in 't Wasdom

antiquariaat Cornelissen & De Jong – Zwolle

Archive for the ‘Aantekeningen van een antiquaar’ Category

juli 25th, 2021 by Jaap de Jong

Gediskwalificeerd als heilige: Thomas a Kempis

Ik moest vandaag denken aan de verdwenen kaak van Thomas a Kempis (ca. 1480-1571). Aanleiding is de 550e sterfdag van de man van de Agnietenberg die door de stad Zwolle heilig is verklaard. De katholieke kerk bevestigde dat nooit en die gaat echt over de heiligverklaring, zo is mij verteld. De sterfdag van Thomas is vandaag groots gevierd: op de hoek van de Sassenstraat-Goudsteeg werd zijn portret onthuld.

Ooit wilde men Thomas dus heilig verklaren. In die gang tot ‘de eer van de altaren’ werden de stoffelijke resten onderzocht op wondertekenen. Stel, zo schrijft Pieter van der Ven, in een artikel in Trouw “dat de hand waarmee hij zoveel had geschreven gaaf was gebleven. Dan was daarmee overtuigend het bewijs van heiligheid geleverd”

Het mocht niet zo zijn. Het graf ging open en daar lag hij zonder gave hand en zelfs op de zij gedraaid. Wat was er gebeurd? Het verhaal gaat dat de broeders van de Agnietenberg de oude Thomas levend in de kist hadden gestopt en dat hij een poging had gedaan zich daaruit te bevrijden. En daarmee zou hij zich tegen Gods wil hebben verzet en zich diskwalificeren voor de heiligverklaring. Die laatste poging maakt Thomas sympathiek voor mij: de mens in opstand en tegenspraak maakt de mens tot mens.

Tien jaar geleden, in 2011, is de schrijn in de Peperbuskerk opnieuw geopend om, zo was het idee, met de overblijfselen van de schedel het gezicht van Thomas te reconstrueren. Toen bleek dat de kaak ontbrak, naast nog wat andere onderdelen. Er is dus nogal wat gerommeld in de schrijn van Thomas. Zo zou in 1847 de kaak als relikwie naar een klooster in Frankrijk zijn gebracht en bevinden zich andere resten in Keulen. De Zwolse historica Lydie van Dijk vond het bewijs en checkte het in de archieven van de abdij van Solemnes.

Het portret van Thomas a Kempis is gemaakt door de kunstenaar Donovan Spaanstra. De Thomas die ik uit andere portretten ken ziet er een beetje tobberig uit. Zo iemand schopt het niet tot influencer van en voor Zwolle. De Thomas van Donovan Spaanstra heeft een meer jeugdig uiterlijk, ietwat wulpse lippen ook. Ten laatste zijn er door Spaanstra nog wat denkrimpels aan het gezicht van Thomas toegevoegd, de finishing touch: alles voor de stadsmarketing en de god van het toerisme.

Schone schijn.

Zelf had Thomas niet zoveel met Zwolle en ook niet met de eeuwige roem. Lucht en ledigheid, ja louter ijdelheid was dat wat zich daar in de stad afspeelde. Thomas zat op de berg en keek in het dal, kopieerde de bijbel tot vijf keer toe en beschreef met onontkoombare regelmaat het afgeleefde leven van een uitgeleefde broeder. En natuurlijk de bestseller die hem wereldberoemd maakte: de Navolging.

Thomas a Kempis was de schrijver van de Navolging van Christus waarvan de titel in elk geval meer gelezen werd dan de bijbel. Ik denk niet dat het opnieuw een bestseller wordt. In mijn adolescentiejaren las ik een protestantse, dus gekuisde versie van de Navolging. Ook schijnt er een versie te zijn die als handboek bij een cursus voor managers werd gebruikt. Zelf heb ik nooit een manager ontmoet die de Navolging na die cursus ook werkelijk praktiseerde. Dit terzijde.

Het laatste woord aan Thomas a Kempis. Het is niet de meest praktische, wel een meer mystieke uitspraak – en misschien de uitkomst van een leefwijze – en het zou ook wel een citaat van Eckhart of Lao Tse kunnen zijn.

“Hij, voor wie alle dingen één zijn, die alle ding op dat ene betrekt, en alles in dat ene ziet, hij kan vast staan in zijn hart, en in God een ongestoorde vrede bezitten.”

En hier nog eentje vanaf de top van de Agnietenberg: “Vraag niet wie iets gezegd heeft, maar geef acht op wat er gezegd wordt. Mensen gaan voorbij, maar het woord van de Heer blijft een eeuwigheid.”

De papieren uitgave van de Navolging van Christus is niet te koop, althans niet bij ons. Er staat wel een digitale versie van de vertaling van Is. van Dijk op de onvolprezen website van de DBNL.


Wilt u toch “met een boekske in een hoekske” dan zijn er altijd nieuwe oude boeken bij het antiquariaat Cornelissen & De Jong

juli 8th, 2021 by Jaap de Jong

De stinkvoeten van de dochter en de bekoring van Klaas Schilder

In het kerkblad De Reformatie van 15 januari 1926 wijdt de gereformeerde hoogleraar Klaas Schilder (1890-1952) positieve woorden aan een boek van F.J.G.W.C. Engelberts (1880-1929). Zij schreef in 1925 een biografische roman over de politicus en dichter Onno Zwier van Haren (1713-1779) die door een onfris gebeuren in de belangstelling kwam. 

Klaas Schilder haalt in zijn recensie wel uit naar de uitgeefster G.J.A. Ruys die het aan hem geschonken exemplaar uit zuinigheid van een aantal stempels voorzag. Was de uitgeefster misschien bang dat Schilder zijn recensie-exemplaar aan de plaatselijke boekhandel zou slijten? Schilder schrijft:

“De uitgave is uitnemend verzorgd; mijn exemplaar bekoort me tenminste. En iedere kooper krijgt nog iets beters in bezit dan ik; want de uitgeefster heeft mijn ingenaaid exemplaar (evenals van het hierboven besproken boek) voorzien van heel dikke en heel leelijke stempels, ook in den tekst. Precies als de bibliothecarissen doen, die bang zijn, dat hun boeken door vreemden gestolen zullen worden.”

Klaas Schilder was boekenliefhebber, veelweter en een gevreesd polemist. Hij was tevens één van de hoofdrolspelers bij de scheuring van de Gereformeerde Kerken in 1944. Schilder schreef over alles; uiteraard ook over de hemel. Ik las bij Buskes – in Hoera voor het leven, als ik mij niet vergis – dat zijn veelweterij hem definitief ontroofde van zijn plaats in de hemel. Die plek werd hem door kerkelijke tegenstanders betwist. Een student schrijft bij zijn dood het grafdicht: Hier ligt professor Schilder / heel eenzaam in zijn kist / Hij mocht niet naar de hemel / omdat hij alles al wist. Dit terzijde.

De hier aangeboden biografische roman van Engelberts gaat over de Friese politicus en dichter Onno Zwier van Haren. Aan zijn glanzende politieke carrière komt abrupt een einde als hij in het openbaar door zijn aanstaande schoonzoon Van Hogendorp van incest wordt beschuldigd. Eerder was hij onder druk gezet, gaf hij de beschuldiging toe, tekende een zwijgcontract en zocht hij de politieke luwte op. Maar iets later weerspreekt Onno Zwier van Haren de beschuldigingen. Dat doet hij door in zijn Deductie op de onaantrekkelijkheid van zijn dochters te wijzen: “de één verschrikkelijk door de kinderziekte aangetast, met bloeddoorlopen ogen en stinkvoeten, de ander ziekelijk, zelfs nog niet huwbaar en sinds 11 jaar lijdend aan een zwaar ongeluk.” De door de dichter-politicus gekozen “strategie” – eerder een soort prisoner’s dilemma – leidde er mede toe dat het nooit meer goed kwam tussen hem en zijn dochters Betje en Carolina. Het heeft er veel van weg dat de beschuldigingen niet los staan van politieke intriges en machtsspelletjes.

Anders dan het exemplaar van Klaas Schilder bevat het door Cornelissen & De Jong aangeboden exemplaar géén stempels.

L.E. [Engelberts, F.J.G.W.C.] (1925). Een vergeten proces. Utrecht: G.J.A. Ruys. I.z.g.st., hardcover, mooi exemplaar, maar met wat vlekjes op het voorplat. Omslagillustratie en band van R. Mijnssen. Zeer zeldzaam. Uit de collectie van Igor Cornelissen. € 95,00

Interesse? Neem contact met ons op. Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong

juli 7th, 2021 by Jaap de Jong

Van Eerbeek, David Joris en de Vechtse Strooschippers

Vanmiddag ging de roman Strooschippers van J.K. van Eerbeek (pseudoniem van de bakkerszoon Meindert Boss, 1898-1937) door mijn handen. Het boek komt uit de collectie van Igor Cornelissen die er ook aantekeningen bij maakte (in potlood). Hij schafte de roman van Van Eerbeek op 17 maart 1983 aan.

De datum is er met potlood bijgeschreven. Na je veertigste schrijf je niet meer met een ballpoint in een boek. Het schrift is eeuwig, maar jij en ik zijn van de dag, zo werd mij onlangs verteld.

In Strooschippers staan prachtige beschrijvingen van een religieuze schipperscultuur; binnenschippers die met hun vracht de Overijsselse Vecht en de Regge bevaren en in Zwolle afmeren om op zoek te gaan naar een nieuwe vracht. Ze lezen Smijtegelt en uit de weergave van Van Eerbeek komt een nogal innig christendom naar voren; zeker niet strak-kerkelijk, juist meer mystiek-bevindelijk.

Die mystieke schipperscultuur deed mij overigens ook denken aan de beweringen van de Zwolse historicus en archivaris Thom J. de Vries (1904-1975). Hij stelt in Nescire quaedam dat vroeger bijna alle Vechtschippers Davidjoristen waren. Schippers die er volgens hem om bekend stonden dat ze een losbandig en wanordelijk leven leidden. Volgelingen van de doperse spiritualist David Joris (c. 1501-1556) die in zijn Wonderboeck de indruk wekt een minder gebruikelijke moraal voor te staan. De uitdrukking mijn geest begeert uw vlees stond bijvoorbeeld voor het spel waarbij de heiligheid op de proef werd gesteld door naast een naakte vrouw te slapen. Het was daarbij de bedoeling haar niet aan te raken. Dat mislukte nogal eens, hoewel de geest ongetwijfeld gewillig was. Volgens De Vries werden de schippers door de Zwolse predikant Ds. Assuerus Doyer (1758-1838) overgehaald het Wonderboeck van David Joris aan hem af te staan. Daarna werden zij gewoonlijk rustige doopsgezinde mensen, zo voegt hij er aan toe (Vries, 1962. p. 32). 

De beweringen van Thom J. de Vries zijn helaas niet te toetsen; hij vergat gewoonlijk voetnoten en bewijzen toe te voegen. Wel is bekend dat de Davidjoristen in Overijssel een redelijk grote aanhang hadden (tot in de achttiende eeuw). Ik zou er graag meer, veel meer, over willen weten. In deze heb ik dus niets met Thom J. de Vries die beweert dat het juist van wijsheid getuigt bepaalde dingen niet te weten.

Dit alles terzijde en los van de inhoud van de roman Strooschippers waarin de naam van David Joris zelfs niet wordt genoemd.

Igor vertelde mij eens hoezeer Van Eerbeek geraakt was door een recensie van Menno ter Braak die hij bewonderde en waar Van Eerbeek ook een beetje bang voor was. Ik zocht de beschouwing van Ter Braak over de roman Gesloten grenzen op en begrijp de innige tevredenheid van Van Eerbeek. Ter Braak wijdt maar liefst zes volle bladzijden aan de roman èn de cultureel-religieuze en filosofische positie die Van Eerbeek volgens Ter Braak inneemt.

Van Eerbeek schrijft daar over als hij op zijn einde ligt, in de herfst van 1937:

“Eindelijk erkenning. Ik ben meer dan een verspochte tuberculoselijder. Ik heb iets ontdekt over de waarheid. Het is gehoord. Ik ben erkend. Kan ik nu doodgaan? Ik hou zo van de witte windveren en het blauw boven het weggekamde loof van de linden in mijn straat. Maar er is een koele plek in me. Ik word koud. Is dit de dood?”

Als ik door de Thomas a Kempisstraat langs de vroegere bakkerswinkel van Boss fiets (nr. 69) denk ik altijd aan het blauw van Van Eerbeek. Aan het blauw en het weggekamde loof van de linden. Nu staat er nog steeds een boom voor het ouderlijk huis van Van Eerbeek. Hij liep er rond 1900 als kind langs en schrijft hoe de lindebomen met hun kruinen door zijn raam keken, maar er is in geheel Zwolle nog geen straat die aan J.K. van Eerbeek herinnert.

En dat laatste is natuurlijk een tamelijk grote schande voor de stad Zwolle.

Vries, Thom J. de (1962). Nescire quaedam. Magna pars sapienta est. Bepaalde dingen niet te weten is een groot deel der wijsheid. Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink. Niet in mijn handel 😉

Nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong

juli 4th, 2021 by Jaap de Jong

Over Faust, de frisse waterstromen en ‘der Geist der stets verneint’.

Op een donderdagmiddag, ergens in oktober 2019, hoorde ik in café De Hete Brij iemand een gedicht declameren. Het was de stem van Igor Cornelissen die aan het hoofd van de houten tafel zat en uit het hoofd de Faust van Goethe citeerde:

Ich bin der Geist der stets verneint! / Und das mit Recht; denn alles was entsteht / ist werth daß es zu Grunde geht; / Drum besser wär’s daß nichts entstünde. / So ist denn alles was ihr Sünde, / Zerstörung, kurz das Böse nennt, / Mein eigentliches Element.

Later (of was het eerder?) deden we dat nog eens over, ook in dezelfde kroeg. Igor zong bij die gelegenheid de Internationale en ik psalm 42. Over het ontwaken der verworpenen en een jong hert dat verlangt naar frìsse waterstromen.

Die herinnering schoot me te binnen toen ik zojuist Vijf eeuwen Faust uit de doos haalde om te beschrijven. Het boek bevat een aantal opstellen over de ontvangst van het Faustmotief in de literatuur en de beeldende kunst (o.a. bij Rembrandt [zie afbeelding hierboven] en de dichter Paul Valery).

In diezelfde doos zit De immoralist van André Gide. De roman werd vertaald door Hendrik Marsman en in 1935 door Querido op de markt gebracht. Het boek kreeg als motto een tekst uit Psalm 139 mee: Ik loof u, o Heer, omdat gij mij zo wonderbaarlijk gemaakt hebt. Gide gebruikte nogal eens bijbelteksten in zijn werk. De psalmist heeft inderdaad een punt: nooit ontmoette ik een wonderbaarlijker wezen dan de mens of het moet de eenhoorn zijn. Het punt dat Gide in De immoralist maakt, moet ik nog achterhalen.

Het Dossier Marinus van der Lubbe 1933 / 1934 is typisch Igoriana en onmisbaar voor de connaisseur. De titel openbaart veel: Dossier Marinus van der Lubbe – 1933-1934 – Brochures, vlugschriften en artikelen over Marinus van der Lubbe en de brand in de Rijksdag uit radencommunistische, anarchistische, antimilitaristische en anarcho-syndicalistische hoek.

In het register van laatstgenoemde bundel kon ik het gedicht dat Willem Elsschot bij de dood van Marinus schreef niet vinden. Ik sprak eerder met Igor over Van der Lubbe (het item staat tot mijn verrassing op YouTube). Enfin, hier het gedicht:

Jongen, met je wankel hoofd / aan den beul vooruit beloofd / toen je daar je lot verbeidde / stond ik wenend aan je zijde. (…) Moog je geest in Leipzig spoken / tot die gruwel wordt gewroken / tot je beulen, groot en klein / door den Rus vernietigd zijn.

Dan ligt hier ook nog een biografie van Domela Nieuwenhuis op tafel. De man die eigenlijk nergens bij hoorde, “ook niet bij de proletariërs, al noemde hij ze honderd keer zijn broeders”. Domela Nieuwenhuis bleef wat hij was: een heer van stand. Wat ik heel aardig vond is de aantekening van Igor bij de rijkdom van Domela. Of hem dat een schuldgevoel bezorgde? De historici Romein & Verschoor verklaarden de rol van de profeet en revolutionair Domela Nieuwenhuis uit een onbewust schuldcomplex. Jan Meyers stelt dat het een slag in de lucht is en hij voegt er aan toe dat het net zo oncontroleerbaar is als abstracte kunst. Igor hield niet van abstracte kunst.

Ik begrijp dat.

Ik heb ook liever een Rembrandt aan de muur, desnoods de ets die Rembrandt van Dr. Faustus maakte. Maar dit terzijde.

De oogst van zondagavond. Interesse? Neem contact met ons op. Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong

juli 3rd, 2021 by Jaap de Jong

Ademhalen in een Kafkaëske samenleving. Aantekeningen bij Kafka

Op Twitter zag ik zojuist dat het vandaag de verjaardag van Franz Kafka (1883-1924) is. Ik dacht onmiddellijk aan zijn notities in een reisdagboek waarin Kafka een aantal uitspraken van een arts noteerde tijdens een bezoek in Jungborn. In die plaats was een sanatorium dat hij bezocht met zijn vriend Max Brod. Men bestookte er de bezoekers met rauwe groenten en even onbekookte ideeën, zo schrijft de biograaf van Kafka.

Franz Kafka beschrijft in dat reisdagboek een aantal van die onbekookte ideeën: “Gisteravond lezing over kleding. Bij Chinese vrouwen misvormt men de voeten opdat ze een groter achterste krijgen (…). Uit de lezing van gisteren: ‘als men zelf helemaal misvormde tenen heeft, kan men ze mettertijd recht maken door aan zo’n teen te trekken en daarbij diep adem te halen (…). Ademhaling vanuit het middenrif bevordert de groei en de werking van de geslachtsorganen, hetgeen verklaart waarom operazangeressen die een dergelijke ademhaling moeten ontwikkelen zo wulps zijn.”

Enfin, dit en andere anekdoten en impressies over het leven en werk van Kafka vind je in de biografie van Ernst Pawel. Ik wilde wel dat ik vandaag de tijd had om door te lezen. Het aardige is dat Igor Cornelissen bij dit exemplaar veel aantekeningen maakte (op apart blad), zoals zijn opmerking bij de speculaties van Pawel over de grootte van het lid van Kafka: “Hier vervalt Pawel zelf in die onzin analyse [psycho-analyse van Freud]”. Over de vriendschap met Max Brod, zijn filmbezoek en wat al niet meer? Veel.

De meest indrukwekkende zin van Kafka is volgens mij de laatste zin uit Het Proces: “‘Als een hond’, zei hij, het was alsof de schaamte hem moest overleven.'” Die zin tekent heel treffend de behandeling (en uiteindelijke terechtstelling) van het individu – dat zich verzet – bij het begin, midden en einde van zijn leven in de Kafkaëske samenleving met haar protocollen, binaire werkelijkheid en formats, gehandhaafd door de vinkjesprofessional; de werknemer die het allemaal inhoudelijk niet zo boeit als hij zijn vinkje maar kan zetten en de tijd kan uitzitten. Het zijn dode zielen of het is de Golem zelf, weggeslopen uit de roman van Gustav Meyrink. Je ademhaling zou er van stokken, ook al komt ‘ie vanuit het middenrif.

De Golem van Gustav Meyrink (1915) verkopen wij overigens ook. En er is meer Kafka bij Cornelissen & De Jong, namelijk de Brieven aan Ottla en andere leden van de familie. Een mooi werkje uitgegeven bij Fischer Verlag.

N.a.v.: Pawel, E. (1986). Het leven van Franz Kafka. Amsterdam: Van Gennep. Goed, met leesvouwen (rug) en (losbladige) aantekeningen van I.C.. Paperback met flappen, 515 pp. Uit de collectie Igor Cornelissen.

Kafka, Franz (1975) Briefe an Ottla und die Familie. Franffurt am Main: Fischer Verlag. I.z.g.st., met als frontispies afbeelding van Franz Kafka als jongen. Ebehard Marhold (omslag), G. Lachenmaier (bandontw.), 248 pp. Uit de collectie Igor Cornelissen.

Beide exemplaren in totaal € 35,00 (incl. pak- en verzendkosten binnen Europa). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong
juni 27th, 2021 by Jaap de Jong

Een verschrikkelijk boek: Nineteen Eighty-Four – Orwell

Orwell publiceerde in 1949 zijn dystopische roman Nineteen Eighty-Four (Londen, Secker & Warburg). In 1950 kwam de eerste Nederlandse vertaling uit, maar Jet [verdere gegevens onbekend] las het boek in het Engels. Dat deed ze in een editie die bedoeld was voor het Europese continent. Na een paar uur lezen stuurt ze een ansichtkaart naar haar vriendin Griet. Ik vind het een aandoenlijk bericht en geef hieronder de volledige tekst. 

“Lieve Griet – Heb zondagavond in dit boek een paar uur gelezen, maar ik ga er niet mee door. Het is een verschrikkelijk boek. Is de tegenwoordige wereld nog niet erg genoeg dan dat we nu al (en volkomen nutteloos) moeten zitten griezelen over wat er (misschien) in 1984 gaat gebeuren? Not me! Groetjes van Jet.”

Het is natuurlijk allemaal nog veel erger dan dat Jet zich in haar stoutste dromen had kunnen voorstellen.

En ook weer minder erg dan anderen dan Jet zich kunnen denken.

Zou het kunnen zijn dat het hier om een schrijfsel van Henriëtte Roland Holst (1869-1952) gaat? Ik sluit niks uit. Het gaat weliswaar niet om het vijfde evangelie, maar wel om de vrouw van de zachte krachten die in het einde zeker zullen winnen.

Ik vraag maar en trouwens ….

“zoo ik zweeg zou alle licht verduistren / alle warmte zou verstarren van binnen.” 

Méér Orwell bij Cornelissen & De Jong. Voor Jet en de anderen.

N.a.v.: George Orwell (1950). Nineteen Eighty-Four. London: Secker & Warburg. I.z.g.st., maar met kwetsbaar stofomslag om licht karton. 312 pp., 1e druk [second reprint]. Star Editions to be sold on the Continent of Europe only. Met beschreven ansichtkaart - een lezersreactie. Uit de collectie Igor Cornelissen. Niet meer leverbaar.

juni 25th, 2021 by Jaap de Jong

De dichter en het slechte meisje. Over Beversluis en Van Meegeren

In juli 1945 meldt de journalist Jan Spierdijk (1919-1997) aan de redactie van De Waarheid dat in Hitler’s bunker een bijzonder boek was gevonden; een boek met tekeningen van Han van Meegeren (1889-1947) en gedichten van Martien Beversluis (1894-1966). De gedichten werden eerder uitgegeven bij de firma L.J.C. Boucher (Den Haag, 1942). In de bibliografie bij de bundel Het Zaad. Een sonnettenkrans (Amsterdam, [1944]) maakt Martien Beversluis inderdaad melding van twintig gedichten bij het schilder- en tekenwerk van Han van Meegeren. Onder de tekeningen die aan Hitler werden gestuurd – “Dem geliebten Führer in dankbarer Anerkennung gewidmet von H. von Meegeren” – zat het portret van het echtpaar Beversluis-Verstraate dat ook als omslagillustratie van Het Zaad dient. Dat boekje werd uitgegeven ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van Martien Beversluis.

In ‘De collaborateur en de vervalser. Over de schilder Han van Meegeren en de dichter Martien Beversluis’ (De Parelduiker, jrg. 25, nr. 4) vertelt Lo van Driel het verhaal van het illustere tweetal. Daarin wordt duidelijk dat er een intensieve samenwerking tussen van Meegeren en Beversluis bestond: de gedichten waren aanleiding voor de kunstwerken van Van Meegeren en schilderijen/tekeningen van Van Meegeren zouden weer door gedichten worden geïnterpreteerd.

Eén van die schilderijen draagt als titel Barmeisjes. Helaas kon ik niet tijdig achter de tekst van de twintig gedichten komen, maar uit een column van Mario Molegraaf (Provinciale Zeeuwse Courant, 20 oktober 2020) weet ik dat Martien Beversluis bij Barmeisjes een scabreuze tekst verzon: Mocht ik die kelk zijn van kristal/die vonkt en zingend breken zal. Volgens Molegraaf is het een sadomasochistische tekst waarbij Beversluis alvast van de pijn genoot die de “slechte vingers” van het meisje hem zouden toebrengen. 

Het is niet vreemd dat de boeken van Martien Beversluis deel uitmaken van de collectie Cornelissen. Igor was dol op dit type mensen dat – door tijd en omstandigheden – gedwongen was een keuze te maken. Beversluis maakte vele keuzes: hij werd groot in een protestants gezin – zijn vader was hervormd predikant – werd lid van de SDAP en kwam in dienst van de VARA. In de beginjaren dertig vertaalde hij linkse Duitse poëzie. Daarna werd hij orangist en publiceerde als christelijk dichter bij Opwaartsche Wegen). Nog weer later voegde hij zich bij het Nationaal Front van Arnold Meijer. Kort na de bezetting in 1940 werd hij lid van de NSB, brak er mee en sloot zich vervolgens met zijn vrouw Johanna Verstraate [schrijfsterpseudoniem: Dignate Robbertz] aan bij de Nederlandsche SS.

In Brandende woorden uit Duitschland (Hilversum, 1934), de Duitse poëzie die Beversluis vertaalde en bewerkte, zijn twee illustraties opgenomen van de kunstenares Käthe Kollwitz (1867-1945), terwijl de omslagillustratie van Melle Oldeboerrigter (1908-1976) is.

Zag Führer Alois Schicklgruber de schrijfsels en schilderijen/tekeningen van het illustere tweetal Van Meegeren en Beversluis en wat vond hij er van? Ik vraag maar, al weet ik dat een eventueel antwoord van geen enkel belang is.


Martien Beversluis (z.j. [1944]). Het zaad. Een sonnettenkrans. Amsterdam: "De Gulden Ster". I.g.st., lichte schade bovenzijde rug, 44 pp., met bibliografie. Op het omslag een portret van het echtpaar Beversluis-Verstraate door Han van Meegeren (4 mei 1942).

Martien Beversluis (1934). Brandende woorden uit Duitschland. Hilversum: De Boekenvrienden. Matige omslag, verder goed. Met twee tekeningen van Käthe Kollwitz, omslagillustratie van Melle Oldeboerrigter.

Beide boeken – uit de collectie Igor Cornelissen – voor € 33,00 (incl. pak- en verzendkosten binnen Europa). Interesse? Neem contact met ons op. Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong

 

juni 20th, 2021 by Jaap de Jong

Jacques Gans – van de prins geen kwaad

Zojuist viste ik de bundel In andermans handen van de dichteres Anna Achmatova (1889-1966) uit doos 23. Ik kreeg vanmiddag bericht van JB uit het stadje Groningen dat hij de bundel In andersmans handen wenst. Ik ben een boekhandelaar en volg gedwee en die gedweeheid brengt mij niet niks. In doos 23 ligt namelijk ook het verzameld werk van Jacques Gans (1907-1972). Niet in dundruk – zoals eigenlijk verdiend – maar in aparte boekjes. Over Gans schreef ik eerder een blog [over liefde, goudvissen en de kunst van het versterven].

Ik bladerde door Een onaangepast mens (Amsterdam, 1981) en stuitte op de weergave van een intrigerend gesprek dat zich afspeelt in Londen (ca. 1944). Bij dat gesprek is, naast Jacques Gans, ook minister van Justitie Gerrit Jan van Heuven Goedhart (1901-1956) en Bernard van Lippe-Biesterfeld aanwezig. De uitnodiging ging uit van Van Heuven Goedhart en was, zo denk ik, bedoeld om Jacques Gans te ‘sensibiliseren’, onder meer omdat die over gevoelige informatie beschikt over de handel en wandel van het oorlogskabinet. Informatie die wel bekend was bij de leden van het “comité tegen het neofascisme” (waaronder Loe de Jong, Jacques Gans, A. den Doolaard, Henrie Wiessing).

Of de prins zich in tijdens dat gesprek wel of niet van enig kwaad bewust is weet ik niet, wel dat Bernard tijdens dat gesprek plots een vraag stelt aan Jacques Gans: “Is het waar dat u gedreigd heeft in Engelse bladen te schrijven dat ik lid zou zijn geweest van de S.A. of de S.S.?”  Op de vraag van Bernard geeft Gans als antwoord dat hij niet aan dreigen doet en zegt hem vervolgens dat “als u lid van de S.A. of de S.S. bent geweest, dan hadden we elkaar kunnen treffen, want ik ben met die lui in de jaren dertig in de straten van Berlijn op de vuist geweest.” Bernard lacht, maar het gezicht van Van Heuven Goedhart betrekt. “Hoe komt het”, zei hij wrang. “dat u meer weet dan de ministers?” “Is het mijn schuld”, gaf ik terug, “dat de ministers niet intelligenter zijn dan zij blijken te zijn, en dat Gans niet dommer is dan u zich had voorgesteld?”

Daar moet Van Heuven Goedhart het mee doen, evenals alle ministers na hem. Tot op de huidige dag.

Daar komt nog een anekdote bij waarbij Van Heuven Goedhart zuurzoet kijkt en Bernard opnieuw lacht. Bernard stelt Jacques Gans namelijk de vraag of hij in bezet gebied – voor zijn vlucht naar Engeland – inderdaad drie cent aan een Duits matroos gaf. “Jawel, hoogheid”, bekent Gans, “dat is geheel waar. Als ik daarvoor na de bevrijding een proces wegens collaboratie tegemoet mag zien, dan met een gerust hart.” En dan doet Gans zijn verhaal.

Drie matrozen van de U-boten dronken bij de tafel een biertje waar ook Jacques Gans met Ed Hoornik, Bertus Aafjes, Gerard den Brabander en Bob van Kampen zat. Tegen spertijd moest worden afgerekend, maar zij haalden het bedrag niet. Gans ziet het en trekt een van de matrozen aan de mouw: “wieviel fehlt da?” vroeg hij. “Drie cent” zei de matroos beteuterd, waarop Gans, die over de vestzak gaat, betaalt en zegt: “Bitte, vom internationelen jüdischen Grosskapital”. De Duitsers springen in de houding en riepen: “Die Firma Hitler dankt das internationale jüdische Grosskapital.” Zoals ik schreef: Bernard lacht, Van Heuven Goedhart kijkt zuurzoet.

Prins Bernard krijgt het tijdens zijn leven niet moeilijk wat betreft zijn SS-verleden. In de NRC van 2010 (23 januari) (evenals in andere kranten) wordt het als primeur gebracht dat het oorlogskabinet het SS-verleden van Bernard kende. Had men Een onaangepast mens gelezen dan was er misschien iets eerder, iets meer gebeurd. Misschien. Dit alles terzijde uiteraard.

Jacques Gans (1948). Berlijnsch dagboek. Bussum: F.G. Kroonder – Jacques Gans (1946). Liefde en goudvisschen. ’s Gravenhage: Daamen – Jacques Gans (z.j. [1956]. Van ganser harte. Amsterdam: A.J.G. Strengholt – Jacques Gans (1981). Een onaangepast mens. Amsterdam: Peter van der Velden – Jacques Gans (1953). Nonchalante notities. Maastricht: Letier-Nypels – Jacques Gans (1980). Het Pamflet. Weekblad tegen het publiek [fotomechanische herdruk]. Amsterdam: Peter van der Velden. 

Zes keer Jacques Gans - Uit de collectie Igor Cornelissen. I.g.st., zes titels, alles in één pakket, incl. pak- en verzendkosten (binnen Europa): € 73,50
juni 16th, 2021 by Jaap de Jong

Reve in Veenendaal. Bij kapper Visser op ‘t Stationsplein

Vannacht droomde ik dat ik met drie stevige riemen was vastgebonden in een zwartleren stoel in de kapperszaak Visser op het oude stationsplein in Veenendaal. De oude kapper Visser – de man met de witte kuif – stond achter de kassa en keek door het raam naar buiten. Daar stond het oude Veenendaals stationsgebouw – ooit het pronkjuweel van de lijn Rhenen-Utrecht – maar nu leek het wel alsof het ieder moment kon instorten.

Op de vraag hoe er geknipt moest worden antwoordde mijn vader: “Kort Amerikaans, wat anders?”. Op de kapperstafel lag een blauw boek met een rare titel: Bij ‘t barnen van ‘t gevaar. Ik vond dat barnen een vreemd, maar toch ook spannend woord. De kappersknecht, die Rik Valkenburg heette, begon te knippen en het zag er naar uit dat hij voorlopig niet zou ophouden. In een mum van tijd veranderde hij mij in een jonge skinhead, een soort nazi-jongen van nog geen negen jaar oud. Een kaalkop tussen de Veense langharigen. Ik was wel in de wereld, maar niet van de wereld en dat zou ik weten. Dat is eigenlijk altijd zo gebleven, zo wist ik in mijn wakkere, lucide, droomtoestand: in de volle verzekerdheid van mijn schuldig leven.

Toen was het plots 4 mei, 20.00 en speelde er een grote blonde jongen Last Post op een trompet die ineens veranderde in een saxofoon. Ook stond de tram stil, hoewel er in heel Veenendaal geen trambaan te bekennen was.

Buiten liepen drie mannen. Een soldaat en twee andere mannen in een pak. Het was hetzelfde drietal dat de oude kapper Visser voorbij zijn raam zag lopen. Eén van hen was keurig gekleed. Hij droeg een suède pak. De andere man had een bril en twee borstzakjes op zijn colbert. Ze kwamen mij vagelijk bekend voor en eensklaps wist ik het. Ik had ze eerder gezien, in een wolwinkel op de Kerkewijk – De Eenhoorn – een plaats waar ik niet komen mocht en toch kwam. Ondanks mijn komen was het dak niet ingestort. Niet neergekomen op Teigertje, noch gevallen op Woelrat en ook niet op mij.

Later nog zag ik hen weer. Op de Boslaan waar ik tante Johanna en oom Co de wekelijkse leverworst bracht. Er werd over hen gefluisterd, ook dat er gevochten was in een supermarkt. Toen verscheen mij een droomgezicht en daalde er een wit laken vanuit de hemel waarop met grote letters stond: “In Veenendaal heb ik een evenwicht gevonden, dat ik nooit eerder heb gekend. Eindelijk ontplooit zich mijn talent in volle kracht. Ik hoop op enkele goede jaren nog, om te maken wat ik wil”

Toen werd ik wakker en ziet, het was een droom.


Maas, Nop (2009-2012). Kroniek van een schuldig leven [3 dln., De vroege jaren 1923-1962 - De rampjaren 1962-1975 - De late jaren 1975-2006]. Amsterdam: G.A. van Oorschot. I.z.g.st., als nieuw en met leeslinten. Gebonden in linnen met stofomslag, 1e druk. Met illustraties, bibliografie en noten. € 95,00.

Meer Reve bij Cornelissen & De Jong.

juni 16th, 2021 by Jaap de Jong

De man die de Nobelprijs misliep: Louis Paul Boon

Louis Paul Boon (1912-1979) was van vele markten thuis: huis- & kunstschilder, soldaat, fotograaf, (hoorspel)schrijver. In de jaren zestig en zeventig werd hij regelmatig, naast Hugo Claus, als kanshebber op de Nobelprijs voor de Literatuur genoemd en ook wel voorgedragen. Er zijn zelfs stemmen die verkondigen dat hij de prijs zou krijgen, maar net voor de uitreiking aan een hartaanval stierf. Op 11 mei 1979 was hij namelijk op de Zweedse ambassade uitgenodigd, mogelijk i.v.m. de toekenning van de Nobelprijs. Hij overleed op 10 mei aan de schrijftafel, met de pen in zijn hand. De Nobelprijs wordt, zoals u weet, alleen aan levende schrijvers toegekend.

Waar Boon was, daar was lawaai. Ook na zijn dood nog. In de jaren tachtig (1986) en in 2008 zorgde hij voor ophef, onder meer vanwege de Fenomenale Feminiteek; zijn collectie met vrouwelijk naakt. In Antwerpen werd de tentoonstelling verboden, maar in Gent kreeg curator Anna Provoost het wel voor elkaar om tijdens het literair festival “Zogezegd” de collectie toch te tonen. Ik begrijp dat wel, Gent is immers altoos een godloos libertijns nest geweest. Veel naakt dus en in allerlei soorten (erotische prentkaarten, strips, foto’s), want Boon was een liefhebber. Tijdig en ontijdig, zo blijkt ook wel uit de afbeelding van de werkkamer van Boon bij het Gentse socialistische dagblad Vooruit. In de Memoires van Boontje schrijft hij over de dolle tijd bij deze krant.

In de roman De bende van Jan de Lichte beschrijft Boon een historische figuur uit de achttiende eeuw die met zijn bende (de Bokkenrijders) het Vlaamse platteland onveilig maakte. Hij plunderde kastelen en postkoetsen en verdeelde als een Robin Hood de buit onder de armen. Boon maakte Jan de Lichte tot een idealist die het uiteindelijk toch moet afleggen tegen de verdorvenheid van de menselijke natuur. In De zoon van Jan de Lichte maakte Boon overigens geen gebruik van historische documenten. Wel schemert zijn levensvisie door op dit ondermaanse: niets is er volmaakt.

En dat kan ook niet, schrijft Boon in Geniaal…maar met te korte beentjes. Het was de bedoeling om bij al die Vlaamse Meesterwerken die er dagelijks verschenen wat kanttekeningen te zetten. Fouten en gebreken zijn er altijd geweest en zullen er altijd blijven. Men kan het niet al hebben: veel geld verdienen, een schone positie hebben, gedecoreerd worden en dan ook nog meesterwerken schrijven. Dat kan inderdaad niet. Kanttekeningen dus.

Tot slot ligt er hier de meest sombere roman van Boon voor mij: Niets gaat ten onder. Erg actueel ook. Om dat te bewijzen behoef ik slechts de achterflap te citeren: “vol woede richt Boon zich tegen een maatschappij die zich aandient als een monument van vooruitgang, maar die in werkelijkheid alle trekken van een oerwoud heeft behouden.”

U  bent weer bij. Aan het einde van de middag: méér Boon bij Cornelissen & De Jong. Als u zich vanmiddag nog meldt krijgt u de zeven titels die hier voor mij liggen voor 69 euro (€ 75,00 incl. pak- en verzendkosten binnen Europa). Ik wil het zo snel als mogelijk de deur uit hebben.

Interesse? Neem contact met ons op. Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong

juni 15th, 2021 by Jaap de Jong

Een olifant omleggen. Orwell in Birma

Vandaag beschreef ik een aantal titels uit de collectie Igor Cornelissen. Niet zomaar iets, maar een eerste selectie uit zijn zeer grote verzameling Orwell. Zijn vrienden kenden die fascinatie van Igor voor George Orwell (1903-1950) uiteraard en herinnerden hem er aan. Zo ontving Igor van Karel van het Reve een ansichtkaart met de foto van Orwell (voor de BBC microfoon) en op de achterzijde een bedankje. Ik vond de kaart in één van de biografieën over Orwell.

Toen ik Igor eens bevroeg over zijn fascinatie voor Orwell vertelde hij mij dat niet alleen de stijl, maar ook de waarheidsliefde van Orwell hem aansprak: “Anders dan veel journalisten van vandaag, die de waarheid veelal ten onder houden, was Orwell waarheidslievend; ondanks dat hij wist dat het vertellen van waarheid een prijs heeft.”

Aan die waarheidsliefde (en aan de prijs van waarheid) moest ik denken toen ik vanmiddag het titelverhaal van Orwell uit de privedomeinreeks Een olifant omleggen (Amsterdam, 1973) herlas. Daarin vertelt Orwell tot in detail hoe hij – een door de Birmezen gehate politieofficier (want bezetter) in Birma – een olifant doodt onder het toeziend oog van tweeduizend mensen. Niet omdat de olifant op dat moment gevaarlijk was, ook niet omdat het kon; praktisch en juridisch. Maar alleen maar ‘om zich niet belachelijk te maken’.

Hij wilde koste wat kost vermijden dat – als er iets mis zou gaan – tweeduizend Birmezen zouden zien hoe een witte man “achterna werd gezeten, gepakt, vertrapt en gereduceerd tot een grijzend lijk (…) op de heuvel. En als dat gebeurde was het heel waarschijnlijk dat sommigen zouden gaan lachen. Dat nooit. Er was maar één alternatief. Ik schoof de patronen in het magazijn en ging op de weg liggen om beter te kunnen mikken”.

In dit verhaal beschrijft Orwell zijn machteloosheid. Weliswaar met een geweer in de hand, maar toch “machteloos” door de preoccupatie met zijn witheid en stand. Verplicht tot handelen in het zicht van tweeduizend mensen en een gevoel voor eigenwaarde die hem belet anders te handelen.

Gedepriviligeerd door de privileges die hij genoot als witte man tussen tweeduizend Birmezen. De massa als totalitair systeem die het individu vermorzelt. En, door dit precies en op nietsontziende wijze op te schrijven, te demonstreren dat het de keuze is van het individu om dit zo te doen en niet anders. In dit geval zij́n keuze.

Precisie en feitelijkheid zijn een veel dodelijker gereedschap in handen van een goed journalist dan moraliserend gebabbel.

Ergens schrijft Orwell dat er voor hem vier redenen zijn om te schrijven: (1) het pure egoïsme en verlangen om een intelligente indruk te maken; (2) esthetische geestdrift – het zien van schoonheid in de wereld. In woorden en de juiste rangschikking daarvan; (3) de historische sensatie – verlangen om de dingen te zien zoals ze zijn, om de waarheid uit te zoeken en vast te leggen voor het nageslacht; (4) het politieke doel – verlangen om de wereld een bepaalde richting in te drukken.

Hij doet dat goed Orwell, ook in dit verhaal. Juist omdat hij daarin méér dan een olifant neerlegt.

Interesse in de collectie Orwell? Neem contact met ons op. Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong

juni 13th, 2021 by Jaap de Jong

Vandaag een lelie en morgen een hommel

Wij zijn thuislezers. Na lezing van Kierkegaards verhaal over de blijheid en het leren van de lelie en de vogel was er wijn in de tuin: L’Arjolle Chardonnay en een doolhof van geuren. Jij was er en ik. En er was een hommel die van de ene bloem naar de andere vloog, maar de rozen sloeg ie over. Hij taalde niet naar rode, roze of witte rozen. De hommels, die ik zag, hadden een groot, ietwat log, lichaam, en tegelijk kleine vleugeltjes. Vleugeltjes die ze heftig heen en weer slaan om op te kunnen stijgen, gedragen door de luchtwervelingen die ze zelf veroorzaken.

Voor Rilke was de roos wat de nectar voor de hommel is: “hoe zouden we zonder haar/ooit kunnen uitspreken wat wij hoopten/en wat ons teder heeft onderbroken/in het voortdurend vertrek”, dicht Rilke ergens in zijn bundel Les Roses. 

Voortdurend vertrek in de hoop op wat nectar. Dat is de staat van de hommel. En wat Rilke betreft was de vrouw voor hem als een roos. Hij vertrok voortdurend van de een naar de ander. Een tedere onderbreking. Dat was het.

Een hommel is een efficiënt insect: hij schenkt geen aandacht aan de roos of de bloem zonder nectar. Hij zoemt zich een weg en heeft daarbij een ietwat onhandige manier van voortbewegen. Zijn gang doet me denken aan de manier waarop die geniale, ietwat autistische collega van weleer zich bewoog. Een beetje houterig alsof hij nog kleefde aan het ene, maar toch naar het andere wilde. Hij rook de nectar, maar wist nog niet precies waar.

Goed is het om een lelie te zijn, een roos of desnoods een vogel of een hommel en op te gaan in het heden: Selbstvergessenheit en een eeuwig heden zonder reflectie. Nu zeggen of beter: stil zijn en luisteren naar Brahms String Quartet nr. 3 in B-flat Opus 67 zoals de buurvrouw dat vanmiddag speelde: telkens opnieuw, maar met kleine variaties.

Hommel-zijn en opgaan in de luchtwervelingen die we zelf veroorzaken.


Kierkegaard, S. (1937). De lelie des velds en de vogel des hemels. Rotterdam: A. Voorhoeve. Vertaald uit het Deens door A. Alma. Met een inleiding van W.J. Aalders. Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong

juni 4th, 2021 by Jaap de Jong

Louter verwachting

Vorige week was ik met de geliefde in het hof van mijn schoonouders. Zij wonen vlakbij het punt waar de beroemde hoofdstraat van Notter een bocht maakt. Ik stond met een volgeladen kruiwagen bij de boerenschuur en net als iedere hopende ziel verwachtte ik iets nieuws. Iets dat nog niet gezien wordt, maar toch komende is; komende vanachter de scherpe bocht. Het kan de ijscoboer zijn, twee wapperende zomerjurken, een club van de Hells Angels die Overijssel verkent of de Messias zelf.

De ziel die niet meer hoopt is een dode ziel.

Er was wel iets nieuws. Op het boerenerf lag een stapel met boeken voor de komende bazar ter ondersteuning van het koor. Bovenop lag een van de boeken die de onderwijzer P. de Zeeuw J.Gzn (1890-1968) schreef: Paul Kruger. De leeuw van Zuid-Afrika. Ik heb vroeger tientallen boekjes van P. de Zeeuw verslonden. Tijdens mijn geschiedenisstudie vergruisde het door hem gekweekte geschiedbeeld tot wat zandkorrels. Erg is dat niet. De kaffers, zoals De Zeeuw de oorspronkelijke bevolking van Zuid-Afrika noemt, zijn volgens de schrijver wel slim of listig, maar nooit eens wijs. Het etymologisch woordenboek maakt duidelijk dat het woord ‘kaffer’ ook al in de jaren zestig als kwetsend werd ervaren. Het oeuvre van De Zeeuw is geschikt om de relativiteit van ieder oordeel te onderstrepen. Toen en nu. In die zin mooi materiaal voor bijv. een onderzoeksproject voor scholieren (en volwassenen). Het is onzedelijk dit materiaal te vernietigen. 

Het boek van De Zeeuw heeft overigens een prachtige omslag van Agnes van den Brandeler (1918-2003). Zij illustreerde in de jaren vijftig en zestig een aantal boeken van Van Goor uit Den Haag. Van den Brandeler maakt in haar werk gebruik van prachtige kleurencombinaties: blauw met oranje, rood en zwart. Een uitbundige expressionistische stijl. Mooi, zeker als het gaat om haar figuratieve periode (er was namelijk ook nog een abstracte abberatie ;-))! De Fundatie & Nijenhuis kan uit eigen bezit zo een grote tentoonstelling organiseren. Maar dit terzijde, ook daar ga ik al niet over. Je kunt het zo gek niet bedenken of ik ga er niet over.

Binnenkort opnieuw naar de bocht in Notter. Ik hoop op iets nieuws. Neen. Er is louter verwachting.

Meer nieuwe boeken, waaronder De Antichrist van Joseph Roth, Karel Čapek en ander moois. Daar ga ik wel over.

juni 3rd, 2021 by Jaap de Jong

Tussen weemoed en verlangen

Er ligt hier van alles op de hardhouten leestafel: Paul Kruger, de leeuw van Zuid-Afrika van P. de Zeeuw J. Gzn met een prachtig omslag en illustraties van Agnes van den Brandeler. Daarover zou ik misschien een interessant verhaal kunnen vertellen. Verder is er Shosha van Singer en de Verzamelde Werken van Van Oudshoorn. En dan heb ik het nog niet eens over Reis naar het einde van de nacht van meesterschrijver Céline. Dat boek verkoop ik nog niet, want die wil ik eerst zelf lezen. Shosha is schitterend, kan ik alvast meedelen. Het voldoet.

Maar vandaag verschijnt de biografie over Nescio en is het gepast om open en bloot te zijn over Weemoed en verlangen met als ondertitel Over Nescio, Bavink en Johannes Zwolsman (1877-1945). Weemoed is de gemoedstoestand van de lethargische mens die zich een geïdealiseerd, maar nooit werkelijk bestaand verleden herinnert. Minder gevaarlijk misschien dan het verlangen in het hoofd van de activistische niets en niemand ontziende mens. Dat is dodelijk. Maar dit terzijde.

Het onderhavige werkje werd in 1984 uitgegeven door de uitgeverij De Uitvreterij. Nescio merkte in een gesprek met Nol Gregoor op dat zijn vriend, de schilder Johannes Zwolsman, model had gestaan voor Bavink. De twee vrienden, Zwolsman en Nescio, hielden allebei van het observeren van de natuur en hadden oog voor detail. Dat is goed: Der Herr Gott steckt im Detail, zeg ik vaak tegen mijn studenten.

De schilder Bavink had dat dus ook – oog voor het detail –  misschien dat daarom alles wat hij deed gedoemd was te mislukken. Zo had hij 34 zonsondergangen tegen de muur staan, althans volgens mededeling van Nescio. Ze voldeden niet. Onvoltooid. En het door hem geschilderde gezicht op Rhenen had hij in 64 gelijke, rechthoekige brokken van 15 bij 12,5 centimeter gesneden. Met een bot knipmes. Dat moet een heel werk zijn geweest, schrijft Nescio ergens. In de nalatenschap van Zwolsman is wèl een gezicht op Rhenen teruggevonden en dat is opgenomen in deze uitgave.

Helaas zitten er geen zonsondergangen bij de overgeleverde illustraties van Zwolsman, wel bospaadjes bij Rhenen (?) – maar het kan ook Notter zijn – die naar niemandsland leiden: Holzwege, noemt een bekend filosoof dat soort wegen. Ook mooi. Ja, van alle wegen die er zijn, hou ik het allermeest van de Holzwege, en daarmee ook van het pad dat in de zee is en in zeer diepe wateren; daar waar de voetstappen niet worden geteld, noch gezien.

Nu naar de boekhandel om de biografie van Lieneke Frerichs over Nescio te kopen.


Weemoed en verlangen. Over Nescio, Bavink en Johannes Zwolsman. Uitgeverij De Uitgeverij (Deventer, 1984). Geïllustreerd met drie bladvullende tekeningen + foto van Johannes Zwolsman. Oblongformaat (24 x 32 cm), 8 pp. I.z.g.st., met wat roestvlekjes. Uitgegeven ter gelegenheid van de expositie Tekeningen van Johannes Zwolsman (Nescio’s ‘Bavink’). Oplage: 125 genummerde exemplaren, waarvan dit nr. 79 is. Uit de collectie Igor Cornelissen. Niet meer leverbaar.
Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, ook over kunst en kunstgeschiedenis.

mei 27th, 2021 by Jaap de Jong

De Parelduiker toont zijn parels: over Nescio, Lou en Igor

Gisterenavond vond ik de nieuwe Parelduiker op de salontafel en wie kijkt mij recht in de ogen? Elisabeth Eybers (1915-2007), geschilderd door Marlene Dumas. Ik wilde haar ooit interviewen, maar het plan ging helaas niet door. Haar gedichten vind ik nog steeds prachtig en aan de Dagdroom bewaar ik de beste herinneringen. Over haar wordt in De Parelduiker de vraag gesteld of zij ten onrechte de P.C. Hooftprijs ontving. Natuurlijk niet!

Heel fijn dat binnenkort de biografie van Nescio verschijnt. Lieneke Frerichts was er vele jaren mee bezig. Ik hoop dat ze veel over Rhenen en Nescio schrijft. Nescio kwam daar wel en keek vanaf de overzijde van de rivier naar de Cuneratoren. Hij beschreef dat gezicht op Rhenen ook al op z’n allerprachtigst, door Japi te laten buikspreken over de schilder Bavink: “Jaren had Bavink met tusschenpoozen gewerkt aan zijn gezicht op Rhenen, aan de rivier, den berg, den Cuneratoren, de bloeiende appelboomen, de roode daken van ‘t stadje, de kastanjes met hun witte en roode bloemen en de bruine beuken tusschen de huizen in de hoogte, en ‘t molentje ergens op den berg.”

Later vernietigt Bavink het schilderij. Het kan ver gaan met een mens. Ik ken dat gezicht op Rhenen nogal goed. Uit eigen ervaring. Mijn vader had een bakkerij & specialiteitenzaak op de Molenweg, onderaan ’t molentje van Nescio. Rhenen is vaak bezocht door kunstenaars, maar ook plaatselijk werd de stad bezongen, getekend en geschilderd. Bij mijn ouders hangt tot op de dag van vandaag een knappe tekening van Jo Baars in huis. Hij was een halve eeuw geleden ouderling bij wat kletskousen de zwartekousenkerk noemen en hij was ook een kunstenaar. Dat kan. Ik vraag mij trouwens af wanneer dat standbeeld van Nescio op de brug bij Rhenen wordt geplaatst. De echt belangrijke kwesties worden door politici blijkbaar tot het laatst bewaard. Dit alles terzijde natuurlijk. In dit nummer schrijft Frerichs overigens over de uitvreter en wie daar model voor stond. Toevallig schreef ik afgelopen week een blog over Jacques Gans die zijn leven lang een uitvreter was en ook wilde zijn.

Op vijfentwintigjarige leeftijd werd ik verliefd op Lou Andreas-Salomé of in elk geval op haar geest en intellect. Ik trof haar voor het eerst in een antiquariaat in Ede, in boekvorm natuurlijk. In dit nummer wordt het verhaal over Lou von Salomé opnieuw vertelt. Het oude beeld van de muze en vooral dat van de femme fatale wordt overigens niet doorbroken. Tsja. En helaas zijn er geen bronnen opgenomen in het stuk. Jammer is dat.

De rubriek De laatste pagina is voor kompaan Igor Cornelissen. Het stuk is geschreven door Vic van de Reijt, vriend en uitgever (Nijgh & Van Ditmar). Een mooi en waar portret waarin veel werk van Igor wordt gememoreerd. In de weken voor zijn dood was Igor bezig met een verhaal voor De Parelduiker. Dat moest gaan over het gedicht van Elsschot over Marinus van der Lubbe. Het is er helaas niet van gekomen. Maar we hebben nu wel een beeld van de vriendin van Marinus van der Lubbe: het verkreukelde pasfotootje dat Van der Lubbe altijd bij zich droeg. Vic van de Reijt schrijft niet alleen over het werk en leven van Igor, hij memoreert ook zijn laatste jaren bij antiquariaat ’t Wasdom. Bij veel van zijn aangeboden boeken schreef Igor een lezenswaardig mini-essay. U kunt ze hier nalezen.

Nu maar verder met dozen inpakken. Het nieuwe antiquariaat gaat er komen. Ergens in Twente: met de rode boekenkasten van Igor en andere parafernalia. Als G’d het geeft natuurlijk.


U kunt zich abonneren op De Parelduiker via de website. Oude nummers kunt u hier kopen. 

mei 24th, 2021 by Jaap de Jong

Over liefde, goudvissen en de kunst van het versterven

Jacques Gans (1907-1972) was, wat je noemt, een uitvreter. Op het Barlaeus gymnasium kreeg hij les van de Neerlandicus Arnold Saalborn (1888-1973). Saalborn deed – zoals iedere docent die zijn vak verstaat – het coachen erbij, was een liefhebber van het toneel en promoveerde in 1931 op het sociale bewustzijn in de literatuur (tussen 1840-1880). Ik ben wel benieuwd naar dat proefschrift, misschien is het een vroege vorm van ‘woke’, met specifieke aandacht voor de onderliggende partij in het sociale verkeer. Anders en toch eender, maar naar verwachting zonder de verongelijkte toon vanuit het perspectief van de slachtoffers. Die waren indertijd meestal geen penvoerders.

Toen Saalborn voor de eerste keer het klaslokaal binnenging stal hij het hart van Jacques Gans. Saalborn ging voor de lessenaar staan, sloeg een boek open en slingerde daarna de eerste zin het klaslokaal in. Als een fanaal, schrijft Gans, ofwel een seinlicht of vuurtoren. Die eerste zin kwam uit Nescio: “Behalve de man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gezien dan de uitvreter.”

Het leven van Jacques Gans zou nooit meer hetzelfde zijn. Hij zoog het door Saalborn voorgelezen verhaal op met stijgende aandacht. “Dat is het!” dacht hij en “die vent is er achter!”. Het was het verhaal van Japi, die op banken in de regen aan de waterkant zich oefende in het versterven, om onaandoenlijk te worden voor honger en koude en ongrijpbaar voor het verdriet en het gezeur van de maatschappij.

En het verhaal was daarmee niet afgelopen voor Gans: “Nee”, zei Japi tegen de schilder Bavink, “ik ben niks en ik doe niks. Eigenlijk doe ik nog te veel. Ik ben bezig te versterven. Het beste is, dat ik maar stil zit, bewegen en denken is goed voor domme mensen. Ik denk ook niet. ’t Is jammer dat ik eten en slapen moet. Liefst zou ik dag en nacht blijven doorzitten.” Dat was ook voor Jacques Gans wel een pracht van een programma. Het programma van de uitvreter.

Hij voerde het ook uit. In zijn eigen tempo en op geheel eigen wijze. Als een bohemien zwierf hij door Parijs en Amsterdam. Toen hij op een morgen, ietwat aangeschoten, de sleutel in het slot van zijn woning stak, realiseerde hij zich dat er nu wel eens iets mis zou kunnen gaan.

En dat was ook zo.

Het was half vijf en daar zat zij: rechtop in bed, als een beledigde roos met alle lichten op en alle dorens uit en haar woede kwam als een dolkstoot op hem af. Hij realiseerde zich dat geen citaat van Baudelaire of Appolinnaire hem verder zou helpen. Het was over en uit. Of beter, het was een nieuw begin. Hij scheidde van de Deense Ester Margrethe Steffensen en schreef er een roman over: Liefde en goudvissen. Ik pakte het boek zojuist uit een van de dozen. Alleen al de titel is fantastisch! Elke zin is als met bloed geschreven. Ik citeer de eerste zinnen:

Te bedenken, dat ik van deze vrouw gehouden heb – en nog houd – en dat ik haar toch met evenveel liefde het mes tusschen de ribben gestooten had. Zij stond in de portiek van haar atelier, naast den postzegelwinkel.

“Je komt terug!” smeekte ik. Omdat ik niet smeeken kan, klonk het als een bevel.

De mislukking zit er al vanaf het begin ingebakken.

Jacques Gans schreef prachtige columns en deed heel veel andere interessante dingen. Nadat hij in de jaren vijftig voor De Telegraaf ging werken, schreven vele vrienden hem af. Willem Frederik Hermans was onder degenen die met hem afrekenden. Ook hij was een leerling geweest van Saalborn.

Nog steeds bezocht Gans de cafés, maar steeds vaker zat hij eenzaam aan een tafeltje. Als hij al genood werd verjoeg hij door zijn bulderend gelach de klandizie. Een hartinfarct maakte in 1972 een einde aan zijn leven. Hij had intussen wel het woord waargemaakt dat hij zijn vader toevoegde nadat hij van Saalborn het verhaal van Nescio hoorde: “Nu weet ik wat ik later ga worden! Zijn vader Levie vroeg wat dat dan wel zou zijn. “Een uitvreter”, had i geantwoord.

[Over de foto in cafe Scheltema (met v.l.n.r. Jacques Gans, Marlies Scholten, H.J.A. Hofland, Wim T. Schippers en Remco Campert), zie H.J.A. Hofland in De Groene Amsterdammer. Voor het proefschrift van Arnold Saalborn, zie de DBNL].

Gans, Jacques (1946). Liefde en goudvisschen. ‘s-Gravenhage: Daamen’s uitgeversmaatschappij. I.z.g.st., illustraties van C.A.B. Bantzinger, 318 pp., uit de collectie Igor Cornelissen. Gouden belettering op rug en gulden vignet op voorplat. € 25,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, waaronder ook Het Pamflet van Jacques Gans.

mei 12th, 2021 by Jaap de Jong

De ontbrekende plaatsvervanger

Bij het ordenen van de collectie Jaap Meijer stuitte ik vanavond op een speciale uitgave van het gedicht Bensjen; ballade. Jaap Meijer (1912-1995) verhaalt in veertien strofen over de dag dat zijn vader, de venter Samuel Meijer, stierf. Filmisch, in buitengewoon krachtige beelden vertelt hij het verloop van die fatale dag. Het was op een woensdag, op 31 oktober 1923 dat hij als elfjarig jongetje door zijn moeder uit de klas wordt gehaald en op klompen naar de sjoel in de Boschstraat (nr. 24) van Winschoten rent.

Daar aangekomen treft hij tien vrome joden en de rebbe die in de tora-rol naar een naam speurt om als plaatsvervanger te dienen voor zijn vader. Want in de aloude tred/van ons joodse bestaan/zoekt de mal’ach ha-mowet [engel des doods]/een dode op zijn naam.

“Mousje”, fluistert de rebbe. Maar het is duidelijk dat het te laat is.

De jonge Jaap Meijer wijt de dood van zijn vader aan zijn klompen. Die moesten hem wel in rouw dompelen door verlies van wat tijd. En die rouw ging niet over. Nooit niet: “Nu kan geen sjoel meer die last/van mijn klompen verzoenen/want de kille – vergast/ging naar polen op schoenen.”


Het Bensjen wordt uitgesproken voor het herstel van een ernstig zieke en gaat gepaard met een naamsverandering van de zieke. Dat is niet zonder reden, de naam is immers een wezenlijk bestanddeel van de persoonlijkheid. Uit een geopende tora-rol kiest men de eerste naam die men tegenkomt. Het doodsoordeel dat over x wordt geveld, geldt zodoende niet voor y, drager van de nieuwe naam.

Meijer dateert het gedicht op 21 chesjvan 5738 (21 september 1977), de dag waarop Yom Kippoer werd gevierd.

Bij Jaap Meijer telt ieder detail.

Er zijn gedichten van Meijer uitgegeven in combinatie met werk van de schilder H.N. Werkman, maar hoe indrukwekkend zou het kunnen zijn als dit gedicht in filmbeelden (bij voorkeur zwart/w. & zonder geluid ) wordt vastgelegd. Hij speelt nu al door mijn hoofd. Zonder ophouden.

Op Jaap Meijer kom ik nog wel eens terug. Dat is zeker, voor zover er iets zeker is in dit bestaan.

Messel, Saul van (1977). Bensjen; ballade. Haarlem: Carlinapers. 1e druk, zwart omslag. Gaaf genummerd exemplaar. Dit is nr. 4 uit 100. Het gedicht telt veertien strofen met een toelichting. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 49,50 (incl. pak- en verzendkosten).

mei 11th, 2021 by Jaap de Jong

Het aards tekort

Oude boeken weggooien. Ik kan het niet, ook al is het een onooglijk boek. Zijn de vochtvlekken de zichtbare resten van oude jenever of is het opgedroogd regenwater uit Igor’s tuin aan de Vondelkade? Het omslag is aan de achterzijde ietwat gekruld, ook nog nadat het drie dagen onder de Essays van Montaigne en zeven delen van de Winkler Prins encyclopedie lag.

Hoogstwaarschijnlijk werd het omslag van Het aards tekort beschadigd door een wat ongelukkige opbergplek. Igor stopte de autobiografische roman in het mapje van Hans Koning (1921-2007) (ook wel: Hans Koningsberger) die hij over hem aanlegde. Het is overigens zeker dat hij de ontmoeting met Hans Koning in Londen heeft vastgelegd in een agenda & notitieboekje: 22 maart 1985 In the Ordnance: “Igor, je bent een goeie vent. Hoera. Dag – Hans Koning”. Die agenda’s liggen binnenkort bij het IISG.

Hans Koning, die in 1951 naar Amerika emigreerde en daar succes had als schrijver, was niet zomaar een schrijver. Hij was ook de kleinzoon van Abraham van Collem (1858-1933) die in zijn gedichten een pantheïstisch-mystieke interpretatie van de Ethica van Spinoza verwoordde. En dat combineerde hij met een socialistische kijk op de dingen. Ook zìjn werk verzamelde Igor. En – niet terzijde – eerder schreef Jaap Meijer een studie over Van Collum. Hans Koning bleef tot de laatste snik trouw aan het socialisme. Dat was in elk geval een ander socialisme dan dat van Wim Kok en Wouter Bos, schrijft J.L. Heldring in een column. Heldring wist wat het understatement vermag. 

Hans Koning was twaalf jaar toen zijn grootvader Abraham van Collem overleed. Hij droeg Het aards tekort aan hem op en memoreert hem ook omdat hij dankzij hem zonder de erfzonde van het racisme was geboren: “Hij was communist, een van de eersten in Holland. Hij schonk de rij van huizen die hij bezat weg, iets waarover ik geen wrok probeer te koesteren. Hij was tevens een min of meer bekend dichter en in Holland wordt zijn werk, dunne bundeltjes met pacifistische en socialistische gedichten, nog altijd sporadisch gelezen. In het begin kwam Christus ‘met zijn zacht gelaat’, er nog in voor, maar later schreef hij God, ‘een vreemde naam’ afgeworpen te hebben en een nieuwe en andere mens, die niet haatte, niet liefhad, maar deed, te zijn geworden.”

Hans Koning was niet bang voor de dood, zo schrijft hij in zijn autobiografisch getinte roman. Hij had Schopenhauer gelezen en ook nog eens begrepen. De dood betekent een bevrijding van de last van de individualiteit: de wil tot voortbestaan. Dat wat verlangt te bestaan is slechts op indirecte wijze het individu. Het bestaan bevredigt de wil slechts tijdelijk. Als je weet dat je diepste zelf slechts de universele wil tot leven is, dan besef je hoe kinderachtig en belachelijk die zorgen over je individualiteit zijn, schrijft Hans Koning ergens.

Een andere leraar dan Schopenhauer zei eerder al dat je naar de lelies op het land en de vogels in de lucht moet kijken in plaats van je zorgen te maken over je diepste eigenste Ik. Maar ik dwaal af en moet bij de tekst van Hans Koning blijven.

In Het aards tekort staan namelijk tal van behartenswaardige zaken. Zoals de opmerking dat wij ooit de eenzaamheid kenden. Niet de eenzaamheid die je voelt temidden van een onverschillige menigte, maar die van de oneindige duisternis van de nacht onder een open hemel, en de onmetelijke leegte van de wildernis. Alleen voelde je je niet verloren. Je vond jezelf.

Dat was eens.

Nu noemen wij een verlaten plek een plek waar we geen hulp kunnen vinden tegen iemand van onze eigen soort. Dat is iets anders.

Oude boeken weggooien. Ik kan het niet, ook al zitten er vochtvlekken op en is de achterkant van het omslag gekruld. Het ging door de handen van boeiende mensen. Het is gewaarmerkt en waar gebleken.

Koning, H. (1974). Het aards tekort. Amsterdam: Meulenhoff. Matig; vochtvlekjes op omslag, gekruld achterplat, binnenwerk goed, 207 pp., paperback. Stempel [archief Igor Cornelissen]. Gesigneerd en met opdracht van Hans Koning aan Igor Cornelissen. Niet zeldzaam, maar wel uniek. In combinatie met een gesigneerd exemplaar van bovenstaande column € 75,00 dan wel een ander aannemelijk bod. Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong

mei 6th, 2021 by Jaap de Jong

Breed, maar toch exclusief: de BBKL van Traugott Bautz

Het Biographisch-Bibliographisches Kirchenlexikon (BBKL) is geen enghartig naslagwerk, maar breed van opzet en bevat lemma’s rond het werk en de levensweg van betekenisvolle figuren uit de theologie, geschiedenis, literatuur, pedagogiek, filosofie en de kunsten (muziek en beeldende kunst). Het naslagwerk (Duitstalig) is internationaal van opzet, maar ook tal van Nederlanders zijn vertegenwoordigd (Anna Maria van Schurman, Voetius, Spinoza, Erasmus etc.).

Het eerste deel van de BBKL verscheen in 1975 onder redactie van Friedrich Wilhelm Bautz. De serie wordt tot de dag van vandaag voortgezet door Traugott Bautz. Ik maak zelf met veel genoegen gebruik van de BBKL (en dat blijft ook zo, maar dat is een ander verhaal).

’t Wasdom biedt de banden 1 tot en met 26 aan, bestaande uit: Grundwerk (A-Z): 14 Bände + Ergänzungsbände I-XIII. Hrsg. von Friendrich Wilhelm Bautz und Traugott Bautz + los toegangsregister (Register zu Band I-XXVI). De 14e band van het grondwerk is tevens band I uit de latere toevoegingen ofwel Erganzüngen I-XIII). I.z.g.st., als nieuw, met een stempel van de vorige eigenaar op het schutblad. € 350,00 (excl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong

mei 5th, 2021 by Jaap de Jong

Bernard Canter, een kleine man met een te grote broek

Bernard Canter (1870-1956) was een interessante man met veel talenten: journalist, literator, schilder, musicus, dichter en uitvinder. Misschien dat ik nog iets vergeet. Ik vermoed dat hij ook zijn eigen boekbanden ontwierp. Aan die boekband is veel aandacht geschonken. De tragiek van Canter was dat hij slechts 152 cm en 5 mm lang was. Igor Cornelissen – die niet alleen zijn oeuvre kende, maar ook een Voetnoot aan hem wijdde – beschrijft de foto waarop Bernard Canter iets langer lijkt dan zijn tweeëntwintig jaar jongere vrouw Nelly van der Laan. Canter was op een trapje gaan staan, had een te lange broek voor zijn benen gehouden en er schoenen onder gezet. Wie het niet wist, zag het niet. Iedereen die hem kende, wist het, zo voegt Igor eraan toe. Zijn lengte was niet de reden dat men hem over het hoofd zag, negeerde en miskende. Je kunt beter niet op te veel terreinen uitblinken; dat wekt de jaloezie op, zo vertelde Igor mij eens. Vooral van de kruideniers en andere dunlippigen. En niet van de gulle geesten, zo voeg ik er aan toe.

Toen ik een schilderij van Bernard Canter zag – dat met de groenblauwe papegaai op zijn linkerschouder (zie afbeelding) – moest ik direct denken aan een schitterend gedicht van Bukowski – Bluebird. Anders dan de melancholicus in het gedicht van Charles Bukowski hield Bernard Canter zijn mond niet en liet hij zijn “bluebird” wel in- en uitgaan en niet bij nacht alleen. Zo sprong hij tijdens een theatervoorstelling op om te protesteren tegen de negatie van het werk van Nederlandse toneelschrijvers.

Zijn Droomer ter haringvaart (ca. 1896) – over de misstanden op zee – was een groot succes. De toneelschrijver Herman Heijermans vierde later zijn successen met het toneelstuk Op Hoop van Zegen waarop Canter hem beschuldigde van plagiaat en een vriendschap, die in Berlijn begon, was kapot. De roman over de haringvaart viel in het genre van de sociale roman dat Canters als een van de eersten beoefende. In 1915 werd hij tot gevangenisstraf veroordeeld omdat hij een bevriend staatshoofd (Wilhelm II) zou hebben beledigd, waarna hij een reportageroman (Op water en brood) maakte over de toestanden die hij in de gevangenis aantrof.

En zo is er meer. In de roman Kalverstraat vertelt Canter het verhaal van de meedogenloze opkomst van het grootwinkelbedrijf dat de bekende Amsterdamse winkelstraat tot een soort oorlogsgebied omvormde. Ook dat boek werd een succes en meerdere malen herdrukt. Overigens had de vader van Canter in de Kalverstraat een winkel waarin ridderorden, eredegens, sabels en andere verfraaiingen werden verkocht.

Canter kreeg nooit een ridderorde. In het literaire milieu was Canter weinig geliefd en de heren van de Vereniging van Letterkundigen mochten hem niet erg, meldt het overlijdensbericht in De Telegraaf (26-05-1956), de krant waarvan hij jarenlang medewerker was. Het artikel maakt ook melding van zijn journalistiek die zich kenmerkte door mededogen met de “under-dog”.

Bernard Canter werd oud in een heel klein huisje in Scheveningen, maar wel met schilderijen van de Haagse School en een mooi serviesgoed waar hij dol op was. Hij overleefde zijn veel jongere vrouw Nelly. Hij vermaakte zijn schaarse bezoek met gefantaseerde verhalen waarin vaak koninginnen in voorkwamen. En hij zette de sociale (undercover)journalistiek op de kaart.

Je kunt met minder verdiensten het leven verlaten.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, ook van Bernard Canter

april 29th, 2021 by Jaap de Jong

Over Arthur Schnitzler: dood, verderf en duisternis. En nochtans lichtheid

Ergens schrijft Lou Andreas-Salomé (1861-1937) dat ze bij het lezen van het werk van Arthur Schnitzler ‘net als bij het dansen’ het gevoel had van ‘opgeheven zwaartekracht’. Dit laatste hoorde ik van iemand die het weten kan. De thematiek van Arthur Schnitzler (1862-1931) is zwaar en somber (melancholie, liefde en dood), de toon in zijn werk is daarentegen licht, speels en muzikaal. De ene helft van het werk van Schnitzler is gewijd aan thanatos, de andere helft aan eros. Toen ik in de zomer van 1989 het huis van Freud in Wenen (Bergasse 19) bezocht liep ik niet langs de woning van Schnitzler. Hij was een buurtgenoot van Freud. En dat niet alleen, Schnitzler was ook sterk geïnteresseerd in het werk van Freud, hoewel hij sceptisch stond tegenover diens psychoanalyse. Nochtans analyseerde hij wel zijn eigen dromen in zijn dagboeken.

Leven en werk van Schnitzler zijn sterk met elkaar vervlochten. Rond zijn dertigste kampt hij met toenemende doofheid waardoor somberheid en wantrouwen een paranoïde vorm aannam. Drie jaar voor zijn dood pleegde zijn dochter Lili zelfmoord: “Op die dag in juli was mijn leven voorbij’, schrijft Schnitzler. Toch schreef hij daarna nog een van zijn mooiste novellen: Die Flucht in die Finsternis (1931). De novelle gaat over een man, een lijder aan achtervolgingswaanzin, die zijn broer vermoordt. Door zijn biograaf Ulrich Weinzierl wordt het verhaal in verband gebracht met Schnitzlers eigen, nogal problematische, verhouding tot zijn broer.

Voor de Tweede wereldoorlog was Arthur Schnitzler een populair en veelbesproken schrijver in Nederland. Zijn werk werd vertaald en opgevoerd. Ik weet niet of de vroegere eigenaars van het verzameld werk van Schnitzler – Grete en Felix Wolff – in Nederland ook naar de toneelopvoeringen gingen. Het echtpaar Wolff vluchtte in juni 1933 – samen met hun dochter Erika – vanuit Berlijn naar Amersfoort waar zij een woning op de Van Houtenlaan 12 betrokken. Zij behoorden tot de eerste groep vluchtelingen uit Duitsland na de machtsovername door Hitler. Felix Wolff en zijn echtgenote Grete doken in de loop van de oorlog onder, maar werden uiteindelijk opgepakt en vanuit Westerbork op 8 juni 1943 op transport naar Sobibor gesteld waar ze, drie dagen later, op 11 juni werden vermoord. Er is mij niet meer bekend over het echtpaar Wolff. Hun dochter Erika was al in september 1942 in het vernietigingskamp Auschwitz omgekomen.

Het door hen gebruikte en hiernaast afgebeelde ex libris komt niet voor in het handboek van Aarts en Kooyman (2017) over de joodse exlibriscultuur in Nederland, waarover ik eerder een blog schreef.

Net zoals Rilke, Joseph Roth en Stefan Zweig verdient Arthur Schnitzler het om gelezen en herlezen te worden. Dat kan nu.

Schnitzler, Arthur (1931 [1e tot 15e oplage]). Flucht in die Finsternis. Berlin: S. Fischer Verlag. I.z.g.st., bandontwerp Hans Meid. Met persoonsbibliografie, gebonden in linnen, 172 pp.

Schnitzler, Arthur (1913). Gesammelte Werke – Die Theater-Stucke [4 delen]. Berlin: S. Fischer Verlag. I.g.st., gebonden in linnen. Vlekken op voorplat van band I en IV, goud op bovensnede (dl.I-III). Ex libris Grete und Felix Wolff (niet in Aarts en Kooyman, 2017). Uit de collectie Igor Cornelissen. Alle genoemde titels samen voor € 75,00 (incl. pak- en verzendkosten binnen Europa).Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

april 28th, 2021 by Jaap de Jong

Naakt en sidderend aan de dijk gezet. La Rouchefoucauld en het eigenbelang

Eigenbelang is volgens La Rouchefoucauld (1613-1680) de ware drijfveer van het menselijk handelen. Dat geldt ook bij het uitdragen van deugden. Zelfs als het gaat om de schijnbaar belangeloze vreugde die men ervaart in een gesprek met een vriend over boeken of het samen genieten van een goede wijn. La Rouchefoucauld hakt ons het hoofd af: “De eerste opwelling van vreugde die we ervaren bij het geluk van onze vrienden komt niet voort uit onze goede inborst, of de vriendschap die we voor hen voelen, maar uit de egoïstische verwachting dat ook wij een keer aan de beurt komen, of van hun voorspoed kunnen profiteren.”

Waar een lezer van de Heidelberger Catechismus wellicht nog enig licht ziet gloren, verkeert dit bij La Rouchefoucauld in eeuwige duisternis. De mens wordt bij hem naakt, kaal en sidderend aan de dijk gezet, maar niet dan nadat hij door de filosoof gebrandmerkt is met een gloeiend hete ijzeren staaf.

Hans van Straten (1923-2004) was een liefhebber van het werk van La Rouchefoucauld. In het vroege voorjaar van 1988 schenkt hij aan Igor Cornelissen een exemplaar van een clandestiene uitgave van de Maximes (de collectie van 504 principes). In een begeleidend briefje vertelt hij hem iets over de herkomst. Een clandestiene productie van La Rochecoucauld, uitgegeven bij A.A. Balkema (1906-1996). Het gaat vlg. Hans van Straten om een uitgave uit 1944, hoewel de titelpagina valselijk het jaar 1942 vermeldt. Het boekje werd gedrukt door Meijer te Wormerveer. De omslag vervaardigde Hans van Straten zelf “op de Brother-schrijfmaajien”, zo lees ik in de begeleidende brief. Hans wist waar hij over sprak. Hij kwam – met andere anti-Duitsgezinden als J.B. Chartes en Bert Schierbeek – met regelmaat bij de boekhandel en uitgeverij van Balkema en werkte blijkbaar mee aan de clandestiene uitgaven. 

De uitgever August Aimé (Guus) Balkema kwam ter wereld in Avereest (Ov.) en speelde een belangrijk rol in de boekenwereld. In Amsterdam, maar later ook in Zuid-Afrika. Zijn uitgeverij in het Huis aan de Drie Grachten in Amsterdam werd in de oorlog gebruikt als drukkerij waar zo’n vijftig clandestiene uitgaven verschenen, waaronder ook deze uitgave m.m.v. Hans van Straten.

Réflections ou sentences et Maximes Morales par M. de la Rouchefoucauld (Amsterdam, MDCCCCXXXXII) [1944, niet: 1942] - een niet gepagineerde uitgave van de collectie van de 504 principes (Franstalig). Lichtblauw papieren omslag met flappen, vervaardigd door Hans van Straten op de Brother-schrijfmaajien. Oplage 200 exemplaren naar de editie van M.D.L. Gilbert (Paris, 1868), "en Garament de 8 sur papier des manufactures de Pannekoek pour [volgt beeldmerk met de letters A A B]. Met begeleidend briefje van Hans van Straten. Uit de collectie Igor Cornelissen.

Alleen te koop tegen een aannemelijk bod. Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, ook van Louis-Ferdinand Céline, Max Blokzijl, Sandor Marai en anderen.

 

april 26th, 2021 by Jaap de Jong

De oogst van vandaag

Vandaag het exemplaar van Aarts & Kooyman over de Joodse exlibriscultuur in Nederland in de verkoop gedaan. Een schitterend boek, maar anders dan Kees Fens, heb ik geen neiging om een tweede exemplaar (in ongerepte staat) aan te houden. Ik schreef overigens eerder over deze prachtige uitgave.

Verder heb ik met aandacht het exemplaar van Is. Querido over het letterkundig leven (dl. III). in Nederland bekeken. Daarin staan onder meer opstellen van Bram van Collum (1858-1933, pantheïstisch spinozist). Carry van Bruggen en P.C. Boutens. De uitgave heeft enige lichte vochtschade, maar u gaat natuurlijk – net als ik – uitsluitend voor de inhoud. Een bibliofiel kan natuurlijk niet zonder het werk van Piet J. Buijnsters (Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat), maar dat is zo vanzelfsprekend dat ik dat boek hier niet bespreek.

Bijzonder is het werk van de bohemien, dichter en esotericus J.K. Rensburg (1870-1943)(Wereldbouw, Arnhem, 1923).

‘k Ben niet van ‘t weerloos soort bourgeois-poëten/Dat leeft voor kunst slechts, niet naar welstand taalt/In week, onmanlijk droomen niet wil weten/Hoezeer het Geld des dichters heil bepaalt.

Het werk van Rensburg is, wat Menno ter Braak schrijft, een “doorlopende ontkenning van het ‘l’art pour l’art’, één uitgebreide encyclopedie van occulte wetenschap”. Ter Braak vergeleek hem met Dè Mouw, maar de laatste bereikte in zijn vers vaak wel de gedichte gedachte, waar Rensburg niet altijd tot het gedachte gedicht kwam. Overigens zit in dit, door Rensburg gesigneerde exemplaar, (t.w. nr. 33 van 250 genummerde exemplaren) een speciaal ingeplakte foto van de utopist, die in Sobibor ellendig aan zijn einde kwam: na een leven lang te zijn uitgelachen, werd hij ook nog eens verbrand, schrijft Carmiggelt ergens. Jaap Meijer schreef over de Joodse graalzoeker J.K. Rensburg een boeiend verhaal en misschien kom ik daar nog wel eens op terug. Over Jaap Meijer volgt t.z.t. ook nog wel meer. Dit echter terzijde van de actuele parels.

Tot slot tip ik De Golem van Gustav Meyrink (1868-1932), die op 47-jarige leeftijd een occulte roman schreef. Eerder hield hij zich weliswaar ook bezig met het spiritisme en andere occulte verschijnselen, maar De Golem gaf hem roem. De roman handelt over de Joodse legende van de uit klei gevormde figuur met een bovennatuurlijke kracht, actief werkzaam ten behoeve van vervolgde Joden. Het boek werd in vele talen vertaald en kwam in Nederland rond 1916 uit in een door Meyrink geautoriseerde vertaling van Lourens.

Dit en nog veel meer bij Cornelissen & De Jong. Zeg nu niet dat ik u niet waarschuwde.

april 23rd, 2021 by Jaap de Jong

George Orwell en het antiquariaat & uitleenbibliotheek

Op de hoek van Pond St. en South End Road in Hampstead is (vlg. Google Maps, 2019) nu een bakkerij gevestigd. Ooit was daar het antiquariaat en de uitleenbibliotheek van Francis en Mary Westrope gevestigd. Zij waren de werkgevers van George Orwell (1903-1950) die op de bovenverdieping kamers huurde en overdag een handje meehielp in het antiquariaat. Hillary Paynter maakte een mooie houtgravure van de plek waar Orwell in de jaren dertig verbleef en werkte.

Die combinatie van antiquariaat en uitleenbibliotheek was een typisch negentiende eeuwse gewoonte waarmee boekhandelaren hun boterham belegden. Natuurlijk, er werd wel eens een boek gejat en – na verwijdering van het eigendomsbewijs – bij een andere uitleenbibliotheek met winst verkocht. Maar het voordeel van de doorlopende klandizie woog daar blijkbaar ruimschoots tegen op. In Zwolle dreef J.C. der Mouw – de vader van de dichter-filosoof Joan Andreas dèr Mouw (1863-1919) – ook zo’n combinatie van antiquariaat & uitleenbibliotheek op de Nieuwe Markt 24. In 1865 verhuist hij naar de Diezerstraat waar zijn vrouw op de bovenverdieping directrice wordt van de lokale meisjes-H.B.S. Der Mouw combineert op de Diezerstraat zijn bezigheden met de muziekhandel die hij overnam van de vorige eigenaar W. Ezerman, zo wordt duidelijk uit de Overijsselsche en Zwolsche Courant van 15 september 1865. Zoiets (en natuurlijk het allerliefst op de Nieuwe Markt 24, waar de latere dichter Joan Andreas zijn eerste indrukken opdeed en de Staphorster vrouwen in klederdracht op de botermarkt zag rondstruinen) wil ik ook wel: BOLAS (als digitale bibliotheek voor het Voortgezet en Hoger Onderwijs) in combinatie met het antiquariaat waar geurig bedrukt papier te koop is. Kortom, een toegang tot het paradijs, een toegang tot kennis. En ook nog eens dicht bij het cafe De Hetebrij ofwel een paradijs zonder dorst. Er zullen wel wat doornen en distels groeien, maar toch. De idee is wonderschoon!

George Orwell, die eigenlijk Eric Arthur Blair heette, heeft minder romantische herinneringen aan zijn tijd bij het echtpaar Westrope. Er kwamen volgens hem voornamelijk oude dametjes die “boeken voor invaliden” zochten: ze weten niet wat ze zoeken, kennen auteursnaam noch titel, maar weten zich wel te herinneren dat het boek een rood omslag heeft. En dan zijn er verlopen types die naar oud brood rieken en je waardeloze boeken pogen aan te smeren.

Het inkopen van boeken vond Orwell daarentegen fantastisch: nergens had hij zo’n plezier in dan op een dorpsveiling een partij boeken te kopen. Liefst voor een paar stuivers. De beduimelde, onverwachte boeken die je in zo’n collectie tegenkomt hebben een heel eigen aroma, schrijft hij. Toch verloor hij op den duur de liefde voor boeken. Hij kocht ze nog wel, maar alleen als hij ze nergens kon lenen. En hij schafte nooit rommel aan. Boeken zijn stofnesten en de aanblik van het papier deed hem denken aan idiote klanten en dode bromvliegen. Die vliegen, niet de klanten (soms vallen dingen mee), gingen bij voorkeur dood op de bovenzijde van een boek.

Het essay Bookshop Memories van Orwell is een buitengewoon amusant stuk en de bibliofiele uitgave van dit essay maakt deel uit van de collectie Cornelissen waarover binnen afzienbare tijd méér.


Orwell, George (1987). Bookshop Memories.[Baarn]: Arethusa Pers. With a foreword by W.E. Butler and a wood-engraving by Hilary Paynter. I.z.g.st., gaaf exemplaar, gedrukt bij de Rampert Lions Press op "Zerkall mould-made paper". Nr. 109 uit een oplage van 150 genummerde exemplaren. € 65,00

Interesse? Neem contact met ons op. Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

april 18th, 2021 by Jaap de Jong

Het witte gevaar. De anarchist Wichman over melk

In de jaren negentig fietste ik met regelmaat door het Utrechtse Wilhelminapark naar de binnenstad. Reed ik door de Nachtegaalstraat, dan dacht ik altijd even aan de anarchist Erich Wichman (1890-1929), de jongere broer van de feministe Clara Meijer-Wichmann. Bij nummer 37, het geboortehuis van Erich en zijn zus, tikte ik op de rand van mijn hoed. Een klein gebaar, ik weet het, ter herinnering: wat kon ik meer doen? De jong gestorven anarchist Erich Wichman zou het waarschijnlijk niet op prijs hebben gesteld.

Wichman was antiburgerlijk, een komeet aan de kunstenaarshemel, flamboyant, veelzijdig. Hij kon werkelijk alles en deed ook veel. Hij correspondeerde met Kandinsky, was bevriend met Hendrik Marsman en Pyke Koch, schreef een filmscript met Joris Ivens, maakte litho’s die werden afgewerkt door Arthur Lehning en had contacten met de Italiaanse futurist Marinetti. Erich Wichman was een rusteloos denker en een ongedurig doener. Er beklijfde weinig. Had hij iets onder de knie, dan was er weer iets anders.

Die onrust was er al vanaf het begin. In maart 1903 was hij, als dertienjarige leerling van het Utrechtse Stedelijk Gymnasium gestuurd met een brief van de rector die zijn vader Arthur schrijft dat hij zich afvraagt of een leerling die “met geladen pistool in de klasse komt, kortom, hoogst gevaarlijk is nog verder het Gymnasium mag bezoeken.’ Wichman was dol op een polemiek en had hij een eeuw eerder geleefd dan was hij vast gestorven tijdens een duel met een eerrover of met iemand anders door wie hij zich onheus bejegend voelde.

Er is veel te vertellen over Wichman. Ik laat de politiek terzijde en ga niet in op zijn inspanningen voor de Rapaillepartij, een vrije socialistische groep die in Amsterdam twee zetels veroverde waarvan er eentje vergeven werd aan Cornelis de Gelder oftewel de zwerver Had-je-me-maar. Ook flirte hij met het Italiaanse fascisme, m.n. met de persoon van Mussolini. In alles wat Wichman deed speelde alcohol mee: hij was een principiële alcoholist.

In Het Witte Gevaar gaat Wichman los op alles wat volgens hem lelijk is. Hij geeft melk de schuld van al het onheil in Nederland: een land van melkmuilen. Melk, uitsluitend bedoeld voor zuigelingen van de koe, was ongezond en leidde tot kanker en hartfalen. Het is een bedreiging van de geestelijke volksgezondheid en leidt tot duimzuigen, bedwateren, neuspeuteren en wat al niet meer. Alleen kinderen drinken melk. Wichman had de Schrift natuurlijk wel aan zijn zijde en die citeert hij dan ook: Want een iegelijk, die der melk deelachtig is, die is onervaren in het woord der gerechtigheid; want hij is een kind (Hebr. 5:13).

Wichman werd op 4 januari 1929 op Zorgvlied begraven. Toen hij met een aantal studenten probeerde de dijken van de Vecht te versterken, vanwege een dreigende overstroming, liep hij een longontsteking op die hem het leven kostte. Een komeet stortte neer. Een anarchist sterft na het vervullen van een burgerplicht. Het was nog geen anderhalf jaar na het ter perse leggen van Het Witte Gevaar.

Wichman, Erich (1928). Het witte gevaar. Over melk, melkgebruik, melkmisbruik & melkzucht. Een ketterij tegen de goden dezer eeuw. Maastricht: Leiter-Nypels. Verscheen gedeeltelijk in “De Vrije Bladen” (augustus 1927). Oplage: 250 genummerde exemplaren (waarvan dit exemplaar nr. 181 is). Boekversiering is naar tekeningen van H. Jelinger, 33 pagina’s. Eerder eigendom van dr. Klaas Hens jr., uit collectie Igor Cornelissen. Rood-zwarte belettering. I.z.g.st., rug enigszins gehavend. Binnenwerk uitstekend. Te koop tegen een aannemelijk bod.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

april 16th, 2021 by Jaap de Jong

Zwerfziek verlangen. Over Marsman en Van Schendel

Zojuist  wat boeken van Arthur van Schendel (1874-1946) uit de collectie Cornelissen ingevoerd. Igor was een liefhebber van Van Schendel. De schrijver Arthur van Schendel was altijd op reis tussen twee landen: Italie en Nederland. Was hij in Italië dan schreef hij over Nederland, maar was hij in Nederland dan verkoos hij te schrijven over Italië. Het is net zoals met het verlangen. Ben je hier, dan wil je juist daar zijn. Dit natuurlijk terzijde.

Op de eerste bladzijden van De Waterman staat een kind met zijn enkels te verkillen in wind en weer in een mistig land. Op de laatste bladzijde zinkt een man voor eeuwig in de stroom. Daartussenin de geschiedenis van de wat zonderlinge hoofdfiguur, de schipper Maarten Rossaart, die zich aansluit bij de religeuze beweging van de Zwijndrechtse nieuwlichters. Hij is een zwerver, zoveel is duidelijk. Ik ben een dolle liefhebber van dit soort boeken. Marsman, een dichterlijke waterman, die bovendien zijn dood (in  het water) in zijn poëzie esthetisch aankondigde, wijst in een prachtig gedicht op de roman van Van Schendel (1933, 1e druk). U weet wel, in zijn Brief aan een vriend:

Tracht, na uw vijftigste jaar/langzaam te leeren, dat het goed is/als de bladeren vallen; de sterken worden dan toch nog lang niet gerooid; zeg tot u-zelf: ‘ik wil pas vallen/onder den winterstorm’. -/mij kan soms nu het verlangen al overvallen/naar onze latere jaren/als ik niet meer gekooid/in dit zwerfziek verlangen/wonen zal in het huis aan de breede rivier.

hoe goed zal het zijn

(…) dan zitten wij ’s nachts bij het vuur en ik lees u voor uit een boek dat ik dan heb geschreven/een boek als ‘De Waterman’/Of lacht ge, dat dat niet kan?”

In het aangeboden exemplaar van De Waterman zit een ex libris van Wendelien Houwing. Ik heb nergens een spoor van haar kunnen traceren. 

Verder wijs ik op de zojuist ingevoerde bundel van Henriette van der Holst van der Schaik. Niet zozeer, of beter, niet alleen, vanwege het mooi uitgevoerde boek, maar vooral ook vanwege de ex libris van Henk Sneevliet (1883-1942) die afgelopen week 79 jaar geleden, op 12 april 1942, op de Leusderheide bij Amersfoort werd gefusilleerd. Ik ben maar een oppervlakkig kijker, maar misschien is het ex libris van de hand van Fré Cohen die in de jaren dertig een stijl voerde die mij doet denken aan de nieuwe zakelijkheid.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, ook van Van Schendel

april 15th, 2021 by Jaap de Jong

Ank van Pagée en het ideale antiquariaat

Tussen de boeken van Igor zit veel moois, maar de vondst van vanmorgen is erg bijzonder. Het betreft een uitgave ter gelegenheid van de tentoonstelling ‘Petit Hommage Ank van Pagée’ in het Museum De Stadshof dat tussen 1994 en 2001 in Zwolle was gevestigd. Van Pagée schilderde het leven in felle kleuren, soms ook in zwart-wit. Ze maakte tekeningen, collages, maar ook portretten waaronder een zachtmoedige Maarten Biesheuvel, een ietwat trieste – nu eens zittende – Alberto Giacometti en een bloemige Gerrit Komrij.

Ank van Pagée (1956-1995) was naast kunstenares, ook antiquaar. Zij had een antiquariaat op de Brink in Deventer, tussen het station en café Floors. Je kreeg een kop thee en verder werd er gezwegen. Voor boekenbabbels met de antiquaar was geen plaats, zo vertelt P.J. Buijnsters in een essay dat in de bundel is opgenomen. Igor had het plan om een serie te maken over antiquariaten en reisde daarvoor naar Enkhuizen, Amsterdam, Rotterdam, Tiel en natuurlijk ook naar de Brink in Deventer bij het antiquariaat van Ank van Pagée. Helaas raakte Igor zijn aantekeningen kwijt en was daarmee ook het plan van de baan. Ik hoop dat ze teruggevonden worden.

Igor bezocht het antiquariaat met zijn vrienden (Van Straten, Meijer, Wierema, Groeneveld). Allemaal erkende verzamelaars. Hij noemde het antiquariaat aan de Brink een oase van rust. Het speelt een rol in zijn roman De zender van Polk waar eigenaresse Ank vereerd mee was, want voor de eeuwigheid genoteerd. Hij wist niet dat het bij Ank zelf aan rust ontbrak. Zij schonk hem een boek van Peter Altenburg waar zij een opdracht in schreef: ‘Zwischen Verbitterung und exzeptioneller Sanftmut verbringen wir nun unsere bange Tage’. Later schonk ze nog meer weg en maakte geen rekeningen meer. En daarna was er het einde. De laatste zin uit het opstel van Igor luidt: “Ik heb alleen maar haar zachtmoedigheid leren kennen. Wie kan van een ander mens een volledig portret schilderen?”.

Als ik het boek van Altenburg tegenkom verkoop ik ook dat niet.

Het antiquariaat van Van Pagée had voor Igor veel van het ideale antiquariaat. Je treft er goede boeken (liefst met stofomslag en ingestoken liefdesbrieven). Het is er ruim, overzichtelijk en toch vol met verrassingen. Er zijn geen donkere hoeken met vochtige bananendozen en boekenweekgeschenkjes. Er heerst rust en er troont, zo schrijft Igor, “een eigenaresse, zacht en zonder nadruk als een weelderige prinses tussen haar boeken”.

Die prinses heb ik al, evenals de boeken. Nu nog de ruimte.

Boeken die ik wel verkoop.

april 12th, 2021 by Jaap de Jong

Ronit Palache over Rubinstein, de Meijers, vriendschap en nog wat dingen. Een podcast

Renate Rubinstein (1929-1990) en Ischa Meijer (1943-1995) waren bekende journalisten in de tweede helft van de twintigste eeuw. Onder het pseudoniem Tamar schreef Renate Rubinstein columns in Vrij Nederland. Haar stijl was persoonlijk, helder en beknopt. Van haar jongere collega Ischa Meijer wordt wel gezegd dat hij de beste interviewer van Nederland ooit was. Ook wel dat hij vooral zichzelf beschreef in het portret dat hij van anderen gaf.

Hoe verhield Renate Rubinstein zich tot Friedrich Weinreb (1910-1988) en welke rol speelde haar vader daarin? Wat is dat toch; wat willen we wel en niet geloven en wat heeft die zelfmisleiding te maken met ons geheugen? Kan Rubinstein ons iets leren als het gaat om de balans tussen onafhankelijkheid en meebewegen en wat dan wel?

In deze podcast praten Igor Cornelissen, Ronit Palache en Jaap de Jong over het journalistieke werk van Renate Rubinstein en Ischa Meijer. De bewondering die Ronit heeft voor de visionaire blik van Renate en haar kritische kijk op de politiek, haar onafhankelijkheid, maar ook haar ambivalentie. We praten over vrijheid en onafhankelijkheid, maar ook over de grenzen daarvan. Over de liefde tussen Renate Rubinstein en Simon Carmiggelt. Igor Cornelissen ontdekte na de dood van Carmiggelt dat Renate Rubinstein en Simon Carmiggelt meer met elkaar deelden dan de liefde voor het woord.

Dat niet alleen; er komt nog veel meer op tafel, zoals de vriendschap tussen Jaap Meijer (1912-1993) en Igor Cornelissen en zijn verhouding tot Ischa. Wat is voor hen belangrijk in die vriendschap en waarom eigenlijk?

De muziekmontage van de podcast werd verzorgd door Sacha Boulogne van AppStudio.nl. Het boek Bange mensen stellen geen vragen is verkrijgbaar in de betere boekhandel en bij antiquariaat Cornelissen & De Jong (gesigneerd op 10 december 2020 in ‘t Wasdom).

Beluister hier de podcast!

april 11th, 2021 by Jaap de Jong

Liefdes Kronkelpaden

De afgelopen dagen gingen er duizenden boeken door mijn handen. Heel veel schoons en ook veel dat bijzonder is. Een van de meer bibliofiele boekjes – en niet in de handel – betreft het verhaal dat Igor Cornelissen schreef over J.A.N. Knuttel (1878-1965). Ik las het gisteravond voor aan de geliefde en bedacht toen dat ik Knuttels wederwaardigheden wel openbaar kon maken.

Igor interviewde de Neerlandicus, nudist en communist dr. J.A.N. Knuttel op een snikhete zomerdag in 1963. Ruim vijftig jaar spreekt hij zijn spijt uit over de door hem gemiste kansen: te veel politiek, te weinig literatuur. En Knuttel kende nogal wat schrijvers. Geen kleinen, maar groten: J.H. Leopold, Herman Gorter, Vondel en Bredero. Kortom, een hemel vol. Hij beschreef het eerder in Vrij Nederland:

“Ik had Knuttel helemaal niets moeten vragen over zijn politieke opvattingen. Hij had mij een prachtig verhaal kunnen vertellen over zijn jeugd, zijn studiejaren, zijn korte periode als leraar Nederlands aan het Rotterdams gymnasium en – vooral – over zijn eerste liefdes” (Vrij Nederland, 16 december 1989).

Knuttel was een lyricus, geen purist. Hij hield van een goed glas wijn en na twee of drie glazen had hij vast iets losgelaten uit een goudmijn aan anekdotes en bijzonderheden, bijvoorbeeld over de liefdesgeschiedenis die zich tussen hem en zijn leerlinge Nyza de Jong ontwikkelde. En over zijn dromerijen waarover hij schreef in de bundel Verzen aan N. de J.:

Jouw lijf naast het mijne, en zoo maar te hopen/En om ons de dingen, wier doen we niet zien,/Alleen te verlangen, niet week’lijk te hopen: aan ons is het nemen, geen wachtend “misschien”.

Knuttel lag nooit met zijn leerlinge Nyza in het hete zand. Hooguit was de wens de vader van de gedachte of in elk geval van het gedicht, maar toen hij op 25 mei 1905 met rode rozen op weg ging om Nyza met haar zeventiende verjaardag te feliciteren ging het mis en moest hij zich verantwoorden voor de rector en het curatorium. Hij kreeg het advies ontslag te nemen, waaraan Knuttel gehoor gaf. Nog geen twee jaar later maakte hij kennis met de Zwolse Maartje Visser – toen nog getrouwd met Henk Sneevliet en wist haar voor zich te winnen. Of beter: zij hem. Ze trouwden in november 1908.

De liefde of beter de roman Liefdes Kronkelpaden hield Knuttel intussen wel in de ban. In 1907 verschijnt bij W.L. & J. Brusse Liefdes Kronkelpaden. De roman van een jongen. Het boek verschijnt onder het pseudoniem K.T. Nieulant. In de tweede druk wordt aangegeven dat het boek van J.A.N. Knuttel is. Knuttel thematiseert in zijn roman de relatie tussen gevoel en verstand. Verschillende recensenten prijzen zijn inzicht in de psyche van de vrouw, maar in zijn roman schemert ook de liefde door voor de natuur, de zee, het strand en de fysieke aanraking. Knuttel was een overtuigd nudist en wilde het liefst zonder knellende kleding dichter bij de natuur komen.

Ik besluit met een citaat uit Liefdes Kronkelpaden. Dat deed mij denken aan de laatste zin uit Arthur Koestler’s Nacht in de middag, maar dat is een ander verhaal.

“De zee lag rimpelloos te droomen, bleef zich wonder gelijk tot een dampigen horizon en dat gezicht reeds gaf zekeren vrede. Hij voelde dat hij van de zee hield. Zóó in deze sombere, dreigende stilte en ’t was of zijn armelijk leed smolt in een veel grooter, dat door zijn eigen schoonheid tot geluk werd, of hij in juichtonen van uitrijzen boven lijden de oneindig verdiepte wateren zou willen groeten.”


Nieulant, K.T. [pseudoniem voor J.A.N. Knuttel](z.j.). Liefdes Kronkelpaden. De roman van een jongen. Rotterdam: W.L. & J. Brusse. Rug kwetsbaar en deels loslatend, kwetsbare omslag, binnenwerk uitstekend (nog niet losgesneden), 2e druk, 226 pp., rode en zwarte belettering. Zeer zeldzaam, niet in de handel.

Knuttel, J.A.N. (1991). Verzen aan N. de J. Rotterdam: Uitgeverij Ordeman. I.z.g.st., 48 pp. beperkte oplage (250 ex.).

In combinatie met Liefdes Kronkelpaden € 160,00 (incl. pak- en verzendkosten binnen Europa). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

april 7th, 2021 by Jaap de Jong

Heet van de naald. Over Max de Jong, de hospita en de tollenaar

Met Pasen vertelde mij een vriend uit Amsterdam dat ik Heet van de naald van Max de Jong zou moeten lezen. Nog geen dag later trek ik de bundel uit de nalatenschap van Igor uit de kast. En begin het staande te lezen om niet meer op te houden. Het zoemt nog steeds na in mijn hoofd.

Het is een lang, tragisch liefdesgedicht van 91 strofes van vier regels. Het leverde Max de Jong (1917-1951) roem en faam op. Tot op de huidige dag. Het gaat om een romanticus toevend in kamers, volgeladen met boeken die hij van een lastige hospita moet verlaten omdat hij zich niet houdt aan de geschreven en ongeschreven regels. Oorlogen voert hij met haar. Oorlogen die hij dan wel wint, maar wat dan wel met zich meebrengt dat hij “doorgaans op een opgezegde kamer woon – die woningnood is een bezoeking / en verhuizen is ook haast niet te doen met al die boeken! Ik snak er naar”.

Ik deel niet alleen de achternaam met Max. Ook ik moet verhuizen met tienduizenden boeken, net zoals mijn mede kantoorgenoten. Niet van een hospita, maar van een projectontwikkelaar; een soort tollenaar, maar niet eentje die zich, in de Zacheüs-positie, schuilhoudt in een boom.

“Jammer is zo iets”, luidt de laatste regel van het gedicht

Dat is ook zo.

Los van dit alles beschik ik over een unieke uitgave van de bundel, een nog niet bekende variant van Van Oorschot. Het ziet er anders uit dan de haar bekende eerste druk van de bundel, zo mailde Marsha Keja (literair onderzoekster & kenner van het oeuvre van Max de Jong) mij. Na het 29 bladzijden tellende boekje is een gedicht (in handschrift) van de criticus N.A. Donkersloot (1902-1965) afgedrukt. Het gaat om Le Jongleur de Notre-Dame (uit 1934). Ook het formaat wijkt af van die van de eerste druk. Verder weet ik toevallig dat Geert van Oorschot met de naoorlogse papierschaarste kampte. Heeft het daar iets mee te maken?

Jong, Max de (1946). Heet van de naald. Amsterdam: G.A. van Oorschot. I.z.g.st., met rode belettering op voorplat en titelpagina, 29 pp. Mede ingenaaid (laatste pagina): een handschrift van Le Jongleur de Notre-Dame (van N.A. Donersloot). Omslag met flappen, afwijkend formaat van reguliere 1e druk. Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong