in 't Wasdom

Antiquariaat Cornelissen & De Jong

Archive for the ‘Aantekeningen van een antiquaar’ Category

oktober 29th, 2020 by Igor Cornelissen

De media en de revolutie: de gouden manchetknopen van Lenin en de sjieke gewaden van zijn vrouw

Het boek waar Stoelinga op promoveerde verscheen in 1967. Het jaar dat de vijftigste verjaardag van de Russische Oktoberrevolutie werd herdacht en gevierd. Het laatste gebeurde in Moskou waar ik op het Rode Plein de marsmuziek hoorde en het defilé inspecteerde. Zo nam ik pas later kennis van Stoelinga’s onderzoek naar de Nederlandse kranten en tijdschriften die hun lezers trachten voor te lichten over de val van het tsarisme, Kerenski die kort aan de macht was en Lenin die met andere bolsjewiki (vooral Trotski werd genoemd) die hem aflosten.

Op de meeste redacties dacht men dat die ‘maximalisten’ maar kort aan het bewind zouden blijven. Over het algemeen waren de kranten slecht geïnformeerd. Alleen De Telegraaf had een medewerker ter plekke. De andere journalisten moesten op hun gevoel (of grote duim) afgaan. Het leverde soms rare stukjes op. Zoals een Lenin die gouden manchetknopen droeg met diamanten erin en een mevrouw Lenin die sjieke gewaden naar de laatste mode droeg. Wie ooit een foto zag van mevrouw Lenin, ofwel Nadezjda Kroepskaja, moet wel in lachen uitbarsten.

Het viel te prijzen dat Stoelinga nauwgezet al die gereformeerde, katholieke en liberale bladen doornam. Nog interessanter werd zijn boek omdat hij de twee uiterst linkse bladen niet vergat: het theoretisch marxistische tijdschrift De Nieuwe Tijd waar Herman Gorter, Willem van Ravesteyn en Anton Pannekoek in schreven en het dagblad De Tribune onder leiding van dezelfde Van Ravesteyn en David Wijnkoop. Met als kritisch medewerker de arbeider B. Luteraan. Zij waren de enigen die begrepen wat er in Rusland gaande was. Wat Stoelinga niet vermeldde (hij wist het niet of vond het niet de moeite waard) is dat Barend Luteraan de ‘maximaalste van de maximalisten’ in Zwitserland Lenin had ontmoet tijdens een internationale conferentie (in 1915). Lenin vroeg bij die gelegenheid naar Gorter: ‘Wie geht’s German Gorter’? want de h kon hij inderdaad niet uitspreken. Lenin had met veel instemming Gorters brochure over het Wereldimperialisme gelezen; een felle aanklacht zowel tegen de Engels-Franse regeringen als tegen de Duitse.

De marxisten spraken dezelfde taal. De Nieuwe Tijd en De Tribune bleven Lenin en Trotski met grote instemming volgen. De barsten in de vriendschap werden al snel zichtbaar, maar dat gebeurde pas na maart 1918.

In de jaren zestig van de vorige eeuw kwam een in Den Haag gestationeerde journalist van het persbureau TASS Luteraan nog eens uithoren over zijn herinneringen aan Lenin. Wat daarvan gekomen is, weet ik niet. Ook dat laatste heeft in het geheel niets te maken met Stoelinga’s werkstuk dat bij mij nog wel een vergelijking oproept met de situatie in Wit Rusland waar we op dezelfde dag dat de oppositie de straten vult de filmpjes kunnen zien en opposanten kunnen horen. Het leven wordt gevuld met terzijdes.

Stoelinga, Th. H. J. (1967). Russische revolutie en vredesverwachtingen in de Nederlandse pers. Maart 1917-Maart 1918. Bussum: Fibula - Van Dishoeck. Redelijk. Paperback, 224 pp., 1e druk. Met bibliografie en noten (€ 12,50, incl. verzendkosten). Mail ons of neem contact met ons op.
oktober 28th, 2020 by Igor Cornelissen

Sint-Petersburg: de passie van Hans Boland

In deze stadsgids staat alles. Bijna alles, dus niet dat ik daar met mijn vriendin Anke jaren geleden de Aurora bezocht, langs het Finland station liep waar ik een flesje koshere vodka kocht om vervolgens op zoek te gaan naar een café. Ik kende er heg noch steg, maar liep mijn neus achterna die mij vaker hielp op mijn zoektochten door onbekende gebieden. Het is nog iets verder, zei ik zelfverzekerd steeds tegen Anke. En waarlijk, daar iets verderop, branden lichtjes. Een echt café, fatsoenlijk en toch Russisch. Ik hoefde mijn flesje niet aan te spreken, want ze hadden daar volop. Door de ramen keek ik naar buiten. Berkenbomen en licht sneeuwval. Ik zat meteen midden in een verhaal van Tsjechov of Poesjkin of welke Russische schrijver dan ook. Ik voelde me ineens heel erg thuis en kwam met mijn dertig Russische woorden een heel eind.

Hans Boland slaat me in alle opzichten. Hij heeft er gewoond, spreekt en schrijft vloeiend Russisch en kreeg prijzen voor zijn vertalingen. Ik doe zijn uitputtende gids weg omdat de kans dat ik nog eens in Leningrad (ik gebruik de oude naam nog maar eens) ook zonder Corona nihil is. Op de achterflap wordt Sint-Petersburg terecht een stad van glorie en gruwel genoemd. Die twee g’s waren er ook tijdens de Tweede Wereldoorlog toen de Duitsers er niet in slaagden de stad te veroveren. De hongersnood kostte honderdduizenden burgers het leven. Er moet zelfs kannibalisme zijn voorgekomen.

Boland schrijft met passie en dat houdt alles in. Liefde en nuchterheid. Over het Kirov ballet, het sovjet paradepaardje  dat ook in het buitenland volle zalen trok, vertoonde eigenlijk meer veredelde acrobatiek dan ware danskunst.

Voor de echte kunst neemt Boland je mee naar de Ermitage. Katherina de Grote kocht meer dan drieduizend schilderijen van Westerse kunstenaars aan. Maar er is veel meer te zien. Alleen voor de Ermitage zou je een paar dagen moeten uittrekken, maar toen ik er was, kregen we meen ik niet meer dan drie uur. De gids was onverbiddelijk. Ik zag er de De verloren zoon van Rembrandt en de tranen schoten me in de ogen.

Bij Boland valt zijn evenwichtigheid op. Hij noemt de door de nazi’s aangerichte verwoesten niet, maar beschrijft eveneens de door de bolsjewiki na 1917 aangerichte en onherstelbare schade aan in musea en aan kunstvoorwerpen. Dichteressen als Achmatova en Tsjoekovskaja die in Leningrad woonden, worden op de huid gevolgd. Waar woonden ze en wat is er van en over hen bewaard gebleven? Op een heel andere plek is het sigarettenpijpje van Dzerjzjinski te zien. Hij was de leider van de Tsjeka die de jacht inzette op alle tegenstanders van Lenin en Trotski. De man was meedogenloos en Boland noemt de Tsjeka dan ook het grote voorbeeld voor Hitlers geheime dienst.

Enkele foto’s zijn van mijn vriend Gerrit Oorthuys die mij vaak opbelt om over ‘de mensen van vroeger’ te praten. Soms komt hij naar Zwolle. Gerrit is door zijn moeder communistisch opgevoed, maar merkte dat de leer niet klopte.

Ik kan u niet verzekeren of u na het lezen in deze uitgebreide gids de ‘Russische ziel’ hebt ontdekt, maar Sint-Petersburg heeft in ieder geval geen geheimen meer voor u.

Boland, H (2005). Sint-Petersburg onderhuids. Een stadsgids. Amsterdam: Athenaeum - Polak & Van Gennep. i.z.g.st., als nieuw. Paperback, 365 pp., 1e druk. Met illustraties. Uit de collectie Igor Cornelissen. Met kaarten, register op straten en overzicht musea. € 22,50 (incl. verzendkosten). Bestellen? Mail of bel ons.
oktober 27th, 2020 by Igor Cornelissen

De gang van Eichmann tot aan de galg

Eichmann. Een stipte bureaucraat (zoals Hannah Arendt en vele anderen dachten en schreven) of een fanatieke antisemiet?

David Cesarani schetst het beeld van de man als antisemitische bureaucraat en beide aspecten verenigde. Het accent ligt op de man die zonder enige aarzeling miljoenen joden de dood injoeg. Met op het laatste nog een massale slachting onder de Hongaarse joden. Adolf Eichmann was van het begin af aan een jodenhater.

Een gruwelijk en tegelijkertijd spannend boek. Cesarani, hoogleraar joodse cultuur en geschiedenis en directeur van de beroemde Wiener Library in Londen, schreef misschien niet de definitieve biografie (zoiets kan niet bestaan) maar wel een uitputtend levensverhaal. Inclusief dus het verhaal hoe hij zich na het einde van de oorlog (hij besefte ineens dat hij het ‘zonder leider ’moest doen) schuil wist te houden, kon ontsnappen naar Argentinië (waar veel andere nazi’s heentrokken, niet zelden geholpen door de katholieke clerus) en hoe de Mossad hem op het spoor kwam en ontvoerde.

Het proces van berechting was mij bekend door de krantenverslagen en boeken (en filmfragmenten op Youtube). Zijn terechtstelling en executie was voor mij nieuw. Israël had geen ervaring met de doodstraf en de uitvoering daarvan zodat in allerijl een kamer in de gevangenis moest worden verbouwd tot executieplek. Eichmann had een fles wijn gedronken en liep lichtelijk aangeschoten naar de galg. Een kap weigerde hij. In zijn laatste woorden prees hij Duitsland, Oostenrijk en Argentinië. Hij liet ook nog weten te sterven in de overtuiging dat God bestaat.

Meer nieuwe oude boeken in onze catalogus.

Naar aanleiding van: Cesarani, D. (2005). Eichmann. De definitieve biografie. Amsterdam: Anthos/Manteau. I.g.st., enkele leesvouwtjes in rug. Paperback, 431 pp., 1e druk. Vertaling Servaas Goddijn. Met bibliografie, notenapparaat, register en verantwoording van de illustraties. € 24,00 (incl. verzendkosten). Bestellen? Mail ons of neem anderszins contact met ons op.
oktober 26th, 2020 by Jaap de Jong

Coornhert in de Sassenstraat: eeuwigh gaet voor ogenblick

Afgelopen vrijdag reed ik door de Sassenstraat om af te stappen bij nummer 5 waar een gevelopschrift naast een ietwat uitstekende gevelklok hangt. De klok lijkt op die uit een film van Ingmar Bergman (Wild Strawberries), maar mist niet – zoals in deze existentialistische film – de klokwijzers. Wel staat de klok stil: het is voor eeuwig drie voor drie in de Zwolse Sassenstraat.

In het alleraardigst boekje Zwolse mijmeringen wijst Catharina Magdalena van Hille-Gaerthé (1881-1958) op het gevelopschrift in de Sassenstraat: Hy weet niet wat hy verliest/Die het tidelyck voor het geestelyck kiest. Hille-Gaerthé, die op aanstekelijke wijze tal van details uit het negentiende eeuwse Zwolle opdist, was niet de eerste die de regels op het pand aan de Sassenstraat 5 aanhaalt. Ook Willem Anthonie Elberts (1820-1903) citeert het gedicht in zijn bekende Historische wandelingen in en om Zwolle (Elbers, 1890). Elberts is vollediger en minder luchtig. Hij neemt ook de laatste twee regels over: Als het komt op een scheyden / Soo heeft hy geen van beyden.

Een meer volledige beschrijving over de voorgevel van de toenmalige bewoner, de horlogemaker G.A.J. Voetelink (1839-ca. 1914), levert C.J. van der Loo in zijn Geïllustreerde gids voor Zwolle en omstreken. Hij schrijft in 1895 dat er naast de vermanende versregels ook nog een onduidelijk wapen te zien is. Zo onduidelijk is dat wapen niet: het gaat zonder enige twijfel om het familiewapen van Van Rechteren. De historicus J.C. Streng stelt dat de ziekentrooster Zeger (of Seyger) van Rechteren (1600-1645) het wapen in zijn gevel heeft laten aanbrengen. Het familiewapen is echter gedateerd op 1738 en alleen al om die reden zal de bastaardzoon Zeger (of Seyger) van Rechteren het niet hebben kunnen plaatsen. De huidige gevel stamt overigens uit de negentiende eeuw (na 1815). De beide gevelstenen alsmede het familiewapen zijn bij die verbouwing waarschijnlijk herplaatst.

De versregels, waarvan een variant op de twee Zwolse gevelstenen staat, stammen tenminste uit de vroege zestiende eeuw. Dirck Volkertsz. Coornhert (1522-1590) nam ze over in het zesde hoofdstuk (van dwaasheyd) van zijn Zedekunst (Wellevenskunste) dat in 1586/’7 werd gedrukt. Hij heeft het over “het ouden rymken” en citeert:

Zy zyn zot ende gheheel onvroed / Die hier verkiezen ’t verganckelyck voort eeuwighe ghoed / want alst ghaat op een scheyden / En hebben zy gheen van beyden (Coornhert, 1586, p. 205)

Het levensgevoel dat hieruit spreekt is matigheid. Dat geldt voor het consumptiepatroon en voor het getoonde temperament, zoals in tijden van droefheid. Kinder-lyck, het prachtige rouwgedicht dat Vondel schreef bij de dood van zijn zoontje Constantijn komt voort uit datzelfde levensgevoel. Getemperde droefheid is de beste droefheid: eeuwigh gaat voor oogenblick.

Over de Zwolse ziekentrooster en latere gevangenisdirecteur Seyger van Rechteren – waarschijnlijk een van de eerste bezitters van het pand aan de Sassenstraat 5 – die samen met zijn eerste vrouw Anneke Heimans naar Indië reisde en bij die gelegenheid bijna werd opgepeuzeld door Zuidafrikaanse inlanders valt veel te verhalen. Net zoals over het pand aan de Sassenstraat 5 zelf, “but that’s another story”. De ietwat uitstekende stilstaande klok (zie hierboven) is overigens niet opgehangen door de eerder genoemde horlogemaker Voetelink, maar dateert waarschijnlijk uit de laatste helft van de twintigste eeuw. Na de oorlog zat de parfumeriezaak Wolff in het pand en hing er geen klok.

Het Malteser kruis op het wapenschild, aangebracht op advies van de Zwolse schilder, illustrator en tekenaar Han Prins (1925-1987), komt niet overeen met de historische details. Ook dit terzijde, ‘t is immers maar tidelyck.

Geraadpleegde bronnen [opgemaakt met APA-tool van BOLAS -> ingekorte versie van het klikbare projectoverzicht]

Coornhert, D.V. (1586).  Zedekunst dat is wellevenskunste [editie B. Becker, 1942]. Leiden: E.J. Brill.

Elberts, W.A. (1890).  Historische wandelingen in en om Zwolle. Zwolle: Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant.

Goutbeek, A. (2014). Seyger van Rechteren in: Wie Is Wie In Overijssel. Geraadpleegd op 27 oktober 2020 van https://www.wieiswieinoverijssel.nl/

Inventaris Huis Almelo, toegang 214, archief HCO [genealogie] 

Loo, C.J. van der (1895).  Geïllustreerde gids voor Zwolle en Omstreken. Zwolle: La Riviera & Voorhoeve.

Streng, J.C. (2001).  Vrijheid, gelijkheid, broederschap en gezelligheid. Het Zwolse Sint Nicolaasgilde tijdens het ancien régime. Hilversum: Verloren.
oktober 26th, 2020 by Igor Cornelissen

Een kruis met rozen is ‘s menschen lot

Ik leerde Kader Abdolah in Zwolle kennen waar hij in het plaatselijk archief dozen moest aanslepen voor bezoekers. De directie van het archief gaf hem veel vrijheid en tijd om zich in zijn eigen ruimte verder te bekwamen in het schrijven. Een enkele keer gingen we lunchen, maar dat was niet echt gezellig. Hij overstelpte mij met vragen: Hoe zat dit en wat betekende dat?

Toen hij mij thuis opzocht viel zijn oog op het houten schildje dat mijn ouders vroeger boven hun bed hadden hangen. ’Een kruis met rozen is ‘s menschen lot,‘ staat er op geschreven. Mijn kompaan wist me te vertellen dat het een citaat uit een gedicht van De Génestet (1829-1861) komt, uit oktober 1859, het jaar dat zijn vrouw en kind aan tbc overleden. Over Peter August de Génestet ging overigens het gerucht dat hij een bastaardzoon van koning Willem II zou zijn. Dit terzijde. Ook over dat kruis moest Kader het fijne van weten. Dat was nog niet zo makkelijk…’s menschen lot… en dan ook nog met die inmiddels verdwenen sch. 

Ik maakte zijn debuut mee in het inmiddels helaas verdwenen Zwolse literaire café In de Sinnepoppen waar hij een verhaal voorlas met zijn toen nog zeer nadrukkelijke, hakkelende dictie.

Hij bleef vechten met de hem vreemde taal. Hij overwon en werd een gevierd schrijver. Ik droeg daar wat aan bij toen ik zijn eersteling in Het Parool uiterst positief besprak. Kader Abdolah pakt je bij je kraag en hij laat je niet meer los, schreef ik en dat zinnetje kwam op de flapteksten van zijn volgende boeken.

Hij pakte niet alleen mij in, maar ook het lezende publiek.

Hij vertaalde De Koran hoewel een schrijver van een ingezonden brief beweerde dat Abdolah helemaal geen Arabisch kende. Hoe dan ook Abdolah hertaalde of her-vertelde de Koran op zijn manier. Maar dat doen zo veel dominees en theologen met de Bijbel ook. Iedereen heeft zijn eigen uitleg. Waarom Kader Abdolah niet? In ieder geval is over hem van orthodox islamitische zijde geen fatwah uitgesproken. Tenminste voor zover ik weet. Ons contact is wat verwaterd sinds hij Zwolle inruilde voor Delft waar een van zijn dochters ging studeren. Zijn dochters werden door hem ingeschakeld als hij er zeker van wilde zijn of zijn Nederlands wel correct was. Abdolah is een strijder die zijn doel bereikte. Hij veroverde de Nederlandse taal en bereikt veel lezers.

Meer nieuwe oude boeken, bijv. literatuur

oktober 24th, 2020 by Igor Cornelissen

De dertien levens van Jef Last

Jef Last (1898-1972) was ongetwijfeld een van de meest kleurrijke en veelzijdigste strijders ter linkerzijde. Hij was het voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Zijn beroepen vullen al een pagina, matroos, filmoperateur, spreker, dichter, romancier, schilder enz enz. Hij studeerde in Leiden Chinees maar brak die studie af om de klassenstrijd te voeren. Niet ten behoeve van zichzelf, want hij was geen arbeider en veel geld leverde het hem niet op.

Hij heeft met vrouw en kinderen jarenlang armoedig in de Amsterdamse Jordaan gehokt. Hij was op reis. Tijdens de Spaanse burgeroorlog was hij daar kapitein. Aan het front. Daar kwamen gedichten over. Hij was socialist, lid van Sneevliets partij (die tegen Trotski aan leunde), daarna van de communistische partij wat hem, nadat hij met André Gide door de Sovjetunie was gereisd, op woedende aanvallen kwam te staan. Last was een afvallige, een renegaat, vijand van de arbeidersklasse. Hoe dat kwam? Gide had zich na zijn reis uiterst kritisch over het Beloofde Land uitgelaten en Last was hem niet onmiddellijk afgevallen zoals de partij eiste. Last kon zich in vele talen redden. In Noorwegen (of was het Zweden?) sprak hij zijn toehoorders in hun taal aan. Gide, dat moet er toch bij, was homoseksueel. Last was biseksueel, hij scheidde van zijn vrouw, maar hertrouwde later met haar.

Er is Last wel verweten dat hij op te veel terreinen te veel deed. Niks was echt goed. Behalve dan zijn nooit versagende strijd voor een onafhankelijk Indonesië. Het leverde hem na de oorlog een uitnodiging van Soekarno op om in onze voormalige kolonie les te gaan geven. In het weekblad De Vlam (1945-1952) staan veel artikelen van Last die een tijd in de redactie zat. Hij had aan de illegale voorloper van De Vlam meegewerkt.

Harry Poeze ken ik als biograaf van de (half trotskistische) Indonesische revolutionair Tan Malakka die in Nederland voor onderwijzer studeerde en daarna een vooral illegaal leven leidde. Het moet een uiterst beminnelijke man zijn geweest, want Jacques de Kadt, nooit scheutig met aardigheden over de medemens, schreef in zijn memoires dat je wel een nurks mens moest zijn om niet van hem te houden. De gedichten van Last over de geknechte inboorling sprake Poeze aan. Het werd een leuk, geannoteerd boekje met een kostelijke omslag die een geschilderd portret van Last laat zien uit omstreeks 1930 door P.A. Begeer.

De annotaties zijn niet overbodig. Wie zou anders weten dat met de Beul van Buitenzorg de gouverneur-generaal jhr. De Graeff werd bedoeld? Hij was de man in wiens naam doodvonnissen tegen communistische opstandelingen werden uitgevoerd.

Ik heb Jef Last in zijn latere jaren nog gekend. Het begon met vijandschap en ging over in een halve vriendschap. En dat leidde er weer toe dat hij mij vroeg een voorwoord te schrijven bij zijn boek over Marinus van der Lubbe. Benieuwd wat ik daarover te lezen krijg in Rudi Westers biografie van Last, een studie die al jaren wordt aangekondigd. In Poeze’s eerste voetnoot (uit 1994 dus) lees ik dat die biografie ‘naar verwachting’ in 1995 zal verschijnen.

Mijn advies in het algemeen en voor een ieder is: kondig je publicatie pas aan als je je manuscript hebt ingeleverd en van de uitgever een waterdicht contract in handen hebt waarin alles staat geregeld. Niet alleen de datum verschijning, de omvang, de prijs, de rechten op eventuele verfilming, maar ook het aantal op te nemen illustraties. U kunt natuurlijk dat alles omzeilen door niets te schrijven. Maar antiquariaten moeten ook doorstromend materiaal hebben. Over dat soort zaken maakte Jef Last zich nooit druk. Hij had zijn hele leven wat te zeggen en schreef het op.

(Laatste nieuws: Rudi Wester laat zojuist (10 oktober 2020) weten dat haar biografie in januari 2021 zal verschijnen. Het wordt een dik boek van minstens 500 blz.)

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong? U kunt hier zoeken.

oktober 23rd, 2020 by Igor Cornelissen

Sterren aan het firmament van Anton Pannekoek

Anton Pannekoek (1873-1960), astronoom en radencommunist, werd door Lenin in 1920 zo gevaarlijk geacht dat de leider van de kersverse Sovjetunie de brochure De linkse stroming. Een kinderziekte van het communisme tegen hem en zijn ideeën schreef. Vooral in Duitsland hadden de radencommunisten, die zich keerden tegen vakbonden en deelname aan parlementen, nogal wat aanhang. Ook zagen ze al heel snel dat er een dictatuur was ontstaan die oppositie onmogelijk maakte.

In Nederland noemden maar weinigen zich een radencommunist, al waren er wel beroemde namen bij. Ik noem Herman Gorter, de criticus van Lenin die de Russische verhoudingen op het geïndustrialiseerde Europa dacht over te kunnen brengen. En dan was er, weer tien jaar later, een jonge, werkloze metselaar die door Pannekoek en Gorter werd beïnvloed: Marinus van der Lubbe. Hij stak in 1933 de Rijksdag in brand. Het was bedoeld als oproep om de Duitse arbeiders in verzet te laten komen tegen Hitler. Een verhaal apart. De brandstichting had een averechts effect. Een drama en een verhaal apart. Anton Pannekoek, die intussen de sterren bleef bestuderen (en er het veel gelezen boek De groei van ons wereldbeeld over schreef) bleef de arbeiders in geschriften raad geven. Zijn verhandelingen werden tot in Amerika en Australië vertaald en gelezen.

Dat beide boeken in het begin van de jaren zeventig verschenen, is geen toeval. In die tijd begonnen veel studenten de oervaders van het marxisme en anarchisme te ontdekken. Er was een markt voor.

Pannekoek zelf was een licht hinkende, wat droge man die van de natuur hield en ondanks zijn lichamelijke handicap bergen bleef beklimmen. De journalist Cajo Brendel, bij zijn dood de laatste radencommunist in Nederland genoemd, beperkte zich tot de politieke opvattingen van Zijn Grote Voorbeeld. Veel smeuïge anekdotes waren er niet op te dissen, want de man was vrij saai. Ik geloof dat er slechts één echtelijke ruzie is geweest toen Anna Nassau Noordewier, Pannekoeks vrouw, de ergerlijke fout maakte bonbons te presenteren waarin een weinig alcohol was verwerkt. Pannekoeks archief ging grotendeels verloren bij de slag om Arnhem.

Zonder volledig te zijn toch nog enkele namen van mensen die Pannekoekiaan waren en soms bleven: Barend Luteraan die in 1902 een aanbod afwees om Troelstra’s secretaris te worden, Ben Sijes, jarenlang een van de grote mannen op het Rijksinstitiuut voor Oorlogsdocumentatie en een opmerkelijke studie schreef over de Februaristaking van 1941, de beeldhouwster Greet van Amstel, prof. Frits Grewel (vader van de veelvuldig voorzitster van Forums en radicaal feministe Annemarie) en de vrouw van de Amsterdamse schrijver Maurits Dekker.

Jaap Kloosterman heeft een aantal belangwekkende teksten van Pannekoek bijeengebracht en van een nawoord voorzien met enkele (eigen) thesen, In de eerste leest men dat Pannekoek alleen juist kan worden beoordeeld als men hem situeert binnen het proces van de Eerste naar de Tweede Internationale. In zijn gehele ontwikkeling trad Pannekoek op als de meest radicale vertegenwoordiger van het ‘wetenschappelijk socialisme’ uit zijn tijd.

Als ik ‘s avonds in mijn tuin sta en bij een heldere lucht naar het firmament staar, denk ik vaak: Wat wist Anton Pannekoek dáár veel van. Op de maan is een krater naar hem genoemd en de asteroïde 2378 draagt eveneens zijn naam. Zo blijft zijn naam althans door cirkelen in het heelal terwijl in Rusland de discussie maar voortgaat over de vraag wat er met het gebalsemde lichaam van Lenin moet gebeuren.

Pannekoek had overigens geen goed woord over voor de daad van Marinus van der Lubbe: je moest nooit op het bewustzijn van de massa vooruitlopen.

Meer nieuwe oude boeken in ‘t Wasdom, over Anton Pannekoek bijvoorbeeld

oktober 22nd, 2020 by Igor Cornelissen

De inktlinten van Ferdinand Langen (1918-2016)

Hoewel hij net geen 98 jaar werd, heb ik Ferdinand Langen (1918-2016) nooit ontmoet. Erg jammer want als vriend van Bert Schierbeek, Gerrit Kouwenaar en Gerard Reve (e.v.a.) moet hij een vat vol anekdotes zijn geweest over de jaren dat deze later beroemde dichters en schrijvers nog op hun eerste literaire prijs wachten. Het was vooral armoede. Voor Langen duurde de schaarste te lang en hij dook de reclamewereld die hem dan weliswaar geen literaire roem bracht, maar wel een veel ruimer inkomen. Behalve voor reclamebureaus, werkte hij voor de Unilever.

Zijn vader was wethouder voor de ARP in Coevorden, ging in het verzet (Trouw groep) en stierf in het kamp Mauthausen. Of Langen daar ooit over schreef, weet ik niet. Zijn biograaf (is die er?) zal het ons vertellen.

Ferdinand Langen die als Egbert Pannekoek werd geboren (hij veranderde zijn naam wettelijk) debuteerde in Opwaartsche Wegen, een christelijk literair blad, waar meer Groninger schrijvers voor de oorlog in  begonnen.

Langen werkte op een schrijfmachine, wel een elektrische. Toen in zijn woonplaats Laren een schrijfmachine winkel stopte, kocht hij alle linten op. Maar het kwam er helaas niet van om zijn herinneringen op te schrijven.

Meer nieuwe oude boeken bij ‘t Wasdom, bijv. literatuur

oktober 21st, 2020 by Igor Cornelissen

Over Hartogh Heys van Zouteveen – Darwin en de projectietheorie

Over Charles Darwin (1809-1882) is en wordt nog altijd veel geschreven. Ook contra hem, want gereformeerden en evangelische christenen blijven op dit punt waakzaam. Zeker zo interessant is, althans voor de Nederlandse geschiedenis van de 19e eeuw, de vertaler van Darwin: Hermanus Hartogh Heys van Zouteveen (1841-1891). Hartogh Heys studeerde rechten en promoveerde op de statistieken van de provincie Drenthe. Hij had veel meer belangstelling voor de natuurwetenschappen en werd een warm pleitbezorger voor de onderzoekingen en conclusies van Darwin met wie hij jarenlang correspondeerde.

Hartogh Heys van Zouteveen werd vrijdenker en actief in de vereniging De Dageraad die hij financieel steunde. Hij raakte onder meer bevriend met de ex-predikant Domela Nieuwenhuis. Over Hartogh Heys is een uitgebreid lemma te vinden in het Biografisch Woordenboek van de Nederlandse Arbeidersbeweging.

In dat lemma wordt overigens geen aandacht geschonken aan de verbinding die Hartogh Heys legt tussen Darwin’s evolutietheorie en de godsdienstwetenschap. Meer specifiek: de aanpassing van het fenomeen van de waarneming & de denkbeelden aan wat nodig is voor overleving van de soort (Over den oorsprong der Godsdienstige denkbeelden van een evolutionistisch standpunt (Amsterdam 1883). In dit verband wees Hartogh Heys op het werk van de Italiaan Tito Vignoli, een vroege voorloper van de projectietheorie die later in Nederland door Fokke Sierksma werd opgepakt. Tito Vignoli was op dit terrein erg origineel. Dit terzijde, het thema komt misschien nog eens hier terug bij de bespreking van de Nederlandse vertaling van Mythe e Scienza van Vignoli uit 2017 (vertaling Gerrit Drost (1946-2011) en Maggy Wishaupt), zo schreef mij de kompaan.

In de vertaling van dit werk van Darwin is een uitgebreide inleiding van Hartogh Heys van Zouteveen opgenomen. Het boek is uitgegeven bij E & M. Cohen die een geheel eigen plek innam binnen de Nederlandse uitgeverswereld, maar ook dit terzijde.

Darwin, C. (1884). De afstamming van de mensch en de seksuele teeltkeus. Arnhem/Nijmegen: Gebr. E. & M. Cohen. Goed, maar mist een tweetal afbeeldingen (uitgeknipt door 'n barbaar of Homo rudolfensis). VIII, 513 pp., VI, 3e druk. Met illustraties vertaling en inleiding door H. Hartogh Heys van Zouteveen. Uit de collectie Igor Cornelissen, incl. krantenknipsels. € 21,00 (incl. verzendkosten). Bestellen? Mail ons of neem contact met ons op.

Meer nieuwe oude boeken bij ‘t Wasdom

oktober 20th, 2020 by Igor Cornelissen

De lange weg naar Moskou

Ben Knapen studeerde geschiedenis aan de katholieke universiteit van Nijmegen. In de journalistiek bouwde hij een goede naam op als buitenlandse correspondent van de NRC en van 1990 tot 1996 hoofdredacteur van dat blad. Wat wil een mens, tenminste als stukjesschrijver, nog meer?

Knapen veroverde een doctorstitel met een proefschrift over de (moeizame) betrekkingen tussen de Sovjet-Unie en Nederland. De communisten in het parlement (eerst David Wijnkoop en dr. Willem van Ravesteyn) ijverden voor handelsbetrekkingen en ook het Nederlandse bedrijfsleven deed wat schuchtere pogingen, maar de politieke afstand was te groot. Bovendien lag koningin Wilhelmina dwars. Een van haar grootmoeders was een Romanov, telg uit het door de bolsjewiki in 1918 vermoorde tsarengeslacht. Pas in 1942 gaf Wilhelmina toe. Moskou was mede-geallieerde geworden. Dat alles heeft Knapen vlot en nauwgezet beschreven. Ik schreef er indertijd een zeer positieve recensie over in Vrij Nederland.

Met Knapen zelf verliep het wat brokkeliger. Hij ging voor het CDA de politiek en was twee jaar staatssecretaris voor Europese Zaken, liet zich daarna opnemen in de Raad van Bestuur van de PCM, dat wanbestuur werd verweten, maar kon vertrekken met anderhalf miljoen vertrekpremie. Daarover was veel te doen. Het deed zijn naam geen goed. Een week na de oprichting verliet hij het Republikeins Genootschap. Dat was volgens hem trouwens toch al opgezet als scherts club.

Datzelfde zal hij niet zeggen van de Eerste Kamer, want daar zit Knapen nu in als senator voor het CDA. Maar dat alles laat onverlet dat Knapen over de de lange weg naar Moskou een uitstekend boek schreef. En daar letten wij op in ‘t Wasdom.

Ben Knapen (1985). De lange weg naar Moskou. De Nederlandse relatie tot de Sovjet-Unie, 1917-1942. Amsterdam/Brussel: Elsevier

Meer nieuwe oude boeken, bijv. over geschiedenis

oktober 19th, 2020 by Jaap de Jong

“Nog maar net begonnen met ademhalen.” Over de dood van twee Amsterdamse tieners: Elsje Christiaens (1664) en Hilda de Wit (1922)

De vaststelling van de naam en de achtergrond van het slachtoffer van de crimineel Gerrit Nat (1880-1947) kostte mij afgelopen zondag niet heel veel tijd. Het lichaam van zijn slachtoffer werd in oktober 1922 neergelegd in de berm van de Haarlemmerweg en later gefotografeerd door een onbekend gebleven fotograaf. Over méér gegevens dan de foto, de globale datering en de genoemde plek beschikte ik niet.

Toen ik de foto zag moest ik direct denken aan een meisje dat op de Dam in Amsterdam werd terechtgesteld en daarna op het galgenveld opgehangen: de Deense immigrante Elsje Christiaens (ca. 1646- ca. 3 mei 1664). Zij was tweemaal getekend door Rembrandt, hangend aan een paal, maar de datering was onbekend. In 1969 had de vermaarde Amsterdamse archivaris I.H. van Eeghen (1913-1996) haar zinnen gezet op de datering van de tekening van Rembrandt en wilde weten wat het verhaal was achter haar terechtstelling. De klus die zij klaarde was tijdrovender. Ik had vergelijkbare drijfveren als Van Eeghen: wie was de dode vrouw in de berm en wat was haar geschiedenis. Wat een tragiek. Wie wil er nu dood als je zeventien of achttien bent? Beide verhalen zijn fascinerend. Ik begin met de geschiedenis die de archivaris Van Eeghen reconstrueerde.

Mejuffrouw I.H. van Eeghen nam naar aanleiding van een tekening van Rembrandt maar liefst 25 confessieboeken door om de datering van de terechtstelling van Elsje Christiaens vast te stellen. Elsje, gehangen op het galgenveld Volewijk, werd vastgelegd door de toen 56-jarige Rembrandt (1607-1669) die zich voor die gelegenheid naar de overzijde van het IJ laat roeien. Waarschijnlijk werd hij die dag vergezeld door zijn leerling Anthonie van Borssom (1631-1677), zo stelt Frans Thuijs, die de geradbraakte lotgenoot van Elsje vastlegde: Jan Nieuwkerk. Hij vermoorde in 1664 de rabbijn Benjamin Dias Pato. Op de tekening van Van Borssom is zowel Jan Nieuwkerk als Elsje Christiaens vastgelegd. Dit terzijde.

Isabelle van Eeghen kende ik van mijn veelvuldige bezoeken aan het Amsterdamse Gemeentearchief (toen nog aan de Amstel). Zij was altijd behulpzaam voor bezoekers met lastige vragen. Ik las het verhaal over Elsje Christiaens voor het eerst in 1994 in Een kleine geschiedenis van Amsterdam, een verhalenbundel van Geert Mak, maar Van Eeghen publiceerde het verhaal al in 1969 in het Maandblad Amstelodamum.

Elsje, afkomstig uit Jutland en nog maar enkele weken in Amsterdam, had haar huisbazin met een bijl neergeslagen. Aanleiding was een conflict over de huur die zij niet kon betalen. De hospita viel van de keldertrap en bleef er voor dood liggen. Elsje Christiaens probeerde te vluchten, maar werd gevangengenomen en eind april 1664 twee keer door de schout verhoord. Op 1 mei 1664 volgde het vonnis: dood door wurging aan de paal, enkele klappen met het moordwapen op het hoofd door de scherprechter en te pronkstelling van het lichaam met de bijl boven haar hoofd op de Volewijk ‘om door de lucht en de vogels verteerd te worden’. Vermoedelijk op de zaterdag hierna, 3 mei 1664, werd het vonnis uitgevoerd.

Van Eeghen trok de conclusie dat kunsthistorici – die er tien jaar naast zaten wat betreft de datering van de tekening – het eigenlijke historisch handwerk niet moeten verloochenen. Ik ben het met haar eens: stijlkenmerken zijn minder betrouwbaar dan de inkt waarmee de secretaris de datum en de bekentenis van Elsje Christiaens in het confessieboek vastlegde. Die bekentenis leverde Van Eeghen het ontbrekende puzzelstukje om de tekening van Rembrandt te kunnen dateren.

Zoals gezegd was het voor mij simpeler om de naam en de achtergrond van het dode meisje te achterhalen. De foto met het vermiste meisje was gedateerd (oktober 1922, fotograaf onbekend). Ook was bekend dat haar lichaam in de berm van de Haarlemmerweg werd gevonden. Die twee gegevens (oktober 1922 & Haarlemmerweg) waren voldoende om met behulp van de krantendatabank Delpher vast te stellen dat het om Hilda de Wit (1905-1922) gaat.

Hilda bloedde dood door de illegale praktijken van de souteneur Gerrit Nat (1880, 5 sept [De Rijp] – 1947, 2 mei [Amsterdam]). Zij was in de middag van 8 oktober vanuit haar huis in de Pretoriusstraat naar de Bilderdijkstraat 61 gegaan. Bij het avondeten was zij er niet en om twee uur in de nacht waarschuwde de familie de politie dat Hilda de Wit niet was thuisgekomen. Dat zij zwanger was zullen zij niet hebben geweten. Intussen werd Hilda onderhanden genomen door de illegale aborteur Gerrit Nat die met zijn ‘vriendin’ Johanna Alard – die kostuumnaaister zou zijn – in de woning aan de Bilderdijkstraat was.

Gerrit Nat was een berucht crimineel uit donker Amsterdam die eerder betrokken was bij een moord in het Sarphatipark. Hij trad daar op als heler van een zilverbuit, maar ook als beramer van de overval. Daarnaast leverde hij het gereedschap voor die overval en stond hij bij de politie bekend als een man die meisjes exploiteerde. In de registers die ik raadpleegde staat als beroep rijwielhandelaar, steendrukker en boterhandelaar. Mogelijk was hij ook dezelfde persoon als de Gerrit Nat die in 1898 volgens de registers als agent 2e klasse werd ontslagen vanwege dienstweigering (bron: indexen). In het militieregister wordt hij op 15 december 1899 beschreven als een negentienjarige jongeman met blonde haren, blauwe ogen en 180 cm lang. Ovaalvormig gezicht, met lange neus en een gewoon voorhoofd. Van dat hoofd van Gerrit Nat is overigens ruim twintig jaar later ook een tekening gemaakt tijdens een proces – over de moord in het Sarphatipark – waarin hij eerst als beklaagde en daarna als getuige zou optreden (zie afbeelding. Uit: De Courant, 6 november 1920). Dat proces was twee jaar vóór de oktobernacht waarin Hilda aan haar einde komt. Gerrit wentelde zich dieper en dieper in de modder.

Waarschijnlijk was Hilda al dood toen het rijtuig van de nachtsnorder (koetsier) Jongbloed, die eerder die avond ontboden was door Gerrit Nat, haar de nacht inreed. Jongbloed wilde dat wel doen en kreeg er veertig gulden voor. Samen met Nat en Alard reden zij een uur door de stad tot Gerrit Nat aan Jongbloed vroeg naar de Haarlemmerweg te rijden Daar werd het lichaam van Hilda in de berm gelegd om vervolgens naar de 1e Oosterparkstraat op weg te gaan waar Johanna Alard woonde. Toen Nat en Alard uit de open koets stapten werden ze aangeroepen door een agent van de Muiderpoort met de vraag of zij iets van het verdwenen meisje wisten. Dat werd ontkend. De koetsier Jongbloed rook onraad en besloot na het stallen van paard en wagen verhaal te doen op het bureau Muiderpoort. Hij zal zijn aandeel hebben geminimaliseerd. Desondanks werd hij aangehouden, terwijl Nat en Alard de volgende dag werden gearresteerd. Later werd het aborteursgereedschap in de tuin van het pand aan de Bilderdijkstraat 61 teruggevonden. De dan 68-jarige moeder van Gerrit Nat, Antje van Petter (1853-1943), weduwe van Jacob Nat (ca. 1848 – 1904, 26 aug.), was die nacht naar verluidt niet thuis. Gerrit Nat was zijn leven lang bij zijn moeder ingeschreven en deed in juni 1943 aangifte van haar dood. In de praktijk woonde Gerrit overal en nergens, een criminele zwerver uit donker Amsterdam.

Hilde de Wit werd in de nacht van 8 oktober 1922 neergelegd in het gras, iets onder de stenen dijk die de Haarlemmerweg van de Haarlemmertrekvaart markeert. Boven de genomen foto staan de gegevens waarmee ik dit onderzoekje begon. Daar ligt zij: Hilda de Wit, de wollen doek om haar lichaam heengeslagen, de pantys slordig opgestroopt, wellicht direct na de mislukte abortus provocatus. Haar linkerarm onder haar hoofd. In het gras, zeventien jaar oud en zo’n tweeduizend voetstappen verwijderd van het IJ, de plek waar Rembrandt zich zo’n tweeënhalve eeuw eerder, in mei 1664, met zijn leerling Anthonie van Borssom liet overzetten om tekeningen te maken van gehangenen op galgenveld. Tekeningen van Elsje Christiaens, het achttienjarige immigrantenmeisje dat onfortuinlijk eindigde en evenals Hilda de Wit nog maar net was begonnen met ademhalen.

Gerrit Nat krijgt vier jaar. De familie, vrienden, allernaasten en -liefsten van de meisjes levenslang.


Klikbare versie van onderstaand bronnenoverzicht (deelrapport opgemaakt door BOLAS, een programma voor het uitvoeren onderzoeksprojecten binnen en buiten het onderwijs). Alle hierboven gebruikte afbeeldingen – behalve de reconstructie van de Amsterdamse (verkregen via Google Maps) en de foto van Hilda de Wit komen uit één van onderstaande bronnen.


Geraadpleegde bronnen

Amsterdams Nieuws. Een 17-jarig meisje vermoord? (1922, 9 oktober). Het volk: dagblad voor de arbeiderspartij.

Eeghen, I.H. van (1969). Elsje Christiaens en de kunsthistorici. Maandblad Amstelodamum, 56, 73-78.

Gezinsblad van Jacob Nat en Antje van Petten [genealogisch data DTB boeken NH]. Geraadpleegd op 18 oktober 2020 van http://genea.pedete.net/derijp/2302.htm

Het drama in het Sarphatipark. Het requisitoir en de pleidooien (1920, 6 november). De courant.

Indexen stadsarchief Amsterdam - Gerrit Nat, geboren 05.09.1880 Geraadpleegd van https://archief.amsterdam/indexen/persons

Jong, J. de (2006). Rembrandts geboortejaar een jaar te vroeg gevierd? Nederlands Dagblad, 3 februari 2006. Verg.: Blom, Onno (2019). De jonge Rembrandt. Een biografie. Amsterdam: De Bezige Bij, die in zijn biografie uit 2019 (gedenkjaar van zijn sterfjaar) tot dezelfde conclusie komt.

Kloek, E. (2014, 23 april). Christiaens, Elsje (ca. 1646-1664). [laatste update 23/04/2014]. Geraadpleegd van http://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/christiaens

Mak, G. (1994). Een kleine geschiedenis van Amsterdam. Amsterdam: Atlas, 102-141.

Thuijs, F. (2015, 19 juli). De onbekende lotgenoot van Elsje Christiaens [blogbericht op Ons Amsterdam]. Geraadpleegd op 18 oktober van https://onsamsterdam.nl/de-onbekende-lotgenoot-van-elsje-christiaens
oktober 17th, 2020 by Igor Cornelissen

Rationele analyses bij zedenbedervende foto’s

Rudy Kousbroek (1929-2010) was een veelschrijver, maar gelukkig ook een veelweter met belangstelling voor en kennis van veel onderwerpen. Over kindergeluk in Denemarken schreef hij even makkelijk (zo lijkt het althans), als over oude pornografie of de eerste treinen in Frankrijk.

In Parijs heeft hij trouwens jaren gewoond en raakte er bevriend met Nederlandse schrijvers en dichters die allemaal voelden dat het leven buiten de Lichtstad koud en bekrompen was. Kousbroek leerde er zijn eerste vrouw Ethel Portnoy (1927-2004) kennen die meen ik later kookboeken schreef.

Anathema’s laat een man zien die, hoewel niet bij iedereen geliefd (er kwamen hevige ruzies met Reve en Jeroen Brouwers), over veel onderwerpen met kennis van zaken schreef. Het boek is een koopje, zeker voor liefhebbers van (meestal oude) gewaagde afbeeldingen. Kousbroek drukt ze af als illustratie bij zijn analyse van de betekenis van het opheffen van alle restricties op pornografie in Denemarken.

Elders vraagt hij zich af of het homohuwelijk (‘met alle bijbehorende rituelen’) het einde is van de grensverlegging in de heersende moraal. Of valt er nog meer te verwachten?

Méér nieuwe oude boeken, bijv. over koken.

oktober 16th, 2020 by Igor Cornelissen

De vestiging van de Marranen in de Noordelijke Nederlanden

In Amsterdam kun je nog wel zo’n exotische naam tegenkomen: Teixeira. Vega, Palache. Meestal komt er dan komt dan nog wat achteraan, bij voorbeeld Rodrigues. Dubbele namen dus.

Het gaat om de nazaten van eeuwen geleden naar Amsterdam (vaak via Antwerpen) hierheen gekomen, onder dwang tot het katholicisme bekeerde, joden die terugkeerden tot het geloof van hun vaderen. Serfardische joden. Hun synagoge, snoge genoemd, is nog net geen museum, want er worden nog diensten gehouden. De snoge is een architectonisch pronkstuk van de hoofdstad waar het verkeer omheen raast: langs het standbeeld De dokwerker dat herinnert aan de Februaristaking van 1941 toen het Amsterdamse proletariaat het werk neer legde als protest tegen de arrestatie van ruim vierhonderd joden. Een solidariteit die volgens sommige geschiedschrijvers uniek is in Europa. Ik heb wel eens mee gedefileerd en keek dan met ontzag naar die enorme synagoge, waar ooit de gelovigen naar binnen stroomden. Daar waren na 1945 alleen nog restjes van over die, nu nog, hun tradities in stand houden.

Izak Prins (1887-1968) heeft de herkomst en eerste jaren van de Portugese joden nauwkeurig geboekstaafd. De bibliografie in zijn studie naar de vestiging van de Marranen in Noord-Nederland is indrukwekkend. Izak Prins was geboren in Dinxerperlo waar zijn vader een tapijtfabriek bezat. Prins studeerde rechten en was tussen 1918 en 1922 advocaat in Amsterdam. Daar richtte hij het Genootschap voor de joodse wetenschap op. Hij verhuisde later naar Brussel om van daaruit beter toegang te hebben voor zijn studies in archieven naar de oorsprong van de Maranen. Zijn studie naar de Marranen dateert uit 1927.

Prins was al jong zionist, kon in de oorlog met zijn vrouw naar Zwitserland ontkomen en overleed in 1968 in Jeruzalem. In het boek staat een opmerkelijke bewering van Prins: ‘De Marraan, voor wien  religie tot middel en zoo tot leugen werd, voor wien leven alleen macht kon betekenen, was de gepraedestineerde Renaissance mensch.’ (…) Zijne hoogere levenswaarden waren bezit en genot, wetenschap en eer.’ Enfin, dat gold wellicht sommige Marranen in Spanje en Portugal. Anderen emigreerden en vestigden zich deels in de Noordelijke Nederlanden. Die vestigingsgeschiedenis wordt door Prins beschreven. Overigens heb ik niet zo lang geleden een nazate van een geleerde met een Marraanse voorgeschiedenis op bezoek gehad. Haar overgrootvader, Samuel Palache, was hoogleraar in de semitische talen aan de Amsterdamse universiteit, maar dit geheel terzijde.

Helaas ontbrak mij de tijd na te gaan of Prins’ opvattingen toen het boek werd geschreven ook tot tegenspraak hebben geleid. Zijn thematiek is intussen boeiend genoeg. Het boek is overigens uitgegeven door Menno Hertzberger, medeoprichter van de Nederlandsche Vereeniging van Antiquaren en naamgever van de Menno Hertzbergerprijs.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, bijv. over judaica.

Izak Prins (1927). De vestiging der Marranen in Noord-Nederland in de zestiende eeuw. Amsterdam: Menno Hertzberger. I.g.st., gebonden in halflinnen band, X, 246 pp. Uit de collectie Igor Cornelissen, zeldzaam, 39,50 euro. Mail ons om te bestellen.
oktober 15th, 2020 by Igor Cornelissen

Verloofd met Fritzi

De uiterst levendige reconstructie van het wilde leven op de uitgewoonde villa Jagtlust in het Gooi werd een bestseller. En dat begrijp ik want al ben ik er nooit geweest, ik kende vele personen die er werden toegelaten door de hoofdbewoonster Fritzi ten Harmsen van Beek (1927-2009). Zij zwaaide er de scepter als ze er tenminste nuchter genoeg voor was. Er werd er wat af gedronken en gesnoven.

Fritzi had als kind per ongeluk een gesprek tussen haar ouders afgeluisterd. Ze kreeg te horen dat haar moeder haar verschrikkelijk lelijk vond met haar brilletje en “monsterlijk grote voeten.” De pijn van die afwijzing zou volgens Maaike Meijer, haar latere biografe, als een rode draad door haar leven lopen. Was het dat gapend gemis dat om vervulling vroeg?

Remco Campert (1929) hield het op Jagtlust, hoewel getrouwd met Fritzi, niet lang vol; Je kwam er niet tot werken. Het was er altijd feest. Voor mij was de grote onthulling dat de door mij vereerde disckjockey Pete Felleman er ooit ook zijn opwachting maakte nadat hij zijn auto, dwars door het glas heen in de serre stalde. Felleman, groot kenner van jazzmuziek die, zo leek het, de platen al in zijn bezit had voor ze waren uitgebracht, meende ook recht te hebben op de titel ‘verloofde’ van mevrouw Fritzi.

Er waren vele tijdelijke verloofdes. Bijna allemaal zeer tijdelijk. Ook Reve kwam er en als ik me het boekje me goed herinner, kwam het er ook eens tot de daad. Was het met een man of met een vrouw? Wie het wil weten kan zich tot het Wasdom wenden.

Annejet van der Zijl (2003). Jagtlust. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar. I.g.st. met lichte vochtschade (beperkt tot fotokatern, onderaan), 153 pp., met bibliografie, personenregister, verantwoording en fotokatern, incl. krantenknipsel van Jean Pierre Rawie n.a.v. biografie Maaike Meijer (Hemelse mevrouw Frederike [=Fritzi]) met enige corrigerende opmerkingen van J.P. Rawie. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 8,50, mail ons voor deze bestelling. Niet meer leverbaar

Meer nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, bijv. biografieën
oktober 13th, 2020 by Igor Cornelissen

Het succes van Sartre (en zijn biografe)

Wijlen mijn vriend de uitgever Rob van Gennep had vaak een fijne neus als hij de rechten van buitenlandse boeken moest kopen. Sartre’s biografie verscheen in Frankrijk in 1985 en twee jaar later was de Nederlandse vertaling er al. Geen kinderwerk voor zo’n dikke pil. Ik heb hem eens gevraagd waarom het boek in Nederland zo’n succes werd, Het was voor de uitgeverij echt een bestseller. Wel, antwoordde Rob, in de eerste plaats was Annie een buitengewoon aantrekkelijke, heel vlot sprekende vrouw, in de tweede plaats kwam ze met het boek op de televisie en in de derde plaats waren er nog heel wat oudere mannen die zich herinnerden dat ze ooit in de jaren vijftig ook, gehuld in zwarte coltrui, op het Leidseplein de existentialist hadden uitgehangen.

Bij dat alles blijft het een uitputtende, goed geschreven biografie die de man neerzet zoals hij was; schrijvend in het verzet, maar geen verzetsstrijder. Vaak tegen de communistische partij aanhangend, maar nog vaker twijfelend. Typisch iemand van de Derde Weg. Beide kanten deden foute dingen. Geen wonder dat hij ruzie kreeg met schrijvers als Arthur Koestler die in Moskou het grote gevaar zagen.

Ik zelf, hoe dacht ik over Sartre? Ik was vooral benieuwd hoe een man die zo veel in café’s rondhing, zo veel vrouwen (ondanks die rare kop van hem)  met succes het hof maakte, en ook hoe hij zo’n omvangrijk oeuvre op de plank kreeg. Ik ben zelf ook eens gaan kijken in Les Deux Magots en Flore, pleisterplaatsen van de Sartrianen, maar daar lag het antwoord niet. Annie Cohen-Solal onthulde dat Sartre (al of niet met zijn ook al niet erg trouwe kompaan Simone de Beauvoir) vaak en veel opwekkende pillen slikte. En daar waren natuurlijk ook altijd zijn gedienstige hulpen, meestal van het vrouwelijke geslacht. Hij had geld, want zijn boeken werden in vele talen overgezet.

Jaren geleden logeerde ik in een hotelletje in Montparnasse en besloot het kerkhof te bezoeken. Het graf van Sartre en De Beauvoir was niet moeilijk te vinden. Direct bij de hoofdingang. De steen echter voor de valselijk beschuldigde kapitein Alfred Dreyfus leek wel verstopt. Dat was een lange zoeken. Ook bij zijn graf raakte ik lichtelijk ontroerd. Het boek van mevrouw Cohen-Solal zou nog vollediger zijn geweest als ze een foto had afgedrukt waarop te zien is hoe de zeer erudiete Sartre in zijn laatste periode met een maoïstisch blaadje staat te colporteren. Dat was toch wel erg zielig. Een beetje dom ook. Ja, een afgang der wateren, zou mijn kompaan zeggen. Opmerkelijk vind ik dat de Nederlandse vertaling mede tot stand kwam dank zij financiële steun van het Franse ministerie voor cultuur. Zo zijn ze daar, zij wel.

Annie Cohen-Solal (1987). Jean-Paul Sartre. Zijn biografie. Amsterdam: Van Gennep. Paperback met flappen. Met register, bibliografie, noten, 610 pp. Geïllustreerd (twee fotokaternen). Uit collectie Igor Cornelissen. € 10,00. Verkocht.
oktober 9th, 2020 by Jaap de Jong

Van Willem Banning tot Foucault: over de plaatjesboeken van HS en andere stofverzamelaars

Laten we hem HS noemen, de boekenverzamelaar die onlangs een selectie uit zijn boekenkast afstootte. “Boeken zijn notoire stofverzamelaars die ruimte innemen en je wilt ook wel eens wat nieuws”, zei hij. Ook hier staat oud haar plek af aan nieuw.

Als ik mij niet vergis had HS ooit iets met het personalistisch socialisme. Uit de deelcollectie blijkt sterke belangstelling voor de ideeëngeschiedenis van het socialisme. Ik zie boeken van Willem Banning, Gerardus van der Leeuw, Hendrik de Man en Henriette Roland Holst, maar ook marxisten van ander kaliber zijn vertegenwoordigd (Ger Harmsen, Siep Stuurman).

Een heel aardig boek is Arbeidsvreugde van Hendrik de Man die daarin beschrijft wat de zin in arbeid vergroot of juist belemmert. Feitelijk een uitdieping van het aan Marx ontleende begrip ‘Vervreemding’ dat volgens mij tot op de huidige dag actueel is. Over Marx gesproken, de klassieke biografie van Marx van Frits Mehring ontbreekt niet aan de collectie (geautoriseerde vertaling van Jan Romein).

Plaatjesboeken zijn er ook en ik bedoel dat niet denigrerend. Zo is er de buitengewoon interessante systematische toegang tot de socialistische, wat zeg ik, de proletarische liederencultuur van Jaap van de Merwe (Gij zijt kanalje! heeft men ons verweten. Het proletariërslied in Nederland en Vlaanderen) met registers op personen, titel en eerste regel. En dan zwijg ik nog over het eveneens rijk geïllustreerde boek van Martin Schouten. Plaatjesboeken zijn een mooi middel in het onderwijs. Een plaatje zegt immers meer dan duizend woorden en die negenhonderdnegenennegentig woorden kunnen daarna altijd nog.

Er zit ook een werk bij van Michel Foucault, de filosoof die systematisch aandacht schonk aan de marginalen in de cultuur, de “afwijkenden” op het terrein van seksualiteit of op psychisch gebied. In het huidige debat over het al dan niet bestaan van systemische uitsluiting (in maatschappelijke structuren en/of middels taal) kan men bij hem inspiratie vinden. Toen ik in de jaren negentig bij de opleiding Social Work een serie colleges verzorgde over marginaliteit was Foucault er altijd bij (op papier dan). Het college over Foucault en marginalisering besloot ik met het adembenemende gedicht van Gerrit Achterberg (Spreekuur voor doktoren en professoren in ziel en taal). Als je dat gedicht – uit de bundel Blauwzuur – tot je laat doordringen behoef je de boeken van Foucault niet meer te lezen, maar dat schrijf ik hier maar niet op. Ik heb tenslotte ook een winkel.

Naar de deelcollectie HS

oktober 7th, 2020 by Jaap de Jong

De Parelduiker vreest de modder niet, noch de tragiek

Vandaag boeken doorgenomen die bij H.S. “ruimte innemen en stof verzamelen”. Er zit wel wat bij, maar niet veel: uitgelezen en erg dode schrijvers en verder boeken over het “reëel bestaande socialisme”. Wie slaat H.P.Q. Quack er nog op na als hij iets over socialisme wil weten? En wat moet de lezer met deel twee van de Gedenkschriften van Troelstra als er vier delen zijn? De man kon overigens beter schrijven dan revolutie maken. Mijn voorkeur sluit gelukkig meer aan bij de geest dan bij de daad, maar weet wel “dat Jede Konsequenz (…) zum Teufel [führt]” en daarmee (ook) niet tot de daad. Dit terzijde natuurlijk. Morgen verder met de collectie van H.S. Er zit vast goud tussen. En waarheid.

Bij thuiskomst ligt het literair-historisch tijdschrift De Parelduiker op de mat.

De inhoud van De Parelduiker is altijd belangwekkend. Ditmaal over de vitalist Marsman, de eerste roman van Judicus Verstegen en het album van Van Meegeren voor Hitler (De collaborateur en de vervalser. Over de schilder Han van Meegeren en de dichter Martien Beversluis). Maar daarmee houdt het niet op. Er is een artikel van Madeleine Rietra over Het zout der aarde van Józef Wittlin (1896-1976) in wiens leven Joseph Roth een belangrijke rol speelde. Het boek van Wittlin werd in Nederland uitgegeven door Allert de Lange (i.s.m. uitgeverij Wereldbibliotheek), de uitgever van exil-auteurs, maar werd toen geen succes. Tweedehands ben ik de roman zelden tegengekomen. Het boek komt deze maand overigens opnieuw op de markt, opnieuw bij de Wereldbibliotheek zonder De Lange.

Het artikel van Sander Kollaard heeft als titel Legt uw hart daarop en gaat over het debuut van Judicus Verstegen (1933-2015). De titel heeft een connotatie die mij aan Heilige Schrift doet denken en dat blijkt ook te kloppen. Er is veel tragiek in het door Kollaard vertelde leven van Verstegen. Ik verdenk mijzelf en andere lezers ervan dat zij veel van tragiek houden. Liefst natuurlijk, als God of het lot meewerkt, beperkt tot de levens van anderen. De Parelduiker stelt op dit punt niet teleur.

Koop de waarheid en verkoop ze niet, zei mijn oma altijd. Om die woorden te vervolgen met “koop ze drie keer en laat na de vierde maal niet af.” Ik ben het eens met haar. Koop De Parelduiker(s) bij Cornelissen & De Jong.

oktober 7th, 2020 by Igor Cornelissen

Kinnesine onder socialisten: ‘Om de Macht’ van Ralph Springer

Ralph Springer (1886-1942) is de joodse loodgieter, die debuteerde in het marxistische tijdschrift De Nieuwe Tijd, zijn weg vervolgde  binnen de fascistische beweging en zijn leven eindigde in een concentratiekamp. Hij had blijkbaar geen hoge beschermers zoals de tekenaar en boekbandontwerper Jo Spier (1900-1978), die dankzij zijn bewonderaar Anton Mussert “slechts” naar Theresienstadt werd gedeporteerd. En overleefde.

Om de Macht beschrijft de strijd tussen de ‘bonzen’ van de socialistische SDAP en de toen machtige vakbond NVV, Beiden springvijvers voor zetels in het parlement, gemeenteraden en provinciale staten. Volgens insiders is in het boek van Springer Roel Stenhuis, voorzitter van het NVV, één van de hoofdfiguren. Stenhuis was inderdaad een machtig man die het in zijn hoofd had nog eens de baas van Nederland te worden. Hij werd na zijn aftreden (iets met vrouwen en drank) lid van de oppositionele Onafhankelijke Socialistische Partij (Jacques de Kadt was toen zijn partijgenoot) en kwam van daaruit in fascistisch vaarwater. Ook de linkse beweging kende haar misleide afvalligen.

Springer beschreef die machtsstrijd met zo veel inzet en nijd dat kenners wel moesten concluderen dat  bij de schrijver afgunst een grote rol speelde. Hij haatte inderdaad A.M. de Jong (die van Merijntje Gijzen) die door velen werd gezien als  de cultuurpaus van de socialisten.

Springers vuistdikke boek werd overal bekritiseerd en afgekraakt. Maurits Dekker was een van de weinigen die hem in Links Richten wat wilde vergeven: mits Springer weer op het juiste (linkse) pad zou geraken. maar ja, wat was dat? Net als bij de kerksplitsers bij de gereformeerden wisten de linkse kameraden er ook wat van. Maurits Dekker, die zich ook al miskend en verongelijkt voelde (hij schreef veel, soms te gehaast, maar altijd boeiend) was nog net geen radencommunist (zoals Herman Gorter) maar zijn vrouw wel. Dat laatste natuurlijk geheel terzijde.

Zie ook: Een ander tragisch leven: Ralph Springer (1886-1942)

Ralph Springer (z.j.[1931]). Om de macht. Leiden: Batteljee & Terpstra, 433 pp, modernistische lettering, omslag rafelig en met waterschade (zie foto), achterplat los, binnenwerk prima, maar met roestvlekjes. Naam (Adelleid V.) en datum op schutblad ("voor je verjaardag, 1 november 1931"). Zeer zeldzaam. € 27,50 (incl. verzendkosten). Neem contact met ons op.
oktober 5th, 2020 by Jaap de Jong

De lijst voor hemelbestormers – Jan Hendrik van den Berg

Vorige week verkocht ik drie boeken uit het oeuvre van Jan Hendrik van den Berg (1914-2012) en het vierde wordt direct na de betaling verzonden, maar zijn Kleine psychiatrie heb ik nog steeds in mijn bezit. De cultuurcriticus, psychiater en schrijver Van den Berg was een veelzijdig man. Als jongen bezocht hij met regelmaat het klooster in Diepenheim, determineerde er planten en dieren en schreef er als tiener artikelen over. In 2001 bezocht ik hem in Antwerpen waar ik zijn bibliotheek en vlinderverzameling bewonderde.

Eerder had ik mij bij Hindericks & Windericks de collectie Van Van den Berg aangeschaft met de bedoeling daarmee een groots werk te verrichten. Een paar maanden later interviewde ik hem, maar verder kwam het nooit.

Ik denk niet dat ik er ver naast zit als ik stel dat Jan Hendrik van den Berg aan het einde van zijn succesvolle boek Kleine psychiatrie zijn zelfportret schildert. Ik stel mij voor hoe hij daar zit. Achter zijn schrijftafel, een bijkans negentiende eeuwse geleerde en ietwat recalcitrante man. Hij verkneukelt zich om dat wat komen gaat: het einde, maar een schitterend einde. Eerst beschrijft hij de kenmerken van psychische gezondheid aan de hand van Kenneth Soddy die hij overnam uit de vertaling van Rümke:

De gezonde beantwoordt aan de eisen van het leven zonder te grote inspanning (1); zijn ambities liggen binnen de speelruimte van praktische verwerkelijking (2); De gezonde heeft een scherp en schrander inzicht in eigen kracht en zwakte (3); Hij kan behulpzaam zijn, maar ook hulp aannemen (4) en daarna nog vier respectabele criteria. Een omschrijving voor gemoedelijken, inschikkelijken, aangepasten, zo voegt Van den Berg er aan toe.

Dan komt Van den Berg met zijn eigen lijst, de lijst voor durvers, originelen, bezielden en andere hemelbestormers. Die lijst is uiteraard veel leuker en past de vitalistische Van den Berg als zijn eigen jas:

“De psychisch gezonde mens is bereid te leven met een uitputtende, slopende, mocht het nodig zijn dodende inspanning. Zijn ambities overtreffen alles wat verwerkelijkt kan worden. Hij wenst zich niet bezig te houden met zichzelf. Hij kan weigeren hulp te bieden, en weigert dikwijls aangeboden hulp. Hij is ellendig bij mislukking, en verrukt van succes. Hij durft vrienden van zich te verstoten, en neigt tot agressiviteit. Men zal vinden dat hij te hoge eisen stelt, want hij houdt voor waar en waardig al datgene wat het leven waar en waardig maakt, menselijk maakt, in volle en felle, onherhaalbare zin heerlijk maakt – omdat hij zich voortgejaagd weet tussen geboorte en dood, deze twee uitersten, die hem levend houden en hem ertoe brengen niets zo suspect te vinden als een complete gemoedsrust.”

Tot zover Van den Berg. Altijd als ik de, weliswaar slinkende, collectie van Van den Berg in de boekenkast zie staan, vergaat mij de rest van mijn gemoedsrust. Natuurlijk, zijn Metabletica, zijn proefschrift en nog wat dingetjes bewaar ik vooralsnog. De rest kan weg, een lijst voor hemelbestormers. Is dat verraad?

september 26th, 2020 by Igor Cornelissen

Over Roland Holst en de bloemen van Rilke. Gesprekken met Carmiggelt

Het geheugen vervaagt bij velen snel en jongeren ‘weten al helemaal niks meer’, zegt men. Maar dat Adriaan Roland Holst (1888-1976) de prins der dichters werd genoemd en dat hij een neef was van de socialistische dichteres Henriette Roland Holst (“tante Jet”) zal nog wel bekend zijn.

Dit boek is een verslag van zijn gesprekken met Carmiggelt. Simon Carmiggelt (1913-1987) werkte al voor het illegale Parool en werd na de bevrijding de geëerde en geliefde schrijver van de vaste rubriek Kronkel, cursiefjes waarin het dagelijkse leven (vooral in de kroeg) afwisselend vrolijk of somber (beiden ineen kon bij hem ook) werd beschreven.

Carmiggelt was meer: hij bracht in zijn radiogesprekken vrijwel vergeten of in onbruik geraakte schrijvers in herinnering zoals Nescio en Willem Elsschot. Daar moeten we hem dankbaar voor zijn. Carmiggelts kennis van literatuur en kunst kwam hem te pas tijdens zijn gesprekken met Roland Holst. Die had in en buiten eigen land veel kunstenaars ontmoet en wist ook wel eens wat. Zo vertelt hij over Rilke die in die tijd helemaal verrukt was van een misschien niet mondaine, maar wel zeer amusante en intelligente vrouw: Nimet Eloui Bey. Rilke stuurde haar elke dag bloemen, zo tekent Carmiggelt op uit de mond van Roland Holst die overigens zelf ook een liefhebber was en het damesbezoek beminde. Ik heb gehoord of gelezen dat hij nadien altijd een kruisje of rondje in zijn notitieboekje zette.

Simon Carmiggelt heb ik slechts eenmaal ontmoet, maar tot een gesprek kon het niet komen omdat hij volstrekt laveloos was. In zijn krant is hij eenmaal tegen mij uitgevaren. Toch had ík gelijk, maar dat terzijde.

Het uiterst verzorgd uitgegeven boekje bevat een lijst met aantekeningen en een chronologie van het leven van Adriaan Roland Holst.

Roland Holst, A. (1981). Ik herinner mij. Radiogesprekken met S. Carmiggelt. Bezorgd door Dirk Kroon. 's-Gravenhage: BZZTôH. I.z.g.st., met stofomslag, 135 pp., met aantekeningen & noten + chronologisch aanhangsel. € 14,95 (incl. pak- en portokosten). Mail of bel ons, zie contactpagina.