 1966 ben ik al met zijn dossier bezig. Misschien komt er nog een nieuw boek. Als ik de tijd krijg en jij weet wel van wie en hoe.”

Volgende week zouden we weer een nieuwe opname maken, een vlog. Dit keer zou het gaan over Jaap Meijer en zijn bundel Golgotha met rente. joodse jezus-poëzie. Een terugkerend thema bij Igor en in onze gesprekken. Ook Jaap Meijer had een scherpe pen en dat geldt niet alleen voor de titel van deze bundel.

We kregen onlangs te horen dat we weg moeten uit het klooster, net als vijf andere ondernemers in t’ Wasdom. We droomden over een nieuwe locatie. Eergisteren, op de avond voor zijn overlijden, mailde Igor mij hoe het staat: “Ik ben aan het bloggen. Wat is het laatste nieuws? Verkoop? Al zicht op een nieuw onderkomen met ouderwetse deurbel en etalage?”


De afbeelding betreft een schilderij van de Zwolse kunstenares Rana Berends: "Muurleeuwenbekje bij Bethlehemskerk". Olieverf op doek, 30 x 50 cm, 2014. Ik zag het werk bij Igor tijdens een ontmoeting bij hem thuis en werd getroffen door het detail en de focus op het 'onkruid'.
maart 12th, 2021 by Igor Cornelissen

Igor Cornelissen en de opgetrokken kruitdampen van de provobeweging

Met de Provobeweging had ik op twee manieren te maken. Dat vereist uitleg. Ik was journalist bij het weekblad Vrij Nederland dat anti-autoritair was, maar ik was, in mijn vrije tijd, ook trotskist. Bij Vrij Nederland schoof hoofdredacteur Mathieu Smedts alle linkse literatuur naar mij toe. Ter beoordeling. Zat er een stukje of wellicht een reportage in?

Het eerste nummer van Provo bevatte een artikel met een ingedrukt klappertje. Dat was een kleine bom. Je moest er met een hamer opslaan en dan rook je de komende revolutie. Zo gezegd en gedaan. Ik rook een aangename kruitdamp en schreef er een opgewekt stukje over in de rubriek die Bij Ons In Holland heette. Ik deed meer en zocht Robert Jasper Grootveld op voor een vraaggesprek. Hij was de rookmagiër die happenings rondom het Lieverdje op het Amsterdamse Spui organiseerde waar weinigen wat van begrepen. Het trok steeds meer volk. Later werden er krenten uitgedeeld. De politie wist zich geen raad en trok de gummiknuppel. Van het een kwam het ander. Ouderen herinneren zich het Witte Fietsenplan en de hevige ruzies in de gemeenteraad van Amsterdam. Provo is al lang ter ziele. Maar de herinnering aan de roerige tijd bleef. Zo zocht ik tien jaar nadat de rookbommen het feest van Beatrix hadden verstoord, de bommengooiers op voor een interview.

Inmiddels is er veel geschreven over Provo en de initiatiefnemers die anarchistische en theosofische invloeden op zich hadden laten inwerken. Boeken zijn erover geschreven (ook dissertaties?) en Grootveld kreeg zelfs een biografie. Provo wilde geen leiders en geen macht en hief zich daarom op. Ze hadden wel voormannen, zoals Roel van Duijn, die veel zag in het anarcho-syndicalisme. Van Duijn liet en laat nog steeds van zich horen. Het was een leuk weerzien toen we elkaar jaren later troffen op een bijeenkomst van De Groenen. Hij en ik waren daar lid van, maar inmiddels bestaan De Groenen bestaan niet meer.

En wat vond ik er destijds als trotskist van? Wij probeerden de arbeiders (of arbeidersklasse) aan te spreken. De Provo’s hadden dat klootjesvolk, tuk op roomkloppers en auto’s, afgeschreven. Er was dus een zekere afstand. Tot mijn verbazing trof ik in een van de Provonummers een artikel over China aan van een zekere G. Barendregt. Ik kan nu wel onthullen dat Barendregt een schuilnaam was van wijlen dr. Fritjof Tichelman, net als ik lid van de (trotskistische) Vierde Internationale, en later onderdirecteur van het befaamde Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. Uit twee ingezonden stukken in Vrij Nederland blijkt waarom het IISG zich het provo archief liet ontgaan. Centenkwestie. En in datzelfde nummer lees ik nu pas een artikel van Rudolf de Jong over het anarchisme. Daar wist Rudolf alles van, want hij beheerde op het IISG de afdeling Anarchisme, Spanje en Zuid Amerika. Rudolf en ik troffen elkaar, ook weer jaren later, als medewerkers van het anarchistische blad De As dat, niet droevig worden, ook al weer op zijn laatste benen loopt.

Allemaal zijlijnen misschien, maar wie het neusje van de zalm op zijn bord wil en de oerstukken wil lezen kan zich tot het antiquariaat ‘t Wasdom in Zwolle wenden. Het is wat de kompaan zegt: uw wasdom is ons wasdom.


Originele nummers van Provo (nrs. 1, 2, 3, 5, 7, 11, 12) - Het Beste uit PROVO [1-15] - Provo bulletin Antiquariaat Schuhmacher [bibliografie, pp. 1-17, beschrijving van nrs. 1-210. Zeer zeldzaam!] - God, Nederland & Oranje, nrs. 6 [31 april 1967, cartoons op A-3 formaat o.a. Pierre, met vlekjes op omslag, geniet] en 7 [7 juli 1967, A-3 formaat - J.B. Metz, cartoons van o.m. Pierre, Janke] - Map met krantenartikelen uit de jaren 65 en verder (van de provotijd). 

Het complete dossier van de provo-collectie Igor Cornelissen - tegen ieder aannemelijk bod. Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

maart 12th, 2021 by Jaap de Jong

“Een onheilspellend boek” – Krielaars over Zweig

Michiel Krielaars recenseerde vandaag in de NRC de nieuwe vertaling van de roman van Arnold Zweig (1881-1924). Hij wijst in zijn recensie op de overeenkomst tussen Jitschak Jozef de Vriendt en Jacob Israël de Haan (1881-1924): “met zijn rossige baard, lichte ogen, ronde hoofd en knijpbril ziet hij er hetzelfde uit. Ook heeft hij als orthodoxe Jood een seksuele voorkeur voor Arabische jongens, dicht hij kwatrijnen, is hij jurist en schrijver, en wordt hij in Jeruzalem vermoord door een fanatieke zionist.” Een onheilspellend boek, noemt Krielaars het.

Arnold Zweig, de minder bekende broer van Stefan, was acht jaar lang bezig met het verhaal van De Haan. In 1933 werd de eerste druk van zijn roman door Querido in omloop gebracht. Die werd in 1939 als nr. 40 van de Salamanderreeks opnieuw uitgegeven, maar in augustus 1940 verdween ook die voorgoed uit de schappen. Toch hebben wij een zeldzaam exemplaar. Meer over deze uitgave in een eerder blog: Acht jaar lang om de slaap gebracht. Arnold Zweig over De vriendt keert weer.


Arnold Zweig (1939). De Vriendt keert weer. Amsterdam: Querido. In goede staat, ingenaaid. Titeluitgave van de 1e druk uit 1933 die als nr. 49 uit de Salamanderreeks in 1939 opnieuw werd uitgebracht. In augustus 1940 uit de handel genomen. Omslag van Jan Bertus Heukelom. Vertaling Nico Rost. Niet in de handel/Zeer zeldzaam. 

Samen met 'Een Vriend komt thuis. Jacob Israël de Haan-nummer' Special van Uitgelezen Boeken (jrg. 13, nr. 2, september 2009) € 69,00 (incl. pak- en verzendkosten). Belangstelling? Bel of mail ons.

maart 12th, 2021 by Igor Cornelissen

Heimwee naar Lissabon en de Taag

Alfama is een oude wijk, volksbuurt is beter uitgedrukt in Lissabon die in tegenstelling tot de rest van de stad na de aardbeving van 1755 grotendeels intact bleef. Wie er nu in ronddwaalt krijgt de indruk van een ver verleden. Er wonen echter nog altijd mensen, al zullen er weinig vissers meer onder hen zijn. De mannen die van hieruit naar de Taag lopen naar hun boten. Bij Alfama horen zowel de fado – een treurig klinkend levenslied (ze is wel vergeleken met de Blues van de Afro Amerikaan) – als de saudade. Twee Portugese woorden die eigenlijk niet vertalen zijn en voor een buitenlander nog lastiger om te beschrijven. Er zit iets in van weemoed naar een (groots) verleden dat men niet echt gekend en heeft en hoop op een toekomst die waarschijnlijk niet zal komen. Gerrit Komrij heeft een poging gedaan de beide elementen te plaatsen daar waar men ze nog beluisteren kan al wordt men er steeds meer gehinderd door toeristen. Het is Komrij aardig gelukt. Hij heeft tenslotte jaren in Portugal gewoond en hij was een begaafd schrijver die het woord wist te schikken naar (zijn) gevoelens.

Ik kan er een beetje over meepraten. Ik heb met mijn geliefde door Alfama gelopen (kronkelsteegjes, je verdwaalt subiet) en toen we besloten dat we de fado wilden horen, liep ik een volkscafé binnen. Nadat ik een bagaceira had geproefd, nam ik er nog één. Ik voelde me er goed. Er zaten veel oudere mannen met petten op en dat alles gaf een gevoel van huiselijkheid. Toen ik een derde bagaceira bestelde vroeg mijn verloofde of we nog naar een fado gingen of dat ik daar bleef doorzakken.

Ik had het alles zo gepland. Want bij de derde borrel had ik me als het ware verzekerd van het goeddunken van de eigenaar. Toen durfde ik hem wel naar een fadorestaurant te vragen dat nao turismo was. Hij vatte zijn zoontje bij het oor en gelastte hem ons naar de Beco do Esperito Santo te brengen. Daar zongen enkele fadistas, maar degene die mij bijbleef was Alcindo de Carvalho (1932-2010), een goed geklede heer (niks spijkerbroek) die over wist te brengen wat hij en de begeleiders voelden, al konden wij zijn woorden niet verstaan.

Het restaurant zat vol met Portugezen die soms een refrein meezongen. Naast ons was er nog een beschaafde Duitser aanwezig. Bij het afrekenen betaalde ik graag voor een cassette met Alcindo’s zang. Er volgde een tweede avond. Een gesprek met de artiest was moeilijk, want zijn Engels was pover. Andermaal een onvergetelijke avond. Na het vertrek moest ik buiten even op een bankje zitten, overmand door gevoelens en de rode wijn. Er stond ineens een man voor ons die wat zei en gebaarde. Ik probeerde hem weg te jagen. Nu geen bedelaar die met zijn platte geldhonger mijn diepere gevoelens verstoorde. Mijn vriendin wees mij op de Werkelijkheid. Het was Alcindo de Carvalho die aanbood ons naar ons onderkomen te brengen. Jaren later kocht ik van Alcindo een CD. Ik draai hem nog geregeld. En elders moet nog een cassette liggen van zijn muziek die ik zelf opnam in de Beco de Esperito Santo. Daarop hoor je niet alleen de muziek, maar ook, heel voorzichtig het getik van een vork tegen een bord. Als een fadista zingt is men stil, men praat niet, je luistert. Op Youtube vond ik een filmpje van hem.

Door Alcindo de Carvalho heb ik de ziel van de Portugees leren kennen waarvoor ik hem dankbaar blijf.


Komrij, Gerrit (1998). Alfama. Lisboa. Antwerpen: Pandora. In goede staat, 79 pp., met illustraties van Hans Roels en Serge Vermeir (foto’s). Uit de collectie Cornelissen. € 14,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

maart 11th, 2021 by Jaap de Jong

Een dame-in-het-zwart in een Deventer boekerij. De vertelkunst van J.H. van den Berg.

Gisteren arriveerde de autobiografie van J.H. van den Berg. Op het scherp van de snede. Memoires van een gewraakt schrijver. Ik had ooit het voorrecht Van den Berg te spreken. Het was een lang gesprek in zijn appartement in Antwerpen, dat kort duurde. Of was het een monoloog? Tweeënhalf uur lang tussen zijn boeken en zijn vlinderverzameling zitten en luisteren naar de reconstructie van zijn leven, van een leven zoals hij dat zag. Een belevenis was het zeker. Aan het einde vertelde Van den Berg dat – als hij het onderwijs zou mogen hervormen – theologie als hoofdvak in het curriculum zou staan [zie interview]. Zou het dan wel goed zijn gekomen met het onderwijs?

In zijn autobiografie komt die hang naar boeken, de natuur en de theologie terug. Hij vertelt over de boeken uit de opgeheven universiteiten van Franeker en Harderwijk die in zijn geboortestad Deventer lagen: in het stadhuis. Een prachtverhaal waarin hij alles uit de kast haalt en tegelijkertijd zijn fenomenale vertelkunst demonstreert. Ik laat het hier in zijn geheel volgen.

Enkele weken daarna stapte ik alleen het stadhuis binnen – dat was toen nog mogelijk, omdat niemand op de vreemde gedachte kwam dat er wel eens gestolen zou kunnen worden. Het kamertje met de dame-in-het-zwart was leeg. Ik ging naar de grote zaal en bleef even op de drempel staan. Daar waren al die folianten! Mijn genot duurde kort. Het dametje zag mij staan, pakte mij bij de arm en er bleef voor mij niets anders te doen dan het stadhuis te verlaten. Het deerde mij niet. Het leek mij heel juist dat ik, een onbekend jongetje, geen toegang had. Maar enkele weken later was ik er weer. Zij herkende mij! Ik vroeg haar of ik de boeken mocht zien. Ze nam mij bij de hand en voerde mij tot in het midden van de grote zaal zodat ik alle boeken zien kon. Daar bleef het bij. Maar ik kwam weer. En weer. Ze begon mij te vertrouwen. Liet mij weleens alleen in de zaal. Nam op mijn beleefde verzoek een boek van de boekenplank en opende dat voor mij. – Toen mocht ik zelf een boek van zijn plek nemen en het voorzichtig openslaan. Daarna nam ik een foliant en opende die. Op de eerste bladzijde stond, met vlotte hand geschreven, een naam, welke weet ik niet meer. Wat onder die naam stond, dat weet ik nog goed! Daar stond, in prachtig handschrift: Hoogleraar in de Heilige Godgeleerdheid aan de Universiteit van Franeker. Dat zoiets bestaan had! Dat een mens zoiets had kunnen bereiken! – Later, veel later, toen ikzelf hoogleraar was geworden, nog wel in de inmiddels helaas niet meer zo heilige Godgeleerdheid, herinner ik mij dat boek met het zwierige handschrift – en ik voelde mij voldaan. Op den duur – ik was inmiddels leerling geworden van de Deventer Rijks Hogere Burger School – werden mij meer vrijheden gegund. Toen wachtte mij een tweede verrassing. Ik ontdekte een boek met de titel De Nederlandse Insecten. Schrijver: J.Th. Oudemans. In dat boek werden de Nederlandse insecten beschreven. Elk insect met zijn ‘Latijnse’ en – als die bestond – Nederlandse naam. Daarna de eigenschappen van het insect. In strakke taal, zonder werkwoorden. – Het duurde niet lang of ik mocht het boek mee naar huis nemen. Voor een week. Voor enkele weken. – Nu bezit ik het boek zelf! Het is mij, door veelvuldig gebruik, vertrouwd geworden. Ik kan het te midden van de vele boeken in mijn bibliotheek, geblinddoekt vinden. De magie die ik de eerste keer, daar in de zaal van het stadhuis ervoer, is niet geweken.


Visscher, Jacques de & Hub Zwart (red.) (2013). Op het scherp van de snede. Memoires van een gewraakt schrijver. Aangevuld met vier essays over hedendaagse cultuur – Jan Hendrik van den Berg. Kalmthout:Pelckmans.

Dit item behoort tot de boeken die ik niet verkoop. Hier een opgave van de Bergiana die ik wėl verkoop.

maart 10th, 2021 by Igor Cornelissen

Cordell Hull, de oorlog en het isolationisme

Cordell Hull (1871-1955) was de langstzittende minister van Buitenlandse zaken van de Verenigde Staten. Hij werd in 1933 door zijn partijgenoot Franklin Delano Roosevelt benoemd en trad in 1944 af wegens gezondheidsredenen. In zijn boeiende herinneringen, die hij in precies twee jaar afkreeg, beschrijft hij de moeizame weg van FDR na de grote crisis van de dertiger jaren, de verhouding tot nazi Duitsland, de bondgenoot Groot Brittannië en de andere vijand, Japan. Toen de Japanse ambassadeur hem in 1946 de oorlogsverklaring van zestien velletjes in de handen duwde, verklaarde Hull in zijn loopbaan nog niet eerder zo’n lang stuk in handen te hebben gehad met zoveel leugens.

Hull wordt gezien als een succesvolle minister die zijn land zeer was toegedaan. Hij kreeg de Nobelprijs voor de Vrede omdat hij zich zeer had ingezet voor de oprichting van de Verenigde Naties. Na  maar ook al tijdens de oorlog is er kritiek op hem geweest, omdat hij verhinderde dat er in 1939 een Duits schip met 936 gevluchte joden in New York kon aanmeren. Meerdere malen verzette hij zich tegen de immigratie van joden. Dat hij getrouwd was met een een joodse vrouw afkomstig uit Oostenrijk speelde blijkbaar (of juist wel?) geen rol.

Interessant is hoe hij al in 1944 ziet aankomen dat de status van Polen een grote rol zal gaan spelen na de bevrijding. Opmerkelijk is dat hij, toen hij in juni 1941 hoorde dat Hitler de Sovjetunie was binnengevallen direct president Roosevelt belde met het verzoek om de Sovjetunie materieel te steunen. Dat is ook gebeurd en de Amerikaanse hulp (vrachtwagens en medicijnen onder andere) heeft bijgedragen aan de uiteindelijke nederlaag van Hitlers troepen. Een feit dat na 1945 nogal graag door Moskou werd verzwegen.

In zijn laatste hoofdstuk waarschuwt Hull ervoor dat Amerika niet opnieuw mag vervallen in het isolationisme waaraan het zich in de jaren dertig had overgegeven. Het leek onder Trump die kant op te gaan, maar Bidens voorganger zal Hull wel niet hebben gelezen en als hij dat wel heeft gedaan zal hij met de geschriften van deze Democraat waarschijnlijk dingen hebben gedaan die wij niet vermogen uit te spreken.


Cordell Hull. The Memoirs of Cordell Hull [In two volumes]. New York: The Macmillan Company. I.z.g.st., XII, VI, 1804 pp. First edition, met frontispies (foto auteur). Uit de collectie Cornelissen. € 37,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

maart 9th, 2021 by Igor Cornelissen

Romanov en Raspoetin: de enge monnik en het einde van het tsarenrijk

De tsarenfamilie Romanov regeerde drie eeuwen over Rusland. Daar kwam onder Nicolaas II in 1917 een einde aan. In maart 1917 tijdens de eerste revolutie in dat jaar werd hij afgezet. Na de tweede revolutie van de bolsjewiki in oktober onder leiding van Lenin en Trotski verbande men hem naar het platteland. De communisten waren bang – een burgeroorlog was immers nog gaande – dat de contrarevolutionairen hem als symbool zouden gaan vereren. Op een uiterst bloedige wijze werd op 16 juli 1918 een einde gemaakt aan de levens van de ex-tsaar, zijn vrouw en vier kinderen. Er heeft daarna nog een dame in Europa rondgedoold die beweerde een dochter van de tsaar te zijn die het had overleefd. Er werden films over haar leven gemaakt. Het bleek bedrog. De hele familie was echt uitgemoord.

In het boek van Shelayev krijgen we aan de hand van veel unieke foto’s een kijkje op het gezin. De tsaar uiteraard veelal in militair uniform want hij was de opperbevelhebber van de troepen die in de Eerste Wereldoorlog nederlaag op nederlaag leden. Langzaam maakte diepe verering van het volk plaats voor twijfel en daarna woede. Dat Lenin het volk vrede beloofde sloeg aan. Maar aan het hof heerste ook niet louter pais en vree. De van Duitse afkomst tsarina was onder invloed gekomen van een enge monnik. Hij beweerde het zoontje van de familie te kunnen genezen van de bloederziekte waaraan het knaapje leed. Raspoetin was pro Duits en dat deed een deel van de hofkliek besluiten hem uit de weg te ruimen. Met twee foto’s staat Raspoetin in het boek. Eenmaal levend en eenmaal daarna. Volgens de kompaan schreef Achterberg een schitterend gedicht over de laatste dagen van Raspoetin en zijn dood. Ik heb niet zoveel met Achterberg, maar ik geef toe: er zit iets in.

Wat opvalt in het boek is de pracht en praal waarmee de familie zich omgaf. Gelukkig staan er ook foto’s in van de ministers die er nog iets van trachten te maken. Soms met succes. Want voor 1914 was Rusland al een eind op weg een moderne staat te worden. De politici krijgen een kort, maar helder overzicht van hun levensloop. Het rijk geïllustreerde boek heeft een extraatje: er staan stukjes in uit voordien ongepubliceerde memoires.

Nikolaas II had iets hulpbehoevends over zich. Of was het fatalisme? Hij bad veel tot God en bleef denken dat dit zou helpen. En toen dat niet gebeurde, gaf hij zich over aan de gedachte dat God ook het beste met Rusland voor zou hebben zonder hem.


Shelayev, Yuri, Shelayeva, Elizabeth & Nicolas Semenov (1998). Nicolas Romanov. Life and Death. Sint Petersburg: Liki Rossii. I.g.st., vouwtje (rechtsboven in omslag). Verder gaaf exemplaar. 118 pp., met illustraties. Uit de collectie van Igor Cornelissen. € 22,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

maart 8th, 2021 by Igor Cornelissen

Het Hattemse poortje en de weg van Daendels in Java

Herman Willem Daendels (1762-1818) werd in Hattem geboren als zoon van een schepen (wethouder). Hij ging in Harderwijk rechten studeren waar een universiteit was die niet zeer belangwekkend was, er was in die tijd slechts één hoogleraar die daar doceerde.

Daendels maakte naam als gouverneur-generaal van Indië in de Napoleontische tijd en vooral als bedenker van de grote Postweg op Java van Anyer naar het uiterste Oosten van wat toen als belangrijkste wingewest gold. Elfhonderd kilometer lang. De reis werd met vele dagen bekort. Negenhonderd kilometer lang en in ieder geval belangrijk voor de handel én de uitvoering van het gezag. Haak meldt dat ‘zeer vele Inlanders’ onder het zware werk bezweken. Daar is wel iets meer over te zeggen. Latere historici telden 12.000 doden. Als het productiedoel niet werd gehaald leidde dit tot de dood van de verantwoordelijke Javaanse heerser en zijn arbeiders. Hun hoofden werden opgehangen aan de bomen langs de weg.

Het is dus de vraag of de patriot Daendels nu nog tot de ‘groote Nederlanders’ moet worden gerekend. De Grote Postweg wordt intussen nog steeds gebruikt en is nu een snelweg geworden waarover duizenden auto’s razen.

Dat alles mag de weetgierige lezer niet beletten een bezoek aan Hattem te brengen waar het Daendelspoortje herinnert aan de beroemde burger. Hij zou zijn geschaakte geliefde, de dochter van kolonel Van Vlierden, hebben ontvoerd. Via dat poortje vluchtte hij met haar de stad uit. Voordat men door het poortje loopt is er een verrukkelijke kruidentuin waar men (met mate) mag plukken van de tijm, munt of bieslook. Elders staat een borstbeeld van de illustere Hattemer.

Toen de Van Rossems onlangs Zwolle bezochten en hun brommerige oordeel gaven over de koepel op het museum De Fundatie gingen ze ook naar Hattem en waren opgetogen over de Hattems schilder Jan Voerman die in zijn artistieke leven wel honderden koeien in de weilanden moet hebben vereeuwigd. Eigenlijk vonden ze het kleine stadje Hattem leuker dan Zwolle. Ik herinner me niet eens of ze ook het kneuterige Anton Pieck museum hebben genoemd. In ieder geval vond ik hun oordeel over Hattem alleraardigst. Er is daar geen Daendels museum. Men moet het doen met boeken over hem. En daar kan ‘t Wasdom in voorzien. En zo is de cirkel weer rond: uw wasdom is ons wasdom.


Haak, A. (1938). Daendels. Rijswijk: V.A. Kramers. Uit de serie Groote Nederlanders in Kramers' kleine biografieën. I.g.st., met schade aan plastic omslag, 63 pp. met bibliografie. Uit de collectie Igor Cornelissen. Met ex libris van L.H. Brautjes. € 12,95 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

maart 6th, 2021 by Igor Cornelissen

De priapeeën van Jaap Meijer en andere onkuisheden

Rody Chamuleau was leraar Nederlands. De lol van het lesgeven ging er bij hem van af toen hij merkte dat zijn leerlingen niet alleen niets wisten, maar ook niets wilden leren. Zijn liefde voor de Nederlandse letteren in al zijn facetten bleef gelukkig geheel intact. Ook waar het geschonden eer of deugdzaamheid betreft.

Bij het herlezen van deze bundel met door Chamuleau verzamelde onkuise gedichten schoot ik herhaaldelijk in de lach en herinnerde mij hoe ik met mijn vriendin bij de hebraïst en neerlandicus dr. Jaap Meijer op bezoek was die spontaan aanbood één van zijn priapeeën voor te dragen. Ondanks enig tegenstribbelen van Jaaps vrouw Liesje, zette de dichter door. Toen mijn vriendin liet merken dat het resultaat haar wat tegenviel, viel Jaap gepikeerd uit: ‘Ja, jij bedoelt natuurlijk van die rijmpjes met “jouw kutje is mijn hutje”, maar zo dicht ík niet.’

Hoe Jaap Meijer wel dichtte kunt u zelf nalezen, bijv. in de bundel Toverstaf waaruit wij hier het gedicht drinkgewoonten citeren. Mijn collega-directeur van ‘t Wasdom zou Jaap Meijer ofwel de dichter Saul van Messel wel opnieuw willen uitgeven. Dit geheel terzijde.

De inhoud van de bundel van Chamuleau kun je samenvatten met het woord: onkuis, waarmee veel doch lang niet alles is gezegd. Ook de tekeningen van Du Perron liegen er niet om.

Het mooiste vond ik eigenlijk een gedicht dat geen gedicht is maar meer een oprisping waarin ik veel, zo niet alles, herken. Hij is van van de inmiddels tachtigjarige Hans Dorrestijn en gaat als volgt:

Als ik een vrouw ontmoet met een intelligent gezicht/een edel gevoelig profiel en beschaafde manieren/met poëziebundels van Rainer Maria Rilke en Hölderlin/en een altviool onder de arm/dan denk ik meteen aan neuken.

Ik heb wel eens het verhaal gehoord dat er vrouwen zijn die hetzelfde denken als ze een ruige, slecht geschoren zeeman tegenkomen met een ongewassen trui aan en een verfvlek op zijn broek.

Maar of dat waar is?

Ik zou er in ieder geval niet zomaar een twee drie een priapee over kunnen maken. Maar daar zijn wij van ‘t Wasdom ook niet voor. Wij zijn er voor om dat wat er al is toegankelijk te maken. Dit alles voor beschaafde prijzen waaraan ook door onkuise aanbiedingen niets te veranderen is. Dat laatste niet alleen geheel terzijde, maar ook volmaakt overbodig.

… en een altviool onder de arm…

Zoiets blijft nazoemen.

Chamuleau, R. (1991). Jantje zag een pruikje hangen. Nederlandse priapeeën door de eeuwen heen. Rotterdam: Ad. Donker. I.g.st., met leesvouw in de rug. Paperback, 143 pp., 1e druk. Met illustraties, bibliografie en tekeningen van E. du Perron. € 14,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

maart 5th, 2021 by Igor Cornelissen

Over de studie van oude huizen en andere belangwekkende zaken

Meeloper of niet? Die vraag wordt vaak gesteld bij kunstenaars die de jaren dertig van de massa terreur in de Sovjetunie wisten te overleven. Iemand zei over de periode van Stalin: ‘Alles was toen mogelijk. Zelfs dat je niet gearresteerd werd.’ Zoveel is zeker dat er geen liefde was van Paustovskij voor het communistische regime en het omgekeerde gold ook. Hij werd hooguit geduld. Belangrijker is: kenners van de Russische literatuur noemen hem een meesterverteller. Karel van het Reve vertaalde al in 1935 De baai van Kara Boegas. Vanuit het Duits, want Russisch kende hij toen nog niet.

Men kan instemmen met Paustovskij’s opmerking dat het bestuderen van de geschiedenis van oude huizen zeer de moeite waard is. Huizen bestaan langer dan hun bewoners. Ik ben dat pleidooi al eens eerder bij een schrijver tegengekomen, maar wie was dat ook weer?

Zo maar een zin uit een verhaal van Paustovski: ‘Behalve eigengemaakte brandewijn werden er nu in de kamer van Kroerenda bijzonder intensief valse bankbiljetten vervaardigd.’ Ook afgezien van die naam voel je direct dat je in een ver land zit waar men vreemde gewoonten en gebruiken in ere houdt en er zich in heeft bekwaamd.

Toen Michel Krielaars (chef boeken, NRC) juichend mijn laatste boek besprak vergeleek hij mij niet alleen met Graham Greene, maar ook met Paustovski. Ik heb enkele dagen naast mijn schoenen gelopen, al was het misschien net (iets) te veel eer. Maar u kunt zelf vergelijken; mijn laatste boek (Mijn opa rookte ook een pijp. Deel V van mijn memoires) is nog in de boekhandel te koop, evenals Greene en Paustovsky.

Steun uw boekhandel en koop Paustovski, Cornelissen [gesigneerd] en Graham Greene.


Paustovskij, Konstantin (1967). Begin van een onbekend tijdperk. Herinneringen aan de Russische revolutie.  Amsterdam: De Arbeiderspers. I.g.st., vertaling W. Hartog, gebrocheerd, vlekjes op omslag. Paperback met flappen, 267 pp., 1e druk, privé-domeinreeks, nr. 5. Uit de collectie Igor Cornelissen, met wat potloodaantekeningen en krantenknipsels. € 30,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

maart 4th, 2021 by Jaap de Jong

“Zwerven, zwoegen en zwijgen”. Over Bataljon 423 in vrm. Nederlands Indië

“Hier zwierven, zwoegden, zwiepten, zwamden en zwegen wij.” Dat zijn de woorden bij de kaart van commando-Oost (waarop de plaatsen van legering). In het boekwerk zelf staan verhalen over het commando, incl. dateringen. Verhalen over oorlogshandelingen, acties, ziekte, dood, religie, kameraadschap en wat al niet meer? Alles dat over het soldatenleven gaat, inclusief het verkeer regelen in Jakarta.

Bataljon 423 behoorde tot de laatste bataljons tijdens de politonele acties in voormalig Nederlands Indië. Het boekje werd samengesteld door leden van het korps zelf en opgedragen aan “onze makkers, die het hoogste offer hebben gebracht in de dienst van ons Vaderland”. Dat is niet niks.

Het boekje is vanuit insidersperspectief geschreven en alleen al om die reden een interessant en intrigerend document humaine. Het taalgebruik (gebruik Javaanse woorden) boeide mij, evenals intertekstuele referenties als “waer werd opregter trouw / dan tussen soldaat en soldaat / op een post ooit gevonden”.

Aan het einde zijn alle thuisadressen van de manschappen – “de zonen van 423 Bat.” –  opgenomen. Daarvoor een stichtelijk woord waarin de Dood wordt voorgesteld als het lot dat hen aanwees die Hem moesten volgen.

Het boekje is overigens eerder gezien en niet onopgemerkt gebleven. Zo signaleerde Klooster het al in zijn bekende bibliografie als nr. 5478. Dit alles terzijde.


Reinders, J.H., Den Hollander, P., Hack, P, & Verhoeven, J.L. (samenst.). Dat was 423. Leven en werken van het 423 bataljon in Oost-Java. Heiloo: Kinheim. I.z.g.st., gaaf exemplaar. Gebonden in halflinnen band met stofomslag (enigszins verkleurd). Oblong 8vo., 150 pp. Met embleem van het bataljon op omslag. Met vele foto’s en naam- en adressenlijst (sic!) van alle leden van het bataljon (incl. foto’s en namen der gesneuvelden), kaarten. Met opdracht Jan Reinders (d.d. Almelo, april ’51) die ook onder de samenstellers was en als majoor (wrschl.) actief was binnen het bataljon. Zeer zeldzaam, € 79,50 (incl. pak- en verzendkosten binnen Europa). Interesse? Neem contact met ons op.
Zie ook: Klooster, H.A.J. (1997). Bibliography of the Indonesian revolution. Publications from 1942 to 1994. Leiden: KITLV Press. (Bibliographical series XXI), no. 5478.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

maart 4th, 2021 by Igor Cornelissen

De pen van Podhoretz

Jaren geleden bezocht ik Jacques de Kadt (1897-1988) die mij bij die gelegenheid over zijn vroege jaren vertelde. De jaren dat de drang naar de vrijheid, de menselijke vrijheid, hem naar de keel greep. Hij schreef toen Het fascisme en de nieuwe vrijheid. Toch schakelde hij in dat gesprek vrij snel over naar het heden en noemde mij de naam van Norman Podhoritz als de schrijver ‘die de moeite van het lezen waard is’. En dat is ook zo.

Podhoritz en De Kadt hadden veel gemeen, al was Podhoritz weliswaar links, maar nooit communist geweest. Beiden waren van joodse komaf. maar de ouders van De Kadt waren, anders dan die van Podhoritz, geen immigranten uit het tsaristische Rusland.

Wat ze vooral gemeen hadden was een onbedwingbare behoefte aan lezen, niet alleen de politieke schrijfsels, maar ze zogen ook de pennevruchten op van de moderne literatuur en hielden van een scherpe pen. De Kadt klaagde dat hij het ongeluk had geboren te zijn in een klein land waar schrijvers niet in het buitenland doordrongen. Naar Podhoretz werd wel geluisterd. En hij werd gelezen, ook door verschillende presidenten van de VS.

Norman Podhoritz (1930), geboren in Brooklyn, was hoofdredacteur van het gezaghebbende Commentary. Hij schreef in veel bladen waaronder de New York Review of Books waarin lange artikelen geen uitzondering zijn. Podhoritz wordt gerekend tot de neo-conservatieven. Het ging hem in zijn latere jaren vooral om het belang dat dat Amerika een wereldmacht moet blijven. Hij was in eerste instantie een tegenstander van Trump, maar uiteindelijk werd hij onder de medestanders gerekend. Wat zijn allerlaatste standpunt is is mij niet bekend. Hij schreef over Saul Bellow, Norman Mailer en ook over Bach deed hij zijn zegje, onder meer in de Groene Amsterdammer. Ook toen hij Making it schreef stond Podhoretz zijn mannetje in de wereld der denkers.


Podhoretz, Norman (1967). Making it. New York: Random House. Goed, vergeeld papier en verkleurd omslag. Gebonden in linnen met stofomslag, 360 pp. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 22,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

maart 3rd, 2021 by Igor Cornelissen

Het Polen van Peter Schumacher

Mijn journalistieke reizen naar Polen waren, al kwamen er wel stukken in de krant, geen groot succes. Niet alleen was mijn Pools minimaal, de medewerking van de burgers was evenmin om over te juichen. Overal (communistische) ambtenaren die je ‘morgen’ lieten terug komen waarna er nog niets gebeurde.

Het was de tijd van de staat van beleg. Lech Wałęsa en zijn vakbond Solidarność en de kerk aan de ene kant, de communistische partij aan de andere kant. Het was een bittere tijd en op de menukaarten was bijna alles doorgestreept. Ik riep de hulp in van de telefoniste uit het hotel. Die sprak wat Duits. Zij en haar vriendin gaven fotograaf Hans van den Bogaard en mij een rondleiding door een troosteloos industriestadje. Zo leerde ik de geheimen kennen van de andere handel: niet wit, niet zwart, maar anders. Een vrijwel lege slagerij moest je via een achteringang benaderen en dan schroeven, bouten of andere schaarse middelen bij je hebben waarmee auto’s konden worden gerepareerd. Dán was er wél vlees.

Toen de situatie meer gespannen werd wilde adjunct hoofdredacteur Joop van Tijn dat ik nog een keer ging. Ik wachtte weken op een visum. Geen respons. Joop beweerde dat ik op het vliegveld in Warschau wel het benodigde stempel zou krijgen. Hij had betrouwbare bronnen die dat wisten. Ik zag het somber in, maar vermomde mij als musicus en stapte met een zwarte jas aan en hoed op het vliegtuig in. Ik had mijn  trompet bij mij. In Warschau werd mijn vermomming binnen vijf minuten doorzien. Ik werd uitgelachen en op het vliegtuig naar Kopenhagen gezet. Via die tussenstop was ik dezelfde avond terug in Amsterdam. Een dure reportage.

Ik zeg niet dat een fotograaf het gemakkelijk heeft, maar die vangt sneller wat zonder te hoeven praten. Peter Schumacher maakte schitterende foto’s. Gewone mensen, gewone landschappen. Soms grauw, soms mensen in de zon. Echte Polen. Een oude baas speelt op straat op zijn viool in de hoop op een bijverdienste. Kinderen spelen op straat en vrouwen zitten op een bankje. Net als hier en toch totaal anders. Want dit is Polen, althans het Polen zoals ik mij het herinner.


Schumacher, Peter (z.j.). Polska 1963 - a photo journey | Niezwykla podroz fotofraficzna. Hoofddorp: Dutch Art & Media House. I.z.g.st., zonder gebruikssporen. Hardcover met leeslint. 157 pp., met illustraties. Tweetalig (Engels en Pools). Uit de collectie Igor Cornelissen. € 25,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

maart 2nd, 2021 by Igor Cornelissen

Over een goede Duitser en een fijne zigeunerschnitzel

Toen ik bij het weekblad Vrij Nederland werkte had iedere redacteur een eigen postbakje. Daar kwamen persoonlijk gerichte brieven in terecht; het blad dat al jaren je speciale interesse had, een knipsel van een collega die vond dat het over jouw onderwerp ging of ook wel een artikel met een suggestie van de hoofdredacteur om daar eens op af te gaan. In april 1983 vond ik in dat bakje een knipsel uit de International Herald Tribune. ‘Gypsy writer. From Auschwitz in Fairy Tales. Philomena Franz is an unusual author.’

Zigeuners waren  onbetwist het onderwerp van redacteur Jan Rogier Of die nu ziek was of de krant al had verlaten, weet ik niet meer, maar ik ondernam de reis naar Keulen. Daar in de buurt woonde Philomena in een woonwagen met enkele van haar kinderen. Van het interview met haar herinner ik me weinig en in mijn veelgeprezen archief kan ik het niet terugvinden. Haar ouders waren in Mauthausen vermoord en drie van haar broers in andere kampen. Een familie van musici. Ze was 21 toen ze werd gedeporteerd. Ze was uit een kamp ontvlucht en door een Duitse boer verborgen. Er waren dus ook goede Duitsers.

We aten in een restaurant en toen ik zei dat ik maar geen zigeunerschnitzel zou bestellen, moest ze hartelijk lachen. Dat zou haar allerminst storen. Ze vertelde me iets dat indruk op me maakte. Ze was een keer in Israël geweest voor vakantie. Bij de douane was ze spontaan omhelsd door een meisje van de controle. Die had het brandmerk op haar arm gezien. Ze hadden beiden gehuild. ‘Ik heb me in een land nog nooit zo thuis gevoeld,’ zei Philomena Franz en ze hoefde mij niet uit te leggen waarom.

Philomena Franz (1982). Zigeunermärchen. Bonn: Europa Union Verlag. Gesigneerd door de schrijfster. Met artikel over de auteur uit de International Herald Tribune. Met autograaf van Philomena Franz. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 20,00 (incl. pak- en verzendkosten).

maart 1st, 2021 by Igor Cornelissen

De ontreddering van Stalin

Het is net als met Hitler. Iedere keer dat je denkt de laatste definitieve biografie hebben gelezen, komt er weer een nieuwe op de markt. De vergelijking gaat nauwelijks mank, want in beide gevallen gaat het om bloeddorstige mensen die, zo leek het althans, een heel volk achter zich kregen Dankzij een enorme propagandamachine en uitgebreid onderdrukkingsapparaat. Als ik dit in 1953 tegen een gestaalde communist had verteld, het sterfjaar van Stalin, had mij dat op zijn minst een muilpeer opgeleverd.

Chlevnjoek behoort tot de Russische historici die toegang hadden tot de geheime archieven die begin jaren negentig even open gingen. Als hij zeker is van zaak, zegt hij dat en hij aarzelt niet om bij twijfelgevallen te schrijven dat er onvoldoende bewijsmateriaal is. Hij vond echter zoveel dat zijn conclusie overtuigt: Stalin werd steeds argwanender, die op den duur zelfs zijn allernaaste en trouwste medewerkers niet meer vertrouwde. Er komt veel aan de orde, zoals het liefdesleven van Stalin en zijn verhouding tot zijn familie. Het meest werd ik getroffen door de beschrijving van ‘s mans volkomen ontreddering toen het leger van Hitler in juni 1941 binnenviel. Ondanks het in 1939 niet aanvalspact tussen Molotov en Von Ribbentrop.  Hij was niet in staat het volk toe te spreken. Dat gebeurde pas weken later. Dat het land in oorlog was moest Molotov aan het volk vertellen. Molotov was de minister van Buitenlandse Zaken. Maar ook hij kreeg de volle lading toen Stalin zijn (joodse) vrouw liet arresteren wegens spionage. Er werd in de opperste leiding over gestemd. Allen vóór. Molotov onthield zich van stemming, hetgeen men gezien de omstandigheden als een soort heldendaad zou kunnen aanmerken.

Niet minder geboeid las ik de passages over de speciale dienst die Stalin dag en nacht moest bewaken. Sinds 1952 werd Stalin in zijn werkvertrek of in zijn datsja permanent bewaakt door 335 agenten. En daar kwamen dan nog de 73 specialisten bij die er voor zorgden dat het aan hem aan niets ontbrak. Deze bewakers verdienden tientallen malen zoveel loon als de arbeider. Een boer moest het met nog minder doen. De bewakers was er alles aan gelegen ‘de baas’ ter wille te zijn.

Stalin ging de geschiedenis in als de legeraanvoerder die Hitler heeft verslagen. Chlevnjoek vind het als historicus zijn plicht er op te wijzen dat voordat het Rode Leger in staat was overwinningen te boeken er anderhalf miljoen soldaten waren gesneuveld of krijgsgevangen waren gemaakt. De overwinning kwam niet dankzij Stalin, maar ondanks hem. Hij vertrouwde zijn eigen diplomaten en de in het buitenland werkzame spionnen niet. Zij hadden hem voor de inval gewaarschuwd. Het waren allemaal lasterpraatjes, verhaaltjes om hem op een dwaalspoor te brengen, zo meende hij.

In Nederland loopt ongetwijfeld nog ergens een vereerder van Stalin rond. In het Rusland van Poetin zijn er nog vele. Chlevnjoeks conclusie is helder en duidelijk: uiteindelijk was er één man verantwoordelijk voor de terreur die vele miljoenen het leven kostte. Als hij besliste durfde niemand hem tegen te spreken.


Chlevnjoek, O. (2015). Stalin. De biografie.  Amsterdam: Nieuw Amsterdam. I.z.g.st., hardcover met stofomslag. Met potloodstreepjes. Gebonden, 479 pp., 1e druk. Met illustraties, vertaling Toon Dohmen. Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

 

februari 28th, 2021 by Jaap de Jong

De Parelduiker over tragische liefde en overwonnen droefheid

Het nieuwste nummer van De Parelduiker bevat foto’s in kleur. Het blad vernieuwt zich zoals ook de arend zijn jeugd vernieuwt; eender maar toch anders.

In dit nummer aandacht voor de liefdesperikelen van Bert Schierbeek, Frieda Koch en Lucebert: een ménage à trois, een wrede liefde. Asymmetrisch, kan het anders? Bij het opruimen van zijn atelier vond Michiel Schierbeek de brieven van Frieda Koch en Lucebert in een kartonnen doos. Die vondst levert veel op. Graa Boomsma geeft in zijn artikel een mooi portret van de Vijftigers die regelmatig de Van Eeghenlaan 7 bezochten waar Bert Schierbeek en Frieda Koch hen opving zoals een hen haar kuikens. Ook kompaan Igor Cornelissen woonde er enige tijd. Tekeningen van Lucebert – die er op de grond lagen – herinnerden hem aan “de roemruchte jaren van knarsende liefde en bijbehorend verdriet”.

In Een liefde, een boek, een roeping schrijft Gé Vaartjes naar aanleiding van de brieven van Godfried Bomans over de moeizame vader-zoon relatie. Er is ook veel God in die brieven; goud voor een godsdienstpsycholoog à la William James, vermoed ik, maar ook een mooie aanvulling op wat we al weten over Bomans. Het stuk besluit overigens met een meer dan prachtige zin die ook nog eens waar is: humor is overwonnen droefheid.

Marco Daane schrijft over de spot van Jac van Looy met het socialistische engagement van Herman Heijermans en heeft bovendien aandacht voor het antisemitisme binnen de kringen der Tachtigers. In die kritiek op het engagement wordt ook de consequentie van het credo L’art pour l’art bij de Tachtigers onder de aandacht gebracht.

En dan is er nog het verhaal van Ronald Bos over de relatie tussen Paul Celan en Martin Heidegger. Een relatie die zich onder meer uit in grofheden op een koude kunststoffen achterbank van een Panama-beige VW Kever: in een stilzwijgen mit-einander-sein. Een paar dagen later schrijft Celan zijn beroemde gedicht Todtnauberg. Dat lokte veel speculaties uit over de inhoud van de ontmoeting tussen Celan en Heidegger: veel drassigs.

Het nummer van De Parelduiker bevat natuurlijk nog veel meer lezenswaardigs zoals de uitgebreide aandacht voor privé-drukken en marginale uitgevers in de rubriek van Jan-Paul Hinrichs.

De Parelduiker is een prachtig blad. Abonneer u en koop oudere nummers bij Cornelissen & De Jong of een andere goede boekhandel.

Méér nieuwe oude Parelduikers bij Cornelissen & De Jong

februari 28th, 2021 by Igor Cornelissen

Het Amerika boek van Jacques Presser

Als ik Pressers boek over Amerika lees, is het alsof ik hem weer college hoor geven. Het jaar dat ik hem beluisterde gaf hij voordrachten over Engeland. Hij kwam altijd binnen met een tas vol boeken die hij een voor een uitpakte en behandelde en vertelde daarbij de ene anekdote na de andere. Je moest die boeken niet alleen beslist kopen, maar uiteraard ook lezen. Je kon goedkope uitgaven – Presser bezat natuurlijk de dure gebonden eerste drukken – vinden in de naburige Oudemanhuispoort. Daar lagen de Penguins voor een paar gulden.

Pressers Amerika— hij begon er tijdens zijn onderduik aan – is gebaseerd op secundaire literatuur. Er was, toen al, enorm veel over de geschiedenis van dat land. De historicus lijkt niets over te slaan. Hij begint, uiteraard, met de ontdekker Columbus over wiens origine weinig bekend is. Over het uitmoorden van de Indianen al veel meer.

Wie iets meer weet over Presser zal het niet verbazen dat hij uitgebreid stilstaat bij de positie, zeg maar onderdrukking van alle minderheden die Amerika groot maakten. Niet alleen de Indianen – teruggedrongen in reservaten nadat eerst hun bizons waren uitgeroeid (leuk vermaak: vanuit treinen op die beesten schieten) – ook de negers, de Joden, Ieren en Italianen worden besproken. En dat geldt ook voor Lincoln, Jefferson, Roosevelt; alle beroemde presidenten krijgen hun deel en bij Presser gebeurt dat nooit zonder curiosa. Abraham Lincoln kon nog gewoon het White House uitlopen om een krant te gaan kopen. Zijn opvolger Andrew Johnson was soms dronken (om zijn zenuwen de baas te zijn) en hing in zijn ontvangstkamer de was te drogen.

Er is Presser wel eens verweten dat hij een te grote voorliefde voor de anekdote had. Bij mij werkte dat juist stimulerend: je blijft doorlezen. Over Lincoln vertelt hij dat er toen (in 1949 dus) al een onuitputtelijke rij aan biografieën over de man bestond. Er was er al een die ‘s mans leven van dag tot dag beschreef. Het wachten was, schreef Presser met milde spot, op een uurverslag.  Google laat zien dat er de laatste jaren veel nieuwe biografieën over deze ‘slaven bevrijder’ zijn verschenen.

Wie de laatste jaren de Amerikaanse politiek, dankzij of ondanks Trump, heeft gevolgd, zal bij Presser veel herkennen. Zoals zijn constatering dat veel Amerikanen verwachten dat hun vertegenwoordigers iets uitstralen van de circusartiest, de potsenmaker. En wie wil weten wat de oorsprong is van de Tea Parties komt bij Presser aan zijn trekken. Wat het boek extra aantrekkelijk maakt zijn de vele, zorgvuldig uitgezochte illustraties. Soms aandoenlijk zoals de kromgetrokken handen van een pioniersvrouw, gefotografeerd in 1936 door Russell Lee.

Opgemerkt moet nog worden dat Den Hollander – hoogleraar sociologie die indertijd veel colleges gaf over Amerika – het boek van zijn collega Presser opvallend positief recenseerde in Het Parool. Den Hollander stond bepaald niet bekend om zijn mildheid.

In een Voorbericht schrijft Presser dat de eerste versie van zijn boek tijdens de bezetting bij een nachtelijke overval enkele uren in Duitse handen is geweest. Ze hadden er wel in gebladerd, maar het handschrift niet vernietigd. Pressers boek houdt ons ook de spiegel voor. De man die het zo voor alle minderheden opnam, schrijft voortdurend over negers waar wij – die het allemaal beter weten – het hebben over Afro-Amerikanen. Als Presser laat zien hoe zwarten uitblinken, kiest hij voor een foto van Jesse Owens die in 1936 tot grote woede van de nazi’s drie gouden medailles won. Onder de foto staat dat het de ‘neger-atleet’ Jesse Owens was die tot deze prestaties kwam.


Presser, J. (1949). Amerika. Van kolonie tot wereldmacht. De geschiedenis van de Verenigde Staten. Amsterdam: Elsevier. I.g.st., maar met scheurtje bij schutblad (voor- en achterplat), verder gaaf exemplaar. Gouden belettering op roodzwarte achtergrond. Gebonden in linnen, XII, 619 pp., 1e druk. Met illustraties, bibliografie, noten, verantwoording illustraties en register. Met frontispies van Franklin Delano Roosevelt van S.J. Woolf. Rijkelijk geïllustreerd. Uit de collectie  Igor Cornelissen. € 21,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

februari 27th, 2021 by Igor Cornelissen

Apostel Willem H. Vliegen en het ‘proletarisch sentiment’

Willem Hubertus Vliegen (1862-1947) kwam uit Limburg en was (dus) van roomse afkomst en bovendien arbeider. Daar waren er meer van. Wat hem bijzonder maakte was dat hij socialist werd, eerst aanhanger van het anarchisme van Domela Nieuwenhuis. Hij liep zelfs met een revolver rond in verband met de komende revolutie. Daarna ging hij over naar de ‘parlementairen’ die meenden dat als er maar steeds meer arbeiders op hen zouden stemmen, het socialisme langs geleidelijke weg bereikt kon worden. Vliegen was in Zwolle aanwezig toen daar in het drank- en spijslokaal De Atlas onder de Peperbus op 26 augustus 1894 de SDAP werd opgericht. Hij was een van de twaalf apostelen, zoals de oprichters werden genoemd. Willem Vliegen was een van de echte arbeiders die het beginselprogram ondertekenden en met zijn katholieke achtergrond een bijzonderheid.

Koos Vorrink noemde hem in 1939 tijdens een SDAP congres een ‘geboren reformist’.  Dat wilde Vliegen toch wel even corrigeren. Hij was een echte revolutionair geweest, maar reformist geworden ‘door de feiten’. Die hadden hem ervan overtuigd dat de marxisten voor een groot deel ongelijk hadden. Hun theorie werd door de praktijk gelogenstraft. Vliegen bleef tijdens zijn lange socialistische leven een nuchtere pragmaticus. Wat was behalve wenselijk ook mogelijk? Hij werd langzamerhand de ‘grand old man’ van de parlementairen. Men was trots op de man die jarenlang de beweging had gediend als redacteur van het partij dagblad Het Volk, als wethouder van Amsterdam, als partijvoorzitter en als Kamerlid. Zonder tegenstand was dat niet gegaan. Hij had genoeg tegenstrevers en dat waren niet alleen de marxisten die, mede door hem, geroyeerd werden. Ook met Troelstra lag hij menigmaal overhoop. Politieke meningsverschillen of eerzucht? Meestal beide. Perry schreef een voorbeeldige biografie. Tegenslagen (de Eerste Wereldoorlog) en voorspoed (de groeiende invloed in parlementen en gemeenteraden) krijgen de nodige aandacht. De conflicten binnen het partijbestuur over nu lang vergeten kwesties vervelen door de vlotte schrijfstijl van Perry nooit.

Twee vlekjes in het leven van de man die als typograaf begon en in Luik Frans leerde spreken en schrijven krijgen bij Perry extra ruimte. De SDAP bestond nog maar vijf jaar toen Vliegen naar Parijs werd verbannen waar hij maar als journalist aan de kost moest zien te komen zonder dat hij daar goede contacten had. En anders moest hij maar zien daar als typograaf een baan te vinden. Vliegen had zich schuldig gemaakt aan overspel met de vrouw van een gewaardeerde partijgenoot. Dat kon in de nieuwe partij die openheid en zuiverheid propageerde niet ongestraft blijven. Wat er precies is gebeurd, kon ook Perry niet achterhalen. In ieder geval had Vliegen toegegeven dat er ‘iets’ was gebeurd dat niet door de beugel kon. Het heeft Vliegens latere loopbaan niet geschaad. Hij kon vrij spoedig naar Nederland terugkomen. Het geval zelf werd vooral met de mantel der liefde bedekt. Een methode die binnen en buiten de socialistische wereld tot en met nu veelvuldig wordt toegepast. Ook in kerkelijke kringen wanneer dominee of pastoor al te veel tijd besteedt aan pastorale zorg van weduwen of verdrietige meisjes.

De tweede misstap die Vliegen beging was in mei-juni 1940 toen het de SDAP leden na de Duitse inval niet direct helder was wat ze moesten doen. Kaderleden die Vliegen om advies vroegen kregen wel de mededeling dat de partij niet meer bestond, maar dat men het partijblad Het Volk ondanks de ingestelde censuur moest blijven lezen en dat het lidmaatschap van de VARA niet moest worden opgezegd. Vliegen was zo met de beweging vergroeid dat hij vond dat ‘onze organisaties’ niet in de steek moesten worden gelaten. Het was zelfs zaak, vond hij, om voor het Instituut voor Arbeidersontwikkeling leden te gaan winnen. Hoe Vliegen daar later tegen aankeek is niet helemaal duidelijk. Een collaborateur werd hij beslist niet. Zijn verkeerde adviezen werden hem niet al te zeer kwalijk genomen en hij was dan ook een gewaardeerde gast op het buitengewoon congres in 1946 de SDAP opging in de nieuwe Partij van de Arbeid. Hij was toen de laatste nog levende Apostel van 1894. Hij was het helemaal eens geweest dat de SDAP naar rechts was opgeschoven, maar het ergerde hem wel dat er door partijbestuurders geringschattend werd gesproken over het zogenaamde ‘proletarische sentiment’ dat ze wat te vaak roken. Vliegens herinneringen bleef tot aan zijn dood helder. Hij had dat sentiment niet alleen meegemaakt, hij was er nooit helemaal van losgekomen.


Perry, J. (1994). De voorman. Een biografie van Willem Hubert Vliegen. Amsterdam: De Arbeiderspers. I.g.st., maar met leesvouwtjes in rug. Paperback met flappen, 483 pp., 1e druk. Met illustraties, met bibliografie en noten. Open Domein nr. 29. Met fotokatern. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 22,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

februari 4th, 2021 by Igor Cornelissen

Zionisme in Nederland. Over de man die zijn rechterhand bijna vergat

Voor de oorlog was slechts een minderheid van de Nederlandse joden zionist. De (orthodoxe) rabbijnen zagen het als een afwijking. Zionisten kwamen op voor een eigen land op historische grond: Palestina dus dat na 1918 onder Brits mandaat stond. Joden die erheen trokken waren vooral afkomstig uit Rusland en Polen. Die hadden pogroms meegemaakt. In Nederland waren die vervolgingen onbekend. Althans in de praktijk want er werd wel over geschreven. Theodor Herzl was de baanbreker van het zionisme. Zijn naam wordt geëerd in Israël waar zijn stoffelijk overschot herbegraven is. Herzl wordt nu alom geëerd en de meeste Nederlandse joden beoordelen het zionisme nu positief. Die ommezwaai beschrijft Ludy Giebels niet omdat haar studie eindigt in 1941, het jaar dat de zionistische beweging door de bezetter werd verboden.

De vooroorlogse zionisten waren verdeeld. Begin jaren dertig richtten Sam de Wolff en een handvol medestanders een socialistische zionistische beweging op: de Poale Tsion. Zij vonden de NZB, de grote organisatie burgerlijk en vijandig ten opzichte van arbeiders. Ook mijn grootvader was lid van die beweging. Sam de Wolff bezat een zogenaamd Palestina certificaat dat hem het leven redde. De Britten ruilde Duitse krijgsgevangenen – die in Palestina zaten – uit tegen joden. De laatste konden via Bergen Belsen naar Palestina uitreizen. Dat verhaal staat niet bij Giebels, maar dat doet niets af aan haar baanbrekende studie. Sam de Wolff kwam, na korte tijd in Palestina, terug naar Nederland. Ik leerde hem eind jaren vijftig kennen. Een gemoedelijke, maar soms wat halsstarrige man. Hij bleef een vurig socialist én zionist. Met de dichter uit Psalm 137 vergat hij zijn rechterhand niet, maar naar Israël vertrok hij niet.

Op Sam de Wolff komen we nog wel eens terug.


Giebels, L. (1975). De zionistische beweging in Nederland 1899-1941. Assen: Van Gorcum. I.g.st., kleine schade op achterplat. Gebonden in linnen, 223 pp., 1e druk. Met illustraties, met bibliografie, noten, verantwoording illustraties en register. € 19,95 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 31st, 2021 by Igor Cornelissen

Het Spanje van Octave Aubry: méér dan tapas en servetten

Van de keren dat ik Spanje bezocht waren de laatste de beste. Toen kwam ik echt onder het volk en in de eethuisjes waar zij drinken en snoepen. De laatste keer werd mijn aandacht getrokken in het provinciale blad dat ik af en toe lees en waarin Sevilla ‘de hoofdstad van de tapas’ werd genoemd. Ik ken maar één restaurant in Nederland dat een warme benadering geeft van wat je in Spanje voorgeschoteld kunt krijgen. Die tapasbar staat in Amsterdam vlakbij het Spui. Daar trof ik dan ook Hugh Jans de befaamde receptenschrijver van Vrij Nederland.

In Spanje gaat alles anders. In de eerste plaats wordt er niets voorgeschoteld. Je kiest zelf uit een aanbod dat hier niet wordt vertoond, Visjes, gestoofde niertjes, gebakken levertjes en onvoorstelbaar veel worstsoorten. Of Sevilla nu het allerbeste aanbiedt, weet ik niet, maar de keuze was overweldigend en dat gaat dan de hele dag door. Nog steeds vraag je je af wie er in Spanje ooit televisie kijkt. Het leven speelt er zich – we schrijven over de tijd vóór de Corona ellende –  tot laat op straat af. Men wandelt, flaneert en laat zich af en toe verleiden tot een kopje koffie, een biertje een glas wijn plus wat daar dan allemaal bij hoort. Het Spanje uit de aangeboden boeken bestaat in ieder geval nog: monumenten en kerken inbegrepen.

Ik herinner me een bezoek aan Madrid met in het gezelschap een man die voor zijn firma de hele wereld had bereisd. Ik had geen reden daar aan te twijfelen. Hij zat goed in de slappe was. Toen ik die avond enthousiast verslag deed van een tapasbar vlak naast ons hotel, wees hij die zaak neerbuigend af. Hij had er naar binnen gekeken en overal servetjes op grond gezien: ‘Een smerig zaakje’.  Blijkbaar wist hij met al zijn gereis niet dat iedereen in iedere tapasbar het servetje waarmee je je mond hebt afgeveegd op de grond laat vallen. Veel wereldreizigers blijken niet verder te komen dan hun Hilton hotel of andere logeergelegenheid met veel modern design maar weinig authentieks.

In Sevilla was trouwens in het straatje naast ons appartement een geweldige hoedenzaak. Ik kocht er meteen twee, plus een pet waarvoor ik nog wel eens een compliment krijg. Ik zou graag nog eens naar Sevilla gaan en dan met die pet op de tapas uitkiezen (vooral ook de gefrituurde sprotjes die je met huid en haar opeet) en dan vaak mijn mond afvegen en opnieuw beginnen. Met een fraaie collectie servetjes rondom mij. Maar een kenner van Spanje ben ik niet, al bezocht ik het Alcazar. Er waren toen wel erg veel toeristen die gehoorzaam de gidsen volgden, herkenbaar aan de kleur van hun vlaggetjes.  De boeken van Aubry ademen een zekere rust uit die je in de straten van Madrid, Toledo en Sevilla helaas alleen nog aantreft tijdens de pandemie die ons nu teistert. De kathedralen en paleizen uit de boeken hebben die crisis overleefd. In zijn boeken veel aandacht voor processies, schilderijen, klederdrachten en stierenvechten. Die stierengevechten behoren gelukkig bijna tot het verleden. Ik werd getroffen door een fraaie foto van een zigeunermeisje.

Nu maar hopen dat veel van die tapasbars straks weer open gaan. Niet bij brood alleen. Welzeker, maar met kathedralen alléén, hoe imposant ook, gaat het evenmin.

Octave Aubry (1881-1946) was een Franse romanschrijver met grote belangstelling voor geschiedenis. Hij schreef meerdere boeken over Napoleon. Aubry was lid van de Académie Francaise. Hij was wat men wel noemt een véélschrijver, maar daar hebben wij van het Wasdom geen principieel bezwaar tegen.


Aubrey, Octave (1929). L'Espagne. Les Provinces du Sud. De Séville a Cordoue. [Un volume grand-in-4° orné de aquarelles. Nombreuses héliogravures dans le texte et en hors-texte]. Grenoble: B. Arthaud & J. Rey.  Genummerd exemplaar, 160 [+2] pp. Roodkleurige halflederen band met hoekbescherming (moroccan red leather). Goud op bovensnede. Schitterende schutbladen, heliosfotografie door Anderson, Bertault-Foussemagne, Boissonnas, Darcis, Garzon, Laurent, Ruiz-Vernacci, Serrano. Aquarellen (15) van Marius Hubert-Robert (1885-1966), w.o. als frontispies de zigeunerwijk van Grenade (Le quartier des Gitanes). Zeer zeldzaam.

Aubrey, Octave (1930). L'Espagne. Les Provinces du Nord. De Tolédo a Burgos. [Un volume grand-in-4° orné de aquarelles. Nombreuses héliogravures dans le texte et en hors-texte]. Grenoble: B. Arthaud & J. Rey. Genummerd exemplaar, 195 [+3] pp. Roodkleurige halflederen band met hoekbescherming (moroccan red leather) en vergulde bovensnede. Schitterende schutbladen, heliosfotografie door diversen. Aquarellen (14) van Marius Hubert-Robert, w.o. als frontispies de kathedraal van Burgos. Zeer zeldzaam. Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 30th, 2021 by Igor Cornelissen

Theedrinken met Montgomery

Richard Mac Millan was oorlogscorrespondent van persbureau United Press. Verslagen van oorlogscorrespondenten hebben het voordeel dat de schrijvers ter plekke thee (of wat sterkers) dronken met de soldaten, hun voedsel nuttigden en de realiteit van granaten, loopgraven en bombardementen meemaakten. Ze hoefden zich niet, zoals later geboren historici ‘de sfeer eigen te maken’. Het nadeel is soms dat ze het overzicht misten waarover wij nu wel beschikken.

Field Marshall Montgomery (1887-1976) was de held van de Britten zoals de Amerikanen hun Eisenhower hadden en de Duitsers Rommel.

Ik herinner me curieus voorval van enkele jaren geleden. Er was iets in Tobroek of El Alamein gebeurd. De naam kwam in de krant. Het had niets te maken met WOII. Een oudere vriend die zich net al ik de namen van de veldslagen in Noord Afrika herinnerde, mailde me direct. Wist ik het nog? Dat daar de Duitsers hun eerste klappen hadden gekregen? Ondanks die slimme Rommel. Het is waar. De slag om Stalingrad en later de invasie in Normandië blijven hangen, maar die uitputtende gevechten in een moordende hitte, stof, en enge, altijd aanwezige bijtgrage insecten is wat weggevallen.

Het heldendom van Montgomery heeft later nogal wat deuken opgelopen. Men verwijt hem dat hij de Slag om Arnhem verkeerd heeft ingeschat. Dit boek gaat niet over Arnhem. In de woestijn van Noord Afrika stond hij zijn mannetje. Op een foto werd hem door soldaten een tas thee aangeboden. Zo noemen ze dat in Vlaanderen waar het boek verscheen. Een vriend uit Eindhoven vertelde me dat ze dat woord ook bij hem thuis gebruikten. Dat geheel terzijde. Hier gaat het om de mannen van het 8ste leger. Eisenhower, of was het Churchill, had ook nog wel wat andere kritiek op Monty wiens jas (houtje touwtje) wij nog jaren na 1945 droegen. Hij rookte niet en dronk niet. Behalve die tas thee, die natuurlijk wel.


Mac Millan, Richard (1945). Montgomery rekent met Rommel af. De geschiedenis van het 8ste leger. Brussel: Manteau. Redelijk, gebonden in rood linnen, mooie schutbladen, verkleurde rug. Figuur en tekst in goudopdruk op voorplat. 325 pp., 2e druk. Met als frontispies foto van Montgomery, geïllustreerd. Vertaling Jan van Opstal. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 33,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong