In 't Wasdom

antiquariaat Cornelissen & De Jong – Zwolle

Archive for the ‘Aantekeningen van een antiquaar’ Category

november 20th, 2022 by Jaap de Jong

“We moeten allemaal een keer weg”. Over Cioran en Pessoa

Ik luisterde op eeuwigheidszondag naar een Rijssense kerkdienst waarin de namen van de mensen van voorbij werden gememoreerd. Ook de naam van de man die vijfenzestig jaar boerde op de Notterse velden en mij een week voor zijn dood zei “dat we allemaal een keer weg moeten”.

Intussen las ik het opstel van Jan Postma over Emil Cioran (1911-1995), de filosoof die als geen ander de paradox hanteert. In dat prachtige opstel in De Groene Amsterdammer memoreert Postma het verhaal over een boer die over het sterven niets anders wist te zeggen dan: ‘Zo gaat het … zo gaat het ….’ Die woorden maakten een koddige indruk op Cioran, maar hij moest toegeven dat de man ‘alles over de dood had gezegd wat men erover kan zeggen en kan weten’.

Dat is ook zo.

Er is nog een indrukwekkend verhaal dat Postma vertelt, vollediger dan dat ik mij herinnerde uit de inleiding van Bestaan als verleiding van Emil Cioran (inleider & vertaler Maarten van Buuren). Het handelt over de jonge Ciorian die net als zijn moeder Elvira Cioranu (1889-1963) aan depressies leed en haar op een dag vertelde dat hij het niet meer zag zitten, waarop zijn diepgelovige moeder – dochter van een Russisch-orthodoxe pope – hem zegt: ‘als ik dit had geweten, had ik me laten aborteren’.

Misschien anders dan Postma vind ik die uitspraak vooral indrukwekkend omdat er een diep mededogen voor haar zoon uit spreekt. Sommige hedendaagse ‘hulpverleners’ zullen Elvira Cioranu die uitspraak vast kwalijk nemen en haar gebrek aan veiligheid verwijten. Niets is minder waar: haar uitspraak ‘als ik dit had geweten, had ik me laten aborteren’ is niet los verkrijgbaar. Niet los dus van dat mededogen. Die empathie grenst of reikt de hand aan het net nog naderbare. De uitspraak van zijn moeder had overigens een bevrijdende werking op het bezwaard gemoed van Cioran. Het had immers heel anders kunnen zijn: de leegte van een niet-geweten-Niets. Nu hoefde er niets meer. Elk nieuw geschreven boek was een overwinning op de dood, ieder opgebruikt inktlint een vitalistisch vaandel.

Postma’s opstel deed mij denken aan een gedicht van Fernando Pessoa. Het was dat gedicht dat Jan Aarts – co-auteur van Dit is mijn boek. Joodse exlibriscultuur in Nederland dat, wonderbaarlijk genoeg, nog steeds op mijn kraam ligtafgelopen vrijdag op het Spui liet klinken. Bij zijn komst op de boekenmarkt schemerde het al en voor zover de bladeren niet van de bomen waren gevallen hingen ze bevroren aan de takken. Aarts wees naar het Maagdenhuis, aan de achterzijde van mijn boekenkraam, waar in een van de kamers het licht nog brandde en vertelde dat hij als jonge student dat gebouw in de meidagen van 1969 had bezet, maar niet voordat hij die morgen, de dag van de revolutie, nog een tentamen aflegde. Hij en hij niet alleen was in de ban van de lente, de komende revolutie, toen de wolken laag hingen, ja zwanger gingen van beloften. Onvervulde beloften.

Een veelbelovende revolutie baarde slechts wind en stoppelen, ja waaide voorbij. Er is niets meer van over dan de resten van een ontijdig geborene, een misgeboorte.

Nochtans zal de lente, net zoals de herfst, schitterend zijn en zullen de bloemen net zo bloeien als zij voor die revolutie deden. Als troost gaf ik Jan Aarts daarom de nieuwe boekenlegger van het antiquariaat In ‘t Wasdom waarop een fragment staat uit een gedicht van Fernando Pessoa (1888-1935). Dat was voor Aarts genoeg voor een nieuw verhaal over oude mensen en dingen die voorbijgaan, als ook voor het letterlijk citeren van een ander gedicht van Pessoa dat de rest van die dag bij mij bleef. Wat zeg ik? Het gedicht Wanneer de lente komt resoneert nog terwijl ik dit schrijf.


Wanneer de lente komt

En als ik dan al dood ben | Zullen de bloemen net zo bloeien | En de bomen zullen niet minder groen zijn dan het vorig voorjaar.

De werkelijkheid heeft mij niet nodig.

Ik voel een enorme vreugde | Bij de gedachte dat mijn dood volstrekt onbelangrijk is | Als ik wist dat ik morgen zou sterven | En het was overmorgen lente, | Zou ik tevreden sterven, omdat het overmorgen lente was.

Als dat haar tijd is, wanneer dan zou ze moeten komen tenzij op haar tijd?

Ik houd ervan dat alles werkelijk is en alles zoals het moet zijn; | Daar houd ik van, omdat het zo zou wezen ook als ik er niet van hield. | Daarom, als ik nu sterf, sterf ik tevreden

Want alles is werkelijk en alles is zoals het moet zijn.

Men mag Latijn bidden boven mijn kist, indien men wil. | Indien men wil, mag men rondom dansen en zingen. | Ik heb geen voorkeur voor wanneer ik toch geen voorkeur meer kan hebben | Dat wat zal zijn, wanneer het zijn zal, zal het zijn dat wat het is.

Fernando Pessoa (de vertaling is van August Willemsen, 1936-2007).


november 7th, 2022 by Jaap de Jong

De ogen van de Engel des doods. Over Sjestov en Dostojewski

Toen ik naar aanleiding van de beschrijving van de bibliografische gegevens de dissertatie van Katja Tolstaja wat nauwkeuriger bekeek werd ik getroffen door het inleidende citaat van Lev Sjestov (1866-1938).

Sjestov was een existentialistische filosoof van wie ik lang geleden een indrukwekkend boekje las: crisis der zekerheden. Sjestov, joods en afkomstig uit de Oekraïne, sloeg op de vlucht na de oktoberrevolutie van 1917 en emigreerde in 1921 vanuit Kiev naar Parijs. In Crisis der zekerheden is hij kritisch op de dominante positie van de menselijke rede in de filosofie. Het is een protest tegen de algemeen aanvaarde waarheid dat “twee maal twee vier is.” En hij deelt dat met Dostojewski’s protogonist uit Memoires uit het ondergrondse. Sjestov verdiepte zich in het werk van Buber en Kierkegaard, maar ook in dat van Dostojewski. Over de laatste was hij niet onverdeeld positief, maar voor Sjestov was hij wel de schrijver die in het bezit was van wat hij “het dubbele zicht” noemde.

Om het citaat van Sjestov nog meer op zijn waarde te schatten is het, denk ik, goed op te merken dat Dostojewski in 1849 net op het nippertje aan het vuurpeloton ontsprong. In april van dat jaar werd hij vanwege zijn activiteiten bij een socialistisch-nihilistische groepering gearresteerd en ter dood veroordeeld. Net voor het moment van executie kreeg hij gratie en werd hij veroordeeld tot vier jaar dwangarbeid in Siberië. Fjodor Dostojewski was aangeraakt door de engel des doods die hem als het ware op de schouder tikte en hem – uit zijn schatkist van talloos veel miljoenen – wellicht de twee extra ogen achterliet waarover Sjestov het heeft. Is het schrijverschap van Dostojewski denkbaar zonder zo’n existentiële ervaring? Hieronder volgt het betreffende citaat:

“Soms komt het voor dat de engel des doods, die de ziel komt halen, de indruk krijgt dat hij te vroeg is gekomen, dat voor die mens de tijd nog niet aangebroken is om de aarde te verlaten. Hij beroert zijn ziel niet, hij toont zichzelf niet eens aan haar, maar, voordat hij heengaat, laat hij ongemerkt voor deze mens nog twee ogen achter uit de ontelbare ogen die hij met zich meedraagt. En dan begint die mens plotseling, boven datgene wat allen zien en wat hij met zijn oude ogen ziet, iets geheel nieuws te zien. En hij ziet dit nieuwe op een nieuwe manier, zoals niet de mensen zien, maar wezens ‘van andere werelden’, zo dat dit niet ‘noodzakelijk’, maar ‘vrij’ is, dat wil zeggen dat het er gelijktijdig is, maar ook weer niet, dat het verschijnt wanneer het verdwijnt, en verdwijnt wanneer het verschijnt. De oude natuurlijke ogen ‘zoals bij iedereen’ getuigen van dit ‘nieuwe’, het direct tegenovergestelde aan datgene wat de ogen zien die door de engel zijn achtergelaten.”

Natuurlijk zijn die nieuwe visioenen ietwat bizar, onwettig, gefantaseerd en spoken van een verwarde verbeelding. Althans zijn ze in strijd met het gewone zicht. Die spanning tussen de twee wijzen van zien leidde bij Dostjowski tot grootse literatuur. Hij had daar vaak veel woorden voor nodig, misschien mede uitgelokt door de uitgever die hem per woord betaalde. Aan het einde van zijn verhaal over de ogen van de Engel des doods schrijft Sjestov dat Dostojewski zonder twijfel een van de mensen was die in het bezit zijn van het dubbele zicht. Juist dat stelde hem in staan in zijn schrijven de polyfonie & meerduidigheid in en tussen mensen vorm en inhoud te geven.

Bij mij speelt nog een andere vraag: zou het verhaal van Sjestov over de Engel des doods uit de chassidische traditie stammen en is het wellicht opgenomen in de door Buber en anderen opgetekende vertellingen? Welke varianten zijn er en waar bevinden die zich? Wie weet daar iets van? Ik hoor het graag.

De kunstenares Anastasia Belova maakte de tekening van de Engel des doods (Loosdrecht, 2000), die als omslagillustratie de dissertatie van Katja Tolstaja siert. Katja Tolstaja [officieel: Tolstoj] is oprichter en hoofd van het Institute for the Academic Study of Eastern Christianity en tegenwoordig ook VU-hoogleraar. Onlangs interviewde Lodewijk Dros haar over haar werk.

Op de website karlbarth.nl staat overigens een uitgebreide recensie over haar dissertatie.


oktober 25th, 2022 by Jaap de Jong

“De inwerking van het licht”. Over een Amsterdamse stadsvilla en het licht van Scheerbart

Ooit vertelde Igor Cornelissen mij hoezeer hij getroffen was door een opmerking van Konstantin Paustovski (1892-1968) die ergens schrijft dat de studie van oude huizen (en hun bewoners) een prachtig iets is. Huizen blijven meestal langer bestaan dan hun bewoners. Maar wie waren die bewoners, hoe woonden zij, welke passies hadden zij, wat was hun lot en welke invloed hadden zij op anderen en wat was de aanleiding?

Die vragen hielden mij bezig nadat de germanist Leo Ikelaar (1937) – oud-bibliothecaris van de Universiteit van Amsterdam en medeoprichter van de Nederlandse Franz Kafka-kring (1992) – op zijn vrijdagse tocht over de boekenmarkt op het Spui ook mijn kraam had bezocht. Ik vroeg hem naar de stand van zaken rondom zijn Goethe-onderzoek. En van het een kwam het ander. Zo vertelde Leo dat hij in 1944, als zevenjarige jongen, het enorme huis op Vondelstraat 87 was binnengeslopen. De achterzijde van de stadsvilla grenst aan het Vondelpark waar het prettig toeven was. De jonge Leo was echter via de vooringang het huis aan de Vondelstraat binnengegaan. Bij de eerste aanblik van de huisbibliotheek, bereikbaar via de deur rechtsonder van de hoofdingang, voelde het alsof hij aan de grond stond vastgenageld. Hoe kon zoiets bestaan?

Het was immens. Zoiets had hij nooit gezien: een wand vol met boeken. De jonge Leo Ikelaar reikte naar het boek waarvan hij de tekens nog niet kon ontcijferen: “Ik trok het uit de kast, waarna de boekenrij ineenstortte. Op dat moment hoorde ik het gebonk van iemand die waarschijnlijk zware laarzen droeg. Ik maakte mij snel uit de voeten. Niet zonder het boek. Er was immers geen tijd het terug te zetten.” Thuis vertelde Leo dat hij het boek op straat had gevonden:

“Ze vonden het mooi, vooral de gekleurde prenten, afgedekt met zacht zijdeachtig papier, waren prachtig. Toen ik hen uitleg vroeg over het boek verwezen ze mij naar de schoolmeester die immers alles wist. In mijn herinnering waren alle schoolmeesters gelijk aan die ene Amsterdamse schoolmeester: Theo Thijssen (1879-1943). Op dat moment nog maar net dood, maar zijn roem was groot. Zijn naam lag bestorven op ieders lip. Mijn ouders hadden geen boeken, behalve dan een boek over bridgen en klaverjassen. Na de oorlog kwam er een telefoonboek bij. Dat was het. Mijn vader kon niet alleen goed kaartspelen. Met de kaarten voorspelde hij ook het lot van zieken en ik herinner mij niet dat hij zich daarin vergiste. Of toch wel. Eén keer twijfelde hij aan de waarde van de droom van mijn broer. Op een dag droomde hij dat een tante, een waarzeggende geest uit de Pijp, was gestorven. Hij noch ik hadden haar ooit gezien. We bezochten haar nooit. Mijn vader had hem gezegd dat het niet waar kon zijn, maar later op de dag bleek het toch anders te liggen. Hoe het precies zit, weet ik niet. Intuïtie is een belangrijk ding. En die intuïtie, het vermogen ook tot nauwkeurig waarnemen, verdwijnt als alle aandacht uitgaat naar dat ding, die mobiel.”

“Het boek, een band uit de tweedelinge serie  – Deutschland im 18. Jahrhundert (Berlin, 1921/22) – dat ik op mijn vlucht uit de Vondelstraat 87 meenam, was van de cultuurhistoricus Max von Boehn (1850-1932). Von Boehn was een veelzijdig man die over de Biedermeierperiode schreef, maar ook over de activiteiten van Albrecht Dürer als boek- en kunsthandelaar. En over zoveel meer, zoals over Goethe’s Faust.”

Johan Wolfgang Goethe zou later een belangrijke figuur worden voor Leo Ikelaar, maar dat is een ander verhaal.

“Een paar maanden na mijn eerste bezoek keerde ik terug naar de plaats van het delict. Wie waren toch die mensen die zoveel boeken bezaten? Glurend door het tuinhek zag ik hen zitten en rondlopen op het achterbalkon. Er was een man met een strak zittend militair uniform. Was het een Duits officier? Was het misschien dezelfde man op wiens dreigende voetstappen ik wegvluchtte nadat de boekenrij in elkaar was gestort? Naast hem stond een blondharige vrouw die een zwierige zomerjurk droeg en mij vriendelijk groette. De geüniformeerde en gelaarsde militair keek strak voor zich uit. Was hij een erudiete mof, iemand met Bildung, een cultuurdrager, behorend tot het Herrenvolk? En zij, de vrouw met blonde haren, blauwogig wellicht, het prototype van de ideale mens uit het Derde Rijk?”

Het huis aan de Vondelstraat 87 werd in 1881 ontworpen door de architect S. Batelt. In de jaren twintig en dertig woonde de familie Egeler-Korff er. Na het overlijden van de jurist dr. Rudolp Egeler (1886-1933) verlaat zijn weduwe Tonia Kolff (1891-1951) met haar drie zonen de woning aan de Vondelstraat. Rond 1934 vestigt het Belgische consulaat de kanselarij op dat adres. Consul Jules van Haute (1880-1953) kiest de stadsvilla als zijn hoofdverblijf. Het ligt voor de hand dat het personeel van het Belgisch consulaat de stadsvilla na de capitulatie moest verlaten en het pand in de oorlogsjaren door Duitsers of hun sympathisanten werd bewoond. In elk geval is zeker dat Jules van Haute in 1940 vluchtte en consul in Londen wordt. Wie er in de oorlogsjaren in de stadsvilla woonde heb ik – niet uitputtend, maar middels raadpleging van de krantendatabank Delpher – niet kunnen achterhalen. Wel blijkt uit de woningkaarten van het Amsterdamse Stadsarchief dat op 26 februari 1942 Jan (J.N.G.) de Ligt op het adres wordt ingeschreven, mogelijk is hij daar aangesteld als conciërge. Ik heb echter geen andere bewoners kunnen traceren in de oorlogsjaren. Na de oorlog doet de stadsvilla dienst als kantoor voor de officier van justitie. De eerder genoemde De Ligt vertrekt op 8 december 1952 naar elders. Via de woningkaarten vallen ook andere naoorlogse bewoners van het pand te traceren (tot eind jaren tachtig).

Rond 2018 waren er plannen om de stadsvilla – volgens Het Parool en Quotenet “het duurste huis van Amsterdam” – uit te breiden. Er moest een tweede verdieping worden gebouwd en het plan was om ondergronds extra kelders & parkeergarages aan te leggen. Ik denk niet dat er nog een bibliotheek aanwezig is in het huis aan de Vondelstraat, maar dit terzijde. Buurtbewoners kwamen in actie om de bouwvergunning tegen te houden. De ophoging ging niet door. Niet zozeer het veranderende uitzicht was voor het Amsterdamse stadsbestuur doorslaggevend, wel de wegneming van daglicht door de ophoging. Licht dat anderen zou worden onthouden.

Dat is inderdaad een goed argument: licht. Niet minder, maar méér licht. Gekleurd licht als het kan.

Méér licht! Het waren de woorden van Johan Wolfgang Goethe, woorden die hij uitsprak op zijn sterfbed. Een leven lang was Goethe gefascineerd door het licht. Hij ontwikkelde zijn beroemde kleurenleer, die gerelateerd is aan de harmonie der dingen. En hij was daar zeer trots op. Terecht: “Auf Alles was ich als Poet geleistet habe, bilde ich mir gar nichts ein. […] Daß ich aber in meinem Jahrhundert in der schwierigen Wissenschaft der Farbenlehre der Einzige bin, der das Rechte weiß, darauf tue ich mir etwas zu gute.” De enige die weet waar het om draait als het om de kleurenleer gaat. In elk geval was Goethe de eerste. Na hem waren er meer die zich bezighielden met de (psychologische) inwerking van het licht.

Onder hen was de visionair Paul Scheerbart (1863-1915), in zijn Berlijnse jaren onder meer bevriend met Paul van Ostaijen en Walter Benjamin, die met zijn boek over glasarchitectuur grote invloed had op de architect Bruno Taut (1880-1938). Scheerbart had zich laten inspireren door de gotische kerken en het gekleurde licht door de gebrandschilderde ramen. Ieder moment op de dag is het uitzicht anders, althans voor wie het ziet. Bruno Taut maakte met zijn input buitengewoon interessante ontwerpen.

Ook Leo Ikelaar was onder hen. Hij studeerde in de jaren vijftig en zestig Duitse taal- en letterkunde, schreef een studie over Goethe’s Werther in relatie tot de zelfmoordgolf die na de verschijning van de roman door Europa ging. Dat niet alleen, ook hij verdiepte zich in de glasarchitectuur van Scheerbart en de (psychologische) inwerking van het licht. In 1996 bezorgde Leo Ikelaar de briefwisseling tussen Paul Scheerbart, Gottfried Heinersdorff, Bruno Taut en Herwart Walden.

Vanuit zijn huis kijkt Leo Ikelaar iedere dag uit op de Westerkerk, ziet er de zon op- en ondergaan. Het licht verlaat hem nooit in het huis dat hij met eigen handen renoveerde. Net zo min als de boeken waaronder het, naar zijn zeggen, “onrechtmatig toegeëigende exemplaar” van Max von Boehn. Toen hij het boek onlangs nog eens raadpleegde voor zijn publicatie over Goethe, Werther en de zelfmoord bleek het inhoudelijk onbruikbaar. “Het was niets meer, maar ook niets minder dan een koffietafelboek, met gekleurde prenten, afgedekt met zacht zijdeachtig papier.”


Een lezer stuurde mij naar aanleiding van bovenstaande tekst een toepasselijk citaat van T.S. Eliot. Ik geef dat graag door: “In an old house there is always listening, and more is heard than is spoken. And what is spoken remains in the room, waiting for the future to hear it. And whatever happens began in the past, and presses hard on the future.”

Thomas S. Eliot in The Family Reunion


 
 
 
 
 
 
 
 

© bookmanager 2022 – bronnen en aantekeningen

oktober 13th, 2022 by Jaap de Jong

Kijkend in de spiegel en je afvragen: “ben ik een boeddhist?” Over Miskotte en Vestdijk

Igor Cornelissen vroeg mij rond 2020 eens of hij Miskotte moest gaan lezen. Zo maar, vanuit het niets. Van mij moet iemand nooit iets – behalve dan dat de ober op tijd de koffie aanreikt – maar ik verheelde mijn enthousiasme niet. Ik dacht aan allerlei, maar vroeg helaas onvoldoende door. Te veel pratend vanuit wat ik in Miskotte waardeerde. Dat was vooral zijn ‘bevindelijkheid’, zijn meanderend schrijven, zijn innerlijkheid. De dagboeken zijn daar een uiting van: het binnenste buiten. Innerlijkheid dus die hij op prachtige wijze op papier weet te krijgen. Maar er zijn zoveel kanten die Miskotte laat zien. Ik was indertijd wat minder gericht op zijn actieve politieke (en door Karl Barth geïnspireerde) denken. Maar misschien zijn dat wel twee zijden van eenzelfde medaille en behoorde ik tot de “halven”. Ja, dat laatste is eigenlijk wel zeker.

In De toekomst der religie stelt Vestdijk dat het mystiek-introspectieve type het meest tegemoet komt aan de religieuze behoeften van de moderne mens. Dat type zou volgens Vestdijk binnen het christendom dominant worden. Ja, schrijft hij ergens, de verschillen tussen boeddhisme en christendom zullen zo minimaal en subtiel zijn dat de ware christen, nog maar net fris uit het bed en uitgeslapen, in de spiegel kijkt en zich afvraagt: “ben ik eigenlijk niet een boeddhist?”

Ik had dat vanmorgen ook.

Ik moest juist aan dat citaat denken toen ik vanochtend een paar passages uit de dagboeken van Miskotte herlas. Juist de zelfbeschrijving van Miskotte voldoet aan het mystiek-introspectieve type, dat Vestdijk beschrijft. Ik heb mij ook meerdere malen afgevraagd waarom Miskotte zo fel van het leer trok tegen De toekomst der religie van Vestdijk. In analyses wordt tenminste telkens weer de nadruk gelegd op de tegenstelling. Alsof Miskotte juist de vertegenwoordiger zou zijn van het dogmatische, metafysische type: de dogmatische christen. Dat lijkt mij niet. Maar misschien was er bij Miskotte in later jaren toch sprake van een ontwikkeling naar dat laatste type.

Vermoedelijk stond Miskotte in de jaren dertig veel dichter bij dat mystiek-introspectieve type. Dat is trouwens wel zeker en Miskotte zegt het expliciet. Feitelijk staat het dagboek, net zoals zijn beroemde gemeenteblaadje van Kortgene, vol met mystiek-introspectieve observaties. Maar dat niet alleen. Miskotte was ook op de buitenwereld gespitst – het opkomende fascisme en het altijd blijvende antisemitisme – en las in de zomer van 1934 Ter Braak, hoogstwaarschijnlijk zijn Politicus zonder Partij van Menno ter Braak [waarover ik toevallig afgelopen week een stukje schreef]. Die essaybundel was immers net uit en de kenmerken die Miskotte geeft komen overeen met de inhoud van die bundel. Hij schrijft op 5 juli 1934:

“Rondom Mauperhuis, ons vossenhol, dwaal ik, in verlegenheid wat te zeggen op Ter Braaks vrolijke scepsis en eenvoudige mens-dierlijkheid. Hij maakt geen ernst met de oude vragen. Ik allicht ook niet, maar het typische is, dat ik in het bos gezeten, verzadigd van de stilte, opgenomen in de heilige aandacht en nog stijgende tot een heiliger onverschilligheid, àfzie van alle reflectie en projectie, terwijl Ter Braak, ‘christelijk’ blijft, actief, verantwoordelijk zich stelt. Ik, orthodox christen, voel de zuiging van het pantheïsme eerst, dàn de tegenstroom die overwinnen gaat; het boeddhisme [cursief en vet van mij, JON]; hij nietzscheaan en nihilist, werpt zich door een keuze van christelijke allure tegen de verwildering in.”

Die aanval van Miskotte op Vestdijk was misschien veel meer een uiting van een worsteling met zichzelf, met zijn complexe binnenwereld, met de aantrekkingskracht die “het Al-Ene” op hem uitoefent. Een man, niet uit één stuk – hoewel tegelijk ook onverzettelijk tegen het nazisme – gelijkend op een mens.

De tijd van Kornelis Heiko Miskotte en Simon Vestdijk komt en is nu.


oktober 12th, 2022 by Jaap de Jong

Karl Barth en de openbaring van Henk van Randwijk

Ik was vanmiddag bezig met boekendozen te verplaatsen en dat niet alleen: ik sorteerde ook de inhoud van die dozen. Op enig moment kwam ik de 31 deeltjes (minus 1) van de Studienausgabe van Karl Barth tegen. Bij het lezen van zijn naam was ik terug in de jaren tachtig: bij de godsopenbaring van H.M. van Randwijk, de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband en de bibliotheek van een gereformeerd predikant in Roemenië.

Ik ben zeker geen ingewijde in de theologie van Karl Barth, noch heb ik plannen dat te worden. Wel las ik vroeger zijn Nederlandse adepten, met name Buskes en Geelkerken. En toen ik in einde december 1989 met het eerste konvooi in Roemenië was bezochten we de voorganger van een Hongaars Gereformeerde Kerk die Nederlands sprak. Een deel van de bibliotheek van die predikant bestond uit boeken van Buskes en Barth en ik herinner mij dat ook de theoloog Van Niftrik er bij stond. Mijn interesse en sympathie ging in die jaren uit naar de groep die zich met Geelkerken in 1926 verenigden als de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband. Zij werden door de Kuyperianen uit de Gereformeerde Kerken gestoten, omdat ze niet overtuigd waren dat de bijbel letterlijk moet worden uitgelegd: “had de slang nu wel of niet gesproken tegen Eva op die prachtige nazomermiddag in september?”, zo wilden de synodeleden weten. En ze vroegen om een categorisch antwoord. Ook toen was de werkelijkheid voor sommigen binair.

Zelf ben ik er nochtans zeker van dat de slang nog steeds spreekt. Ik hoor hem elke dag opnieuw sissen, maar dit geheel terzijde.

De voorman van Vrij Nederland, de schrijver-journalist Henk van Randwijk, was in de jaren dertig lid van dat kerkgenootschap. Veel leden stemden vóór de oorlog op de Christelijk-Democratische Unie, een progressieve partij die in 1946 opging in de Partij van de Arbeid, mede gestimuleerd door de theologische denken van Barth dat de christelijke en seculiere leefwereld verbond. En vanuit de Barthiaanse theologie kon je christelijke partijen en de door hen gevolgde politiek, gewoon zien als een vorm van heidendom: Religion ist Heidentum, zegt Barth ergens. Ik denk wel dat Barth en zijn adepten mij hielpen om door te breken 😉

Van Randwijk was bevriend met Buskes die in mei 1966 ook zijn rouwdienst leidde. In die dienst stond de psalm centraal die van Randwijk zo prachtig vond. In een interview vertelt hij dat hij altijd weer “gepakt werd door de centrale boodschap van het christendom dat, wie wij God noemen, barmhartigheid is. Vaak op een onnaspeurlijke wijze en lijnrecht in strijd met de werkelijkheid die we zien. Maar het diepste geheim van de kosmos is geen vijandschap, geen wreedheid, geen ongenaakbaarheid, maar barmhartigheid. ‘Hij is het die ons Zijn vriendschap biedt’, staat er ergens in de psalmen en dat vind ik zo wonderbaarlijk mooi. Zo mooi dat je je eigenlijk niet kunt voorstellen dat dit in een mensenbrein is opgekomen. Dus zal het, verdorie, toch nog een openbaring zijn.”

Ik vind het inderdaad ook een prachtige uitspraak, al weet ik verder niks van al die andere diepe geheimen van de kosmos. Hoewel geen ingewijde, denk ik dat de uitspraak van Van Randwijk – zou het dan toch openbaring zijn?” – een typisch door Barth geïnspireerde uitspraak was: Kennis van God komt niet door ervaring van de wereld maar door openbaring van buiten de wereld, zo meende Barth.

Enfin, u kunt het allemaal nalezen in de delen 2 tot en met 4 van de Studienausgabe van het werk van Barth en vast ook nog wel in andere delen waarin Die Offenbarung Gottes ter sprake komt.


oktober 11th, 2022 by Jaap de Jong

Johan Huizinga en de onvergeeflijke zonde tegen de Heilige Geest

Afgelopen week kreeg ik vrijwel gelijktijdig twee titels in handen. In de schaduwen van morgen en de vierdelige reeks met de briefwisseling tussen Menno ter Braak & E. Du Perron (brieven tussen 1930-1940). Die briefwisseling bevat een schitterend register. Ik was benieuwd of in die briefwisseling tussen de heren Ter Braak & Du Perron en ook bij Johan Huizinga iets te vinden zou zijn over het essay ‘Een zonde tegen de Heilige Geest’ in Politicus zonder Partij (1934) van Menno ter Braak. Immers, waar hebben twee, nogal cerebraal ingestelde, heren het anders over dan over boeken? En dat was ook zo. Niet alleen in de briefwisseling, maar ook In de schaduwen van morgen stond iets over het befaamde opstel ‘Een zonde tegen de Heilige Geest.’  Befaamd bij mij en nog drie anderen in het land.

In de schaduwen van morgen van Johan Huizinga (1872-1945) verscheen begin oktober 1935 en kreeg in dat jaar nog drie herdrukken. Mijn exemplaar (zesde druk, 1936) werd gekocht door Robert Batten (1902-1990), notaris te Middelburg (actief tussen 1934-1970) die – afgaand op het exlibris – hield van moderne componisten als Eric Satie en Maurice Ravel, meer nog dan van het opmaken van notariële akten voor eerzame weduwen die eenzaam in de linkerhoek van zijn kantoor staan. Althans volgens het exlibris, dit natuurlijk geheel terzijde.

Het boek In de schaduwen van morgen is beroemd geworden als “diagnose van het geestelijk lijden van onze tijd.” Het begint met de constatering dat we in een bezeten wereld leven, waarin de motoren nog draaien en de vlaggen nog wapperen, maar de geest is geweken. Het eindigt met de wens dat jongeren die wereld niet laten ondergaan, “maar haar weer doordringen met geest.”

Die laatste woorden uit het essay waren volgens de Groninger historicus Wessel Krul zonder enige twijfel ook tot zijn achterneef Menno ter Braak (1902-1940) gericht. Op 1 augustus 1935, direct na de voltooiing van In de schaduwen van morgen, had Huizinga een commentaar geschreven op de essaybundel Politicus zonder Partij van Menno ter Braak. Zij hadden elkaar nog recent gesproken en Ter Braak had Huizinga daarop zijn bundel gestuurd met het verzoek vooral het vierde hoofdstuk (“Een zonde tegen de Heilige Geest”) te lezen.

Die essaybundel is zonder meer Nietzscheaans en het vierde hoofdstuk maakte indertijd veel indruk op mij. Nooit was mij door predikant, ouderling of theologisch handboek duidelijk gemaakt wat toch die onvergeeflijke zonde tegen de Heilige Geest zou zijn waarvoor geen vergeving is. Wel vertelden ze mij dat mensen die vrezen die zonde te hebben gedaan, die juist niet hebben begaan. Ik denk dat ik het nu wel weet: wie vreest gelooft in de betekenis van woorden. Kan hij die niet vreest in vrede leven met de heilige geest? Of helderder: bestaat er iets als heiligheid, geest of is er alleen belang?

Ter Braak maakt in het opstel Een zonde het punt dat woorden slechts belangenbehartigers zijn van hen die een zaak voorstaan waarin dat eigen belang centraal staat. Feitelijk zegt hij dat waarheid maar een woord is. Als dat doordringt dan resteert de ironie als wapen, terwijl op de achtergrond de afgrond van een nihilisme opdoemt dat het mijne niet is. Zijn vriend E. du Perron vond het essay van Ter Braak minder geslaagd. Hij stelt in zijn brief van 27 april 1934 dat Ter Braak tè koppig, tè opruiend, tè apodictisch en aprioristisch wordt ‘zonder hoogte.’ Huizinga was echter diep onder de indruk van Een zonde. Aan zijn zoon Leonard Huizinga (1906-1980), schrijver en journalist bij het Algemeen Handelsblad, schreef hij op 1 augustus 1935 dat hij het hoofdstuk Een zonde briljant vond, maar het toch verwierp vanwege het negativisme. Bovendien kon, zo stelde Hujizinga, Ter Braak zich niet aan de regels van het (taal)spel onttrekken zonder zijn eigen stellingname te schaden. Die opmerking van Huizinga over de ietwat paradoxale aanpak van Ter Braak was minstens zo briljant.

Het compliment en het verwijt kwam Ter Braak via Leonard Huizinga ter ore, maar hij gebruikte de reactie van de Leidse historicus niet in het openbaar. Toen de wereld negen decennia jonger was stond de journalistiek niet voor minder grote uitdagingen dan vandaag. Huizinga was geen pessimist, zegt hij zelf. Hij eindigt positief over de jonge generatie. Die schijnt “open, ruim, spontaan, vaardig tot genieten maar ook tot ontberen, snelberaden, moedig en van grote zin. Zij is lichter geschoeid dan de vroegere waren.”

Vandaag is men nog lichter geschoeid, denk ik wel eens. Voordeel is natuurlijk wel dat je, waar nodig, sneller kunt gaan. Maar ik mis de stilstand en verdieping. Die is voorhanden, maar niet vanzelfsprekend en wordt ook al niet aangemoedigd door de politiek. “Méér licht”, sprak Goethe op het laatst. Méér geest, zegt Huizinga, die zichzelf geen cultuurpessimist, maar een optimist noemde. Menno ter Braak koos uiteindelijk wel degelijk partij tegen de ongeest.

Woorden doen ertoe en voor spindoctors en de marketeers-zonder-inhoud is geen vergeving.


Braak, Menno ter (1962-1967). Menno ter Braak | E. du Perron. Briefwisseling 1930-1940. Amsterdam: G.A. van Oorschot.

Nr. 4500 - 115. I.z.g.st., uit de collectie Igor Cornelissen, met noten, register. 4 dln., blauw linnen met gouden belettering (rugtitel), met verantwoording, tekstverzorging en annotaties van H. van Galen Last. Gebonden door Elias P. van Bommel, in deel IV zit een scheurtje in het stofomslag, € 50.00
Huizinga, Johan (1936). In de schaduwen van morgenEen diagnose van het geestelijk lijden van onzen tijd. Haarlem: Tjeenk Willink.

Nr. 4501 - 115. I.g.st., wel ietwat roestig, hardcover, 230 pp.. Uit de collectie van Wessel ten Boom, met exlibris van R. Batten, notaris te Middelburg (actief 1934-1970), blijkens het exlibris liefhebber van de componisten Eric Satie en Maurice Ravel. Ontwerper exlibris: Cor de Wolff (1889-1964), wordt verzonden als brievenbuspakket, € 15.00
oktober 3rd, 2022 by Jaap de Jong

De nieuwe mens en het oude boek: antiquariaat Pfann en de Oudemanhuispoort

De journalist Igor Cornelissen (1935-2021) liep regelmatig langs de boekenstalletjes in de Oudemanhuispoort te Amsterdam. In De brieven aan Colijn beschrijft hij op zijn eigen wijze – de literair-documentaire methode – de voornamelijk joodse boekhandelaren die rond 1900 de boekhandel in de Poort bepaalden. En dat niet alleen. Hij vertelt, via zijn alter ego journalist Ernst Stempher, over de eerste aankoop in de Poort. Volgens mijn gegevens was dat De oorsprong van het Christendom van de marxist & sociaaldemocraat Karl Kautsky (1854-1934), één van de strevers naar een nieuwe mens en een nieuwe maatschappij. Cornelissen kocht het boek van Kautsky op 27 april 1960 in de Oudemanhuispoort. Die datum staat althans in het betreffende boek. Overigens kocht hij het niet bij de beroemde boekhandelaar Hendrik Daniël Pfann sr. (1889-1957), want die was immers al drie jaar eerder overleden. Hij komt wel ter sprake op de pagina’s waar Cornelissen de situatie in de Oudemanhuispoort karakteriseert:

“Hoe lang stonden op die plek al niet de boekverkopers? Rond 1900 was de handel een vrijwel joodse aangelegenheid geweest. David Blok had er gestaan en Joep Emmering, de intellectueel onder de boekhandelaren die later een antiquariaat op het Rokin begon. Barend Frank had er boeken verkocht net als Van Kollem. Het langst had Barend Boekman, oom van de socialistische wethouder Emmanuel Boekman, er gestaan.

Generaties studenten waren door de Poort getrokken. En wetenschappelijke medewerkers. En professoren, toeristen en gewone kopers. Stempher kwam er al dertig jaar. Hij wist nog welk boek hij er het eerst had gekocht. Dat was De oorsprong van het Christendom van Karl Kautsky, vertaald door Herman Gorter. Drie gulden en vijftig cent had hij er voor betaald. Er werd boeiend in beschreven hoe Jezus als aanhanger van de opstandige sekte der Esseners wel moest revolteren tegen de autocratische joodse priesterkaste. Het boek, dat nog steeds gold als een klassiek voorbeeld van historisch-materialistische geschiedschrijving, kostte nu zeker het twintigvoudige. Het leek hem echter niet het moment om de secretaresses te vermoeien met zijn vroegere vondst in de Poort. Wat kon hen Kautsky en diens Oorsprong schelen?”

Iets verderop in De brieven van Colijn wordt een verhaal van de illustere boekenfamilie Pfann vertelt. Hendrik Daniël Pfann stond sinds 1925 in de Poort. Geliefd was hij niet onder de handelaren, omdat hij op veilingen nogal “hyena-achtige methoden” gebruikte of in elk geval niet meedeed aan het stromanspel van andere bieders.

Ik verklap niet alles, maar voeg wel een verhaal toe over het antiquariaat van Pfann. Of beter, meer dan één verhaal, maar uiteraard wel in één groots verband: Ecce Homo

Hendrik Daniël Pfann had in 1939 (of wellicht eerder) een antiquariaat op de Grimburgwal 15. Er waren ‘klanten’ die alleen al bij het horen van de naam Pfann schrik kregen. Zo vertelt Hans van Straten in Maatstaf over een ontmoeting met een man die als student een boek bij antiquariaat Pfann op de Grimburgwal stal. Mooi om te verkopen, misschien wel in De Poort. Hij had zich echter mis gerekend en de antiquaar Pfann verkeerd getaxeerd. Pfann was niet de blinde vink waar de student hem voor hield.

‘Ik ben ook student geweest,’ zei de man in het hoekje naast de bar, ‘maar ik had geen geld. Toen heb ik een keer een boek gestolen in het antiquariaat van meneer Pfann aan de Grimburgwal. Ik dacht dat hij het niet had gezien. Ik was daar zo zeker van, dat ik er de volgende dag weer heen ging. Meneer Pfann zag mij binnenkomen. “Leg je hand hier eens neer,” zei hij en wees op de rand van de tafel.

Ik deed het.

Hij zei: “Weet je wat wij doen met boekendieven?” Ik dacht, waar wil die man naar toe? Bliksemsnel greep hij uit een la een mes en zette de punt op mijn hand.

“Dit!”

Ik schrok ontzettend en holde de winkel uit. Ik wist niet hoe gauw ik die Grimburgwal achter mij moest laten. Het heeft jaren geduurd voor ik daar weer een voet durfde zetten.’

De dochter van Hendrik Daniël Pfann, Trijntje Maria Pfann (1915-?) kortweg Truus, trouwde in oktober 1939 met de schrijver en uitgever Samuel Barends (1915-2008). Samuel Barends vond dat zijn voornaam te joods was, veranderde die in Steven en werd onder meer berucht als de vertaler van Hitler’s Mein Kampf, het boek waarin hij aanstuurde op de creatie van een nieuwe mens. Steven Barends wilde zich inkopen bij zijn schoonvader Pfann en de boekwinkel op de Grimburgwal overnemen. Steven Barends woonde met zijn vrouw Truus boven het antiquariaat.

In zijn standaardwerk over het antiquariaat noemt Buijnster Truus “de omstuimige dochter” van H.D. Pfann Sr. Dat lijkt mij niet geheel onjuist getroffen. Truus Barends-Pfann liet zich ook in de poëzie gelden en publiceerde onder de naam Karin Moen gedichten in verschillende kranten. Zo verscheen in De Schouw van 15 juni 1944 het gedicht Soldaten-kind: “haar lijf stond donker en gebogen | in ’t wijkend blauw van avondschemering | en in de duisterende kamer hing | een zoete geur van zacht verblijden.” Het echtpaar Barends-Pfann, dat tijdens de oorlogsjaren twee dochters (Joka en Edda) kreeg, vervreemde tijdens de oorlog van elkaar. Na de oorlog verdween Steven Barends voorgoed naar Duitsland en in 1949 hertrouwde Truus Pfann met de antiquaar Frits van der Wal. Maar dat is een ander verhaal.

Haar vader Hendrik Daniël Pfann liet vanzelfsprekend ook in de marketing merken dat hij van het boek was. In een artikel over Amsterdam (5 december 1940) beschrijft Philip Mechanicus, journalist bij het Algemeen Handelsblad het bord dat boven Grimburgwal 15 hing: In ’t Oude Boeck daar kunt ghij lesen | hoe dat de nieuwe Mensch zal wesen | Dus wandelaar loop Hier niet voorby | Doch koop dit Oude boeck van mij. Het bord met het gedicht werd, zo las ik ergens, op marktdagen meegenomen naar de Oudemanhuispoort. Wanneer echter iemand een prent bij Pfann wilde kopen en naar de prijs informeerde met de zin: “wat kost dat ding?” kreeg hij nul op zijn rekest. Een prent is geen “ding”. En dat is ook zo.

Hendrik Daniel Pfann was, zo schrijft Cornelissen, een godvrezend man die op zondag in de Oude Kerk collecteerde en in 1957 met gezang van het Leger des Heils ten grave werd gedragen. Het oude boek uit het gedicht was, hoe kan het anders, een bijbel die overigens ooit verkocht werd door Hendrik Daniel Pfann Jr. (1911-1974). Hij had een, in zijn ogen, absurd hoge prijs genoemd. Tot zijn schrik hapte de klant toe. Thuisgekomen vertelde hij onder tranen het voorval. Later kon hij de bijbel tegen dezelfde prijs terugkopen omdat de toenmalige koper in financiële nood was geraakt.

Ook daarna kwam er geen einde aan de verbinding tussen boek en bijbel, want kleinzoon Henk Pfann (1940-2006) fietste tijdens zijn bakfietstochten altijd achter de Heilige Schrift zelf aan. Nog geen twintig jaar geleden, tot zijn dood, zag men hem in gans Amsterdam rondfietsen met zijn bak in de vorm van een bijbel.

Tot op het einde in 2006 behield Henk (Hendrik Daniël) Pfann, de laatste loot uit het antiquariaatsgeslacht Pfann, zijn stal in de Oudemanhuispoort.


Of alles klopt wat hierboven staat? Uiteraard, zo is genoemd boek (De oorsprong van het Christendom) van Kautsky – in combinatie met boeknoot 89 – inderdaad meer dan twintig keer zo duur als toen: voor € 55,00 kunt u het exemplaar hier bestellen (uiteraard incl. boeknoot 89).  Niet meer leverbaar.

De bijpassende boeknoot 89 (oplage: drie exemplaren, met romeinse nummering en cahiersteek, geïllustreerd en gesigneerd) is in voorbereiding en verschijnt medio oktober. In boeknoot 89 is ook het notenapparaat van De nieuwe mens en het oude boek opgenomen. De koper van Oorsprong ontvangt nummer I van boeknoot 89.

Boeknoot staat voor de cahierserie (gebonden met cahiersteek, geïllustreerd, genummerd en gesigneerd, beheer & uitgave door antiquariaat In 't Wasdom) waarin een verhaal wordt verteld rond een bijzonder boek.
september 28th, 2022 by Jaap de Jong

Over de bloemen van het kwaad en de fierheid van Brasillach

Tussen 1945 en 1959 huurde Jacques Bloem (1887-1966) een verdieping van het Witsenhuis bij het Vondelpark in Amsterdam. Hij was de onderbuurman van Bert Voeten (1918-1992) en Marga Minco (1920-). Hun dochters Jessica en Bettie kregen van Bloem af en toe een glazen fles met zuurtjes onder de neus, “want om nu alcohol te schenken aan een kind; dat ging zelfs voor Bloem wat ver …”, zo vertelde Jessica Voeten mij tijdens een interview.

Toen Nescio een keer langs het Witsenhuis fietste, zag hij Bloem voor het raam schuifelen en noteerde dat “Bloem (…) nog altijd aan het Oosterpark [zit], zo’n beetje te dichten achter de clivia’s”. Bloem dronk dan wel het een en ander, maar schreef in de late jaren vijftig inderdaad nog wel eens een gedicht. Het gedicht Robert Brasillach dateert uit 1957. Ik kwam het gedicht vanmorgen tegen in Onze vooroorlogstijd van Robert Brasillach (1909-1945), waarin de memoires van deze notoire antisemiet staan. Een naoorlogse tijd kreeg Brasillach niet, daar hij in 1945 vanwege zijn misdaden berecht werd en terechtgesteld. Jacques Bloem stond overigens ook bekend vanwege zijn antisemitisme, hoewel hij in de oorlogsdagen van 1940 naar eigen zeggen ‘vanwege de tijdsomstandigheden’ pro-semiet zou zijn geworden.


Robert Brasillach

Waartoe gerechtigheid verwacht | Daar de ongerechten de ongerechten | Berechten en elkaar bevechten | Tot de een heeft de ander omgebracht

En beiden zinken in een nacht?

Nochtans, ‘zo draait de wereldkloot’ | Door zon en maan om beurt beschenen | En wie er op wiens lichaam stenen – | Wat deert dit de gemene dood?

Niets redt dan fierheid uit die nood.

Jacques Bloem


“Niets redt dan fierheid uit die nood,” zo luidt de laatste regel van het gedicht van Bloem. Brasillach weigerde geblinddoekt te worden toen hij in het vroege voorjaar van 1945 werd gefusilleerd. Dat mag dan misschien fier zijn geweest. De toespraken van Brasillach waren en zijn vulgair en hij ontziet niets en niemand. In zijn Je suis partout bepleit hij dat joodse kinderen onder de twaalf jaar niet over het hoofd moeten worden gezien bij de wegvoering.

Maar misschien bedoelde Bloem iets anders met fierheid.

Vijfendertig jaar is Robert Brasillach (1909-1945) als hij op 19 januari 1945 voor zijn rechters staat. Hij wordt berecht voor collaboratie met de vijand, vanwege zijn propaganda voor de Duitsers. En dat niet alleen; hij stond daar ook voor zijn antisemitische tirades en oproepen tot executie van communistische tegenstanders. Het is allemaal niet mis wat hij deed. Misdeed.

Nochtans schrijft hij niet, niet altijd, onaardig.

Brasillach reist in de jaren dertig door Europa en bezoekt Monnikendam en Amsterdam en vaart met andere toeristen over de Zuiderzee. In Amsterdam loopt hij door de rosse buurt en daar, aan de Oude Zijds, “ontdekten wij de onbevangen Hollandse prostitutie, waar in de huizen beneden een of twee droefgeestige vrouwen wonen.” En verder hoorde Brasillach het getinkel op een melancholieke piano en het gebral van matrozen. En niet te vergeten: bleke vrouwen in fletse paarse peignoirs. Het doet hem allemaal aan Baudelaire en de bloemen van het kwaad denken.

“Onbevangen Hollandse prostitutie”. Observeren is een moeilijk ding, hoewel droefgeestigheid en “bleke vrouwen in fletse peignoirs” geloofwaardige zaken zijn. Ik ga het niet nazoeken, maar ik herinner mij dat Paul Auster poëtischer over Parijse nachten en Franse prostituees, die tijdens “Het Hele Erge” Baudelaire citeren, schrijft. Dit terzijde, het zal de Parijse lichtzinnigheid zijn.

Die lichtzinnigheid is echter juist geen punt voor Brasillach. “Lichtzinnigheid is het beste deel van ons bestaan”, schrijft hij. Hij was er zeker van “de dertig niet ver te zullen overschrijden. Soms denk ik met ergernis aan de dood. Soms denk ik dat het ook maar beter is om niet oud te worden, je buik te zien zwellen, je tanden te zien rotten, het Legioen van Eer… Je moet alleen voordien wel geleefd hebben.”

Hoe het op 6 februari 1945 met zijn buik en tanden stond, weet ik niet, maar op die dag werd Robert Brasillach op het fort Mont-rouge bij Parijs gefusilleerd. Hij was nog geen zesendertig jaar. Ondanks een petitie, die onder meer door Colette, Paul Valéry, Albert Camus en Jean Cocteau, werd ondertekend, verleende De Gaulle hem niet de gevraagde gratie.

Een kapot leven. Bedorven.  Fierheid moet iets anders zijn.

september 24th, 2022 by Jaap de Jong

Een te grote broek. Over Irma la Douce en Bernard Canter

Afgelopen vrijdag stond er bij mijn kraam een jonge vrouw. Ze had een grappig hondje, een poedeltje, aan de riem en een rood bandje in haar hand. Het poedeltje kreeg alle ruimte en kroop onder de boekenkraam. Toen het poedeltje mij zag, begon het beestje te keffen. Ik begrijp dat. Als ik die hond zou zijn en mij zou zien, zou ik ook keffen.

Alles aan de vrouw deed mij denken aan de hoofdrolspeelster uit de film Irma La Douce (1963) van Billy Wilder: haar zwarte haren, het rode bandje en het poedeltje. Anders dan in de film was ook het hondje zwart. Maar dat gaf niks, bedacht ik, dat zou van de modder kunnen zijn. Met die dromerijen leek ik wel een beetje op die andere hoofdrolspeler, de kersverse – net naar Parijs overgeplaatste – politieagent Nester Patou die allesbehalve van de wereld was.

De vrouw bladerde minutenlang in een boek dat nog uit de Eerste Wereldoorlog afkomstig was. Toen keek ze op, kruiste mijn blik, lachte haar tanden bloot, legde het boek neer en wandelde weg met de poedel in haar armen. Ik keek ze na en voelde mij een beetje als de verhalenverteller Lou Jacobi, barman met hoed en wandelstok, die in diezelfde film kopje onder gaat in een Parijse gracht. Ik heb daar een actieve herinnering aan, “but that’s another story.” Jacobi was er wel bij, maar zat er toch niet in.

Ik zag de film Irma La Douce in de vroege jaren negentig. Het was aan het einde van de jaren dat ik nog vreesde dat het dak van de bioscoop zou instorten als ik daar naar binnen zou gaan. Op de dag dat die vrees verdween, verloor ik iets en won iets anders. Maar ook dat is een ander verhaal.

Het was niet zomaar een oud boek waarin Irma La Douce bladerde bij die boekenkraam op ’t Spui. Het was een boek van Bernard Canter (1870-1956). Igor Cornelissen, verzamelaar van het werk van Canter, beschrijft hem in een Voetnoot als een kleine man met een te grote broek. Treffend en raak. Iedereen, bijna iedereen, die zichzelf kent weet dat ‘ie meestal een te grote broek draagt.

september 7th, 2022 by Jaap de Jong

Uit het raam kijken: Henri Roorda en het vrolijk pessimisme

Hoe het boekje Het vrolijk pessimisme van Henri Roorda (1870-1925) in mijn boekenverzameling terecht kwam kan ik mij niet precies herinneren. Het zal te maken hebben met leesavonturen in boeken van andere vrijdenkers en anarchisten als Multatuli, Domela Nieuwenhuis of Alexander Cohen. De laatste zwabberde – afgaande op de titels die zijn boeken kregen – van uiterst links naar uiterst rechts. De term vrijdenker is sowieso nogal bedenkelijk; mijn denken wordt na twee glazen wijn wat minder scherp en zonder fosfor zijn er in het geheel geen gedachten, zo begreep ik van iemand die zegt het te weten.

Henri Roorda stamt uit een oud Friese familie: de Roorda van Eysinga’s, een geslacht dat nogal wat dominee’s op de markt zette. Zijn vader Sicco Roorda (1825-1887) kreeg vanwege zijn gedicht Vloekzang, de laatste dag der Hollanders op Java, een noot in de Max Havelaar en bovendien onmin met de Nederlandse regering. Dat laatste stond niet los van zijn brochure tegen Willem III, die hij als Koning Gorilla ten tonele voert, waarin hij hem beschuldigt van machtsmisbruik, seksuele uitspattingen, mishandeling en dronkenschap. Het is natuurlijk erg als het niet waar is. Als het wel waar is, is het ook erg. Met zo’n vader word je – dat kan niet anders – pessimist, maar in Henri’s geval “een vrolijke pessimist”.

Sicco Roorda verhuisde met vrouw en gezin naar de oevers van het meer van Genève. Zijn zoon Henri woonde zijn ganse volwassen leven in Lausanne, erft de satirische pen van zijn vader en heeft net als hem een gat in zijn hand. Als jong student staakt hij in 1892 zijn ingenieursstudie en wordt wiskundeleraar. Reden is dat hij de familieschulden moet helpen delgen. Als docent hekelt hij het Zwitserse onderwijssysteem. Naast het docentschap schrijft hij columns voor de krant. Humoristische stukjes. Het lijkt wel alsof Simon Carmiggelt zijn pen doopte in de inktpot van Roorda.

Zo is er een verhaal waarin Roorda betoogt dat er niets gebeurt als we voor het raam staan en dat we daarom moeten leren houden van wat we nooit te zien krijgen. Ik citeer: “Nadat ik koffie had gedronken, ging ik naar het raam en keek er naar buiten. Vaak genoeg had ik in mijn minuten van ledigheid zo naar de straat gekeken zonder ook maar iets opmerkelijks te zien. Maar ditmaal werd ik, al na een paar seconden gegrepen door het schouwspel dat ik voor ogen had. Vagelijk voelde ik het kapitale belang van wat ik zag. De fundamentele vergissing van heel mijn leven werd me duidelijk. Ik was ontroerd, alsof de waarheid eindelijk mijn geest zou verlichten: de vrijwel uitgestorven straat was stil – er gebeurde niets bijzonders.”

Henri Roorda zou om iets van verandering te zien nog wel tweeduizend jaar voor dat raam moeten staan, zegt hij ergens verderop.

“Menselijke samenlevingen zijn voortdurend in ontwikkeling. Maar wanneer zien we de Nieuwe Maatschappij? Morgen? Volgende week? Over een jaar? Hadden we geen boeken waarin de geschiedenis voor ons wordt samengevat, dan zouden we geen flauw benul hebben van het belang van gebeurtenissen die verstrekkende gevolgen hebben gehad voor het leven van mensen. Om te kunnen zien hoe de wereld verandert, zouden we tweeduizend jaar aan ons raam moeten blijven staan. Laten we niet rekenen op de vernieuwing van het schouwspel en laten we proberen gevoelig te zijn voor de schoonheid van wat we elke dag zien. Of laten we anders leren te houden van wat we nooit te zien zullen krijgen.”

Dat is denken èn kijken. Vrij denken al dan niet met fosfor, zonder beneveling.


september 3rd, 2022 by Jaap de Jong

“Dat is niet goed, kameraad Luxemburg” Over de rust van Pannekoek en het hinken van Rosa Luxemburg

In de vuistdikke biografie over Rosa Luxemburg (1871-1919) van J.P. Nettl zit een half afgescheurde kladbloknotitie met daarop de naam van de astronoom en radencommunist Anton Pannekoek (1873-1960). Daarbij staan de pagina’s uit het register van de biografie waarin Pannekoek wordt genoemd.

Vladimir Lenin (1870-1924), in 1920 de kersverse leider van de Sovjetunie, had de pest aan de ideeën van Anton Pannekoek, een invloedrijk theoreticus. Hij schreef in dat jaar een brochure tegen Pannekoek en het radencommunisme: De linkse stroming. Een kinderziekte van het communisme. Ik denk dat die brochure nog ergens in een doos zit.

Ik was benieuwd wat er in de biografie over Pannekoek wordt verteld. Igor Cornelissen, van wie de notitie (en het boek) was, schreef uit het register de pagina’s over waarin Pannekoek wordt genoemd en ging vervolgens kriskras door de biografie heen. Op bladzijde 833 moet hij op de anekdote zijn gestuit die hij nochtans niet opschreef. Die anekdote staat in een uitvoerige brief van Karl Kautsky (1854-1938) aan de auteur Peter Nettl.

Evenmin als Lenin was Rosa Luxemburg gesteld op Anton Pannekoek. Weliswaar was hij haar ijverigste aanhanger als het ging om het debat over de zin en betekenis van de massastaking voor de revolutie. Ondanks haar lyrische brieven uit de gevangenis had Rosa Luxemburg ook enige nare of zelfs wrede trekjes. Eens waren zij en Pannekoek te gast bij Karl Kautsky. Nu was Anton Pannekoek door polio getroffen en droeg een apparaat (ter ondersteuning) aan zijn been. Hij ging hinkende zijns weegs. Bij het vertrek ging Rosa L achter hem staan en gaf hem een duw in de rug, “so dass er beinahe die Treppe hinabgestürtz wäre.” Pannekoek draait zich rustig om en zegt: “dat is niet goed, kameraad Luxemburg.” Het was die rust en waardigheid die Rosa Luxemburg niet kon verdragen; ja, waardoor haar de eigen rust werd opgezegd. Had ze die eigenlijk wel?

Kautsky geeft een psychologisch commentaar op het gebeuren. Rosa Luxemburg was in haar jeugd door een dubbelzijdige heupziekte getroffen en hinkte eveneens. Zij kon het openlijk lichamelijke gebrek bij anderen niet verdragen en vergaf het hen niet. Haar helpers moesten groot en sterk zijn.

Op het schutblad van de biografie verwijst Igor Cornelissen naar pagina 765 met het woord Syphilisbazillus. Dat was het woord dat Ruth Fischer gebruikte om de werking van de ideeën van Luxemburg mee aan te duiden. Er zijn tekeningen en foto’s van de werking van dat bacil op lijf en aangezicht. Ik kan u verzekeren dat het aangenamer is om naar de ondergaande zon te kijken

Enfin, als je het lief zegt, dan schrijf je – zoals Kautsky dat deed – dat Rosa Luxemburg een persoonlijkheid was met vele facetten en dat fascineert.


augustus 28th, 2022 by Jaap de Jong

Grasresten. Over Walt Whitman en Leaves of Grass

Ook Walt Whitman (1819-1892) was een mens, een vat vol tegenstrijdigheden. Menno Wigman vertaalde van hem een fragment uit de bundel Leaves of Grass (1e editie, 4 juli 1855). Daarin geeft hij die zinderende poel ook zelf toe: ‘Oud ben ik en jong ben ik, dwaas én wijs | Zonder oog voor anderen, steeds vol oog voor anderen | Even moederlijk als vaderlijk, een kind én een man.’ De titel van het boek met autobiografische verhalen is ontleend aan een gedicht uit die bundel.

De dichter Walt Whitman bewonderde president Abraham Lincoln (1809-1865) zeer. In zijn dagboek, twee dagen na de moord op Lincoln, schrijft Whitman dat het karakter van de president bestond uit eerlijkheid, goedheid, schranderheid en integriteit. Het cement dat alles bijeen hield was zijn streven naar eenheid, het Unionisme. Hij was, zoveel is wel duidelijk, vlg. Whitman een kunstzinnige en gewetensvolle persoonlijkheid (Whitman, 2019, p. 98). Nu had Whitman ook wel ideeën over de fysieke uitstraling van een president. Die zou er uit moeten zien als een smid of stuurman, in elk geval stevig bebaard. Die baard was wel een ding, want tot augustus 1860 droeg Lincoln geen baard. Hij had een smal toelopend gezicht en een baard zou hem goeddoen en misschien wel de reden zijn dat hij de verkiezingen zou winnen. Dat meende Grace Bedell (1848-1936) tenminste die hem als elfjarige een brief schreef “if you let your whiskers grow I will try and get the rest of them to vote for you you would look a great deal better for your face is so thin. All the ladies like whiskers and they would tease their husbands to vote for you and then you would be President.” Lincoln zou de raad van Grace opvolgen en liet haar tijdens zijn inauguratie naar voren komen. Een mooie act – al dan niet gespindoktert – en een demonstratie dat hij een president wilde zijn die luisterde. Een nieuwe Lincoln dus, nu als bebaarde president. Grace Bedell kreeg haar zin en Walt Whitman ook.

Lincoln en Whitman kenden elkaar niet persoonlijk, maar president Abraham Lincoln bezat wel een van de eerste uitgaven van Leaves of Grass, de bundel waaraan Whitman tot aan zijn dood werkte. Latere versies van dichtbundel Leaves of Grass bevatten vier gedichten over de dood van Lincoln. Iedereen kent Walt Whitman en frase O Captain! My Captain! al is het misschien alleen via de film. In mijn geval was het vanwege de onvergetelijke film Dead Poet Society (1989) dat ik voor het eerst de naam van Whitman hoorde, maar ik ben dan ook een onbesneden Filistijn.

In zijn proza doet Whitman verslag van de toppen van de schoonheid, maar hij daalt ook af in het dal van de dorre doodsbeenderen. Tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog was Whitman actief als hospik bij de Unie. Het zijn de jaren waarin de gruwel der verschrikking rondwaart. Aan sterfbedden leest hij uit de bijbel voor en verklaart hij kerkelijke leerstukken ook al, zo schrijft hij, “meen [ik] mijn vrienden te zien glimlachen om deze biecht, maar ik heb nooit iets zo ernstig gemeend.” Ik geloof dat.

Op een zondagmiddag bezoekt Whitman een ziekenzaal.  Het is midden in de zomer, drukkend heet en het is stil op zaal. Hij ziet een piepjonge soldaat: “ziek, met de kleren nog aan, [likt hij] te slapen, ziet er erg verzwakt uit, zijn bleke gezicht rust op zijn arm. Aan de gele biezen op zijn tuniek zie ik dat hij een cavalerierecruut is. Ik loop zachtjes naar hem toe en lees op zijn status dat hij William Cone heet, uit het 1ste reg. cavalerie Maine, en dat zijn ouders in Skovhegan wonen.” Whitman zwijgt verder over Cone.

Ik zocht na wat er verder nog te vinden is over William H. Cone (1847-1931). Volgens een dossierkaart bracht hij het er na drie ziekenhuisopnames levend vanaf. Het was wellicht dankzij de schop van een paard waardoor hij kreupel werd aan zijn rechterbeen. In elk geval verliet hij op 1 augustus 1865 de dienst. William Cone was zeventien jaar oud toen hij in 1864 als soldaat bij de Unie kwam. Hij was van boerenafkomst, niet heel erg lang (ca. 170 cm., blauwogig en donker haar). De voornamen van zijn ouders – die inderdaad in Skovhegan, Maine woonden – en zijn zus wijzen wellicht op een Joodse achtergrond (Isaac, Philona en Naomi). William had twee jongere broers (Albert en Wilber). Hij was in het vroege voorjaar van 1864 opgenomen wegens mazelen. Na zijn dienst hervat William Cone zijn werk als boer, blijft ongehuwd en sterft in Bethel op 15 januari 1931, 83 jaar oud. Dat lange leven was een andere jonge soldaat niet gegeven. Die lag, dodelijk gewond aan zijn schedeldak, zodat de hersenen er deels uitpuilen, drie dagen met zijn hak een gat in de grond te graven. Dat gat was groot genoeg voor twee ransels. (Whitman, 2019, p. 75). Walt Whitman was niet alleen ziekenverzorger en stervensbegeleider, hij was ook filantroop die in opdracht van anderen geld gaf aan overlevenden en daarbij een stellige les leert: “dat er onder alle uiterlijke hebzucht en harteloosheid van de huidige tijd bij mannen en vrouwen in de Verenigde Staten een onbegrensde vrijgevigheid en goede wil huizen, mits de bestemming verzekerd is.” Dat geloof ik ook.

Ergens vertelt Whitman over de gruwelijke mishandeling en moord op de leden van een konvooi, gepleegd door partizanen uit het commando van John S. Mosby (1833-1916), bijgenaamd “The Grey Ghost”. Het is een duivelsbende die hij leidt. Ze hebben het vermogen plotseling op te komen en weer van de horizon te verdwijnen. De partizanengroep, zo vertelt Whitman houdt het konvooi aan en sleuren daarna een tweetal officieren van de Unie op hun rug over de grond. Ze takelen het tweetal met zo’n twintig bajonetsteken toe, waarna de voeten aan de grond worden vastgestoken. De zestig gewonden worden eveneens zonder pardon afgemaakt. Whitman vertelt ook over de rechteloosheid bij de Unionisten die later, zeventien gevangen partizanen, leden van dezelfde groep, zonder enige vorm van proces op een pleintje afmaken na hen eerst te vertellen, uiteraard vol ironie, dat ze ‘een kans om te ontsnappen’ zouden krijgen. Er wordt niet gejubeld, bijna niets gezegd, maar ieder lid van het grimmig cordon droeg zijn schot bij. John S. Mosby, verantwoordelijk leider van de partizanen, wist te ontsnappen en bracht het later tot Amerikaans consul in Brits Hongkong.

Hoe krijg je een indruk van een oorlog, zo vraagt Whitman zich daarna af. Wel door dit verhaal met honderdtallen of duizendtallen te vermenigvuldigen en het in alle varianten op uiteenlopende omstandigheden, personen, locaties en tijden te verifiëren. En kleur het dan “met uw schrilste passie, de kwijlende bloeddorst van de wolf, ja de leeuw – de hartstochtelijke, kokende, vulkanen van menselijke wraakzucht om gedode kameraden, van broers – met het schijnsel van brandende boerenhoeven en de hopen walmende, smeulende resten – en voeg daarbij het nog zwartere, helsere smeulen van het mensenhart.” Dan heb je een indruk, een vage indruk, zo voegt hij er nog aan toe (Whitman, 2019, p. 80). Het is evenwel genoeg om er als Jacob en William H. Cone kreupel van te gaan, zo geloof ik.

De titel van de Whitman’s bundel Leaves of Grass werd in het Nederlands vertaald met Grasbladeren. Ik ken geen glasbladeren, Grashalmen (uit 1917) vind ik al beter klinken, maar Verdord gras of Grasresten is mooier. Die vertaling (en interpretatie) herinnert er aan dat wij gras zijn. Maar eigenlijk denk ik dat Leaves of Grass in het geheel niet te vertalen is. Een vertaling blijft steken en steekt niet meer.

Maar waaraan dacht Whitman zelf bij die titel? Het zou mij niet verbazen als het de flarden van Jesaja 40 waren die hem tot die titel brachten: All flesh is grass, and all the goodliness thereof is as the flower of the field: The grass withereth, the flower fadeth: because the spirit of the Lord bloweth upon it: surely the people is grass”

Precies.

Gras zijn we en wat wij nalaten zijn bedrukte bladeren: Leaves of Grass.

augustus 24th, 2022 by Jaap de Jong

Jo Spier en het wonder Gods

Toen rector Dirk Bruins (1854-1926) van het Zutphense gymnasium Jo Spier (1900-1978) het diploma overhandigde voegde hij zijn leerling de woorden toe: “Noem het je héle leven een wonder Gods! Het is dat ik weet, dat je toch voor tekenen doorgaat.”

En dat deed hij: tekenen! Niemand gaf het wit tussen de spaarzame lijnen zoveel betekenis als Jo Spier dat deed, zo schrijft zijn biograaf Van Gelder. Het is jammer dat ik niet over het origineel beschik van de tekening van de IJssel bij Zutphen. Liefst natuurlijk met een spierwitte achtergrond. Dan immers kan ik het Van Gelder zonder enige twijfel nazeggen: het wit betekenis geven tussen de spaarzame lijnen. Jo Spier kon het en wie wil dat eigenlijk niet?

Ondanks de opmerking van de rector deed Jo Spier toch een poging om voor de studie medicijnen in aanmerking te komen, maar dat bleek een bevlieging. Het werd de tekenkunst, zoals de rector hem had gezegd, en dat zou Nederland weten. Hij werd een bekend tekenaar die, zo schrijft Menno ter Braak “in zijn genre een meesterschap [heeft] bereikt dat niemand zal kunnen loochenen, zonder onrechtvaardig te worden.

Een geliefd tekenaar, maar ’t kan verkeren. Ook de NSB-leider Anton Mussert hield van zijn tekeningen en dat betekende dat hij hem tijdens de oorlog onder zijn “bescherming” liet vallen. Hoewel Spier volledig geassimileerd was (en hervormd lidmaat) die met de Vrijheidsbond en Vrijzinnig Democraten was opgevoed, telde dat niet voor de Duitsers. Uiteindelijk kwam hij in het kamp Theresienstadt terecht. Uit de lucht gegrepen geruchten gingen over in valse beschuldigingen van Deutschfreundlichkeit en dat leidde tot hartzeer. Dus toch onrechtvaardigheid. Jo Spier besloot in 1950 te emigreren en bouwde in Amerika opnieuw een succesvolle carrière op.

Vier jaar voor zijn dood vroeg een vriend hem naar zijn geloofsovertuiging. Hem schreef Spier dat hij geloofde dat er ‘één elektrische centrale is met een heleboel stopcontacten, sommige met een kruis, andere men een Davidsschild of een halve maan. De moeilijkheid is om een stopcontact te vinden waar mijn stekker goed in past. Ik ben er nooit in geslaagd (…), maar ik geloof in de elektrische centrale waar de stroom voor ons allemaal vandaan komt.”

Die stekkers met de electriciteitscentrale levert een alleraardigst beeld op, maar mooier vind ik de tekening met de stromende IJssel bij Zutphen. Water en witheid die betekenis geeft: een wonder Gods.


N.a.v. Henk van Gelder (1994). De tekenaar Jo Spier (1900-1978). Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar. Nr. 4281 - 56. Paperback, 156 pp., ill. (tekeningen), met bibliografie, register. Gesigneerd door Henk van Gelder en met opdracht (voor Igor Cornelissen): "voor een collega voetnoot-onderzoeker!". Niet meer leverbaar
augustus 21st, 2022 by Jaap de Jong

“Waarom is dit alles zo?” Een zondagmiddagpreek van Rosa Luxemburg

Ik ben nog niet gevallen voor haar politiek-economische geschriften, heb ze niet bekeken en al helemaal niet bestudeerd. Wel signaleerde ik een aantal mooie aforismen van Rosa Luxemburg (1871-1919). Actueel. Ik leg ze hier neer, omdat het kan: Stijgende dividenden, vallende arbeiders En nog eentje: Vrijheid is altijd de vrijheid van de andersdenkenden.

Ik wil het hier niet hebben over haar politiek-economische inzichten. Wel over de brieven die Rosa Luxemburg vanuit de gevangenis schreef. Die zijn fantastisch. Wat een vitaliteit, schoonheid en zin voor het detail toont zij daarin. Wat een aandacht ook voor de natuur. Leven temidden van leven dat leven wil. Wat is de kern van haar geluk? Wel, dat is de aanvaarding van het bestaan in al haar facetten.

Igor Cornelissen verzamelde haar werk en stond ervoor open om haar boeken, pamfletten etc. in ons antiquariaat aan te bieden. Ik wees hem eind 2020 op haar 150e geboortejaar. Is dat niet een mooi moment? Het kwam er niet van. Eerlijk gezegd, interesseert mij het juiste moment helemaal niets. Wat is nou een juist moment? Met Paulus dring ik aan met het woord, haar woord. Tijdig en ontijdig. Pak het op, leg het op het midden van de tong en zuig er op. Ik citeer uit haar brief van 4 april 1917 aan Sophia Liebknecht (1884-1964), de vrouw van Karl Liebknecht. Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht werden op 15 januari 1919 vermoord.

“Sonjuscha, zoo zou ik altijd bij je willen zijn, je afleiden, met je praten of zwijgen, zoo dat je niet in je sombere, wanhopige tobberijen zou verzinken. Je vraagt op je briefkaart: “waarom is dit alles zoo?” Ja, kind, zoo is het leven altijd geweest, alles hoort erbij: leed en scheiden en verlangen. Men moet het alles aanvaarden en alles mooi en goed vinden. Zoo doe ik het tenminste. Niet uit verstandig overleg, maar eenvoudig omdat mijn natuur zoo is. Ik voel instinctief, dat dit de eenige goede manier is om het leven te aanvaarden ik voel me daardoor onder alle omstandigheden werkelijk gelukkig. Ik zou ook niets uit mijn leven willen missen en niets anders willen hebben dan het is of was. Als ik jou toch tot die levensopvatting kon krijgen!”

Alles te aanvaarden en toch ook doen wat je kunt doen om te veranderen wat niet goed is. Rosa Luxemburg begreep het wat mij betreft.


PS. Henriette Roland Holst signaleert in haar monografie over Rosa Luxemburg de overeenkomst in haar denken met de middeleeuwse filosoof Eckhart. Die verwantschap was, zo weet ik, geen toeval in haar kringen. Zo was Luxemburg bevriend met de Gustav Landauer (1870-1919, eveneens vermoord). Hij vertaalde Meister Eckhart in modern Duits. Ik schreef eerder over de Nederlandse versie van die vertaling van Landauer en de invloed daarvan op ietwat “anarchistische” Nederlandse kringen, o.a. binnen Walden.


Rosa Luxemburg (z.j.) Brieven uit de gevangenis. Laren: Uitgeverij "De Nieuwe Tijd". Vertaling en voorwoord A. Romein-Verschoor. I.g.st., met verkleurd omslag, frontispiece Rosa Luxemburg. Niet leverbaar.

Later meer over/van Rosa Luxemburg. Abonneert u zich op de nieuwbrief die vanaf september a.s. op meer geregelde basis (maandelijks) verschijnt.
augustus 20th, 2022 by Jaap de Jong

Eduard Veterman en de hakkelend openschokkende lotusbloem

Door mijn handen gaat Essais, een egodocument van Eduard Veterman (1901-1946). Hij schreef de bundel in het eerste oorlogsjaar en gaf het boekje in eigen beheer uit.

Veterman was een veelzijdig kunstenaar, actief in de letteren en beeldende kunsten. In de oorlogsjaren nam hij een pseudoniem aan: prof.dr. Eduard Jacques Necker, hoogleraar kunstgeschiedenis. Hij ging in verzet, dook onder en maakte zich tijdens zijn onderduik nuttig door het vervalsen van persoonsbewijzen. Mijn kompaan, Igor Cornelissen, schreef eerder over hem, als ook over zijn tragisch einde dat niet door iedereen werd betreurd.

Essais is in de traditie van Montaigne geschreven, die hij – zoveel is mij wel duidelijk – vooral om zijn psychologisch inzicht zeer bewonderde. Op persoonlijke wijze schrijft hij over liefde, eros, het Iets, het Niets en het Ik. En ook wel over genot. Beter dan genot is echter het geluk. Genot, zo schrijft Veterman, “is een zintuigelijke aandoening, die ophoudt als de zinnenprikkel eindigt. Geluk leeft in onze herinnering voort, zonder na te donkeren.” Herinnering aan genot, maakt weemoedig en machteloos verlangend.

Maar wat is geluk, volgens Veterman? Dat is het resultaat van het ondergaan van twee emoties: benauwenis en bevrijding. Het overkwam hem bijvoorbeeld bij het zien van Droomspel, een toneelstuk van August Strindberg, waarin in het slot de Lotus – symbool voor de omvorming van duisternis in licht, van onwetendheid in inzicht – hakkelend open schokt en Eduard Veterman “in een gonzende roes van geluk” huiswaarts toog. Ik heb wel begrepen dat Jon Fosse in zijn (toneel)werk hetzelfde doet als Strindberg: werkelijkheden, levensfasen, herinneringen en tijden door en in elkaar laten (over)lopen. En uiteindelijk is er er de catharsis, de bevrijding en zuivering.

Emoties, ontroering en liefde. Dat is waar het om gaat, althans vlg. Veterman. En dat alles in een voortdurend spel in het hier en nu waarbij herinneringen geactiveerd worden en het eerder doorgemaakte het heden vernieuwt en verlicht. Wie ontroering en liefde betwijfelt, doet er volgens Veterman dan ook beter aan de wereld te ontvluchten: in eenzaamheid of in de dood.

Het schrijven van Veterman is intrigerend en soms ietwat vaag, maar voor de kenner zal het heldere taal zijn. Dit alles dient dus nader bestudeerd … nee, ervaren te worden.


Nr. 4277. Veterman, Eduard (1941). Essais. Z.pl: eigen beheer. I.z.g.st., hardcover, 112 pp., niet in de handel en "uit de hand gezet en gedrukt door C. Visser te Huizen. Genummerd, dit is nummer 887 (oplage: duizend), met krantenartikel van 28 juni 1946 (over dood van het echtpaar Veterman), € 19.50
augustus 16th, 2022 by Jaap de Jong

Alfred Dreyfus en “de man van eer”

Vanmorgen was ik bezig met een paar boeken over de zaak Dreyfus. De Dreyfusaffaire, die rond 1900 speelde, gaat over de waarheid in een spionagezaak waarbij de Joods-Franse officier Alfred Dreyfus (1859-1935) werd veroordeeld op basis van vervalste documenten en leugens. Hij zou voor Duitsland hebben gespioneerd, zo luidde de beschuldiging.

Het was niet alleen de schrijver Émile Zola (1840-1902) die voor Dreyfus opkwam. Ook de kolonel van de inlichtingendienst, Marie Georges Picquart (1854-1914), kwam achter de ware gang van zaken. Men verzocht hem echter de zaak stil te houden en te stoppen met zijn onderzoek. Piquardt had echter een actieve herinnering aan de door hem geziene documenten. En die actieve herinnering hield hij niet stil. Hij werd daarom van zijn taak ontheven en verbannen. Een Pieter-Omzigtje-avant-la-lettre, een poging hem te elimineren en voorgoed te laten verdwijnen.

Émile Zola kwam uiteindelijk niet tevergeefs op voor Dreyfus. Na zijn open brief aan de Franse president Fauré (januari 1898) werd hij veroordeeld wegens smaad en zou een jaar moeten zitten. Hij week op tijd uit naar Engeland en keerde na een jaar terug naar Frankrijk waar hij als held werd ontvangen. Pas in 1906 werd Alfred Dreyfus vrijgesproken en ook Picquart in ere hersteld. Hij bracht het tot minister van oorlog, maar dat is een ander verhaal. Achterin het boek over de zaak Dreyfus maakte Igor Cornelissen een potloodaantekening: Picquart was “een antisemiet, maar een man van eer” waarna Cornelissen verwijst naar pagina 90 waar die aantekening wordt bevestigd. En dat niet alleen, hij was – als vele andere mensen van eer – ook een Popperiaan [opnieuw avant la lettre], “bereid alles op te offeren om zijn overtuiging tegenover een wereld van tegenstanders tot haar recht te laten komen.” Feiten en bewijs waren bepalend voor de gekozen positie.

Met Émile Zola liep het tragisch af. Hij stierf aan koolmonoxidevergiftiging. In De duizelingwekkende jaren 1900-1914 schrijft Philip Blom dat een dakwerker vele jaren later bekende dat hij een stuk hout over de schoorsteen van het huis van Zola aanbracht om wraak te nemen op de verdediger van Alfred Dreyfus.

Waarheid is niet goedkoop. Zij kostte Alfred Dreyfus vele jaren van zijn leven, terwijl Émile Zola er voor werd omgebracht. Marie Georges Picquart viel als betrekkelijk jonge vijftiger – inmiddels bevorderd tot generaal en later nog minister van oorlog – van zijn paard. Die laatste val overleefde hij niet.

Alfred Dreyfus, wiens zoon Matthieu in de eerste wereldoorlog aan het front sneuvelde, stierf zelf in vredestijd. In de jaren voor zijn dood leefde hij teruggetrokken in het 8e arrondissement van Parijs, vlakbij het Parc Monceau waar geen reus, maar een windmolen staat.


Nr. 4250 - 53. Weil, Bruno (1931). De zaak Dreyfus. [Amsterdam]: Wereldbibliotheek. I.g.st., gebonden in linnen, 360 pp., vertaling P. Roosenburg, ill. (foto's [zw.&w.]), met verantwoording ill., bibliografie, noten en register. Ietwat kwetsbare, rafelige rug, gouden belettering (voorplat en rugtitel), met ingeplakte krantenknipsels en enkele potl.aant. van Igor Cornelissen.

Bij bovenstaande titel zit Boeknoot 4250 -> Jaap de Jong (2022). De reus en de windmolen ofwel Alfred Dreyfus (1859-1935) en de man van eer. Een uitgave van 't Wasdom te Zwolle | Notter. Met cahiersteek, ongepagineerd [4 pag.]. De voorkant (creme, mat verlijn) is geïllustreerd met een prent van Don Quichot van Pablo Picasso. Oplage 3 exemplaren (genummerd en gesigneerd, dit is nr. I). Niet meer leverbaar.

Zie bookmanager voor de beschrijving en evt. bestelling van de besproken items, waarvan alleen item 4249 nog leverbaar is.
augustus 15th, 2022 by Jaap de Jong

Alleen God kan ‘licht’ zeggen en het daarna laten dansen.

Een voetnoot bij de boeknoot

In de gedigitaliseerde krantenbak Delpher – met kranten tussen 1618-1995 – komt het woord boeknoot niet voor, behalve dan die ene keer in de Leeuwarder Courant van 24 oktober 1987. Daar wordt het eigendomsbewijs van een boek, de ex-libris, voorgesteld als een eigen boekmerk, een persoonlijke noot bij een boek, en in datzelfde artikel valt dan toch het woord: boek-noot.

Jammer is dat.

Met de omschrijving ben ik het eens: de boeknoot is “een persoonlijke noot bij een boek”. Maar liefst had ik, als Adam ooit, boeknoot zelf tot aanzijn geroepen door het als eerste bij de naam te noemen die haar wezen uitdrukt: boeknoot dus.

Maar alleen God kan het: “licht” zeggen en het daarna laten dansen. Vandaag heb ik geen bijzondere eisen en praat ik na wat iemand anders opschreef: boek-noot dus. Maar ik ga nog wel over het streepje tussen boek en noot. Dat mag weg. Nee, moet weg. Blijft over: boeknoot.

Dat is genoeg.

Boeknoot staat voor de cahierserie (gebonden met een eenvoudige cahiersteek) waarin een verhaal wordt verteld over een bijzonder boek. Vaak is dat verhaal geannoteerd (met voetnoten), maar niet altijd. Een boeknoot met een voetnoot heeft mijn voorkeur. Het allitereert lekker, nietwaar?

De papieren boeknoot is niet gelijk aan de onlineversie. Er zijn afwijkingen wat betreft tekstinhoud en -lengte, lay-out en afbeeldingen. De papieren uitgave wordt ambachtelijk, naar de wijze der boekbinders (voorzien van een eenvoudige cahiersteek), gebonden. Zo nodig hanteer ik het boekbinderslijm. Wees gerust. Ik knoei niet met lijm. Ik volgde eerder wel een driedaagse boekbinderscursus bij Henk Francino in Deventer. Knoei ik toch, dan is het voor eigen rekening.

Iedere boeknoot heeft een eigen nummer. Dat is hetzelfde nummer als het besproken item uit de boekcollectie. Boek en boeknoot worden in een unieke combinatie aangeboden. De boeknoot uit de cahierserie is overigens ook los, in een beperkte oplage, verkrijgbaar.

Bij boeknood beveel ik boeknoot aan.

Boeknoot 4250 is uit (niet meer leverbaar). Boeknoot 4249 is nog wel leverbaar.

augustus 2nd, 2022 by Jaap de Jong

Op het Spui. Over asfaltfeeën en kraamklevers

Begin jaren twintig maakte de journalist J.C.L. Sand een aantal reportages over misdadig Amsterdam: de ratten van Amsterdam. Met die ratten doelde hij op zakkenrollers, souteneurs, inbrekers, ruitentikkers en spelers, die nachtelijk Amsterdam terroriseerden. Sand vergat ook de asfaltfeeën van het Damrak niet te noemen; de tippelaarsters en lokvogels die met een bontmantel (geleend van hun souteneur) “het verwelkte lichaam bedekten en ‘s nachts als een hongerige troep hyena’s door de straten doolden.” Sand schreef een mooi tijdsdocument over vooroorlogs Amsterdam.

Ik probeerde het boekje afgelopen vrijdag op het Spui te slijten, onder meer door te wijzen op de illustraties van Otto Geerlings (1848-1930), schilder en illustrator van (kinder)boeken. Niemand hapte toe, ook de man niet die ruim twintigduizend banden over Amsterdam bezit en wiens huis en inrichting gebouwd is op boeken: “méér dan 300 meter over Amsterdam”, vertelde hij mij “en dit boekje herken ik, juist vanwege de illustraties.” Hij is een kenner en komt iedere week op de boekenmarkt op het Spui. Er zijn er die urenlang bij een marktkraam blijven hangen en inmiddels zoveel krediet opbouwden dat ze de boekhandelaren vervangen als die een kop koffie willen halen bij De Hoppe. Niet iedereen doet aan “kraamkleven”. Er zijn er ook die als storm en bliksem over de markt gaan, een Orwell kopen en verder wandelen al dan niet op weg naar café De Zwart, waar de witte wijn en het bier beter smaken dan de bitterballen.

Er zijn kraamklevers die ik herken als typische bibliofielen en liefhebbers van het oeuvre van Igor Cornelissen. Meestal zijn ze iets ouder. Grijzer ook. Als ze Der rasende Reporter van Egon Edwin Kisch ter hand nemen en daarna Vampier (1928) van Hanns Heinz Ewer, dan vermoed ik dat ze ook Der Prager Golem gaan inzien. Meestal heb ik gelijk. Hoe dan ook, ze houden wel van een praatje en bij de kraam bloeien gesprekken op over wie de grootste is in het koninkrijk van de lezer: is het Proust of is het Kafka? Toen ik ook iets over Kafka wilde vertellen, hoorde ik dat dit nu juist een clichéverhaaltje uit het oeuvre is. Ik droop af, ja jankte bijna als een hond in de nacht.

Er is een vaste bezoeker die op de mooiste plek in Amsterdam woont. Hij kijkt iedere dag uit op de Westerkerk, ziet de zon op- en ondergaan. Het licht verlaat hem nooit in het huis dat hij met eigen handen renoveerde. Hij kan meer dan lezen alleen, maar wil intussen wel alles weten over het bombardement van de geallieerden in Amsterdam-Noord (17 juli 1943) waarbij 150 mensen direct stierven en veel anderen later aan hun verwondingen overleden. Hij maakte het mee, net zoals Anne Frank die erover schreef op 19 juli 1943: “Zondag is Amsterdam-Noord heel zwaar gebombardeerd. De verwoesting moet ontzettend zijn, hele straten liggen in puin. Je hoort van kinderen die verloren in de smeulende ruïnes naar hun dode ouders zoeken. Rillingen krijg ik als ik nog aan het doffe, dreunende gerommel in de verte denk.” Maar, zo vertelt de man “het huis van mijn moeder bleef wonderbaarlijk genoeg gespaard. En zíj en ík. Verder was er alleen verwoesting.”

Dan vertelt hij nóg een verhaal. Dat gaat over Goethe’s Die Leiden des jungen Werthers, de zelfmoordgolf door het achttiende-eeuwse Europa, het lied Der Tod und das Mädchen van Franz Schubert en duizend andere dingen waarover hij wel dingen weet, maar de wereld nog niet. “Volop cultuur hier op ’t Spui”, roept een vrouw uit, die ademloos luistert en, zo denk ik, meer en nog meer wil.

Haar honger naar kennis en boeken doet mij denken aan de reclameslogan uit de jaren tachtig of negentig: Van boeken krijg je nooit genoeg en ik roep net iets te enthousiast: “Ik heb er wel een boek over!”

Maar ze heeft al een boek.

juli 27th, 2022 by Jaap de Jong

De dichter en de predikant: Wessel ten Boom over Pessoa, Gorter en Nijhoff

Een In Memoriam en een aankondiging

Wessel ten Boom was van 1994 tot 1999 redacteur van het theologische tijdschrift Ophef, waarvan de laatste drie jaar als hoofdredacteur.  Coen Wessel schrijft in zijn In Memoriam dat het best wel verrassend was dat het meest linkse theologische blad van Nederland een steeds conservatiever wordende theoloog als hoofdredacteur had.

Coen Wessel was zo vriendelijk mij te melden dat in het najaar van 2022 een bundel met essays van Ten Boom verschijnt. Het gaat om eerder verschenen opstellen in het tijdschrift Ophef over verschillende dichters (o.m. Gorter, Nijhoff, Pessoa, Henriëtte Roland Holst).

Ik ben erg benieuwd naar de bundel en zeker ook naar het opstel over de dichter Pessoa. Er komt een boekpresentatie over de bundel. Later meer!

Hieronder het In Memoriam dat Coen Wessel schreef voor het tijdschrift Ophef. Een intiem portret over zijn vriend en collega, de theoloog Wessel ten Boom.

Meer…


Read the rest of this entry »

juli 27th, 2022 by Jaap de Jong

Mijn vrienden. Over de boekenlegger van Wessel H. ten Boom

Zijn kinderen en vrienden, met als voortrekker & vormgever zijn vriendin Inez de Jong, schetsten middels een boekenlegger iets uit de wereld van Wessel H. Ten Boom (1959-2021).

Zij deden dat in kernwoorden en door het noemen van de namen van de schrijvers die hij liefhad. Een prachtig gebaar!

Zelf schreef Wessel ten Boom, toen de dood hem al was aangezegd, óók over zijn vrienden. Dat doet hij in de bundel Dromen. Late gedichten (Didam, 2020). Het gedicht, Mijn vrienden, staat op de voorkant (of is het de achterkant?) van diezelfde boekenlegger.

De namen van de schrijvers op de boekenlegger herken ik vanuit de collectie Wessel ten Boom waarvan ik eerder dit jaar een deel beschreef: Vestdijk, Heidegger, Bob Dylan, Rilke, Gorter, Brecht, Barth. Over hen schreef hij essays. Een bundeling van die essays zal komend najaar worden uitgegeven, waarover later meer.

Er zijn ook andere namen, waarover Ten Boom schreef, maar die ik mis op de boekenlegger: Proust, Luther, Augustinus, Calvijn, Kohlbrugge, Kafka. Over Augustinus en de Joden schreef Ten Boom een dissertatie: Profetisch tegoed. De Joden in Augustinus’ De Civitate Dei.

De boeken die Ten Boom zelf schreef verkoop ik niet, maar zijn vanaf volgend jaar wel in te zien in de bibliotheek van het (gesloten) antiquariaat In ’t Wasdom dat, als G’d het wil en nog wat randvoorwaarden, komend jaar in Twente open gaat. Met Bed & Breakfast. Dit niet geheel terzijde.

Raar is dat niet, dat gemis van die andere auteursnamen. Het geleefde leven zelf neemt – naast het papieren leven – immers ook haar ruimte in: humor, uitbundigheid, huiselijkheid, kerk, zwarte bessen en wat al niet meer? Het zijn kernwoorden aan de andere zijde van de boekenlegger die Wessel volgens zijn vrienden tekenden.

Ik ontmoette hem nooit, maar hij komt op mij over als een nadenkend (en misschien ook wel impulsief) en gevoelig mens, iemand die in zijn schrijven oprecht is en bij zichzelf blijft. En oprechtheid is, net als waarheidszin, een gewas dat niet uitbundig groeit en bloeit op onze akkers. Het is maar een impressie uit wat ik van en over hem las. Natuurlijk, er zijn zoveel impressies, karakteriseringen mogelijk. Wie kent de ander of zichzelf en weet dat ook nog eens goed op papier te zetten? Moeilijk, moeilijk. En zeker een opgave als het lemen vat vol zit met tegenstrijdigheden, maar daarover weet ik natuurlijk niets als het om Ten Boom gaat.

Zelf noemde Ten Boom zich een vreemdeling. Of hij dat ook was? Een goede vriend, Coen Wessel, schrijft in zijn In Memoriam dat hij “een gezelschapsdier [was], een uitermate vrolijke gangmaker. Hij correspondeerde met vele mensen. Hij was geliefd en hem werd veel vergeven. En zijn engagement met het marxisme en zijn latere wending naar een conservatievere levenshouding paste prima in de het tijdsgewricht van de afgelopen halve eeuw. Maar hij was inderdaad ook vreemdeling, balling en monnik. Hij had het nodig om alleen te zijn en dat ging hem prima af. Dan las hij of luisterde hij naar zijn Bob Dylan-lp’s.”

De volledige versie van het In Memoriam werd gepubliceerd in Ophef, Tijdschrift voor hartstochtelijke theologie (24e jaargang nr. 4, 2021 p.13-18) en wordt vanavond ook op deze website gepubliceerd. 

Hieronder schrijft Wessel H. ten Boom over zijn (papieren) vrienden, de boeken waarover hij sprak met zijn vrienden van vlees en bloed.

Mijn vrienden

Mijn vrienden, altijd weer wanneer ik thuiskom staan jullie daar. De ruggen recht, hoewel versleten hoor ik jullie als tevoren spreken – of juist zwijgen, omdat wij leven in een andere tijd. Jullie weten meer dan waar ik ooit van droomde, die mij vluchtig reeds gewonnen gaf, en van de ene naar de andere holde, alsof ik zomaar boeken las… 

Maar wat zijn grote of kleine dromen, vergeleken bij het denken dat ik steeds bij jullie vond?

En waar jullie mij meer impregneerden, zoals een drukker met zijn lood en inkt een lege bladzij schond en bracht tot leven, door haar te laten lezen. Hoe had ik háár bemind zonder de woorden die ik las? Hoe hebben jullie letterlijk mij beetgenomen in de geest, gevormd, ontsteld, verleid of aangezet tot andere gedachten?

Bestaat dat wat werd gedacht nog ergens anders dan alleen in jullie schrift, dat ik liefhad als mijn schat

Wie van ons zal overleven?

Ik koester de kast waarin jullie staan te vergelen, en vergaan als louter ideologieën op een rij. Jullie zijn mijn papieren leven, en kennen mij pas goed. Ik koester het opengeslagen boek dat licht geeft in het donker en lacht om wie in duister mint en spot. Ik koester het papier, dat knispert onder al mijn vingers, ik liefkoos de letter die zich moeizaam verrast totdat zij ook haar waarheid prijsgegeven heeft.

Vrienden, houd jullie rug recht, blijf spreken en zwijgen, blijf denken, geef acht, geef ons de moed tot waarheid terug.

Gedenk al mijn vrienden met wie ik uit vriendschap las.

Hieronder een deel van de tot nog toe beschreven collectie Ten Boom die In ’t Wasdom is opgenomen en te koop bij antiquariaat Cornelissen & De Jong

juli 24th, 2022 by Jaap de Jong

De bekommernissen van Adrien Proust en het blauw van de hemel

Juist vanwege zijn precisie en exacte beschrijvingen geeft Marcel Proust de ontoereikendheid van de menselijke waarneming weer. En dat niet alleen, ook de beperkingen van het denken legt hij bloot. In een kort fragment vertelt hij over de vergeefse bekommernissen van Adrien Proust (1834-1903).

Adrien Proust, de vader van Marcel, roept een familieraad bijeen om zijn zorgen te delen over een eventuele onmin met de heer M. Legrandin. Legrandin brengt zijn weekenden door in Combray, maar verblijft de rest van de week in Parijs. Het zijn bekommernissen om niets, zo blijkt. Nou ja, niets? In elk geval valt er veel te zeggen over weinig en dat alles zonder enige zekerheid.

Het gaat om een passage uit De kant van Swann waarin de jonge Marcel tijdens de zondagse wandeling met zijn vader, na het bijwonen van de mis, de heer M. Legrandin tegenkomt. Legrandin is een briljante wetenschapper die met zijn literair-culturele bagage indruk weet te maken op de jonge Marcel. Er zijn er die hem een snob zouden noemen. Bij het uitgaan van de kerk worden er vriendschappelijke, maar gereserveerde groeten uitgewisseld. Knikjes vanuit een verte.

De heer Legrandin reageert nauwelijks op de groet, trekt wel een verbaasd gezicht en heeft daarbij ‘een verschiet in zijn ogen, eigen aan de mensen die niet vriendelijk willen doen en die je, vanuit een plotseling verder reikende blik, gewaar lijken te worden als aan het eind van een onafzienbare weg, op zo’n grote afstand dat ze er mee volstaan een minuscuul knikje toe te zenden, in proportie met je popperige afmetingen.”

Kijk, een citaatje uit een zin van 116 woorden! Een kort gebeuren, in een punt des tijds, waarin feit, interpretatie en waardering ineengrijpen en een situatie oproepen die je kent, ondergaat of zelf schiep. Ik kan ook zo knikken. Niet persé verkeerd bedoeld, maar de onduidelijkheid kan tot een heus familieberaad leiden. Of erger nog wellicht: tot een spoedberaad tussen managers; ontslag en wat al niet meer?

Na het knikje van Legrandin beginnen de zorgen van Adrien Proust. Het zou toch niet zo zijn dat Legrandin zich betrapt voelde omdat hij een galant avontuur had en zich gegeneerd voelde omdat hij betrapt was. Het was immers de kasteelvrouw waar hij mee liep, een deugdzaam en algemeen geacht persoon. Nee, dat kon niet of toch wel?

Het familieberaad leidt tot de conclusie dat vader Adrien zich maar wat verbeeldde en dat de heer Legrandin er even niet bij was met zijn gedachten. Tja, denk ik dan, die gedachten konden natuurlijk overal zijn, ook heel dicht bij de deugdzame kasteelvrouwe. Dit geheel terzijde, want het geval wordt opgelost. Op de terugweg van een lange wandeling komen ze de heer Legrandin opnieuw tegen. Met uitgestoken hand loopt hij af op Marcel Proust en vraagt “Kent u, meneer de lezer, deze regel van Paul Desjardins: Les bois sont dejà noirs, le ciel est encor bleau. Is het niet de fijne notering van dit uur? U hebt Paul Desjardins misschien nooit gelezen. Lees hem, mijn jongen.”

Dankzij het notenapparaat bij de romancyclus van Proust lever ik er de vertaling bij: “De bossen zijn al zwart, de hemel is nog blauw”. Blijkbaar was de avond begonnen. Schemertijd. Het verhaal is echter niet afgelopen, ook de tijdsbeleving is voor Marcel Proust en Legrandin anders. Dat maakt Legrandin wel duidelijk: “Moge de hemel altijd blauw voor u blijven, jonge vriend, en zelfs als het uur naakt, zoals nu voor mij, dat de bossen al donker zijn, dat de nacht vlug valt, zult ge troost vinden zoals ik, door hemelwaarts te kijken. Hij haalde een sigaret uit zijn zak en hield lang zijn ogen gericht op de horizon. ‘Adieu vrienden,’ zei hij plotseling en liep bij ons vandaan.”


Bekommernissen afwerpen, het uur waarnemen en Proust lezen. Onophoudelijk. Dat is wat ik moet doen. En de knikjes naar de onmetelijke verte doseren.


 

juli 23rd, 2022 by Jaap de Jong

Op het Spui: over de boeken die ik niet verkocht …

Gisteren als handelaar op proef naar het Spui gegaan en wat boeken verkocht. Daarbij veel geleerd. Niet alleen over het publiek, maar ook over de mens en mijzelve in het bijzonder. Zo leerde ik dat de Franstalige Celine (1e dr., 1932) bij verzamelaars een paar duizend euro waard kan zijn en dat mijn prijs (75 euro) veel te laag was. Ook leerde ik dat veel mensen – vooral mannen – gretig naar het boek met de rode lippen grepen, er even in bladerden en het daarna terzijde legden. Het was gebruikt en niet onopgemerkt gebleven.

Blijkbaar is het boek van Sarane Alexandrian te duur, ook al lijken de lippen op het omslag wel heel prachtig. Mens-zijn is verlangen. Te veel werkelijkheid in huis is dodelijk. Ook dat begrijp ik. Man Ray is intussen nog steeds te koop.

En er was bezoek van een groot verzamelaar van Nescio, een kenner van Elsschot. Een man met een bibliotheek als professor Kien uit Canetti’s Martyrium. Mooier nog, trouwens. Gelukkig heeft hij – anders dan Kien – geen huishoudster die misschien voor vuur, maar ook voor rook kan zorgen. Hij kocht De Trommius en ik ben er zeker van dat dit bijzondere exemplaar een waardige plek krijgt. Niet op een altaar, misschien wel op een plek die Abraham Trommius verdient: een katheder met een lampje erboven. Om licht te maken waar anders het duister heerst.

Toen kwam Chris Kooyman langs. Hij is één van de schrijvers van een boek – mijn boek – dat ik niet verkoop, maar toch in de aanbieding heb: Dit is mijn boek. Joodse exlibriscultuur in Nederland. Het exemplaar dat ik wel verkoop is van Igor Cornelissen bij wie ik het – bij leven – aantrof. Na wat bladeren wilde ik het ook hebben en ik kreeg het van de geliefde. Een waardig verjaardagscadeau. Kooyman was vooral geïnteresseerd in de boeken met de theaterstukken van Arthur Schnitzler. In die vier delen staat het exlibris van het echtpaar Wolff dat volgens mijn gegevens op 11 juni 1943 in Sobidor werd vermoord. Wat ik toen wist is opgeschreven in de column Over Arthur Schnitzler: dood, verderf en duisternis. En nochtans lichtheid. Ik was compleet vergeten dat ik eerder schreef over Arthur Schnitzler.

Chris Kooyman heeft veel gezag bij mij. Ik maak vaak gebruik van zijn handboek. Bij mijn beschrijving van de Gesammelte Werke van Schnitzler staat dat in de boeken een exlibris is opgenomen van Grete en Felix Woff met daarbij als toevoeging: niet in Aarts en Kooyman, 2017. Ooit vertelde mijn beoogd promotor dat er geen groter gezag bestaat dan dat iemand iets schrijft over een doopsgezinde predikant en dan, “uiteraard na raadpleging van jouw standaardwerk”, schrijft: niet in het repertorium van De Jong (2007). Dát repertorium zal er nooit komen, maar dit uiteraard geheel terzijde.

Wat er hopelijk wel komt is een supplement op Dit is mijn boek met daarin een beschrijving van het exlibris van het echtpaar Wolff. En daarin de notitie dat het exlibris afkomstig is uit de collectie Igor Cornelissen, m.n. uit de boekenverzameling van Igor die ik momenteel in het programma bookmanager beschrijf.

Het was gisteren een mooie, bijzondere en nuttige dag. En dat was het.


 

juli 19th, 2022 by Jaap de Jong

Profetieën vergaan, maar de liefde wordt immer méér

Als jongen was ik nogal gevoelig voor de profetie en zeker als die werd uitgesproken door iemand met charisma, al dan niet met een baard. Iemand met baard die profeteerde was in de jaren zeventig gemakkelijk herkenbaar als valse profeet. Volgens mijn vader wilde God immers niet dat je als man een baard droeg en alleen als vrouw droeg je het haar lang. Met het laatste ben ik het nog steeds eens, met het eerste ook wel.

Toch vrat de werkelijkheid van alledag aan mijn pogen de profetie serieus te nemen. Hoewel de predikant met ernst en tranen zijn hoorders smeekte zich te bekeren, want “nog voor de bladeren zullen vallen, zullen de Russen aan de poorten staan. Als rijpe vruchten vallen wij in hun handen. Zij zullen het land doorploegen. En niet alleen het land…”

Profeten waren er in overvloed, zij plukten de aren in het landschap van mijn jeugd en deden ook verder alles wat verboden was. Zelfs Den Uyl gedroeg zich af en toe als profeet. Na de oliecrisis van 1973 zou niets meer hetzelfde blijven en het rapport van Rome sprak dreigende taal. Wat te doen en wat niet doen? Er waren er velen die zich terugtrokken en in het oerwoud zelfmoord pleegden, zoals de aanhangers van Jim Jones. Ik herinner mij de foto’s nog uit de krant van rond 1977. Ik meen dat ook de gestuurde parlementsleden door Jones en zijn aanhang werden gedood. Niemand ontkwam of bijna niemand.

Op een goede dag las ik de studie van Leon Festinger. Ik herinner mij dat Festinger als docent sociologie gefascineerd was door groepsgedrag. Toen zich in zijn buurt een sekte vestigde die het einde der dagen predikte besloot hij zich aan te sluiten en deed al het andere dat volgens de methode van de participerende observatie voor een goed onderzoek nodig was. Zijn vraagstelling was helder: wat zou er met de groep gebeuren als de profetie niet zou uitkomen? Als nuchter mens zou je denken dat die groep uiteen zou spatten en er niets meer zou overblijven.

Niets was minder waar. De leidster van de religieuze beweging vertelde – nadat iedereen zich had teruggetrokken op de berg en de vloed afwachtte, maar er toch niks gebeurde – dat God tot haar had gesproken en in zijn oneindige genade uitstel had gegeven. De velden waren immers wit om te oogsten en de arbeiders waren schaars. Het gevolg was dat Leon Festinger vaststelde dat de groep juist groeide in plaats van zich te ontbinden. Naar aanleiding van dat participerende onderzoek ontwikkelde hij de cognitieve dissonantietheorie: men past niet de denkbeelden aan, maar de feiten worden opnieuw gefigureerd binnen het ooit geconstrueerde raamwerk.

Vandaag wordt het een warme dag, maar ook vroeger kon het heel warm zijn, ik herinner mij een zomer dat …. Ik wens u een mooie dag met soep voor het middagmaal als het kan met spekjes er bij.

Geloof geen profeten. Je bent zelf een profeet.


O ja, de studie van Leon Festinger kan ik momenteel niet vinden en het bovenstaande vertelde ik uit het hoofd. Festingers verhaal verkoop ik niet, maar ik heb natuurlijk wel ander materiaal om te lezen. In de komende weken sta ik op de vrijdagen op het Spui (22 en 29 juli en 5 augustus). U kunt daar ook uw eerder bestelde boeken afhalen en nieuwe kopen. Bij afhalen betaalt u uiteraard geen verzendkosten. U kunt hier onze catalogus doorzoeken.

juli 2nd, 2022 by Igor Cornelissen

Over het wenen van Pieter Sjoerds Gerbrandy en de verloren Trommius

In onderstaande column uit Het Parool van 20 juni 1998 vertelt Igor Cornelissen (1935-2021) over zijn eerste schreden in het boekverkopersvak op de Zwolse boekenmarkt. Als verkoper, maar ook, onvermijdelijk, als koper. Hij refereert in zijn column aan zijn bezoek op de vrijdagse boekenmarkt op het Spui en zijn spijt over de niet gekochte Trommius.

Het gebeuren speelt zich af op de Zwolse boekenmarkt rond Pinksteren 1998. Zijn broer Wil Cornelissen (1928-2014) verkocht die dag boeken en maakte daarbij plaats voor Igor die, zoals altijd, een rondje over de boekenmarkt maakte. Twintig jaar later, in 2018, schoof Igor Cornelissen opnieuw aan als boekverkoper en werden wij elkaars kompaan In ’t Wasdom.

Niet onmogelijk dat u binnen afzienbare tijd de Trommius uit onderstaand verhaal  op de vrijdagse boekenmarkt op het Spui aantreft (inclusief een speciale uitgave van onderstaande column). Dat zal dan zijn bij antiquariaat Cornelissen & De Jong in ’t Wasdom.

Over de toekomst van ’t Wasdom schreef Igor in het laatste deel van zijn autobiografische reeks. De laatste zin luidt: “Ik ging in de boekhandel een nieuwe, stralende toekomst tegemoet.” Zie: Mijn opa rookte ook een pijp. Joodse wortels en ander (on)gemak (Cornelissen, 2020, pp. 289-291).

Zo is het en zo zal het zijn op de dag dat de cirkel rond is.

Jaap de Jong


Het was beroerd weer op de boekenmarkt en mijn broer en ik zaten er verkleumd bij. Achter een kraam ditmaal, in de rol van handelaar. De verkoop ging goed, want door de aanhoudende regen waren de kijkers thuis gebleven en hadden de bezoekers zich voorgenomen in ieder geval met iets thuis te komen. De negotie was begonnen door mijn broer die zich, vele jaren geleden, enthousiast meldde toen een koopman in prenten en gravures bij het scheiden van de markt riep wie hem los wilde maken. Zo werd hij een kist met oude stadsgezichten, letterproeven en afbeeldingen van slakken, paddestoelen en schildpadden rijker en negenhonderd gulden armer. Soms verkocht hij een prent, maar de kist bleef toch vooral flink gevuld. Nu en dan maant zijn vrouw hem de handel toch eens serieus ter hand te nemen.

Hij had voor mij een plaatsje aan zijn kraam ingeruimd, zodat ik wat overtollige boeken kon aanbieden en hem kon aflossen. Hij raakte heel wat paddestoelen en schildpadden kwijt. Ik sleet onder meer – alles mild geprijsd – een boek over de buitenlandse politiek van de Sovjet-Unie, een kookboekje over taarten en desserts, een oude roman van Top Naeff, twee dichtbundels van Jaap Meijer en een boek van eigen hand.

Ik had mij ernstig voorgenomen niets te kopen; er liggen wegens plaatsgebrek al boeken op de grond. Dat kostte mij eerst weinig moeite, want om mij heen was het aanbod van Suske en Wiske’s, Konsaliks en Ludlums overweldigend. Maar bij een tweede rondgang stuitte ik op een boek dat ik jaren geleden op de boekenmarkt op het Spui in Amsterdam liet liggen. Spijt knaagde nog maandenlang aan mij. Nu lag de Trommius er weer, de Nederlandsche Concordantie des Bijbels. Een zesde, grondig herziene en veel vermeerdere druk, waarschijnlijk uit 1948. De verkoper vroeg er vijftig gulden voor. Op mijn vraag of hij er nog iets aan deed, zakte hij vijf gulden. Ik hield nog ruim geld over voor het koffiehuis. Deze Trommius stamt uit de bibliotheek van de mij onbekende meneer Th. de Haart in wie ik een predikant vermoed, want hier en daar zijn in de kantlijn in klein, nauwkeurig potloodschrift aanvullingen genoteerd. Ook dat Trommius nog bij zijn leven met een ere-doctoraat is geëerd.

Abraham Trommius (1633-1719) stond als predikant in Haren en Groningen en heeft 28 jaar van zijn leven besteed aan het opschrijven van alle namen, woorden en werkwoorden die in de bijbel voorkomen. Met de verwijzing waar het staat. Hij begint met het woord aalmoes en eindigt met zwijn, zwijnegel, zwijnenbloed en zwijnenvlees.

Een beetje predikant en student in de theologie heeft de Trommius natuurlijk in zijn kast staan. Toen ik de eerste keer over de Trommius las, was dat in verband met Pieter Sjoerds Gerbrandy, de Fries-gereformeerde premier van onze regering in ballingschap. In Londen miste Gerbrandy zijn Trommius verschrikkelijk. Hij voelde zich onthand. Kon het Nederlandse gezantschap in het neutrale Zwitserland hem er aan helpen? Ik wist niet waar Gerbrandy op doelde tot ik de naam opzocht in een encyclopedie. Ik weet niet of de kleine besnorde maar vooral standvastige Fries zijn Trommius nog heeft gekregen, maar aan zijn Bijbel had hij veel houvast. Toen de journalist A. den Doolaard op 4 mei 1945 bij hem binnenliep, trof hij Gerbrandy aan, gebogen boven een oude Statenbijbel, lezend in het boek Job. Toen Den Doolaard een hand op zijn schouder legde, begon Gerbrandy hartverscheurend te huilen. ‘Het heeft ook zo lang geduurd.’

Ik ben geen predikant en studeer ook geen theologie, maar de Trommius is een onmisbaar handboek in dit calvinistische land waar veel voorouders in ieder geval de Statenvertaling op de plank hadden staan en hun spreekwijze doorspekten met uitdrukkingen ontleend aan het voor hen heilige boek.


PS 1 – Door de noeste arbeid van Lou de Jong weten we dat Pieter S. Gerbrandy, premier van het oorlogskabinet in Londen uiteindelijk toch zijn ‘Trommius’ ontving, het naslagwerk dat hij zo miste. Dat gebeurde via Geneve door de bemiddeling van Van Rhyn (Het Koninkrijk, dl. 9, eerste helft, p. 134-135). Dit uiteraard geheel terzijde.

PS 2 – Th. de Haart, eerder eigenaar van ‘De Trommius’ was inderdaad (hervormd) predikant, zoals Igor C. vermoedde. Hij diende de gemeenten in Djakarta, Groningen, Kuinre, Wieringermeer en Bussum en was een ijverig studeerkamergeleerde.

Trommius, Abraham (z.j.). Nederlandsche Concordantie des BijbelsZesde, grondig herziene en veel vermeerderde druk bewerkt naar de origineele uitgave. Rotterdam: A. Voorhoeve.

Nr. 4218. Gebonden in linnen, 1069 pp., 6e druk, met register. Met krantenartikel, met column van Igor Cornelissen (en inleiding JdJ), op schutblad de stempels van de predikant Th. de Haart, met krantenartikel van Maarten 't Hart, zie blog: https://cornelissenendejong.nl/71924/ Niet meer leverbaar.
juni 29th, 2022 by Jaap de Jong

Over Torrentius – “Wat buten maat bestaat / int onmaats q[u]aat verghaat.”

In november 1913 kreeg de latere conservator van het Rijksmuseum Twenthe, J.J. van Deinse (1867-1947), een ronde eikenhouten plank met een doorsnee van ongeveer 50 centimeter onder ogen. Er was zo goed als niets op te zien, maar nadat men het paneel – want dat was het – met een natte spons reinigde, bleek het een stilleven te zijn met een half gevulde wijnroemer die op een tafel tussen een aarden en een metalen kan stond. Op de tafel lagen twee, zeventiende eeuwse tabakspijpen bovenop een stuk bladmuziek. Daarop een rijmdicht: “wat buten maat bestaat / int onmaats q[u]aat verghaat.” Een stilleven dus, zinnebeeld van de matigheid wat ook in het rijmdicht naar voren komt. Van de schilder van het paneel,  Jan Simonsz. van der Beeck (ca. 1588 – 1644) ofwel Torrenius, kan niet worden gezegd dat zijn leven het zinnebeeld van de matigheid weerspiegelde. Integendeel, maar hetzelfde kan worden opgemerkt over de straf en het kwaad dat hij later onderging. Onmatig.

Het paneel en enig overgebleven schilderij van Torrentius deed eerder dienst als afdekking van een aangebroken vat met krenten bij bakker Van Essen in Deventer. De plank met haar mooie ronde vorm was daarvoor blijkbaar uitermate geschikt. Daarna kwam het in de winkel te hangen van de firma Sachse van Essen en Enschede. En het doorstond de Enschedese brand uit 1862. Vervolgens lag het paneel te verstoffen op de zolder van de familie Sachse. Totdat Van Deinse het onder ogen kreeg. De vondst en de achtergrond van het paneel werd nauwkeurig door Van Deinse opgeschreven. Hij was een verdienstelijk onderzoeker die meerdere zwerftochten ondernam bij zijn onderzoek naar de Twentse geschiedenis en cultuur. Hij wijdde aan deze ontdekking twee artikelen, die in februari 1916 in de Tubantia verschenen. Het paneel werd door zijn bemiddeling aangekocht door het Rijksmuseum.

Het hierboven beschreven paneel gebruikte Theun de Vries (1907-2005) als omslag voor zijn historische roman Torrentius. Het feest en de storm (Amsterdam, 1998). Daarin vertelt hij overigens niets over de Enschedese vondst uit 1913, maar wel alles over het veelbewogen leven van de schilder Torrentius, “een manskerel van de brede boeg: niet alleen sterk van lijf en leden, maar ook elegant in zijn vlugge gebaren. Hij had langgevormde, lenige handen met spitse, gevoelige vingers, een kleine voet die hij overigens vaak verstopte als hij zijn laarzen à la mode aantrok. Zijn mond was rood, zijn ogen blauw, zijn knevel en baard (kortgeknipt) blond; blond ook zijn hoofdhaar en zijdezacht, want hij behoorde tot de enkelingen die hun haar wasten. Waar meisjes bijeen waren werd veel over hem gesproken.”

De Vries schrijft over het verraad en de smerige rol van een undercoverspion die tijdens een bezoek bij Torrentius aangaf een naakt van hem te willen kopen en niet zomaar een naakt, maar eentje op speciale bestelling. Een beeld dat vooralsnog alleen in zijn hoofd rondwaarde. Hoe dat afliep ga ik niet vertellen, maar ik geef wel een citaat door over de vrijgeest Torrentius, althans een citaat uit de roman van De Vries. Theun de Vries staat bekend om zijn interesse voor religie en zeker ook vanwege zijn belangstelling voor ‘ketterse’ bewegingen. In deze roman tekent hij Torrentius als een ketter, die de spot drijft met theologische dogma’s, maar wel gevoelig was voor (natuur)mystiek. Er zijn daarover meerdere passages in deze historische roman. Wessel ten Boom, uit wiens collectie Torrentius afkomstig is, maakte er een aantekening over. Op het schutblad staan de pagina’s aangetekend. In potlood uiteraard. Ik citeer pagina 115:

Voor Torrentius uit werd de hemel langzaam leeg en schoon. Hij bleef hoe de zon ook wentelde verder vervuld van licht. Torrentius verloor zichzelf in de aanblik. Hij hoorde nu en dan aan een ingehouden snuiven dat Adelheid in zijn nabijheid bleef. Op het oneindig hemelrond voor hem rees in ijle zonnelijnen de omtrek van een vrouwenhoofd, het was als uit zee geboren, kreeg schouders, armen, een tors, een schoot; een reusachtige doorzichtige lichtgestalte waarvan de haren, door de wind geheven, in nauwelijks nog herkenbare verte waren uitgestroomd. Torrentius hield zijn ogen in aanbidding gesperd. De ontzaglijke hemelvrouw reikte tot aan het zenit, hij zag alleen haar omtrekken, ze bewoog zich niet, tot het hem toescheen dat ze uit gouden ogen naar hem keek en hem toelachte.

Hij viel op zijn gezicht, de armen zijwaarts gestrekt, zijn handen grijpend in zand en helmgras. Hij lag als een ding van de natuur, lange tijd, hij was de tijd kwijt; hij fluisterde: ‘Moeder, Grote Moeder, ik weet eindelijk wiens kind ik ben… Als dit het sein is van het goddelijke, ben ik een deel van dit Al. Het deel dat geboren is en sterft zonder dat het Al ooit zijn eeuwigheid en onvergankelijkheid verliest; het deel dat zich waar moet maken zolang het zich in u op deze aarde beweegt’.

Alle schilderijen van Torrentius, grotendeels prikkelend, werden vernietigd, maar er zijn nog wel twee lijsten met beschrijvingen van negentien schilderijen. Dit kleinood – het zou het mooiste zijn en er is nog zoveel meer over te zeggen – werd gered en bewees goede diensten als deksel van het krentenvat van een bakkerij; een stilleven, zinnebeeld van de matigheid van de hand van een schilder die volgens zijn tijdgenoten onmatig was in alles waarin men maar onmatig kan zijn. Theun de Vries was al negentig toen de roman Torrentius verscheen. Hij werd, zo schrijft zijn biograaf, “de Heintje Davids van de literatuur”. Nooit een definitief afscheid. Torrentius viel niet bij iedereen goed. In het Reformatorisch Dagblad was de recensent kritisch op de beschrijving van de gereformeerde rechters. Die had Theun de Vries volgens hem zo donker mogelijk afgeschilderd, “opdat de gestalte van Torrentius als profeet van de vrije gedachte zo fel mogelijk zou oplichten”.

Dat is wel iets wat we nodig hebben. Licht, méér licht.


 

bookmanager faciliteert het maken van voet- en eindnoten & bibliografie (incl. aantekeningen) bij digitale blogs en columns


 

juni 15th, 2022 by Jaap de Jong

De vrouw, de vrijheid en de dood: het ibsenisme ten top

In 2006 bezoekt Kester Freriks in verband met de herdenking van het honderdste sterfjaar van Henrik Ibsen de achterkleindochter van de toneelschrijver. Haar naam is Nora Ibsen en het is niet alleen de naam die haar herinnert aan het beroemde toneelstuk van haar overgrootvader. Haar leven lang kwamen actrices op bezoek om te zien hoe Nora een kopje thee drinkt, want ‘ze denken dat ik de echte Nora ben’. Het toneelstuk Nora heette oorspronkelijk Een Poppenhuis en is één van de meest gespeelde stukken in de wereld.

Net zoals zijn achterkleindochter Nora was Ibsen klein van gestalte. Hij probeerde dit te compenseren door op hoge hakken te lopen en een hoed te dragen van het model kachelpijp. En hij kamde zijn haren omhoog.

Henrik Ibsen was geïnteresseerd in het vrouw-zijn in relatie tot het thema vrijheid, maar aarzelde over de precieze invulling. Moest het gaan over de vrijheidsbeweging van vrouwen, de getrouwde vrouw die onafhankelijk wil zijn, vrouw-zijn en het moederschap of om vrouwen die hun man doodschieten. Andreas-Salomé (1861-1937) schreef in 1892 een studie over het werk van Ibsen: Frauengestalten waarin uiteraard ook de zelfverwerkelijking centraal staat. Hoewel Lou Andreas-Salomé volgens sommigen een mannenverslindster – of was het andersom? – zou zijn, deed ze dat anders dan de Nora die de achterkleindochter van Ibsen in Berlijn opgevoerd zag: daar schoot Nora haar echtgenoot dood, jaagt hem niet één, maar acht, negen kogels door het hoofd en gooit hem tot slot in een aquarium waarvan het water bloedrood kleurt. Ze was niet geschokt, vond dat de interpretatie van de regisseur recht deed aan de vrijheidsdrang van Nora.

Die vrijheidsdrang en de wens tot onafhankelijkheid is de ene kant van de medaille, de andere zijde doet zich in het mensenleven ook gelden: verantwoordelijkheid nemen, begrip en mededogen tonen. Tijdens en na het opvoeren van Een poppenhuis ging er een golf van echtscheidingen door Europa. In de opvatting van Ibsen gaan huwelijk en liefde niet samen, zo lijkt. En bij Ibsen is de dood altijd dichtbij, uiteraard vergezeld door de twijfel. Vitalisme, levensdrang en doodsdrift en dat alles in een onontwarbare kluwen. Een leven dat niet leeft naar vooraf gegeven regels, maar dat zich laat leiden door wat zich voordoet.

Dat spelen met de dood gebeurt ook in Hedda Gabler naar voren: Hedda Gabler die verliefd met haar twee pistolen speelt: ze streelt ze en kijkt er naar alsof het juwelen zijn. De vrouw en het dodelijke wapen. Er zijn kunstenaars die er een eenheid van maken, zoals het sculptuur van Hedda dat Nina Sudbye maakte en waarover Freriks schrijft: “pistool en vrouwenlichaam [zijn] één. De welving van de greep gaat over in haar dijen, de loop transformeert tot haar bovenlijf met volle boezem. Ze lijkt op een zeemeermin. Uit haar rug komt de trekker tevoorschijn. Vrouw en dodelijk wapen tegelijkertijd: dit is het ibsenisme ten voeten uit.”

Het toneelwerk van Ibsen lijkt lijkt mij boeiend. Zodra er een opvoering wordt aangekondigd bestel ik de kaarten.

juni 3rd, 2022 by Jaap de Jong

De ommekeer van Iwan Vasilevitsj

Walter Nigg (1903-1988), de Zwitserse religiewetenschapper, schrijft op opvallend soepele wijze over thema’s uit de dogmengeschiedenis. De introductie van zijn Triomf en tragiek van het geweten start met de vertelling en analyse van Na het bal, een  novelle van Tolstoj uit 1903.

In die novelle maakt Iwan Vasilevitsj een feestavond mee in Russisch gezelschap. Er wordt muziek gemaakt, gedanst en de alcohol stroomt rijkelijk. En daar is zij, de mooie Varinka, dochter van de kolonel, een prachtige jonge vrouw in een witte japon met rose sjerp die hem, Iwan Vasilevitsj, betovert. Na de avond kan hij geen rust vinden en slentert in de vroege ochtend door de stad waarbij hij toeschouwer wordt van een strafexecutie. Een jonge Tartaar, gedeserteerd en weer gevangen genomen, moet spitsroeden lopen. Hij wordt tot bloedens toe geslagen en smeekt  onophoudelijk “Broertjes, erbarmen. Erbarmen broertjes”, maar de kolonel beveelt hem de tocht te herhalen: “Nieuwe spitsroeden.”

De kolonel wordt door Iwan herkend als de vader van de mooie Varinka over wie hij eerder droomde. De vader dus die aan het einde van de vorige avond met zijn dochter een mazurka danste. Het zien van de toegetakelde rug van hen slachtoffer, nu één bloederige massa, leidt ertoe dat zijn gevoelens voor Varinka verdwijnen. De novelle eindigt met de opmerking dat het leven van Iwan Vasilevitsj door deze gebeurtenis totaal op zijn kop wordt gezet en in een andere richting geleid. In dat machtige en ook veelbelovende einde volgt Tolstoj hetzelfde procedé als in zijn roman Opstanding, maar dit terzijde.

Nigg gebruikt het verhaal van Tolstoj om zijn punt te maken dat de werkelijkheid ingewikkeld is, genuanceerd en meerdere kanten kent: een voorkant, een achterkant. Kerkgeschiedenis wordt door overwinnaars geschreven en die definiëren de eigen werkelijkheid niet als ketters. Overwinnaars lopen nooit de spitsroeden, die schrijven Geschiedenis die in dienst staat van de heersende partij en de gewenste beeldvorming. In Nederland was Lindeboom een van de eersten die met dat type kerkgeschiedenis afrekende, maar de titel van zijn hoofdwerk over ketters draagt er wel de sporen van: Stiefkinderen van het christendom. Stiefkinderen, geen echte kinderen.

Een geweten is een lastig ding. Je loopt het risico in de ketterpositie terecht te komen. In Triomf en tragiek van het geweten schrijft Nigg met veel sympathie over ketters en dat doet hij ook als het gaat om de kerkhistoricus Gottfried Arnold (1666-1714), schrijver van  Unpartheyische Kirchen- und Ketzer-Historie (1699) die op 33-jarige leeftijd zijn professoraat in de geschiedenis neerlegde. Arnold had een afkeer, een walging gekregen van het hoogdravende, eerzuchtige academische leven. Interessant is dat Walter Nigg hetzelfde deed en op 52-jarige leeftijd afstand deed van zijn hoogleraarschap. Hij werd fulltime schrijver en eigende zich, met als mentor en inspirator Margarete Susman (1872-1966), de literair-historische biografische methode toe.

Ook op ander terrein deelt Nigg voorkeuren met Arnold en dat betreft de oosterse mystiek en de Russische religieuze cultuur (met o.m. Vladimir Sergejevitsj Solovjow, Nikolaj Berdjajev, Sergej Boelgakov, Pavel Florenski etc.). Een terrein dat om allerlei redenen buiten de blik van het Westen valt en dat is jammer. Ook voor mij is het terra incognita, maar dat kan veranderen zoals het leven dat voor Iwan Vasilevitsj, na zijn tweede ontmoeting met de kolonel, een totaal andere wending kreeg. ’t Kan verkeren.

mei 29th, 2022 by Jaap de Jong

Honing aan de roede. Over Simon Gorter, Abraham Trommius en Mientje Vrijdag uit Rijssen

Vanmiddag nam ik de Statenvertaling met kanttekeningen ter hand. Mijn kompaan, Igor Cornelissen, kreeg die bijbel (in luxe box) in 2019 van de predikant C. Hogchem uit Genemuiden: “Ik mag Cees zeggen”, vertelde Igor mij meermalen met twinkels in de ogen.

Ik was op zoek naar het verhaal over de honing aan de roede die verlichting brengt. En dat verhaal, in die exacte bewoordingen, staat natuurlijk niet in een Groot Nieuwsbijbel of een andere moderne vertaling. Een vertaling die vrijwel altijd minder poëtisch is dan de Statenvertaling.

Toch vond ik niets, althans geen verhaal over “honing aan de roede.” Wel een hoofdstuk over Simson die op weg naar de schone Delilah honing uit een bijennest likt, afkomstig uit het geraamte van een eerder door hem gedode leeuw. Simson eet de honing uit de hand en niet van de roede. Hij wint aan kracht, zoekt en vindt daarna opnieuw zijn Delilah. Maar vertelt zijn ouders niets over de honing, noch over zijn avonturen met Delilah. Na mijn vergeefs, maar toch beloond zoeken, raadpleeg ik het naslagwerk van Abraham Trommius (ook al van Igor). Ik vind bij Trommius wel de honing, maar los van de roede. Ook vind ik bij deze 17e eeuwse theoloog wel de roede, maar los van de honing.

Honing aan de roede – ik hoorde die uitdrukking gisteren bij mijn ouders waar ik met mijn geliefde was. Ik vertelde hen over ons plan om die middag het graf van de doopsgezinde predikant en journalist Simon Gorter (1838-1871) op de Herenweg te bezoeken. Dat graf ligt op een steenworp afstand van mijn geboortehuis, tegenwoordig een zorgflat, aan de Nieuwe Veenendaalseweg te Rhenen. Ik vertelde hen ook over zijn ziekte, vroege dood en zijn preken. Simon Gorter was niet alleen de vader van de dichter Herman Gorter (1864-1927). Hij was zelf ook een man van het woord. Anders dan Alexander de Grote, die op zijn drieëndertigste de gehele toenmalige wereld had veroverd, haalde hij die leeftijd niet eens. Hij overleed op 5 juni 1871, op zijn tweeëndertigste, aan de gevolgen van TBC. Simon Gorter verbleef op dat moment in Rhenen, in een hotel aan de Grebbeberg, samen met zijn vrouw Johanna Catharina Lugt (1839-1923).

“Was er ook honing aan de roede van Simon Gorter” vroeg mijn vader mij? Tja, wat weet ik daar van en wat kan men weten over het ondervonden leed van de ander en de verwerking daarvan? In een bundel met twaalf nagelaten preken van Simon Gorter is wel een preek opgenomen over de waarde van de gezondheid en de verborgen zegen van krankheid. Aanleiding is een bijbeltekst over Naäman, een succesvolle Syrische generaal, “een strijdbaar held, doch melaatsch”. Feitelijk is de preek, naar ik vermoed, ook het verhaal van de ziektegeschiedenis van Simon Gorter zelf, maar geen woord over zijn eigen situatie. Krachtig. In de prekenbundel van Gorter vind ik wel de roede en de opwekking om onder de druk van de roede Gods te profeteren van zijn genade en zijn goedheid te ondergaan. Ja, “op te springen vol blij vertrouwen”. Eigenlijk had ik de uitdrukking bij hem wel verwacht: honing aan de roede, maar neen, ook bij Simon Gorter is de roede alleen los verkrijgbaar. Maar toch staat het er wel degelijk: in de geest natuurlijk, de letter doodt.

Uiteindelijk vind ik de honing toch, althans in combinatie met een staf. Als Jonathan, de zoon van Saul, samen met een aantal strijders in het woud der Filistijnen geraakt vinden ze er honing. Niemand echter die het aanraakt, want Saul had bevolen dat niemand mocht eten voordat de Filistijnen in een Blitzkrieg verslagen werden. Een beetje dom wel, dat bevel van koning Saul. Maar het woord van Saul gaat aan zijn zoon Jonathan ongehoord voorbij en dan komt het: “hij reikte het einde des stafs uit, die in zijn hand was, en hij doopte denzelven in een honingraat; als hij nu zijn hand tot zijn mond wendde, zo werden zijn ogen verlicht (1 Sam. 24:27).” De rest van het volk bleef gehoorzaam aan Saul en doopte de staf niet in het honingraat.

Let op: wel de staf, niet de roede, althans in de Statenvertaling. Een roede kan volgens het WNT ook best een staf kan zijn. En die roede kan nog veel meer zijn, althans vlg. datzelfde WNT. Ik durf het hier niet alles te vermelden. Ergens heeft men dus de staf ingewisseld voor de roede. En dat bij de doorgaans zo standvastige bevindelijk gereformeerden. Hoe kan dat?

Dan is er nog een vondst: ik tref de uitdrukking honing aan de roede voor het eerst aan in een Leidse bundel, een verhandeling over het vierde gebod van ene A.v.d.B uit 1735. Ik vermoed dat een piëtistisch-puriteinse auteur de uitdrukking muntte en dat ‘ie later door bevindelijk gereformeerden is hergebruikt, zoals de Scherpenzeelse ouderling Bart Roest (1892-1974) die de uitdrukking gebruikte in een briefwisseling met Mientje Vrijdag (1884-1943), een talige zielsverwante vriendin uit Rijssen. Ook de Twentse streektaalkenner Gerrit Kraa kent de brieven van Mientje Vrijdag en wees op haar originele taalgebruik. Haar plaatsgenoot Belcampo, de schrijver Herman Pieter Schönfeld Wichers (1902-1990), zal Mientje Vrijdag hebben gekend. Ze overleed in 1943:  “Mientje ter Haar-Vrijdag oet de tied” En zo is de cirkel rond: honing aan de roede. Ik vergeet het nooit meer.


Eduard Visser gaf in 2017 een bundel uit met werk van Simon Gorter. Eerder wees de historicus Jaap Meijer in de bundel Lieve ouders op de fraaie brieven van Simon Gorter aan zijn ouders in Balk. Jaap Meijer leerde die brieven via Garmt Stuiveling kennen. De vader van Simon, Douwe Gorter (1811-1876), was afkomstig uit een doopsgezind geslacht met meerdere lekenpredikers. Hij werd in 1854 als eerste gestudeerde predikant in menniste Balk beroepen. De vermaning werd eerder uitsluitend door leken- ofwel liefdepredikers bediend. Het scheelde maar een haar of ook zoon Herman Gorter was predikant geworden. Maar dat is een ander verhaal.

mei 23rd, 2022 by Jaap de Jong

“Een orgie van snobisme.” Het boekenlijstje van Sigmund Freud

In de zomer van 1906 stelt de Weense uitgever Hugo Heller (1870-1923) zijn auteurs vragen over goede boeken en het lezen. De aangeschreven auteurs moeten tien goede boeken noemen. Onder hen zijn bekende namen als Stefan Zweig, Rainer Maria Rilke, Marie von Ebner-Eschenbach, Herman Hesse, Arthur Schnitzler, Jakob Wassermann en Sigmund Freud. Niet iedereen onder de aangeschrevenen is blij met deze actie van uitgever Heller. Sommigen bedanken voor de eer.

Anderen, zoals Sigmund Freud, drijven de spot met de uitgever, maar werken toch mee. De gevreesde Karl Kraus (1874-1936) wijdt in zijn lijfblad Die Fackel een artikel aan de kwestie en stelt vast dat het om “een orgie van snobisme” gaat. En, zo voegt hij er met enig sarcasme aan toe: de belezen geesten uit Wenen hebben blijkbaar allen hun Gibbon of tenminste Carl Justi’s driedelige biografie over Winckelmann op het nachtkastje liggen.

Freud problematiseert het raadselachtige verzoek van Hugo Heller. Wat zijn dat eigenlijk: goede boeken? Bedoelt de uitgever de tien schitterendste werken uit de wereldliteratuur? In dat geval zou Freud tenminste Sophocles, Goethes Faust, maar ook Hamlet en Macbeth van Shakespeare op de lijst zetten.

Maar het kan nog weer anders, zo merkt Freud guitig op. Bedoelt de uitgever wellicht de tien belangrijkste werken. Welnu, dan mag het werk van Johannes Weier over het heksengeloof (1563) niet ontbreken, noch Darwin’s Descent of Man (1871) en ook het werk van Copernicus dient voorhanden te zijn.

“U heeft niet eens naar mijn ‘favoriete boeken’ gevraagd”, spot Freud en noemt vervolgens als favorieten Miltons Paradise Lost en Heines Lazarus. Uiteindelijk helpt Freud de uitgever aan een definitie van ‘goede boeken’ en komt hij met zijn lijstje. Goede boeken,  zo stelt hij, “zijn boeken waarmee men een band heeft als met ‘goede’ vrienden, aan wie men een deel van zijn levensinstelling en wereldbeschouwing te danken heeft, boeken waarvan men zelf genoten heeft en die men gaarne aanprijst, zonder dat in deze relatie het element van schroom en respect, het gevoel van eigen kleinheid tegenover hun grootheid, een prominente rol speelt.”

De lijst met tien ‘goed boeken’ van Sigmund Freud:

  1. Multatuli, Brieven en werken
  2. Kipling, Jungle Book
  3. Anatole France, Sur la pierre blanche
  4. Zola, Fécondité
  5. Merezjkovski, Leonardo da Vinci [1902]
  6. Keller, Leute von Seldwyla
  7. F. Meyer, Huttens letzte Tage
  8. Macaulay, Essays [1843]
  9. Gomperz, Griechische Denker [1896-1909]
  10. Mark Twain, [The Celebrated Jumping Frog of Calaveras Country, and Other] Sketches

Bij de keuze van Multatuli voegt Freud er nog toe dat hij niet bij machte is om de privébrieven bij de ‘liefdesbrieven’ achter te stellen. Daarom alles maar.

De gebroeders Karamazov van Dostojewski wordt in de top tien van Freud niet genoemd. In zijn essay Dostojewski en de vadermoord [VW, dl. 9, pp. 430-449)], waar deze roman aan de orde komt, noemt Freud Dostojewski echter een groot auteur wiens plaats “niet ver achter die van Shakespeare staat” (p. 433). De voortbrengsels van Shakespeare schaarde Freud onder “de schitterendste werken uit de wereldliteratuur” en blijkbaar komt Dostojewski vlak achter hem. Is Freud dan toch een man van lijstjes?

Over Fjodor M. Dostojewski, Vladimir Sergejevitsj Solovjov en Sigmund Freud later meer. Althans, als G’d het geeft en het internet niet neergaat. In ’t Wasdom bij antiquariaat Cornelissen & De Jong staan uiteraard ook ‘goede boeken’. Zoek direct in onze catalogus.

[Scan of klik op bovenstaande QR-code voor de gebruikte bronnen bij dit blog]

mei 23rd, 2022 by Jaap de Jong

Wachter, wat is er van morgenochtend?

Niet alleen de dichter-eschatoloog Isaac da Costa (1798-1860) liet zich bij het zien van het werk van het journaille tot de vraag verleiden: Wachter! Wat is er van de nacht? – “O Wachter! Welk een dag wordt aan de kim gewacht?”

Ook de meer serieuze journalist liet zich door de bijbeltekst uit Jesaja inspireren. Dat geldt tenminste voor Frans Coenen (1866-1936).

Ik bladerde zojuist in het Verzameld Werk van Frans Coenen  – ik moet het boekje opsturen, want verkocht – en trof daarin onder meer zijn journalistiek werk aan, waaronder de column: Wachter, wat is er van morgenochtend? Hij schreef het tijdens de kerstdagen van 1917 toen de Russische revolutie op haar hoogtepunt was. Anders dan Da Costa zag Frans Coenen niet de Morgenster in het verschiet, noch ook het Nieuw Jeruzalem.

Frans Coenen was via Bolland tot een gematigd Hegelianisme gekomen. Dat Hegelianisme was bij de wat sombere Coenen rechts-conservatief getint. Natuurlijk, er is verandering en ieder deel roept zijn of haar tegendeel op, maar de menselijke natuur is en blijft een constante. Frans Coenen was een realist en had een tamelijk heldere visie op de menselijke natuur. Dat moge blijken uit het volgende citaat: Met Vrede op Aarde wordt (…) waarschijnlijk de vrede [bedoeld] die de Russische revolutionairen brengen willen. Zo er Vredesengelen op aarde mogelijk zijn, geloof ik van harte, dat deze behaarde Mongolen op Hen moeten lijken. Vanwege hun groothartig, hun goddelijk argeloos bedoelen en grandiose gespeendheid van alle mensenkennis. Hebben zij niet maar even het privaat bezit en alle onderscheidingen afgeschaft. (…). Er is weinig meer nodig, geloof ik, om een mens tot Engel te promoveren, indien hij deze dingen ernstig neemt en ze als machthebber wil doorvoeren. Of is zodanige mens van zondig opportunistische, practische levenswijsheid en zelfs van de elementairste zelfkennis niet ganselijk onbesmet?”

De ironie van Coenen is intussen wel grappig. Hij misgunt de Russische utopisten de beërving van het Koninkrijk der Hemelen niet, “wat hun te pas kan komen tegen de tijd, dat de Aarde zich voor hen ongastvrij betoont. Hetgeen, helaas, te verwachten valt, indien zij niet gauw tenminste de Russische renten betalen.”

Wachter!  Wat is er van de nacht? Da Costa kende de uitkomst, zo meende hij. Frans Coenen schort zijn oordeel op. Heel praktisch. Net als profeten eten journalisten brood en volgende week wordt een nieuwe column aan de kim verwacht.

april 17th, 2022 by Jaap de Jong

De geur van verse drukproeven, linnen, karton en plaksel. Hermann Hesse en het antiquariaat

Bij een volgende reis naar Zürich bezoek ik eerst het oudste antiquariaat in Duitsland, t.w. J.J. Heckenhauer in Tübingen (Holzmarkt 5). Vanaf het midden van de 19e eeuw staat daar de boekhandel waar Hermann Hesse (1877-1962) zich in het najaar van 1895 als leerling-boekhandelaar meldt. Hermann had in 1893 een leertijd van drie dagen bij een kleine boekhandel in Esslingen achter de rug, maar het was hem daar te saai. Eigenlijk verlangde Hermann Hesse als kind maar naar één ding. Hij wilde tovenaar worden.

Hij bleef lang trouw aan die wens en die droom, maar in de enorme bibliotheek van zijn grootvader bekeert hij zich definitief tot de wereld van het boek. In twee jaar werkt hij zich door de helft van de wereldliteratuur heen waarbij hij zich met name op het historische en filosofische genre richt.

In 1955, bij de uitreiking van de Vredesprijs van de Duitse boekhandel, herinnert Hesse zich hoe hij in zijn jongensjaren al “vertrouwd was met de geur van verse drukproeven, van linnen, karton en plaksel, met de namen van veel uitgeverijen.” Zijn vader en grootvader waren theoloog-zendeling met een piëtistische inslag. Tegelijkertijd waren ze de literaire leiders van een uitgeverij die al honderd jaar stichtelijke theologische werken en populair-wetenschappelijke boeken op de markt bracht.

In 1895 begint Hermann Hesse dus als boekhandelaar-in-opleiding bij de academische boekhandel Heckenhauer die zich vooral op theologen en filologen richtte. Hesse brengt er een driejarige leertijd door en blijft daarna nog een jaar als jongste assistent. Hij las er Goethe en Nietzsche, maar dat lezen was maar een deel van het vermaak. Hij schrijft dat hij de rest van de tijd met studenten doorbrengt. Met hen praat hij, drinkt hij en zwelgt hij in grote zuippartijen.

Flapteksten doen geen recht aan het werk van de auteur, maar het kan niet zijn dat de uitgever van het prive-domeindeeltje nr. 21 er ver naast zit als hij vaststelt dat de romantiek van Hesse anti-burgerlijk is “en in zekere zin anarchistisch, gericht op innerlijke zelfbevrijding en contemplatie.”

Zelf ben ik de twaalfde in het dozijn, maar binnenkort trek ik Narziss en Goldmund van Hermann Hesse uit de kast. Als compensatie. Na het lezen van dat boek wil ik vermoedelijk nog één ding: tovenaar worden en antiquaar blijven.


 

april 17th, 2022 by Jaap de Jong

Woorden en hun betekenis: Over Hermann Hesse en de dadaïst Hugo Ball

Van Hermann Hesse (1877-1962) las ik als twintiger De Steppewolf en Het kralenspel. Ik weet nog dat beide romans veel indruk op mij maakten en ik herinner mij dat de tegenstelling gevoel-rationaliteit en individualisme-collectivisme daarbij een rol speelden. In De Steppewolf (1927) bespeelt Hesse zo’n beetje alle emoties die een adolescent kan doormaken. En redeneren kon hij ook, dus dat boek had mijn onverdeelde aandacht.

In Het kralenspel (1943) draait het om de vraag of een intellectueel wel iets te maken wil hebben met de wereld buiten de geest. Die vraag en ook de afkeer van het burgerlijke bestaan lijkt een constante in het leven van Hermann Hesse. Dat heeft een reden. In zijn dagboek (1920/1921) schrijft hij dat het overal ontbreekt aan een moraal en heiligheid, een werkelijk serieus streven naar bovenpersoonlijke waarden: “Iedereen streeft, denkt en politiseert voor zichzelf, voor zijn eigen persoontje, zijn eigen roem of voor een partij.”

En dan schrijft Hesse iets opmerkelijkst. Hoe mooi zou het zijn, schrijft hij, “als het werk en de geestelijke inspanning en verheffing van allen gezamenlijk in een stroom zou moeten uitmonden die alleen aan de mensheid toebehoort en waarin prestatie of vergissing van de enkeling algauw anoniem wordt.” Hij verwijst dan naar vroeger eeuwen van de kerk, voor de renaissance, bij kerkvaders. Pas dan “zal men weer woorden schrijven die door schrijvenden en lezenden werkelijk en serieus geloofd worden.”

Woorden dus, zo vervolgt Hesse “waar plezier, overtuiging en waarheid van uitgaat, waarvoor het de moeite loont te sterven.” Ik weet niet of ik in dat geval voor woorden wil sterven, maar het zou misschien gemakkelijker vallen. 

Hesse sprak erover met Hugo Ball (1887-1927), de dadaïst, die met Karawane (1917), een angstaanjagend klankgedicht met niet-bestaande woorden, wellicht illustreert het wat Hesse in zijn dagboek beweert, te weten dat woorden zijn verworden tot beweging van lucht: “Ik heb het hier een dezer dagen, vanuit het ellendige gevoel dat ik had en de walging die ik ondervond, ook met Hugo Ball over gehad, en hij gaf me in alles gelijk.”

Bij het beluisteren van het dadaïstische klankdicht Karawane denk ook ik aan menig politicus die ik vandaag de dag hoor babbelen: een gewichtige verplaatsing van lucht. Lucht die riekt: wind. Zonder visie, zonder idee, behalve dan het reële bestaan van de (kiezers)markt met een doorslaggevende rol voor de vraagzijde en het proces. Het loslaten van ieder ijkpunt buiten de markt. Alles is markt, maar de markt ìs niet alles. Bovendien barst de markt van onvolkomenheden die niet zelden bewust in stand worden gehouden. Dit alles niet geheel terzijde.

Over Pasen spreekt Hesse dan weer goede woorden: “van alle christelijke feesten is sinds tientallen jaren Pasen het enige dat ik nog met gevoelens van vroomheid en eerbied beleef, bij dit feest hoort de schuwe zoetheid van het begin van de lente net zoals de herinnering aan de ouders en het eierenzoeken onder de vlierstruiken in het tuintje, de muziek van Bach niet minder dan de stemming rond de tijd van mijn confirmatie, de strijd tussen de eerbied voor de vroomheid van mijn ouders en bezwaren tegen het geformuleerde en aan de kerk gebonden geloof.”


 

april 15th, 2022 by Jaap de Jong

Het “zwijgen” van Van der Lubbe en de woede van Igor Cornelissen

Op zondag 17 december 2017 kocht Igor Cornelissen (1935-2021) in boekhandel De Groene Waterman in Antwerpen een bundel met de gedichten van Elsschot. In de bundel worden alle verzen van Willem Elsschot verzameld en toegelicht. Zo ook het vers over het dramatische einde van Marinus van der Lubbe (1909-1934): “Jongen met je wankel hoofd / aan den beul vooruit beloofd”. Igor Cornelissen was eerder door Thijs Wierema gevraagd om in De Parelduiker over Marinus van der Lubbe en het gedicht van Willem Elsschot (1934) te schrijven. Van der Lubbe had de brand in het Rijksdaggebouw aangestoken. De nazi’s grepen die brandstichting aan om duizenden communistische tegenstanders te arresteren en in concentratiekampen op te sluiten. Met de brand bereikte Van der Lubbe, die net als de dichter Herman Gorter een zgn. radencommunist was, het tegendeel van wat hij beoogde.

In het vierenveertig weken durende showproces maakte Van der Lubbe de indruk van een half debiele, stompzinnige dwaas. Hij had het hoofd omlaag gehouden, het speeksel liep hem uit de mond. En hij zweeg. Althans, dat was de eerste indruk. Vroeger, zo ontdekte Igor door met voormalige kameraden van Van der Lubbe te spreken, was hij een sterke, vlotte en welbespraakte kameraad. En fel. Bovendien was was hen niets bekend over zijn homoseksualiteit. Integendeel, Van der Lubbe was absoluut nìet afkerig van vrouwen. Was hij gedrogeerd of was er een dubbelganger in de beklaagdenbank gezet?

In de toelichting op het gedicht Van der Lubbe (opgedragen aan Simon Vestdijk) herhaalt Odile Heijnders volgens Igor Cornelissen de fouten van Elsschot over de vermeende homoseksualiteit van Van der Lubbe en zijn zogenaamde zwijgen. Hij leest het stuk met stijgende woede. Van der Lubbe had niet gezwegen en was evenmin homoseksueel. Dat laatste was geschiedvervalsing, mede in stand gehouden door stalinisten die hun eigen versie van de brand koesterden waarin de vermeende homoseksualiteit van Van der Lubbe goed paste. Hij, de radencommunist, die in zijn denken afweek van de stalinistische lijn, zou het hebben aangelegd met de SA-kliek van Ernst Röhm. Igor had de misverstanden rond deze geschiedenis al eens opgeschreven, in een artikel in Vrij Nederland – na raadpleging van de vroegere vrienden van Van der Lubbe – en in het tweede deel van zijn autobiografie Raamgracht 4 (p. 92-94), dat ik vandaag herlas.

Igor schrijft zijn woede over dit opstel van Heijnders uit in het Antwerpse café Quinten Matsijs waar Paul van Ostaijen, Willem Elsschot en Werumeus Buning ooit stamgasten waren. Er werden op die dag ook Elsschotwandelingen georganiseerd door medewerkers van het café, maar die liet hij aan zich voorbijgaan. Igor zweeg natuurlijk niet over de “iets te domme muziek. Zacht. Goed, het was zacht, op de achtergrond.” Ik herhaal slechts wat Igor met potlood op het schutblad van genoemd boek en het bijgevoegde papiertje schrijft.

Ik snap die woede van Igor Cornelissen goed: beeldvorming – gebaseerd op behoud en uitbreiding van de politieke macht – corrigeren door de feiten (en daarmee de nuance en de waarheid) te achterhalen kost tijd en energie. Dat spreekt managers (en de Joop van Tijns) uit dèze tijd bepaald niet aan. Het is veel efficiënter iemand het hoofd af te hakken: o jongen met je wankel hoofd / aan de beul vooruit beloofd. Slecht onderzoek doen, feiten wegmoffelen en daardoor foute beelden in stand houden blijft intussen wel een doodzonde. Althans, voor de wèldenkende burger die niet denkt en handelt voor de beloning in het hiernu- en/of hiernamaals.

Als Odile Heynders het in haar opstel heeft over de taak van de lezer om “een nieuw netwerk van betekenismogelijkheden tot stand [te] brengen” wekt dit de spotlust van Igor op: “gebakken lucht”, schrijft hij. Ik geef hem gelijk. Een klaarblijkelijk historisch-literaire tekst dient allereerst historisch begrepen te worden. Wat een mooi vak zou dat kunnen zijn aan de middelbare school: literatuurgeschiedenis!

Elsschot beweerde in zijn gedicht dat Van der Lubbe “een vieze jongen” zou zijn geweest. Bovendien zou Van der Lubbe volgens Elsschots gedicht gezwegen hebben over het hoe en waarom van zijn daad. Dat Van der Lubbe homoseksueel was, betwijfelde Igor Cornelissen. Met goede argumenten: hij was een actieve liefhebber van vrouwen. In de jaren zestig had hij voormalige kameraden van Van der Lubbe gesproken. Het waren ‘droeve oude mannen die Rinus bleven verdedigen maar tegelijkertijd wisten dat zijn daad averechts had gewerkt.” Maar het was een leugen dat Van der Lubbe nooit iets had gezegd. Tijdens een van de zittingen was hij gaan staan en had verklaard dat het hele proces hem de strot uithing. Het was een schijnvertoning. Hij en hij alleen had de brand gesticht, zo had hij gezegd.

Het artikel over Elsschot en Van der Lubbe is er helaas nooit gekomen. In de laatste maanden van zijn leven was Igor opnieuw bezig met Van der Lubbe. Hij was iets op het spoor, vertelde hij mij, een geschiedenis, een romance wellicht tussen Van der Lubbe en een vrouw. In zijn eerste en tegelijkertijd laatste vlog vertelt hij meer over zijn fascinatie voor Van der Lubbe, een goudeerlijk man in wie geen bedrog was. Niet uit op eigenbelang. Dat bestaat.

april 8th, 2022 by Jaap de Jong

Over Marc Rozelaar en het bitterzoete leven. Nooit zonder Bach

In 1922, toen hij veertien jaar oud was, ontwierp Marc Rozelaar (1908-1991) zijn eerste exlibris: de Oudemanhuis Poort in Amsterdam. Het is een tekening van een klein besloten holletje waarin hij wilde wegschuilen. Helemaal achterin staat een kaal boompje, een rozelaar. Marc Rozelaar kreeg op het Kennemer Lyceum les van Anton Pieck (1895-1987) die hem inwijdde in het maken van houtsnedes, lino’s, gravures en aquarellen.

Afgelopen week, dus honderd jaar later, vond ik in diezelfde Oudemanhuis Poort – in een boekenstalletje – het proefschrift, waarop Marc Rozelaar op 25 maart 1941 promoveerde: Lukrez, Versuch einer Deutung met de stellingen en het dankwoord. In de eerste stelling zet Rozelaar zich neer als voorstander van het psychologische perspectief op literaire teksten. Dat gezichtspunt zou volgens die stelling de voorrangspositie van het historische perspectief wel mogen overnemen. Hij deed dat zelf ook in zijn dissertatie over Lucretius over wie weinig historische data zijn.

Zijn vriend en medestander in de zionistische beweging, de historicus Jaap Meijer (1912-1993), zou ruim een half jaar later promoveren op Isaac da Costa (1798-1860), de dichter die, zo schrijft Meijer ergens ‘ons verlaten heeft’. In 1942 stopt de mogelijkheid om te promoveren, althans voor Joden. De vriendschap tussen Rozelaar en Meijer werd gevierd in teksten zoals portret dat Meijer (onder het pseudoniem Saul van Messel) naar aanleiding van het overlijden van Rozelaar schrijft:

genieter van het leven/vehement

door muzen als om strijd verwend

die hooglieds eros met geduld van job verbond

homo ludens/die bittere ernst verstond

Bij de dichter Saul van Messel weegt ieder woord. Altijd. Dat blijkt ook uit bovenstaand gedicht. Rozelaar vertaalde het Hooglied en het boek Job dat als Mijn leven is een ademtocht verscheen. De vertaling van Job droeg hij op aan zijn moeder Regina Rozelaar-Maykels die geen zerk kreeg, maar wier as op 11 juni 1943 door de schoorsteen in Sobidor ging en over de vier uithoeken van de aarde werd verstrooid. Zelf wist Marc aan de vernietiging te ontkomen door zich door het raam van de rijdende trein te wurmen en te springen. Marc Rozelaar tekende niet alleen, hij dichtte en bundelde een honderdtal kwatrijnen (ontstaan tussen 1934 en 1940) onder de titel Interludium die hij onder 25 goede vrienden verspreidde. Het lijkt mij zeer waarschijnlijk dat Jaap Meijer tot die groep van 25 goede vrienden behoorde die de bundel ontving. Meijer herkende (zie dualisme II) de existentiële twijfel bij Marc Rozelaar, maar wellicht ook scepsis. Scepsis die in de kwatrijnen tot uiting komt in een vragend zwenken tussen Jeruzalem en Athene.

De kwatrijnen weerspiegelen “een moeilijke levensperiode”, zo schreef Marc Rozelaar op het exemplaar dat hij op 4 april 1981 aan zijn jongste zoon Micha gaf (kopie & schriftelijke mededeling aan mij, van MR, 10 april 2022). Als ik mij niet vergis – en dat doe ik niet 😉 – schemert er in de kwatrijnen een epicurisch-stoicijnse levensvisie door. Dat is niet vreemd. Marc Rozelaar studeert in de jaren dertig intensief op het werk van Lucretius en promoveert uiteindelijk in maart 1941 op werk en duiding van de filosoof. Intussen leidde de verloving met Emily Konijn, aangekondigd in een advertentie in het Algemeen Handelsblad van 8 mei 1933, niet tot een huwelijk.

Marc Rozelaar voegt een interessant motto toe aan de honderd kwatrijnen: Breekt u braakland en zaait niet tussen doornen (Jer. 4:3). Het Nederlands uit de Statenvertaling vind ik simpeler: Ploeg voor uzelf ongeploegd land om! / Zaai niet tussen de dorens. Hij droeg de bundel op aan zijn (tweede) verloofde, Fanny Ichenhäuser, met wie hij in de oorlogsdagen van 1940 wel trouwt en met wie hij drie zonen kreeg.

Naast dit alles bespeelde Marc de cello tot in de concertzalen toe. Ondanks dit alles – of wellicht wel vanwege al die talenten – bleef hem een leven lang de twijfel. Meijer beschreef het in dualisme I en II

tot in de toppen van zijn vingers fel begerig

tot in de vezels van zijn geest abstract wijsgerig

een mens van grillige contrasten

die op de duur natuurlijk bij hem pasten


dualisme II

hij leek mij soms een hellenist

een nieuwe philo tussen twee culturen

als keuze bleef hem akelig beslist:

de twijfel die een leven lang zou duren

De twijfel tussen Jeruzalem en Athene komt sterk naar voren in de selectie van vier (nr. XV, XVIII, LXXI, XXXVIII) van de honderd kwatrijnen uit Interludium die door een onbekende in het Hebreeuws werden vertaald. Micha Razel (1946), de jongste zoon van Marc Rozelaar, die mij een kopie stuurde, schreef dat de precisie van de vertaling er op wijst dat zijn vader de vertaling maakte, “but I am not sure who translated it.”

Ik ben ook niet zeker, maar het zou mij – vanwege diezelfde precisie, de inhoud en de intensieve vriendschap – niet verbazen als niet Marc Rozelaar zelf, maar Jaap Meijer de vertaler van deze selectie is. Meijer vertaalde gedichten van o.m. Jan Hanlo, Jacob Israël de Haan in het Hebreeuws. In zijn opstel over De Haan schrijft Jaap Meijer dat het de ‘verlichte’ Hebraïci erom ging om aan te tonen dat het Hebreeuws in staat was alle gedachten vorm te geven die men als Aufklärer maar wenste uit te dragen, “ook (en soms bij uitstek) gedachten, die indruisten tegen het traditionele jodendom.” (Meijer, 1974). Meijer en Rozelaar waren misschien wel te joods om orthodox joods te kunnen zijn. In elk geval demonstreert Meijer zijn buitengewoon scherpe lezing van Marc Rozelaar in zijn kwatrijn dualisme II, juist op het punt als het gaat om de twijfel tussen Jeruzalem en Athene. In de selectie van de vier kwatrijnen wordt die twijfel opnieuw heel precies onder woorden gebracht. Of die vertaling nu van Meijer of van Rozelaar zelf is. Het doet er eigenlijk niet toe.

Naast vruchtbare twijfel was er levenslust! Misschien is die combinatie wel kenmerkend voor een pessimistisch vitalisme als dat van Marc Rozelaar. In een brief aan de componist-schrijver Matthijs Vermeulen (1888-1967) en zijn vrouw Thea Diepenbrock (1907-1995) neemt Rozelaar een reproductie op van een olijfboom die hij ooit tekende “omdat hij mij zo imponeerde doordat hij, uitgehold, verwrongen en geteisterd – kennelijk – door de wonderlijkste & verschrikkelijkste lotswisselingen, ondanks verwaarlozing en verlatenheid elk jaar zijn blaadjes trouw vernieuwt alsof niets hem deert”. In de brief bedankt hij en passant voor het proefschrift over Seneca dat Alphons Diepenbrock schreef en waarover hij via Thea kon beschikken.

De cello en de muziek is een constante in het leven van Rozelaar. De liefde voor de muziek komt ook in een tweede ex libris tot uiting waarin een prominente plek is toebedeeld aan de cello. In een artikel in De Joodsche Wachter – naar aanleiding van de emigratie van het gezin Rozelaar in 1952 – herinnert Jaap Meijer aan de zomermiddagen op de Prinsengracht, vlakbij de Amstel, waar Marc de cello bespeelde en hij met Meijer filosofische gesprekken (over thema’s uit “Jeruzalem en Athene”) voerde, zoals Meijer in zijn krantenartikel schrijft.

Ruim veertig jaar later doet hij dat opnieuw in het gedicht cellist, “het jammerhout”. In het gedicht van Meijer is zomermiddag een donkere novemberdag geworden. In november regent het vanzelf, al is het Bach. Dan valt het mee:

vlak bij de amstel op de prinsengracht

– zal ik wat spelen/wat had je gedacht –

een donkere novemberdag

regende zachtjes bach

Jammer dat Igor Cornelissen er niet meer is. Met hem had ik honderduit willen praten over het leven van Marc Rozelaar en de vriendschap met Jaap Meijer, die tevens de schakel was tussen Igor en Marc Rozelaar. En natuurlijk over Anton Pieck (en diens broer). Kortom, over het leven zelf, dat wonderbaarlijk is, vol van tegenstellingen: zuur, zoet en bitter, ja bitterzoet.

Maar nooit zonder Bach (en de jazz).


PS. Op het internet (en later bevestigt door de familie) ontdekte ik dat de kinderen van Marc Rozelaar de achternaam Rozelaar veranderden in het Hebreeuwse Razel en dat er onder zijn kleinzonen bekende muzikanten zijn, zoals Yonatan Razel.

Marc Rozelaar erfde zijn muzikale talent van zijn grootouders en gaf het door aan zijn kleinkinderen. In het gedicht De Fakkelloop kondigde hij het aan: “maar ook als ‘k lang tot stof zal zijn vergaan/en van mijn naam de klank zal zijn vergeten/geeft de een de ander nog mijn fakkel aan.”

Jaap Meijer zei iets anders in zijn motto bij het in memoriam marc rozelaar en dat is ook waar: laten we onthouden dat we vergeten worden.

maart 30th, 2022 by Jaap de Jong

“Het allergevaarlijkst was het als Sophie jou kende.” Over Gele Fie uit Zwolle (ca. 1515-1562)

“Binnen Amsterdam woonde zeekere vrouw van Zwol gebooren, met naame Fy Harmans, die, mits d’uitwendighe gedaante, haar innerlyke leelykheit niet looghende, om d’afzichtigheit haarder verwe, in de wandeling, doorgaans, geele Fy geheeten werd, en van ’t een broodt tot het ander niet koomen kon; als belast met een huis vol vaaderlooze kinderen, zynde onlanx haar man in een gevecht ter needer geleit.” (P.C. Hooft, Ned. Histor. [annalen 1565]).


We beschikken niet over een tekening van Sophie (Fy of Fie) Harmansdr., maar wel over bovenstaande, niet direct vleiende, woorden van Pieter Corneliszn. Hooft (1581-1647). Hooft stelt vast dat Fie lelijk van binnen was en lelijk van buiten. Vanwege haar “afzichtelijke” gelaatskleur [verwe] kreeg ze de bijnaam Gele Fie. Een man had ze rond 1550 niet meer, die was neergestoken. Uit niets blijkt dat Hooft haar voorgeschiedenis kende, noch wist hij iets over haar connectie met haar vader Harmen Hoen. Hij was een radicale revolutionair die Ten Hove in zijn prachtige handboek over Zwolle wel even noemt. In het voorbijgaan, maar zonder de connectie met Gele Fie te leggen. Het is dan ook een detail, maar een betekenisvol detail.

Over haar tienerjaren in Zwolle lezen we niets. Wel zijn er tal van historische relevante primaire bronnen over haar vader Harmen Hoen, ook in de collectie Overijssel. Mooi dat daar nu met verschillende partners aan gewerkt kan worden binnen het vernieuwende concept van het Zwolse museum ANNO. Bron, historisch object en verhaal vullen elkaar zo prachtig aan.

Het liefst had ik een tekening of foto laten zien van het huis van de Zwolse poorter Harman Hoen (-28 juli 1535), de vader van Sophie. Hij woonde vlakbij de Sint-Michaëlskerk, maar waar precies? Harman Hoen, die in mei 1535 gevangen werd genomen in Amsterdam, waar hij als wederdoper alles wilde delen, ook zijn kleding. Het was de opzet van de naaktlopers van Amsterdam om de revolutie uit te roepen. Ze werden gevangen genomen en Harmen werd op 28 juli 1535 op de Dam terechtgesteld, gevierendeeld onder het oog van zijn dochter Sophie, maar niet voordat hij voor enkele dagen naar Zwolle werd gehaald, waar hij in de Sassenpoort gevangen zat, om te getuigen in een zaak tegen een andere doperse radicaal, zijn stadgenoot uit Zwolle: Wolter in die Sonne.

Harman Hoen ontwikkelde zich na zijn herdoop in 1534 tot een fanatieke prediker en geloofsijveraar. In 1531 en ’33 debatteerde hij met de Zwolse pastoor en betwijfelde openlijk (en in niet-theologische taal) of de wijn werkelijk het bloed en het genoten brood in het sacrament inderdaad het lichaam van Christus representeerde. Ook liet hij de inquisiteur Barend Gruwel – what’s in a name? – van het klooster van de Dominicanen (tegenwoordig boekhandel Waanders) suspecte, verboden, boekjes zien. En er waren geheime bijeenkomsten in zijn huis aan de Grote Markt, waar Harman aan potentiële bekeerlingen de doperse leer uiteenzette en het brood uitdeelde. Hij ontwikkelde zich van sacramentariër tot een revolutionaire wederdoper.

Harman Hoen, was getrouwd met Lubberken (-na 1558). Lubberken en Harman had naast Sophie ook nog een zoon, Jan Harmanszn, die schipper was en over de Vecht voer. Vanuit Zwolle reisde Harmen met Sophie door Overijssel. Na zijn herdoop in Deventer (in 1534) raakte hij nog intensiever bij de doperse beweging betrokken, waarschijnlijk als lekenprediker. In de bronnen staat dat hij “leraarde”. Hij ging overal heen: naar Groningen, naar Kampen, naar Deventer en uiteindelijk naar Amsterdam. Zijn dochter Sophie volgde hem waar hij ging en leerde zo nogal wat mensen kennen die sympathie hadden voor de doperse leer.

Dat kennen was levensgevaarlijk.

Levensgevaarlijk was het om je te opnieuw te laten dopen of je als een herdoper kenbaar te maken. Nog levensgevaarlijker was het om Sophie Harmensdr. te kennen. Maar het allergevaarlijkst was het als Sophie jou kende.

Na de terechtstelling van haar vader op 28 juli 1535 keert Sophie Harmansdr. de doperse beweging de rug toe. Het bezit van haar vader valt toe aan de staat en Sophie is berooid. Net zoals haar broer en moeder. In 1537 zou zij de eerste mensen aanbrengen. En er volgen nog enkele tientallen mensen. Tot in Vlaanderen toe, waar Sophie betrokken zou zijn bij het oppakken van Gilles van Aken, een oudste en belangrijke voorman in de doperse beweging. Vaak was het bewijs flinterdun, ze doet het – dat is wel zeker – ook voor het geld. Uiteindelijk, midden jaren vijftig, raakt Sophie verzeild in de intriges tussen een burgemeester en een schout en wordt ze vanwege valse beschuldigingen opgepakt. Ze zit zes jaar in de gevangenis. Haar moeder Lubberken doet tevergeefs een poging om haar mee terug te nemen naar Zwolle. En dan is er het proces en het einde. De tong wordt haar uitgerukt, ze wordt geradbraakt waarna haar de verbranding wacht. Inktzwarte eenzaamheid. Het staat tot in het detail in de processtukken.

In de geschiedschrijving wordt Sophie Harmansdr. neergezet als een verklikster, een slecht mens, uit op gewin. Lelijk van binnen en lelijk van buiten. Daar zijn genoeg redenen voor, maar was er iemand onder hen die een compleet beeld van haar had? De geschiedenis van haar vader, haar overgave aan en teleurstelling in de doperse beweging, het trauma van de gruwelijke dood van haar gevierendeelde vader die zich – zoals berichten suggereren – tot op het laatste toe verzette en weigerde te knielen voor zijn scherprechters. Zij zag het allemaal. En dan was er nog haar slechte financiële situatie, een huis vol kinderen en het ontbreken van een vader.

Maar werd het leed voor Sophie Harmansdr. minder door leed toe te voegen aan het leven van anderen? Ik vraag maar.

 
gebruikte bronnen & aantekeningen  
maart 26th, 2022 by Jaap de Jong

Over Karl Barth: “twijfelen en toch zeker zijn, wenen en toch vrolijk zijn”

Wessel ten Boom (1959-2021) had meerdere specialismen (o.a. Rilke, Vestdijk, Barth). Hij was een kenner van het werk van de theoloog Karl Barth (1886-1968) en vertaalde onder meer Fides quarens intellectum (FQI) ofwel geloof dat naar begrip zoekt. FQI is een boek (uit 1931) waarin Barth het godsbewijs van Anselmus van Canterbury (1033-1109) relateert aan het theologische programma van Anselmus en uiteraard ook aan zijn eigen programma. Barth deed in de 20e eeuw een stevige poging de theologie te restaureren. Binnen die restauratie paste een inspectie van de voorgangers. En dan deed hij in Die Protestantische Theologie im 19. Jahrhundert, waarbij hij ook de 18e eeuwse voorgangers (en filosofen) betrok. Ik noem enkele van de door hem behandelde namen: Rousseau, Lessing, Kant, Hegel, Novalis en Schleiermacher.

Kennis en begrip van geschiedenis was een wezenlijk onderdeel van Barth’s methode. Hij begon er mee in de jaren dertig in Bonn, waar Die Protestantische Theologie ontstond. Hij schakelde niet alleen zijn medewerkster Charlotte von Kirschbaum (1899-1975) in, maar ook zijn zonen – waarvan er drie theologie zouden studeren – hielpen hem. Tijdens de jaren in Bonn verzamelde Christoph Barth (1917-1986) de portretten van de theologen die in het boek zijn opgenomen (w.o. de Nederlandse theologen Voetius en Kohlbrugge). Die portretten hingen ook bij Barth in huis. En ze maakten indruk, zoals zal blijken.

In het door Wessel ten Boom vertaalde FQI stak een losse bundel vergeeld papier. Dat bleek de tekst te zijn van de rede die Barth hield bij de begrafenis van zijn zoon Matthias Barth (1921-1941). Matthias was één van de drie zonen – onder zijn vijf kinderen – die in de voetsporen van zijn vader trad. Matthias Barth kwam om bij een beklimming van de Fründenhorn. Een berg die tot op de dag van vandaag een geliefd object is voor bergbeklimmers. In zijn laatste uren was zijn moeder Nelly Barth-Hoffman (1893-1976) bij hem. Matthias Barth was een dromer en ondanks zijn heldere verstand was hij niet opgehouden kind te blijven, schrijft Karl Barth waarna hij zijn herinnering aan een andere bergtocht verhaalt: “Und so sehe ich ihn noch als Neunjährigen bei einem für seine Kräfte viel zu schwierigen Gebirgsweg, auf den er sich mit uns begeben hatte, mit leichtesten Füßen, den Boden nur eben berührend, um uns Andere und um alle Gefahren unbekümmert, von einem Felsblock zum anderen springen wie eine kleine Gemse.”

De rede aan het graf van zijn zoon is mij overgeleverd als typoscript. Het typoscript ziet er oud en vergeeld uit, maar het lijkt mij onwaarschijnlijk dat het afkomstig is van Karl Barth zelf. In dat geval zou Charlotte von Kirschbaum wellicht de tekst hebben getikt. Als motto voor zijn rede koos Barth voor een frase uit de brief aan de Korinthiers: “Wir sehen jetzt durch einen Spiegel in einem dunklen Wort, dann aber von Angesicht zu Angesicht”? Barth koos die tekst niet zelf uit, die liet zich kiezen. Sterker nog, hij was al gekozen door zijn zoon Matthias. In de woning in Bonn, waar Barth tot 1935 hoogleraar was, stond de tekst direct onder het portret van een oude theoloog. Ik weet niet welk portret het was, maar het is waarschijnlijk wel opgenomen in Die Protestantische Theologie. Karl Barth had toevallig gezien dat zijn zoon de tekst had afgeschreven, in het Latijn vertaald en overdacht. Vertalen en overdenken waren onlosmakelijk verbonden, meende Karl Barth – Matthias Barth had over de tekst nagedacht: videmus nunc per speculum in aenigmate, tunc autem facie ad faciem.

Ik ga de grafrede niet citeren, maar vertaal een korte passage van de dialecticus Barth, een stuk dat mij aansprak of het nou waar is of niet: “Dat is de genade Gods, waar wij aan vasthouden en waarmee wij aan de grens mogen staan, daar waar het Hier en Dan zich roeren, en dat wij aan deze grens geloven, liefhebben en hopen. Zij is de grens waar het licht zich in en door het duister boort, waar het leven over de dood triomfeert, waar wij grote zondaren zijn en toch gerechtvaardigden, waar wij gevangen zijn en toch vrij, waar wij twijfelen en toch zeker zijn en waar we wenen, maar toch vrolijk zijn.”

De naam van Barth kwam ik voor het eerst tegen in de jaren tachtig, toen ik enige tijd met het (religieus) socialisme sympathiseerde en daar een rechtvaardiging bij zocht. Het was vooral J.J. Buskes die Barth keer op keer noemde en populariseerde. En ik kwam hem tegen in de persoon van Hebe Charlotte Kohlbrugge (1914-2016) – kleindochter van de theoloog die Barth (en Wessel ten Boom) waardeerde. Hebe nam geen blad voor de mond, toen niet en in de oorlog ook al niet. Als ik haar zag – ze werd heel oud – dacht ik ook aan Barth en aan de waarheid en wist ik weer wanneer (en vooral wanneer niet) een mens mag liegen.

In de zomer van 1942 reisde Hebe Kohlbrugge naar Bazel – ik meen dat ze de tocht grotendeels fietste – om Karl Barth te vragen of het verzetslieden was toegestaan te liegen tijdens hun verhoor door de Duitsers. Een verhoor waar het er vaak gruwelijk aan toe ging. Barth vond het een moeilijke vraag, zo vertelde Kohlbrugge, en het was onbescheiden om als inwoner van een neutraal land die existentiële vraag te beantwoorden. Maar na lang heen en weer gepraat was het antwoord ‘ja’. De uitleg van Barth werd na terugkomst van Hebe direct gedrukt en clandestien in omloop gebracht onder de titel: Aan de Nederlandsche Christenen; brief van Prof. Karl Barth.

Dat is ook Barth: zondaar-zijn en toch gerechtvaardigd, wenend en toch vrolijk, gevangen en toch vrij en zelfs liegen en daarin toch de waarheid spreken.


 

maart 14th, 2022 by Jaap de Jong

De verschijning van Eurydice en Rilke’s onvertaalbare grafdicht

Zo’n twintig jaar geleden bezocht ik de laatste rustplaats van Rilke. Het graf ligt boven het Rhônedal. Het is er altijd winderig. Op die dag regende het onophoudelijk. We schuilden in een klein museum waar wat foto’s van Rilke lagen. Men kon er zijn dichtbundels kopen.

Rilke woonde de laatste jaren van zijn leven in het Zwitserse Muzot waar hij aan de Sonnetten aan Orpheus werkte. Het werk dat hij nog voor zijn dood voltooide. Gisteren zag ik met de geliefde een uitvoering van de Sonnetten, het grote dichtwerk dat onder meer door Wessel ten Boom werd vertaald. Er zijn er overigens veel meer die zich er aan waagden. Het was een prachtige uitvoering met mooie decors, zoals dat van de veerboot die over de doodsrivier voer. Een tocht die onontkoombaar leidde tot de verschijning van Eurydice aan Orpheus. Eurydice, die in de dood, het niet-zijn, eindelijk de koningin (Neen, alle denkbare koninginnen) was geworden en wilde blijven, “offerde” Orpheus daaraan op: “Niemandes Schlaf zu sein”. Ze zei het niet en het libretto schrijft het niet voor, maar ik dacht er aan.

Zojuist bladerde ik bij toeval – maar wat is toeval anders dan dat het je toevalt – door een bundel van tien studies over Rilke (Bassermann, 1947). Dieter Bassermann begint bij het einde: bij het grafdicht van Rilke. Het gedicht dat de dichter zelf had uitgezocht voor de winderige plaats boven het Rhônedal. Toen ik het indertijd las – in mijn herinnering stond het op een bord tussen rode rozen – begreep ik er weinig van, ook al trok ik er indertijd een intelligent gezicht bij toen ik het “vertaalde” voor mijn kinderen. Tieners nog.

Rose o reiner Widerspruch | Lust, niemandes Schlaf zu sein unter so viel Lidern.

Het grafdicht is voor mij, meer nog dan toen, een onvertaalbare zin geworden. Soms denk ik er dichtbij te zijn, maar kom er toch niet bij. Het beeld van de roos, die zoals de puntdichter Angelus Silesius ergens opmerkt, zonder waarom bloeit en bestaat, ja louter is – is een krachtig beeld. Een roos reflecteert niet. En wat is de slaap zolang hij iemands slaap is? Rilke formuleerde geen leer en zijn gedichten zijn niet bedoeld als levensfilosofie, hooguit een spiegel van zijn Zijn, schrijft Bassermann. Terecht. Vertalen is ook, net als de flirt, een vorm van toe-eigening en dat is hier wellicht net een stap te ver. Juist of zeker ook bij de poëzie van Rilke.

Misschien gaf Eurydice gistermiddag – in die laatste verschijning – wel de meest dichtbij komende vertolking van het grafdicht van Rilke: Rose, o reiner Widerspruch, Lust, Niemandes Schlaf zu sein unter so viel Lidern.

Orpheus kwam haar niet méér naderbij dan bij zijn omkering waarna hij haar verloor. Maar zag haar in die ondeelbare seconde, in die punt des tijds, wel op het allergrootst en zo moet het zijn of beter: zo is het.

maart 6th, 2022 by Jaap de Jong

Tante Lientje leeft en ze woont in Twente

Vandaag ga ik naar Broekhuis in Twente en naar het Willem Wilminktheater om te luisteren naar de verhalen over Willem Wilmink (1936-2003). En op een dag ga ik naar Twente om er nooit meer weg te gaan. Op een dag …

Op nen dag
Op nen dag dreenk iej gin Grolsch meer…
loop iej nich meer deur de stad.
Al oew’ wille en al oew hartzeer
he’j dan had.

Van Willem Wilmink heb ik ergens een grote dikke witte bundel met de verzamelde gedichten. Bij mannen van zekere leeftijd, met zekere ervaring, liggen boeken in zekere dozen in zekere opslagplaatsen. Alleen jammer dat ik niet meer weet in welke doos en in welke opslagplaats die verzamelde gedichten liggen.

Wat ik ook al niet wist is dat Willem Wilmink verhalen schreef. In Oorlog vertelt hij iets wat ik een grondleggende ervaring noem. Zijn vader vocht in de meidagen in De Peel. Daar kwamen de Duitse pantsercolonnes door de stellingen nadat kort voor de inval een groot deel van de bezetting en het geschut was weggehaald.

Een paar streepjes waren het, potloodstreepjes van zijn vader, die Willem opvielen toen hij in 1959 het enige, heel dikke, geschiedenisboek van hem erfde. Een boek dat begon met het oude Egypte en eindigde in 1945. Het was wit en schoon, met slechts enkele potloodstreepjes bij een passage over De Peel: “Stootten de Duitsche pantsercolonnes door de Peelstelling, waar kort tevoren een groot deel van de bezetting en van het geschut was weggehaald. (…). Volk en leger, slecht voorgelicht over de militaire situatie.” Hij was niet in een situatie geraakt die helpend is voor vaders om aardigheidjes voor hun kinderen mee te nemen. Toen niet en misschien later ook wel niet.

Er was nog een grondleggende ervaring in diezelfde oorlog. En ook daar is een verhaal over dat gaat over zijn ‘nichtje’ Ansje, oom Jaap en tante Lien. Oom Jaap die altijd floot: Kun je zingen, Johanna, dan zing met me mee: tralalalala. Tralalalala.

Op een dag was Jaap niet vrolijk meer, want Lientje, klein en teer, ooit TBC-patiënt, was opgepakt en in het vrouwenkamp Ravensbrück gezet. En iedereen dacht dat ze niet zou overleven. Behalve de vader van Willem Wilmink. Die zei altijd weer dat ze terug zou terugkomen, zodat oom Jaap toch zingend en fluitend vertrok. En hij bleef dat zeggen en toen de bevrijding daar was, was tante Lientje er dan ook. Net zoals Ansje. Als je mensen op uiterlijke kenmerken wilt beoordelen zou je zeggen dat ze er, met die strik in haar gitzwarte haar, precies zo uitzag als een Joods meisje.

Willem Wilmink vertelt dat ome Jaap en tante Lien heel oud zijn geworden, maar nu dood zijn. Als je op hun kerkhof komt, kun je horen waar ze begraven liggen. Want speciaal voor hen fluit er een liedje door het boompje bij hun graf: Kun je fluiten, Johanna, dan fluit met me mee.

Ik vroeg Vic van de Reijt, samensteller van de dundruk van Wilmink, of hij wist wat de achternaam van tante Lientje is. Ik zou dan wel uitvinden waar ze begraven zou liggen, haar opzoeken en het graf vinden bij het boompje: door te luisteren naar het liedje dat door de bomen klinkt.

Ik meende de werkelijkheid nodig te hebben om de poëzie te kunnen verstaan. Het is omgekeerd: je hebt de poëzie nodig om de werkelijkheid door te komen. Overal zijn mensen die liedjes fluiten, zoals er ook overal mensen zijn die stellingen ondergraven. Het doet er niet toe: tante Lientje leeft en ze woont in Twente. ’t Kon minder.


Willem Wilmink (2022). ’t Kon minder. Amsterdam: Van Oorschot

februari 26th, 2022 by Jaap de Jong

Brokjes uit het trappengat

Het is een prachtige reeks, die privé-domeinreeks, de serie waarvan veel delen bij ons in het trappengat staan. In een groot aantal deeltjes zit een fotokatern en allen hebben een herkenbaar omslag; de paperback met flappen. Je kunt zo’n deeltje willekeurig openslaan, zoals ik met de bijbel wel deed, en wat bladeren om een helpend woord te vinden. Er valt mij altijd wel iets toe. Niet minder dan de hondekens die eten van de brokjes die er vallen van de tafel.

Als je genoeg bladert staat er tussen de woorden die niet helpen heus een woord dat volstaat.

Vanmorgen raakte ik in het voorbijgaan niet alleen In het licht van de eeuwigheid. Een leven in brieven van Willem Pijper (1894-1947) aan. Ik sloeg het boek ook open. Op een donderdagmorgen in november schrijft hij Emmy van Lokhorst over zijn Doppelnatur en het gevreesde lot als hij zijn evenwicht niet kan hervinden. Pijper leefde een relatief kort, rusteloos en heftig leven met veel wijn en niet minder vrouwen, zoveel andere vrouwen dat Marsman hem als ‘haremhouder’ zag.

Brieven schrijven kon Pijper wel en gevat is hij ook. Zo wimpelt hij het ongeduld van Emmy van Lokhorst af door haar te zeggen: “wil geen rijpe druiven in mei.” En het is duidelijk dat hij uitgebreid kennis maakte met de geschriften van Freud. Hij doorspekte zijn brieven met Freudiaans jargon: christusneurose, moederfixatie en schuldbewustzijn. In zijn brieven weet hij gedachten en gevoelens goed uit te leggen aan een hunkerend vrouwenhart. Maar in hoeverre dat ook zijn eigen gedachten en gevoelens waren is weer onduidelijk. Ambigu, ja misschien is dat het woord. Veelzijdig en complex.

Maar terwijl ik Pijper nooit uitlas kocht ik gisteren opnieuw een deeltje uit de privé-domeinreeks. Ik kan haarfijn vertellen waarom. Danilo Kis verleidde mij met zijn paradoxen, zijn Gelassenheit, of in elk geval een vorm van Gelassenheit.

Ik citeer: “geloof niet in profeten, want jij bent een profeet. Wees geen profeet, argwaan is jouw wapen. Geloof niet in utopische projecten, behalve in die door jou geschapen. Wees even hoogmoedig jegens de heersers als jegens de massa. Wed niet op het moment, daar krijg je spijt van. Wed ook niet op de eeuwigheid, daar krijg je spijt van.”

Ik schreef het al: een woord, een brokje voor de hondekens. Waar? Wel, in het trappengat van het huis waarin ik woon.


Links de QR-code van een nieuw product van bookmanager en BOLAS in ’t Wasdom -> voetnootonline – het publieke onderdeel van bookmanager & kaartenbak met de “openbare” collectie uit het trappengat van het huis waarin ik woon 😉

Voor eigen gebruik van bookmanager en/of voetnootonline en andere functionaliteiten kunt u zich hier registreren.

februari 22nd, 2022 by Jaap de Jong

“Toon mij je bibliotheek en ik zal je zeggen wie jij bent”

Het is een grappig, maar tegelijkertijd onzinnig, idee om moraal, karakter of het denken van een boekeneigenaar af te meten aan de inhoud van diens boekenkast. Misschien kocht ik Het verhaal van mijn leven van Casanova niet vanwege zijn erotische avonturen, maar om wat hij vertelt over de theoloog en scepticus Pierre Charron (1541-1603).

Pierre Charron pleitte voor een losmaking van de ethiek (uit de religie) die hij als zelfstandige filosofische discipline zag. Dat was in de Oudheid overigens ook zo. Charron was bevriend met Michel de Montaigne die hij zeer bewonderde. Ja, misschien ging het er mij inderdaad niet om kennis te nemen van de verleidingskunsten van Casanova bij zijn avontuur met de non M.M. Maar misschien ook wel.

Zelden kan ik de onbeschaamdheid onderdrukken om al bij binnenkomst in een onbekende woning de boekenkast te bekijken. Ik vind het moeilijk om mijn teleurstelling te onderdrukken als de inhoud van die kasten nogal dun is. Het kan natuurlijk ook anders, bijvoorbeeld dat ik de uitstekende smaak van de boekeigenaar bewierook.

Ik vind het mooi de gave der bewondering te beoefenen. En het is nooit met mate dat ik mijn lofzang zing of teleurstelling tentoonspreidt. Die trek is in elk geval wel een constante in mijn bestaan. Mijn andere zwakheden laat ik hier achterwege; de lijst zou te lang worden.

Voor mijn bezigheden als antiquaar bij Cornelissen & De Jong ontwikkelde mijn dochter Charlotte de Jong – die in 2021 afstudeerde als data- scientiste (studierichting KI) aan de UU en daarnaast programmeert – samen met mij het programma bookmanager.

Bookmanager is vanaf vandaag ook voor andere boekenliefhebbers beschikbaar. Handig voor boekenliefhebbers die hun eigen collectie in kaart willen brengen, delen willen uitlenen of misschien ook wel eens een (dubbel) exemplaar willen verkopen via een boekenplatform.

In bookmanager beschrijf ik niet alleen mijn eigen boekenbezit, maar worden ook andere – in dit geval openbare – collecties (zoals die van de journalist Igor Cornelissen (1935-2021) & Wessel ten Boom (1959-2021)) getoond. Met bookmanager kun je ook alles regelen voor de verkoop via abebooks.com, antiqbook.com, boekwinkeltjes.nl, je eigen website en andere boekenplatforms.

Het aardige van bookmanager is dat delen van mijn eigen (geheime) boekencollectie onzichtbaar blijven. Natuurlijk kan ik die wel laten zien ermee pronken of zelfs verkopen. Alles is mogelijk. Nou ja, bijna alles.


Je kunt je hier registreren om het programma bookmanager gratis uit te proberen.

februari 20th, 2022 by Jaap de Jong

Over Van het Reve, Beseda en de zin voor het detail

In 1930, tijdens haar laatste studiejaar, liep de latere beroemde vertaalster van de Russische literatuur, Aleida G. Schot (1900-1969), per ongeluk de verkeerde collegezaal in. Daar stond Bruno Becker (1885-1968), bijzonder hoogleraar in de Russische cultuurgeschiedenis, college te geven. Hij was een Coornhertkenner, speciaal naar Nederland gekomen om de bronnen te kunnen raadplegen. In de omgang was Becker even boeiend als sympathiek. Over dat laatste bestaat geen twijfel.

Tussen Becker en Schot ontwikkelde zich iets. Na het overlijden van de vrouw van Becker woonde Aleida Schot bij Bruno Becker op het adres Merwerdeplein 11 in Amsterdam. Vanaf genoemd adres schreef Aleida Schot op 23 april 1964 een andere “Hooggeachte Professor”. Zij schreef het briefje bij “een kleine proeve van eigen werk”, mede bedoeld als dank en weerklank op de bereidheid van de betreffende hoogleraar haar indertijd te ontvangen en te adviseren. Becker kan de ontvanger van het briefje niet zijn geweest, daar zij toen al samenwoonden.

Was Karel van het Reve de ontvanger van het handgeschreven briefje dat in de bundel Meesters der Russische vertelkunst zit? Ik kan het mij nauwelijks voorstellen. Karel van het Reve was 21 jaar jonger dan Aleida Schot. De toon van het briefje is ietwat statig en dat zou dan weer wel passen. Zo schrijft Karel van het Reve in 1972 dat Aleida Schot nogal deftig is. Ze “zal nooit vensterbank schrijven, als zij ook raamkozijn tot haar beschikking heeft.” (p. 924, dl. 3 VW).

Over Aleida G. Schot en Bruno Becker waren nogal wat geruchten, grappen en grollen in omloop. Karel van het Reve, die bij Becker zijn proefschrift schreef, deed er graag aan mee en maakte in de vroege jaren vijftig een limerick over het duo Becker en Schot. Ik schreef er eerder over (Aleida G. Schot en haar Russen: “waarom Leida zo lachte…”). Volgens ingewijden zou de naam van het Amsterdamse Slavinstendispuut Beseda, een afkorting zijn van Becker en Schot en de Anderen zijn.

Die Anderen raakten kort na elkaar wel twee van hun oudste leden kwijt: Becker en Leida, zo schrijft Van het Reve in zijn In Memorium. Het is allemaal te lezen in het Verzameld Werk van Karel van het Reve. Nu te koop bij Cornelissen en De Jong [dln. I-III]. Het briefje van Aleida zit in haar vertaling van het boekje Meesters der Russische vertelkunst

Dat is wat er mooi is aan het lezen van Karel van het Reve: de losse, maar toch precieze formulering en de zin voor het detail. 

Enfin, daar waar het detail betekenis krijgt openbaart zich het leven zelf. Nietwaar?


Links de QR-code van een nieuw product van bookmanager en BOLAS in 't Wasdom -> voetnootonline - het publieke onderdeel van de kaartenbak met daarin de gebruikte bronnen t.b.v. (web)publicaties.

Voor toegang tot voetnootonline en andere functionaliteiten dient u zich eerst hier te registreren.
februari 18th, 2022 by Jaap de Jong

De kaartenbak van Igor Cornelissen en andere boekstavers van de wereld

Ferdinand Columbus, de zoon van de man die Amerika ontdekte, zette zijn zinnen op een wereldkaart, ja wilde de toenmalige kennis van de ganse wereld op één kaart zetten. Alle kennis op een kaart. Ik herken dat streven, sterker nog: de geliefde vertelt mij dat elke dag waarop ik antwoord dat het bij mij om twee kaarten gaat.

Het digitale kaartenbaksysteem dat ik samen met Charlotte de Jong bedacht is bedoeld voor de boekliefhebber, -handelaar & onderzoeker die naast het systematiseren van zijn bibliotheek (via bookmanager), ook aantekeningen over die boeken maakt. Misschien wel om er later een stukje over te schrijven of zelfs een boek dat alle andere boeken overbodig maakt. Een kaartenbak die ordent, labelt en verwijst.

Iedereen heeft wel eens een idee om over te schrijven. Er worden plannen en aantekeningen gemaakt, maar op een dag raak je het kladblok kwijt. Dat overkwam Igor Cornelissen (1935-2021) die zijn aantekeningenboekje over de laatste antiquariaten van Nederland verloor. Misschien vind ik dat boekje op een dag terug. Ergens in een dossiermap van Félicien Rops, of een ander, niet minder illustere, medemens waarover Igor een map bezit.

Misschien komt er een dag dat ik mijzelf vind: in een map en op een kaart.

Antiquariaat Cornelissen & De Jong in ’t Wasdom heeft een dagtaak aan het beschrijven en registreren van de drukte van de geest. In het antiquariaat stond het oude kaartenbakkensysteem van Igor Cornelissen, mijn kompaan, die op 13 maart j.l., bijna een jaar geleden, overleed. Op de foto (links van de tekst) zit hij in zijn studeerkamer: tussen boek, map en kaartenbak. En uiteraard met pijp!

Het systeem van Igor krijgt in ons nieuwe antiquariaat In ’t Wasdom een nieuwe plek. Maar dan in combinatie met een nieuw systeem, een buitengewoon waardevolle aanvulling: bookmanager.

Igor stond mij af en toe genadig toe om de kaarten uit zijn houten kaartenbak te gebruiken en zelfs af en doe een dossier mee te nemen waar zo’n kaart naar verwees. Eigenlijk had hij het liever niet en moest alles onder het oog van de meester gebeuren. Nu heb ik alles, maar is hij er niet meer. Ik wil niet opscheppen – of eigenlijk ook wel – maar ik weet zeker dat Igor – had hij tijd van leven gehad – zou zijn overgegaan naar een digitale kaartenbak. Hij gebruikte tenslotte ook de beroemde bolasknop en niet alleen om mij een plezier te doen. Sterker nog, hij wilde liefst zelf al zijn boeken in de computer invoeren, maar niet dan na herlezing. Hij maakte er aantekeningen bij; op briefjes en op het bloknoot, want op dat moment bestond onze digitale kaartenbak nog niet. Daarom hield Igor het op het schrijven van zijn gewaardeerde blogs.

Uiteindelijk is dat het doel: boekstaven om te schrijven. Te blijven ook, de illusie van een vleugje eeuwigheid op een blote kaart. Het was ook de droom van Ferdinand Columbus, de droom van een universele bibliotheek die je ieder moment kunt oproepen. En als dat toch net niet lukt dan houd ik het vertrouwen dat er altijd iemand is, was en zal zijn die haar kaarten op mij zette.


Zie ook Who's afraid of red, yellow and blue - over onze innovatieve stijl - inhoudelijk en qua stijl.

Voor toegang tot bookmanager (en de kaartenbak) kunt u zich hier (gratis) registeren. 

Voorkeursbrowsers voor gebruikers van bookmanager: Chrome/Edge. Andere browsers volgen later.

februari 9th, 2022 by Jaap de Jong

Over het afgebrande kerkhof van Philip Corvage en de Gelassenheit bij Eckhart

Gisteren ging Het proces van meester Eckhart van Vestdijk door mijn handen. Het is de laatste roman van Vestdijk en het boek komt uit de collectie van Wessel ten Boom. Op het schutblad staan zijn potloodaantekeningen met paginaverwijzingen, o.a. naar Gelassenheit, een begrip dat bij Eckhart niet onbelangrijk is.

Ten Boom was een verzamelaar van Vestdijk en bijzonder geïnteresseerd in het religieuze aspect bij hem. In het eerste deel van zijn tweeluik over Vestdijk introduceert Ten Boom Vestdijk door te wijzen op iets dat zij gemeen hebben: het oergevoel van verlorenheid. Hij zou ook anderen kunnen noemen, schrijft hij en dat doet hij dan ook: Anna Blaman, J. van Oudshoorn, Paul Celan en Friedrich Hölderlin, maar Vestdijk springt boven alles uit. Ik zie het nu voor mij, de koppen van de genoemde auteurs en het springen van Vestdijk, maar dit terzijde.

Vestdijk veroorzaakte in de jaren veertig een rel onder de theologen met zijn ietwat uitgelopen essay De toekomst der religie, overigens nog steeds fascinerende literatuur. Ik schreef er eerder over op deze website. Daarin voorziet Vestdijk de teloorgang van het metafyische type. Dat was wel tegen het zere been van de vrijgemaakt gereformeerde theoloog J. Kamphuis, hoewel die best prijzend over, wat hij noemt, “de ongelovige Vestdijk” schrijft: “Weinigen hebben met zo’n felle belangstelling, met zo’n brede eruditie, met zo’n plezier in dogmatische subtiliteiten de passanten in de kerkhistorische straat gadegeslagen.” Voor Kamphuis waren er twee wegen: het ware geloof met de ware kerk en de weg van het ongeloof. De sluipwegen door de velden Gods zag hij niet.

De religieuze thematiek stond ook in De Vuuraanbidders centraal, het vuistdikke boek dat ik las toen ik rond de twintig was. Ik las het in één, misschien twee dagen uit. Een existentiële roman, zo herinner ik mij en nog steeds zeer de moeite waard, vermoed ik, zelfs binnen en buiten het verbastert christendom.

Grappig is dat Het proces van Eckhart in de kritiek niet zo werd gewaardeerd, maar de prijzen zijn op dit moment wel torenhoog. Het is ook nog eens schaars. In de kloosterbibliotheek, waar ik indertijd mijn kantoor had, zou het boek volgens de kaartenbak ook aanwezig moeten zijn, maar het was verdwenen. Weg! Later gooide men ook de kaartenbak weg, waarna de rest van de boeken verdween. Dit niet geheel terzijde.

Los van De Vuuraanbidders was er een andere roman die ik zeer waardeerde, maar waar ik ook last van had: Ivoren Wachters. Als jong docent had ik vaak jongens en meisjes in de klas met een nog matig ontwikkeld gebit, soms zwartgeblakerd (van drop ofzo). En daarbij hadden ze soms best wel een grote mond. Als ze dan losgingen, kostte het mij heel soms moeite om niet de docent van Philip Corvage uit Ivoren Wachters te citeren: “Zeg, hé, hou je afgebrand kerkhof een beetje voor je zeg.”

Tja, Gelassenheit is misschien niet iets dat men dagelijks met zich omdraagt, ook Eckhart niet. Dat viel een tijdgenoot van hem op, althans volgens Vestdijk: “Maar zijn koppigheid leek mij even gevaarlijk groot als zijn gevoel van eigenwaarde, dat in eigenaardige tegenstelling stond tot zijn leer der gelatenheid, geestelijke armoede, het uitwissen der eigen persoonlijkheid, die leeg moest zijn alvorens zich met God te kunnen verenigen.”


Links de QR-code van een nieuw product van  bookmanager en BOLAS in 't Wasdom -> voetnootonline - het publieke onderdeel van de kaartenbak met daarin de gebruikte bronnen t.b.v. webpublicaties. 

Bookmanager wordt eind volgende week (18 febr. 2022) publiek geïntroduceerd. Voetnootonline is een onderdeel van bookmanager (dat voor boekliefhebbers en -boekhandelaren is bedoeld). Mooi om te gebruiken bij Cornelissen & De Jong

Deze voorpublicatie van voetnootonline is bij wijze van uitzondering. Speciaal bedoeld voor de early adaptors onder de twitteraars [zijn die er onder mijn volgers?]. Registreer je en probeer bookmanager (gratis) uit ;-)
januari 24th, 2022 by Jaap de Jong

Afscheiden! Over het wachten van het woeste en nog onverloste land

Onlangs vertaalde Irma Pieper opnieuw een roman van Karel Čapek (1890-1938): leven en werk van de componist Foltyn. Igor Cornelissen bezat meerdere vooroorlogse romans van de Tsjechische schrijver die hij bewonderde. Ik kocht vanmiddag de nieuwste vertaalde roman bij een Zwolse collega.

In leven en werk van de componist Foltyn uit 2021 schetst Čapek een perspectivistisch beeld van Beda Foltyn, de man die een kunstenaar wilde zijn, daarin geheel opgaat en zijn omgeving, maar vooral zichzelf bedriegt. Dat doet hij door verschillende mensen uit de omgeving van de hoofdpersoon, Beda Foltyn, aan het woord te laten. Uit de verschillende getuigenissen – uit verschillende stadia op de levensweg van Foltyn – komt waarheid naar boven of wordt in elk geval leugenachtigheid duidelijk.

De roman wordt niet door Karel Čapek voltooid. Zijn vrouw, de literator en actrice Olga Scheinpflugová (1902-1968), met wie Karel Čapek in 1935 trouwde, maakt de roman na zijn dood af. En dat doet zij op een volmaakt harmonische wijze, met een buitengewoon passende ‘ontmaskering’ van de hoofdpersoon. Ik verraad niets. Wel dat zij sterft bij de uitvoering van Moeder, een toneelstuk van Karel Čapek, dat werd opgevoerd tijdens de Praagse Lente: op het toneel. Dat staat trouwens niet in dit boek, dus uw leesplezier lijdt er niet onder.

Beda Foltyn had zeker wel de chaos in zich: de woestheid en ledigheid is er, maar de genade om eindige grenzen te stellen en af te scheiden; die genade bezat hij niet. Er is een passage waarin Čapek de scheppingsmythe gebruikt om iets over het verschil tussen goede en verdorven kunst te laten zien. Slechte kunst is daar waar er iets persoonlijks is achtergebleven dat geen vorm geworden is, niet afgescheiden is geweest. Dat afscheiden moet je zelf doen. De kunstenaar die schept, scheidt af en alleen hij en hij alleen kan dat persoonlijke afscheiden. Na het scheiden resteert puur goud.

Ik citeer: “De meeste kunstenaars, net als andere mensen, doen niets anders dan tot in het oneindige de materie vermeerderen in plaats van haar vorm te geven; sommigen spuwen haar uit als een helse lavastroom en anderen zetten haar af als het slijmerige slib op wateroevers; het woeste en onverloste land blijft steeds opnieuw opborrelen en omhoogkomen, wachtend op de ontzagwekkende, glorieuze discipline van het scheppen. Afscheiden, afscheiden! Nooit zal deze strenge wet, de wet van de eerste dag ophouden te gelden en af te schrikken.” 

Karel  Čapek bezocht begin jaren dertig Nederland (voor een PEN-congres) en beschrijft zijn belevenissen in een boekje. Hij is nogal mild in Over Holland, een uitgave die hij zelf illustreerde. De man was een multitalent: een schepper die kon scheiden. Hieronder staan de delen uit de collectie Cornelissen die nog wel beschikbaar zijn.

januari 20th, 2022 by Jaap de Jong

Heerlijkheid die niet schept, maar roept

Ik kwam zojuist een prachtig citaat tegen. Een citaat uit de dagboeken van Franz Kafka (1883-1924) dat als motto werd gebruikt in de roman van Michael Kumpfmüller (1961): Die Herlichkeit des Lebens.

“Es ist sehr gut denkbar, daB die Herrlichkeit des Lebens um jeden und immer in ihrer ganzen Fülle bereit liegt, aber verhängt, in der Tiefe, unsichtbar, sehr weit. Aber sie liegt dort, nicht feindselig, nicht wider-willig, nicht taub. Ruft man sie mit dem richtigen Wort, beim richtigen Namen, dann kommt sie. Das ist das Wesen der Zauberei, die nicht schafft, sondern ruft.”

In mijn vertaling:

Het is zeer goed denkbaar, dat de heerlijkheid van het leven in haar ganse volheid steeds voor een ieder klaar ligt. In de diepte, onzichtbaar, zeer groots, maar verborgen. Maar ze is er, niet vijandig, niet weerstrevend, niet doof. Als men haar roept met het juiste woord, noemt bij de juiste naam. Dan komt ze. Ze is als het wezen van de toverij: ze schept niet, ze roept.

Michiel Krielaars recenseerde in 2013 de roman van Michael Kumpfmüller voor de NRC (bij het boek gevoegd). Die recensie heeft trouwens een prachtige titel: “Zodra ik het durf, vraag ik het je”. Feitelijk is dat een heel passende gedachte. Zeker ook als je nadenkt over de heerlijkheid van het leven of wat dat zou kunnen zijn.

De roman Die Herlichkeit des Lebens gaat over de liefde tussen Kafka en Dora Diamant (1898-1952). Dora ontmoet Kafka in juli 1923 en maakte hem alleen in zijn laatste levensjaar mee. Kafka had meerdere problematische relaties achter de rug, maar met Dora ontwikkelt zich iets dat lijkt op levenslust. Twee maanden na hun eerste ontmoeting betrekken ze een woning in Grunewaldstraat 13 (Berlijn). Op 3 juni 1924 overlijdt Kafka aan tuberculose en ondervoeding. Dora Diamant, die hem tot de laatste dag verzorgt, behoudt zijn notitieblokken en brieven, maar die worden bij een huiszoeking door de nazi’s in beslag genomen en zijn tot op heden zoek.

Ik heb tot nog toe te weinig van Kafka gelezen. Dat is mij wel duidelijk. Wat een citaat! Heb ik nog tijd?

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong. We hebben ook Rilke. Ik roep maar 😉

januari 19th, 2022 by Jaap de Jong

Een memo van een vulgaire boekhandelaar

“Je hebt twee soorten van mensen”, vertelde mij een antiquaar eens: “boekenliefhebbers en vulgaire boekhandelaren. Ik behoor tot de laatste groep, jij tot de eerste.”

Toen was dat nog wel zo, inmiddels heb ik mij tot de vulgaire mensensoort bekeerd. Toch waren er vandaag twee verrassingen die mij misschien tot een grensgeval maken.

Voor het eerst las ik in Dromen. Late gedichten van Wessel ten Boom. Ik signaleerde een intertekstuele referentie naar een gedicht dat mij lief is. Bovendien wierp ik toevallig ook nog een blik in zijn bundel Preken na Pasen. De laatste bundel opent met datzelfde gedicht dat eigenlijk een paasgedicht is: Over de Jabbok.

Het is een gedicht van Gerrit Achterberg. Ik schreef er eerder over, maar kende toen deze verwijzing nog niet. Het is een gedicht over een aangeslagen mens die opstaat en op blijft staan. Het gaat, denk ik, over humaniteit.

Het is duidelijk dat Wessel ten Boom een liefhebber van Achterberg was. Niet ieders liefde gaat immers zover dat de vier banden van de driedelige historisch-kritische teksteditie van de grootste dichter van de 20e eeuw in de kast staat. Ook bij mij niet, maar ik ben dan ook een vulgaire boekhandelaar.

Het gedicht Over de Jabbok komt, zoals opgemerkt, ook terug in de dichtbundel van Wessel ten Boom: Dromen. Late gedichten. Althans, het gaat om een zinsnede, een intertekstuele referentie, zoals geleerden dat noemen.

Taal is leven, stelt Wessel in zijn woord vooraf. En in het leven is er liefde. Het zijn eigenlijk allemaal gemankeerde liefdesgedichten: “Dat mijn leven vervuld van liefde was, niet alleen in haar schoonheid maar ook haar ellende, wordt uit deze gedichten wel duidelijk.” En er is verzoening, in elk geval in zijn Dromen. Ik citeer:

Ik droomde, dat wij ons met elkaar verzoenden

Ze zei opeens met Achterberg: maar dat is nu voorbij, / nog voordat ik iets zei

Ik hoefde niets met woorden te benoemen / de dingen kwamen zomaar vrij

Zon herscheen. Wij liepen hand in hand / als vroeger, heel even maar, eenvoudig / en heel stil tussen de bloemen

januari 16th, 2022 by Jaap de Jong

Over een ‘zielsverwant van Spinoza”: Abraham Ricardo. Een detail uit de Spinoza receptie

De grondige studie van Henri Krop over de receptiegeschiedenis van Spinoza gaat niet in op het Spinozabeeld van dr. F. de Graaff (1918-1993). Anders dan Krop ben ik misschien meer in de kruimels geïnteresseerd. En wie zou die oppikken als ik het niet doe?

De theoloog Frank de Graaff promoveerde in 1951 op Martin Heidegger en publiceerde daarna meerdere boeken met een tamelijk speculatieve cultuurfilosofische inhoud over o.a. Nietzsche en Spinoza. Het schijnt dat zijn preken nogal wat stof deden opwaaien in het naburige Hattem waar hij predikant was.

Frank de Graaff – ik geef toe: het is wel een beetje stout van mij om dit te beweren – was het wat meer ingehouden en geleerde alternatief voor Hal Lindsey (1929-) die in de jaren zeventig talrijke boeken schreef waarin hij haarfijn het bijbelboek der Openbaringen uitlegde aan iedereen die het wilde weten. Ik beken het maar direct: ik was onder hen. Hal Lindsey leeft nog steeds en wandelt op de witte stranden van California en zwemt misschien ook nog wel in de zee die immers nog steeds niet van glas is.

Genoeg over Lindsey. Zojuist stootte ik dus op een exemplaar van de Spinoza-studie van De Graaff: Spinoza en de crisis van de westerse cultuur (1977). De Graaff staat voor een mystieke lezing van Spinoza en gaat ook wat uitgebreider in op het pantheïsme van Spinoza, waarbij hij zelfs op verwantschap tussen Calvijn en Spinoza wijst. Hij vindt het maar flauwekul en anachronistisch dat Spinoza een pantheïst zou zijn. De Graaff stelt dat in de zestiende en zeventiende eeuw onder natuur iets heel anders werd verstaan. Calvijn zegt: “Pro sensu naturam posse dici Deum” ofwel “in vrome zin kan de natuur God genoemd worden.” En niemand, zo schrijft De Graaff, zal Calvijn van pantheïsme durven beschuldigen. De zeventiende eeuwse dichter-predikant Carolus Tuinman sprak die verwantschap overigens wel tegen en dat deed hij zonder meel in de mond: “Spouw op dit graf / Hier ligt Spinosa. Was zijn leer / Daar ook bedolven! Wrocht die stank geen zielpest meer.”

Mij trof vooral een detail, één regeltje uit het boek van De Graaff. Hij draagt zijn studie op aan zijn schoonvader Abraham Ricardo (1882-1945), journalist bij de Haagsche Courant, die hij een “geest- en zielsverwant van Spinoza” noemt. Die vermelding intrigeerde mij. Er zit vast een verhaal achter die vermelding, zo vermoedde ik. En dat is ook zo.

In de eerste oorlogsjaren – nog voor het definitieve verbod van de nazi’s – trouwt Frank de Graaf met Lilith Ricardo (1923-2005) waarmee hij haar het leven redt. Na de oorlog (in 1947) wordt hun huwelijk kerkelijk bevestigd. Lilith was de dochter van Abraham Ricardo en Jeanette Margaretha de Jongh (1891-1945). Hun kinderen overleven de oorlog, maar de ouders van Lilith, Vera en Hedda worden in Bergen Belsen vermoord. Vader Abraham, die bevriend was met Nescio, gaf zijn kinderen namen die hij ontleende aan de contemporaine literatuur.

Over Abraham Ricardo vond ik bijna niets, behalve dat hij met zijn vriend Grönloh en een aantal andere schoolkameraden in 1899 de debatingclub GOHV opricht en als secretaris de uitnodigingen naar potentiële sprekers verstuurt. De afkorting GOHV staat voor Gedachtenwisseling Ontwikkelt Het Verstand. In april 1900 wordt ene Hassoldt uitgenodigd die een lezing houdt over de band tussen godsdienst en staat, overigens ook een belangrijk thema van Spinoza (naast de Ethica). Lineke Frerichs beschrijft Ricardo in haar biografie (p. 35, 56) als een goede vriend van Nescio. Ze noemen elkaar ‘Grön’ en ‘Riek’. Ricardo houdt zijn vriend in brieven voortdurend op de hoogte van het wel en wee van de vereniging.

Of de mystieke eenheidsfilosofie van Spinoza bij Nescio en zijn vriend Abraham Ricardo landde of aansloeg? Buiten de aantekening van Frank de Graaff weet ik dat niet (wat betreft Ricardo), maar de “natuurmystiek” van Nescio wijst in elk geval op een overeenkomst in denken. In het natuurdagboek van Nescio staan prachtige euforische natuurbeschrijvingen, waarin er iets daagt van een eenheidsbeleving. Eén ding over die eenheidsbeleving is, denk ik, wel zeker: het is “bijna voor geen mens weggelegd dit bij voortduring te beseffen”.

Ofwel, het gaat om “uurtjes van korte duurtjes”. Dit alles geheel terzijde van de boeken die ik wil verkopen.


Update: 25 januari 2022: in de biografie van Graa Boomsma over Bert Schierbeek – Niemand is waterdicht – staat hoe Frank de Graaff – een vriend van Bert Schierbeek – de drie opgepakte zussen van Lilith (Hedda, Ilona en Vera) redt. Frank de Graaff gaat naar Aus der Fünten met de schedelmetingen van de drie meisjes en stelt dat de metingen niet kloppen met die van Aus der Fünten. Zo overtuigt De Graaff hem dat de meisjes niet Joods zijn, althans vlg. het vulgair-racistische instrumentarium van de nazi’s. Boomsma schrijft dat Lilith in november 1943 – na het oppakken van haar drie zussen – een week bij Schierbeek onderdook (Boomsma, 2021, p. 105).

januari 13th, 2022 by Jaap de Jong

Een schouderophalen der eeuwigheid: over Koestler, Benjamin en Lore Krüger

In de nacht van 26 op 27 september 1940, terwijl de Duitse tanks zich door het Franse landschap ploegden, pleegde Walter Benjamin (1892-1940) in het plaatsje Portbou zelfmoord door de inname van een dosis morfine. Hij was nog niet eens vijftig, in de middag van zijn leven, toen het nacht voor hem werd. De morfinepillen had hij eerder gekregen van Arthur Koestler (1905-1983), die eind jaren dertig bezig was met zijn grootse roman Darkness at noon, en net als Benjamin in Frankrijk verbleef. Zijn vriendin Daphne Hardy (1917-2003), beeldhouwster, vertaalde de roman in het Engels.

Walter Benjamin, Arthur Koester, Daphne Hardy en de portretfotografe en de latere vertaalster Lore Krüger (1914-2009) woonden in de Rue Dombasle 10, de straat waar de appartementen zo’n zeven verdiepingen tellen. Arthur Koestler en zijn vriendin Daphne woonden naast Benjamin. Over Walter Benjamin wist Lore Krüger nog wel een en ander toen zij in 2007 door Christian Burkard werd geïnterviewd (NIW, 12 januari 2007, p. 15). Wonen met Benjamin was een “wonen met de woudgeest”. Ze vertelt dat Benjamin nogal een Eigenheimer was. Ik citeer: “Ik wist toen nog niet dat hij een beroemde schrijver en filosoof was. Ik was nog jong, ik wist niet zo veel. Benjamin had de gewoonte om ’s nachts te werken en daarna te baden. Het huis was zo gebouwd dat de afvoerpijp van zijn badkamer door mijn slaapkamer liep. We wisten altijd wanneer hij baadde. En ’s morgens sliep hij lang uit. Wanneer je aanbelde, deed hij de deur open met een roestrode badmantel, met verward haar en verwarde blik, nogal afwezig dus. Hij wist zo te zien geen raad met ons. We noemden hem ‘de woudgeest.’”

Lore Krüger en haar zus ontvingen juist in die tijd een briefje van hun ouders. Het briefje, geschreven op een kladblok (zie foto), is gedateerd op 11 juli 1940 en bevat onder meer de volgende tekst (mijn vertaling, JdJ): “Als je deze regels ontvangt, zijn wij niet meer onder de levenden. Wij willen niet in handen vallen van harteloze politiemensen of ze nu Spaans of Duits zijn. Daarom nemen we nu voor altijd afscheid van jullie. Jullie waren het geluk van ons leven, onze trots en onze vreugde. Ik raad jullie aan, met nadruk: wees dapper als deze regels je bereiken. Jullie zijn jong! Probeer zo snel als mogelijk Europa te verlaten.”

Lore en haar zus vluchten en zo doen ook de Koestlers, maar Benjamins vlucht eindigt in het plaatsje Portbou. Wellicht, zo zegt een bron, was de politie onder de indruk van zijn zelfmoord en laat ze daarom de rest van de groep toch de grens passeren. Voor Walter Benjamin eindigt het. Een monument herinnert aan zijn doodlopende weg in de zee (zie links). Rechts van het monument Passages van Dani Karavan staan de bomen, kromgetrokken door de storm die uit het paradijs waait.

De dood van Benjamin in het badplaatsje Portbou doet mij denken aan de laatste zinnen in Koestlers geweldige roman Nacht in de middag. Ik citeer: “Een vormloze gestalte boog zich over hem heen, hij rook het nieuwe leer van de revolverkoppel: maar welke insignes droeg de gestalte op de mouwen en schouderbedekkingen van zijn uniform – en in wiens naam hief hij de donkere loop van het pistool omhoog?

Een tweede, verbrijzelende slag trof zijn oor. Daarna was alles rustig. Daar was de zee weer met haar geluiden. Een golf tilde hem langzaam omhoog. Ze kwam van ver en bewoog zich rustig voort, een schouderophalen van de eeuwigheid.”

Die laatste zinnen maken deel uit van de kroonjuwelen uit de wereldliteratuur. Ze zijn oud en toch altijd weer nieuw: “In wiens naam?” en “een schouderophalen der eeuwigheid”.

Overigens was ook Igor Cornelissen een verzamelaar van het werk van Koestler. Daarover later ongetwijfeld meer, Deo Volente. De boeken van en over Walter Benjamin (zie hieronder) komen uit de collectie van Wessel ten Boom.

januari 11th, 2022 by Jaap de Jong

“De bevroren zee in ons aan mootjes hakken” Over Brod, Kafka en het boek

Afgelopen week verkocht ik de biografie van Ernst Pawel over het leven van Franz Kafka. Het exemplaar (Pawel, 1986, 1e dr.) kwam uit de bibliotheek van Igor Cornelissen en was hem op 11 september 1986 geschonken door de uitgever Rob van Gennep (1937-1994) met wie Igor goed bevriend was. Gelukkig heb ik nog wel het Duitse origineel en gelukkig verkocht ik het aan een kenner die alles weet over Kafka en de reiziger in scheerapparaten 😉 Twee keer gelukkig! Dat is ook nodig als compensatie, want van het lezen van boeken dien je ongelukkig te worden. Lees maar!

Ik kreeg direct spijt van de verkoop toen ik eens goed lette op de aantekeningen van Igor. Op een apart vel noteerde hij zijn leesobservaties. Hij vond het prachtig hoe Kafka en Brod over hun tijdgenoten spraken en schreven. Zo had Kafka indertijd geen goed woord over voor Gustav Meyrink (1868-1932) en dat leidt tegenover Max Brod tot een betoog over de vraag waarom “we” lezen. Niet omdat het ons gelukkig maakt. Neen, dat niet, boeken die ons gelukkig maken kunnen we desnoods zelf wel schrijven. 

Neen, schrijft Kafka in een brief aan Oskar Pollak (27 januari 1904): “we hebben boeken nodig die ons treffen als een ongeluk dat ons veel pijn bezorgt, als de dood van iemand van wie we meer hielden dan van ons zelf, als wanneer we de bossen in zouden worden gejaagd, van alle mensen vandaan, als een zelfmoord, een boek moet de bijl zijn voor de bevroren zee in ons. Dat vind ik” De woorden van Kafka doen me denken aan mijn oma die mij ooit vertelde dat het goed is als mensen “in hun ongeluk lopen.” Daar kan iets goeds van komen, zo bezwoor ze.

Fantastisch, een boek moet zijn als een bijl voor de bevroren zee in ons. Het moet het hart in stukken snijden, ons leven op het spel zetten, inzichten opnieuw bevragen. Waar hield Kafka van? Welke boeken las hij? Het zijn Goethe, Thomas Mann, Hamsun, Hesse en Flaubert. 

We hebben ze allemaal in huis en dat geldt ook voor een zeldzame editie van Gustav Meyrink wiens Golem indertijd een bestseller was, maar dan zonder de litho’s van Hugo Steiner-Prag. Genoeg bijltjes om mee te zwaaien en – als God het wil en de duivel het niet tegenwerkt – de bevroren zee in ons aan mootjes te hakken. “Mijn idee over boeken”, zo schreef Igor Cornelissen in de marge. Zo is het! 

Bronnen over Max Brod – Franz Kafka – Oskar Pollak ontleend aan Pawel (1986, p. 182-184 [Ned. vert.])

januari 10th, 2022 by Jaap de Jong

“Gelijk een zomer om de dorpen bloeit” Over Achterberg, Doornenbal en Cornelissen

Voor Igor Cornelissen waren er lange tijd twee redenen om naar Oene te gaan: de slager Ter Weele wiens vlees lekkerder is dan dat van het wildbraad dat Rebekka voor Izak bereidde ėn het terras van het plaatselijke dorpscafé met zicht op de kerk. Als je daar zit – in alle rust – is het alsof er een “zomer om de dorpen bloeit, ook al regent het.” Later, tijdens zijn laatste jaren, kwam er een derde reden bij: het kerkje met de preekstoel waarop de predikant J.T. Doornenbal jarenlang dichters citeerde, waaronder uiteraard gedichten van zijn vriend Gerrit Achterberg. Igor deed mij eens enthousiast verslag van zijn bezoek bij de koster die hem alles vertelde over J.T. Doornenbal.

Overigens had de dichter Achterberg voor Igor afgedaan. Na het lezen van een artikel van Godert van Colmjon in Trouw kon Achterberg geen goed meer doen. Achterberg zou de doodslag op de hospita zelf nooit ter sprake brengen. Toen ik eens een gedicht van Achterberg citeerde dat met Gíj begint – er zijn er velen – repliceerde Igor: “Gíj, Gíj, Gíj, de man van de moord die het bestond om zijn daad te relativeren door te zeggen ik heb er toch een gedicht over geschreven. God betere het.”

Ik las het artikel van Colmjon indertijd ook, maar zou nooit de Verzamelde gedichten van Achterberg “door het toilet spoelen”, zoals een verontwaardigde lezer van Colmjon wenste. Ik dacht er het mijne van. Zoiets als: die lezer zal überhaupt wel nooit een gedicht lezen, maar dit geheel terzijde.

Over Achterberg werden wij het niet eens, maar Doornenbal kon niet stuk bij Igor. Ik leende hem de biografie die Doornenbal schreef over de met oorringen getooide schaapherder-lekenprediker Wulfert Floor en wees op de biografieën van Bart Jan Spruyt en Jeannette Donkersteeg. Igor kende ze en had ze ook in huis. Hij vond de achternaam van de biografe erg mooi, zei hij, en ook dat heimwee. Ik moest op dat moment aan Bunyan’s werkje denken en vooral aan zijn gebruik van illustratieve namen voor de staat van de ziel. Dat heb ik maar voor mijzelf gehouden.

Met Doornenbal maakte ik voor het eerst kennis in de jaren tachtig toen er een dagboek van hem op een tafel in Dordrecht lag. Maar ik had toen meer oog voor de zus van een toenmalige vriend dan voor het schrift. Toch las ik het boek later wel degelijk en geheel: vlees en geest zoeken immers altijd weer naar de ultieme balans. Later leerde ik deze onverbeterlijke romanticus beter kennen en vatte ook sympathie op: hoe mooi is het als liefhebbers van het woord dichters en filosofen citeren en er daarna nog iets over zeggen. Ik hoop dat het nog veel gebeurt: succes is verzekerd, studenten en leerlingen hangen aan je lippen. Ik weet dat toevallig.

De boeken van Igor over Achterberg en Doornenbal, inclusief die van Wulfert Floor, liggen nog ergens in een doos. Deze biografie – met de prachtige foto van Doornenbal in een gesprek met een passerende pastoor – komt uit de nalatenschap van Wessel ten Boom die ook een liefhebber was; hij bezat onder meer de kritische uitgave van het Achterberg, dat ook nog ergens in een doos wacht om beschreven te worden. 

januari 3rd, 2022 by Jaap de Jong

Osip Mandelstam en de man met dikke vingers: “als wormen zo vet”

Toen Osip Mandelstam (1891-1938) in het vroege voorjaar van 1934 zijn gedicht De Heerser voorlas in een kleine kring van zo’n tien vrienden en familieleden wist hij niet dat één van hen een verrader was. En ook niet dat dit gedicht tevens zijn toegangskaartje tot het dodenrijk was. De poëzie van Mandelstam is, evenals die van Anna Achmatova, – een van de aanwezigen tijdens de voorlezing – aards, concreet en helder. En dat geldt ook voor dit gedicht.

Het gedicht De Heerser ontstond in de winter van 1933 en is er een met een adres: het Kremlin. De plek waar de man met de kakkerlakkensnorren, onder wier woorden alles wordt geplet, zit en smaalt. Het gaat om Jozef Stalin, geboren in Gori (Georgië), maar feitelijk kwam hij uit Ossetië: “En breed is de borst der Osseten”, zo luidt de laatste regel van het gedicht van Osip Mandelstam. De Georgiërs worden liever niet met Stalin geassocieerd.

Wij leven en hebben geen voet aan de grond / wij spreken alleen met een blad voor de mond / en waar wij vertrouwelijk raken, / komt de man in het Kremlin ter sprake. / Zijn vingers zijn dik en als wormen zo vet, / en onder zijn woorden wordt alles geplet, / zijn kakkerlakkensnorren smalen, / zijn laarzenschachten stralen.

Om hem heen het gespuis dat beweegt op zijn wens, / Dunhalzige leiders, half monster, half mens. / Zij hinniken, blaffen, miauwen, / en hij alleen trekt aan de touwen / als hoefijzers smeedt hij bevel op bevel: jij moet zus, je moet zo, jij moet niet, jij moet wel! / Hangop is zijn lievelingseten, / en breed is de borst der Osseten.

Dat de woorden van Stalin alles plette wist ook zijn zoon Jakov. Toen hij vanwege de hardheid van Jozef een mislukte zelfmoordpoging deed, smaalde zijn vader dat hij niet eens goed kon schieten. Na de slag om Stalingrad weigerde hij de Duitse veldmaarschalk Friedrich Paulus te ruilen voor zijn inmiddels gevangengenomen zoon Jakov met als argument dat de generaal (Paulus) meer waard was dan een luitenant (Jakov).

Volgens historici zou Jakov zijn vader in verlegenheid hebben gebracht door zijn opzettelijke overgave, een daad die volgens Stalin niets minder dan desertie was. Jakov werd op 14 april 1943 geëlektrocuteerd en neergeschoten toen hij probeerde het elektrische hek van het concentratiekamp Sachsenhausen te beklimmen. Stalin kreeg spijt en noemde hem, de dode zoon, alsnog “een echte man.”

Het gedicht van Osip Mandelstam vatte Stalin als persoonlijke belediging op. Hij werd opgepakt, verbannen en opnieuw opgepakt. Hij stierf eind december 1938 in een Goelagkamp. Zijn verhaal De Egyptische postzegel verscheen samen met een aantal autobiografische teksten in de reeks Russische miniaturen. De gedichten van Mandelstam werden vertaald en schitterend uitgegeven door de uitgeverij Atlas onder de titel: Neem mijn verzen in acht. 

Dat laatste geldt zeker voor dit gedicht; de gevolgen waren bitter voor Osip Mandelstam, maar had hij het niet opgeschreven en uitgesproken, dan was zijn levenssap wellicht veranderd in zomerdroogte. Bijna negentig jaar geleden op papier gezet en immer actueel: Om hem heen het gespuis dat beweegt op zijn wens, / Dunhalzige leiders, half monster, half mens. / Zij hinniken, blaffen, miauwen, / en hij alleen trekt aan de touwen

Het persoonlijke is politiek.

Zo is dat.

januari 2nd, 2022 by Jaap de Jong

Jozef en zijn broeders: over Jacob ;-)

Het plan was vandaag iets over Joseph und seine Brüder, de vierdelige roman (1344 pag.) van Thomas Mann, te schrijven, maar de filosoof Ger Groot deed dat in een NRC-recensie (Jozef als verknipte godsdienstfanaticus) eerder en grondiger.

Ik zie dus af, echter niet zonder te benoemen dat Mann weliswaar een heel deel aan aartsvader Jacob wijdde, maar de tocht van Jacob over de Jabbok vergeet. Daarin gaat het over zaken waarover het altijd gaat: een mens in gevecht met zichzelf, met de God of goden uit de jeugd. Om over broeders, zusters, vader of moeder te zwijgen.

In de bundel van Verzamelde gedichten staat het gedicht Over de Jabbok. Gerrit Achterberg comprimeert de essentie van het eerste deel uit de cyclus van Mann tot 844 tekens: “Toen ik het einde had bereikt / van mijn verdorvenheden, / stond God op uit het slijk, / en weende; / en ik stond naast Hem, ziende neder / op een verloren eeuwigheid. / En Hij zei: je had geen gelijk; /maar dat is nu voorbij, van heden / tot aan die andere eeuwigheid / is maar één schrede.”

Zelf lijd ik aan een gebrek aan woorden, maar dit gedicht werkt uitstekend als dagopening met of zonder studenten: ga wat doen, vergeef jezelf. In 22 tekens, ik tip maar.

Vergeet het blog over de roman van Mann, bewaar het gedicht van Achterberg, maar neem de verzen van Osip Mandelstam in acht. Over Mandelstam later meer.

januari 1st, 2022 by Jaap de Jong

Nieuwjaarsoogst: het keerpunt van Klaus Mann. Over Mann, Silesius en Isherwood

Ik ben een dolle liefhebber van registers. Niet alleen om snel iets op te zoeken, meer nog omdat ik mij vooraf verheug op de lezing van de eigenlijke tekst en de uitleg van al vermoede verbanden.

Zo kwam ik in het register van Het Keerpunt, de autobiografie van de getormenteerde (maar heerlijk schrijvende) Klaus Mann (1906-1949), de puntdichter Angelus Silesius tegen. Over Silesius schreef ik eerder. Mann schrijft op twee plaatsen over hem: “Nog nader dan Meister Eckhart en Mechtild von Magdeburg stond mij de Wandersmann, waaruit ik spreuken (ik kende er veel uit mijn hoofd en heb er ook veel tot op de dag van vandaag onthouden) graag bij het wandelen of ’s avonds voor het slapengaan opzei.

Gelovigheid los van het dogma, religiositeit als spiritualiteit, diep persoonlijke beleving, onafhankelijk van, ja tegen de clericale orthodoxie – het waren de eenvoudige rijmen van Angelus Silesius die mij deze geestelijke mogelijkheden voor het eerst leerden kennen en inprentten.”

Afgelopen dagen, tijdens het lichtjesfeest ;-), moest ook ik aan een bekend puntdicht van Silesius denken: Al was Christus duizendmaal in Bethlehem geboren / maar niet in uw hart, zo waart gij nog verloren [uit het hoofd]. Ik ken betere puntdichten van hem, maar dit terzijde.

Elders noemt Klaus Mann Silesius nog eens onder talrijke boeiende geesten als Franz von Baader, Novalis en Jakob Böhme. Op het moment dat Klaus dit schrijft is het oorlog en schaart hij hen onder het ‘andere’ Duitsland, het Duitsland “in zijn zuiverste en mooiste vorm.”

Na 1660 werd Angelus Silesius, ofwel Johann Scheffler overigens een fanaticus die ijverde voor de katholieke orthodoxie. Je ziet dat vaker: twee of drie zielen in één enkele borst die een vuur laten ontbranden die hem of haar alle mogelijke hoeken en gaten laat zien. Zonder rust: mystiek en erotiek, liberaliteit en orthodoxie. Wel is de middenweg volgens oma zaliger de beste weg. Maar niet de meest spannende route. 

In het register van Het Keerpunt tref ik ook Christopher Isherwood aan. Isherwood was een goede vriend van Klaus Mann. Mann maakt zich zorgen over zijn dierbare vriend. Zorgen heeft hij over diens flirt, samen met Aldous Huxley, met de Indische mystiek die, zo schrijft hij, hem in handen zou drijven van het absolute pacifisme.

En zo gaat het maar door. Geef mij een register en ik ben uren van de straat: alleen, maar toch verbonden. Een soort van, zeg maar.

Ook van Isherwood bezat Wessel ten Boom meerdere romans.

december 31st, 2021 by Jaap de Jong

Het spreken van de kerk in de politiek: Barth, Koopmans en Ten Boom

In 2018 promoveerde Niels den Hertog op Jan Koopmans (1905-1945), de theoloog die op 24 maart 1945 stierf door een verdwaalde Duitse kogel die hem op 12 maart trof terwijl hij op zijn onderduikadres op de Stadhouderskade toezag hoe dertig personen door de Duitsers werden neergeschoten bij het Amsterdamse Weteringplantsoen.

Koopmans die in 1938 promoveerde op het oud-kerkelijk dogma, m.n. bij Calvijn, was in de jaren dertig betrokken bij de opvang van gevluchte joden. In het begin van de oorlog liet hij in een brochure een fel protest tegen het antisemitisme horen en poogde hij het kerkelijk verzet tegen de Duitse anti-semitische maatregelen te mobiliseren. Koopmans liet zich inspireren door het Barthiaanse denken over de verhouding kerk en wereld.

In het tijdschrift Wapenveld schreef diezelfde Den Hertog in 2019 een artikel over zijn persoonlijke en theologische Werdegang wat betreft Koopmans. Hij noemt daarin de drie Postilles van Koopmans die voor iedere zondag uit het kerkelijke jaar een preekschets bieden. Hij kwam daar telkens weer op terug, zo schrijft hij en dat geldt ook voor zijn denken over het politieke spreken van de kerk.

In de Laatste postille van Koopmans schrijft zijn geestverwant K.H. Miskotte een inleiding en verantwoording rond zijn keuze uit het werk van Koopmans. Miskotte, Koopmans en J.J. Buskes waren zgn. Barthianen die in de jaren dertig al contacten onderhielden met de Bekennende Kirche in Duitsland. Miskotte en Buskes behoorden tot de zgn. doorbraakdominees die afzagen van christelijke politiek en – partijvorming.

In 1980, vlak voor zijn dood, werd ik, scholier nog, geraakt  door een radiotoespraak van de rode dominee J.J. Buskes. Ik kocht niet lang daarna de pocketuitgave van Hoera voor het leven. Ik wist niet wat mij overkwam. Het was een begin, maar ook een eind: the Beginning of the End & Start of a New Adventure. In de zomer van 1989 danste ik op een zondagavond, tijdens het laatste communistische feestje op een berg ergens bij Parijs, met een mooie veelbelovende schoonheid. Althans, het was iets dat op dansen leek. Ook was er verlangen, maar niet persé naar de wereldrevolutie. Ik hield het klein, maar zelfs dat mislukte.

De drie Postille delen komen uit de collectie van Wessel ten Boom, die – het zal u niet bevreemden – eveneens de invloed onderging van de theologie van Karl Barth. Hij was een grondig kenner van diens theologie; dat blijkt uit zijn bibliotheek (en schrijven). Met Koopmans had Ten Boom een sterke belangstelling en liefde voor de theologie van Calvijn. En dan zwijg ik nog over zijn politieke oriëntatie en keuzes die uiteraard theologische wortels had. In een lang en buitengewoon interessant interview met Henk-Jan Prosman [De dominees – Een ongerijmd leven] gaat hij er zelf nader op in. Daarin komen veel van de hierboven beschreven zaken naar voren: de literatuur (o.a. Vestdijk, Kafka en Rilke), de verhouding christendom-jodendom, Calvijn en de betekenis van het dogma in de kerkelijke praxis.

Zelf zit ik op een bijna afgezaagde tak van een verbastert christendom en weet niet eens wat het woord Postille precies betekent. Ik zocht het voor u (en mijzelf) op in het onvolprezen Historisch Woordenboek: het zijn uitleggingen en kanttekeningen, aanmerkingen in de marge. Dit uiteraard geheel terzijde.

december 28th, 2021 by Jaap de Jong

Aleida G. Schot en haar Russen: “waarom Leida zo lachte …”

Vanmorgen las ik de inleiding op Een held van onze tijd van de vertaalster Aleida G. Schot (1900-1969). De novelle is van Michail Lermontow (1814-1841). Hij werd maar 27 jaar oud. Hij bewonderde de dichter Byron, was verbitterd over het leven en gedroeg zich cynisch en hooghartig, misschien wel omdat hij innerlijk onbevredigd was. Egocentrisch en zich tegelijkertijd van zijn eenzaamheid pijnlijk bewust, schrijft Aleida G. Schot die door haar vrienden Leida werd genoemd en een verdienstelijk vertaalster was van Russische literatuur.

Eigenlijk is het niet zozeer Michail Lermontow, maar Aleida G. Schot die mij nu interesseert. De uitgever Geert van Oorschot – die van de Russische bibliotheek – liet iedereen los op de Russen, behalve Aleida Schot en dat nam zij hem zeer kwalijk. Aleida Schot was al geruime tijd voor de oorlog bezig met de vertaling van de Russen en zou onder meer Dostojewski vertalen. Maar Poesjkin – de man van de sereniteit en harmonie – behoorde volgens haar tot de allergrootsten. Overigens vertaalde zij alleen Russen van voor de revolutie.

Of Aleida Schot zelf ook sereen was, betwijfel ik, althans in de oorlog had zij die staat nog niet bereikt. De door mij, tijdens mijn twenties, zeer bewonderde Etty Hillesum kende haar en had ook haar vertaling van Lermontow in huis. Etty H. noemt Aleida verzuurd en verafschuwt haar haat naar de Duitsers. Eind september ’41 – in de avond, terwijl Etty juist wilde ‘werken aan mijzelf’, kwam Aleida er tussen: “Haar stem snerpt me nog in m’n oren als ik er aan denk. Allemachtig, wat een mens. Ze vertaalt Dostojewski en er staat een Madonna op haar kamer, die ze indirect verlicht wanneer er visite komt. Maar alle 80 millioen Duitsers moeten worden uitgeroeid. Er mag er geen één blijven leven. (…). Als ik achteraf aan dat gesprek denk, heb ik het gevoel met een abnormaal mens te doen te hebben gehad. Maar het was interessant ook. O, ik groei, zei ze, als ik ’s avonds aan m’n raam sta en de vliegmachines hoor gaan en het zag er uit of haar boezem geweldig zwol en haar neusvleugels uitzetten, hoewel ze helemaal geen boezem heeft en een heel smalle, onbenullige neus.”

Aleida G. Schot kende vrijwel alle slavisten en was nogal bevriend met Bruno Becker, die alles wist over Duitse mystiek, Coornhert en nog wat dingen. Etty Hillesum, Karel van het Reve en alle andere bekende slavisten van na de oorlog, volgde colleges bij hem. Karel van het Reve kon zich Etty – wier dagboeken hij bakvisachtig noemde – na de oorlog niet meer herinneren, maar Becker en Aleida Schot des te beter. Als we afgaan op de limerick van Karel van het Reve – die bij Becker promoveerde, ging de vriendschap tussen Aleida en Becker verder dan de gedeelde liefde voor de letteren. Van het Reve schreef in 1953 een limerick met een toespeling op intimiteiten tussen Becker en Aleida G. Schot: ‘Ik weet waarom Leida zo lachte / Toen Bruin haar die avond opwachtte: / Hij toonde haar gul / Een reusachtige lul, / Die niemand meer van hem verwachtte.’ Haar lachen maakt dan weer duidelijk dat Leida minder verzuurd was dan Etty meende. Na het overlijden van zijn vrouw, in 1962, trok Aleida bij Bruno Becker in. Een jaar na zijn dood stierf ook Aleida G. Schot aan de gevolgen van een verwaarloosde griep.

Voor haar overlijden zorgde ze voor een legaat waaruit de bekende vertaalprijs voor de Russische letteren wordt bekostigd. De Aleida Schot-prijs wordt regelmatig uitgekeerd. Gelukkig maar, beter een Rus in de boekenkast dan het Russische leger in de voortuin, hoewel het gas natuurlijk weer welkom is. Mits betaalbaar. Dit laatste geheel terzijde.

december 25th, 2021 by Jaap de Jong

De kerst van George Langer en de zwakke blaas van Tycho Brahe

Tycho Brahe (1546-1601) was een gevloekte, een tragische figuur, die door Max Brod in Tycho Brahe’s Weg zu Gott (1915) wordt neergezet als een getormenteerd godzoeker. Hij studeerde filosofie en astronomie en kwam door zijn empirische waarnemingen in conflict met zowel het nieuwe Copernicaanse wereldbeeld als het model van Ptolemaeus. Tijdens zijn studie in Rostock kreeg hij ruzie met een medestudent over de kwestie wie het beste in wiskunde was. Het daaropvolgende duel leverde hem een zwaar litteken op aan de neus dat hij verborg onder een prothese.

Hij moet een ongelukkig mens moet zijn geweest. Tycho Brahe behoort, zo schrijft Siegfried van Praag ergens, tot die profeten, die met een profetenroeping worden geboren, maar zonder profetenkracht. Het is lastig om met een opdracht te worden geboren zonder dat je de weg wordt gewezen. 

Ik moest aan Tycho Brahe denken toen ik vanmorgen in de dagboeken van Kafka las over Tycho Brahe’s Weg zu Gott, de roman  van Max Brod die door hun gezamenlijke vriend George Mordechai Langer (1874-1943) tijdens de kerstdagen van 1915 nog steeds niet was gelezen. Langer vertelde Kafka die dag dat hij er pas dertien dagen later tijd voor zou nemen, en wel tijdens het Russische kerstfeest dat immers ietwat later wordt gevierd. Langer was een religieus socialist (en zionist), afkomstig uit de chassidische traditie. Altijd zat hij met de neus in de religieuze boeken, vooral in de Talmoed en de Kabbalah. Alleen tijdens het kerstfeest kon hij zich veroorloven om zich met de schone letteren en het wereldse weten bezig te houden. En eigenlijk mocht dat – volgens een middeleeuwse traditie – pas na het zeventigste jaar of, in een ietwat gematigde versie vanaf het veertigste jaar.

Er is echter wel een plek, een uitzonderlijke plek, waarop men zich de wereldse lectuur kan veroorloven. Dat is op het toilet. Op het toilet mag men niet aan de Thora denken; daar kan men dus wereldse boeken lezen. De Pragenaar K., een vroom man, wist volgens Kafka erg veel. Hij had, zo voegt hij er aan toe, het allemaal op het toilet gelezen.

Terug naar Tycho Brahe die zichzelf tijdens een banket op 13 oktober 1601 niet toestond om op te staan en zijn blaas op het toilet te ledigen. Dat zou onbeleefd zijn, waarop zijn blaas scheurde en er een eind kwam aan zijn leven. In 2010 werd zijn graf gelicht en ontdekte men dat zijn neusprothese van messing was gemaakt in plaats van zilver of zelfs goud, zoals Wikipedia meldt (met bronvermelding).

Aan hem moest ik denken toen ik vanmorgen de notitie van 25 december 1915 uit het dagboek van Kafka las.

“Mit Langer: Er kann Maxens Buch erst in dreizehn Tagen lesen. Weihnachten hätte er es lesen können, da man nach einem alten Brauch Weihnachten nicht Thora lesen darf, diesmal aber fiel Weihnachten auf Samstag. In dreizehn Tagen aber ist russische Weihnacht, da wird er lesen.” [Kafka, Tagebücher, 25. December 1915]

Ik wens u een zalig kerstfeest en ledig uw blaas op tijd. En wat ons betreft kunt u ook buiten het toilet lezen. Voor al uw boeken, lokaal of via het digitale heelal: Cornelissen & De Jong

december 21st, 2021 by Jaap de Jong

De Doezende Dar en De Bezige Bij – Over de WA-man van Theun de Vries

In het decembernummer van De Parelduiker las ik het opstel van Enno van der Eerden over de figuur van de collaborateur in de vroege naoorlogse literatuur. Het toeval wil dat ik op dat moment de novelle WA-Man van Theun de Vries, in 1944 uitgegeven bij de clandestiene uitgeverij De Doezende Dar, onder handbereik had.

Lisette Lewin schrijft in haar studie Het clandestiene boek dat zij deze novelle als het beste verhaal ziet dat in de oorlog werd geschreven. De novelle lijkt, zo schrijft ze, “op Sartre’s l’Enfance d’un chef, Vestdijk vond de kwaliteit vergelijkbaar.” Lewin prijst de nuance en het realiteitsgehalte van het verhaal: “WA-man beschrijft geloofwaardig hoe een contactgestoorde kruidenierszoon uit de Jordaan in de NSB terecht komt en tenslotte in de WA tot hij in de mei-dagen, gehoorzaam maar walgend van zichzelf meegesleept wordt in de WA-terreur.”

[Ik vertelde Igor eens dat ik Het clandestiene boek van Lisette Lewin een erg goed geschreven studie vond. Het boek heeft een hoog informatief gehalte en leest ook nog eens soepel weg. Ik meen dat er een exemplaar bij ons te koop is. Igor zou het zijn “vroegere aanstaande” doorgeven, maar of dat is gebeurd? God weet het, ik niet, maar ook dit geheel terzijde]

De novelle WA-man werd in 1944 clandestien – “in het verborgene gedrukt”, meldt de colofon. Als pseudoniem werd de naam M. Swaertreger [zetfout voor Swaertveger] gebruikt. Swaertveger staat voor wapensmid, schrijft Enno van der Eerden in het blijmakende notenapparaat van De Parelduiker. Hij had dat, net als ik, ook van een ander. Ik vond het aardig om te weten dat M. Swaertveger het door Theun de Vries gebruikte pseudoniem was en dat de mij nog onbekende uitgeverij De Doezende Dar tot op dag van vandaag bekend staat als De Bezige Bij. 

Hoewel Igor ook een aantal romans van De Vries bezat, komt deze novelle uit de boekerij van Wessel ten Boom. Hij bezat een rijke collectie van en over De Vries. Op de schrijver Theun de Vries kom ik zeker terug, was het alleen maar vanwege zijn interesse in (en werk over) Spinoza, Rembrandt,  Torrentius, nog even los van zijn studies in de religiegeschiedenis en de roman De wilde vrouwen van Pella

december 21st, 2021 by Jaap de Jong

De Parelduiker: “voor een ondeelbaar ogenblik, in het punt des tijds”

Zojuist, bij het opruimen van enkele stapels papier, vond ik hem: De Parelduiker van december. Ik was hem vergeten of wellicht verdween het blad in een moment van onnadenkendheid in de stapel des doods. Ik las in de rubriek De laatste pagina over het verscheiden van de dichter Remko Ekkers (1941-2021) en zijn gedicht Dood dat het tegendicht vormt van Vestdijks ‘De uiterste seconde’ en waarvan de laatste regels luiden: “maar dit verwart mij het meest / het oog dat nu leest / zag nooit de hand die nu schrijft.”

Verder schrijft Marsha Keja over Andreas Burnier, die een ingewikkelde relatie met het feminisme had. Die ingewikkeldheid gold ook voor haar verhouding tot het jodendom, waarmee ze overigens wel in het reine komt, althans met de liberale variant. Tijdens een conflict in de Liberaal Joodse Gemeente over het dragen van de gebedsmantel (talles) dat niet werd toegestaan voor vrouwen levert ze kort en krachtig ironisch commentaar: “geen fallus, geen talles”. Aanleiding voor het stuk van Keja is de vondst van een feministisch toneelstuk van Andreas Burnier.

Ronald Bos brengt de Berlijnse reis van Hendrik Marsman voor het voetlicht. Berlijn was in de jaren twintig de plaats waar het gebeurde. Heel aardig is dat het nijvere speurwerk van Bos ook onbekende documenten van en over Marsman opleverde. Interessant ook is het gedicht waarin Marsman zijn herinnering aan het eiland en de Hiddenee boekstaafde. Opnieuw water, dood en bloed. Marsman heeft zijn voortijdige verdrinkingsdood in elk geval esthetisch goed voorbereid, zo grapte een vriend eens. Ik ben dat nooit vergeten.

Anders dan Adriaan Venema ooit deed geeft Enno van der Eerden in Fout maar schipperend en met mate wel een interessante inhoudelijke analyse over de beweegredenen van de collaborateur (via romanpersonages uit de naoorlogse tijd). En zo is er meer, veel meer in het altijd keurig verzorgde literair-historische tijdschrift De Parelduiker dat ik veel abonnees toewens. Mooi dat mijn oog in het ondeelbare ogenblik, in de punt des tijds, toch op De Parelduiker viel.

U kunt zich op de website abonneren en/of bij ons een oud (proef)nummer aanschaffen.

december 15th, 2021 by Jaap de Jong

Lientje Brilleslijper in Berlijn: “Es brennt, Brüder, es brennt”

Zojuist bladerde ik in het Jiddisch-Duitse liedboek ’s brent, briderlech, ’s brent ofwel het brandt, broeders, het brandt. Het boek werd samengesteld door Lin Jaldati (1912-1988) – eigenlijk heette ze Lientje Brilleslijper  – en Eberhard Rebling (1911-2008).

“Het brandt, het brandt, broeders!” Dat klinkt niet goed, zoveel is mij wel duidelijk. Maar wat en hoe? Het titellied ’s brent, briderlech, ’s brent is van de dichter Mordechai Gebirtig (1877-1942) die in de jaren dertig in Polen de eerste pogroms meemaakte en in het getto van Krakau het leven liet. De kogel kwam ditmaal van rechts; het was een nazi-kogel in het getto tijdens Bloedige Zondag op 4 juni 1942.

Lin Jaldati was al vóór de oorlog danseres bij het Nederlands Ballet en daarnaast solo-zangeres. Zij woonde samen met Eberhard Rebling die eerder in Berlijn filosofie en muziekwetenschap studeerde. In 1935 promoveerde hij op de sociologische achtergronden van de stijlverandering in de muziek (in de 18e eeuw). Hij was pianist en trad op met zijn geliefde  Lin, die danste en daarnaast Jiddische liederen zong. Eberhard was na zijn promotie met twee koffers, een typemachine en tien Mark naar Nederland gekomen. In 1941 kreeg het paar de eerste dochter (Kathinka), niet veel later doken ze onder in ’t Hooge Nest. 

Het verhaal van de onderduik, de verzetsactiviteiten van de familie Brilleslijper en het verraad werd beschreven door Roxane van Iperen (’t Hooge Nest). Het werd een bestseller.

Lin en Eberhard beschikten over een enorm repertoire met liederen. Dat blijkt ook uit deze uitgave die honderden liederen bevat (incl. aanhangsel met muzieknoten). In het naoorlogse Nederland nodigde niemand het communistische echtpaar meer uit. In Berlijn was dat anders, dus vestigden Lin en Eberhard zich in Oost-Duitsland waar Eberhard docent werd aan een hogeschool, als ook redacteur van het tijdschrift Musik und Gesellschaft.

Het dansen, zingen en musiceren bleef een constante in hun leven. Zo schrijft Coen Wessel, die in de jaren tachtig twee van hun optredens meemaakte, op de website karlbarth.nl: “Lientje Brilleslijper zong Jiddische liederen. Het vrolijke ‘Als der rebbe Elimejlech’ onthield ik meteen. Haar man Eberhard Rebling zat achter de piano en hun jongste dochter Jalda (1951) stal de show.” Coen kocht na afloop van het concert het boekje Es brennt, Brüder, es brennt. Misschien was hij er wel met Wessel ten Boom, uit wiens nalatenschap deze bundel komt. Dàt zou mij niet verbazen.

De liedbundel bevat mooie teksten met veel melancholie in de traditie van de psalmdichter die er ook wat van kon: aan Babels stromen zaten wij gevangen. Daar weenden wij van weemoed en verlangen.

Dit alles terzijde uiteraard. Klik op de link voor méér boeken uit de collectie Ten Boom.


N.a.v. 's Brent, briderlech, 's brent | Es brennt, Brüder, es brennt. Jiddische Lieder (1985). Herausgegeben von Lin Jaldati und Eberhard Rebling. Nachdichtung von Heinz Kahlau. Berlin: Rütten & Loening.

Met notenschrift van diverse liederen, alsmede een krantenknipsel van Esther Hageman (Trouw, 6 aug. 2008) over Eberhard Rebling en Lin Jaldati (o.a. over naoorlogse tijd). € 45,00 incl. pak- en verzendkosten. Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong
december 10th, 2021 by Jaap de Jong

Wat de zee verzwijgt! Wat dood niet tekent, is er nooit geweest

Ik las vanmorgen in De Waarheid van 28 mei 1988 een recensie van de dichtbundel Wat de zee verzwijgt van H.J. de Roy van Zuydewijn (1927-2019). Recensent is de onlangs overleden Wessel ten Boom (1959-2021). De krant – als eerste in tabloidformaat – wilde zich in die jaren ontwikkelen tot de krant voor links Nederland en men had ook daarom meer aandacht voor cultuur. Voorheen was dat iets marginaals in de partijkrant die zich desondanks De Waarheid noemde.

De bespreking is van hoog niveau. Ten Boom zet De Roy van Zuydewijn in de traditie van Herman Gorter, James Joyce en Heiner Müller die stof uit de klassieke literatuur ontlenen voor het positioneren van een eigen program. De poëzie van De Roy van Zuydewijn  – die in deze bundel het Odysseus-motief hanteert – wordt door hem beschreven als een anti-burgerlijk fenomeen waaraan iedere vrijblijvendheid ontbreekt. Hij zag af van het poseren van het vrije bewustzijn in een onvrije maatschappij met de bijbehorende vrijblijvendheid die eigen is aan de pose.

In de poëzie van De Roy van Zuydewijn gaat het volgens Ten Boom om de inzet van het eigen vlees en bloed in een wereld die kritiek verdient: een militante kritiek op al het voorlopige en bestaande als het aan Ten Boom zou liggen. Kritiek die in het huidige politieke discours overigens ook niet misplaatst is waarin zogenaamd het pragmatisme leidend is, maar waarvan de keuzes maar al te vaak nadelig uitvallen voor de publieke zaak die bestuurders zeggen te dienen. Geef het volk hun brood en spelen, maar laat ons de knikkers en het spel. Consumeer je kapot en verdwijn daarna in die zee van eeuwige vergetelheid.

Het knappe aan de bundel is intussen dat die verleiding als ook die van het zoete “dichterlijke” afzien van kritiek wel wordt benoemd in de vormvaste bundel met 123 kwatrijnen in het rijmschema a-a-b-a: “Laat het weer zijn zoals het vroeger was / in bed, op ons zacht verende matras / wie let er op het kraken van de wielen / zolang de naaf nog meegeeft op de as?” (kwatrijn 91).

En dan is er nog iets dat mìj aanpreekt als lezer die nog voor het definitief doorknippen van de navelstreng door de bevinding werd overmand. De intertekstuele verwijzing (kwatrijn 39) naar het schitterende verhaal van de Jacobsworsteling en naar de roeping van de mens wiens enige roeping is om mens te zijn. Bedenk wel: “mens is alleen de vleesgeworden geest / wiens heup niet van het tweegevecht geneest / waarin hij met zijn Demon heeft geworsteld / wat dood niet tekent, is er nooit geweest.”

Wat dood niet tekent, is er nooit geweest.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, ook uit de collectie Ten Boom, waaronder de dichtbundel van H.J. de Roy van Zuidewijn.

november 30th, 2021 by Jaap de Jong

H.N. Werkman – de meester die geen vazal was

Vanavond pakte ik in het voorbijgaan een boek van een hele hoge stapel. Het is het egodocument van H.N. Werkman met de brieven die hij tussen december 1940 en april 1945 schreef.

Werkman was een expressionistisch kunstenaar en grafisch vormgever die voortgedreven werd door besef van onvolmaaktheid. Iets dat vaker voorkomt en wat hij deelde met de dichter Gerrit Achterberg: “Met dit gedicht vervalt het vorige / ik blijf mij eigen onderhorige.” En het blijft maar doorgaan. Ja, pas in ’t einde blijkt, zo schrijft Achterberg, “wie meester is en wie vazal.”

Ook Werkman schrijft in een van zijn brieven dat hij denkt dat het beste werk nog voor hem ligt: “Maar altijd denk ik dat ik mijn beste werk nog moet maken. En dat is wat mij tegenhoudt om te zeggen: ik ben een kunstenaar.” Wessel ten Boom (1959-2021) – hij was de eigenaar van het boek – zette er met potlood een streepje bij. Dat deed hij vaker: “woeste potloodstrepen, want een balpen is in een boek volstrekt taboe”, zo schrijft hij (Vestdijk II, p. 173).

Na de titelpagina van dit boekje, dat als nr. 10 deel uitmaakt van de privé-domeinreeks, staat een prachtig citaat. Het is een notitie van Werkman, gevonden tussen zijn nagelaten papieren. Als ik niet zo sterk was als dat ik ben zou ik wenen, immers: it’s nice enough to make a little man weep / But I don’t weep, do you? (Charles Bukowski, ja).

“De verborgen wegen zijn het mooist, op de onopengesneden bladen, als het stil gedragene dat niemand weet, dat niemand ziet, dan na de dood.”

Op 10 april werd Werkman met negen anderen door de SD-er Peter Schaap vermoord in de bossen bij Bakkeveen. Hij werd, denk ik, herkend als een kunstenaar die dingen maakt die de woede opwekt omdat het stem geeft aan dat wat men in zichzelf niet erkennen kan of wil. Werkman kon dat! Als geen ander gaf hij er vorm aan. En ook in dat einde bleek wie hij was: meester, géén vazal.

Het boekje met de brieven maakt deel uit van de collectie van dr. Wessel ten Boom, dienaar van het woord (en kenner van het werk van Vestdijk, Rilke, Bob Dylan en wat al niet meer) die in oktober j.l. overleed. 

Hier kunt u andere boeken uit de collectie Ten Boom vinden.

november 23rd, 2021 by Jaap de Jong

De apen van mijnheer Revers

Vanmorgen keek ik tevreden naar de omslagtekening De apen van mijnheer Pimpermeijer, een boek voor de jeugd van G. Revers [= G.J.M. van het Reve, 1892-1975)], vader van Gerard Reve. Het boek staat boordevol tekeningen van de hand van Harry van Kruiningen (1906-1996)

Als ik, zoals nu, aan vader en zoon Van het Reve word herinnerd moet ik vaak denken aan de passage uit De Avonden waarin Frits mijmert over zijn vader en moeder.

Het lijkt mij waarlijk goed en passend die passage nog eens voor het voetlicht te brengen. Het is tenslotte bijna december. Tijd voor De Avonden en voor het moment dat Frits de voordeur opent en zijn ouderlijk huis binnentreedt.

Frits denkt na zijn slentertocht over de Amsterdamse straten niet alleen aan de onmetelijke goedheid van zijn moeder, maar ziet ook de uitpuilende buik van zijn vader. Hij observeert zijn vader die met zijn rug naar hem toe staat. Daar staat hij: in zijn hansop, en Frits ziet niets anders dan een lang verticale streep die wijdopen staat. En er is niets dan deernis en hij mompelt of bidt in zichzelf ‘o almachtige God, zie deze man. Hij is mijn vader. Behoed hem. Bescherm hem en leid hem in vrede. Hij is uw kind.’

De Avonden is natuurlijk niet persé een voluit autobiografisch boek, maar toch. Deze passage is mooi en genadig en ik doe Gerard Reve beslist onrecht als ik – wat ik wel deed – mijn vrienden zeg dat ik die roman alleen maar herlees om in slaap te kunnen vallen.

Zijn vader maakte begin jaren dertig dit boek voor de jeugd en natuurlijk niet in het minst voor zijn zonen Karel en Gerard, zo veronderstel ik.

De apen van mijnheer Pimpermeijer van G.J.M. van het Reve werd rond het begin van de jaren dertig (einde 1932) door de firma Mulder & Co op de markt gebracht. Heel bekend werd het boek niet. Het is geïllustreerd door Harrie van Kruiningen, pseudoniem van Henri Adelbert Janssen die een geestverwant was van G.J.M. van het Reve. In de oorlog maakte Janssen deel uit van het (communistische) verzet en de rest van zijn leven was hij actief als docent en vrij kunstenaar. Eind jaren twintig had Janssen al zijn eerste tentoonstelling in het Stedelijk Museum (als lid van De Onafhankelijken).

G. Revers [ca. 1932]. De apen van mijnheer Pimpermeijer. Amsterdam: Mulder en Co. Uit de collectie van Igor Cornelissen, bandtekening en alle andere illustraties van Harry van Kruiningen [pseud. van H.A. Janssen]. Goed. De boekband is bij de randen en hoeken ietwat sleets, bovenscharnier gerepareerd met passend kozo naturel papier, bij een eerdere reparatie werden de schutbladen vernieuwd, incl. verzending als € 35,00.

Interesse? Neem contact met ons op.

november 18th, 2021 by Jaap de Jong

Reve als kerkhistoricus

Het was iets over vijven toen ik gistermiddag in het statige Zwolse hotel Wientjes bij een gezelschap van drie heren aanschoof: “Men of letters”, zou Igor zeggen. Eén van hen at die avond bij ons, een ander gaf ik bij aankomst een hint. Dat deed ik met een dichtregel en was bedoeld om hem bij het aanstaande vertrek mild te stemmen: “De Drenten o, het zal hun een zorg zijn of de wereld vergaat / als om zes uur het eten maar op tafel staat”.

Het gesprek ging over dichters. Over Reve, Revius, Achterberg, het gereformeerde schuldgevoel en nog veel meer: “’t Zijn de joden niet Heer Jesus die u kruisten” schalde het door de grote eetzaal van Wientjes en “eigenlijk geloof ik helemaal niets, en twijfel ik aan alles, zelfs aan U. / Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft / dan denk ik dat Gij liefde zijt en eenzaam.” Ja, eenzaam als die jongen in Woudsend en wat al niet meer. God weet het.

Nog eentje dan: hoe dichter bij Hattem / hoe minder van dattem

Het werd die middag later dan zes uur en de wereld is ook al niet vergaan. Nu is het morgen geweest, een nieuwe dag en lees ik een artikel van Van As die zich in het Reviusjaar (1986) in Gods eigen krant afvroeg “of er nog ongeletterden rondlopen die de dichter-schrijver Revius in verband brengen met ene Gerard Reve”.

Wat H.H.J. van As toen niet wist is dat ook Gerard Reve zich onder die “ongeletterden” bevond. In een brief aan Geert van Oorschot schrijft Reve dat hij een rechtstreekse afstammeling is van Jacobus Revius en geeft hij Van Oorschot de hint om die Revius onmiddellijk in zijn fonds op te nemen. Hij is minstens van het niveau van Vondel, schrijft Reve. Bladzijde na bladzijde oreert Reve over Jacobus Revius, de Reformaatsie, de realis presentia en de Mariaverering. Bovendien geeft hij in het voorbijgaan ook nog een definitie van het Ware Geloof. De rest immers is sentimentalisme, ethies gelul en dergelijke meer, zo schrijft hij: “Je bent katholiek omdat je dan met Haar naar bed gaat, en Zijn Lichaam en Bloed nuttigt. Rome is dus eten en drinken, plus nog dat andere.”

Het is goed dat Van Dis dit alles niet meer hoeft te beleven. Intussen ben ik wel voor een grondig onderzoek naar Gerard Reve en zijn plaats in de Nederlandse religiegeschiedenis. De historica Enny de Bruijn schreef eerder een gewaardeerde biografie over Jacobus Revius, maar ik denk niet dat zij aandacht besteedt aan de connectie tussen Reve en Revius.

Ik geef toe dat het thema nog wat vaag is, maar bij Cornelissen & De Jong is inmiddels een aardige collectie Reviana en kunt u zich oriënteren. Alles is te koop bij ons. Hoewel, niet alles, want vanmorgen verkocht ik het laatste exemplaar van de bundel van Lévi Weemoedt. Wel nam ik gisteravond uit Wientjes een enveloppe mee die aan de heer Izaäk van Wijk uit Assen is gericht. Die voeg ik bij de collectie parafernalia. Dit alles geheel terzijde.

Reviana bij ’t Wasdom. Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat t’ Wasdom van Cornelissen & De Jong

november 10th, 2021 by Jaap de Jong

Der Wanderer und sein Schatten: Nietzsche, Schopenhauer en Connie Palmen

Dromen zijn een interessant fenomeen. Zeker als ze raken aan de dagelijkse werkelijkheid of die zelfs “voorspellen”. Over dat laatste las ik onlangs iets bij Van Oudshoorn. Hij vertelt in Het onuitsprekelijke over een droom waarin hij wandelt, een plas doet en desondanks onbekommerd verder loopt. Dat was dus de droom: vooral nat. De volgende ochtend ging Van Oudshoorn op weg naar kantoor en vestigde een man hem discreet op het gegeven dat zijn kleding ‘niet geheel in orde was’. Dat wat in zijn droom ten onrechte gesloten gebleven was, stond in de nieuwe dag al even ten onrechte open. Het was hem in het publiek nooit eerder overkomen, schrijft Van Oudshoorn.

Dat de droom door veel bezigheid komt is mij wel duidelijk en wat daarin naar voren komt is ook al niet willekeurig. Freud wijdde er een deel van zijn werk aan. Dromen kun je uitlokken door lang, veel en laat door te werken. Zo liet ik mij gisteravond door een tweet van Ruben Endendijk verleiden om in de database met het volledige werk van Nietzsche – de digitale versie – te kijken om daar snel een passage over het medelijden te vinden. Nu weet ik wel dat N. ergens in een prachtige zin iets over het lijden opmerkt: het lijden is het snelste dier dat je tot volmaaktheid  brengt (hij jatte de zin van Eckhart, maar zonder bronvermelding). Over het medelijden vond ik echter niet wat ik zocht. Dit alles leidde afgelopen nacht tot een droom waarin ik met Nietzsche over de bergtoppen wandelde en over dalen uitkeek. Plots zag ik Schopenhauer en Connie Palmen innig verstrengelt uit het dal opkomen. Ik hoefde ze niet eens op te roepen zoals de heks van Endor dat deed bij Samuel. Ze kwamen als vanzelf naar boven.

Daarna keek ik gefascineerd toe hoe Connie Palmen, Schopenhauer en Nietzsche rond een hoog opgestookt vuur dansten, terwijl ze zongen. “Zakdoekje leggen, niemand zeggen”. Zelf danste ik niet, ik kéék alleen. Daarna nam Palmen het woord en sprak met droef gezicht: ‘Nietzsche keurt het medelijden af, voor Schopenhauer is alle liefde medelijden, wat moet je dan in vredesnaam. Is het nu goed of is het slecht om medelijden te hebben?’

In 1991 las ik De Wetten van Connie Palmen en de hierboven geciteerde zin is mij altijd bijgebleven. Zo’n zin komt naar boven als het moment daar is: in een droom, in het volle daglicht of wanneer ik haar naam hoor. Sommige vrienden keurden het lezen van Palmen indertijd ernstiger af dan ouderlingen de romans van Maarten ’t Hart. Hoewel ik mij de figuur van Marie uit De Wetten herinner als een bakvis, herken ik de vraag wel: de vraag van een mens in verwarring die het kleed van de traditie aflegt en denkt iets beters te vinden.

Op een dag zie je in dat je uit dezelfde lap bent gescheurd als alle anderen en dat het hebben van medelijden goed noch slecht is, maar ís (of niet is): je maakt deel uit van iets dat groter is dan je eigen navel. Ik geef toe dat ik dat laatste ook wel eens vergeet. Bovendien moet die wereld om je heen ook weer niet te groot worden, anders rest niets meer dan erin te verdrinken. Medelijden is concreet en je doet wat je kunt als je iemand met open gulp over het terrein ziet wandelen. Discreet, dat wel.


Wij verkopen nieuwe oude boeken, dus ook van Nietzsche, Schopenhauer en andere filosofen. Literatuur doen we ook, eveneens  handelen we in theologie en biografieën. Kortom, eigenlijk alles ofwel het woeden der gehele wereld.

november 1st, 2021 by Jaap de Jong

De nieuwste parels van De Parelduiker: Oscar Jespers, De Kom en Hellema

Vorige week lag het nieuwste nummer van De Parelduiker op de deurmat. Als omslagillustratie van dit nummer een nooit eerder vertoond ontwerp van Oscar Jespers (1887-1970). Jespers was bevriend met de dichter Paul van Ostaijen en co-auteur van het modernistische meesterwerk Bezette Stad.

Het tijdschrift opent met een groot gedegen en geannoteerd interview met Jose Boyens (90) die “in natuurlijk isolement in een gehucht in Nederland woont”. Dat alleen al is natuurlijk fantastisch, maar Boyens vertelt in het gesprek met de journaliste (en Elsschotkenner) Martine Cuyt vooral veel zinnige en nieuwe dingen. Bovendien zijn er innige documenten in het artikel opgenomen, zoals de aangrijpende condoleancebrief die Paul van Ostaijen schreef bij de dood van het vijfjarige dochtertje Hella van zijn vrienden Oscar en Mia Jespers. Ik ga daar niet uit citeren. Leest u het vooral zelf.

Rob Luckerhof schrijft over Hellema (pseudoniem voor Lex van Praag) en de oorlog waarin de naoorlogse tijd van de schrijver Hellema centraal staat. Hellema schrijft geëngageerde literatuur en verwerkte daarin zijn persoonlijke verhaal; zijn esthetische voorkeur en geloofsopvattingen.

Engagement is er ook in het artikel van Henna Goudzand Nahar waarin het handschrift van Wij slaven van Suriname (Anton de Kom) wordt besproken. De inhoud van dat artikel is de bijvangst uit een project dat dit jaar nog moet leiden tot een editie van Wij slaven voor middelbare scholieren. Zo’n titel spreekt ook mij aan in mijn existentie als oudere witte man die iedere dag zijn roeping om het dagelijks brood op tafel te toveren moet waarmaken.

In een ander omvangrijk artikel staat Louis Lehmann (1920-2012) centraal. Jaap van der Bent werpt nieuw licht op de auteur aan de hand van twee nooit eerder gepubliceerde romans van Lehmanns. In elk geval beargumenteert hij de nauwe relatie tussen de mens (lees: auteur) en zijn werk. Een relatie die wat mij betreft als vanzelf spreekt, maar ook deels het bestaansrecht vormt voor dit prachtige literair-historische tijdschrift dat sinds afgelopen januari in kleur verschijnt.

Naast de rubriek Laagwater (aandacht voor Barbarber & Gerard Stigter) vertelt Jan Paul Hinrichs in Schoon & Haaks [mooi zetwerk!] ditmaal een verhaal over zanger-cabaretier J.H. Speenhoff en de fotograaf C.C.S. Crone. Tenslotte is er de rubriek De laatste pagina (met de necrologie van Leo van Maris (1934-2021). Zolang u niet als onderwerp wordt besproken is er reden tot hoop.

Terzijde: een vriend zag eens een nummer van De Parelduiker in de librije van de minister-president liggen. Wie beweert nog dat Rutte geen (historisch-literaire) visie heeft? Ik vraag maar.

U kunt zich abonneren op de website van De Parelduiker.

Méér nieuwe oude boeken & tijdschriften bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, waaronder Speenhoff, De Parelduiker en Paul van Ostaijen

oktober 31st, 2021 by Jaap de Jong

“Tussen het scylla van de dood en het charybdis van het zinnelijke”: over Van Oudshoorn

Toen Willem Frederik Hermans in april 1951 de zieke schrijver J.K. Feijlbrief (1876-1951) ofwel J. van Oudshoorn (pseud.) opzocht, begroette Van Oudshoorn hem met de woorden: ‘Zo. Ik ben aan het eind van mijn schrijversloopbaan en u aan het begin. Dat lijkt me allebei even onaangenaam.’ Die toon was tekenend voor de wat minder vrolijke aard van Van Oudshoorn.

Een paar maanden na het eerste bezoek van Hermans stierf Van Oudshoorn. De uitgever Geert van Oorschot en Hermans bezochten de begrafenis op 3 augustus 1951 en Hermans sprak bij het graf. WFH schreef het In Memorium: J. van Oudshoorn, eenzaam schrijver. Het werd diezelfde dag nog gepubliceerd in Het Vaderland. Van Oorschot en Hermans dronken daarna samen nog een biertje bij café De Posthoorn op De Lange Voorhout en haalden de krant op bij het kantoor van Het Vaderland dat op loopafstand van het café lag.

Op het moment dat Van Oorschot zonder te betalen met de krant wegliep riep een meisje hem tot de orde: “meneer, ik krijg 10 cent van u.” Dat verbaasde Van Oorschot: “ik dacht dat het gratis was. Want wij (sic) hebben een stuk in deze krant geschreven.” Jaren later herinnert WFH zich het voorval: “Wie zou destijds hebben durven hopen dat deze zelfde uitgever vijfentwintig jaar later, geheel zonder mijn bijstand, een echte bestseller [mijn tante Coleta, JdJ] schrijven zou? ‘s Werelds loop heeft soms de wonderlijkste verrassingen in petto.”

Biograaf W.A.M. de Moor vatte het werk van Van Oudshoorn in een kernthema samen: bestaansrechtvaardiging. Het is “de worsteling van de mens, die, vanaf zijn vroegste jeugd in een isolement geraakt, een bestaansrechtvaardiging tracht te vinden door, tussen de scylla van de dood en de charybdis van het zinnelijke door, een veilige haven te bereiken, die hij als ‘het Andere’ aanduidt.” Hermans heeft slechts zeven woorden nodig: angst, schuld, walging, verlatenheid, sexualiteit en dood.

De eenzaamheid van Van Oudshoorn ging samen met een verlangen naar gemeenschap, een verlangen dat hij nooit opgaf. De personages uit zijn romans worden als door en door afstotelijk neergezet: een weerzinwekkend innerlijk dat zijn uitwerking op het uiterlijk niet mistte. Publicatie van zijn portret liet hij niet toe. Niet alleen uit bescheidenheid of discretie. Hij beschouwde zichzelf vlg. Hermans als afstotelijk en had zich, heel Sartriaans, als verworpeling gekozen, maar was toch niet zo lelijk als hij deed voorkomen: “zijn gestalte was wel geproportioneerd, niet zeer groot, slank. Hij had opvallend blauwe ogen die achter zijn sterke bril zeer groot en kwetsbaar leken, wijs en treurig tegelijk”, schrijft WFH. Bij het bezoek van Hermans plaatste Van Oudshoorn zich met de rug tegen het licht.

Er is een foto waarop hij met zijn vrouw Marie Elise Teichner, een mannequin uit Berlijn, op de Scheveningse boulevard wandelt. W.A.M de Moor gebruikte de afbeelding uit 1928 als omslag voor zijn tweedelige biografie. Dat huwelijk van Oudshoorn was ook al niet heel vrolijk. Toen De Moor haar (toen achtenzeventig jaar oud) bezocht vertelde zij dat haar man haar geen kinderen had willen geven. Dat was nu niet erg meer, want zij had haar katten die overal mochten kakken. In de Berlijnse tijd had zij haar man, die tussen 1905 tot 1933 ambtenaar bij de rijkskanselarij in Berlijn was geweest, eens door een rechercheur laten volgen. Hij zou haar bedriegen. In werkelijkheid was hij naar het café gegaan waar hij zijn “Jandoedel” dronk. Verder had hij het ijzeren ritme van een ambtenarenbestaan, een bestaan dat hij overigens verfoeide. Hij leidde overigens wel degelijk een dubbelleven: dat van de schrijver Van Oudshoorn en dat van de ambtenaar J.K. Feijlbrief en in de oorlog was het de schrijver Van Oudshoorn die fout was geweest.

In de film Beeldspraak (Erik van Zuylen, 1981) over de schrijver Van Oudshoorn vertelt een adellijke achternicht niets dan kwaad over Marie Elise Gertrud Teichner. Zo ook over een ruzie tussen het echtpaar. Een ruzie die was ontstaan naar aanleiding van de brand in de Rijksdag. Marie Elise begon te schelden op de joden en verliet al schreeuwend en vol woede het huis van de achternicht. Kort na het vertrek van zijn vrouw, ging Van Oudshoorn haar achterna: verbaasd, maar toch gedwee. Tijdens het bezoek van Hermans was Marie Elise veel aan het woord en vertelde dat ze uitstekend kon zingen en daarom ook meezong in het kerkkoor. Van Oudshoorn vond het beter dat zijn vrouw maar naar de keuken zou gaan: “Enkele ogenblikken later zei Van Oudshoorn tegen zijn vrouw: ‘Als jij nou eens naar de keuken ging, om thee te zetten of iets anders te doen. Want als jij hier nog lang blijft zitten, valt meneer Hermans nog in slaap.’”

Met de Haagse predikant, ds. A.J. Wormgoor (1890-1973), was Marie Elise zeer bevriend. Anders dan Van Oudshoorn was zij gelovig. Van die vriendschap met de dominee was de schrijver volgens Hermans niet zo gediend. Hermans vertelt dat hij in het huis van Van Oudshoorn op de overloop een kaartje in een groene clivia aantrof met daarop de tekst: de Heer is waarlijk opgestaan.

Dat laatste gold enige weken later niet meer voor Van Oudshoorn. Op 31 juli 1951 kreeg hij, zittend aan zijn schrijftafel, een hartaanval. Nog voordat zijn echtgenote uit de keuken kwam aangesneld, hing hij levenloos in zijn bureaustoel (Oudshoorn, 1969, p. 165).

De predikant Wormgoor kreeg het laatste woord bij zijn begrafenis. Wormgoor begon zijn toespraak vlg. Hermans als volgt: ‘Beminde broeders en zusters. Naar men zegt is de dezer dagen ontslapen heer Feylbrief, die wij hier naar zijn laatste rustplaats begeleiden, de schrijver geweest van vele boeken. Welaan, mijne geliefde broeders en zusters, als ik dat woord boek hoor, dan moet ik ogenblikkelijk denken aan dit Boek!’ Daarop haalde Wormgoor een klein zwart bijbeltje tevoorschijn. Dat had de dominee met opzet verborgen gehouden onder de lessenaar. Dat bijbeltje stak hij omhoog aldus Hermans. Over de schrijver van die andere boeken werd vlg. Hermans met geen woord gerept. Uitgangspunt van de preek van Wormgoor was Jesaja 53. De preek kan onmogelijk beter zijn geweest dan de bijbeltekst. Ik vermoed dat de ambtenaar J.K. Feijlbrief het origineel gewaardeerd zou hebben; de tekst handelt over hem voor wie men het gezicht verbergt. 

Na het overlijden van haar man wilde Marie Elise Teichner het archief (brieven, manuscripten en boeken) niet verkopen dan voor veel geld. De bestorven weduwe zat op de nalatenschap als een broedende kip op haar eieren. Na de dood van zijn vrouw (in 1960) werd het archief van Van Oudshoorn bij het vuilnis gezet, inclusief een aantal manuscripten. Op het nippertje gered kwam het in handen van de latere biograaf W.A.M. de Moor. Die schreef de dubbelbiografie en werkte mee aan de (her)uitgave van zijn werk.

De schrijvers Hermans, Van Oorschot en Van Oudshoorn kunt u bij Cornelissen & De Jong aanschaffen. Wij zetten niets bij het vuilnis en zeker geen boeken. Igor Cornelissen bewonderde Van Oudshoorn. Hij kocht zijn boeken als twintiger en bleef een verzamelaar. Dat Van Oudshoorn als ambtenaar de door Van der Lubbe aangestoken Rijksdagbrand in Berlijn meemaakte, zal hem hebben aangesproken. De Verzamelde Werken van Van Oudshoorn stonden tussen andere kleinodiën in een bruin boekenkastje in de woonkamer. Dit laatste geheel terzijde.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, van Van Oudshoorn, Hermans en daarnaast ook nog de bestseller Mijn tante Coleta van Geert van Oorschot. 

oktober 23rd, 2021 by Jaap de Jong

Op het Spui: tussen genieën en gefnuikte talenten

Gisteren bezocht ik de Amsterdamse boekenmarkt op het Spui. Het was aangenaam toeven bij de boekhandelaren, tussen genieën en gefnuikte talenten. Ik kocht het privé-domein deeltje Memoires van Boontje, vooral vanwege de herinneringen van Louis Paul Boon aan Nico Rost (1897-1967). Die leerde hem hoe je een reportage moet schrijven. Boon, wiens dood voorkwam dat hij de Nobelprijs ontving, tekent Rost treffend: “zwaar, breed, en als hij zijn hand uitstrekte, was het als een bijl waarmee men bomen uithakt”.

Rost verzette zich tegen het fascisme, maar werd later door zijn voormalige communistische vrienden genegeerd en uit de partij gezet. Naast dat verlies werd hem tot drie keer toe zijn zorgvuldig opgebouwde bibliotheek ontnomen.

Het was Nico Rost die Boon in contact bracht met een dorpsmeisje uit Dochamps, die tijdens de oorlog een Duits lief had, met de komst van de Amerikanen een Amerikaans lief en met het Ardennenoffensief nog eens een dubbele wissel. Nu keek haar geen enkele jongen uit de streek meer aan. Eenzaam, door iedereen vergeten en door niemand meer bekeken dwaalde ze door stukgeschoten dorpen. “Reportage nummer twee”, zei Nico Rost tegen Louis Paul Boon.

Bezag Rost zichzelf misschien een beetje als was hij het dorpsmeisje uit Dochamps die door niemand meer ten dans werd gevraagd?

Na het bezoek van de boekenmarkt liep ik met een vriend naar De Ysbreeker. Daar kwamen vroeger veel ontheemden en ventende profeten als Wijnkoop en Wibaut. Misschien bezocht Joseph Roth tijdens zijn Amsterdamse jaren dit café ook wel, zo mijmerde ik, onderwijl kijkend naar het fijne lijnenspel op een van de muren van De Ysbreeker: Jugenstil, waarmee men de sfeer uit de jaren twintig en dertig probeert na te bootsen. Ik trakteerde, want had juist een roman van Joseph Roth verkocht. Het was immers passend en juist en in de geest van Roth om het verdiende direct in alcohol om te zetten.

Aan de overkant verdwijnt een mager zonnetje achter het linkertorentje in de Pijp. Daar, in de Pijp, in een van de twee torentjes woonde eerder de gewaardeerde columnist Stephan Sanders. Misschien woont hij er nog steeds, zegt mijn vriend, die bijna alles weet: “want wie verhuist immers vrijwillig van een plek waar je de zon, als hij schijnt, in de Amstel kunt zien schijnen?”

Nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, ook van Louis Paul Boon, Nico Rost en de schrijvers Roth.

 

oktober 21st, 2021 by Jaap de Jong

Goede buren zijn: een nieuwjaarswens uit 2016

Op de vloer van mijn studeerkamer ligt een kaartje met een afbeelding van een evenwichtskunstenaar. Ik weet dat het uit een boek van Igor Cornelissen komt, maar ben niet meer zeker uit welk boek. Het is een nieuwjaarswens, afkomstig van buurvrouw Ina: “opdat wij ook in 2016 goede buren zullen zijn! Lieve groet, Ina.”

Buren zijn – goede buren zijn – is een kwestie van evenwichtskunst. Dat was vroeger zo, dat is nu zo en het zal ook morgen zo zijn.

Heel grappig vind ik de losse aantekening van Igor C. op de achterkant van het kaartje van buurvrouw Ina: “Gans komt in oktober ’31 in Berlijn aan”. Ik ben er zeker van dat Igor die aantekening maakte omdat hij het kaartje van buurvrouw Ina voor eeuwig wilde bewaren.

Toch leuk dat ik nu weet dat Jacques Gans al in oktober 1931 naar Berlijn verhuisde. Over Jacques Gans – die niet alleen een uitvreter was, maar ook veel meer dan dat – schreef ik eerder stukjes. Dit niet geheel terzijde.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, ook van Jacques Gans.

oktober 17th, 2021 by Jaap de Jong

De top van mijnheer Grönloh

“Je hebt de top bereikt en nu is het tijd voor het mooie uitzicht”, zo hoorde ik deze week iemand zeggen tijdens een diploma-uitreiking. Ik hoorde het alles aan en dacht aan Nescio die ook eens op de top van de berg zat en in het dal keek. Hij meldde er weinig vrolijks over. De mensen die er liepen waren wanstaltig, verwelkt en ze keken niet naar omhoog.

“Na eenigen tijd sterven zij allen, toch zie ik niet dat hun aantal mindert, het dal ziet er steeds eender uit. Verdienen zij beter?”

Er moet veel zijn omgegaan zijn in Nescio, in het burgerheertje dat geen burgerheertje wilde zijn, maar zichzelf een toren wilde oprichten tot in de blauwe lucht om te staan in eeuwigheid. Daarom ook rekte hij zich uit en keek hij op, denk ik: “langs mijn armen naar de blauwe lucht.”

Mijn kompaan Igor Cornelissen had alles van Nescio, en dus ook het Verzameld Werk, en daarenboven hing op zijn studeerkamer het schitterende portret waarop mijnheer Grönloh een beetje weemoedig-dromerig kijk. Hij heeft een hoed op en het is vast zomer. Vermoedelijk heeft hij net nagedacht over het onbekende dat hij wel ziet, maar hem niet deert. En het is wel zeker dat hij op dat moment geen burgerheertje meer is, noch wenst te zijn. Ja, ik denk dat hij zelfs niets meer wenst. En terwijl hij over de eigen schaduw heenstapt en boven zichzelf uittorent knikt hij:

“maar eens tegen de schoone vrouwen, die de bloemen plukken in mijn tuinen en hoor den wind ruischen door de hooge dennen, door de wouden der zekerheid, dat dit alles bestaat, omdat ik ’t zoo verkies te denken. En ik ben dankbaar dat mij dit gegeven is. En in ootmoed pijp ik nog eens aan en voel mij God, de oneindigheid zelf.

Doelloos zit ik, Gods doel is de doelloosheid. Maar voor geen mensch is het weggelegd dit bij voortduring te beseffen.”

Nee, dat is heel iets anders dan zogenaamd de top bereiken en van het schone uitzicht genieten. Dat is de top zelf, ook al is het in het dal.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, ook van en over Nescio / mijnheer Grönloh.

oktober 13th, 2021 by Jaap de Jong

De zon in het water en een boek in de hand

Eerder schreef Igor Cornelissen over Henry Miller en Brenda Venus. Brenda leeft nog, maar is tot op heden niet in het Zwolse café De Hete Brei gesignaleerd.

Ik vind het moeilijk de stijl van Henry Miller te karakteriseren. Het is ritmisch proza dat je de adem beneemt, semi-autobiografisch, reflectief, existentieel en vloeiend. Zijn brieven aan Brenda (met foto’s) staan in onze winkel.

Elisa de Deern, de Nederlandse vertaling van La fille Elisa van Edmond de Goncourt, broer van Jules die beiden bekend stonden om scherpe, zo niet allesvernietigende oordelen. Het dagboek van de gebroeders is briljant, maar ik las bij hen nooit een regel over de schoonheid die je ervaart als de zon in het water schijnt.

Andries de Rosa vertaalde de roman van Edmond de Goncourt, die in 1920 bij Em. Querido uitkwam. In zijn voorwoord vertelt hij dat het boek de diepe menselijkheid van een trottoirvrouw weergeeft. Het gaat om een zogenaamd ‘document humain’, maar ook om maatschappijkritiek wat betreft de omgang met prostitutie. Zowel De Rosa als zijn uitgever Querido werden in de lente en zomer van 1943 in Sobibor vermoord. Maar dat is een ander verhaal.

En dan is er nog een boekje van de jonge Cees Nooteboom (1933), een eerste druk van De verliefde gevangene (1958), Hermans met Mandarijnen op Zwavelzuur en wat al niet meer. Ja, ik vergeet bijna om Flauberts pagegaai te noemen met daarin een grapje over de een na laatste zin die Gustave Flaubert uitsprak (komt voor in het hoofdstuk Flaubert voor treinspotters): “Ik geloof dat ik een soort flauwte krijg. Maar goed dat het vandaag gebeurt; morgen in de trein zou het ontzettend lastig zijn geweest.”

Ik wens u een fijne dag vandaag. Met soep voor het middagmaal. Als het kan met spekjes er in, verwarmd door de zon die ook nog eens in het water schijnt.

Al deze nieuwe oude boeken en meer kunt u vinden bij het antiquariaat Cornelissen & De Jong.

oktober 4th, 2021 by Jaap de Jong

Dierendag & wachtend op de verlossing

Het is vandaag dierendag. Op die dag denk ik altijd aan Gerard Reve, aan Paulus en aan het zuchten van de gehele schepping, maar ook aan George Orwell. Dat komt omdat ik vanmiddag bij toeval – maar dat is niet anders dan dat het ons toevalt – de omslagen van allerlei varianten van Animal Farm scande èn omdat het daarin om de beestenstal gaat van George Orwell.

Orwell schreef de  wereldberoemde roman Animal Farm in 1945. Hij demonstreerde daarmee ook de machtsmechanismen van ideologische staten uit de laat-moderne tijd zoals Machiavelli dat deed voor de laat-middeleeuwse samenleving. De werking van die macht was eender, maar toch anders. Op de omslagen van de roman van Orwell staan niet zelden dieren, met name varkens: zachte, zielige, aardige, lieve en agressieve varkens, “but – of course – all equal”. De associatie met dierendag ligt voor de hand, als ook die met het beest in ons.

Ik weet niet of George Orwell met Animal Farm zijn doel bereikte – analyseren, ontmaskeren om te kunnen verbeteren (?) – maar hij probeerde het tenminste. Hij schreef het op en deed dat goed. 

De roman is in veel talen beschikbaar. Ik vind dat de varianten van dit item uit de Orwellcollectie best weg mogen geraken voor elf euro per stuk (incl. pak- en verzendkosten). Misschien dat ik dan los raak van Animal Farm. Ik hou van het woordje ‘losraken’, ja ik hecht er aan. Mijn vader was bakker en het ‘los geraken’ van de handelswaar was – naast de verlossing zelve – zijn hoogste dagdoel. Ik wil dat ook.

De Hebreeuwse versie van Animal Farm ben ik overigens al kwijt, die heb ik vergeven: All animals are equal, but some pigs are more equal than other pigs.

Rest mij nu bijna niets meer dan de wens dat u zich vanavond samen met de dieren in het veld in alle rust terneder legt. En ook dat het woud daarna niets dan stilte ademt en dat van de stenen het binnenste wordt geroerd. Houdt u daarbij wel de deur op slot? Zodoende denken ze, als ze aan de deur komen, dat u niet thuis bent. Het is wat Reve zegt: het is waarlijk goed en passend dat ze denken dat u vanavond niet thuis bent. En hoe mooi is het als u op zo’n moment los bent van alle dingen.

Dan kan er immers een wachten zijn, “een wachten op u, een wachten zijn.”

En vanaf vandaag denk ik op dierendag niet alleen aan Reve, Paulus en Orwell, maar ook aan u. Alleen u kunt mij verlossen van Animal Farm

oktober 1st, 2021 by Jaap de Jong

De ruige duivelbokspoot van tante Alida

Vanmorgen kwam ik tussen de boeken een bundel met de herinneringen van een eenzelvig man tegen: de memoires van de dichter Jan van Nijlen (1884-1965), een man die in gezelschap een hartstochtelijk zwijger was en behalve E. du Perron, Jan Greshoff en Arthur van Schendel, weinig vrienden in het literaire milieu had. In gezelschap van zijn vrienden lurkte Van Nijlen aan zijn onafscheidelijke pijp en verder schreef hij af en toe een gedicht, maar wel genoeg om verzameld te worden.

Ik zocht in zijn Verzamelde gedichten die, anders dan veel moderne dichtsels, wel leesbaar zijn en ook nog eens te begrijpen voor een eenvoudige geest als ik ben. Eigenlijk was ik op zoek naar een gedicht over zijn familie. Liefst was ik iets tegen gekomen over tante Alida, de tante met de wonderschone naam, getrouwd met zijn oom Frans. Zij werd na de geboorte van haar eerste kind getroffen door een kwaal die haar het lopen belette. Daarna was zij “nooit meer in de lucht geweest” en bracht het grootste deel van de dag op de divan door. Tante Alida werd vroom, maar niet alleen vroom, ze leed ook nog eens aan een, wat van Nijlen noemt, “zachtzinnige godsdienstwaanzin” en deed bovendien aan voorspellingen. Die dingen houden vaak verband met elkaar, zo meen ik te weten. Ik ben overigens dol op verhalen over wat in de volksmond “godsdienstwaanzin” heet en al helemaal als het om de zachtzinnige variant gaat.

Ondanks de kwaal met haar voet kreeg Alida nadien nog zes kinderen. Een van hen, haar zoon Pascal, werd door de docenten aan de tekenacademie als een wonderkind beschouwd. Op een dag kwam Pascal thuis met door hem nagetekende naakten, reproducties van Italiaanse kunstenaars. Ze werden door moeder Alida verscheurd en in de kachel geworpen. Bij het zien van de prenten sloeg haar de schrik om het hart. De Heer had haar zoon weliswaar met een bijzondere gave begunstigd, maar dit ging toch wel erg ver. Pascal kon voortaan maar beter bloemstukken schilderen.

Ik bladerde wat in de Verzamelde gedichten van Jan van Nijlen, maar vond niet wat ik zocht. Wel iets anders. Het is bijna altijd prettig iets te vinden dat je niet zocht. In mijn geval vond ik het gedicht Wulpsheid. Misschien handelt dit gedicht toch over tante Alida. De laatste regel kan een aanwijzing zijn. Met nadruk op kan wat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid betekent dat het niet zo is. Maar het is wel een aardig gedicht en je ziet het gebeuren. En zeg nu zelf: die ruige duivelbokspoot is toch echt het einde!

Wulpsheid

In slanke naaktheid rijst zij voor de spiegel op, / omwolkt met gitten krans van losgewoelde haren; / haar ogen zijn als vreemde bloemen waar zij staren / waaruit bij elke blik ‘t vergif leekt, drop na drop.

En sidderend van koel en ongewenst genot, / spant zij uitdagend juichend haar volronde borsten, / wier marmerschoonheid niet een duivel, niet een god / noch mensen in aanbidding ooit aanstaren dorsten.

Haar naakt en ijskoud lichaam kan het hart niet warmen / van wie omhelsde die versteven schoonheidslijn – / Zie nu: ze lacht! En heffend lelieblanke armen

snoert zij met rode strik haar zwarte haren vast, / en treedt voorzichtig in een gulden schoen, zo klein / dat net haar ruige duivelbokspoot er in past.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, waaronder literatuur en poëzie.

september 22nd, 2021 by Jaap de Jong

Hip Berlijn. Een droom

Ik droomde vannacht dat ik in hip Berlijn was. Niet het huidige Berlijn, maar dat uit de jaren twintig. Er zijn extravagante feesten met veel bloot, jazz en het eten is buitengewoon smakelijk. Obers buigen als knipmessen en ik heb het geld om uit te geven, draai de hand niet om voor een grootse fooi.

Is er bij mij een hang naar feodale verhoudingen en naar andere zaken? In de droom en ook buiten de droom?

Dan verschuiven de droombeelden zich door de tijd heen. De stad Berlijn is ineens het tafereel van fascisten die met communisten op de vuist gaan. Tussen de vechtende massa ontwaar ik de nog ongekroonde prins Bernhard met zijn gesabelde vriend Erik Hazelhoff Roelfzema die beiden op de journalisten Jacques Gans en Nico Rost inhakken. Het is een chaos van bloed, kapotte brillen en sneuvelend glaswerk.

Zelf sta ik inmiddels verscholen achter een boom. Ik schuw het bloed en pas op mijn bril, want die werd tijdens mijn jonge jaren zo vaak van mijn neus geslagen dat ik er nu voor kies mij niet in het gewoel te begeven. Een echte man wacht tijd en gelegenheid af. Wraak smaakt het best als koud gerecht, zo droom ik verder terwijl kille wind mij de adem beneemt. Dat blijkt, na plots ontwaken, een weigerend CPAP-apparaat te zijn.

Dat ik in mijn droom Nico Rost, Jacques Gans en Prins Bernhard met elkaar in verband breng is niet ver bezijden de werkelijkheid. Rost had Gans – toen nog links – beginjaren dertig overgehaald naar Berlijn te komen. Jacques Gans schreef er zijn Berlijnsch Dagboek en Nico Rost vertaalde tal van schrijvers voor de Nederlandse lezersmarkt. Onder hen was de sterreporter Egon Erwin Kisch (1885-1948), wiens verhalen overigens zeer leesbaar zijn. En dat Bernhard onder de vechtenden had kunnen zijn, dàt komt naar voren tijdens een ontmoeting in de oorlog tussen de prins en Jacques Gans.

De journalist Egon Erwin Kisch was populair in die dagen. Rost vertelt dat zijn huis open staat voor iedereen en dat er in de Berlijnse Güntzelstrasse altijd bezoek is. Men treft er bekende politici, ontslagen gevangenen, letterkundigen, arbeiders, professoren en jonge meisjes en steeds weer moet Fräulein Gisl nieuwe koffie zetten en “zoekt Kisch in zijn bibliotheek van 4000 werken over processen en gevangenissen, hoe hij een collega helpen kan, die een reeks artikelen moet schrijven over de sexuele nood onder strafgevangenen, spreken in een hoek van de kamer een paar communisten over het Russische vijfjarenplan, discutereeren proletarische literatoren over het werk van Döblin.”

En wat al niet meer. Zelf zou ik het nog geen vijf minuten volhouden in die drukte bij Kisch. Dan maar liever naar het bos om achter een boom de glazen van mijn bril te poetsen. Maar dit geheel terzijde.

Igor Cornelissen, eerder eigenaar van het boek, schrijft een aardig ironisch commentaar bij de lyrische inleiding van Nico Rost. Uiteraard met potlood: “heel erg veel. Hoe komt ie aan schrijven toe”? Dat zou ik ook wel willen weten.


Kisch, Egon Erwin & Nico Rost (inl.) (1931). Tijdopnamen. Een bundel reportages. Den Haag: De Baanbreker / Servire. I.z.g.st., met originele boekenlegger van De Baanbreker. Enige potl.aant. van I.C., zeer zeldzaam, 49,50 (incl. pak- en verzendkosten).

Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, ook van Egon Erwin Kisch en/of Jacques Gans.
september 21st, 2021 by Jaap de Jong

Zwart op wit en wit over het zwart. De linosneden van Sam Herciger

De linosneden van Sam Herciger (1917-1981) zijn indrukwekkend. In de bundel Redebruchstücke worden gedichten van András Mezei (1930-2008) gecombineerd met (kubistische) linosneden van Herciger.

Sam Herciger werkt met zwarte lijnen op een witte achtergrond of met witte lijnen op een zwarte achtergrond. In het eerste geval (zwart op wit) gaat het om gebeurtenissen van een meer vrolijk-ingetogen aard, zoals de viering van joodse feestdagen. In deze bundel zijn alleen linosneden opgenomen met witte lijnen op een zwarte achtergrond.

András Mezei overleefde als jongen de verschrikkingen van het Joodse getto in Budapest en schreef herdenkingspoëzie. Titels als Die Wahl, Deportation, Einsatzgruppe spreken voor zich, maar er zijn ook andere titels: Fürchte dich nicht, Jakob. Anders dan Paul Celan dronk András Mezei de melk niet altijd zwart.

De biografie van Sam Herciger is eender, maar toch anders. Hij werd in 1917 in het dorp Zawiercie geboren en groeide op in een orthodox joods milieu, brak daarmee en raakte in Rusland verzeild waar hij beschuldigd werd van spionage. Hij leerde Russisch in de gevangenis en keerde terug naar Polen waar hij opnieuw werd gearresteerd. Ditmaal, zo luidde de beschuldiging, zou hij een spion voor Rusland zijn. Na de oorlog – hij overleefde Auschwitz – studeerde Herciger in Antwerpen aan de academie van Schone Kunsten en bleef ook in die stad wonen.

In het voorjaar van 1974 opende Abel Herzberg in Hilversum een tentoonstelling met zijn werk, maar heel bekend werd hij niet in Nederland. Later verhuist Herciger met zijn derde vrouw Edith Beck naar Israël. Zij schreef in 1985 een boek over het dramatische leven van Sam Herciger.

De linosnede met de vioolspeler vind ik mooi. De witte lijnen zijn hier op het allerbreedst. Ik houd het erop dat de vioolspeler het Kol Nidrei van Max Bruch speelt. Dat heeft iets te doen met het wit over het zwart.

Mezei, András (1999). Redebruchstücke oder Stille Zwiesprache miet Adorno. Jüdisch-Ungarische & Ungarisch-Jüdische Gedichte. Übertragen von Paul Kárpáti. Budapest/Berlin: City Verlag & Oberbaum Verlag. I.z.g.st., hardcover. Zeldzaam. Met dertien lino's van Sam Herciger. € 59,50 (incl. pak- en verzendkosten binnen Nederland).

Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong

september 17th, 2021 by Jaap de Jong

Prijs de dag voor het avond is

De naam Jan Gommert Elburg (1919-1992) zal weinig lezers nog iets zeggen. Elburg is nu een vergeten schrijver, dichter en beeldend kunstenaar uit de literaire stroming der Vijftigers. Remco Campert is de enig overgeblevene van de groep Vijftigers. Het spreekt vanzelf dat dit komt omdat hij het leven zo vurrukkulluk vindt. Ook Gerrit Kouwenaar (1923-2014) – die nog eenmaal de kamer wit wilde maken, nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik – is niet meer.

Maar ik moest vanmorgen aan Jan G. Elburg denken toen mij iemand zei dat ik de dag niet moet prijzen voordat het avond is. Ik dacht dat dit woord afkomstig was uit de Heilige Schrift en wel uit het boek Prediker dat ik nog het meest waardeer. Maar dat klopt niet, het is een vermaledijd Nederlands spreekwoord dat wel afkomstig moet zijn van een dungelipte kruidenier die de godganse dag zijn koperen centen telt. Het is natuurlijk helemaal niet des bijbels om de dag pas te prijzen als het avond is.

De dichter Jan G. Elburg schreef een schoon gedicht over het prijzen van de dag. Oók of juist voordat het avond is. Toevallig ken ik het vers uit mijn hoofd. Om die reden gooide ik het direct in de groep, voor de voeten van degene die mij zei dat de dag niet geprezen moet worden voordat het avond is. Dat doe je juist wel als je het leven verrukkelijk vindt.

Jan G. Elburg maakte behalve gedichten, ook collages. Een van die collages kreeg als titel: collage naar Titiaans ‘Venus van Urbino’. Ik denk dat de collage van Jan Gommert zijn eigen gezicht heeft gekregen. Hij gebruikte de collage als boekillustratie in Geen letterheren. Ik vind de Venus van Titiaan verleidelijker, maar die van Jan G. Elburg grappiger. Dit alles terzijde uiteraard.

Gelovig soms

Prijs de dag voor het avond is / voor je gouden verloofde het uitmaakt / voor het donkere deksel het donker maakt

prijs de dag en vertel voor het avond is / hoe het was wat er was dat het goed was / vertel het nog half gelovige oren

prijs de dag prijs de rotzooi / van ronkend blik het lawaai en de schrik / prijs de wind om de lekkende vuilniszak / prijs het licht op de stront de lonk van de lelijke / vrouw en de lik van de hond zonder haar prijs / de lucht van heet asfalt van zweet van patat

prijs een godganselijk godvergeten / goed lullig niet te vervangen leven / voor je leuterend strompelend uitgejoeld afgaat

prijs het

terwijl de nacht nadert / de duim nadrukkelijk je strot nadert

Jan G. Elburg 

Wij verkopen ook boeken van Jan G. Elburg, waaronder de titel Geen letterheren met als illustratie de collage naar Titiaans Venus. U kunt ze aanschaffen nog voordat het avond is, maar morgen mag ook. Als God het geeft uiteraard.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, ook van Jan G. Elburg

september 16th, 2021 by Jaap de Jong

Storm die uit het paradijs waait

Vanmiddag verwerkte ik een aantal titels van Willem Frederik Hermans. Het is mij onmogelijk niet in die boeken te kijken. De bundel Naar Magnitogorsk kende ik niet. Nu ben ik geen Hermanskenner en op dat punt, net zoals op de meeste andere terreinen, dus een onbesneden Filistijn. Dat niet-kennen en niet-weten is mij gegeven als mijn dagelijks brood.

Wel bracht het verhaal mij twee dingen. Hermans zette mij stil bij de huiveringwekkende herinnering aan een afbeelding die ik als kind zag. Ik was twaalf jaar toen ik de foto zag waarop een Engelse soldaat met zijn bulldozer lijken in een massagraf schuift. Zesenveertig jaar later is die herinnering er nog steeds, maar de huiver voor het onbestaanbare niet meer, niet meer zo sterk als toen.

Eeltvorming op mijn ziel. Is dat vooruitgang?

Het tweede ding is interessant omdat het iets over Hermans zegt, maar ook over de fascinatie voor het onbekende en de drang te testen. Uitproberen.

Is het ook waar? De vraag van de slang, nog juist voordat de vloek hem treft en zijn pad in een kronkelweg verkeert.

Toen de broer van Hermans – die hij niet had – hem met magneten zag spelen vertelde hij hem om zijn horloge buiten het bereik van de magneten te houden. De kwetsbare spiraalveer zou door de magneet als “met onzichtbare vingers worden verfrommeld tot een miserabel knoopje van staaldraad.”

Het weerhield WFH niet om de bewering van zijn broer te testen. En die broer had gelijk. Het horloge bleef stilstaan, ja was voorgoed opgehouden te tikken. Hij verborg het horloge en vertelde thuis dat hij verloor. Hij was gewaarschuwd, maar deed toch het ding dat hij niet laten kon.

Dat is maar goed ook. Of beter: het ìs en dat heet cultuur; storm die uit het paradijs waait.

Revisiting Paradise, The Lost One.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, ook van Willem Frederik Hermans.

september 13th, 2021 by Jaap de Jong

Zwolse faction – het bombardement op Bollebieste

Op 15 december 2019 werd in Zwolle voor het eerst het bombardement op de wijk Bollebieste (Dieze-West) herdacht. Bij dat oorlogsgeweld, waarbij de Engelsen het op de gasfabriek hadden gemunt, kwamen vijf mensen om en raakten er velen gewond. De uit Zwolle afkomstige dichter, schrijver en hoorspelauteur Wim Gijsen (1933-1990) was op dat moment elf jaar oud. In 1974 beschrijft hij in Bollebieste het bombardement op de wijk.

De roman van Gijsen is afkomstig uit de collectie van Igor Cornelissen. Achterin het boek maakte Igor wat potloodaantekeningen, m.n. vermeldt hij de pagina’s rond het bombardement op Bollebieste en de verhalen rond ene mijnheer Van Lith. Ik denk dat deze Van Lith – vlg de roman van Gijsen afkomstig uit Zwolle, ook werkelijk een links leven had. En ik weet ook wel bijna zeker dat er een mapje Gijsen & Van Lith bovenkomt na de herordening van het archief Cornelissen.

Dat mapje heb ik trouwens niet perse nodig voor dit verhaal. Igor wijdde bij het overlijden van Wim Gijsen een Voetnoot aan de arbeiderszoon uit Zwolle: “de man met het alpinopetje” (Het Parool, 17 november 1990). Hij bespreekt het autobiografische element in het werk van Gijsen. Niet alleen schrijft hij over de erotische passages bij Gijsen, maar gaat ook in op het (Zwolse) linkse arbeidersmilieu rond de oorlog. De vader van Wim Gijsen was het enige Zwolse communistische raadslid. Het is duidelijk. het lezen was voor Igor lust, maar ook werk. Veel beter kun je het niet hebben.

Naast het bombardement (pag. 14-21) beschrijft Wim Gijsen de gesprekken die hij als jongen opving tussen zijn vader, Van Lith en de onderduiker Jo: “Arbeidersklasse … het onderdrukte proletariaat… na de oorlog de kapitalisten de voet dwars zetten… de koloniale Nederlandse regering (…) Hij begreep er niet zoveel van maar wel dat er na de oorlog heel wat zou veranderen als Jo en meneer van Lith en zijn vader het voor het zeggen kregen.”

Faction – de combinatie van feit met (literaire) fictie – vind ik best een mooie vorm van literatuur.

Of Wim Gijsen in zijn politieke loopbaan als PSP-er nog voor roering in het Zwolse heeft gezorgd weet ik niet. Wel publiceerde hij in de jaren zestig met regelmaat in het tijdschrift Maatstaf. Hij werd bekend als S.F.-schrijver, daarmee brak hij zelfs internationaal door. L.G. Maas schreef een interessante masterscriptie over Gijsen.

Naar aanleiding van: Gijsen, Wim (1974). Bollebieste. Bussum: Agathon. Paperback, in redelijke staat met een ietwat beschadigde rug. Uit de collectie Igor Cornelissen. Roman met biografische aspecten uit oorlog (speelt in Zwolle, uit notities I.C [bijgevoegd]). Niet meer leverbaar

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, ook van Marcellus Emants, Hans van Straten en anderen. 

september 11th, 2021 by Jaap de Jong

“Wie fürchtsam wankten meine Schritten.” Alleen op hele noten

Gisteravond en vanavond beluisterde ik alle voor mij vindbare versies van BWV 33 (Allein zu dir, Herr Jesu Christ). Ik ben het eens met Maarten ’t Hart: zeldzaam mooi en inderdaad, “de aria uit dit stuk kan niet langzaam genoeg worden uitgevoerd”.

Maar er zitten ook uitvoeringen bij  (bereikbaar via Youtube) waaruit een totaal onbegrip voor tekst, context en theologie spreekt: t’ Is alsof men springend en dansend ter bruiloft gaat. Hoezo “wie fürchtsam wankten meine Schritten”? De uitvoering van Nathalie Stutzmann is echter prachtig en dat geldt ook voor de uitvoeringen onder leiding van Ton Koopman en Philippe Herreweghe. Die mogen er zijn, maar zijn dan ook van het hele langzame.

Goed gebak slik je ook niet in een hap naar binnen en als ik psalmen zing, dan alleen op hele lange noten.

Toen ik rond mijn twintigste voor het eerst (sic!) met de cantates van Bach kennismaakte werd ik met Paulus van het paard geslingerd. Weliswaar zag ik het licht ook toen al niet, maar ‘k hoorde wel de stem van de alt-sopraan. Dat was genoeg.

Igor en ik waren het over meer dan één ding eens. Ook dat het in ons antiquariaat (met 19e eeuwse winkelbel) stil zou zijn. Geen paardendievenmuziek, wel ruimte voor een goed gesprek. Als er muziek zou klinken, dan alleen Bach en (vroege) jazz. Oké, ik verruim het ietwat: alléén barokmuziek en jazz.

Ik moet nog eens uitzoeken waarom Lars von Trier in Nymphomaniac een indrukwekkende passage uit BWV 33 opnam (orgelspel). Dit uiteraard geheel terzijde.

P.S. Het door Lars von Trier opgenomen stuk is een andere (dan ik eerder dacht), t.w. “Ich ruf zu dir. Herr Jesu Christ” (BWV 177). Ik lees overigens graag een stuk dat de invoeging door Von Trier van dat stuk verheldert. Lijkt mij buitengewoon interessant!

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, ook over muziekgeschiedenis

september 9th, 2021 by Jaap de Jong

Op weg naar het einde, maar gestoken door een kwal. Evelyn Waugh en zijn (literaire) erfenis

Toen ik in het vroege voorjaar 2021 de rode boekenkasten van Igor Cornelissen nauwkeurig inspecteerde zag ik een goedgevulde plank met boeken van en over Evelyn Waugh (1903-1966). Daaronder ook de tweedelige biografie van Martin Stannard en de eerste druk van de roman Brideshead Revisited die ooit onder homoseksuelen de cultstatus bereikte. Zelf zag ik alleen de film waarvan ik mij de melancholie en de vergeefsheid van alle streven – ook die naar de staat van een gerechtvaardigd zondaar – herinner. Weliswaar zal ik mijn hand niet in het vuur te steken voor de feitelijke juistheid van die herinnering, maar de herinnering aan de herinnering is authentiek. Dat is zeker.

De roman Brideshead Revisited gaat, zo lees ik op wikipedia, over de inwerking van de goddelijke genade op het leven van een familie. Ik weet niet of Waugh op dit punt Graham Greene’s meesterwerk The Power and the Glory overtreft. Volgens een vriend is de roman buitengewoon. Nu behoort de genade Gods niet tot de geringste zaken in de wereld en dat heeft effect op een roman die dit, mits geloofwaardig, thematiseert. In Brideshead Revisited schijnt dit het geval te zijn. Zoals gezegd heb ik dat “van horen zeggen” en daar moet ik het mee doen. Vooralsnog.

Evelyn Waugh leidde, zo is de indruk, een moeizaam leven met veel angst, veel drank en een weinig vrolijkheid. Het leven is maar een tragisch misverstand en aan het einde  wacht ons ook nog eens de dood.

Ik vond het ietwat humoristisch dat Evelyn Waugh als twintiger een zelfmoordpoging ondernam door de zee in te zwemmen. Op weg naar de oneindigheid werd hij echter gestoken door een kwal waarop hij besloot terug te keren. De literatuur is die kwal veel dank verschuldigd. Tijdens het niet zo erg lange leven van Waugh veranderde zo’n beetje alles. En het ging niet de kant op die hij als conservatief wenste: De adel was niet meer wat het was, de hemel van de katholieke kerk viel aan scherven en ook de belastingen werden steeds hoger.

Waugh ging gebukt onder angsten. De angst om gek te worden en de angst om zijn geloof te verliezen. Het vervulde hem met vrees. Met zijn tweede echtgenote kon hij het beter vinden dan met zijn eerste, maar vrolijk werd het nooit in zijn omgeving. Enfin, hij kreeg het isolement dat hij wilde en verdiende. Hij at alleen en hij dronk alleen. En hij zat alleen: op zijn studeerkamer waar hij op het woord wachtte of waar hem het woord wachtte.

Aan het einde stierf hij alleen: in de morgen van Eerste Paasdag 1966 legde hij het af en stierf op de wc. In die meest nederige houding vertrok hij van een reddeloze wereld, schrijft Kees Fens in zijn recensie van de tweedelige biografie van Martin Stannard. Hij (zijn doen en vooral zijn laten) liet een erfenis na in de familie. Zijn zoon werd ook schrijver en was het in één ding wel met Evelyn Waugh eens: de onverdraaglijke Mickey Mouse-cultuur van de nieuwe liturgie in de oude kerk. Maar dat is een ander verhaal.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, ook van en over Evelyn Waugh. Interesse? Neem contact met ons op.

augustus 30th, 2021 by Jaap de Jong

“De mens moet naakt!” Over Ralph Springer en Hans Borrebach

Het tragische leven van Ralph Springer (1886-1942) is hier eerder besproken. De voormalige loodgieter schreef tussen 1917 en 1932 meerdere werken, waarvan er vier bij ons worden aangeboden. Onder het pseudoniem Marinus Gijzen Sr. schreef hij ook nog een drietal brochures (Een literatuur-dictator, Het antisemitisme en Bonzen). Hij was ooit communist, maar keerde zich tot het fascisme. Dat voorkwam niet dat hij in 1942 in Auschwitz werd vermoord.

’t Brokkenhuis is een intrigerende politieke ideeënroman waarin de hoofdpersoon Louis Barrèl als lijder aan een ‘gebroken hart’ wordt opgenomen in het sanatorium ‘t Brokkenhuis. Zijn vrouw Pia verlangt een huwelijk dat vrij was van seks, maar dat vermag Barrèl niet op te brengen. Hij ondergaat een behandeling – in drie fasen – die hem uiteindelijk tot de herboren Nieuwe Mens moet brengen. In de laatste fase krijgen de patiënten visioenen met beelden van de nieuwe wereld en is men genezen. Barrèl verlaat het sanatorium echter voortijdig en wordt op weg naar huis ogenblikkelijk verliefd op het eerste meisje dat hij ziet.

Dat laatste is ietwat ironisch, ook al omdat Springer zelf ook nogal snel “verliefd” raakte op de eerste de beste nieuwe beweging die zich aandiende. Hij baande zich een kronkelende weg door het politieke landschap uit de eerste helft van de twintigste eeuw waarbij hij de ene beweging inruilde voor de andere en ten lange leste wordt opgeslokt en vernietigt door het fascisme.

Het bandontwerp en de drie kleurenillustraties zijn van Hans Borrebach (1903-1991), fotograaf en illustrator, die onder meer de boeken van Cissy van Marxveldt illustreerde. Borrebach was aanhanger en propagandist van het nudisme; de opvatting dat er niets in de weg moet staan tussen mens en de natuur, zelfs geen dun linnen: “de mens moet naakt”. Het is misschien een wat merkwaardige combinatie, maar ik vermoed dat het Ralph Springer vooral om de naakte waarheid over mens en maatschappij ging. Hans Borrebach publiceerde enkele pornografische romans en werkte aan een seksencyclopedie.

Volgens Borrebach was er geen uitgever die deze encyclopedie durfde uit te geven. Een saillant detail is dat Hans Borrebach, blijkbaar toch een wat schimmige figuur, tijdens de oorlog het affiche voor de nazistische propagandafilm Jud Süss zou hebben ontworpen.

Robin Arntz schreef in 2019 een interessante bachelorscriptie over dit werk van Springer waarin hij de roman op verschillende niveaus analyseert (op verhaalniveau, lezersniveau, incl. intertekstuele elementen). Het gaat om: De Mensch moet naakt! Een normatieve analyse van ’t Brokkenhuis door Ralph Springer

Het boek van Springer is, net zoals de andere hier aangeboden romans van Springer, afkomstig uit de collectie van Igor Cornelissen. Niet verwonderlijk, want mensen als Ralph Springer – met hun (al dan niet dramatische) ideologische keuzes en levensloop – hadden altijd zijn volle aandacht.


Ralph Springer (1932). 't Brokkenhuis. Een sanatorium voor lijders aan een "gebroken hart". Leiden: Algemene Boek en Handelsmaatschappij v.h. Batteljee & Terpstra. I.g.st., vergeeld papier, 347 pp. Voorwoord ("woord van waardering" van dr. Frans Dülberg. Bandontwerp op voorplat en twee illustraties (in kleur) van Hans Borrebach (de eerste (van drie) illustratie mist, en is hierboven afgebeeld). Uit de collectie van Igor Cornelissen. Zeer zeldzaam. Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, ook van Ralph Springer.

augustus 25th, 2021 by Jaap de Jong

De Jas van Komrij

Vanmiddag zag ik bij de twitteraar Frans Linmans een foto van een boekenhoek waarop uitsluitend boeken van Gerrit Komrij (1944-2012) staan. Ik kreeg ter plekke last van allerlei ingevingen en herinneringen. Vroeger, toen ik nog in Utrecht woonde, zag ik Komrij wel eens lopen. Als ik hem zag, dan was dat steevast bij de stadhuisbrug. Hij kwam dan net uit de grote – toen nog academische – boekhandel van Broese Kemink en was op weg naar Aleph om daarna nog even naar Hinderickx & Winderickx te gaan.

Komrij had altijd een boek in zijn hand of een uitpuilend plastic tasje, soms zelfs een rugzakje. Ik zie tegenwoordig nooit meer mannen met plastic tasjes. Het tasje van Martin Ros is er niet meer en dat van Gerrit Komrij is er niet minder niet meer. En Hinderickx is ook al dood of was dat Winderickx?

Maar ik wilde alleen iets zeggen over de Jas van Komrij. Op de website van de KB staat een foto van Komrij die de jas van Herman Gorter (1864-1927) draagt. Een beetje een nar, maar wel grappig. Het is die jas met de bontkraag. Een foute Jas, dat is wel zeker. De Jas van de uitgedichte dichter met het kraagje die babbelt over het werk der Raden. Het is een gruwel, de gruwel die alles verwoest.

‘O God, ik sta aan de verkeerde kant / mijn liefde gaat verloren,’ dichtte Gorter eerder. Dat was in de jaren dat hij nog geen jas droeg met een bontje. Dat had hij goed gedicht en goed gezien. Hij was niet alleen dichter, hij was ook Ziener. Was.

Net zoals Rilke hou ik wel van de lyrische Gorter; van de dichter van de Mei. Het voorjaarsgedicht over de lente in het stadje Balk waar zijn grootvader Douwe Simons Gorter (1811-1876) doopsgezind predikant werd, kort nadat alle orthodoxe doopsgezinden uit Balk naar Amerika waren vertrokken en zich bij de Amish voegden. Daar weet ik toevallig ook wat van. Een nieuwe lente en een nieuw geluid. Wie wil dat nu niet?

Ja, ik hou wel van de lyrische Gorter

Zie je ik hou van je / ik vin je zoo lief en zoo licht — / je oogen zijn zoo vol licht, / ik hou van je, / ik hou van je

Ik hou niet zoveel van de Gorter met de bontjas, niet van de radencommunist. Enfin, ik moest eraan denken toen ik Gerrit Komrij zag met de Jas van Gorter. En ik vroeg mij af of Komrij in al die boeken die hij schreef misschien ook iets heeft geschreven over J.C. van Schagen en de bundel Narrenwijsheid van wie en waarvan ik nu weer heel veel hou:

Zo span ik dagelijks weer de boog mijner krachten, tot de neerbraak / Zo tart ik dagelijks weer mijn onmacht, tot de wanhoop.

Ik zal niets ontwijken, ik zal niets zoeken / ik zal bij niets stilstaan

Ik zal maar gaan en zijn.

Dus staat er in al die boeken van Komrij ook iets over de dichter J.C. van Schagen? En wat dan wel?


Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, ook over en van Herman Gorter

augustus 23rd, 2021 by Jaap de Jong

Uit de bibliotheek van Arnold Saalborn

Arnold Saalborn (1888-1973) was een interessant docent. Het zijn niet mijn woorden – al wil ik ze best nazeggen – maar die van zijn leerling Jacques Gans (1907-1972). Saalborn was socialist, bevriend met Jacob Israël de Haan (1881-1924) – die door zijn openlijk beleden homoseksualiteit toch een ietwat controversiële positie innam in de toenmalige Nederlandse letteren – en joods. Geen alledaagse figuur, al stond hij zeker niet aan de zelfkant. De belangstelling van Saalborn in het socialisme uitte zich onder meer in de keuze van zijn proefschrift dat over het ontwaken van het sociale bewustzijn in de literatuur handelt. Maar bovenal was hij een humanist, overtuigd van de zin van een brede en diepe historisch-culturele vorming. Men geloofde nog in de emancipatoire werking van de ‘verheffing’ van de arbeidersklasse.

Mooi is hoe Saalborn zijn leerling Jacques Gans bijkans de adem benam toen hij zwijgend het klaslokaal inkwam, voor de lessenaar ging staan en de eerste zin van De Uitvreter (van Nescio) de klas in slingerde. Met die daad, dat verhaal en die eerste zin trof hij doel als was hij David die met zijn kleine gladde steen de reus Goliath neer maaide. En daarmee bepaalde hij goeddeels ook het verdere leven van Jacques Gans, ook “een uitvreter” (zijn eigen woorden), maar dat is een ander verhaal.

Vandaag werd mij even de adem benomen toen ik het exlibris van dr. Arnold Saalborn tegenkwam: een middeleeuwse monnik, zittend op een krukje, bezig met het beschrijven van een foliant. Op de linkerpagina staat de S, op de rechterpagina een stralende zon. Volgens het handboek over de exlibriscultuur van Aarts & Kooyman (2017, p. 772) illustreert het exlibris zowel de studiezin van Saalborn, als zijn interesse in de middeleeuwen. Hij verzorgde inderdaad een uitgave van Mariken van Nieumeghen. Nu had Saalborn een nogal brede belangstelling en die ging zeker uit naar de moderne tijd (o.a. de Tachtigers en de moderne Duitse literatuur). Onder zijn leerlingen aan het Barlaeus gymnasium zat nogal wat talent: Ik noem naast Jacques Gans, Willem Frederik Hermans, Reina Prinsen Geerlings en Eli Asser. Maar misschien staat de S. uit het exlibris wel voor het socialisme en de zon voor het heilbrengende licht dat zij zou brengen over het volk dat in het duister ligt, gebonden in kluisters. De dichter Herman Gorter maakt in zijn poëzie graag gebruik van dit type, aan de natuur ontleende, metaforen.

In de collectie van Igor Cornelissen zitten tenminste twee boeken met zijn exlibris en eentje waarvan hij de vertaling verzorgde (De twee Tuinen van Salamon Dembitzer (1888-1964) [vertaald vanuit het Jiddisj]). De vader van Arnold Saalborn kwam uit St. Petersburg en wellicht stimuleerde dit de belangstelling voor de Russische letterkunde. Arnold Saalborn vertaalde uit het Duits, Frans, Russisch en Jiddisj. De belangstelling voor het toneel die Arnold en zijn broer Louis van huis uit meekregen – moeder Jeanette de Groot was toneelspeelster, vader Alexander Saalborn was regisseur – zette zich ook voort na hun generatie. Arnold is de oom van de toneelspeelster Liane Saalborn (1923-1989), bekend door haar filmrol in Pastorale 1943 en Kort Amerikaans.

Dit alles geheel terzijde van de oogst van vandaag, waaronder de boeken uit de bibliotheek van Arnold Saalborn.

augustus 22nd, 2021 by Jaap de Jong

“Daer heb ick eerst om honingh uit gevloghen.” De vervondeling van B.H. Molkenboer

Je kunt je bibliotheek uit vrije wil verkopen, maar je kunt haar ook verliezen: door roof, diefstal, brand of oorlog.

Bernard Molkenboer (1879-1948) verloor zijn Vondelverzameling toen op 18 september 1944 het huizenblok Batavierenweg-Barbarossastraat in Nijmegen werd gebombardeerd. Daar woonde hij met 8 medebroeders tot de dag waarop de verwoesting werd aangericht. Toen hij de Ooijpolder invluchtte zag hij van daaruit hoe huis en bibliotheek in vlammen opgingen.

De kunsthistoricus Molkenboer behoorde tot de orde der Dominicanen. Hij werd in 1933 benoemd tot buitengewoon hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Hij ademde en zweette Vondel en zijn enorme Vondelkennis deed studenten duizelen. “Nooit molk ’n boer een koe zo goed/ Als Molkenboer het Vondel doet”, zo grapte men.

Molkenboer kwam er niet meer bovenop: “Onze enorme aldaar opgestapelde boekenschat van duizenden deelen ging verloren en daaronder mijn gansche collectie Vondeliana, die ik in vele jaren met zorg verzameld had, die mijn leven met arbeid en vreugde vervulde en de onontbeerlijke bronnen bevatte voor het groote werk ter eere van Nederlands eersten dichter, waar ik mij met geestdrift op geworpen had.”

Toen ’t Wasdom (antiquariaat Cornelissen & De Jong met BOLAS) nog in het Dominanenklooster was gevestigd bezocht ik de daar gevestigde bibliotheek geregeld. In die bibliotheek stond ook een replica van de Vondelbuste die Molkenboer in 1933 was aangeboden ter gelegenheid van zijn benoeming tot bijzonder hoogleraar (specialisatie Vondelkunde). Ik maakte er indertijd een foto van (zie afbeelding). De buste is ontworpen en gemaakt door de beeldhouwer August Falise (1875-1936).

Molkenboer gaf in het vooroorlogse Zwolle geregeld lezingen over Vondel en andere onderwerpen. Dat gebeurde in Odeon, maar ook wel in het Dominicanenklooster. Tot voor kort was er een kleine collectie Molkenboer aanwezig in de kloosterbibliotheek, maar die verzameling boeken & essays (m.n. kunstgeschiedenis) is na de overname van het klooster door projectontwikkelaars geheel uiteengevallen.

Er is een prachtig verhaal verbonden aan de vlucht van Molkenboer. Het speelt in januari 1945. Hij beschrijft hoe hij na allerlei omzwervingen in Tilburg terechtkomt in het Moederhuis der Tilburgse Zusters aan de Oude Dijk. Daar valt hij in de handen van zijn grote jeugdliefde Marie Ides. De herinnering aan die liefde in de kleuterbank weet hij, zoals Ed Schilders ergens zegt, mooi te vervondelen.

“Daer heb ick eerst om honingh uit gevloghen.”

Tja, het is dus waar: Nooit molk een boer zijn koe zo goed / Als Molkenboer het Vondel doet. Zijn jeugdliefde Marie Ides was inmiddels tot overste benoemd van de Tilburgse Congregatie en stond daar bekend als moeder Leonie.

De grote Vondelbiografie die Molkenboer voor ogen stond (maar liefst zes delen) is er niet meer gekomen, althans niet van zijn hand. Wel verscheen een paar jaar geleden de Vondelbiografie van Piet Calis, maar die is bij ons niet te koop. De autobiografische overdenkingen van Molkenboer staan online en zijn voor iedereen toegankelijk.

Niet verbrand, noch geroofd zijn de boeken uit het antiquariaat Cornelissen & De Jong. Interesse? Neem contact met ons op.

augustus 16th, 2021 by Jaap de Jong

De Golem van Meyrink – leven dat iets wordt als er geest bijkomt

“Het maanlicht valt op het voeteinde van mijn bed en ligt daar als een grote, glanzende, platte steen.” Het is de eerste zin uit de roman De Golem van Gustav Meyrink (1868-1932). De illustrator Jaap Nieuwenhuis (1927) maakte er de tekeningen bij, ook bij deze zin.

Het Hebreeuwse woord golem komt in de psalmen voor en staat voor “ongevormde klomp”, ofwel leven dat iets wordt als er geest bij komt. Een meer moderne vertaling van het woord golem is ‘vormeloos begin’. Wel begin dat wordt gezien: “Mij, vormeloos nog, zagen uw ogen” (Naardense bijbel, psalm 139:16)

Het verhaal van de golem dateert uit de zestiende eeuw. Daarin legt rabbijn Löw (ca. 1512-1609) de golem, een levenloze lemen pop, in de morgen een briefje in de mond. Met die handeling komt de pop tot leven en treedt op als beschermer van de Praagse bewoners van het getto. De bevolking behoeft die dag niets te vrezen. In de avond wordt het briefje weer door de rabbijn verwijderd. Zoiets moet je niet vergeten, want dan roep je rampen over jezelf en de stad af. En dat gebeurt dan ook.

Naast de golem komt ook het beeld van de steen in de symbolistische roman van Meyrink steeds terug. Eerst is er de kraai die erop afvliegt. De steen ziet er namelijk uit als een stuk spek, als een belofte. De kraai hoopt iets lekkers te vinden, maar vliegt al snel teleurgesteld weg.

De steen blijft dus liggen, maar is vooralsnog onvindbaar voor de hoofdpersoon. Hij poogt in de schemertoestand tussen slapen en waken grip te krijgen op zijn leven. Hij zoekt de steen, symbool voor de identiteit (en misschien ook wel het nog onbewuste deel dat invloed heeft op het handelen en daarmee de voorgegeven identiteit bepaalt), om daarmee de mogelijkheid te verkrijgen zijn bewustzijn uit te breiden en te verrijken. Hij wil, zo interpreteert Andreas Burnier in een essay (NRC, 13 november 1988), naast het aardse, ook het hemelse kennen en genieten. Niet dus, zoals de mystici, afzien van het aardse, maar beiden in het hier en nu bezitten. Ziedaar de mens: rupsje-nooit-genoeg. Intussen neemt de steen monsterachtige afmetingen aan voor de hoofdpersoon, die vanuit het Ik-perspectief spreekt:

“Ik loop door een uitgedroogde rivierbedding en raap gladde kiezelstenen op. Grijsblauwe met glinsterende stof dooraderd, die mijn gedachten maar blijven bezighouden zonder dat zij er iets mee weten te beginnen, dan zwarte met zwavelgele vlekken, als een versteende kinderlijke poging om plompe, gespikkelde salamanders na te bootsen. En ik wil ze ver af werpen, deze kiezelstenen, maar steeds vallen ze uit mijn hand, en ik kan ze niet uit mijn gezichtsveld bannen. Al die stenen, die ooit in mijn leven een rol hebben gespeeld duiken rond mij op. Vele trachten zich moeizaam uit het zand naar boven, naar het licht te werken – als grote leigrauwe zeekrabben bij aflopende vloed, en als wilden zij alles in het werk stellen om mijn aandacht te trekken, teneinde mij dingen van ontzaglijk belang te vertellen. Andere vallen – uitgeput – machteloos terug in hun gaten en zien er van af zich ooit in woorden uit te drukken. Soms schrik ik op uit de schemer van deze waakdromen en zie een ogenblik lang weer de maneschijn op het opgebolde voeteneind van mijn deken liggen als een grote, glanzende, platte steen, om daarna opnieuw blindelings achter mijn vervagend bewustzijn aan te strompelen, rusteloos naar de steen zoekend, die mij kwelt, die ergens in het puin van mijn herinnering verborgen moet liggen en er uitziet als een stuk spek.”

Het verhaal van de golem is in de afgelopen vijftig jaar door onder meer Isaac Bashevis Singer, Chaim Potok en Harry Mulisch verteld. Anders dan bij de uit Praag afkomstige journalist Egon Erwin Kisch (1885-1948) – die in 1920 de door rabbi Löw afgesloten zolder van de Altneuschul onderzocht op de resten van de golem – valt er in het verhaal van Harry Mulisch (De procedure, 1998) wel een dode bij dat onderzoek.

Cornelissen & De Jong beschikt, naast twee vertalingen in het Nederlands (1916, 1959), ook over de oorspronkelijke Duitse versie (Meyrink, 1915, 1e druk) met een achttal litho’s van de kunstenaar Hugo Steiner-Prag (1880-1945). Een jaar later kwam Meyrink met de versie van De golem met 25 litho’s van Steiner-Prag, waaronder de acht afbeeldingen uit 1915. Ook is er een verhalenbundel van Gustav Meyrink. Hieronder staan de exacte gegevens.


Meyrink, Gustav (1915). Der Golem [mit acht Lithographien von Hugo Steiner-Prag]. Leipzig: Kurt Wolff Verlag. De litho's werden apart gedrukt bij Meissner & Buch (Leipzig), 343 pp., groene schutbladen, platten en rug (gouden belettering) in Jugenstil. Afbeelding met de golem als frontispies. I.g.st., maar met onderstrepingen en aantekeningen. Uit de collectie Igor Cornelissen, € 115,00 (incl. pak- en verzendkosten). Zeldzaam. 

Meyrink, Gustav (z.j. [1916]). De golem. Utrecht: De Haan. Rug beschadigd, binnenwerk goed. Zeldzaam. 259 pp., 1e druk. Vertaling J. Lourens (geautoriseerde vert.). Uit de collectie Igor Cornelissen, € 25,00 (incl. pak- en verzendkosten). 

Meyrink, Gustav (1959). De golem. Amsterdam: Uitgeverij de Driehoek. Goed, paperback met beschadigd stofomslag, geïllustreerd (naar pentekeningen van Jaap Nieuwenhuis(1927)), vertaling E.Th. van der Veer-Bertels. Met krantenknipsels, o.a. NRC-artikel van Andreas Burnier (13 nov. 1988). Uit de collectie Igor Cornelissen, € 29,50 (incl. pak- en verzendkosten).

Meyrink, Gustav (1972). Het wassenbeeldenspel en 16 andere verhalen. Amsterdam: Meulenhoff. Vertaling: Wouter Donath Tiegen. Omslagtekening: Josephine van der Hout, 157 pp. Uit de collectie Igor Cornelissen, € 13.00 (incl. pak- en verzendkosten).

Alle vier hierboven genoemde titels in één pakket: € 170,00 (incl. pak- en verzendkosten binnen Europa). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong

augustus 12th, 2021 by Jaap de Jong

Het diepzinnige naast het poëtische en het grove naast het scabreuze

In de boeken van Igor Cornelissen (1935-2021) tref ik regelmatig briefjes aan met verwijzingen en aantekeningen. Vanaf 1973 (misschien eerder) schrijft hij enkel nog met potlood in boeken, soms maakt hij achterin wat korte notities. Na je veertigste weet je dat jij gaat, maar dat het schrift en het boek blijft. Die notities zijn overigens erg interessant, zoals die bij boeken van en over de historicus Jacques Presser (1899-1970).

Als student geschiedenis las ik alles van Presser en zeker ook zijn autobiografie met de poëtische titel Louter verwachting. Dat boek – verschenen in de privé-domeinreeks – ging over zijn jaren als jonge opgroeiende knaap (1899-1919). En natuurlijk vrat ik ook ook de vlot geschreven biografie van Nanda van der Zee. Ja, ik verslond die biografie. De details die Igor noteerde was ik echter vergeten, als ze mij indertijd al zijn opgevallen. Wel herinner ik mij uit haar biografie dat Deborah Appel, de eerste vrouw van Jacques Presser, op 18 maart 1943 op het station Ede-Wageningen werd opgepakt. Nog geen twee weken later werd ze in Sobibor vergast. Vaak als mijn trein daar stopte en ik uitstapte dacht ik ook aan dìe ondergang.

Op één zo’n briefje van Cornelissen staat “geen harde porno… (p. 236)”. Het is de passage waar Nanda van der Zee beschrijft dat Presser het diepzinnige combineert met het poëtische. En dat bij hem het grove naast het scabreuze lag en wel in een voortdurende afwisseling. Dat verbaast niet bij zo’n spirituele en sensuele man, maar voor het schrijven van harde porno was hij te geremd, zo voegt Van der Zee er aan toe. Jacques Presser schreef overigens naast erotische verzen detectives en deed ook verder waar hij zin in had in een wereldje waar men op elkaar let en de ander weinig gunt. Verstandig.

Igor Cornelissen was benieuwd wat Nanda van der Zee over de Weinreb-affaire schrijft die Presser aanzwengelde en door hem en Renate Rubinstein werd voortgezet. Hij vroeg zich af “wat daarover bij Nanda van der Zee?”, staat,  zo lees ik op een bijgevoegde notitie in de biografie van Presser. “Pagina 255, 285, 286, drie pagina’s slechts en inhoudelijk zeer mager. Renate R. komt er helemaal niet in voor.”

Igor was een leerling van Jacques Presser en volgde als student zijn colleges. Ik weet dat hij een groot liefhebber was van zijn stijl. En een navolger. Presser was geen theoreticus, maar documenteerde zich heel precies en ging daarbij uiterst systematisch te werk. Hij bezat het vermogen, zo schrijft Van der Zee, om “daar een eenheid in te brengen en er een bepaalde visie aan te ontlenen.” De anekdotes die hij als verteller inlaste, hadden een didactisch doel, zij vormden het cement van een ingemetseld raamwerk.

Maar alles gaat voorbij. Toen Igor in De Hete Brei tegenover een jonge historica zat, werd zijn interesse gewekt. Wat was haar specialisme, vroeg hij haar. Het was de eerste helft van de twintigste eeuw: de Russische revolutie, twee wereldoorlogen en de massamoord op de joden. Wat vond ze van Ondergang van Presser, was zijn vervolgvraag. Presser? Wie? Professor Jacques Presser? Ze had nooit van de man gehoord, zo schrijft Igor in Mijn opa rookt ook een pijp (Cornelissen, 2020, p. 62). Ik zat er toevallig bij en meen dat de betreffende historica ook docente geschiedenis was. Althans, ik heb daar een actieve herinnering aan.

Er is natuurlijk genoeg Presser over om die schade in te halen. Van Ondergang zijn er indertijd bijvoorbeeld meer dan honderdveertigduizend exemplaren over de toonbank gegaan.


Verder lezen? Voor méér nieuwe oude boeken, ook van en over Presser kunt u terecht bij antiquariaat Cornelissen & De Jong

augustus 12th, 2021 by Jaap de Jong

De dood, het meisje en de dichter: Eros en Thanatos

Ik sloeg vanmorgen het brievenboek van Alfred Döblin (1878-1957) op een willekeurige plaats open. Het was direct raak: de dood, het meisje en de dichter. Eros en Thanatos. Op 7 maart 1950 condoleert Döblin Claire Goll (1890-1977) met het verlies van haar man: Yvan Goll (1891-1950). Hij herinnert haar aan het ziekenhuisbezoek dat hij aan Ivan bracht. Het was een mooi bezoek geweest, schrijft hij. Goll was opgewekt, levendig en volledig bij de dag. Hij had niet de indruk dat hij met iemand sprak die in de schaduw van de dood leefde.

De expressionistische dichter Goll leed vanaf 1947 aan leukemie en kreeg in zijn laatste jaren zo’n zestien bloedtransfusies van bevriende schilders en dichters toegediend en bovendien schoof men hem ook nog allerlei toe. Hij verliet het leven, zo schrijft Goll in haar autobiografie Alles is ijdelheid, “met een Frans hart, een Duitse geest, Joods bloed en een Amerikaans paspoort.”

Alfred Döblin stelt dat hij vredig heen zou zijn gegaan, zonder veel pijn, zo meende hij. Tijdens zijn bezoek vertelde Goll aan Alfred Döblin dat het hem verging als Hokusai, de grootste schilder van Japan, die, toen hij negentig was, op zijn sterfbed verzuchtte: “Als ik nog tien, of zelfs vijf jaar te leven had zou ik mijn kunst eindelijk volmaakt hebben beheerst.

Iedereen kent toch die prent van Hokusai waarop de dronken dichter staat afgebeeld die zijn gedichten door de wind laat meevoeren? Ik ben de dronken dichter die zijn gedichten in alle richtingen verspreidt, ik, Yvan Goll, op wie de dood voor de deur staat te wachten.”

Bij het naderen van zijn dood telt iedere resterende minuut als een extra gegeven jaar. Verzet. Hij wilde niet verscheiden en ook de medici hielden de mythe van hun almacht zo lang als mogelijk in leven. Op het laatst restte er niets meer dan open vlees onder een zuurstoftent. De vredigheid en de rust die Döblin hem toedichtte was vergaan, althans dat is wat duidelijk wordt uit de autobiografie Alles is ijdelheid van zijn vrouw Claire Goll.

Claire Goll overleefde haar man nog zeventwintig jaar en stierf niet voordat zij, op zesenzeventigjarige leeftijd, haar eerste orgasme beleefde met een twintigjarige Fransman. Blijkbaar was Rainer Maria Rilke noch Yvan Goll in staat geweest haar seksueel te bevredigen. Rilke en Goll maakten een droomprinses van Claire Goll die voor hen als in een luchtbel boven de aarde zweefde, zo schrijft ze ergens.

Of het allemaal waar is wat Goll opschreef weet ik niet. De waarheid van haar beschuldiging aan het adres van Paul Celan – die de gedichten van haar man zou hebben geplagieerd – wordt door velen betwijfeld en ze leverde geen bewijs. Er zal veel ijdelheid bij zitten, maar haar autobiografie leest als een (literair) boulevardblaadje. Sinds ik haar las, en dat is al een paar jaar geleden, denk ik bij het lezen van een gedicht van Rilke ook met regelmaat aan Claire Goll. Men kan mij dan betrappen op een lichte gniffel.


De nieuwe oogst bij Cornelissen & De Jong, waaronder de boeken van Döblin. Interesse? Neem contact met ons op.

augustus 10th, 2021 by Jaap de Jong

Zij was lichtblauw, nabij en “met een koele adem, een ochtend in de middag”

De wereldoorlog is begonnen in Sarajevo. Op een hete zomerdag in 1914, zo schrijft Joseph Roth (1894-1939) ergens. Hij herinnert zich ook de exacte dag en het tijdstip. Hij was 22 jaar, in de lente van zijn leven, student en zat – dat is bijna zeker – ergens op een terras bij het café. Toen kwam zij: het meisje met de grote gele strohoed in haar hand, “die was als de zomer en deed denken aan hooi, krekels en papavers”. Maar in die hoed lag het telegram, “gekreukeld, schrikwekkend, een bliksemstraal van papier.”

De ernst van haar vader, die uit het café naar huis was gekomen, kan Roth op dat moment niet opbrengen, maar hij weet zich dertien jaar later wel te herinneren dat hij met het meisje met de strohoed in de tram stond, op het balkon. Er was een weg waar de tram langs de jasmijn streek. Je reed “ting-ting, het was een soort sledevaart voor de zomerdag. Het meisje was lichtblauw, nabij, met een koele adem, een ochtend in de middag. Ze had mij een bericht gebracht uit Sarajevo, de naam stond er boven, van donkerrode rook, als een brand boven een nietsvermoedend kind.”

Anderhalf jaar later, in 1916, was zij er ook weer. Op de dag dat Joseph Roth op mars ging met zijn compagnie. Waarschijnlijk dachten ze beiden aan die zondag, het telegram. Sarajevo, zo schrijft Roth. Haar vader ging nooit meer naar het café, hij lag al in een massagraf.

Roth suggereert in zijn artikel in de Frankfurter Zeitung (3 juli 1927) een verliefdheid en zette mij daarmee even op het verkeerde been. Ik dacht dat het om de mooie Friederike Reichlen (1900-1940) ging, maar dat kan niet zo zijn. Haar ontmoette hij pas in Wenen, na de grote catastrofe, in 1919. Friederike was toen met een ander verloofd. Een verloving die ze verbrak om met Roth verder te gaan. Haar wachtte meer catastrofes, maar dat wist zij toen nog niet. Gelukkig maar.

Ik wens u intussen een mooie dag met een goed boek. Geniet van de jasmijn die zich om schutting, boom en heg slingert. En neem het blauw in u op, als ook de twinkeling in de ogen van de verliefde en bedenk dan wat u hebt: een koele adem, een ochtend in de middag.


Naar aanleiding van: Waar de wereldoorlog begon. Frankfurter Zeitung 3 juli 1927 in: Joseph Roth: waarnemer van zijn tijd. Een keuze uit zijn journalistieke werk (Amsterdam, Allert de Lange, 1981).

augustus 6th, 2021 by Jaap de Jong

De krachtige kop van mijnheer Ludwik: “een geprononceerde neus en een wilskrachtige kin”

In 1989 verscheen De GPOe op de Overtoom van Igor Cornelissen. Het betreft de zoektocht naar en de reconstructie van het leven van geheim agent Ignace Reiss (1899-1937) die in juni 1937 met Henk Sneevliet over zijn voorgenomen breuk met Moskou sprak. In dat boek beschrijft Igor C. ook het leven van Hildo Krop (1884-1970) die in Amsterdam en elders een spoor trok met zijn beeldhouwwerk. Hildo Krop sympathiseerde met het communisme en ontwierp in de jaren dertig een buste van Ignace Reiss, alias mijnheer Ludwik. Naar dat beeldje was Igor naarstig op zoek.

Gerard Reve noemde de bakkerszoon Krop een ‘koekebakker van geslachtloze beelden’ en hij ergerde zich mateloos aan het werk van Krop in betondorp en elders op de Amsterdamse bruggen en gevels. De gehele stad gaat er onder gebogen en niemand kan meer om de stadsbeeldhouwer Hildo Krop heen. Niet alleen in Amsterdam, maar ook niet in Moskou waar zich nog ergens een door Krop gemaakt beeld van Stalin zou bevinden. De vader van de gebroeders Van het Reve, de schrijver Gerard Vanter, bewonderde Hildo Krop niet alleen om zijn lichamelijke kracht, maar ook om zijn kunstzinnigheid. En hij betrok hem bij het ontwerp van een van zijn boekomslagen.

Hildo Krop kwam uit het Overijsselse Steenwijk, waar zijn vader bakker was. Hij leerde van zijn vader de beginselen van het bakkersvak en volgde boetseerlessen om marsepijnfiguren te maken. Alles, dus ook de beeldhouwkunst, begint met het kneden en er gaat niets boven het kneden van deeg. Ik kan dat weten, want ook ik ben een bakkerszoon en weet van het begin en van het einde van het gerezen deeg: is er iets dat verleidelijker is dan de geur van versgebakken brood – eindsel van het geknede deeg –  in de morgenstond? In Steenwijk is er ook een museum dat het werk van Hildo Krop tentoonstelt. Dit geheel terzijde.

In 1984 kwam Igor Cornelissen in contact met mevr. E.J. Lagerweij-Polak die toevallig –  dat wat ons toevalt –  met Igor het ontbrekende puzzelstukje legde en het door Krop gesmede beeld thuisbracht. Een week later lag de foto van de buste van Ignace Reiss (mijnheer Ludwik) op de deurmat van de Vondelkade in Zwolle: “een schok van ontroering maakte zich van mij meester. Een halve eeuw nadat Ludwik met Stalin brak en daarom werd vermoord, zie ik zijn krachtige kop met een breed en hoog voorhoofd, een geprononceerde neus en een wilskrachtige kin. Geen geslachtsloos beeld door een koekebakker. Wel de scherpe en nobele trekken van een beginselvaste man die de moed had een moordzuchtige dictator aan te klagen.”

Het exemplaar van De GPOe op de Overtoom, speciaal voor Igor C. gebonden bij de Zwolse handboekbinderij H. Habes wordt natuurlijk niet verkocht. Wel de monografie van mevr. E.J. Lagerweij-Polak over Hildo Krop (Den Haag, 1992). Lagerweij-Polak maakt daarin ook melding van De GPOe en geeft de afbeelding van “mijnheer Ludwik” (Lagerweij-Polak, 1992, p. 74).


Lagerweij-Polak, E.J. (1992). Hildo Krop. Den Haag: SDU. I.g.st., mooi gaaf exemplaar uit de collectie van Igor Cornelissen. Gebonden in geel linnen met stofomslag en rijkelijk geïllustreerd met foto's (in kleur en zwart-wit). Met register/index en bibliografie, 144 pp. Incl. pak- en verzendkosten binnen Europa € 67,50. Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong

juli 25th, 2021 by Jaap de Jong

Gediskwalificeerd als heilige: Thomas a Kempis

Ik moest vandaag denken aan de verdwenen kaak van Thomas a Kempis (ca. 1480-1571). Aanleiding is de 550e sterfdag van de man van de Agnietenberg die door de stad Zwolle heilig is verklaard. De katholieke kerk bevestigde dat nooit en die gaat echt over de heiligverklaring, zo is mij verteld. De sterfdag van Thomas is vandaag groots gevierd: op de hoek van de Sassenstraat-Goudsteeg werd zijn portret onthuld.

Ooit wilde men Thomas dus heilig verklaren. In die gang tot ‘de eer van de altaren’ werden de stoffelijke resten onderzocht op wondertekenen. Stel, zo schrijft Pieter van der Ven, in een artikel in Trouw “dat de hand waarmee hij zoveel had geschreven gaaf was gebleven. Dan was daarmee overtuigend het bewijs van heiligheid geleverd”

Het mocht niet zo zijn. Het graf ging open en daar lag hij zonder gave hand en zelfs op de zij gedraaid. Wat was er gebeurd? Het verhaal gaat dat de broeders van de Agnietenberg de oude Thomas levend in de kist hadden gestopt en dat hij een poging had gedaan zich daaruit te bevrijden. En daarmee zou hij zich tegen Gods wil hebben verzet en zich diskwalificeren voor de heiligverklaring. Die laatste poging maakt Thomas sympathiek voor mij: de mens in opstand en tegenspraak maakt de mens tot mens.

Tien jaar geleden, in 2011, is de schrijn in de Peperbuskerk opnieuw geopend om, zo was het idee, met de overblijfselen van de schedel het gezicht van Thomas te reconstrueren. Toen bleek dat de kaak ontbrak, naast nog wat andere onderdelen. Er is dus nogal wat gerommeld in de schrijn van Thomas. Zo zou in 1847 de kaak als relikwie naar een klooster in Frankrijk zijn gebracht en bevinden zich andere resten in Keulen. De Zwolse historica Lydie van Dijk vond het bewijs en checkte het in de archieven van de abdij van Solemnes.

Het portret van Thomas a Kempis is gemaakt door de kunstenaar Donovan Spaanstra. De Thomas die ik uit andere portretten ken ziet er een beetje tobberig uit. Zo iemand schopt het niet tot influencer van en voor Zwolle. De Thomas van Donovan Spaanstra heeft een meer jeugdig uiterlijk, ietwat wulpse lippen ook. Ten laatste zijn er door Spaanstra nog wat denkrimpels aan het gezicht van Thomas toegevoegd, de finishing touch: alles voor de stadsmarketing en de god van het toerisme.

Schone schijn.

Zelf had Thomas niet zoveel met Zwolle en ook niet met de eeuwige roem. Lucht en ledigheid, ja louter ijdelheid was dat wat zich daar in de stad afspeelde. Thomas zat op de berg en keek in het dal, kopieerde de bijbel tot vijf keer toe en beschreef met onontkoombare regelmaat het afgeleefde leven van een uitgeleefde broeder. En natuurlijk de bestseller die hem wereldberoemd maakte: de Navolging.

Thomas a Kempis was de schrijver van de Navolging van Christus waarvan de titel in elk geval meer gelezen werd dan de bijbel. Ik denk niet dat het opnieuw een bestseller wordt. In mijn adolescentiejaren las ik een protestantse, dus gekuisde versie van de Navolging. Ook schijnt er een versie te zijn die als handboek bij een cursus voor managers werd gebruikt. Zelf heb ik nooit een manager ontmoet die de Navolging na die cursus ook werkelijk praktiseerde. Dit terzijde.

Het laatste woord aan Thomas a Kempis. Het is niet de meest praktische, wel een meer mystieke uitspraak – en misschien de uitkomst van een leefwijze – en het zou ook wel een citaat van Eckhart of Lao Tse kunnen zijn.

“Hij, voor wie alle dingen één zijn, die alle ding op dat ene betrekt, en alles in dat ene ziet, hij kan vast staan in zijn hart, en in God een ongestoorde vrede bezitten.”

En hier nog eentje vanaf de top van de Agnietenberg: “Vraag niet wie iets gezegd heeft, maar geef acht op wat er gezegd wordt. Mensen gaan voorbij, maar het woord van de Heer blijft een eeuwigheid.”

De papieren uitgave van de Navolging van Christus is niet te koop, althans niet bij ons. Er staat wel een digitale versie van de vertaling van Is. van Dijk op de onvolprezen website van de DBNL.


Wilt u toch “met een boekske in een hoekske” dan zijn er altijd nieuwe oude boeken bij het antiquariaat Cornelissen & De Jong

juli 8th, 2021 by Jaap de Jong

De stinkvoeten van de dochter en de bekoring van Klaas Schilder

In het kerkblad De Reformatie van 15 januari 1926 wijdt de gereformeerde hoogleraar Klaas Schilder (1890-1952) positieve woorden aan een boek van F.J.G.W.C. Engelberts (1880-1929). Zij schreef in 1925 een biografische roman over de politicus en dichter Onno Zwier van Haren (1713-1779) die door een onfris gebeuren in de belangstelling kwam. 

Klaas Schilder haalt in zijn recensie wel uit naar de uitgeefster G.J.A. Ruys die het aan hem geschonken exemplaar uit zuinigheid van een aantal stempels voorzag. Was de uitgeefster misschien bang dat Schilder zijn recensie-exemplaar aan de plaatselijke boekhandel zou slijten? Schilder schrijft:

“De uitgave is uitnemend verzorgd; mijn exemplaar bekoort me tenminste. En iedere kooper krijgt nog iets beters in bezit dan ik; want de uitgeefster heeft mijn ingenaaid exemplaar (evenals van het hierboven besproken boek) voorzien van heel dikke en heel leelijke stempels, ook in den tekst. Precies als de bibliothecarissen doen, die bang zijn, dat hun boeken door vreemden gestolen zullen worden.”

Klaas Schilder was boekenliefhebber, veelweter en een gevreesd polemist. Hij was tevens één van de hoofdrolspelers bij de scheuring van de Gereformeerde Kerken in 1944. Schilder schreef over alles; uiteraard ook over de hemel. Ik las bij Buskes – in Hoera voor het leven, als ik mij niet vergis – dat zijn veelweterij hem definitief ontroofde van zijn plaats in de hemel. Die plek werd hem door kerkelijke tegenstanders betwist. Een student schrijft bij zijn dood het grafdicht: Hier ligt professor Schilder / heel eenzaam in zijn kist / Hij mocht niet naar de hemel / omdat hij alles al wist. Dit terzijde.

De hier aangeboden biografische roman van Engelberts gaat over de Friese politicus en dichter Onno Zwier van Haren. Aan zijn glanzende politieke carrière komt abrupt een einde als hij in het openbaar door zijn aanstaande schoonzoon Van Hogendorp van incest wordt beschuldigd. Eerder was hij onder druk gezet, gaf hij de beschuldiging toe, tekende een zwijgcontract en zocht hij de politieke luwte op. Maar iets later weerspreekt Onno Zwier van Haren de beschuldigingen. Dat doet hij door in zijn Deductie op de onaantrekkelijkheid van zijn dochters te wijzen: “de één verschrikkelijk door de kinderziekte aangetast, met bloeddoorlopen ogen en stinkvoeten, de ander ziekelijk, zelfs nog niet huwbaar en sinds 11 jaar lijdend aan een zwaar ongeluk.” De door de dichter-politicus gekozen “strategie” – eerder een soort prisoner’s dilemma – leidde er mede toe dat het nooit meer goed kwam tussen hem en zijn dochters Betje en Carolina. Het heeft er veel van weg dat de beschuldigingen niet los staan van politieke intriges en machtsspelletjes.

Anders dan het exemplaar van Klaas Schilder bevat het door Cornelissen & De Jong aangeboden exemplaar géén stempels.

L.E. [Engelberts, F.J.G.W.C.] (1925). Een vergeten proces. Utrecht: G.J.A. Ruys. I.z.g.st., hardcover, mooi exemplaar, maar met wat vlekjes op het voorplat. Omslagillustratie en band van R. Mijnssen. Zeer zeldzaam. Uit de collectie van Igor Cornelissen. € 95,00

Interesse? Neem contact met ons op. Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong

juli 7th, 2021 by Jaap de Jong

Van Eerbeek, David Joris en de Vechtse Strooschippers

Vanmiddag ging de roman Strooschippers van J.K. van Eerbeek (pseudoniem van de bakkerszoon Meindert Boss, 1898-1937) door mijn handen. Het boek komt uit de collectie van Igor Cornelissen die er ook aantekeningen bij maakte (in potlood). Hij schafte de roman van Van Eerbeek op 17 maart 1983 aan.

De datum is er met potlood bijgeschreven. Na je veertigste schrijf je niet meer met een ballpoint in een boek. Het schrift is eeuwig, maar jij en ik zijn van de dag, zo werd mij onlangs verteld.

In Strooschippers staan prachtige beschrijvingen van een religieuze schipperscultuur; binnenschippers die met hun vracht de Overijsselse Vecht en de Regge bevaren en in Zwolle afmeren om op zoek te gaan naar een nieuwe vracht. Ze lezen Smijtegelt en uit de weergave van Van Eerbeek komt een nogal innig christendom naar voren; zeker niet strak-kerkelijk, juist meer mystiek-bevindelijk.

Die mystieke schipperscultuur deed mij overigens ook denken aan de beweringen van de Zwolse historicus en archivaris Thom J. de Vries (1904-1975). Hij stelt in Nescire quaedam dat vroeger bijna alle Vechtschippers Davidjoristen waren. Schippers die er volgens hem om bekend stonden dat ze een losbandig en wanordelijk leven leidden. Volgelingen van de doperse spiritualist David Joris (c. 1501-1556) die in zijn Wonderboeck de indruk wekt een minder gebruikelijke moraal voor te staan. De uitdrukking mijn geest begeert uw vlees stond bijvoorbeeld voor het spel waarbij de heiligheid op de proef werd gesteld door naast een naakte vrouw te slapen. Het was daarbij de bedoeling haar niet aan te raken. Dat mislukte nogal eens, hoewel de geest ongetwijfeld gewillig was. Volgens De Vries werden de schippers door de Zwolse predikant Ds. Assuerus Doyer (1758-1838) overgehaald het Wonderboeck van David Joris aan hem af te staan. Daarna werden zij gewoonlijk rustige doopsgezinde mensen, zo voegt hij er aan toe (Vries, 1962. p. 32). 

De beweringen van Thom J. de Vries zijn helaas niet te toetsen; hij vergat gewoonlijk voetnoten en bewijzen toe te voegen. Wel is bekend dat de Davidjoristen in Overijssel een redelijk grote aanhang hadden (tot in de achttiende eeuw). Ik zou er graag meer, veel meer, over willen weten. In deze heb ik dus niets met Thom J. de Vries die beweert dat het juist van wijsheid getuigt bepaalde dingen niet te weten.

Dit alles terzijde en los van de inhoud van de roman Strooschippers waarin de naam van David Joris zelfs niet wordt genoemd.

Igor vertelde mij eens hoezeer Van Eerbeek geraakt was door een recensie van Menno ter Braak die hij bewonderde en waar Van Eerbeek ook een beetje bang voor was. Ik zocht de beschouwing van Ter Braak over de roman Gesloten grenzen op en begrijp de innige tevredenheid van Van Eerbeek. Ter Braak wijdt maar liefst zes volle bladzijden aan de roman èn de cultureel-religieuze en filosofische positie die Van Eerbeek volgens Ter Braak inneemt.

Van Eerbeek schrijft daar over als hij op zijn einde ligt, in de herfst van 1937:

“Eindelijk erkenning. Ik ben meer dan een verspochte tuberculoselijder. Ik heb iets ontdekt over de waarheid. Het is gehoord. Ik ben erkend. Kan ik nu doodgaan? Ik hou zo van de witte windveren en het blauw boven het weggekamde loof van de linden in mijn straat. Maar er is een koele plek in me. Ik word koud. Is dit de dood?”

Als ik door de Thomas a Kempisstraat langs de vroegere bakkerswinkel van Boss fiets (nr. 69) denk ik altijd aan het blauw van Van Eerbeek. Aan het blauw en het weggekamde loof van de linden. Nu staat er nog steeds een boom voor het ouderlijk huis van Van Eerbeek. Hij liep er rond 1900 als kind langs en schrijft hoe de lindebomen met hun kruinen door zijn raam keken, maar er is in geheel Zwolle nog geen straat die aan J.K. van Eerbeek herinnert.

En dat laatste is natuurlijk een tamelijk grote schande voor de stad Zwolle.

Vries, Thom J. de (1962). Nescire quaedam. Magna pars sapienta est. Bepaalde dingen niet te weten is een groot deel der wijsheid. Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink. Niet in mijn handel 😉

Nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong

juli 4th, 2021 by Jaap de Jong

Over Faust, de frisse waterstromen en ‘der Geist der stets verneint’.

Op een donderdagmiddag, ergens in oktober 2019, hoorde ik in café De Hete Brij iemand een gedicht declameren. Het was de stem van Igor Cornelissen die aan het hoofd van de houten tafel zat en uit het hoofd de Faust van Goethe citeerde:

Ich bin der Geist der stets verneint! / Und das mit Recht; denn alles was entsteht / ist werth daß es zu Grunde geht; / Drum besser wär’s daß nichts entstünde. / So ist denn alles was ihr Sünde, / Zerstörung, kurz das Böse nennt, / Mein eigentliches Element.

Later (of was het eerder?) deden we dat nog eens over, ook in dezelfde kroeg. Igor zong bij die gelegenheid de Internationale en ik psalm 42. Over het ontwaken der verworpenen en een jong hert dat verlangt naar frìsse waterstromen.

Die herinnering schoot me te binnen toen ik zojuist Vijf eeuwen Faust uit de doos haalde om te beschrijven. Het boek bevat een aantal opstellen over de ontvangst van het Faustmotief in de literatuur en de beeldende kunst (o.a. bij Rembrandt [zie afbeelding hierboven] en de dichter Paul Valery).

In diezelfde doos zit De immoralist van André Gide. De roman werd vertaald door Hendrik Marsman en in 1935 door Querido op de markt gebracht. Het boek kreeg als motto een tekst uit Psalm 139 mee: Ik loof u, o Heer, omdat gij mij zo wonderbaarlijk gemaakt hebt. Gide gebruikte nogal eens bijbelteksten in zijn werk. De psalmist heeft inderdaad een punt: nooit ontmoette ik een wonderbaarlijker wezen dan de mens of het moet de eenhoorn zijn. Het punt dat Gide in De immoralist maakt, moet ik nog achterhalen.

Het Dossier Marinus van der Lubbe 1933 / 1934 is typisch Igoriana en onmisbaar voor de connaisseur. De titel openbaart veel: Dossier Marinus van der Lubbe – 1933-1934 – Brochures, vlugschriften en artikelen over Marinus van der Lubbe en de brand in de Rijksdag uit radencommunistische, anarchistische, antimilitaristische en anarcho-syndicalistische hoek.

In het register van laatstgenoemde bundel kon ik het gedicht dat Willem Elsschot bij de dood van Marinus schreef niet vinden. Ik sprak eerder met Igor over Van der Lubbe (het item staat tot mijn verrassing op YouTube). Enfin, hier het gedicht:

Jongen, met je wankel hoofd / aan den beul vooruit beloofd / toen je daar je lot verbeidde / stond ik wenend aan je zijde. (…) Moog je geest in Leipzig spoken / tot die gruwel wordt gewroken / tot je beulen, groot en klein / door den Rus vernietigd zijn.

Dan ligt hier ook nog een biografie van Domela Nieuwenhuis op tafel. De man die eigenlijk nergens bij hoorde, “ook niet bij de proletariërs, al noemde hij ze honderd keer zijn broeders”. Domela Nieuwenhuis bleef wat hij was: een heer van stand. Wat ik heel aardig vond is de aantekening van Igor bij de rijkdom van Domela. Of hem dat een schuldgevoel bezorgde? De historici Romein & Verschoor verklaarden de rol van de profeet en revolutionair Domela Nieuwenhuis uit een onbewust schuldcomplex. Jan Meyers stelt dat het een slag in de lucht is en hij voegt er aan toe dat het net zo oncontroleerbaar is als abstracte kunst. Igor hield niet van abstracte kunst.

Ik begrijp dat.

Ik heb ook liever een Rembrandt aan de muur, desnoods de ets die Rembrandt van Dr. Faustus maakte. Maar dit terzijde.

De oogst van zondagavond. Interesse? Neem contact met ons op. Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong

juli 3rd, 2021 by Jaap de Jong

Ademhalen in een Kafkaëske samenleving. Aantekeningen bij Kafka

Op Twitter zag ik zojuist dat het vandaag de verjaardag van Franz Kafka (1883-1924) is. Ik dacht onmiddellijk aan zijn notities in een reisdagboek waarin Kafka een aantal uitspraken van een arts noteerde tijdens een bezoek in Jungborn. In die plaats was een sanatorium dat hij bezocht met zijn vriend Max Brod. Men bestookte er de bezoekers met rauwe groenten en even onbekookte ideeën, zo schrijft de biograaf van Kafka.

Franz Kafka beschrijft in dat reisdagboek een aantal van die onbekookte ideeën: “Gisteravond lezing over kleding. Bij Chinese vrouwen misvormt men de voeten opdat ze een groter achterste krijgen (…). Uit de lezing van gisteren: ‘als men zelf helemaal misvormde tenen heeft, kan men ze mettertijd recht maken door aan zo’n teen te trekken en daarbij diep adem te halen (…). Ademhaling vanuit het middenrif bevordert de groei en de werking van de geslachtsorganen, hetgeen verklaart waarom operazangeressen die een dergelijke ademhaling moeten ontwikkelen zo wulps zijn.”

Enfin, dit en andere anekdoten en impressies over het leven en werk van Kafka vind je in de biografie van Ernst Pawel. Ik wilde wel dat ik vandaag de tijd had om door te lezen. Het aardige is dat Igor Cornelissen bij dit exemplaar veel aantekeningen maakte (op apart blad), zoals zijn opmerking bij de speculaties van Pawel over de grootte van het lid van Kafka: “Hier vervalt Pawel zelf in die onzin analyse [psycho-analyse van Freud]”. Over de vriendschap met Max Brod, zijn filmbezoek en wat al niet meer? Veel.

De meest indrukwekkende zin van Kafka is volgens mij de laatste zin uit Het Proces: “‘Als een hond’, zei hij, het was alsof de schaamte hem moest overleven.'” Die zin tekent heel treffend de behandeling (en uiteindelijke terechtstelling) van het individu – dat zich verzet – bij het begin, midden en einde van zijn leven in de Kafkaëske samenleving met haar protocollen, binaire werkelijkheid en formats, gehandhaafd door de vinkjesprofessional; de werknemer die het allemaal inhoudelijk niet zo boeit als hij zijn vinkje maar kan zetten en de tijd kan uitzitten. Het zijn dode zielen of het is de Golem zelf, weggeslopen uit de roman van Gustav Meyrink. Je ademhaling zou er van stokken, ook al komt ‘ie vanuit het middenrif.

De Golem van Gustav Meyrink (1915) verkopen wij overigens ook. En er is meer Kafka bij Cornelissen & De Jong, namelijk de Brieven aan Ottla en andere leden van de familie. Een mooi werkje uitgegeven bij Fischer Verlag.

N.a.v.: Pawel, E. (1986). Het leven van Franz Kafka. Amsterdam: Van Gennep. Goed, met leesvouwen (rug) en (losbladige) aantekeningen van I.C.. Paperback met flappen, 515 pp. Uit de collectie Igor Cornelissen.

Kafka, Franz (1975) Briefe an Ottla und die Familie. Franffurt am Main: Fischer Verlag. I.z.g.st., met als frontispies afbeelding van Franz Kafka als jongen. Ebehard Marhold (omslag), G. Lachenmaier (bandontw.), 248 pp. Uit de collectie Igor Cornelissen.

Beide exemplaren in totaal € 35,00 (incl. pak- en verzendkosten binnen Europa). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong
juni 27th, 2021 by Jaap de Jong

Een verschrikkelijk boek: Nineteen Eighty-Four – Orwell

Orwell publiceerde in 1949 zijn dystopische roman Nineteen Eighty-Four (Londen, Secker & Warburg). In 1950 kwam de eerste Nederlandse vertaling uit, maar Jet [verdere gegevens onbekend] las het boek in het Engels. Dat deed ze in een editie die bedoeld was voor het Europese continent. Na een paar uur lezen stuurt ze een ansichtkaart naar haar vriendin Griet. Ik vind het een aandoenlijk bericht en geef hieronder de volledige tekst. 

“Lieve Griet – Heb zondagavond in dit boek een paar uur gelezen, maar ik ga er niet mee door. Het is een verschrikkelijk boek. Is de tegenwoordige wereld nog niet erg genoeg dan dat we nu al (en volkomen nutteloos) moeten zitten griezelen over wat er (misschien) in 1984 gaat gebeuren? Not me! Groetjes van Jet.”

Het is natuurlijk allemaal nog veel erger dan dat Jet zich in haar stoutste dromen had kunnen voorstellen.

En ook weer minder erg dan anderen dan Jet zich kunnen denken.

Zou het kunnen zijn dat het hier om een schrijfsel van Henriëtte Roland Holst (1869-1952) gaat? Ik sluit niks uit. Het gaat weliswaar niet om het vijfde evangelie, maar wel om de vrouw van de zachte krachten die in het einde zeker zullen winnen.

Ik vraag maar en trouwens ….

“zoo ik zweeg zou alle licht verduistren / alle warmte zou verstarren van binnen.” 

Méér Orwell bij Cornelissen & De Jong. Voor Jet en de anderen.

N.a.v.: George Orwell (1950). Nineteen Eighty-Four. London: Secker & Warburg. I.z.g.st., maar met kwetsbaar stofomslag om licht karton. 312 pp., 1e druk [second reprint]. Star Editions to be sold on the Continent of Europe only. Met beschreven ansichtkaart - een lezersreactie. Uit de collectie Igor Cornelissen. Niet meer leverbaar.

juni 25th, 2021 by Jaap de Jong

De dichter en het slechte meisje. Over Beversluis en Van Meegeren

In juli 1945 meldt de journalist Jan Spierdijk (1919-1997) aan de redactie van De Waarheid dat in Hitler’s bunker een bijzonder boek was gevonden; een boek met tekeningen van Han van Meegeren (1889-1947) en gedichten van Martien Beversluis (1894-1966). De gedichten werden eerder uitgegeven bij de firma L.J.C. Boucher (Den Haag, 1942). In de bibliografie bij de bundel Het Zaad. Een sonnettenkrans (Amsterdam, [1944]) maakt Martien Beversluis inderdaad melding van twintig gedichten bij het schilder- en tekenwerk van Han van Meegeren. Onder de tekeningen die aan Hitler werden gestuurd – “Dem geliebten Führer in dankbarer Anerkennung gewidmet von H. von Meegeren” – zat het portret van het echtpaar Beversluis-Verstraate dat ook als omslagillustratie van Het Zaad dient. Dat boekje werd uitgegeven ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van Martien Beversluis.

In ‘De collaborateur en de vervalser. Over de schilder Han van Meegeren en de dichter Martien Beversluis’ (De Parelduiker, jrg. 25, nr. 4) vertelt Lo van Driel het verhaal van het illustere tweetal. Daarin wordt duidelijk dat er een intensieve samenwerking tussen van Meegeren en Beversluis bestond: de gedichten waren aanleiding voor de kunstwerken van Van Meegeren en schilderijen/tekeningen van Van Meegeren zouden weer door gedichten worden geïnterpreteerd.

Eén van die schilderijen draagt als titel Barmeisjes. Helaas kon ik niet tijdig achter de tekst van de twintig gedichten komen, maar uit een column van Mario Molegraaf (Provinciale Zeeuwse Courant, 20 oktober 2020) weet ik dat Martien Beversluis bij Barmeisjes een scabreuze tekst verzon: Mocht ik die kelk zijn van kristal/die vonkt en zingend breken zal. Volgens Molegraaf is het een sadomasochistische tekst waarbij Beversluis alvast van de pijn genoot die de “slechte vingers” van het meisje hem zouden toebrengen. 

Het is niet vreemd dat de boeken van Martien Beversluis deel uitmaken van de collectie Cornelissen. Igor was dol op dit type mensen dat – door tijd en omstandigheden – gedwongen was een keuze te maken. Beversluis maakte vele keuzes: hij werd groot in een protestants gezin – zijn vader was hervormd predikant – werd lid van de SDAP en kwam in dienst van de VARA. In de beginjaren dertig vertaalde hij linkse Duitse poëzie. Daarna werd hij orangist en publiceerde als christelijk dichter bij Opwaartsche Wegen). Nog weer later voegde hij zich bij het Nationaal Front van Arnold Meijer. Kort na de bezetting in 1940 werd hij lid van de NSB, brak er mee en sloot zich vervolgens met zijn vrouw Johanna Verstraate [schrijfsterpseudoniem: Dignate Robbertz] aan bij de Nederlandsche SS.

In Brandende woorden uit Duitschland (Hilversum, 1934), de Duitse poëzie die Beversluis vertaalde en bewerkte, zijn twee illustraties opgenomen van de kunstenares Käthe Kollwitz (1867-1945), terwijl de omslagillustratie van Melle Oldeboerrigter (1908-1976) is.

Zag Führer Alois Schicklgruber de schrijfsels en schilderijen/tekeningen van het illustere tweetal Van Meegeren en Beversluis en wat vond hij er van? Ik vraag maar, al weet ik dat een eventueel antwoord van geen enkel belang is.


Martien Beversluis (z.j. [1944]). Het zaad. Een sonnettenkrans. Amsterdam: "De Gulden Ster". I.g.st., lichte schade bovenzijde rug, 44 pp., met bibliografie. Op het omslag een portret van het echtpaar Beversluis-Verstraate door Han van Meegeren (4 mei 1942).

Martien Beversluis (1934). Brandende woorden uit Duitschland. Hilversum: De Boekenvrienden. Matige omslag, verder goed. Met twee tekeningen van Käthe Kollwitz, omslagillustratie van Melle Oldeboerrigter.

Beide boeken – uit de collectie Igor Cornelissen – voor € 33,00 (incl. pak- en verzendkosten binnen Europa). Interesse? Neem contact met ons op. Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong

 

juni 20th, 2021 by Jaap de Jong

Jacques Gans – van de prins geen kwaad

Zojuist viste ik de bundel In andermans handen van de dichteres Anna Achmatova (1889-1966) uit doos 23. Ik kreeg vanmiddag bericht van JB uit het stadje Groningen dat hij de bundel In andersmans handen wenst. Ik ben een boekhandelaar en volg gedwee en die gedweeheid brengt mij niet niks. In doos 23 ligt namelijk ook het verzameld werk van Jacques Gans (1907-1972). Niet in dundruk – zoals eigenlijk verdiend – maar in aparte boekjes. Over Gans schreef ik eerder een blog [over liefde, goudvissen en de kunst van het versterven].

Ik bladerde door Een onaangepast mens (Amsterdam, 1981) en stuitte op de weergave van een intrigerend gesprek dat zich afspeelt in Londen (ca. 1944). Bij dat gesprek is, naast Jacques Gans, ook minister van Justitie Gerrit Jan van Heuven Goedhart (1901-1956) en Bernhard van Lippe-Biesterfeld aanwezig. De uitnodiging ging uit van Van Heuven Goedhart en was, zo denk ik, bedoeld om Jacques Gans te ‘sensibiliseren’, onder meer omdat die over gevoelige informatie beschikt over de handel en wandel van het oorlogskabinet. Informatie die wel bekend was bij de leden van het “comité tegen het neofascisme” (waaronder Loe de Jong, Jacques Gans, A. den Doolaard, Henrie Wiessing).

Of de prins zich in tijdens dat gesprek wel of niet van enig kwaad bewust is weet ik niet, wel dat Bernhard tijdens dat gesprek plots een vraag stelt aan Jacques Gans: “Is het waar dat u gedreigd heeft in Engelse bladen te schrijven dat ik lid zou zijn geweest van de S.A. of de S.S.?”  Op de vraag van de prins geeft Gans als antwoord dat hij niet aan dreigen doet en zegt hem vervolgens dat “als u lid van de S.A. of de S.S. bent geweest, dan hadden we elkaar kunnen treffen, want ik ben met die lui in de jaren dertig in de straten van Berlijn op de vuist geweest.” Bernhard lacht, maar het gezicht van Van Heuven Goedhart betrekt. “Hoe komt het”, zei hij wrang. “dat u meer weet dan de ministers?” “Is het mijn schuld”, gaf ik terug, “dat de ministers niet intelligenter zijn dan zij blijken te zijn, en dat Gans niet dommer is dan u zich had voorgesteld?”

Daar moet Van Heuven Goedhart het mee doen, evenals alle ministers na hem. Tot op de huidige dag.

Daar komt nog een anekdote bij waarbij Van Heuven Goedhart zuurzoet kijkt en Bernhard opnieuw lacht. Bernhard stelt Jacques Gans namelijk de vraag of hij in bezet gebied – voor zijn vlucht naar Engeland – inderdaad drie cent aan een Duits matroos gaf. “Jawel, hoogheid”, bekent Gans, “dat is geheel waar. Als ik daarvoor na de bevrijding een proces wegens collaboratie tegemoet mag zien, dan met een gerust hart.” En dan doet Gans zijn verhaal.

Drie matrozen van de U-boten dronken bij de tafel een biertje waar ook Jacques Gans met Ed Hoornik, Bertus Aafjes, Gerard den Brabander en Bob van Kampen zat. Tegen spertijd moest worden afgerekend, maar zij haalden het bedrag niet. Gans ziet het en trekt een van de matrozen aan de mouw: “wieviel fehlt da?” vroeg hij. “Drie cent” zei de matroos beteuterd, waarop Gans, die over de vestzak gaat, betaalt en zegt: “Bitte, vom internationelen jüdischen Grosskapital”. De Duitsers springen in de houding en riepen: “Die Firma Hitler dankt das internationale jüdische Grosskapital.” Zoals ik schreef: Bernhard lacht, Van Heuven Goedhart kijkt zuurzoet.

Prins Bernhard krijgt het tijdens zijn leven niet moeilijk wat betreft zijn SS-verleden. In de NRC van 2010 (23 januari) (evenals in andere kranten) wordt het als primeur gebracht dat het oorlogskabinet het SS-verleden van Bernhard kende. Had men Een onaangepast mens gelezen dan was er misschien iets eerder, iets meer gebeurd. Misschien. Dit alles terzijde uiteraard.

Jacques Gans (1948). Berlijnsch dagboek. Bussum: F.G. Kroonder – Jacques Gans (1946). Liefde en goudvisschen. ’s Gravenhage: Daamen – Jacques Gans (z.j. [1956]. Van ganser harte. Amsterdam: A.J.G. Strengholt – Jacques Gans (1981). Een onaangepast mens. Amsterdam: Peter van der Velden – Jacques Gans (1953). Nonchalante notities. Maastricht: Letier-Nypels – Jacques Gans (1980). Het Pamflet. Weekblad tegen het publiek [fotomechanische herdruk]. Amsterdam: Peter van der Velden. 

Zes keer Jacques Gans - Uit de collectie Igor Cornelissen. I.g.st., zes titels, alles in één pakket, incl. pak- en verzendkosten (binnen Europa): € 73,50
juni 16th, 2021 by Jaap de Jong

Reve in Veenendaal. Bij kapper Visser op ’t Stationsplein

Vannacht droomde ik dat ik met drie stevige riemen was vastgebonden in een zwartleren stoel in de kapperszaak Visser op het oude stationsplein in Veenendaal. De oude kapper Visser – de man met de witte kuif – stond achter de kassa en keek door het raam naar buiten. Daar stond het oude Veenendaals stationsgebouw – ooit het pronkjuweel van de lijn Rhenen-Utrecht – maar nu leek het wel alsof het ieder moment kon instorten.

Op de vraag hoe er geknipt moest worden antwoordde mijn vader: “Kort Amerikaans, wat anders?”. Op de kapperstafel lag een blauw boek met een rare titel: Bij ’t barnen van ’t gevaar. Ik vond dat barnen een vreemd, maar toch ook spannend woord. De kappersknecht, die Rik Valkenburg heette, begon te knippen en het zag er naar uit dat hij voorlopig niet zou ophouden. In een mum van tijd veranderde hij mij in een jonge skinhead, een soort nazi-jongen van nog geen negen jaar oud. Een kaalkop tussen de Veense langharigen. Ik was wel in de wereld, maar niet van de wereld en dat zou ik weten. Dat is eigenlijk altijd zo gebleven, zo wist ik in mijn wakkere, lucide, droomtoestand: in de volle verzekerdheid van mijn schuldig leven.

Toen was het plots 4 mei, 20.00 en speelde er een grote blonde jongen Last Post op een trompet die ineens veranderde in een saxofoon. Ook stond de tram stil, hoewel er in heel Veenendaal geen trambaan te bekennen was.

Buiten liepen drie mannen. Een soldaat en twee andere mannen in een pak. Het was hetzelfde drietal dat de oude kapper Visser voorbij zijn raam zag lopen. Eén van hen was keurig gekleed. Hij droeg een suède pak. De andere man had een bril en twee borstzakjes op zijn colbert. Ze kwamen mij vagelijk bekend voor en eensklaps wist ik het. Ik had ze eerder gezien, in een wolwinkel op de Kerkewijk – De Eenhoorn – een plaats waar ik niet komen mocht en toch kwam. Ondanks mijn komen was het dak niet ingestort. Niet neergekomen op Teigertje, noch gevallen op Woelrat en ook niet op mij.

Later nog zag ik hen weer. Op de Boslaan waar ik tante Johanna en oom Co de wekelijkse leverworst bracht. Er werd over hen gefluisterd, ook dat er gevochten was in een supermarkt. Toen verscheen mij een droomgezicht en daalde er een wit laken vanuit de hemel waarop met grote letters stond: “In Veenendaal heb ik een evenwicht gevonden, dat ik nooit eerder heb gekend. Eindelijk ontplooit zich mijn talent in volle kracht. Ik hoop op enkele goede jaren nog, om te maken wat ik wil”

Toen werd ik wakker en ziet, het was een droom.


Maas, Nop (2009-2012). Kroniek van een schuldig leven [3 dln., De vroege jaren 1923-1962 - De rampjaren 1962-1975 - De late jaren 1975-2006]. Amsterdam: G.A. van Oorschot. I.z.g.st., als nieuw en met leeslinten. Gebonden in linnen met stofomslag, 1e druk. Met illustraties, bibliografie en noten. € 95,00.

Meer Reve bij Cornelissen & De Jong.

juni 16th, 2021 by Jaap de Jong

De man die de Nobelprijs misliep: Louis Paul Boon

Louis Paul Boon (1912-1979) was van vele markten thuis: huis- & kunstschilder, soldaat, fotograaf, (hoorspel)schrijver. In de jaren zestig en zeventig werd hij regelmatig, naast Hugo Claus, als kanshebber op de Nobelprijs voor de Literatuur genoemd en ook wel voorgedragen. Er zijn zelfs stemmen die verkondigen dat hij de prijs zou krijgen, maar net voor de uitreiking aan een hartaanval stierf. Op 11 mei 1979 was hij namelijk op de Zweedse ambassade uitgenodigd, mogelijk i.v.m. de toekenning van de Nobelprijs. Hij overleed op 10 mei aan de schrijftafel, met de pen in zijn hand. De Nobelprijs wordt, zoals u weet, alleen aan levende schrijvers toegekend.

Waar Boon was, daar was lawaai. Ook na zijn dood nog. In de jaren tachtig (1986) en in 2008 zorgde hij voor ophef, onder meer vanwege de Fenomenale Feminiteek; zijn collectie met vrouwelijk naakt. In Antwerpen werd de tentoonstelling verboden, maar in Gent kreeg curator Anna Provoost het wel voor elkaar om tijdens het literair festival “Zogezegd” de collectie toch te tonen. Ik begrijp dat wel, Gent is immers altoos een godloos libertijns nest geweest. Veel naakt dus en in allerlei soorten (erotische prentkaarten, strips, foto’s), want Boon was een liefhebber. Tijdig en ontijdig, zo blijkt ook wel uit de afbeelding van de werkkamer van Boon bij het Gentse socialistische dagblad Vooruit. In de Memoires van Boontje schrijft hij over de dolle tijd bij deze krant.

In de roman De bende van Jan de Lichte beschrijft Boon een historische figuur uit de achttiende eeuw die met zijn bende (de Bokkenrijders) het Vlaamse platteland onveilig maakte. Hij plunderde kastelen en postkoetsen en verdeelde als een Robin Hood de buit onder de armen. Boon maakte Jan de Lichte tot een idealist die het uiteindelijk toch moet afleggen tegen de verdorvenheid van de menselijke natuur. In De zoon van Jan de Lichte maakte Boon overigens geen gebruik van historische documenten. Wel schemert zijn levensvisie door op dit ondermaanse: niets is er volmaakt.

En dat kan ook niet, schrijft Boon in Geniaal…maar met te korte beentjes. Het was de bedoeling om bij al die Vlaamse Meesterwerken die er dagelijks verschenen wat kanttekeningen te zetten. Fouten en gebreken zijn er altijd geweest en zullen er altijd blijven. Men kan het niet al hebben: veel geld verdienen, een schone positie hebben, gedecoreerd worden en dan ook nog meesterwerken schrijven. Dat kan inderdaad niet. Kanttekeningen dus.

Tot slot ligt er hier de meest sombere roman van Boon voor mij: Niets gaat ten onder. Erg actueel ook. Om dat te bewijzen behoef ik slechts de achterflap te citeren: “vol woede richt Boon zich tegen een maatschappij die zich aandient als een monument van vooruitgang, maar die in werkelijkheid alle trekken van een oerwoud heeft behouden.”

U  bent weer bij. Aan het einde van de middag: méér Boon bij Cornelissen & De Jong. Als u zich vanmiddag nog meldt krijgt u de zeven titels die hier voor mij liggen voor 69 euro (€ 75,00 incl. pak- en verzendkosten binnen Europa). Ik wil het zo snel als mogelijk de deur uit hebben.

Interesse? Neem contact met ons op. Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong

juni 15th, 2021 by Jaap de Jong

Een olifant omleggen. Orwell in Birma

Vandaag beschreef ik een aantal titels uit de collectie Igor Cornelissen. Niet zomaar iets, maar een eerste selectie uit zijn zeer grote verzameling Orwell. Zijn vrienden kenden die fascinatie van Igor voor George Orwell (1903-1950) uiteraard en herinnerden hem er aan. Zo ontving Igor van Karel van het Reve een ansichtkaart met de foto van Orwell (voor de BBC microfoon) en op de achterzijde een bedankje. Ik vond de kaart in één van de biografieën over Orwell.

Toen ik Igor eens bevroeg over zijn fascinatie voor Orwell vertelde hij mij dat niet alleen de stijl, maar ook de waarheidsliefde van Orwell hem aansprak: “Anders dan veel journalisten van vandaag, die de waarheid veelal ten onder houden, was Orwell waarheidslievend; ondanks dat hij wist dat het vertellen van waarheid een prijs heeft.”

Aan die waarheidsliefde (en aan de prijs van waarheid) moest ik denken toen ik vanmiddag het titelverhaal van Orwell uit de privedomeinreeks Een olifant omleggen (Amsterdam, 1973) herlas. Daarin vertelt Orwell tot in detail hoe hij – een door de Birmezen gehate politieofficier (want bezetter) in Birma – een olifant doodt onder het toeziend oog van tweeduizend mensen. Niet omdat de olifant op dat moment gevaarlijk was, ook niet omdat het kon; praktisch en juridisch. Maar alleen maar ‘om zich niet belachelijk te maken’.

Hij wilde koste wat kost vermijden dat – als er iets mis zou gaan – tweeduizend Birmezen zouden zien hoe een witte man “achterna werd gezeten, gepakt, vertrapt en gereduceerd tot een grijzend lijk (…) op de heuvel. En als dat gebeurde was het heel waarschijnlijk dat sommigen zouden gaan lachen. Dat nooit. Er was maar één alternatief. Ik schoof de patronen in het magazijn en ging op de weg liggen om beter te kunnen mikken”.

In dit verhaal beschrijft Orwell zijn machteloosheid. Weliswaar met een geweer in de hand, maar toch “machteloos” door de preoccupatie met zijn witheid en stand. Verplicht tot handelen in het zicht van tweeduizend mensen en een gevoel voor eigenwaarde die hem belet anders te handelen.

Gedepriviligeerd door de privileges die hij genoot als witte man tussen tweeduizend Birmezen. De massa als totalitair systeem die het individu vermorzelt. En, door dit precies en op nietsontziende wijze op te schrijven, te demonstreren dat het de keuze is van het individu om dit zo te doen en niet anders. In dit geval zij́n keuze.

Precisie en feitelijkheid zijn een veel dodelijker gereedschap in handen van een goed journalist dan moraliserend gebabbel.

Ergens schrijft Orwell dat er voor hem vier redenen zijn om te schrijven: (1) het pure egoïsme en verlangen om een intelligente indruk te maken; (2) esthetische geestdrift – het zien van schoonheid in de wereld. In woorden en de juiste rangschikking daarvan; (3) de historische sensatie – verlangen om de dingen te zien zoals ze zijn, om de waarheid uit te zoeken en vast te leggen voor het nageslacht; (4) het politieke doel – verlangen om de wereld een bepaalde richting in te drukken.

Hij doet dat goed Orwell, ook in dit verhaal. Juist omdat hij daarin méér dan een olifant neerlegt.

Interesse in de collectie Orwell? Neem contact met ons op. Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong

juni 13th, 2021 by Jaap de Jong

Vandaag een lelie en morgen een hommel

Wij zijn thuislezers. Na lezing van Kierkegaards verhaal over de blijheid en het leren van de lelie en de vogel was er wijn in de tuin: L’Arjolle Chardonnay en een doolhof van geuren. Jij was er en ik. En er was een hommel die van de ene bloem naar de andere vloog, maar de rozen sloeg ie over. Hij taalde niet naar rode, roze of witte rozen. De hommels, die ik zag, hadden een groot, ietwat log, lichaam, en tegelijk kleine vleugeltjes. Vleugeltjes die ze heftig heen en weer slaan om op te kunnen stijgen, gedragen door de luchtwervelingen die ze zelf veroorzaken.

Voor Rilke was de roos wat de nectar voor de hommel is: “hoe zouden we zonder haar/ooit kunnen uitspreken wat wij hoopten/en wat ons teder heeft onderbroken/in het voortdurend vertrek”, dicht Rilke ergens in zijn bundel Les Roses. 

Voortdurend vertrek in de hoop op wat nectar. Dat is de staat van de hommel. En wat Rilke betreft was de vrouw voor hem als een roos. Hij vertrok voortdurend van de een naar de ander. Een tedere onderbreking. Dat was het.

Een hommel is een efficiënt insect: hij schenkt geen aandacht aan de roos of de bloem zonder nectar. Hij zoemt zich een weg en heeft daarbij een ietwat onhandige manier van voortbewegen. Zijn gang doet me denken aan de manier waarop die geniale, ietwat autistische collega van weleer zich bewoog. Een beetje houterig alsof hij nog kleefde aan het ene, maar toch naar het andere wilde. Hij rook de nectar, maar wist nog niet precies waar.

Goed is het om een lelie te zijn, een roos of desnoods een vogel of een hommel en op te gaan in het heden: Selbstvergessenheit en een eeuwig heden zonder reflectie. Nu zeggen of beter: stil zijn en luisteren naar Brahms String Quartet nr. 3 in B-flat Opus 67 zoals de buurvrouw dat vanmiddag speelde: telkens opnieuw, maar met kleine variaties.

Hommel-zijn en opgaan in de luchtwervelingen die we zelf veroorzaken.


Kierkegaard, S. (1937). De lelie des velds en de vogel des hemels. Rotterdam: A. Voorhoeve. Vertaald uit het Deens door A. Alma. Met een inleiding van W.J. Aalders. Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong

juni 4th, 2021 by Jaap de Jong

Louter verwachting

Vorige week was ik met de geliefde in het hof van mijn schoonouders. Zij wonen vlakbij het punt waar de beroemde hoofdstraat van Notter een bocht maakt. Ik stond met een volgeladen kruiwagen bij de boerenschuur en net als iedere hopende ziel verwachtte ik iets nieuws. Iets dat nog niet gezien wordt, maar toch komende is; komende vanachter de scherpe bocht. Het kan de ijscoboer zijn, twee wapperende zomerjurken, een club van de Hells Angels die Overijssel verkent of de Messias zelf.

De ziel die niet meer hoopt is een dode ziel.

Er was wel iets nieuws. Op het boerenerf lag een stapel met boeken voor de komende bazar ter ondersteuning van het koor. Bovenop lag een van de boeken die de onderwijzer P. de Zeeuw J.Gzn (1890-1968) schreef: Paul Kruger. De leeuw van Zuid-Afrika. Ik heb vroeger tientallen boekjes van P. de Zeeuw verslonden. Tijdens mijn geschiedenisstudie vergruisde het door hem gekweekte geschiedbeeld tot wat zandkorrels. Erg is dat niet. De kaffers, zoals De Zeeuw de oorspronkelijke bevolking van Zuid-Afrika noemt, zijn volgens de schrijver wel slim of listig, maar nooit eens wijs. Het etymologisch woordenboek maakt duidelijk dat het woord ‘kaffer’ ook al in de jaren zestig als kwetsend werd ervaren. Het oeuvre van De Zeeuw is geschikt om de relativiteit van ieder oordeel te onderstrepen. Toen en nu. In die zin mooi materiaal voor bijv. een onderzoeksproject voor scholieren (en volwassenen). Het is onzedelijk dit materiaal te vernietigen. 

Het boek van De Zeeuw heeft overigens een prachtige omslag van Agnes van den Brandeler (1918-2003). Zij illustreerde in de jaren vijftig en zestig een aantal boeken van Van Goor uit Den Haag. Van den Brandeler maakt in haar werk gebruik van prachtige kleurencombinaties: blauw met oranje, rood en zwart. Een uitbundige expressionistische stijl. Mooi, zeker als het gaat om haar figuratieve periode (er was namelijk ook nog een abstracte abberatie ;-))! De Fundatie & Nijenhuis kan uit eigen bezit zo een grote tentoonstelling organiseren. Maar dit terzijde, ook daar ga ik al niet over. Je kunt het zo gek niet bedenken of ik ga er niet over.

Binnenkort opnieuw naar de bocht in Notter. Ik hoop op iets nieuws. Neen. Er is louter verwachting.

Meer nieuwe boeken, waaronder De Antichrist van Joseph Roth, Karel Čapek en ander moois. Daar ga ik wel over.

juni 3rd, 2021 by Jaap de Jong

Tussen weemoed en verlangen

Er ligt hier van alles op de hardhouten leestafel: Paul Kruger, de leeuw van Zuid-Afrika van P. de Zeeuw J. Gzn met een prachtig omslag en illustraties van Agnes van den Brandeler. Daarover zou ik misschien een interessant verhaal kunnen vertellen. Verder is er Shosha van Singer en de Verzamelde Werken van Van Oudshoorn. En dan heb ik het nog niet eens over Reis naar het einde van de nacht van meesterschrijver Céline. Dat boek verkoop ik nog niet, want die wil ik eerst zelf lezen. Shosha is schitterend, kan ik alvast meedelen. Het voldoet.

Maar vandaag verschijnt de biografie over Nescio en is het gepast om open en bloot te zijn over Weemoed en verlangen met als ondertitel Over Nescio, Bavink en Johannes Zwolsman (1877-1945). Weemoed is de gemoedstoestand van de lethargische mens die zich een geïdealiseerd, maar nooit werkelijk bestaand verleden herinnert. Minder gevaarlijk misschien dan het verlangen in het hoofd van de activistische niets en niemand ontziende mens. Dat is dodelijk. Maar dit terzijde.

Het onderhavige werkje werd in 1984 uitgegeven door de uitgeverij De Uitvreterij. Nescio merkte in een gesprek met Nol Gregoor op dat zijn vriend, de schilder Johannes Zwolsman, model had gestaan voor Bavink. De twee vrienden, Zwolsman en Nescio, hielden allebei van het observeren van de natuur en hadden oog voor detail. Dat is goed: Der Herr Gott steckt im Detail, zeg ik vaak tegen mijn studenten.

De schilder Bavink had dat dus ook – oog voor het detail –  misschien dat daarom alles wat hij deed gedoemd was te mislukken. Zo had hij 34 zonsondergangen tegen de muur staan, althans volgens mededeling van Nescio. Ze voldeden niet. Onvoltooid. En het door hem geschilderde gezicht op Rhenen had hij in 64 gelijke, rechthoekige brokken van 15 bij 12,5 centimeter gesneden. Met een bot knipmes. Dat moet een heel werk zijn geweest, schrijft Nescio ergens. In de nalatenschap van Zwolsman is wèl een gezicht op Rhenen teruggevonden en dat is opgenomen in deze uitgave.

Helaas zitten er geen zonsondergangen bij de overgeleverde illustraties van Zwolsman, wel bospaadjes bij Rhenen (?) – maar het kan ook Notter zijn – die naar niemandsland leiden: Holzwege, noemt een bekend filosoof dat soort wegen. Ook mooi. Ja, van alle wegen die er zijn, hou ik het allermeest van de Holzwege, en daarmee ook van het pad dat in de zee is en in zeer diepe wateren; daar waar de voetstappen niet worden geteld, noch gezien.

Nu naar de boekhandel om de biografie van Lieneke Frerichs over Nescio te kopen.


Weemoed en verlangen. Over Nescio, Bavink en Johannes Zwolsman. Uitgeverij De Uitgeverij (Deventer, 1984). Geïllustreerd met drie bladvullende tekeningen + foto van Johannes Zwolsman. Oblongformaat (24 x 32 cm), 8 pp. I.z.g.st., met wat roestvlekjes. Uitgegeven ter gelegenheid van de expositie Tekeningen van Johannes Zwolsman (Nescio’s ‘Bavink’). Oplage: 125 genummerde exemplaren, waarvan dit nr. 79 is. Uit de collectie Igor Cornelissen. Niet meer leverbaar.
Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, ook over kunst en kunstgeschiedenis.

mei 27th, 2021 by Jaap de Jong

De Parelduiker toont zijn parels: over Nescio, Lou en Igor

Gisterenavond vond ik de nieuwe Parelduiker op de salontafel en wie kijkt mij recht in de ogen? Elisabeth Eybers (1915-2007), geschilderd door Marlene Dumas. Ik wilde haar ooit interviewen, maar het plan ging helaas niet door. Haar gedichten vind ik nog steeds prachtig en aan de Dagdroom bewaar ik de beste herinneringen. Over haar wordt in De Parelduiker de vraag gesteld of zij ten onrechte de P.C. Hooftprijs ontving. Natuurlijk niet!

Heel fijn dat binnenkort de biografie van Nescio verschijnt. Lieneke Frerichts was er vele jaren mee bezig. Ik hoop dat ze veel over Rhenen en Nescio schrijft. Nescio kwam daar wel en keek vanaf de overzijde van de rivier naar de Cuneratoren. Hij beschreef dat gezicht op Rhenen ook al op z’n allerprachtigst, door Japi te laten buikspreken over de schilder Bavink: “Jaren had Bavink met tusschenpoozen gewerkt aan zijn gezicht op Rhenen, aan de rivier, den berg, den Cuneratoren, de bloeiende appelboomen, de roode daken van ‘t stadje, de kastanjes met hun witte en roode bloemen en de bruine beuken tusschen de huizen in de hoogte, en ‘t molentje ergens op den berg.”

Later vernietigt Bavink het schilderij. Het kan ver gaan met een mens. Ik ken dat gezicht op Rhenen nogal goed. Uit eigen ervaring. Mijn vader had een bakkerij & specialiteitenzaak op de Molenweg, onderaan ’t molentje van Nescio. Rhenen is vaak bezocht door kunstenaars, maar ook plaatselijk werd de stad bezongen, getekend en geschilderd. Bij mijn ouders hangt tot op de dag van vandaag een knappe tekening van Jo Baars in huis. Hij was een halve eeuw geleden ouderling bij wat kletskousen de zwartekousenkerk noemen en hij was ook een kunstenaar. Dat kan. Ik vraag mij trouwens af wanneer dat standbeeld van Nescio op de brug bij Rhenen wordt geplaatst. De echt belangrijke kwesties worden door politici blijkbaar tot het laatst bewaard. Dit alles terzijde natuurlijk. In dit nummer schrijft Frerichs overigens over de uitvreter en wie daar model voor stond. Toevallig schreef ik afgelopen week een blog over Jacques Gans die zijn leven lang een uitvreter was en ook wilde zijn.

Op vijfentwintigjarige leeftijd werd ik verliefd op Lou Andreas-Salomé of in elk geval op haar geest en intellect. Ik trof haar voor het eerst in een antiquariaat in Ede, in boekvorm natuurlijk. In dit nummer wordt het verhaal over Lou von Salomé opnieuw vertelt. Het oude beeld van de muze en vooral dat van de femme fatale wordt overigens niet doorbroken. Tsja. En helaas zijn er geen bronnen opgenomen in het stuk. Jammer is dat.

De rubriek De laatste pagina is voor kompaan Igor Cornelissen. Het stuk is geschreven door Vic van de Reijt, vriend en uitgever (Nijgh & Van Ditmar). Een mooi en waar portret waarin veel werk van Igor wordt gememoreerd. In de weken voor zijn dood was Igor bezig met een verhaal voor De Parelduiker. Dat moest gaan over het gedicht van Elsschot over Marinus van der Lubbe. Het is er helaas niet van gekomen. Maar we hebben nu wel een beeld van de vriendin van Marinus van der Lubbe: het verkreukelde pasfotootje dat Van der Lubbe altijd bij zich droeg. Vic van de Reijt schrijft niet alleen over het werk en leven van Igor, hij memoreert ook zijn laatste jaren bij antiquariaat ’t Wasdom. Bij veel van zijn aangeboden boeken schreef Igor een lezenswaardig mini-essay. U kunt ze hier nalezen.

Nu maar verder met dozen inpakken. Het nieuwe antiquariaat gaat er komen. Ergens in Twente: met de rode boekenkasten van Igor en andere parafernalia. Als G’d het geeft natuurlijk.


U kunt zich abonneren op De Parelduiker via de website. Oude nummers kunt u hier kopen. 

mei 24th, 2021 by Jaap de Jong

Over liefde, goudvissen en de kunst van het versterven

Jacques Gans (1907-1972) was, wat je noemt, een uitvreter. Op het Barlaeus gymnasium kreeg hij les van de Neerlandicus Arnold Saalborn (1888-1973). Saalborn deed – zoals iedere docent die zijn vak verstaat – het coachen erbij, was een liefhebber van het toneel en promoveerde in 1931 op het sociale bewustzijn in de literatuur (tussen 1840-1880). Ik ben wel benieuwd naar dat proefschrift, misschien is het een vroege vorm van ‘woke’, met specifieke aandacht voor de onderliggende partij in het sociale verkeer. Anders en toch eender, maar naar verwachting zonder de verongelijkte toon vanuit het perspectief van de slachtoffers. Die waren indertijd meestal geen penvoerders.

Toen Saalborn voor de eerste keer het klaslokaal binnenging stal hij het hart van Jacques Gans. Saalborn ging voor de lessenaar staan, sloeg een boek open en slingerde daarna de eerste zin het klaslokaal in. Als een fanaal, schrijft Gans, ofwel een seinlicht of vuurtoren. Die eerste zin kwam uit Nescio: “Behalve de man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gezien dan de uitvreter.”

Het leven van Jacques Gans zou nooit meer hetzelfde zijn. Hij zoog het door Saalborn voorgelezen verhaal op met stijgende aandacht. “Dat is het!” dacht hij en “die vent is er achter!”. Het was het verhaal van Japi, die op banken in de regen aan de waterkant zich oefende in het versterven, om onaandoenlijk te worden voor honger en koude en ongrijpbaar voor het verdriet en het gezeur van de maatschappij.

En het verhaal was daarmee niet afgelopen voor Gans: “Nee”, zei Japi tegen de schilder Bavink, “ik ben niks en ik doe niks. Eigenlijk doe ik nog te veel. Ik ben bezig te versterven. Het beste is, dat ik maar stil zit, bewegen en denken is goed voor domme mensen. Ik denk ook niet. ’t Is jammer dat ik eten en slapen moet. Liefst zou ik dag en nacht blijven doorzitten.” Dat was ook voor Jacques Gans wel een pracht van een programma. Het programma van de uitvreter.

Hij voerde het ook uit. In zijn eigen tempo en op geheel eigen wijze. Als een bohemien zwierf hij door Parijs en Amsterdam. Toen hij op een morgen, ietwat aangeschoten, de sleutel in het slot van zijn woning stak, realiseerde hij zich dat er nu wel eens iets mis zou kunnen gaan.

En dat was ook zo.

Het was half vijf en daar zat zij: rechtop in bed, als een beledigde roos met alle lichten op en alle dorens uit en haar woede kwam als een dolkstoot op hem af. Hij realiseerde zich dat geen citaat van Baudelaire of Appolinnaire hem verder zou helpen. Het was over en uit. Of beter, het was een nieuw begin. Hij scheidde van de Deense Ester Margrethe Steffensen en schreef er een roman over: Liefde en goudvissen. Ik pakte het boek zojuist uit een van de dozen. Alleen al de titel is fantastisch! Elke zin is als met bloed geschreven. Ik citeer de eerste zinnen:

Te bedenken, dat ik van deze vrouw gehouden heb – en nog houd – en dat ik haar toch met evenveel liefde het mes tusschen de ribben gestooten had. Zij stond in de portiek van haar atelier, naast den postzegelwinkel.

“Je komt terug!” smeekte ik. Omdat ik niet smeeken kan, klonk het als een bevel.

De mislukking zit er al vanaf het begin ingebakken.

Jacques Gans schreef prachtige columns en deed heel veel andere interessante dingen. Nadat hij in de jaren vijftig voor De Telegraaf ging werken, schreven vele vrienden hem af. Willem Frederik Hermans was onder degenen die met hem afrekenden. Ook hij was een leerling geweest van Saalborn.

Nog steeds bezocht Gans de cafés, maar steeds vaker zat hij eenzaam aan een tafeltje. Als hij al genood werd verjoeg hij door zijn bulderend gelach de klandizie. Een hartinfarct maakte in 1972 een einde aan zijn leven. Hij had intussen wel het woord waargemaakt dat hij zijn vader toevoegde nadat hij van Saalborn het verhaal van Nescio hoorde: “Nu weet ik wat ik later ga worden! Zijn vader Levie vroeg wat dat dan wel zou zijn. “Een uitvreter”, had i geantwoord.

[Over de foto in cafe Scheltema (met v.l.n.r. Jacques Gans, Marlies Scholten, H.J.A. Hofland, Wim T. Schippers en Remco Campert), zie H.J.A. Hofland in De Groene Amsterdammer. Voor het proefschrift van Arnold Saalborn, zie de DBNL].

Gans, Jacques (1946). Liefde en goudvisschen. ‘s-Gravenhage: Daamen’s uitgeversmaatschappij. I.z.g.st., illustraties van C.A.B. Bantzinger, 318 pp., uit de collectie Igor Cornelissen. Gouden belettering op rug en gulden vignet op voorplat. € 25,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, waaronder ook Het Pamflet van Jacques Gans.

mei 12th, 2021 by Jaap de Jong

De ontbrekende plaatsvervanger

Bij het ordenen van de collectie Jaap Meijer stuitte ik vanavond op een speciale uitgave van het gedicht Bensjen; ballade. Jaap Meijer (1912-1995) verhaalt in veertien strofen over de dag dat zijn vader, de venter Samuel Meijer, stierf. Filmisch, in buitengewoon krachtige beelden vertelt hij het verloop van die fatale dag. Het was op een woensdag, op 31 oktober 1923 dat hij als elfjarig jongetje door zijn moeder uit de klas wordt gehaald en op klompen naar de sjoel in de Boschstraat (nr. 24) van Winschoten rent.

Daar aangekomen treft hij tien vrome joden en de rebbe die in de tora-rol naar een naam speurt om als plaatsvervanger te dienen voor zijn vader. Want in de aloude tred/van ons joodse bestaan/zoekt de mal’ach ha-mowet [engel des doods]/een dode op zijn naam.

“Mousje”, fluistert de rebbe. Maar het is duidelijk dat het te laat is.

De jonge Jaap Meijer wijt de dood van zijn vader aan zijn klompen. Die moesten hem wel in rouw dompelen door verlies van wat tijd. En die rouw ging niet over. Nooit niet: “Nu kan geen sjoel meer die last/van mijn klompen verzoenen/want de kille – vergast/ging naar polen op schoenen.”


Het Bensjen wordt uitgesproken voor het herstel van een ernstig zieke en gaat gepaard met een naamsverandering van de zieke. Dat is niet zonder reden, de naam is immers een wezenlijk bestanddeel van de persoonlijkheid. Uit een geopende tora-rol kiest men de eerste naam die men tegenkomt. Het doodsoordeel dat over x wordt geveld, geldt zodoende niet voor y, drager van de nieuwe naam.

Meijer dateert het gedicht op 21 chesjvan 5738 (21 september 1977), de dag waarop Yom Kippoer werd gevierd.

Bij Jaap Meijer telt ieder detail.

Er zijn gedichten van Meijer uitgegeven in combinatie met werk van de schilder H.N. Werkman, maar hoe indrukwekkend zou het kunnen zijn als dit gedicht in filmbeelden (bij voorkeur zwart/w. & zonder geluid ) wordt vastgelegd. Hij speelt nu al door mijn hoofd. Zonder ophouden.

Op Jaap Meijer kom ik nog wel eens terug. Dat is zeker, voor zover er iets zeker is in dit bestaan.

Messel, Saul van (1977). Bensjen; ballade. Haarlem: Carlinapers. 1e druk, zwart omslag. Gaaf genummerd exemplaar. Dit is nr. 4 uit 100. Het gedicht telt veertien strofen met een toelichting. Uit de collectie Igor Cornelissen. Niet leverbaar.

mei 11th, 2021 by Jaap de Jong

Het aards tekort

Oude boeken weggooien. Ik kan het niet, ook al is het een onooglijk boek. Zijn de vochtvlekken de zichtbare resten van oude jenever of is het opgedroogd regenwater uit Igor’s tuin aan de Vondelkade? Het omslag is aan de achterzijde ietwat gekruld, ook nog nadat het drie dagen onder de Essays van Montaigne en zeven delen van de Winkler Prins encyclopedie lag.

Hoogstwaarschijnlijk werd het omslag van Het aards tekort beschadigd door een wat ongelukkige opbergplek. Igor stopte de autobiografische roman in het mapje van Hans Koning (1921-2007) (ook wel: Hans Koningsberger) dat hij over hem aanlegde. Het is overigens zeker dat hij de ontmoeting met Hans Koning in Londen heeft vastgelegd in een agenda & notitieboekje: 22 maart 1985 In the Ordnance: “Igor, je bent een goeie vent. Hoera. Dag – Hans Koning”. Die agenda’s liggen binnenkort bij het IISG.

Hans Koning, die in 1951 naar Amerika emigreerde en daar succes had als schrijver, was niet zomaar een schrijver. Hij was ook de kleinzoon van Abraham van Collem (1858-1933) die in zijn gedichten een pantheïstisch-mystieke interpretatie van de Ethica van Spinoza verwoordde. En dat combineerde hij met een socialistische kijk op de dingen. Ook zìjn werk verzamelde Igor. En – niet terzijde – eerder schreef Jaap Meijer een studie over Van Collum. Hans Koning bleef tot de laatste snik trouw aan het socialisme. Dat was in elk geval een ander socialisme dan dat van Wim Kok en Wouter Bos, schrijft J.L. Heldring in een column. Heldring wist wat het understatement vermag. 

Hans Koning was twaalf jaar toen zijn grootvader Abraham van Collem overleed. Hij droeg Het aards tekort aan hem op en memoreert hem ook omdat hij dankzij hem zonder de erfzonde van het racisme was geboren: “Hij was communist, een van de eersten in Holland. Hij schonk de rij van huizen die hij bezat weg, iets waarover ik geen wrok probeer te koesteren. Hij was tevens een min of meer bekend dichter en in Holland wordt zijn werk, dunne bundeltjes met pacifistische en socialistische gedichten, nog altijd sporadisch gelezen. In het begin kwam Christus ‘met zijn zacht gelaat’, er nog in voor, maar later schreef hij God, ‘een vreemde naam’ afgeworpen te hebben en een nieuwe en andere mens, die niet haatte, niet liefhad, maar deed, te zijn geworden.”

Hans Koning was niet bang voor de dood, zo schrijft hij in zijn autobiografisch getinte roman. Hij had Schopenhauer gelezen en ook nog eens begrepen. De dood betekent een bevrijding van de last van de individualiteit: de wil tot voortbestaan. Dat wat verlangt te bestaan is slechts op indirecte wijze het individu. Het bestaan bevredigt de wil slechts tijdelijk. Als je weet dat je diepste zelf slechts de universele wil tot leven is, dan besef je hoe kinderachtig en belachelijk die zorgen over je individualiteit zijn, schrijft Hans Koning ergens.

Een andere leraar dan Schopenhauer zei eerder al dat je naar de lelies op het land en de vogels in de lucht moet kijken in plaats van je zorgen te maken over je diepste eigenste Ik. Maar ik dwaal af en moet bij de tekst van Hans Koning blijven.

In Het aards tekort staan namelijk tal van behartenswaardige zaken. Zoals de opmerking dat wij ooit de eenzaamheid kenden. Niet de eenzaamheid die je voelt temidden van een onverschillige menigte, maar die van de oneindige duisternis van de nacht onder een open hemel, en de onmetelijke leegte van de wildernis. Alleen voelde je je dan niet verloren. Je vond jezelf.

Dat was eens.

Nu noemen wij een verlaten plek een plek waar we geen hulp kunnen vinden tegen iemand van onze eigen soort. Dat is iets anders.

Oude boeken weggooien. Ik kan het niet, ook al zitten er vochtvlekken op en is de achterkant van het omslag gekruld. Het ging door de handen van boeiende mensen. Het is gewaarmerkt en waar gebleken.

Koning, H. (1974). Het aards tekort. Amsterdam: Meulenhoff. Matig; vochtvlekjes op omslag, gekruld achterplat, binnenwerk goed, 207 pp., paperback. Stempel [archief Igor Cornelissen]. Gesigneerd en met opdracht van Hans Koning aan Igor Cornelissen. Niet zeldzaam, maar wel uniek. In combinatie met een gesigneerd exemplaar van bovenstaande column € 75,00 dan wel een ander aannemelijk bod. Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong

mei 6th, 2021 by Jaap de Jong

Breed, maar toch exclusief: de BBKL van Traugott Bautz

Het Biographisch-Bibliographisches Kirchenlexikon (BBKL) is geen enghartig naslagwerk, maar breed van opzet en bevat lemma’s rond het werk en de levensweg van betekenisvolle figuren uit de theologie, geschiedenis, literatuur, pedagogiek, filosofie en de kunsten (muziek en beeldende kunst). Het naslagwerk (Duitstalig) is internationaal van opzet, maar ook tal van Nederlanders zijn vertegenwoordigd (Anna Maria van Schurman, Voetius, Spinoza, Erasmus etc.).

Het eerste deel van de BBKL verscheen in 1975 onder redactie van Friedrich Wilhelm Bautz. De serie wordt tot de dag van vandaag voortgezet door Traugott Bautz. Ik maak zelf met veel genoegen gebruik van de BBKL (en dat blijft ook zo, maar dat is een ander verhaal).

’t Wasdom biedt de banden 1 tot en met 26 aan, bestaande uit: Grundwerk (A-Z): 14 Bände + Ergänzungsbände I-XIII. Hrsg. von Friendrich Wilhelm Bautz und Traugott Bautz + los toegangsregister (Register zu Band I-XXVI). De 14e band van het grondwerk is tevens band I uit de latere toevoegingen ofwel Erganzüngen I-XIII). I.z.g.st., als nieuw, met een stempel van de vorige eigenaar op het schutblad. € 350,00 (excl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong

mei 5th, 2021 by Jaap de Jong

Bernard Canter, een kleine man met een te grote broek

Bernard Canter (1870-1956) was een interessante man met veel talenten: journalist, literator, schilder, musicus, dichter en uitvinder. Misschien dat ik nog iets vergeet. Ik vermoed dat hij ook zijn eigen boekbanden ontwierp. Aan die boekband is veel aandacht geschonken. De tragiek van Canter was dat hij slechts 152 cm en 5 mm lang was. Igor Cornelissen – die niet alleen zijn oeuvre kende, maar ook een Voetnoot aan hem wijdde – beschrijft de foto waarop Bernard Canter iets langer lijkt dan zijn tweeëntwintig jaar jongere vrouw Nelly van der Laan. Canter was op een trapje gaan staan, had een te lange broek voor zijn benen gehouden en er schoenen onder gezet. Wie het niet wist, zag het niet. Iedereen die hem kende, wist het, zo voegt Igor eraan toe. Zijn lengte was niet de reden dat men hem over het hoofd zag, negeerde en miskende. Je kunt beter niet op te veel terreinen uitblinken; dat wekt de jaloezie op, zo vertelde Igor mij eens. Vooral van de kruideniers en andere dunlippigen. En niet van de gulle geesten, zo voeg ik er aan toe.

Toen ik een schilderij van Bernard Canter zag – dat met de groenblauwe papegaai op zijn linkerschouder (zie afbeelding) – moest ik direct denken aan een schitterend gedicht van Bukowski – Bluebird. Anders dan de melancholicus in het gedicht van Charles Bukowski hield Bernard Canter zijn mond niet en liet hij zijn “bluebird” wel in- en uitgaan en niet bij nacht alleen. Zo sprong hij tijdens een theatervoorstelling op om te protesteren tegen de negatie van het werk van Nederlandse toneelschrijvers.

Zijn Droomer ter haringvaart (ca. 1896) – over de misstanden op zee – was een groot succes. De toneelschrijver Herman Heijermans vierde later zijn successen met het toneelstuk Op Hoop van Zegen waarop Canter hem beschuldigde van plagiaat en een vriendschap, die in Berlijn begon, was kapot. De roman over de haringvaart viel in het genre van de sociale roman dat Canters als een van de eersten beoefende. In 1915 werd hij tot gevangenisstraf veroordeeld omdat hij een bevriend staatshoofd (Wilhelm II) zou hebben beledigd, waarna hij een reportageroman (Op water en brood) maakte over de toestanden die hij in de gevangenis aantrof.

En zo is er meer. In de roman Kalverstraat vertelt Canter het verhaal van de meedogenloze opkomst van het grootwinkelbedrijf dat de bekende Amsterdamse winkelstraat tot een soort oorlogsgebied omvormde. Ook dat boek werd een succes en meerdere malen herdrukt. Overigens had de vader van Canter in de Kalverstraat een winkel waarin ridderorden, eredegens, sabels en andere verfraaiingen werden verkocht.

Canter kreeg nooit een ridderorde. In het literaire milieu was Canter weinig geliefd en de heren van de Vereniging van Letterkundigen mochten hem niet erg, meldt het overlijdensbericht in De Telegraaf (26-05-1956), de krant waarvan hij jarenlang medewerker was. Het artikel maakt ook melding van zijn journalistiek die zich kenmerkte door mededogen met de “under-dog”.

Bernard Canter werd oud in een heel klein huisje in Scheveningen, maar wel met schilderijen van de Haagse School en een mooi serviesgoed waar hij dol op was. Hij overleefde zijn veel jongere vrouw Nelly. Hij vermaakte zijn schaarse bezoek met gefantaseerde verhalen waarin vaak koninginnen in voorkwamen. En hij zette de sociale (undercover)journalistiek op de kaart.

Je kunt met minder verdiensten het leven verlaten.

april 29th, 2021 by Jaap de Jong

Over Arthur Schnitzler: dood, verderf en duisternis. En nochtans lichtheid

Ergens schrijft Lou Andreas-Salomé (1861-1937) dat ze bij het lezen van het werk van Arthur Schnitzler ‘net als bij het dansen’ het gevoel had van ‘opgeheven zwaartekracht’. Dit laatste hoorde ik van iemand die het weten kan. De thematiek van Arthur Schnitzler (1862-1931) is zwaar en somber (melancholie, liefde en dood), de toon in zijn werk is daarentegen licht, speels en muzikaal. De ene helft van het werk van Schnitzler is gewijd aan thanatos, de andere helft aan eros. Toen ik in de zomer van 1989 het huis van Freud in Wenen (Bergasse 19) bezocht liep ik niet langs de woning van Schnitzler. Hij was een buurtgenoot van Freud. En dat niet alleen, Schnitzler was ook sterk geïnteresseerd in het werk van Freud, hoewel hij sceptisch stond tegenover diens psychoanalyse. Nochtans analyseerde hij wel zijn eigen dromen in zijn dagboeken.

Leven en werk van Schnitzler zijn sterk met elkaar vervlochten. Rond zijn dertigste kampt hij met toenemende doofheid waardoor somberheid en wantrouwen een paranoïde vorm aannam. Drie jaar voor zijn dood pleegde zijn dochter Lili zelfmoord: “Op die dag in juli was mijn leven voorbij’, schrijft Schnitzler. Toch schreef hij daarna nog een van zijn mooiste novellen: Die Flucht in die Finsternis (1931). De novelle gaat over een man, een lijder aan achtervolgingswaanzin, die zijn broer vermoordt. Door zijn biograaf Ulrich Weinzierl wordt het verhaal in verband gebracht met Schnitzlers eigen, nogal problematische, verhouding tot zijn broer.

Voor de Tweede wereldoorlog was Arthur Schnitzler een populair en veelbesproken schrijver in Nederland. Zijn werk werd vertaald en opgevoerd. Ik weet niet of de vroegere eigenaars van het verzameld werk van Schnitzler – Grete en Felix Wolff – in Nederland ook naar de toneelopvoeringen gingen. Het echtpaar Wolff vluchtte in juni 1933 – samen met hun dochter Erika – vanuit Berlijn naar Amersfoort waar zij een woning op de Van Houtenlaan 12 betrokken. Zij behoorden tot de eerste groep vluchtelingen uit Duitsland na de machtsovername door Hitler. Felix Wolff en zijn echtgenote Grete doken in de loop van de oorlog onder, maar werden uiteindelijk opgepakt en vanuit Westerbork op 8 juni 1943 op transport naar Sobibor gesteld waar ze, drie dagen later, op 11 juni werden vermoord. Er is mij niet meer bekend over het echtpaar Wolff. Hun dochter Erika was al in september 1942 in het vernietigingskamp Auschwitz omgekomen.

Het door hen gebruikte en hiernaast afgebeelde ex libris komt niet voor in het handboek van Aarts en Kooyman (2017) over de joodse exlibriscultuur in Nederland, waarover ik eerder een blog schreef.

Net zoals Rilke, Joseph Roth en Stefan Zweig verdient Arthur Schnitzler het om gelezen en herlezen te worden. Dat kan nu.

Schnitzler, Arthur (1931 [1e tot 15e oplage]). Flucht in die Finsternis. Berlin: S. Fischer Verlag. I.z.g.st., bandontwerp Hans Meid. Met persoonsbibliografie, gebonden in linnen, 172 pp.

Schnitzler, Arthur (1913). Gesammelte Werke – Die Theater-Stucke [4 delen]. Berlin: S. Fischer Verlag. I.g.st., gebonden in linnen. Vlekken op voorplat van band I en IV, goud op bovensnede (dl.I-III). Ex libris Grete und Felix Wolff (niet in Aarts en Kooyman, 2017). Uit de collectie Igor Cornelissen. Alle genoemde titels samen voor € 75,00 (incl. pak- en verzendkosten binnen Europa).Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

april 28th, 2021 by Jaap de Jong

Naakt en sidderend aan de dijk gezet. La Rouchefoucauld en het eigenbelang

Eigenbelang is volgens La Rouchefoucauld (1613-1680) de ware drijfveer van het menselijk handelen. Dat geldt ook bij het uitdragen van deugden. Zelfs als het gaat om de schijnbaar belangeloze vreugde die men ervaart in een gesprek met een vriend over boeken of het samen genieten van een goede wijn. La Rouchefoucauld hakt ons het hoofd af: “De eerste opwelling van vreugde die we ervaren bij het geluk van onze vrienden komt niet voort uit onze goede inborst, of de vriendschap die we voor hen voelen, maar uit de egoïstische verwachting dat ook wij een keer aan de beurt komen, of van hun voorspoed kunnen profiteren.”

Waar een lezer van de Heidelberger Catechismus wellicht nog enig licht ziet gloren, verkeert dit bij La Rouchefoucauld in eeuwige duisternis. De mens wordt bij hem naakt, kaal en sidderend aan de dijk gezet, maar niet dan nadat hij door de filosoof gebrandmerkt is met een gloeiend hete ijzeren staaf.

Hans van Straten (1923-2004) was een liefhebber van het werk van La Rouchefoucauld. In het vroege voorjaar van 1988 schenkt hij aan Igor Cornelissen een exemplaar van een clandestiene uitgave van de Maximes (de collectie van 504 principes). In een begeleidend briefje vertelt hij hem iets over de herkomst. Een clandestiene productie van La Rochecoucauld, uitgegeven bij A.A. Balkema (1906-1996). Het gaat vlg. Hans van Straten om een uitgave uit 1944, hoewel de titelpagina valselijk het jaar 1942 vermeldt. Het boekje werd gedrukt door Meijer te Wormerveer. De omslag vervaardigde Hans van Straten zelf “op de Brother-schrijfmaajien”, zo lees ik in de begeleidende brief. Hans wist waar hij over sprak. Hij kwam – met andere anti-Duitsgezinden als J.B. Chartes en Bert Schierbeek – met regelmaat bij de boekhandel en uitgeverij van Balkema en werkte mee aan zijn clandestiene uitgaven. 

De uitgever August Aimé (Guus) Balkema kwam ter wereld in Avereest (Ov.) en speelde een belangrijk rol in de boekenwereld. In Amsterdam, maar later ook in Zuid-Afrika. Zijn uitgeverij in het Huis aan de Drie Grachten in Amsterdam werd in de oorlog gebruikt als drukkerij waar zo’n vijftig clandestiene uitgaven verschenen, waaronder ook deze uitgave m.m.v. Hans van Straten.

Réflections ou sentences et Maximes Morales par M. de la Rouchefoucauld (Amsterdam, MDCCCCXXXXII) [1944, niet: 1942] - een niet gepagineerde uitgave van de collectie van de 504 principes (Franstalig). Lichtblauw papieren omslag met flappen, vervaardigd door Hans van Straten op de Brother-schrijfmaajien. Oplage 200 exemplaren naar de editie van M.D.L. Gilbert (Paris, 1868), "en Garament de 8 sur papier des manufactures de Pannekoek pour [volgt beeldmerk met de letters A A B]. Met begeleidend briefje van Hans van Straten. Uit de collectie Igor Cornelissen.

Te koop tegen een aannemelijk bod. Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, ook van Louis-Ferdinand Céline, Max Blokzijl, Sandor Marai en anderen.

 

april 26th, 2021 by Jaap de Jong

De oogst van vandaag

Vandaag het exemplaar van Aarts & Kooyman over de Joodse exlibriscultuur in Nederland in de verkoop gedaan. Een schitterend boek, maar anders dan Kees Fens, heb ik geen neiging om een tweede exemplaar (in ongerepte staat) aan te houden. Ik schreef overigens eerder over deze prachtige uitgave.

Verder heb ik met aandacht het exemplaar van Is. Querido over het letterkundig leven (dl. III). in Nederland bekeken. Daarin staan onder meer opstellen van Bram van Collum (1858-1933, pantheïstisch spinozist). Carry van Bruggen en P.C. Boutens. De uitgave heeft enige lichte vochtschade, maar u gaat natuurlijk – net als ik – uitsluitend voor de inhoud. Een bibliofiel kan natuurlijk niet zonder het werk van Piet J. Buijnsters (Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat), maar dat is zo vanzelfsprekend dat ik dat boek hier niet bespreek.

Bijzonder is het werk van de bohemien, dichter en esotericus J.K. Rensburg (1870-1943)(Wereldbouw, Arnhem, 1923).

‘k Ben niet van ’t weerloos soort bourgeois-poëten/Dat leeft voor kunst slechts, niet naar welstand taalt/In week, onmanlijk droomen niet wil weten/Hoezeer het Geld des dichters heil bepaalt.

Het werk van Rensburg is, wat Menno ter Braak schrijft, een “doorlopende ontkenning van het ‘l’art pour l’art’, één uitgebreide encyclopedie van occulte wetenschap”. Ter Braak vergeleek hem met Dè Mouw, maar de laatste bereikte in zijn vers vaak wel de gedichte gedachte, waar Rensburg niet altijd tot het gedachte gedicht kwam. Overigens zit in dit, door Rensburg gesigneerde exemplaar, (t.w. nr. 33 van 250 genummerde exemplaren) een speciaal ingeplakte foto van de utopist, die in Sobibor ellendig aan zijn einde kwam: na een leven lang te zijn uitgelachen, werd hij ook nog eens verbrand, schrijft Carmiggelt ergens. Jaap Meijer schreef over de Joodse graalzoeker J.K. Rensburg een boeiend verhaal en misschien kom ik daar nog wel eens op terug. Over Jaap Meijer volgt t.z.t. ook nog wel meer. Dit echter terzijde van de actuele parels.

Tot slot tip ik De Golem van Gustav Meyrink (1868-1932), die op 47-jarige leeftijd een occulte roman schreef. Eerder hield hij zich weliswaar ook bezig met het spiritisme en andere occulte verschijnselen, maar De Golem gaf hem roem. De roman handelt over de Joodse legende van de uit klei gevormde figuur met een bovennatuurlijke kracht, actief werkzaam ten behoeve van vervolgde Joden. Het boek werd in vele talen vertaald en kwam in Nederland rond 1916 uit in een door Meyrink geautoriseerde vertaling van Lourens.

Dit en nog veel meer bij Cornelissen & De Jong. Zeg nu niet dat ik u niet waarschuwde.

april 23rd, 2021 by Jaap de Jong

George Orwell en het antiquariaat & uitleenbibliotheek

Op de hoek van Pond St. en South End Road in Hampstead is (vlg. Google Maps, 2019) nu een bakkerij gevestigd. Ooit was daar het antiquariaat en de uitleenbibliotheek van Francis en Mary Westrope gevestigd. Zij waren de werkgevers van George Orwell (1903-1950) die op de bovenverdieping kamers huurde en overdag een handje meehielp in het antiquariaat. Hillary Paynter maakte een mooie houtgravure van de plek waar Orwell in de jaren dertig verbleef en werkte.

Die combinatie van antiquariaat en uitleenbibliotheek was een typisch negentiende eeuwse gewoonte waarmee boekhandelaren hun boterham belegden. Natuurlijk, er werd wel eens een boek gejat en – na verwijdering van het eigendomsbewijs – bij een andere uitleenbibliotheek met winst verkocht. Maar het voordeel van de doorlopende klandizie woog daar blijkbaar ruimschoots tegen op. In Zwolle dreef J.C. der Mouw – de vader van de dichter-filosoof Joan Andreas dèr Mouw (1863-1919) – ook zo’n combinatie van antiquariaat & uitleenbibliotheek op de Nieuwe Markt 24. In 1865 verhuist hij naar de Diezerstraat waar zijn vrouw op de bovenverdieping directrice wordt van de lokale meisjes-H.B.S. Der Mouw combineert op de Diezerstraat zijn bezigheden met de muziekhandel die hij overnam van de vorige eigenaar W. Ezerman, zo wordt duidelijk uit de Overijsselsche en Zwolsche Courant van 15 september 1865. Zoiets (en natuurlijk het allerliefst op de Nieuwe Markt 24, waar de latere dichter Joan Andreas zijn eerste indrukken opdeed en de Staphorster vrouwen in klederdracht op de botermarkt zag rondstruinen) wil ik ook wel: BOLAS (als digitale bibliotheek voor het Voortgezet en Hoger Onderwijs) in combinatie met het antiquariaat waar geurig bedrukt papier te koop is. Kortom, een toegang tot het paradijs, een toegang tot kennis. En ook nog eens dicht bij het cafe De Hetebrij ofwel een paradijs zonder dorst. Er zullen wel wat doornen en distels groeien, maar toch. De idee is wonderschoon!

George Orwell, die eigenlijk Eric Arthur Blair heette, heeft minder romantische herinneringen aan zijn tijd bij het echtpaar Westrope. Er kwamen volgens hem voornamelijk oude dametjes die “boeken voor invaliden” zochten: ze weten niet wat ze zoeken, kennen auteursnaam noch titel, maar weten zich wel te herinneren dat het boek een rood omslag heeft. En dan zijn er verlopen types die naar oud brood rieken en je waardeloze boeken pogen aan te smeren.

Het inkopen van boeken vond Orwell daarentegen fantastisch: nergens had hij zo’n plezier in dan op een dorpsveiling een partij boeken te kopen. Liefst voor een paar stuivers. De beduimelde, onverwachte boeken die je in zo’n collectie tegenkomt hebben een heel eigen aroma, schrijft hij. Toch verloor hij op den duur de liefde voor boeken. Hij kocht ze nog wel, maar alleen als hij ze nergens kon lenen. En hij schafte nooit rommel aan. Boeken zijn stofnesten en de aanblik van het papier deed hem denken aan idiote klanten en dode bromvliegen. Die vliegen, niet de klanten (soms vallen dingen mee), gingen bij voorkeur dood op de bovenzijde van een boek.

Het essay Bookshop Memories van Orwell is een buitengewoon amusant stuk en de bibliofiele uitgave van dit essay maakt deel uit van de collectie Cornelissen waarover binnen afzienbare tijd méér.


Orwell, George (1987). Bookshop Memories.[Baarn]: Arethusa Pers. With a foreword by W.E. Butler and a wood-engraving by Hilary Paynter. I.z.g.st., gaaf exemplaar, gedrukt bij de Rampert Lions Press op "Zerkall mould-made paper". Nr. 109 uit een oplage van 150 genummerde exemplaren. Verkocht.

Interesse in de collectie Orwell? Neem contact met ons op. Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong
april 18th, 2021 by Jaap de Jong

Het witte gevaar. De anarchist Wichman over melk

In de jaren negentig fietste ik met regelmaat door het Utrechtse Wilhelminapark naar de binnenstad. Reed ik door de Nachtegaalstraat, dan dacht ik altijd even aan de anarchist Erich Wichman[n] (1890-1929), de jongere broer van de feministe Clara Meijer-Wichmann. Bij nummer 37, het geboortehuis van Erich en zijn zus, tikte ik op de rand van mijn hoed. Een klein gebaar, ik weet het, ter herinnering: wat kon ik meer doen? De jong gestorven anarchist Erich Wichman zou het waarschijnlijk niet op prijs hebben gesteld.

Wichman was antiburgerlijk, een komeet aan de kunstenaarshemel, flamboyant, veelzijdig. Hij kon werkelijk alles en deed ook veel. Hij correspondeerde met Kandinsky, was bevriend met Hendrik Marsman en Pyke Koch, schreef een filmscript met Joris Ivens, maakte litho’s die werden afgewerkt door Arthur Lehning en had contacten met de Italiaanse futurist Marinetti. Erich Wichman was een rusteloos denker en een ongedurig doener. Er beklijfde weinig. Had hij iets onder de knie, dan was er weer iets anders.

Die onrust was er al vanaf het begin. In maart 1903 was hij, als dertienjarige leerling van het Utrechtse Stedelijk Gymnasium gestuurd met een brief van de rector die zijn vader Arthur schrijft dat hij zich afvraagt of een leerling die “met geladen pistool in de klasse komt, kortom, hoogst gevaarlijk is nog verder het Gymnasium mag bezoeken.’ Wichman was dol op een polemiek en had hij een eeuw eerder geleefd dan was hij vast gestorven tijdens een duel met een eerrover of met iemand anders door wie hij zich onheus bejegend voelde.

Er is veel te vertellen over Wichman. Ik laat de politiek terzijde en ga niet in op zijn inspanningen voor de Rapaillepartij, een vrije socialistische groep die in Amsterdam twee zetels veroverde waarvan er eentje vergeven werd aan Cornelis de Gelder oftewel de zwerver Had-je-me-maar. Ook flirte hij met het Italiaanse fascisme, m.n. met de persoon van Mussolini. In alles wat Wichman deed speelde alcohol mee: hij was een principiële alcoholist.

In Het Witte Gevaar gaat Wichman los op alles wat volgens hem lelijk is. Hij geeft melk de schuld van al het onheil in Nederland: een land van melkmuilen. Melk, uitsluitend bedoeld voor zuigelingen van de koe, was ongezond en leidde tot kanker en hartfalen. Het is een bedreiging van de geestelijke volksgezondheid en leidt tot duimzuigen, bedwateren, neuspeuteren en wat al niet meer. Alleen kinderen drinken melk. Wichman had de Schrift natuurlijk wel aan zijn zijde en die citeert hij dan ook: Want een iegelijk, die der melk deelachtig is, die is onervaren in het woord der gerechtigheid; want hij is een kind (Hebr. 5:13).

Wichman werd op 4 januari 1929 op Zorgvlied begraven. Toen hij met een aantal studenten probeerde de dijken van de Vecht te versterken, vanwege een dreigende overstroming, liep hij een longontsteking op die hem het leven kostte. Een komeet stortte neer. Een anarchist sterft na het vervullen van een burgerplicht. Het was nog geen anderhalf jaar na het ter perse leggen van Het Witte Gevaar.

Wichman, Erich (1928). Het witte gevaar. Over melk, melkgebruik, melkmisbruik & melkzucht. Een ketterij tegen de goden dezer eeuw. Maastricht: Leiter-Nypels. Verscheen gedeeltelijk in “De Vrije Bladen” (augustus 1927). Oplage: 250 genummerde exemplaren (waarvan dit exemplaar nr. 181 is). Boekversiering is naar tekeningen van H. Jelinger, 33 pagina’s. Eerder eigendom van dr. Klaas Steur jr., uit de collectie Igor Cornelissen. Rood-zwarte belettering. I.g.st., rug enigszins gehavend. Binnenwerk uitstekend. Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

april 16th, 2021 by Jaap de Jong

Zwerfziek verlangen. Over Marsman en Van Schendel

Zojuist  wat boeken van Arthur van Schendel (1874-1946) uit de collectie Cornelissen ingevoerd. Igor was een liefhebber van Van Schendel. De schrijver Arthur van Schendel was altijd op reis tussen twee landen: Italie en Nederland. Was hij in Italië dan schreef hij over Nederland, maar was hij in Nederland dan verkoos hij te schrijven over Italië. Het is net zoals met het verlangen. Ben je hier, dan wil je juist daar zijn. Dit natuurlijk terzijde.

Op de eerste bladzijden van De Waterman staat een kind met zijn enkels te verkillen in wind en weer in een mistig land. Op de laatste bladzijde zinkt een man voor eeuwig in de stroom. Daartussenin de geschiedenis van de wat zonderlinge hoofdfiguur, de schipper Maarten Rossaart, die zich aansluit bij de religeuze beweging van de Zwijndrechtse nieuwlichters. Hij is een zwerver, zoveel is duidelijk. Ik ben een dolle liefhebber van dit soort boeken. Marsman, een dichterlijke waterman, die bovendien zijn dood (in  het water) in zijn poëzie esthetisch aankondigde, wijst in een prachtig gedicht op de roman van Van Schendel (1933, 1e druk). U weet wel, in zijn Brief aan een vriend:

Tracht, na uw vijftigste jaar/langzaam te leeren, dat het goed is/als de bladeren vallen; de sterken worden dan toch nog lang niet gerooid; zeg tot u-zelf: ‘ik wil pas vallen/onder den winterstorm’. -/mij kan soms nu het verlangen al overvallen/naar onze latere jaren/als ik niet meer gekooid/in dit zwerfziek verlangen/wonen zal in het huis aan de breede rivier.

hoe goed zal het zijn

(…) dan zitten wij ’s nachts bij het vuur en ik lees u voor uit een boek dat ik dan heb geschreven/een boek als ‘De Waterman’/Of lacht ge, dat dat niet kan?”

In het aangeboden exemplaar van De Waterman zit een ex libris van Wendelien Houwing. Ik heb nergens een spoor van haar kunnen traceren. 

Verder wijs ik op de zojuist ingevoerde bundel van Henriette van der Holst van der Schaik. Niet zozeer, of beter, niet alleen, vanwege het mooi uitgevoerde boek, maar vooral ook vanwege de ex libris van Henk Sneevliet (1883-1942) die afgelopen week 79 jaar geleden, op 12 april 1942, op de Leusderheide bij Amersfoort werd gefusilleerd. Ik ben maar een oppervlakkig kijker, maar misschien is het ex libris van de hand van Fré Cohen die in de jaren dertig een stijl voerde die mij doet denken aan de nieuwe zakelijkheid.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, ook van Van Schendel

april 15th, 2021 by Jaap de Jong

Ank van Pagée en het ideale antiquariaat

Tussen de boeken van Igor zit veel moois, maar de vondst van vanmorgen is erg bijzonder. Het betreft een uitgave ter gelegenheid van de tentoonstelling ‘Petit Hommage Ank van Pagée’ in het Museum De Stadshof dat tussen 1994 en 2001 in Zwolle was gevestigd. Van Pagée schilderde het leven in felle kleuren, soms ook in zwart-wit. Ze maakte tekeningen, collages, maar ook portretten waaronder een zachtmoedige Maarten Biesheuvel, een ietwat trieste – nu eens zittende – Alberto Giacometti en een bloemige Gerrit Komrij.

Er is ook een portret van Igor Cornelissen, een lino (uit 1986). Voor die gelegenheid zat Igor achter piano. De pijp (of is het een cigaar) ontbreekt niet. Dat portret is niet opgenomen in dit boekje.

Ank van Pagée (1956-1995) was naast kunstenares, ook antiquaar. Zij had een antiquariaat op de Brink in Deventer, tussen het station en café Floors. Je kreeg een kop thee en verder werd er gezwegen. Voor boekenbabbels met de antiquaar was geen plaats, zo vertelt P.J. Buijnsters in een essay dat in de bundel is opgenomen. Igor had het plan om een serie te maken over antiquariaten en reisde daarvoor naar Enkhuizen, Amsterdam, Rotterdam, Tiel en natuurlijk ook naar de Brink in Deventer bij het antiquariaat van Ank van Pagée. Helaas raakte Igor zijn aantekeningen kwijt en was daarmee ook het plan van de baan. Ik hoop dat ze teruggevonden worden.

Igor bezocht het antiquariaat met zijn vrienden (Van Straten, Meijer, Wierema, Groeneveld). Allemaal erkende verzamelaars. Hij noemde het antiquariaat aan de Brink een oase van rust. Het speelt een rol in zijn roman De zender van Polk waar eigenaresse Ank vereerd mee was, want voor de eeuwigheid genoteerd. Hij wist niet dat het bij Ank zelf aan rust ontbrak. Zij schonk hem een boek van de Weense koffiehuisauteur Peter Altenberg waar zij een opdracht in schreef: ‘Zwischen Verbitterung und exzeptioneller Sanftmut verbringen wir nun unsere bange Tage’. Later schonk ze nog meer weg en maakte geen rekeningen meer. En daarna was er het einde. De laatste zin uit het opstel van Igor luidt: “Ik heb alleen maar haar zachtmoedigheid leren kennen. Wie kan van een ander mens een volledig portret schilderen?”.

Als ik het boek van Peter Altenberg tegenkom verkoop ik ook dat niet.

Het antiquariaat van Van Pagée had voor Igor veel van het ideale antiquariaat. Je treft er goede boeken (liefst met stofomslag en ingestoken liefdesbrieven). Het is er ruim, overzichtelijk en toch vol met verrassingen. Er zijn geen donkere hoeken met vochtige bananendozen en boekenweekgeschenkjes. Er heerst rust en er troont, zo schrijft Igor, “een eigenaresse, zacht en zonder nadruk als een weelderige prinses tussen haar boeken”.

Die prinses heb ik al, evenals de boeken. Nu nog de ruimte.

april 12th, 2021 by Jaap de Jong

Ronit Palache over Rubinstein, de Meijers, vriendschap en nog wat dingen. Een podcast

Renate Rubinstein (1929-1990) en Ischa Meijer (1943-1995) waren bekende journalisten in de tweede helft van de twintigste eeuw. Onder het pseudoniem Tamar schreef Renate Rubinstein columns in Vrij Nederland. Haar stijl was persoonlijk, helder en beknopt. Van haar jongere collega Ischa Meijer wordt wel gezegd dat hij de beste interviewer van Nederland ooit was. Ook wel dat hij vooral zichzelf beschreef in het portret dat hij van anderen gaf.

Hoe verhield Renate Rubinstein zich tot Friedrich Weinreb (1910-1988) en welke rol speelde haar vader daarin? Wat is dat toch; wat willen we wel en niet geloven en wat heeft die zelfmisleiding te maken met ons geheugen? Kan Rubinstein ons iets leren als het gaat om de balans tussen onafhankelijkheid en meebewegen en wat dan wel?

In deze podcast praten Igor Cornelissen, Ronit Palache en Jaap de Jong over het journalistieke werk van Renate Rubinstein en Ischa Meijer. De bewondering die Ronit heeft voor de visionaire blik van Renate en haar kritische kijk op de politiek, haar onafhankelijkheid, maar ook haar ambivalentie. We praten over vrijheid en onafhankelijkheid, maar ook over de grenzen daarvan. Over de liefde tussen Renate Rubinstein en Simon Carmiggelt. Igor Cornelissen ontdekte na de dood van Carmiggelt dat Renate Rubinstein en Simon Carmiggelt meer met elkaar deelden dan de liefde voor het woord.

Dat niet alleen; er komt nog veel meer op tafel, zoals de vriendschap tussen Jaap Meijer (1912-1993) en Igor Cornelissen en zijn verhouding tot Ischa. Wat is voor hen belangrijk in die vriendschap en waarom eigenlijk?

De muziekmontage van de podcast werd verzorgd door Sacha Boulogne van AppStudio.nl. Het boek Bange mensen stellen geen vragen is verkrijgbaar in de betere boekhandel en bij antiquariaat Cornelissen & De Jong (gesigneerd op 10 december 2020 in ’t Wasdom).

Beluister hier de podcast!

april 11th, 2021 by Jaap de Jong

Liefdes Kronkelpaden

De afgelopen dagen gingen er duizenden boeken door mijn handen. Heel veel schoons en ook veel dat bijzonder is. Een van de meer bibliofiele boekjes – en niet in de handel – betreft het verhaal dat Igor Cornelissen schreef over J.A.N. Knuttel (1878-1965). Ik las het gisteravond voor aan de geliefde en bedacht toen dat ik Knuttels wederwaardigheden wel openbaar kon maken.

Igor interviewde de Neerlandicus, nudist en communist dr. J.A.N. Knuttel op een snikhete zomerdag in 1963. Ruim vijftig jaar spreekt hij zijn spijt uit over de door hem gemiste kansen: te veel politiek, te weinig literatuur. En Knuttel kende nogal wat schrijvers. Geen kleinen, maar groten: J.H. Leopold, Herman Gorter, Vondel en Bredero. Kortom, een hemel vol. Hij beschreef het eerder in Vrij Nederland:

“Ik had Knuttel helemaal niets moeten vragen over zijn politieke opvattingen. Hij had mij een prachtig verhaal kunnen vertellen over zijn jeugd, zijn studiejaren, zijn korte periode als leraar Nederlands aan het Rotterdams gymnasium en – vooral – over zijn eerste liefdes” (Vrij Nederland, 16 december 1989).

Knuttel was een lyricus, geen purist. Hij hield van een goed glas wijn en na twee of drie glazen had hij vast iets losgelaten uit een goudmijn aan anekdotes en bijzonderheden, bijvoorbeeld over de liefdesgeschiedenis die zich tussen hem en zijn leerlinge Nyza de Jong ontwikkelde. En over zijn dromerijen waarover hij schreef in de bundel Verzen aan N. de J.:

Jouw lijf naast het mijne, en zoo maar te hopen/En om ons de dingen, wier doen we niet zien,/Alleen te verlangen, niet week’lijk te hopen: aan ons is het nemen, geen wachtend “misschien”.

Knuttel lag nooit met zijn leerlinge Nyza in het hete zand. Hooguit was de wens de vader van de gedachte of in elk geval van het gedicht, maar toen hij op 25 mei 1905 met rode rozen op weg ging om Nyza met haar zeventiende verjaardag te feliciteren ging het mis en moest hij zich verantwoorden voor de rector en het curatorium. Hij kreeg het advies ontslag te nemen, waaraan Knuttel gehoor gaf. Nog geen twee jaar later maakte hij kennis met de Zwolse Maartje Visser – toen nog getrouwd met Henk Sneevliet en wist haar voor zich te winnen. Of beter: zij hem. Ze trouwden in november 1908.

De liefde of beter de roman Liefdes Kronkelpaden hield Knuttel intussen wel in de ban. In 1907 verschijnt bij W.L. & J. Brusse Liefdes Kronkelpaden. De roman van een jongen. Het boek verschijnt onder het pseudoniem K.T. Nieulant. In de tweede druk wordt aangegeven dat het boek van J.A.N. Knuttel is. Knuttel thematiseert in zijn roman de relatie tussen gevoel en verstand. Verschillende recensenten prijzen zijn inzicht in de psyche van de vrouw, maar in zijn roman schemert ook de liefde door voor de natuur, de zee, het strand en de fysieke aanraking. Knuttel was een overtuigd nudist en wilde het liefst zonder knellende kleding dichter bij de natuur komen.

Ik besluit met een citaat uit Liefdes Kronkelpaden. Dat deed mij denken aan de laatste zin uit Arthur Koestler’s Nacht in de middag, maar dat is een ander verhaal.

“De zee lag rimpelloos te droomen, bleef zich wonder gelijk tot een dampigen horizon en dat gezicht reeds gaf zekeren vrede. Hij voelde dat hij van de zee hield. Zóó in deze sombere, dreigende stilte en ’t was of zijn armelijk leed smolt in een veel grooter, dat door zijn eigen schoonheid tot geluk werd, of hij in juichtonen van uitrijzen boven lijden de oneindig verdiepte wateren zou willen groeten.”


Nieulant, K.T. [pseudoniem voor J.A.N. Knuttel](z.j.). Liefdes Kronkelpaden. De roman van een jongen. Rotterdam: W.L. & J. Brusse. Rug kwetsbaar en deels loslatend, kwetsbare omslag, binnenwerk uitstekend (nog niet losgesneden), 2e druk, 226 pp., rode en zwarte belettering. Zeer zeldzaam, niet in de handel.

Knuttel, J.A.N. (1991). Verzen aan N. de J. Rotterdam: Uitgeverij Ordeman. I.z.g.st., 48 pp. beperkte oplage (250 ex.).

In combinatie met Liefdes Kronkelpaden € 160,00 (incl. pak- en verzendkosten binnen Europa). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

april 7th, 2021 by Jaap de Jong

Heet van de naald. Over Max de Jong, de hospita en de tollenaar

Met Pasen vertelde mij een vriend uit Amsterdam dat ik Heet van de naald van Max de Jong zou moeten lezen. Nog geen dag later trek ik de bundel uit de nalatenschap van Igor uit de kast. En begin het staande te lezen om niet meer op te houden. Het zoemt nog steeds na in mijn hoofd.

Het is een lang, tragisch liefdesgedicht van 91 strofes van vier regels. Het leverde Max de Jong (1917-1951) roem en faam op. Tot op de huidige dag. Het gaat om een romanticus toevend in kamers, volgeladen met boeken die hij van een lastige hospita moet verlaten omdat hij zich niet houdt aan de geschreven en ongeschreven regels. Oorlogen voert hij met haar. Oorlogen die hij dan wel wint, maar wat dan wel met zich meebrengt dat hij “doorgaans op een opgezegde kamer woon – die woningnood is een bezoeking / en verhuizen is ook haast niet te doen met al die boeken! Ik snak er naar”.

Ik deel niet alleen de achternaam met Max. Ook ik moet verhuizen met tienduizenden boeken, net zoals mijn mede kantoorgenoten. Niet van een hospita, maar van een projectontwikkelaar; een soort tollenaar, maar niet eentje die zich, in de Zacheüs-positie, schuilhoudt in een boom.

“Jammer is zo iets”, luidt de laatste regel van het gedicht

Dat is ook zo.

Los van dit alles beschik ik over een unieke uitgave van de bundel, een nog niet bekende variant van Van Oorschot. Het ziet er anders uit dan de haar bekende eerste druk van de bundel, zo mailde Marsha Keja (literair onderzoekster & kenner van het oeuvre van Max de Jong) mij. Na het 29 bladzijden tellende boekje is een gedicht (in handschrift) van de criticus N.A. Donkersloot (1902-1965) afgedrukt. Het gaat om Le Jongleur de Notre-Dame (uit 1934). Ook het formaat wijkt af van die van de eerste druk. Verder weet ik toevallig dat Geert van Oorschot met de naoorlogse papierschaarste kampte. Heeft het daar iets mee te maken?

Jong, Max de (1946). Heet van de naald. Amsterdam: G.A. van Oorschot. I.z.g.st., met rode belettering op voorplat en titelpagina, 29 pp. Mede ingenaaid (laatste pagina): een handschrift van Le Jongleur de Notre-Dame (van N.A. Donersloot). Omslag met flappen, afwijkend formaat van reguliere 1e druk. Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

april 4th, 2021 by Jaap de Jong

Licht dat blijft

Zaterdag een lading kunstboeken en reproducties uit een opbergplaats gehaald, gesorteerd en naar het antiquariaat gebracht. Tussen veel ander moois (zoals Millet Mappe – Feuerbach Mappe) vond ik ook een studie over de wordingsgeschiedenis van De aardappeleters van de hand van de kunsthistoricus J.G. van Gelder (1903-1980). Dat verhaal interesseerde mij en niet zonder reden. In de jaren zeventig bezocht ik met mijn familie het Kröller-Müllermuseum. Wij gingen voor het eerst op vakantie en kampeerden in de achtertuin van een tante en oom die op de Veluwe woonden. Het regende die zomer alsof het november was. Alles nat in Nunspeet, dus naar het museum om op te drogen. Ik was nooit eerder in een museum geweest. Dat is logisch, kunst is ijdel vermaak.

Kort voor vertrek uit het museum mochten we een plaat uitzoeken. Ik koos voor De aardappeleters, een schilderij van Vincent van Gogh (1853-1890) uit de beginjaren van zijn carriere, toen hij Jean-François Millet (1814-1875) bewonderde. Millet legde het boerenleven vast en Van Gogh kopieerde hem. (verg. bijv. De Zaaier). Maar dat wist ik toen niet. De reproductie van De aardappeleters hing jarenlang boven mijn bed. Mijn keuze werd, denk ik, ingegeven door het licht dat boven de tafel hing en het vriendelijke gelaat van de boer die zijn, zo lijkt, wat somberende vrouw de melk aanreikt. Het contrast tussen het licht en de somberte. Tussen wat nog jong en dat wat ouder is, ja zelfs de verwelking nabij. Waarschijnlijk zou ik nu een volop bloesemende & bloeiende amandeltak met blauwe achtergrond kiezen. Van Gogh wees mij een uitnemende weg: vanuit het donker naar het licht. Contrast.

De kunstkenner Van Gelder bestudeerde voor zijn opstel ook de brieven van Van Gogh die, zoals iedereen weet, beter schrijft dan dat hij schildert. In een brief aan Anthon van Rappard (1858-1892) vertelt Vincent: “Ik schilder tegenwoordig niet alleen zoolang ’t licht is, doch zelfs ’s avonds bij de lamp, in de hutten, als ik ternauwernood iets op mijn palet kan onderscheiden, om zoo mogelijk iets te vangen van de eigenaardige effecten van verlichting ’s avonds, met bv. een groote slagschaduw op den muur.”

Het motief van het wroetende boerenleven, de lichtheid en de zwaarte, herhaalt Van Gogh. Zoals ook in 1885 als hij de half afgebroken toren op het kerkhof in Nuenen schildert. Het was in het jaar dat zijn vader stierf. “Ik heb willen zeggen”, zo schrijft hij zijn broer Theo, “hoe doodeenvoudig het sterven en begraven gaat, doodleuk als ’t afvallen van het herfstblad (…) hoe echter het leven en sterven der boertjes almee ’t zelfde is en blijft, gelijkmatig uitspruiten en verwelken als ’t gras en de bloempjes die daar wassen op dien kerkhofgrond. Les religions passent, mais Dieu demeure.” Het strak realisme, zoals dat van Anselm Feuerbach (1829-1880) was uit de mode. Maar met zijn techniek, palet en penseel kreeg de anatomie van het landleven het accent dat openbaart. En zo spreekt Van Gogh liegend de waarheid.

Contrast, continuïteit en verandering, bloei, verwelking, dood en opstanding. Veranderende vormen. Het licht blijft.

Gelder, J.G. van (1942). De genesis van de aardappeleters (1885) van Vincent van Gogh, in: Beeldende kunst. Maandblad onder redactie van A.M. Hammacher, J.G. van Gelder en Paul Haesarts. Jaargang 28, 1942, aflevering 1, pp. 1-8. Met acht losse platen  (compleet). Gaaf exemplaar, zeldzaam. € 22,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Millet Mappe. Herausgegeben vom Kunstwart. Kunstwart-Verlag bei Georg D.W. Callewy in München. 11 Tafeln (zw./w.), ca. 1920: Die Scholle - Der Säemann - Der Frühling - Aehrenlesserinnen - Gebetläuten [ontbreekt] - Der Manne met der Hacke - Die Schäferin - Küh an der Tränke [Holszschnitt von Baude] - Die Wasserschöpferinnen - Der Wildvogelzug - Der Tod und der Reisigträger - Die Kirche von Gréville. € 30,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

april 2nd, 2021 by Jaap de Jong

Wie was Jezus? Over de Jezus van Den Heyer, Schweitzer en Van Messel

Eergisteren overleed Cees J. den Heyer (1942-2021). Twintig jaar geleden las ik een paar van zijn boeken: over 150 jaar Jezus-onderzoek, over verzoening en – als laatste – zijn autobiografie Ruim geloven. Een theologisch zelfportret. Den Heyer was voor mij de hekkensluiter, na Albert Schweitzer, Herman Wiersinga, Harry Kuitert en nog een paar anderen.

Schweitzer vond ik de meest fascinerende figuur: filosoof, theoloog, arts en een liefhebber van Bach over wie hij een technisch-muzikale biografie schreef.  Dat hij piano speelde in het oerwoud bij Lambarene – Chopin’s Nocturnes uiteraard [maar dat heb ik niet gecheckt] – vond ik fascinerend. Bovendien bespeelde hij in 1932, toen hij tijdens zijn reis door Europa Zwolle aandeed, ook het Schnitgerorgel. Ongetwijfeld tot genoegen van zijn vriend Gerardus Horreüs de Haan (1879-1943), de rode dominee, die hier als predikant actief was en op Groot Wezenland woonde. Maar Schweitzer schreef ook een baanbrekend onderzoek over Jezus, promoveerde later nog eens als filosoof. Ik denk dat hij in zijn filosofie Eerbied voor het leven nog wel het beste demonstreerde dat hij iets begreep van wat het ding van Jezus was.

Na het lezen van Den Heyer was ik wel zo’n beetje klaar met de theologische dogmatiek. Het was een lange weg: van de gereformeerde dogmatiek van G.H. Kersten tot Kuitert’s Algemeen betwijfelde christelijk geloof. Ik was weer terug bij wie ik was als achttienjarige jongen die tegen zijn vader zei dat het allemaal wel mooi en aardig was die godsdienst, die hemel of die hel, maar dat mijn portie wel naar Fikkie kon als het in het hier en nu niks uitwerkt.

Met Jezus had ik nooit zo veel. Zo zoet, zo weeïg als hij meestal werd afgeschilderd. Wel met God die bij mij nooit een baard droeg. Van Hem weet ik natuurlijk veel minder dan de predikers die ik over Hem hoorde. Alleen dat Hij het ontoegankelijk licht bewoont; dat Hij toeft aan de rand van het naderbare en is in het ruisen van de moerbeitoppen. Dat zijn Zijn – wat het ook is – het allermooist verfilmd wordt in Reygades’ Stellet Licht, een verhaal dat speelt in Mexico en opgenomen is met Mennonitische amateur-acteurs. De existentialistische thematiek en de aanpak heeft veel weg van Ingmar Bergman. En dan is er de prachtige filmstijl: adembenemend is de beginscene: het lichtende licht. Dat is genoeg.

Den Heyer was zijn leven lang bezig met het thema die de grote dichter Saul van Messel in een A-viertje samenvat, maar dan van een andere, niet-christelijke, zijde. Wie was Jezus (als jodenjongen)?

Bloed-verwant / envoi – wij noemden hem doodgewoon jeizele / dat klonk grover dan jesulein / de tole heette ook wel thuis: de gehangene aan het kruis // toen ik later bij klausner las / hoe hij als jodenjongen wel was / heb ik dat nauwelijks bevat / binnen het raam van mijn jiddisjkat / hoelang dacht ik was het geleden / dat hij op nieuwjaar was besneden / wie fungeerde als mool / als gevatter / wie zong toen de geijkte gebeden.

Uit: Saul van Messel (1988) – Golgotha met rente. Joodse jezus-poezie. Heemstede: eigen beheer.


Heyer, C.J. den (1997). Verzoening. Bijbelse notities bij een omstreden thema. Kampen: Kok - Heijer, C.J. den (2000). Ruim geloven. Een theologisch zelfportret. Zoetermeer: Meinema - Heijer, C.J. den (1996). Opnieuw: Wie is Jezus? Balans van 150 jaar onderzoek naar Jezus. Zoetermeer: Meinema. Alle boeken in goede staat. Wat leesvouwtjes in de rug, verder geen gebruikerssporen. € 35,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

PHP Code Snippets Powered By : XYZScripts.com