In 't Wasdom

antiquariaat Cornelissen & De Jong – Zwolle

Archive for the ‘Aantekeningen van een antiquaar’ Category

augustus 2nd, 2022 by Jaap de Jong

Op het Spui. Over asfaltfeeën en kraamklevers

Begin jaren twintig maakte de journalist J.C.L. Sand een aantal reportages over misdadig Amsterdam: de ratten van Amsterdam. Met die ratten doelde hij op zakkenrollers, souteneurs, inbrekers, ruitentikkers en spelers, die nachtelijk Amsterdam terroriseerden. Sand vergat ook de asfaltfeeën van het Damrak niet te noemen; de tippelaarsters en lokvogels die met een bontmantel (geleend van hun souteneur) “het verwelkte lichaam bedekten en ‘s nachts als een hongerige troep hyena’s door de straten doolden.” Sand schreef een mooi tijdsdocument over vooroorlogs Amsterdam.

Ik probeerde het boekje afgelopen vrijdag op het Spui te slijten, onder meer door te wijzen op de illustraties van Otto Geerlings (1848-1930), schilder en illustrator van (kinder)boeken. Niemand hapte toe, ook de man niet die ruim twintigduizend banden over Amsterdam bezit en wiens huis en inrichting gebouwd is op boeken: “méér dan 300 meter over Amsterdam”, vertelde hij mij “en dit boekje herken ik, juist vanwege de illustraties.” Hij is een kenner en komt iedere week op de boekenmarkt op het Spui. Er zijn er die urenlang bij een marktkraam blijven hangen en inmiddels zoveel krediet opbouwden dat ze de boekhandelaren vervangen als die een kop koffie willen halen bij De Hoppe. Niet iedereen doet aan “kraamkleven”. Er zijn er ook die als storm en bliksem over de markt gaan, een Orwell kopen en verder wandelen al dan niet op weg naar café De Zwart, waar de witte wijn en het bier beter smaken dan de bitterballen.

Er zijn kraamklevers die ik herken als typische bibliofielen en liefhebbers van het oeuvre van Igor Cornelissen. Meestal zijn ze iets ouder. Grijzer ook. Als ze Der rasende Reporter van Egon Edwin Kisch ter hand nemen en daarna Vampier (1928) van Hanns Heinz Ewer, dan vermoed ik dat ze ook Der Prager Golem gaan inzien. Meestal heb ik gelijk. Hoe dan ook, ze houden wel van een praatje en bij de kraam bloeien gesprekken op over wie de grootste is in het koninkrijk van de lezer: is het Proust of is het Kafka? Toen ik ook iets over Kafka wilde vertellen, hoorde ik dat dit nu juist een clichéverhaaltje uit het oeuvre is. Ik droop af, ja jankte bijna als een hond in de nacht.

Er is een vaste bezoeker die op de mooiste plek in Amsterdam woont. Hij kijkt iedere dag uit op de Westerkerk, ziet de zon op- en ondergaan. Het licht verlaat hem nooit in het huis dat hij met eigen handen renoveerde. Hij kan meer dan lezen alleen, maar wil intussen wel alles weten over het bombardement van de geallieerden in Amsterdam-Noord (17 juli 1943) waarbij 150 mensen direct stierven en veel anderen later aan hun verwondingen overleden. Hij maakte het mee, net zoals Anne Frank die erover schreef op 19 juli 1943: “Zondag is Amsterdam-Noord heel zwaar gebombardeerd. De verwoesting moet ontzettend zijn, hele straten liggen in puin. Je hoort van kinderen die verloren in de smeulende ruïnes naar hun dode ouders zoeken. Rillingen krijg ik als ik nog aan het doffe, dreunende gerommel in de verte denk.” Maar, zo vertelt de man “het huis van mijn moeder bleef wonderbaarlijk genoeg gespaard. En zíj en ík. Verder was er alleen verwoesting.”

Dan vertelt hij nóg een verhaal. Dat gaat over Goethe’s Die Leiden des jungen Werthers, de zelfmoordgolf door het achttiende-eeuwse Europa, het lied Der Tod und das Mädchen van Franz Schubert en duizend andere dingen waarover hij wel dingen weet, maar de wereld nog niet. “Volop cultuur hier op ’t Spui”, roept een vrouw uit, die ademloos luistert en, zo denk ik, meer en nog meer wil.

Haar honger naar kennis en boeken doet mij denken aan de reclameslogan uit de jaren tachtig of negentig: Van boeken krijg je nooit genoeg en ik roep net iets te enthousiast: “Ik heb er wel een boek over!”

Maar ze heeft al een boek.

juli 27th, 2022 by Jaap de Jong

De dichter en de predikant: Wessel ten Boom over Pessoa, Gorter en Nijhoff

Een In Memoriam en een aankondiging

Wessel ten Boom was van 1994 tot 1999 redacteur van het theologische tijdschrift Ophef, waarvan de laatste drie jaar als hoofdredacteur.  Coen Wessel schrijft in zijn In Memoriam dat het best wel verrassend was dat het meest linkse theologische blad van Nederland een steeds conservatiever wordende theoloog als hoofdredacteur had.

Coen Wessel was zo vriendelijk mij te melden dat in het najaar van 2022 een bundel met essays van Ten Boom verschijnt. Het gaat om eerder verschenen opstellen in het tijdschrift Ophef over verschillende dichters (o.m. Gorter, Nijhoff, Pessoa, Henriëtte Roland Holst).

Ik ben erg benieuwd naar de bundel en zeker ook naar het opstel over de dichter Pessoa. Er komt een boekpresentatie over de bundel. Later meer!

Hieronder het In Memoriam dat Coen Wessel schreef voor het tijdschrift Ophef. Een intiem portret over zijn vriend en collega, de theoloog Wessel ten Boom.

Meer…


Read the rest of this entry »

juli 27th, 2022 by Jaap de Jong

Mijn vrienden. Over de boekenlegger van Wessel H. ten Boom

Zijn kinderen en vrienden, met als voortrekker & vormgever zijn vriendin Inez de Jong, schetsten middels een boekenlegger iets uit de wereld van Wessel H. Ten Boom (1959-2021).

Zij deden dat in kernwoorden en door het noemen van de namen van de schrijvers die hij liefhad. Een prachtig gebaar!

Zelf schreef Wessel ten Boom, toen de dood hem al was aangezegd, óók over zijn vrienden. Dat doet hij in de bundel Dromen. Late gedichten (Didam, 2020). Het gedicht, Mijn vrienden, staat op de voorkant (of is het de achterkant?) van diezelfde boekenlegger.

De namen van de schrijvers op de boekenlegger herken ik vanuit de collectie Wessel ten Boom waarvan ik eerder dit jaar een deel beschreef: Vestdijk, Heidegger, Bob Dylan, Rilke, Gorter, Brecht, Barth. Over hen schreef hij essays. Een bundeling van die essays zal komend najaar worden uitgegeven, waarover later meer.

Er zijn ook andere namen, waarover Ten Boom schreef, maar die ik mis op de boekenlegger: Proust, Luther, Augustinus, Calvijn, Kohlbrugge, Kafka. Over Augustinus en de Joden schreef Ten Boom een dissertatie: Profetisch tegoed. De Joden in Augustinus’ De Civitate Dei.

De boeken die Ten Boom zelf schreef verkoop ik niet, maar zijn vanaf volgend jaar wel in te zien in de bibliotheek van het (gesloten) antiquariaat In ’t Wasdom dat, als G’d het wil en nog wat randvoorwaarden, komend jaar in Twente open gaat. Met Bed & Breakfast. Dit niet geheel terzijde.

Raar is dat niet, dat gemis van die andere auteursnamen. Het geleefde leven zelf neemt – naast het papieren leven – immers ook haar ruimte in: humor, uitbundigheid, huiselijkheid, kerk, zwarte bessen en wat al niet meer? Het zijn kernwoorden aan de andere zijde van de boekenlegger die Wessel volgens zijn vrienden tekenden.

Ik ontmoette hem nooit, maar hij komt op mij over als een nadenkend (en misschien ook wel impulsief) en gevoelig mens, iemand die in zijn schrijven oprecht is en bij zichzelf blijft. En oprechtheid is, net als waarheidszin, een gewas dat niet uitbundig groeit en bloeit op onze akkers. Het is maar een impressie uit wat ik van en over hem las. Natuurlijk, er zijn zoveel impressies, karakteriseringen mogelijk. Wie kent de ander of zichzelf en weet dat ook nog eens goed op papier te zetten? Moeilijk, moeilijk. En zeker een opgave als het lemen vat vol zit met tegenstrijdigheden, maar daarover weet ik natuurlijk niets als het om Ten Boom gaat.

Zelf noemde Ten Boom zich een vreemdeling. Of hij dat ook was? Een goede vriend, Coen Wessel, schrijft in zijn In Memoriam dat hij “een gezelschapsdier [was], een uitermate vrolijke gangmaker. Hij correspondeerde met vele mensen. Hij was geliefd en hem werd veel vergeven. En zijn engagement met het marxisme en zijn latere wending naar een conservatievere levenshouding paste prima in de het tijdsgewricht van de afgelopen halve eeuw. Maar hij was inderdaad ook vreemdeling, balling en monnik. Hij had het nodig om alleen te zijn en dat ging hem prima af. Dan las hij of luisterde hij naar zijn Bob Dylan-lp’s.”

De volledige versie van het In Memoriam werd gepubliceerd in Ophef, Tijdschrift voor hartstochtelijke theologie (24e jaargang nr. 4, 2021 p.13-18) en wordt vanavond ook op deze website gepubliceerd. 

Hieronder schrijft Wessel H. ten Boom over zijn (papieren) vrienden, de boeken waarover hij sprak met zijn vrienden van vlees en bloed.

Mijn vrienden

Mijn vrienden, altijd weer wanneer ik thuiskom staan jullie daar. De ruggen recht, hoewel versleten hoor ik jullie als tevoren spreken – of juist zwijgen, omdat wij leven in een andere tijd. Jullie weten meer dan waar ik ooit van droomde, die mij vluchtig reeds gewonnen gaf, en van de ene naar de andere holde, alsof ik zomaar boeken las… 

Maar wat zijn grote of kleine dromen, vergeleken bij het denken dat ik steeds bij jullie vond?

En waar jullie mij meer impregneerden, zoals een drukker met zijn lood en inkt een lege bladzij schond en bracht tot leven, door haar te laten lezen. Hoe had ik háár bemind zonder de woorden die ik las? Hoe hebben jullie letterlijk mij beetgenomen in de geest, gevormd, ontsteld, verleid of aangezet tot andere gedachten?

Bestaat dat wat werd gedacht nog ergens anders dan alleen in jullie schrift, dat ik liefhad als mijn schat

Wie van ons zal overleven?

Ik koester de kast waarin jullie staan te vergelen, en vergaan als louter ideologieën op een rij. Jullie zijn mijn papieren leven, en kennen mij pas goed. Ik koester het opengeslagen boek dat licht geeft in het donker en lacht om wie in duister mint en spot. Ik koester het papier, dat knispert onder al mijn vingers, ik liefkoos de letter die zich moeizaam verrast totdat zij ook haar waarheid prijsgegeven heeft.

Vrienden, houd jullie rug recht, blijf spreken en zwijgen, blijf denken, geef acht, geef ons de moed tot waarheid terug.

Gedenk al mijn vrienden met wie ik uit vriendschap las.

Hieronder een deel van de tot nog toe beschreven collectie Ten Boom die In ’t Wasdom is opgenomen en te koop bij antiquariaat Cornelissen & De Jong

juli 24th, 2022 by Jaap de Jong

De bekommernissen van Adrien Proust en het blauw van de hemel

Juist vanwege zijn precisie en exacte beschrijvingen geeft Marcel Proust de ontoereikendheid van de menselijke waarneming weer. En dat niet alleen, ook de beperkingen van het denken legt hij bloot. In een kort fragment vertelt hij over de vergeefse bekommernissen van Adrien Proust (1834-1903).

Adrien Proust, de vader van Marcel, roept een familieraad bijeen om zijn zorgen te delen over een eventuele onmin met de heer M. Legrandin. Legrandin brengt zijn weekenden door in Combray, maar verblijft de rest van de week in Parijs. Het zijn bekommernissen om niets, zo blijkt. Nou ja, niets? In elk geval valt er veel te zeggen over weinig en dat alles zonder enige zekerheid.

Het gaat om een passage uit De kant van Swann waarin de jonge Marcel tijdens de zondagse wandeling met zijn vader, na het bijwonen van de mis, de heer M. Legrandin tegenkomt. Legrandin is een briljante wetenschapper die met zijn literair-culturele bagage indruk weet te maken op de jonge Marcel. Er zijn er die hem een snob zouden noemen. Bij het uitgaan van de kerk worden er vriendschappelijke, maar gereserveerde groeten uitgewisseld. Knikjes vanuit een verte.

De heer Legrandin reageert nauwelijks op de groet, trekt wel een verbaasd gezicht en heeft daarbij ‘een verschiet in zijn ogen, eigen aan de mensen die niet vriendelijk willen doen en die je, vanuit een plotseling verder reikende blik, gewaar lijken te worden als aan het eind van een onafzienbare weg, op zo’n grote afstand dat ze er mee volstaan een minuscuul knikje toe te zenden, in proportie met je popperige afmetingen.”

Kijk, een citaatje uit een zin van 116 woorden! Een kort gebeuren, in een punt des tijds, waarin feit, interpretatie en waardering ineengrijpen en een situatie oproepen die je kent, ondergaat of zelf schiep. Ik kan ook zo knikken. Niet persé verkeerd bedoeld, maar de onduidelijkheid kan tot een heus familieberaad leiden. Of erger nog wellicht: tot een spoedberaad tussen managers; ontslag en wat al niet meer?

Na het knikje van Legrandin beginnen de zorgen van Adrien Proust. Het zou toch niet zo zijn dat Legrandin zich betrapt voelde omdat hij een galant avontuur had en zich gegeneerd voelde omdat hij betrapt was. Het was immers de kasteelvrouw waar hij mee liep, een deugdzaam en algemeen geacht persoon. Nee, dat kon niet of toch wel?

Het familieberaad leidt tot de conclusie dat vader Adrien zich maar wat verbeeldde en dat de heer Legrandin er even niet bij was met zijn gedachten. Tja, denk ik dan, die gedachten konden natuurlijk overal zijn, ook heel dicht bij de deugdzame kasteelvrouwe. Dit geheel terzijde, want het geval wordt opgelost. Op de terugweg van een lange wandeling komen ze de heer Legrandin opnieuw tegen. Met uitgestoken hand loopt hij af op Marcel Proust en vraagt “Kent u, meneer de lezer, deze regel van Paul Desjardins: Les bois sont dejà noirs, le ciel est encor bleau. Is het niet de fijne notering van dit uur? U hebt Paul Desjardins misschien nooit gelezen. Lees hem, mijn jongen.”

Dankzij het notenapparaat bij de romancyclus van Proust lever ik er de vertaling bij: “De bossen zijn al zwart, de hemel is nog blauw”. Blijkbaar was de avond begonnen. Schemertijd. Het verhaal is echter niet afgelopen, ook de tijdsbeleving is voor Marcel Proust en Legrandin anders. Dat maakt Legrandin wel duidelijk: “Moge de hemel altijd blauw voor u blijven, jonge vriend, en zelfs als het uur naakt, zoals nu voor mij, dat de bossen al donker zijn, dat de nacht vlug valt, zult ge troost vinden zoals ik, door hemelwaarts te kijken. Hij haalde een sigaret uit zijn zak en hield lang zijn ogen gericht op de horizon. ‘Adieu vrienden,’ zei hij plotseling en liep bij ons vandaan.”


Bekommernissen afwerpen, het uur waarnemen en Proust lezen. Onophoudelijk. Dat is wat ik moet doen. En de knikjes naar de onmetelijke verte doseren.


 

juli 23rd, 2022 by Jaap de Jong

Op het Spui: over de boeken die ik niet verkocht …

Gisteren als handelaar op proef naar het Spui gegaan en wat boeken verkocht. Daarbij veel geleerd. Niet alleen over het publiek, maar ook over de mens en mijzelve in het bijzonder. Zo leerde ik dat de Franstalige Celine (1e dr., 1932) bij verzamelaars een paar duizend euro waard kan zijn en dat mijn prijs (75 euro) veel te laag was. Ook leerde ik dat veel mensen – vooral mannen – gretig naar het boek met de rode lippen grepen, er even in bladerden en het daarna terzijde legden. Het was gebruikt en niet onopgemerkt gebleven.

Blijkbaar is het boek van Sarane Alexandrian te duur, ook al lijken de lippen op het omslag wel heel prachtig. Mens-zijn is verlangen. Te veel werkelijkheid in huis is dodelijk. Ook dat begrijp ik. Man Ray is intussen nog steeds te koop.

En er was bezoek van een groot verzamelaar van Nescio, een kenner van Elsschot. Een man met een bibliotheek als professor Kien uit Canetti’s Martyrium. Mooier nog, trouwens. Gelukkig heeft hij – anders dan Kien – geen huishoudster die misschien voor vuur, maar ook voor rook kan zorgen. Hij kocht De Trommius en ik ben er zeker van dat dit bijzondere exemplaar een waardige plek krijgt. Niet op een altaar, misschien wel op een plek die Abraham Trommius verdient: een katheder met een lampje erboven. Om licht te maken waar anders het duister heerst.

Toen kwam Chris Kooyman langs. Hij is één van de schrijvers van een boek – mijn boek – dat ik niet verkoop, maar toch in de aanbieding heb: Dit is mijn boek. Joodse exlibriscultuur in Nederland. Het exemplaar dat ik wel verkoop is van Igor Cornelissen bij wie ik het – bij leven – aantrof. Na wat bladeren wilde ik het ook hebben en ik kreeg het van de geliefde. Een waardig verjaardagscadeau. Kooyman was vooral geïnteresseerd in de boeken met de theaterstukken van Arthur Schnitzler. In die vier delen staat het exlibris van het echtpaar Wolff dat volgens mijn gegevens op 11 juni 1943 in Sobidor werd vermoord. Wat ik toen wist is opgeschreven in de column Over Arthur Schnitzler: dood, verderf en duisternis. En nochtans lichtheid. Ik was compleet vergeten dat ik eerder schreef over Arthur Schnitzler.

Chris Kooyman heeft veel gezag bij mij. Ik maak vaak gebruik van zijn handboek. Bij mijn beschrijving van de Gesammelte Werke van Schnitzler staat dat in de boeken een exlibris is opgenomen van Grete en Felix Woff met daarbij als toevoeging: niet in Aarts en Kooyman, 2017. Ooit vertelde mijn beoogd promotor dat er geen groter gezag bestaat dan dat iemand iets schrijft over een doopsgezinde predikant en dan, “uiteraard na raadpleging van jouw standaardwerk”, schrijft: niet in het repertorium van De Jong (2007). Dát repertorium zal er nooit komen, maar dit uiteraard geheel terzijde.

Wat er hopelijk wel komt is een supplement op Dit is mijn boek met daarin een beschrijving van het exlibris van het echtpaar Wolff. En daarin de notitie dat het exlibris afkomstig is uit de collectie Igor Cornelissen, m.n. uit de boekenverzameling van Igor die ik momenteel in het programma bookmanager beschrijf.

Het was gisteren een mooie, bijzondere en nuttige dag. En dat was het.


 

juli 19th, 2022 by Jaap de Jong

Profetieën vergaan, maar de liefde wordt immer méér

Als jongen was ik nogal gevoelig voor de profetie en zeker als die werd uitgesproken door iemand met charisma, al dan niet met een baard. Iemand met baard die profeteerde was in de jaren zeventig gemakkelijk herkenbaar als valse profeet. Volgens mijn vader wilde God immers niet dat je als man een baard droeg en alleen als vrouw droeg je het haar lang. Met het laatste ben ik het nog steeds eens, met het eerste ook wel.

Toch vrat de werkelijkheid van alledag aan mijn pogen de profetie serieus te nemen. Hoewel de predikant met ernst en tranen zijn hoorders smeekte zich te bekeren, want “nog voor de bladeren zullen vallen, zullen de Russen aan de poorten staan. Als rijpe vruchten vallen wij in hun handen. Zij zullen het land doorploegen. En niet alleen het land…”

Profeten waren er in overvloed, zij plukten de aren in het landschap van mijn jeugd en deden ook verder alles wat verboden was. Zelfs Den Uyl gedroeg zich af en toe als profeet. Na de oliecrisis van 1973 zou niets meer hetzelfde blijven en het rapport van Rome sprak dreigende taal. Wat te doen en wat niet doen? Er waren er velen die zich terugtrokken en in het oerwoud zelfmoord pleegden, zoals de aanhangers van Jim Jones. Ik herinner mij de foto’s nog uit de krant van rond 1977. Ik meen dat ook de gestuurde parlementsleden door Jones en zijn aanhang werden gedood. Niemand ontkwam of bijna niemand.

Op een goede dag las ik de studie van Leon Festinger. Ik herinner mij dat Festinger als docent sociologie gefascineerd was door groepsgedrag. Toen zich in zijn buurt een sekte vestigde die het einde der dagen predikte besloot hij zich aan te sluiten en deed al het andere dat volgens de methode van de participerende observatie voor een goed onderzoek nodig was. Zijn vraagstelling was helder: wat zou er met de groep gebeuren als de profetie niet zou uitkomen? Als nuchter mens zou je denken dat die groep uiteen zou spatten en er niets meer zou overblijven.

Niets was minder waar. De leidster van de religieuze beweging vertelde – nadat iedereen zich had teruggetrokken op de berg en de vloed afwachtte, maar er toch niks gebeurde – dat God tot haar had gesproken en in zijn oneindige genade uitstel had gegeven. De velden waren immers wit om te oogsten en de arbeiders waren schaars. Het gevolg was dat Leon Festinger vaststelde dat de groep juist groeide in plaats van zich te ontbinden. Naar aanleiding van dat participerende onderzoek ontwikkelde hij de cognitieve dissonantietheorie: men past niet de denkbeelden aan, maar de feiten worden opnieuw gefigureerd binnen het ooit geconstrueerde raamwerk.

Vandaag wordt het een warme dag, maar ook vroeger kon het heel warm zijn, ik herinner mij een zomer dat …. Ik wens u een mooie dag met soep voor het middagmaal als het kan met spekjes er bij.

Geloof geen profeten. Je bent zelf een profeet.


O ja, de studie van Leon Festinger kan ik momenteel niet vinden en het bovenstaande vertelde ik uit het hoofd. Festingers verhaal verkoop ik niet, maar ik heb natuurlijk wel ander materiaal om te lezen. In de komende weken sta ik op de vrijdagen op het Spui (22 en 29 juli en 5 augustus). U kunt daar ook uw eerder bestelde boeken afhalen en nieuwe kopen. Bij afhalen betaalt u uiteraard geen verzendkosten. U kunt hier onze catalogus doorzoeken.

juli 2nd, 2022 by Igor Cornelissen

Over het wenen van Pieter Sjoerds Gerbrandy en de verloren Trommius

In onderstaande column uit Het Parool van 20 juni 1998 vertelt Igor Cornelissen (1935-2021) over zijn eerste schreden in het boekverkopersvak op de Zwolse boekenmarkt. Als verkoper, maar ook, onvermijdelijk, als koper. Hij refereert in zijn column aan zijn bezoek op de vrijdagse boekenmarkt op het Spui en zijn spijt over de niet gekochte Trommius.

Het gebeuren speelt zich af op de Zwolse boekenmarkt rond Pinksteren 1998. Zijn broer Wil Cornelissen (1928-2014) verkocht die dag boeken en maakte daarbij plaats voor Igor die, zoals altijd, een rondje over de boekenmarkt maakte. Twintig jaar later, in 2018, schoof Igor Cornelissen opnieuw aan als boekverkoper en werden wij elkaars kompaan In ’t Wasdom.

Niet onmogelijk dat u binnen afzienbare tijd de Trommius uit onderstaand verhaal  op de vrijdagse boekenmarkt op het Spui aantreft (inclusief een speciale uitgave van onderstaande column). Dat zal dan zijn bij antiquariaat Cornelissen & De Jong in ’t Wasdom.

Over de toekomst van ’t Wasdom schreef Igor in het laatste deel van zijn autobiografische reeks. De laatste zin luidt: “Ik ging in de boekhandel een nieuwe, stralende toekomst tegemoet.” Zie: Mijn opa rookte ook een pijp. Joodse wortels en ander (on)gemak (Cornelissen, 2020, pp. 289-291).

Zo is het en zo zal het zijn op de dag dat de cirkel rond is.

Jaap de Jong


Het was beroerd weer op de boekenmarkt en mijn broer en ik zaten er verkleumd bij. Achter een kraam ditmaal, in de rol van handelaar. De verkoop ging goed, want door de aanhoudende regen waren de kijkers thuis gebleven en hadden de bezoekers zich voorgenomen in ieder geval met iets thuis te komen. De negotie was begonnen door mijn broer die zich, vele jaren geleden, enthousiast meldde toen een koopman in prenten en gravures bij het scheiden van de markt riep wie hem los wilde maken. Zo werd hij een kist met oude stadsgezichten, letterproeven en afbeeldingen van slakken, paddestoelen en schildpadden rijker en negenhonderd gulden armer. Soms verkocht hij een prent, maar de kist bleef toch vooral flink gevuld. Nu en dan maant zijn vrouw hem de handel toch eens serieus ter hand te nemen.

Hij had voor mij een plaatsje aan zijn kraam ingeruimd, zodat ik wat overtollige boeken kon aanbieden en hem kon aflossen. Hij raakte heel wat paddestoelen en schildpadden kwijt. Ik sleet onder meer – alles mild geprijsd – een boek over de buitenlandse politiek van de Sovjet-Unie, een kookboekje over taarten en desserts, een oude roman van Top Naeff, twee dichtbundels van Jaap Meijer en een boek van eigen hand.

Ik had mij ernstig voorgenomen niets te kopen; er liggen wegens plaatsgebrek al boeken op de grond. Dat kostte mij eerst weinig moeite, want om mij heen was het aanbod van Suske en Wiske’s, Konsaliks en Ludlums overweldigend. Maar bij een tweede rondgang stuitte ik op een boek dat ik jaren geleden op de boekenmarkt op het Spui in Amsterdam liet liggen. Spijt knaagde nog maandenlang aan mij. Nu lag de Trommius er weer, de Nederlandsche Concordantie des Bijbels. Een zesde, grondig herziene en veel vermeerdere druk, waarschijnlijk uit 1948. De verkoper vroeg er vijftig gulden voor. Op mijn vraag of hij er nog iets aan deed, zakte hij vijf gulden. Ik hield nog ruim geld over voor het koffiehuis. Deze Trommius stamt uit de bibliotheek van de mij onbekende meneer Th. de Haart in wie ik een predikant vermoed, want hier en daar zijn in de kantlijn in klein, nauwkeurig potloodschrift aanvullingen genoteerd. Ook dat Trommius nog bij zijn leven met een ere-doctoraat is geëerd.

Abraham Trommius (1633-1719) stond als predikant in Haren en Groningen en heeft 28 jaar van zijn leven besteed aan het opschrijven van alle namen, woorden en werkwoorden die in de bijbel voorkomen. Met de verwijzing waar het staat. Hij begint met het woord aalmoes en eindigt met zwijn, zwijnegel, zwijnenbloed en zwijnenvlees.

Een beetje predikant en student in de theologie heeft de Trommius natuurlijk in zijn kast staan. Toen ik de eerste keer over de Trommius las, was dat in verband met Pieter Sjoerds Gerbrandy, de Fries-gereformeerde premier van onze regering in ballingschap. In Londen miste Gerbrandy zijn Trommius verschrikkelijk. Hij voelde zich onthand. Kon het Nederlandse gezantschap in het neutrale Zwitserland hem er aan helpen? Ik wist niet waar Gerbrandy op doelde tot ik de naam opzocht in een encyclopedie. Ik weet niet of de kleine besnorde maar vooral standvastige Fries zijn Trommius nog heeft gekregen, maar aan zijn Bijbel had hij veel houvast. Toen de journalist A. den Doolaard op 4 mei 1945 bij hem binnenliep, trof hij Gerbrandy aan, gebogen boven een oude Statenbijbel, lezend in het boek Job. Toen Den Doolaard een hand op zijn schouder legde, begon Gerbrandy hartverscheurend te huilen. ‘Het heeft ook zo lang geduurd.’

Ik ben geen predikant en studeer ook geen theologie, maar de Trommius is een onmisbaar handboek in dit calvinistische land waar veel voorouders in ieder geval de Statenvertaling op de plank hadden staan en hun spreekwijze doorspekten met uitdrukkingen ontleend aan het voor hen heilige boek.


PS 1 – Door de noeste arbeid van Lou de Jong weten we dat Pieter S. Gerbrandy, premier van het oorlogskabinet in Londen uiteindelijk toch zijn ‘Trommius’ ontving, het naslagwerk dat hij zo miste. Dat gebeurde via Geneve door de bemiddeling van Van Rhyn (Het Koninkrijk, dl. 9, eerste helft, p. 134-135). Dit uiteraard geheel terzijde.

PS 2 – Th. de Haart, eerder eigenaar van ‘De Trommius’ was inderdaad (hervormd) predikant, zoals Igor C. vermoedde. Hij diende de gemeenten in Djakarta, Groningen, Kuinre, Wieringermeer en Bussum en was een ijverig studeerkamergeleerde.

Trommius, Abraham (z.j.). Nederlandsche Concordantie des BijbelsZesde, grondig herziene en veel vermeerderde druk bewerkt naar de origineele uitgave. Rotterdam: A. Voorhoeve.

Nr. 4218. Gebonden in linnen, 1069 pp., 6e druk, met register. Met krantenartikel, met column van Igor Cornelissen (en inleiding JdJ), op schutblad de stempels van de predikant Th. de Haart, met krantenartikel van Maarten 't Hart, zie blog: https://cornelissenendejong.nl/71924/ Niet meer leverbaar.
juni 29th, 2022 by Jaap de Jong

Over Torrentius – “Wat buten maat bestaat / int onmaats q[u]aat verghaat.”

In november 1913 kreeg de latere conservator van het Rijksmuseum Twenthe, J.J. van Deinse (1867-1947), een ronde eikenhouten plank met een doorsnee van ongeveer 50 centimeter onder ogen. Er was zo goed als niets op te zien, maar nadat men het paneel – want dat was het – met een natte spons reinigde, bleek het een stilleven te zijn met een half gevulde wijnroemer die op een tafel tussen een aarden en een metalen kan stond. Op de tafel lagen twee, zeventiende eeuwse tabakspijpen bovenop een stuk bladmuziek. Daarop een rijmdicht: “wat buten maat bestaat / int onmaats q[u]aat verghaat.” Een stilleven dus, zinnebeeld van de matigheid wat ook in het rijmdicht naar voren komt. Van de schilder van het paneel,  Jan Simonsz. van der Beeck (ca. 1588 – 1644) ofwel Torrenius, kan niet worden gezegd dat zijn leven het zinnebeeld van de matigheid weerspiegelde. Integendeel, maar hetzelfde kan worden opgemerkt over de straf en het kwaad dat hij later onderging. Onmatig.

Het paneel en enig overgebleven schilderij van Torrentius deed eerder dienst als afdekking van een aangebroken vat met krenten bij bakker Van Essen in Deventer. De plank met haar mooie ronde vorm was daarvoor blijkbaar uitermate geschikt. Daarna kwam het in de winkel te hangen van de firma Sachse van Essen en Enschede. En het doorstond de Enschedese brand uit 1862. Vervolgens lag het paneel te verstoffen op de zolder van de familie Sachse. Totdat Van Deinse het onder ogen kreeg. De vondst en de achtergrond van het paneel werd nauwkeurig door Van Deinse opgeschreven. Hij was een verdienstelijk onderzoeker die meerdere zwerftochten ondernam bij zijn onderzoek naar de Twentse geschiedenis en cultuur. Hij wijdde aan deze ontdekking twee artikelen, die in februari 1916 in de Tubantia verschenen. Het paneel werd door zijn bemiddeling aangekocht door het Rijksmuseum.

Het hierboven beschreven paneel gebruikte Theun de Vries (1907-2005) als omslag voor zijn historische roman Torrentius. Het feest en de storm (Amsterdam, 1998). Daarin vertelt hij overigens niets over de Enschedese vondst uit 1913, maar wel alles over het veelbewogen leven van de schilder Torrentius, “een manskerel van de brede boeg: niet alleen sterk van lijf en leden, maar ook elegant in zijn vlugge gebaren. Hij had langgevormde, lenige handen met spitse, gevoelige vingers, een kleine voet die hij overigens vaak verstopte als hij zijn laarzen à la mode aantrok. Zijn mond was rood, zijn ogen blauw, zijn knevel en baard (kortgeknipt) blond; blond ook zijn hoofdhaar en zijdezacht, want hij behoorde tot de enkelingen die hun haar wasten. Waar meisjes bijeen waren werd veel over hem gesproken.”

De Vries schrijft over het verraad en de smerige rol van een undercoverspion die tijdens een bezoek bij Torrentius aangaf een naakt van hem te willen kopen en niet zomaar een naakt, maar eentje op speciale bestelling. Een beeld dat vooralsnog alleen in zijn hoofd rondwaarde. Hoe dat afliep ga ik niet vertellen, maar ik geef wel een citaat door over de vrijgeest Torrentius, althans een citaat uit de roman van De Vries. Theun de Vries staat bekend om zijn interesse voor religie en zeker ook vanwege zijn belangstelling voor ‘ketterse’ bewegingen. In deze roman tekent hij Torrentius als een ketter, die de spot drijft met theologische dogma’s, maar wel gevoelig was voor (natuur)mystiek. Er zijn daarover meerdere passages in deze historische roman. Wessel ten Boom, uit wiens collectie Torrentius afkomstig is, maakte er een aantekening over. Op het schutblad staan de pagina’s aangetekend. In potlood uiteraard. Ik citeer pagina 115:

Voor Torrentius uit werd de hemel langzaam leeg en schoon. Hij bleef hoe de zon ook wentelde verder vervuld van licht. Torrentius verloor zichzelf in de aanblik. Hij hoorde nu en dan aan een ingehouden snuiven dat Adelheid in zijn nabijheid bleef. Op het oneindig hemelrond voor hem rees in ijle zonnelijnen de omtrek van een vrouwenhoofd, het was als uit zee geboren, kreeg schouders, armen, een tors, een schoot; een reusachtige doorzichtige lichtgestalte waarvan de haren, door de wind geheven, in nauwelijks nog herkenbare verte waren uitgestroomd. Torrentius hield zijn ogen in aanbidding gesperd. De ontzaglijke hemelvrouw reikte tot aan het zenit, hij zag alleen haar omtrekken, ze bewoog zich niet, tot het hem toescheen dat ze uit gouden ogen naar hem keek en hem toelachte.

Hij viel op zijn gezicht, de armen zijwaarts gestrekt, zijn handen grijpend in zand en helmgras. Hij lag als een ding van de natuur, lange tijd, hij was de tijd kwijt; hij fluisterde: ‘Moeder, Grote Moeder, ik weet eindelijk wiens kind ik ben… Als dit het sein is van het goddelijke, ben ik een deel van dit Al. Het deel dat geboren is en sterft zonder dat het Al ooit zijn eeuwigheid en onvergankelijkheid verliest; het deel dat zich waar moet maken zolang het zich in u op deze aarde beweegt’.

Alle schilderijen van Torrentius, grotendeels prikkelend, werden vernietigd, maar er zijn nog wel twee lijsten met beschrijvingen van negentien schilderijen. Dit kleinood – het zou het mooiste zijn en er is nog zoveel meer over te zeggen – werd gered en bewees goede diensten als deksel van het krentenvat van een bakkerij; een stilleven, zinnebeeld van de matigheid van de hand van een schilder die volgens zijn tijdgenoten onmatig was in alles waarin men maar onmatig kan zijn. Theun de Vries was al negentig toen de roman Torrentius verscheen. Hij werd, zo schrijft zijn biograaf, “de Heintje Davids van de literatuur”. Nooit een definitief afscheid. Torrentius viel niet bij iedereen goed. In het Reformatorisch Dagblad was de recensent kritisch op de beschrijving van de gereformeerde rechters. Die had Theun de Vries volgens hem zo donker mogelijk afgeschilderd, “opdat de gestalte van Torrentius als profeet van de vrije gedachte zo fel mogelijk zou oplichten”.

Dat is wel iets wat we nodig hebben. Licht, méér licht.


 

bookmanager faciliteert het maken van voet- en eindnoten & bibliografie (incl. aantekeningen) bij digitale blogs en columns


 

juni 15th, 2022 by Jaap de Jong

De vrouw, de vrijheid en de dood: het ibsenisme ten top

In 2006 bezoekt Kester Freriks in verband met de herdenking van het honderdste sterfjaar van Henrik Ibsen de achterkleindochter van de toneelschrijver. Haar naam is Nora Ibsen en het is niet alleen de naam die haar herinnert aan het beroemde toneelstuk van haar overgrootvader. Haar leven lang kwamen actrices op bezoek om te zien hoe Nora een kopje thee drinkt, want ‘ze denken dat ik de echte Nora ben’. Het toneelstuk Nora heette oorspronkelijk Een Poppenhuis en is één van de meest gespeelde stukken in de wereld.

Net zoals zijn achterkleindochter Nora was Ibsen klein van gestalte. Hij probeerde dit te compenseren door op hoge hakken te lopen en een hoed te dragen van het model kachelpijp. En hij kamde zijn haren omhoog.

Henrik Ibsen was geïnteresseerd in het vrouw-zijn in relatie tot het thema vrijheid, maar aarzelde over de precieze invulling. Moest het gaan over de vrijheidsbeweging van vrouwen, de getrouwde vrouw die onafhankelijk wil zijn, vrouw-zijn en het moederschap of om vrouwen die hun man doodschieten. Andreas-Salomé (1861-1937) schreef in 1892 een studie over het werk van Ibsen: Frauengestalten waarin uiteraard ook de zelfverwerkelijking centraal staat. Hoewel Lou Andreas-Salomé volgens sommigen een mannenverslindster – of was het andersom? – zou zijn, deed ze dat anders dan de Nora die de achterkleindochter van Ibsen in Berlijn opgevoerd zag: daar schoot Nora haar echtgenoot dood, jaagt hem niet één, maar acht, negen kogels door het hoofd en gooit hem tot slot in een aquarium waarvan het water bloedrood kleurt. Ze was niet geschokt, vond dat de interpretatie van de regisseur recht deed aan de vrijheidsdrang van Nora.

Die vrijheidsdrang en de wens tot onafhankelijkheid is de ene kant van de medaille, de andere zijde doet zich in het mensenleven ook gelden: verantwoordelijkheid nemen, begrip en mededogen tonen. Tijdens en na het opvoeren van Een poppenhuis ging er een golf van echtscheidingen door Europa. In de opvatting van Ibsen gaan huwelijk en liefde niet samen, zo lijkt. En bij Ibsen is de dood altijd dichtbij, uiteraard vergezeld door de twijfel. Vitalisme, levensdrang en doodsdrift en dat alles in een onontwarbare kluwen. Een leven dat niet leeft naar vooraf gegeven regels, maar dat zich laat leiden door wat zich voordoet.

Dat spelen met de dood gebeurt ook in Hedda Gabler naar voren: Hedda Gabler die verliefd met haar twee pistolen speelt: ze streelt ze en kijkt er naar alsof het juwelen zijn. De vrouw en het dodelijke wapen. Er zijn kunstenaars die er een eenheid van maken, zoals het sculptuur van Hedda dat Nina Sudbye maakte en waarover Freriks schrijft: “pistool en vrouwenlichaam [zijn] één. De welving van de greep gaat over in haar dijen, de loop transformeert tot haar bovenlijf met volle boezem. Ze lijkt op een zeemeermin. Uit haar rug komt de trekker tevoorschijn. Vrouw en dodelijk wapen tegelijkertijd: dit is het ibsenisme ten voeten uit.”

Het toneelwerk van Ibsen lijkt lijkt mij boeiend. Zodra er een opvoering wordt aangekondigd bestel ik de kaarten.

juni 3rd, 2022 by Jaap de Jong

De ommekeer van Iwan Vasilevitsj

Walter Nigg (1903-1988), de Zwitserse religiewetenschapper, schrijft op opvallend soepele wijze over thema’s uit de dogmengeschiedenis. De introductie van zijn Triomf en tragiek van het geweten start met de vertelling en analyse van Na het bal, een  novelle van Tolstoj uit 1903.

In die novelle maakt Iwan Vasilevitsj een feestavond mee in Russisch gezelschap. Er wordt muziek gemaakt, gedanst en de alcohol stroomt rijkelijk. En daar is zij, de mooie Varinka, dochter van de kolonel, een prachtige jonge vrouw in een witte japon met rose sjerp die hem, Iwan Vasilevitsj, betovert. Na de avond kan hij geen rust vinden en slentert in de vroege ochtend door de stad waarbij hij toeschouwer wordt van een strafexecutie. Een jonge Tartaar, gedeserteerd en weer gevangen genomen, moet spitsroeden lopen. Hij wordt tot bloedens toe geslagen en smeekt  onophoudelijk “Broertjes, erbarmen. Erbarmen broertjes”, maar de kolonel beveelt hem de tocht te herhalen: “Nieuwe spitsroeden.”

De kolonel wordt door Iwan herkend als de vader van de mooie Varinka over wie hij eerder droomde. De vader dus die aan het einde van de vorige avond met zijn dochter een mazurka danste. Het zien van de toegetakelde rug van hen slachtoffer, nu één bloederige massa, leidt ertoe dat zijn gevoelens voor Varinka verdwijnen. De novelle eindigt met de opmerking dat het leven van Iwan Vasilevitsj door deze gebeurtenis totaal op zijn kop wordt gezet en in een andere richting geleid. In dat machtige en ook veelbelovende einde volgt Tolstoj hetzelfde procedé als in zijn roman Opstanding, maar dit terzijde.

Nigg gebruikt het verhaal van Tolstoj om zijn punt te maken dat de werkelijkheid ingewikkeld is, genuanceerd en meerdere kanten kent: een voorkant, een achterkant. Kerkgeschiedenis wordt door overwinnaars geschreven en die definiëren de eigen werkelijkheid niet als ketters. Overwinnaars lopen nooit de spitsroeden, die schrijven Geschiedenis die in dienst staat van de heersende partij en de gewenste beeldvorming. In Nederland was Lindeboom een van de eersten die met dat type kerkgeschiedenis afrekende, maar de titel van zijn hoofdwerk over ketters draagt er wel de sporen van: Stiefkinderen van het christendom. Stiefkinderen, geen echte kinderen.

Een geweten is een lastig ding. Je loopt het risico in de ketterpositie terecht te komen. In Triomf en tragiek van het geweten schrijft Nigg met veel sympathie over ketters en dat doet hij ook als het gaat om de kerkhistoricus Gottfried Arnold (1666-1714), schrijver van  Unpartheyische Kirchen- und Ketzer-Historie (1699) die op 33-jarige leeftijd zijn professoraat in de geschiedenis neerlegde. Arnold had een afkeer, een walging gekregen van het hoogdravende, eerzuchtige academische leven. Interessant is dat Walter Nigg hetzelfde deed en op 52-jarige leeftijd afstand deed van zijn hoogleraarschap. Hij werd fulltime schrijver en eigende zich, met als mentor en inspirator Margarete Susman (1872-1966), de literair-historische biografische methode toe.

Ook op ander terrein deelt Nigg voorkeuren met Arnold en dat betreft de oosterse mystiek en de Russische religieuze cultuur (met o.m. Vladimir Sergejevitsj Solovjow, Nikolaj Berdjajev, Sergej Boelgakov, Pavel Florenski etc.). Een terrein dat om allerlei redenen buiten de blik van het Westen valt en dat is jammer. Ook voor mij is het terra incognita, maar dat kan veranderen zoals het leven dat voor Iwan Vasilevitsj, na zijn tweede ontmoeting met de kolonel, een totaal andere wending kreeg. ’t Kan verkeren.

mei 29th, 2022 by Jaap de Jong

Honing aan de roede. Over Simon Gorter, Abraham Trommius en Mientje Vrijdag uit Rijssen

Vanmiddag nam ik de Statenvertaling met kanttekeningen ter hand. Mijn kompaan, Igor Cornelissen, kreeg die bijbel (in luxe box) in 2019 van de predikant C. Hogchem uit Genemuiden: “Ik mag Cees zeggen”, vertelde Igor mij meermalen met twinkels in de ogen.

Ik was op zoek naar het verhaal over de honing aan de roede die verlichting brengt. En dat verhaal, in die exacte bewoordingen, staat natuurlijk niet in een Groot Nieuwsbijbel of een andere moderne vertaling. Een vertaling die vrijwel altijd minder poëtisch is dan de Statenvertaling.

Toch vond ik niets, althans geen verhaal over “honing aan de roede.” Wel een hoofdstuk over Simson die op weg naar de schone Delilah honing uit een bijennest likt, afkomstig uit het geraamte van een eerder door hem gedode leeuw. Simson eet de honing uit de hand en niet van de roede. Hij wint aan kracht, zoekt en vindt daarna opnieuw zijn Delilah. Maar vertelt zijn ouders niets over de honing, noch over zijn avonturen met Delilah. Na mijn vergeefs, maar toch beloond zoeken, raadpleeg ik het naslagwerk van Abraham Trommius (ook al van Igor). Ik vind bij Trommius wel de honing, maar los van de roede. Ook vind ik bij deze 17e eeuwse theoloog wel de roede, maar los van de honing.

Honing aan de roede – ik hoorde die uitdrukking gisteren bij mijn ouders waar ik met mijn geliefde was. Ik vertelde hen over ons plan om die middag het graf van de doopsgezinde predikant en journalist Simon Gorter (1838-1871) op de Herenweg te bezoeken. Dat graf ligt op een steenworp afstand van mijn geboortehuis, tegenwoordig een zorgflat, aan de Nieuwe Veenendaalseweg te Rhenen. Ik vertelde hen ook over zijn ziekte, vroege dood en zijn preken. Simon Gorter was niet alleen de vader van de dichter Herman Gorter (1864-1927). Hij was zelf ook een man van het woord. Anders dan Alexander de Grote, die op zijn drieëndertigste de gehele toenmalige wereld had veroverd, haalde hij die leeftijd niet eens. Hij overleed op 5 juni 1871, op zijn tweeëndertigste, aan de gevolgen van TBC. Simon Gorter verbleef op dat moment in Rhenen, in een hotel aan de Grebbeberg, samen met zijn vrouw Johanna Catharina Lugt (1839-1923).

“Was er ook honing aan de roede van Simon Gorter” vroeg mijn vader mij? Tja, wat weet ik daar van en wat kan men weten over het ondervonden leed van de ander en de verwerking daarvan? In een bundel met twaalf nagelaten preken van Simon Gorter is wel een preek opgenomen over de waarde van de gezondheid en de verborgen zegen van krankheid. Aanleiding is een bijbeltekst over Naäman, een succesvolle Syrische generaal, “een strijdbaar held, doch melaatsch”. Feitelijk is de preek, naar ik vermoed, ook het verhaal van de ziektegeschiedenis van Simon Gorter zelf, maar geen woord over zijn eigen situatie. Krachtig. In de prekenbundel van Gorter vind ik wel de roede en de opwekking om onder de druk van de roede Gods te profeteren van zijn genade en zijn goedheid te ondergaan. Ja, “op te springen vol blij vertrouwen”. Eigenlijk had ik de uitdrukking bij hem wel verwacht: honing aan de roede, maar neen, ook bij Simon Gorter is de roede alleen los verkrijgbaar. Maar toch staat het er wel degelijk: in de geest natuurlijk, de letter doodt.

Uiteindelijk vind ik de honing toch, althans in combinatie met een staf. Als Jonathan, de zoon van Saul, samen met een aantal strijders in het woud der Filistijnen geraakt vinden ze er honing. Niemand echter die het aanraakt, want Saul had bevolen dat niemand mocht eten voordat de Filistijnen in een Blitzkrieg verslagen werden. Een beetje dom wel, dat bevel van koning Saul. Maar het woord van Saul gaat aan zijn zoon Jonathan ongehoord voorbij en dan komt het: “hij reikte het einde des stafs uit, die in zijn hand was, en hij doopte denzelven in een honingraat; als hij nu zijn hand tot zijn mond wendde, zo werden zijn ogen verlicht (1 Sam. 24:27).” De rest van het volk bleef gehoorzaam aan Saul en doopte de staf niet in het honingraat.

Let op: wel de staf, niet de roede, althans in de Statenvertaling. Een roede kan volgens het WNT ook best een staf kan zijn. En die roede kan nog veel meer zijn, althans vlg. datzelfde WNT. Ik durf het hier niet alles te vermelden. Ergens heeft men dus de staf ingewisseld voor de roede. En dat bij de doorgaans zo standvastige bevindelijk gereformeerden. Hoe kan dat?

Dan is er nog een vondst: ik tref de uitdrukking honing aan de roede voor het eerst aan in een Leidse bundel, een verhandeling over het vierde gebod van ene A.v.d.B uit 1735. Ik vermoed dat een piëtistisch-puriteinse auteur de uitdrukking muntte en dat ‘ie later door bevindelijk gereformeerden is hergebruikt, zoals de Scherpenzeelse ouderling Bart Roest (1892-1974) die de uitdrukking gebruikte in een briefwisseling met Mientje Vrijdag (1884-1943), een talige zielsverwante vriendin uit Rijssen. Ook de Twentse streektaalkenner Gerrit Kraa kent de brieven van Mientje Vrijdag en wees op haar originele taalgebruik. Haar plaatsgenoot Belcampo, de schrijver Herman Pieter Schönfeld Wichers (1902-1990), zal Mientje Vrijdag hebben gekend. Ze overleed in 1943:  “Mientje ter Haar-Vrijdag oet de tied” En zo is de cirkel rond: honing aan de roede. Ik vergeet het nooit meer.


Eduard Visser gaf in 2017 een bundel uit met werk van Simon Gorter. Eerder wees de historicus Jaap Meijer in de bundel Lieve ouders op de fraaie brieven van Simon Gorter aan zijn ouders in Balk. Jaap Meijer leerde die brieven via Garmt Stuiveling kennen. De vader van Simon, Douwe Gorter (1811-1876), was afkomstig uit een doopsgezind geslacht met meerdere lekenpredikers. Hij werd in 1854 als eerste gestudeerde predikant in menniste Balk beroepen. De vermaning werd eerder uitsluitend door leken- ofwel liefdepredikers bediend. Het scheelde maar een haar of ook zoon Herman Gorter was predikant geworden. Maar dat is een ander verhaal.

mei 23rd, 2022 by Jaap de Jong

“Een orgie van snobisme.” Het boekenlijstje van Sigmund Freud

In de zomer van 1906 stelt de Weense uitgever Hugo Heller (1870-1923) zijn auteurs vragen over goede boeken en het lezen. De aangeschreven auteurs moeten tien goede boeken noemen. Onder hen zijn bekende namen als Stefan Zweig, Rainer Maria Rilke, Marie von Ebner-Eschenbach, Herman Hesse, Arthur Schnitzler, Jakob Wassermann en Sigmund Freud. Niet iedereen onder de aangeschrevenen is blij met deze actie van uitgever Heller. Sommigen bedanken voor de eer.

Anderen, zoals Sigmund Freud, drijven de spot met de uitgever, maar werken toch mee. De gevreesde Karl Kraus (1874-1936) wijdt in zijn lijfblad Die Fackel een artikel aan de kwestie en stelt vast dat het om “een orgie van snobisme” gaat. En, zo voegt hij er met enig sarcasme aan toe: de belezen geesten uit Wenen hebben blijkbaar allen hun Gibbon of tenminste Carl Justi’s driedelige biografie over Winckelmann op het nachtkastje liggen.

Freud problematiseert het raadselachtige verzoek van Hugo Heller. Wat zijn dat eigenlijk: goede boeken? Bedoelt de uitgever de tien schitterendste werken uit de wereldliteratuur? In dat geval zou Freud tenminste Sophocles, Goethes Faust, maar ook Hamlet en Macbeth van Shakespeare op de lijst zetten.

Maar het kan nog weer anders, zo merkt Freud guitig op. Bedoelt de uitgever wellicht de tien belangrijkste werken. Welnu, dan mag het werk van Johannes Weier over het heksengeloof (1563) niet ontbreken, noch Darwin’s Descent of Man (1871) en ook het werk van Copernicus dient voorhanden te zijn.

“U heeft niet eens naar mijn ‘favoriete boeken’ gevraagd”, spot Freud en noemt vervolgens als favorieten Miltons Paradise Lost en Heines Lazarus. Uiteindelijk helpt Freud de uitgever aan een definitie van ‘goede boeken’ en komt hij met zijn lijstje. Goede boeken,  zo stelt hij, “zijn boeken waarmee men een band heeft als met ‘goede’ vrienden, aan wie men een deel van zijn levensinstelling en wereldbeschouwing te danken heeft, boeken waarvan men zelf genoten heeft en die men gaarne aanprijst, zonder dat in deze relatie het element van schroom en respect, het gevoel van eigen kleinheid tegenover hun grootheid, een prominente rol speelt.”

De lijst met tien ‘goed boeken’ van Sigmund Freud:

  1. Multatuli, Brieven en werken
  2. Kipling, Jungle Book
  3. Anatole France, Sur la pierre blanche
  4. Zola, Fécondité
  5. Merezjkovski, Leonardo da Vinci [1902]
  6. Keller, Leute von Seldwyla
  7. F. Meyer, Huttens letzte Tage
  8. Macaulay, Essays [1843]
  9. Gomperz, Griechische Denker [1896-1909]
  10. Mark Twain, [The Celebrated Jumping Frog of Calaveras Country, and Other] Sketches

Bij de keuze van Multatuli voegt Freud er nog toe dat hij niet bij machte is om de privébrieven bij de ‘liefdesbrieven’ achter te stellen. Daarom alles maar.

De gebroeders Karamazov van Dostojewski wordt in de top tien van Freud niet genoemd. In zijn essay Dostojewski en de vadermoord [VW, dl. 9, pp. 430-449)], waar deze roman aan de orde komt, noemt Freud Dostojewski echter een groot auteur wiens plaats “niet ver achter die van Shakespeare staat” (p. 433). De voortbrengsels van Shakespeare schaarde Freud onder “de schitterendste werken uit de wereldliteratuur” en blijkbaar komt Dostojewski vlak achter hem. Is Freud dan toch een man van lijstjes?

Over Fjodor M. Dostojewski, Vladimir Sergejevitsj Solovjov en Sigmund Freud later meer. Althans, als G’d het geeft en het internet niet neergaat. In ’t Wasdom bij antiquariaat Cornelissen & De Jong staan uiteraard ook ‘goede boeken’. Zoek direct in onze catalogus.

[Scan of klik op bovenstaande QR-code voor de gebruikte bronnen bij dit blog]

mei 23rd, 2022 by Jaap de Jong

Wachter, wat is er van morgenochtend?

Niet alleen de dichter-eschatoloog Isaac da Costa (1798-1860) liet zich bij het zien van het werk van het journaille tot de vraag verleiden: Wachter! Wat is er van de nacht? – “O Wachter! Welk een dag wordt aan de kim gewacht?”

Ook de meer serieuze journalist liet zich door de bijbeltekst uit Jesaja inspireren. Dat geldt tenminste voor Frans Coenen (1866-1936).

Ik bladerde zojuist in het Verzameld Werk van Frans Coenen  – ik moet het boekje opsturen, want verkocht – en trof daarin onder meer zijn journalistiek werk aan, waaronder de column: Wachter, wat is er van morgenochtend? Hij schreef het tijdens de kerstdagen van 1917 toen de Russische revolutie op haar hoogtepunt was. Anders dan Da Costa zag Frans Coenen niet de Morgenster in het verschiet, noch ook het Nieuw Jeruzalem.

Frans Coenen was via Bolland tot een gematigd Hegelianisme gekomen. Dat Hegelianisme was bij de wat sombere Coenen rechts-conservatief getint. Natuurlijk, er is verandering en ieder deel roept zijn of haar tegendeel op, maar de menselijke natuur is en blijft een constante. Frans Coenen was een realist en had een tamelijk heldere visie op de menselijke natuur. Dat moge blijken uit het volgende citaat: Met Vrede op Aarde wordt (…) waarschijnlijk de vrede [bedoeld] die de Russische revolutionairen brengen willen. Zo er Vredesengelen op aarde mogelijk zijn, geloof ik van harte, dat deze behaarde Mongolen op Hen moeten lijken. Vanwege hun groothartig, hun goddelijk argeloos bedoelen en grandiose gespeendheid van alle mensenkennis. Hebben zij niet maar even het privaat bezit en alle onderscheidingen afgeschaft. (…). Er is weinig meer nodig, geloof ik, om een mens tot Engel te promoveren, indien hij deze dingen ernstig neemt en ze als machthebber wil doorvoeren. Of is zodanige mens van zondig opportunistische, practische levenswijsheid en zelfs van de elementairste zelfkennis niet ganselijk onbesmet?”

De ironie van Coenen is intussen wel grappig. Hij misgunt de Russische utopisten de beërving van het Koninkrijk der Hemelen niet, “wat hun te pas kan komen tegen de tijd, dat de Aarde zich voor hen ongastvrij betoont. Hetgeen, helaas, te verwachten valt, indien zij niet gauw tenminste de Russische renten betalen.”

Wachter!  Wat is er van de nacht? Da Costa kende de uitkomst, zo meende hij. Frans Coenen schort zijn oordeel op. Heel praktisch. Net als profeten eten journalisten brood en volgende week wordt een nieuwe column aan de kim verwacht.

april 17th, 2022 by Jaap de Jong

De geur van verse drukproeven, linnen, karton en plaksel. Hermann Hesse en het antiquariaat

Bij een volgende reis naar Zürich bezoek ik eerst het oudste antiquariaat in Duitsland, t.w. J.J. Heckenhauer in Tübingen (Holzmarkt 5). Vanaf het midden van de 19e eeuw staat daar de boekhandel waar Hermann Hesse (1877-1962) zich in het najaar van 1895 als leerling-boekhandelaar meldt. Hermann had in 1893 een leertijd van drie dagen bij een kleine boekhandel in Esslingen achter de rug, maar het was hem daar te saai. Eigenlijk verlangde Hermann Hesse als kind maar naar één ding. Hij wilde tovenaar worden.

Hij bleef lang trouw aan die wens en die droom, maar in de enorme bibliotheek van zijn grootvader bekeert hij zich definitief tot de wereld van het boek. In twee jaar werkt hij zich door de helft van de wereldliteratuur heen waarbij hij zich met name op het historische en filosofische genre richt.

In 1955, bij de uitreiking van de Vredesprijs van de Duitse boekhandel, herinnert Hesse zich hoe hij in zijn jongensjaren al “vertrouwd was met de geur van verse drukproeven, van linnen, karton en plaksel, met de namen van veel uitgeverijen.” Zijn vader en grootvader waren theoloog-zendeling met een piëtistische inslag. Tegelijkertijd waren ze de literaire leiders van een uitgeverij die al honderd jaar stichtelijke theologische werken en populair-wetenschappelijke boeken op de markt bracht.

In 1895 begint Hermann Hesse dus als boekhandelaar-in-opleiding bij de academische boekhandel Heckenhauer die zich vooral op theologen en filologen richtte. Hesse brengt er een driejarige leertijd door en blijft daarna nog een jaar als jongste assistent. Hij las er Goethe en Nietzsche, maar dat lezen was maar een deel van het vermaak. Hij schrijft dat hij de rest van de tijd met studenten doorbrengt. Met hen praat hij, drinkt hij en zwelgt hij in grote zuippartijen.

Flapteksten doen geen recht aan het werk van de auteur, maar het kan niet zijn dat de uitgever van het prive-domeindeeltje nr. 21 er ver naast zit als hij vaststelt dat de romantiek van Hesse anti-burgerlijk is “en in zekere zin anarchistisch, gericht op innerlijke zelfbevrijding en contemplatie.”

Zelf ben ik de twaalfde in het dozijn, maar binnenkort trek ik Narziss en Goldmund van Hermann Hesse uit de kast. Als compensatie. Na het lezen van dat boek wil ik vermoedelijk nog één ding: tovenaar worden en antiquaar blijven.


 

april 17th, 2022 by Jaap de Jong

Woorden en hun betekenis: Over Hermann Hesse en de dadaïst Hugo Ball

Van Hermann Hesse (1877-1962) las ik als twintiger De Steppewolf en Het kralenspel. Ik weet nog dat beide romans veel indruk op mij maakten en ik herinner mij dat de tegenstelling gevoel-rationaliteit en individualisme-collectivisme daarbij een rol speelden. In De Steppewolf (1927) bespeelt Hesse zo’n beetje alle emoties die een adolescent kan doormaken. En redeneren kon hij ook, dus dat boek had mijn onverdeelde aandacht.

In Het kralenspel (1943) draait het om de vraag of een intellectueel wel iets te maken wil hebben met de wereld buiten de geest. Die vraag en ook de afkeer van het burgerlijke bestaan lijkt een constante in het leven van Hermann Hesse. Dat heeft een reden. In zijn dagboek (1920/1921) schrijft hij dat het overal ontbreekt aan een moraal en heiligheid, een werkelijk serieus streven naar bovenpersoonlijke waarden: “Iedereen streeft, denkt en politiseert voor zichzelf, voor zijn eigen persoontje, zijn eigen roem of voor een partij.”

En dan schrijft Hesse iets opmerkelijkst. Hoe mooi zou het zijn, schrijft hij, “als het werk en de geestelijke inspanning en verheffing van allen gezamenlijk in een stroom zou moeten uitmonden die alleen aan de mensheid toebehoort en waarin prestatie of vergissing van de enkeling algauw anoniem wordt.” Hij verwijst dan naar vroeger eeuwen van de kerk, voor de renaissance, bij kerkvaders. Pas dan “zal men weer woorden schrijven die door schrijvenden en lezenden werkelijk en serieus geloofd worden.”

Woorden dus, zo vervolgt Hesse “waar plezier, overtuiging en waarheid van uitgaat, waarvoor het de moeite loont te sterven.” Ik weet niet of ik in dat geval voor woorden wil sterven, maar het zou misschien gemakkelijker vallen. 

Hesse sprak erover met Hugo Ball (1887-1927), de dadaïst, die met Karawane (1917), een angstaanjagend klankgedicht met niet-bestaande woorden, wellicht illustreert het wat Hesse in zijn dagboek beweert, te weten dat woorden zijn verworden tot beweging van lucht: “Ik heb het hier een dezer dagen, vanuit het ellendige gevoel dat ik had en de walging die ik ondervond, ook met Hugo Ball over gehad, en hij gaf me in alles gelijk.”

Bij het beluisteren van het dadaïstische klankdicht Karawane denk ook ik aan menig politicus die ik vandaag de dag hoor babbelen: een gewichtige verplaatsing van lucht. Lucht die riekt: wind. Zonder visie, zonder idee, behalve dan het reële bestaan van de (kiezers)markt met een doorslaggevende rol voor de vraagzijde en het proces. Het loslaten van ieder ijkpunt buiten de markt. Alles is markt, maar de markt ìs niet alles. Bovendien barst de markt van onvolkomenheden die niet zelden bewust in stand worden gehouden. Dit alles niet geheel terzijde.

Over Pasen spreekt Hesse dan weer goede woorden: “van alle christelijke feesten is sinds tientallen jaren Pasen het enige dat ik nog met gevoelens van vroomheid en eerbied beleef, bij dit feest hoort de schuwe zoetheid van het begin van de lente net zoals de herinnering aan de ouders en het eierenzoeken onder de vlierstruiken in het tuintje, de muziek van Bach niet minder dan de stemming rond de tijd van mijn confirmatie, de strijd tussen de eerbied voor de vroomheid van mijn ouders en bezwaren tegen het geformuleerde en aan de kerk gebonden geloof.”


 

april 15th, 2022 by Jaap de Jong

Het “zwijgen” van Van der Lubbe en de woede van Igor Cornelissen

Op zondag 17 december 2017 kocht Igor Cornelissen (1935-2021) in boekhandel De Groene Waterman in Antwerpen een bundel met de gedichten van Elsschot. In de bundel worden alle verzen van Willem Elsschot verzameld en toegelicht. Zo ook het vers over het dramatische einde van Marinus van der Lubbe (1909-1934): “Jongen met je wankel hoofd / aan den beul vooruit beloofd”. Igor Cornelissen was eerder door Thijs Wierema gevraagd om in De Parelduiker over Marinus van der Lubbe en het gedicht van Willem Elsschot (1934) te schrijven. Van der Lubbe had de brand in het Rijksdaggebouw aangestoken. De nazi’s grepen die brandstichting aan om duizenden communistische tegenstanders te arresteren en in concentratiekampen op te sluiten. Met de brand bereikte Van der Lubbe, die net als de dichter Herman Gorter een zgn. radencommunist was, het tegendeel van wat hij beoogde.

In het vierenveertig weken durende showproces maakte Van der Lubbe de indruk van een half debiele, stompzinnige dwaas. Hij had het hoofd omlaag gehouden, het speeksel liep hem uit de mond. En hij zweeg. Althans, dat was de eerste indruk. Vroeger, zo ontdekte Igor door met voormalige kameraden van Van der Lubbe te spreken, was hij een sterke, vlotte en welbespraakte kameraad. En fel. Bovendien was was hen niets bekend over zijn homoseksualiteit. Integendeel, Van der Lubbe was absoluut nìet afkerig van vrouwen. Was hij gedrogeerd of was er een dubbelganger in de beklaagdenbank gezet?

In de toelichting op het gedicht Van der Lubbe (opgedragen aan Simon Vestdijk) herhaalt Odile Heijnders volgens Igor Cornelissen de fouten van Elsschot over de vermeende homoseksualiteit van Van der Lubbe en zijn zogenaamde zwijgen. Hij leest het stuk met stijgende woede. Van der Lubbe had niet gezwegen en was evenmin homoseksueel. Dat laatste was geschiedvervalsing, mede in stand gehouden door stalinisten die hun eigen versie van de brand koesterden waarin de vermeende homoseksualiteit van Van der Lubbe goed paste. Hij, de radencommunist, die in zijn denken afweek van de stalinistische lijn, zou het hebben aangelegd met de SA-kliek van Ernst Röhm. Igor had de misverstanden rond deze geschiedenis al eens opgeschreven, in een artikel in Vrij Nederland – na raadpleging van de vroegere vrienden van Van der Lubbe – en in het tweede deel van zijn autobiografie Raamgracht 4 (p. 92-94), dat ik vandaag herlas.

Igor schrijft zijn woede over dit opstel van Heijnders uit in het Antwerpse café Quinten Matsijs waar Paul van Ostaijen, Willem Elsschot en Werumeus Buning ooit stamgasten waren. Er werden op die dag ook Elsschotwandelingen georganiseerd door medewerkers van het café, maar die liet hij aan zich voorbijgaan. Igor zweeg natuurlijk niet over de “iets te domme muziek. Zacht. Goed, het was zacht, op de achtergrond.” Ik herhaal slechts wat Igor met potlood op het schutblad van genoemd boek en het bijgevoegde papiertje schrijft.

Ik snap die woede van Igor Cornelissen goed: beeldvorming – gebaseerd op behoud en uitbreiding van de politieke macht – corrigeren door de feiten (en daarmee de nuance en de waarheid) te achterhalen kost tijd en energie. Dat spreekt managers (en de Joop van Tijns) uit dèze tijd bepaald niet aan. Het is veel efficiënter iemand het hoofd af te hakken: o jongen met je wankel hoofd / aan de beul vooruit beloofd. Slecht onderzoek doen, feiten wegmoffelen en daardoor foute beelden in stand houden blijft intussen wel een doodzonde. Althans, voor de wèldenkende burger die niet denkt en handelt voor de beloning in het hiernu- en/of hiernamaals.

Als Odile Heynders het in haar opstel heeft over de taak van de lezer om “een nieuw netwerk van betekenismogelijkheden tot stand [te] brengen” wekt dit de spotlust van Igor op: “gebakken lucht”, schrijft hij. Ik geef hem gelijk. Een klaarblijkelijk historisch-literaire tekst dient allereerst historisch begrepen te worden. Wat een mooi vak zou dat kunnen zijn aan de middelbare school: literatuurgeschiedenis!

Elsschot beweerde in zijn gedicht dat Van der Lubbe “een vieze jongen” zou zijn geweest. Bovendien zou Van der Lubbe volgens Elsschots gedicht gezwegen hebben over het hoe en waarom van zijn daad. Dat Van der Lubbe homoseksueel was, betwijfelde Igor Cornelissen. Met goede argumenten: hij was een actieve liefhebber van vrouwen. In de jaren zestig had hij voormalige kameraden van Van der Lubbe gesproken. Het waren ‘droeve oude mannen die Rinus bleven verdedigen maar tegelijkertijd wisten dat zijn daad averechts had gewerkt.” Maar het was een leugen dat Van der Lubbe nooit iets had gezegd. Tijdens een van de zittingen was hij gaan staan en had verklaard dat het hele proces hem de strot uithing. Het was een schijnvertoning. Hij en hij alleen had de brand gesticht, zo had hij gezegd.

Het artikel over Elsschot en Van der Lubbe is er helaas nooit gekomen. In de laatste maanden van zijn leven was Igor opnieuw bezig met Van der Lubbe. Hij was iets op het spoor, vertelde hij mij, een geschiedenis, een romance wellicht tussen Van der Lubbe en een vrouw. In zijn eerste en tegelijkertijd laatste vlog vertelt hij meer over zijn fascinatie voor Van der Lubbe, een goudeerlijk man in wie geen bedrog was. Niet uit op eigenbelang. Dat bestaat.

april 8th, 2022 by Jaap de Jong

Over Marc Rozelaar en het bitterzoete leven. Nooit zonder Bach

In 1922, toen hij veertien jaar oud was, ontwierp Marc Rozelaar (1908-1991) zijn eerste exlibris: de Oudemanhuis Poort in Amsterdam. Het is een tekening van een klein besloten holletje waarin hij wilde wegschuilen. Helemaal achterin staat een kaal boompje, een rozelaar. Marc Rozelaar kreeg op het Kennemer Lyceum les van Anton Pieck (1895-1987) die hem inwijdde in het maken van houtsnedes, lino’s, gravures en aquarellen.

Afgelopen week, dus honderd jaar later, vond ik in diezelfde Oudemanhuis Poort – in een boekenstalletje – het proefschrift, waarop Marc Rozelaar op 25 maart 1941 promoveerde: Lukrez, Versuch einer Deutung met de stellingen en het dankwoord. In de eerste stelling zet Rozelaar zich neer als voorstander van het psychologische perspectief op literaire teksten. Dat gezichtspunt zou volgens die stelling de voorrangspositie van het historische perspectief wel mogen overnemen. Hij deed dat zelf ook in zijn dissertatie over Lucretius over wie weinig historische data zijn.

Zijn vriend en medestander in de zionistische beweging, de historicus Jaap Meijer (1912-1993), zou ruim een half jaar later promoveren op Isaac da Costa (1798-1860), de dichter die, zo schrijft Meijer ergens ‘ons verlaten heeft’. In 1942 stopt de mogelijkheid om te promoveren, althans voor Joden. De vriendschap tussen Rozelaar en Meijer werd gevierd in teksten zoals portret dat Meijer (onder het pseudoniem Saul van Messel) naar aanleiding van het overlijden van Rozelaar schrijft:

genieter van het leven/vehement

door muzen als om strijd verwend

die hooglieds eros met geduld van job verbond

homo ludens/die bittere ernst verstond

Bij de dichter Saul van Messel weegt ieder woord. Altijd. Dat blijkt ook uit bovenstaand gedicht. Rozelaar vertaalde het Hooglied en het boek Job dat als Mijn leven is een ademtocht verscheen. De vertaling van Job droeg hij op aan zijn moeder Regina Rozelaar-Maykels die geen zerk kreeg, maar wier as op 11 juni 1943 door de schoorsteen in Sobidor ging en over de vier uithoeken van de aarde werd verstrooid. Zelf wist Marc aan de vernietiging te ontkomen door zich door het raam van de rijdende trein te wurmen en te springen. Marc Rozelaar tekende niet alleen, hij dichtte en bundelde een honderdtal kwatrijnen (ontstaan tussen 1934 en 1940) onder de titel Interludium die hij onder 25 goede vrienden verspreidde. Het lijkt mij zeer waarschijnlijk dat Jaap Meijer tot die groep van 25 goede vrienden behoorde die de bundel ontving. Meijer herkende (zie dualisme II) de existentiële twijfel bij Marc Rozelaar, maar wellicht ook scepsis. Scepsis die in de kwatrijnen tot uiting komt in een vragend zwenken tussen Jeruzalem en Athene.

De kwatrijnen weerspiegelen “een moeilijke levensperiode”, zo schreef Marc Rozelaar op het exemplaar dat hij op 4 april 1981 aan zijn jongste zoon Micha gaf (kopie & schriftelijke mededeling aan mij, van MR, 10 april 2022). Als ik mij niet vergis – en dat doe ik niet 😉 – schemert er in de kwatrijnen een epicurisch-stoicijnse levensvisie door. Dat is niet vreemd. Marc Rozelaar studeert in de jaren dertig intensief op het werk van Lucretius en promoveert uiteindelijk in maart 1941 op werk en duiding van de filosoof. Intussen leidde de verloving met Emily Konijn, aangekondigd in een advertentie in het Algemeen Handelsblad van 8 mei 1933, niet tot een huwelijk.

Marc Rozelaar voegt een interessant motto toe aan de honderd kwatrijnen: Breekt u braakland en zaait niet tussen doornen (Jer. 4:3). Het Nederlands uit de Statenvertaling vind ik simpeler: Ploeg voor uzelf ongeploegd land om! / Zaai niet tussen de dorens. Hij droeg de bundel op aan zijn (tweede) verloofde, Fanny Ichenhäuser, met wie hij in de oorlogsdagen van 1940 wel trouwt en met wie hij drie zonen kreeg.

Naast dit alles bespeelde Marc de cello tot in de concertzalen toe. Ondanks dit alles – of wellicht wel vanwege al die talenten – bleef hem een leven lang de twijfel. Meijer beschreef het in dualisme I en II

tot in de toppen van zijn vingers fel begerig

tot in de vezels van zijn geest abstract wijsgerig

een mens van grillige contrasten

die op de duur natuurlijk bij hem pasten


dualisme II

hij leek mij soms een hellenist

een nieuwe philo tussen twee culturen

als keuze bleef hem akelig beslist:

de twijfel die een leven lang zou duren

De twijfel tussen Jeruzalem en Athene komt sterk naar voren in de selectie van vier (nr. XV, XVIII, LXXI, XXXVIII) van de honderd kwatrijnen uit Interludium die door een onbekende in het Hebreeuws werden vertaald. Micha Razel (1946), de jongste zoon van Marc Rozelaar, die mij een kopie stuurde, schreef dat de precisie van de vertaling er op wijst dat zijn vader de vertaling maakte, “but I am not sure who translated it.”

Ik ben ook niet zeker, maar het zou mij – vanwege diezelfde precisie, de inhoud en de intensieve vriendschap – niet verbazen als niet Marc Rozelaar zelf, maar Jaap Meijer de vertaler van deze selectie is. Meijer vertaalde gedichten van o.m. Jan Hanlo, Jacob Israël de Haan in het Hebreeuws. In zijn opstel over De Haan schrijft Jaap Meijer dat het de ‘verlichte’ Hebraïci erom ging om aan te tonen dat het Hebreeuws in staat was alle gedachten vorm te geven die men als Aufklärer maar wenste uit te dragen, “ook (en soms bij uitstek) gedachten, die indruisten tegen het traditionele jodendom.” (Meijer, 1974). Meijer en Rozelaar waren misschien wel te joods om orthodox joods te kunnen zijn. In elk geval demonstreert Meijer zijn buitengewoon scherpe lezing van Marc Rozelaar in zijn kwatrijn dualisme II, juist op het punt als het gaat om de twijfel tussen Jeruzalem en Athene. In de selectie van de vier kwatrijnen wordt die twijfel opnieuw heel precies onder woorden gebracht. Of die vertaling nu van Meijer of van Rozelaar zelf is. Het doet er eigenlijk niet toe.

Naast vruchtbare twijfel was er levenslust! Misschien is die combinatie wel kenmerkend voor een pessimistisch vitalisme als dat van Marc Rozelaar. In een brief aan de componist-schrijver Matthijs Vermeulen (1888-1967) en zijn vrouw Thea Diepenbrock (1907-1995) neemt Rozelaar een reproductie op van een olijfboom die hij ooit tekende “omdat hij mij zo imponeerde doordat hij, uitgehold, verwrongen en geteisterd – kennelijk – door de wonderlijkste & verschrikkelijkste lotswisselingen, ondanks verwaarlozing en verlatenheid elk jaar zijn blaadjes trouw vernieuwt alsof niets hem deert”. In de brief bedankt hij en passant voor het proefschrift over Seneca dat Alphons Diepenbrock schreef en waarover hij via Thea kon beschikken.

De cello en de muziek is een constante in het leven van Rozelaar. De liefde voor de muziek komt ook in een tweede ex libris tot uiting waarin een prominente plek is toebedeeld aan de cello. In een artikel in De Joodsche Wachter – naar aanleiding van de emigratie van het gezin Rozelaar in 1952 – herinnert Jaap Meijer aan de zomermiddagen op de Prinsengracht, vlakbij de Amstel, waar Marc de cello bespeelde en hij met Meijer filosofische gesprekken (over thema’s uit “Jeruzalem en Athene”) voerde, zoals Meijer in zijn krantenartikel schrijft.

Ruim veertig jaar later doet hij dat opnieuw in het gedicht cellist, “het jammerhout”. In het gedicht van Meijer is zomermiddag een donkere novemberdag geworden. In november regent het vanzelf, al is het Bach. Dan valt het mee:

vlak bij de amstel op de prinsengracht

– zal ik wat spelen/wat had je gedacht –

een donkere novemberdag

regende zachtjes bach

Jammer dat Igor Cornelissen er niet meer is. Met hem had ik honderduit willen praten over het leven van Marc Rozelaar en de vriendschap met Jaap Meijer, die tevens de schakel was tussen Igor en Marc Rozelaar. En natuurlijk over Anton Pieck (en diens broer). Kortom, over het leven zelf, dat wonderbaarlijk is, vol van tegenstellingen: zuur, zoet en bitter, ja bitterzoet.

Maar nooit zonder Bach (en de jazz).


PS. Op het internet (en later bevestigt door de familie) ontdekte ik dat de kinderen van Marc Rozelaar de achternaam Rozelaar veranderden in het Hebreeuwse Razel en dat er onder zijn kleinzonen bekende muzikanten zijn, zoals Yonatan Razel.

Marc Rozelaar erfde zijn muzikale talent van zijn grootouders en gaf het door aan zijn kleinkinderen. In het gedicht De Fakkelloop kondigde hij het aan: “maar ook als ‘k lang tot stof zal zijn vergaan/en van mijn naam de klank zal zijn vergeten/geeft de een de ander nog mijn fakkel aan.”

Jaap Meijer zei iets anders in zijn motto bij het in memoriam marc rozelaar en dat is ook waar: laten we onthouden dat we vergeten worden.

maart 30th, 2022 by Jaap de Jong

“Het allergevaarlijkst was het als Sophie jou kende.” Over Gele Fie uit Zwolle (ca. 1515-1562)

“Binnen Amsterdam woonde zeekere vrouw van Zwol gebooren, met naame Fy Harmans, die, mits d’uitwendighe gedaante, haar innerlyke leelykheit niet looghende, om d’afzichtigheit haarder verwe, in de wandeling, doorgaans, geele Fy geheeten werd, en van ’t een broodt tot het ander niet koomen kon; als belast met een huis vol vaaderlooze kinderen, zynde onlanx haar man in een gevecht ter needer geleit.” (P.C. Hooft, Ned. Histor. [annalen 1565]).


We beschikken niet over een tekening van Sophie (Fy of Fie) Harmansdr., maar wel over bovenstaande, niet direct vleiende, woorden van Pieter Corneliszn. Hooft (1581-1647). Hooft stelt vast dat Fie lelijk van binnen was en lelijk van buiten. Vanwege haar “afzichtelijke” gelaatskleur [verwe] kreeg ze de bijnaam Gele Fie. Een man had ze rond 1550 niet meer, die was neergestoken. Uit niets blijkt dat Hooft haar voorgeschiedenis kende, noch wist hij iets over haar connectie met haar vader Harmen Hoen. Hij was een radicale revolutionair die Ten Hove in zijn prachtige handboek over Zwolle wel even noemt. In het voorbijgaan, maar zonder de connectie met Gele Fie te leggen. Het is dan ook een detail, maar een betekenisvol detail.

Over haar tienerjaren in Zwolle lezen we niets. Wel zijn er tal van historische relevante primaire bronnen over haar vader Harmen Hoen, ook in de collectie Overijssel. Mooi dat daar nu met verschillende partners aan gewerkt kan worden binnen het vernieuwende concept van het Zwolse museum ANNO. Bron, historisch object en verhaal vullen elkaar zo prachtig aan.

Het liefst had ik een tekening of foto laten zien van het huis van de Zwolse poorter Harman Hoen (-28 juli 1535), de vader van Sophie. Hij woonde vlakbij de Sint-Michaëlskerk, maar waar precies? Harman Hoen, die in mei 1535 gevangen werd genomen in Amsterdam, waar hij als wederdoper alles wilde delen, ook zijn kleding. Het was de opzet van de naaktlopers van Amsterdam om de revolutie uit te roepen. Ze werden gevangen genomen en Harmen werd op 28 juli 1535 op de Dam terechtgesteld, gevierendeeld onder het oog van zijn dochter Sophie, maar niet voordat hij voor enkele dagen naar Zwolle werd gehaald, waar hij in de Sassenpoort gevangen zat, om te getuigen in een zaak tegen een andere doperse radicaal, zijn stadgenoot uit Zwolle: Wolter in die Sonne.

Harman Hoen ontwikkelde zich na zijn herdoop in 1534 tot een fanatieke prediker en geloofsijveraar. In 1531 en ’33 debatteerde hij met de Zwolse pastoor en betwijfelde openlijk (en in niet-theologische taal) of de wijn werkelijk het bloed en het genoten brood in het sacrament inderdaad het lichaam van Christus representeerde. Ook liet hij de inquisiteur Barend Gruwel – what’s in a name? – van het klooster van de Dominicanen (tegenwoordig boekhandel Waanders) suspecte, verboden, boekjes zien. En er waren geheime bijeenkomsten in zijn huis aan de Grote Markt, waar Harman aan potentiële bekeerlingen de doperse leer uiteenzette en het brood uitdeelde. Hij ontwikkelde zich van sacramentariër tot een revolutionaire wederdoper.

Harman Hoen, was getrouwd met Lubberken (-na 1558). Lubberken en Harman had naast Sophie ook nog een zoon, Jan Harmanszn, die schipper was en over de Vecht voer. Vanuit Zwolle reisde Harmen met Sophie door Overijssel. Na zijn herdoop in Deventer (in 1534) raakte hij nog intensiever bij de doperse beweging betrokken, waarschijnlijk als lekenprediker. In de bronnen staat dat hij “leraarde”. Hij ging overal heen: naar Groningen, naar Kampen, naar Deventer en uiteindelijk naar Amsterdam. Zijn dochter Sophie volgde hem waar hij ging en leerde zo nogal wat mensen kennen die sympathie hadden voor de doperse leer.

Dat kennen was levensgevaarlijk.

Levensgevaarlijk was het om je te opnieuw te laten dopen of je als een herdoper kenbaar te maken. Nog levensgevaarlijker was het om Sophie Harmensdr. te kennen. Maar het allergevaarlijkst was het als Sophie jou kende.

Na de terechtstelling van haar vader op 28 juli 1535 keert Sophie Harmansdr. de doperse beweging de rug toe. Het bezit van haar vader valt toe aan de staat en Sophie is berooid. Net zoals haar broer en moeder. In 1537 zou zij de eerste mensen aanbrengen. En er volgen nog enkele tientallen mensen. Tot in Vlaanderen toe, waar Sophie betrokken zou zijn bij het oppakken van Gilles van Aken, een oudste en belangrijke voorman in de doperse beweging. Vaak was het bewijs flinterdun, ze doet het – dat is wel zeker – ook voor het geld. Uiteindelijk, midden jaren vijftig, raakt Sophie verzeild in de intriges tussen een burgemeester en een schout en wordt ze vanwege valse beschuldigingen opgepakt. Ze zit zes jaar in de gevangenis. Haar moeder Lubberken doet tevergeefs een poging om haar mee terug te nemen naar Zwolle. En dan is er het proces en het einde. De tong wordt haar uitgerukt, ze wordt geradbraakt waarna haar de verbranding wacht. Inktzwarte eenzaamheid. Het staat tot in het detail in de processtukken.

In de geschiedschrijving wordt Sophie Harmansdr. neergezet als een verklikster, een slecht mens, uit op gewin. Lelijk van binnen en lelijk van buiten. Daar zijn genoeg redenen voor, maar was er iemand onder hen die een compleet beeld van haar had? De geschiedenis van haar vader, haar overgave aan en teleurstelling in de doperse beweging, het trauma van de gruwelijke dood van haar gevierendeelde vader die zich – zoals berichten suggereren – tot op het laatste toe verzette en weigerde te knielen voor zijn scherprechters. Zij zag het allemaal. En dan was er nog haar slechte financiële situatie, een huis vol kinderen en het ontbreken van een vader.

Maar werd het leed voor Sophie Harmansdr. minder door leed toe te voegen aan het leven van anderen? Ik vraag maar.

 
gebruikte bronnen & aantekeningen  
maart 26th, 2022 by Jaap de Jong

Over Karl Barth: “twijfelen en toch zeker zijn, wenen en toch vrolijk zijn”

Wessel ten Boom (1959-2021) had meerdere specialismen (o.a. Rilke, Vestdijk, Barth). Hij was een kenner van het werk van de theoloog Karl Barth (1886-1968) en vertaalde onder meer Fides quarens intellectum (FQI) ofwel geloof dat naar begrip zoekt. FQI is een boek (uit 1931) waarin Barth het godsbewijs van Anselmus van Canterbury (1033-1109) relateert aan het theologische programma van Anselmus en uiteraard ook aan zijn eigen programma. Barth deed in de 20e eeuw een stevige poging de theologie te restaureren. Binnen die restauratie paste een inspectie van de voorgangers. En dan deed hij in Die Protestantische Theologie im 19. Jahrhundert, waarbij hij ook de 18e eeuwse voorgangers (en filosofen) betrok. Ik noem enkele van de door hem behandelde namen: Rousseau, Lessing, Kant, Hegel, Novalis en Schleiermacher.

Kennis en begrip van geschiedenis was een wezenlijk onderdeel van Barth’s methode. Hij begon er mee in de jaren dertig in Bonn, waar Die Protestantische Theologie ontstond. Hij schakelde niet alleen zijn medewerkster Charlotte von Kirschbaum (1899-1975) in, maar ook zijn zonen – waarvan er drie theologie zouden studeren – hielpen hem. Tijdens de jaren in Bonn verzamelde Christoph Barth (1917-1986) de portretten van de theologen die in het boek zijn opgenomen (w.o. de Nederlandse theologen Voetius en Kohlbrugge). Die portretten hingen ook bij Barth in huis. En ze maakten indruk, zoals zal blijken.

In het door Wessel ten Boom vertaalde FQI stak een losse bundel vergeeld papier. Dat bleek de tekst te zijn van de rede die Barth hield bij de begrafenis van zijn zoon Matthias Barth (1921-1941). Matthias was één van de drie zonen – onder zijn vijf kinderen – die in de voetsporen van zijn vader trad. Matthias Barth kwam om bij een beklimming van de Fründenhorn. Een berg die tot op de dag van vandaag een geliefd object is voor bergbeklimmers. In zijn laatste uren was zijn moeder Nelly Barth-Hoffman (1893-1976) bij hem. Matthias Barth was een dromer en ondanks zijn heldere verstand was hij niet opgehouden kind te blijven, schrijft Karl Barth waarna hij zijn herinnering aan een andere bergtocht verhaalt: “Und so sehe ich ihn noch als Neunjährigen bei einem für seine Kräfte viel zu schwierigen Gebirgsweg, auf den er sich mit uns begeben hatte, mit leichtesten Füßen, den Boden nur eben berührend, um uns Andere und um alle Gefahren unbekümmert, von einem Felsblock zum anderen springen wie eine kleine Gemse.”

De rede aan het graf van zijn zoon is mij overgeleverd als typoscript. Het typoscript ziet er oud en vergeeld uit, maar het lijkt mij onwaarschijnlijk dat het afkomstig is van Karl Barth zelf. In dat geval zou Charlotte von Kirschbaum wellicht de tekst hebben getikt. Als motto voor zijn rede koos Barth voor een frase uit de brief aan de Korinthiers: “Wir sehen jetzt durch einen Spiegel in einem dunklen Wort, dann aber von Angesicht zu Angesicht”? Barth koos die tekst niet zelf uit, die liet zich kiezen. Sterker nog, hij was al gekozen door zijn zoon Matthias. In de woning in Bonn, waar Barth tot 1935 hoogleraar was, stond de tekst direct onder het portret van een oude theoloog. Ik weet niet welk portret het was, maar het is waarschijnlijk wel opgenomen in Die Protestantische Theologie. Karl Barth had toevallig gezien dat zijn zoon de tekst had afgeschreven, in het Latijn vertaald en overdacht. Vertalen en overdenken waren onlosmakelijk verbonden, meende Karl Barth – Matthias Barth had over de tekst nagedacht: videmus nunc per speculum in aenigmate, tunc autem facie ad faciem.

Ik ga de grafrede niet citeren, maar vertaal een korte passage van de dialecticus Barth, een stuk dat mij aansprak of het nou waar is of niet: “Dat is de genade Gods, waar wij aan vasthouden en waarmee wij aan de grens mogen staan, daar waar het Hier en Dan zich roeren, en dat wij aan deze grens geloven, liefhebben en hopen. Zij is de grens waar het licht zich in en door het duister boort, waar het leven over de dood triomfeert, waar wij grote zondaren zijn en toch gerechtvaardigden, waar wij gevangen zijn en toch vrij, waar wij twijfelen en toch zeker zijn en waar we wenen, maar toch vrolijk zijn.”

De naam van Barth kwam ik voor het eerst tegen in de jaren tachtig, toen ik enige tijd met het (religieus) socialisme sympathiseerde en daar een rechtvaardiging bij zocht. Het was vooral J.J. Buskes die Barth keer op keer noemde en populariseerde. En ik kwam hem tegen in de persoon van Hebe Charlotte Kohlbrugge (1914-2016) – kleindochter van de theoloog die Barth (en Wessel ten Boom) waardeerde. Hebe nam geen blad voor de mond, toen niet en in de oorlog ook al niet. Als ik haar zag – ze werd heel oud – dacht ik ook aan Barth en aan de waarheid en wist ik weer wanneer (en vooral wanneer niet) een mens mag liegen.

In de zomer van 1942 reisde Hebe Kohlbrugge naar Bazel – ik meen dat ze de tocht grotendeels fietste – om Karl Barth te vragen of het verzetslieden was toegestaan te liegen tijdens hun verhoor door de Duitsers. Een verhoor waar het er vaak gruwelijk aan toe ging. Barth vond het een moeilijke vraag, zo vertelde Kohlbrugge, en het was onbescheiden om als inwoner van een neutraal land die existentiële vraag te beantwoorden. Maar na lang heen en weer gepraat was het antwoord ‘ja’. De uitleg van Barth werd na terugkomst van Hebe direct gedrukt en clandestien in omloop gebracht onder de titel: Aan de Nederlandsche Christenen; brief van Prof. Karl Barth.

Dat is ook Barth: zondaar-zijn en toch gerechtvaardigd, wenend en toch vrolijk, gevangen en toch vrij en zelfs liegen en daarin toch de waarheid spreken.


 

maart 14th, 2022 by Jaap de Jong

De verschijning van Eurydice en Rilke’s onvertaalbare grafdicht

Zo’n twintig jaar geleden bezocht ik de laatste rustplaats van Rilke. Het graf ligt boven het Rhônedal. Het is er altijd winderig. Op die dag regende het onophoudelijk. We schuilden in een klein museum waar wat foto’s van Rilke lagen. Men kon er zijn dichtbundels kopen.

Rilke woonde de laatste jaren van zijn leven in het Zwitserse Muzot waar hij aan de Sonnetten aan Orpheus werkte. Het werk dat hij nog voor zijn dood voltooide. Gisteren zag ik met de geliefde een uitvoering van de Sonnetten, het grote dichtwerk dat onder meer door Wessel ten Boom werd vertaald. Er zijn er overigens veel meer die zich er aan waagden. Het was een prachtige uitvoering met mooie decors, zoals dat van de veerboot die over de doodsrivier voer. Een tocht die onontkoombaar leidde tot de verschijning van Eurydice aan Orpheus. Eurydice, die in de dood, het niet-zijn, eindelijk de koningin (Neen, alle denkbare koninginnen) was geworden en wilde blijven, “offerde” Orpheus daaraan op: “Niemandes Schlaf zu sein”. Ze zei het niet en het libretto schrijft het niet voor, maar ik dacht er aan.

Zojuist bladerde ik bij toeval – maar wat is toeval anders dan dat het je toevalt – door een bundel van tien studies over Rilke (Bassermann, 1947). Dieter Bassermann begint bij het einde: bij het grafdicht van Rilke. Het gedicht dat de dichter zelf had uitgezocht voor de winderige plaats boven het Rhônedal. Toen ik het indertijd las – in mijn herinnering stond het op een bord tussen rode rozen – begreep ik er weinig van, ook al trok ik er indertijd een intelligent gezicht bij toen ik het “vertaalde” voor mijn kinderen. Tieners nog.

Rose o reiner Widerspruch | Lust, niemandes Schlaf zu sein unter so viel Lidern.

Het grafdicht is voor mij, meer nog dan toen, een onvertaalbare zin geworden. Soms denk ik er dichtbij te zijn, maar kom er toch niet bij. Het beeld van de roos, die zoals de puntdichter Angelus Silesius ergens opmerkt, zonder waarom bloeit en bestaat, ja louter is – is een krachtig beeld. Een roos reflecteert niet. En wat is de slaap zolang hij iemands slaap is? Rilke formuleerde geen leer en zijn gedichten zijn niet bedoeld als levensfilosofie, hooguit een spiegel van zijn Zijn, schrijft Bassermann. Terecht. Vertalen is ook, net als de flirt, een vorm van toe-eigening en dat is hier wellicht net een stap te ver. Juist of zeker ook bij de poëzie van Rilke.

Misschien gaf Eurydice gistermiddag – in die laatste verschijning – wel de meest dichtbij komende vertolking van het grafdicht van Rilke: Rose, o reiner Widerspruch, Lust, Niemandes Schlaf zu sein unter so viel Lidern.

Orpheus kwam haar niet méér naderbij dan bij zijn omkering waarna hij haar verloor. Maar zag haar in die ondeelbare seconde, in die punt des tijds, wel op het allergrootst en zo moet het zijn of beter: zo is het.

maart 6th, 2022 by Jaap de Jong

Tante Lientje leeft en ze woont in Twente

Vandaag ga ik naar Broekhuis in Twente en naar het Willem Wilminktheater om te luisteren naar de verhalen over Willem Willmink (1936-2003). En op een dag ga ik naar Twente om er nooit meer weg te gaan. Op een dag …

Op nen dag
Op nen dag dreenk iej gin Grolsch meer…
loop iej nich meer deur de stad.
Al oew’ wille en al oew hartzeer
he’j dan had.

Van Willem Wilmink heb ik ergens een grote dikke witte bundel met de verzamelde gedichten. Bij mannen van zekere leeftijd, met zekere ervaring, liggen boeken in zekere dozen in zekere opslagplaatsen. Alleen jammer dat ik niet meer weet in welke doos en in welke opslagplaats die verzamelde gedichten liggen.

Wat ik ook al niet wist is dat Willem Wilmink verhalen schreef. In Oorlog vertelt hij iets wat ik een grondleggende ervaring noem. Zijn vader vocht in de meidagen in De Peel. Daar kwamen de Duitse pantsercolonnes door de stellingen nadat kort voor de inval een groot deel van de bezetting en het geschut was weggehaald.

Een paar streepjes waren het, potloodstreepjes van zijn vader, die Willem opvielen toen hij in 1959 het enige, heel dikke, geschiedenisboek van hem erfde. Een boek dat begon met het oude Egypte en eindigde in 1945. Het was wit en schoon, met slechts enkele potloodstreepjes bij een passage over De Peel: “Stootten de Duitsche pantsercolonnes door de Peelstelling, waar kort tevoren een groot deel van de bezetting en van het geschut was weggehaald. (…). Volk en leger, slecht voorgelicht over de militaire situatie.” Hij was niet in een situatie geraakt die helpend is voor vaders om aardigheidjes voor hun kinderen mee te nemen. Toen niet en misschien later ook wel niet.

Er was nog een grondleggende ervaring in diezelfde oorlog. En ook daar is een verhaal over dat gaat over zijn ‘nichtje’ Ansje, oom Jaap en tante Lien. Oom Jaap die altijd floot: Kun je zingen, Johanna, dan zing met me mee: tralalalala. Tralalalala.

Op een dag was Jaap niet vrolijk meer, want Lientje, klein en teer, ooit TBC-patiënt, was opgepakt en in het vrouwenkamp Ravensbrück gezet. En iedereen dacht dat ze niet zou overleven. Behalve de vader van Willem Wilmink. Die zei altijd weer dat ze terug zou terugkomen, zodat oom Jaap toch zingend en fluitend vertrok. En hij bleef dat zeggen en toen de bevrijding daar was, was tante Lientje er dan ook. Net zoals Ansje. Als je mensen op uiterlijke kenmerken wilt beoordelen zou je zeggen dat ze er, met die strik in haar gitzwarte haar, precies zo uitzag als een Joods meisje.

Willem Wilmink vertelt dat ome Jaap en tante Lien heel oud zijn geworden, maar nu dood zijn. Als je op hun kerkhof komt, kun je horen waar ze begraven liggen. Want speciaal voor hen fluit er een liedje door het boompje bij hun graf: Kun je fluiten, Johanna, dan fluit met me mee.

Ik vroeg Vic van de Reijt, samensteller van de dundruk van Wilmink, of hij wist wat de achternaam van tante Lientje is. Ik zou dan wel uitvinden waar ze begraven zou liggen, haar opzoeken en het graf vinden bij het boompje: door te luisteren naar het liedje dat door de bomen klinkt.

Ik meende de werkelijkheid nodig te hebben om de poëzie te kunnen verstaan. Het is omgekeerd: je hebt de poëzie nodig om de werkelijkheid door te komen. Overal zijn mensen die liedjes fluiten, zoals er ook overal mensen zijn die stellingen ondergraven. Het doet er niet toe: tante Lientje leeft en ze woont in Twente. ’t Kon minder.


Willem Wilmink (2022). ’t Kon minder. Amsterdam: Van Oorschot

februari 26th, 2022 by Jaap de Jong

Brokjes uit het trappengat

Het is een prachtige reeks, die privé-domeinreeks, de serie waarvan veel delen bij ons in het trappengat staan. In een groot aantal deeltjes zit een fotokatern en allen hebben een herkenbaar omslag; de paperback met flappen. Je kunt zo’n deeltje willekeurig openslaan, zoals ik met de bijbel wel deed, en wat bladeren om een helpend woord te vinden. Er valt mij altijd wel iets toe. Niet minder dan de hondekens die eten van de brokjes die er vallen van de tafel.

Als je genoeg bladert staat er tussen de woorden die niet helpen heus een woord dat volstaat.

Vanmorgen raakte ik in het voorbijgaan niet alleen In het licht van de eeuwigheid. Een leven in brieven van Willem Pijper (1894-1947) aan. Ik sloeg het boek ook open. Op een donderdagmorgen in november schrijft hij Emmy van Lokhorst over zijn Doppelnatur en het gevreesde lot als hij zijn evenwicht niet kan hervinden. Pijper leefde een relatief kort, rusteloos en heftig leven met veel wijn en niet minder vrouwen, zoveel andere vrouwen dat Marsman hem als ‘haremhouder’ zag.

Brieven schrijven kon Pijper wel en gevat is hij ook. Zo wimpelt hij het ongeduld van Emmy van Lokhorst af door haar te zeggen: “wil geen rijpe druiven in mei.” En het is duidelijk dat hij uitgebreid kennis maakte met de geschriften van Freud. Hij doorspekte zijn brieven met Freudiaans jargon: christusneurose, moederfixatie en schuldbewustzijn. In zijn brieven weet hij gedachten en gevoelens goed uit te leggen aan een hunkerend vrouwenhart. Maar in hoeverre dat ook zijn eigen gedachten en gevoelens waren is weer onduidelijk. Ambigu, ja misschien is dat het woord. Veelzijdig en complex.

Maar terwijl ik Pijper nooit uitlas kocht ik gisteren opnieuw een deeltje uit de privé-domeinreeks. Ik kan haarfijn vertellen waarom. Danilo Kis verleidde mij met zijn paradoxen, zijn Gelassenheit, of in elk geval een vorm van Gelassenheit.

Ik citeer: “geloof niet in profeten, want jij bent een profeet. Wees geen profeet, argwaan is jouw wapen. Geloof niet in utopische projecten, behalve in die door jou geschapen. Wees even hoogmoedig jegens de heersers als jegens de massa. Wed niet op het moment, daar krijg je spijt van. Wed ook niet op de eeuwigheid, daar krijg je spijt van.”

Ik schreef het al: een woord, een brokje voor de hondekens. Waar? Wel, in het trappengat van het huis waarin ik woon.


Links de QR-code van een nieuw product van bookmanager en BOLAS in ’t Wasdom -> voetnootonline – het publieke onderdeel van bookmanager & kaartenbak met de “openbare” collectie uit het trappengat van het huis waarin ik woon 😉

Voor eigen gebruik van bookmanager en/of voetnootonline en andere functionaliteiten kunt u zich hier registreren.

februari 22nd, 2022 by Jaap de Jong

“Toon mij je bibliotheek en ik zal je zeggen wie jij bent”

Het is een grappig, maar tegelijkertijd onzinnig, idee om moraal, karakter of het denken van een boekeneigenaar af te meten aan de inhoud van diens boekenkast. Misschien kocht ik Het verhaal van mijn leven van Casanova niet vanwege zijn erotische avonturen, maar om wat hij vertelt over de theoloog en scepticus Pierre Charron (1541-1603).

Pierre Charron pleitte voor een losmaking van de ethiek (uit de religie) die hij als zelfstandige filosofische discipline zag. Dat was in de Oudheid overigens ook zo. Charron was bevriend met Michel de Montaigne die hij zeer bewonderde. Ja, misschien ging het er mij inderdaad niet om kennis te nemen van de verleidingskunsten van Casanova bij zijn avontuur met de non M.M. Maar misschien ook wel.

Zelden kan ik de onbeschaamdheid onderdrukken om al bij binnenkomst in een onbekende woning de boekenkast te bekijken. Ik vind het moeilijk om mijn teleurstelling te onderdrukken als de inhoud van die kasten nogal dun is. Het kan natuurlijk ook anders, bijvoorbeeld dat ik de uitstekende smaak van de boekeigenaar bewierook.

Ik vind het mooi de gave der bewondering te beoefenen. En het is nooit met mate dat ik mijn lofzang zing of teleurstelling tentoonspreidt. Die trek is in elk geval wel een constante in mijn bestaan. Mijn andere zwakheden laat ik hier achterwege; de lijst zou te lang worden.

Voor mijn bezigheden als antiquaar bij Cornelissen & De Jong ontwikkelde mijn dochter Charlotte de Jong – die in 2021 afstudeerde als data- scientiste (studierichting KI) aan de UU en daarnaast programmeert – samen met mij het programma bookmanager.

Bookmanager is vanaf vandaag ook voor andere boekenliefhebbers beschikbaar. Handig voor boekenliefhebbers die hun eigen collectie in kaart willen brengen, delen willen uitlenen of misschien ook wel eens een (dubbel) exemplaar willen verkopen via een boekenplatform.

In bookmanager beschrijf ik niet alleen mijn eigen boekenbezit, maar worden ook andere – in dit geval openbare – collecties (zoals die van de journalist Igor Cornelissen (1935-2021) & Wessel ten Boom (1959-2021)) getoond. Met bookmanager kun je ook alles regelen voor de verkoop via abebooks.com, antiqbook.com, boekwinkeltjes.nl, je eigen website en andere boekenplatforms.

Het aardige van bookmanager is dat delen van mijn eigen (geheime) boekencollectie onzichtbaar blijven. Natuurlijk kan ik die wel laten zien ermee pronken of zelfs verkopen. Alles is mogelijk. Nou ja, bijna alles.


Je kunt je hier registreren om het programma bookmanager gratis uit te proberen.

februari 20th, 2022 by Jaap de Jong

Over Van het Reve, Beseda en de zin voor het detail

In 1930, tijdens haar laatste studiejaar, liep de latere beroemde vertaalster van de Russische literatuur, Aleida G. Schot (1900-1969), per ongeluk de verkeerde collegezaal in. Daar stond Bruno Becker (1885-1968), bijzonder hoogleraar in de Russische cultuurgeschiedenis, college te geven. Hij was een Coornhertkenner, speciaal naar Nederland gekomen om de bronnen te kunnen raadplegen. In de omgang was Becker even boeiend als sympathiek. Over dat laatste bestaat geen twijfel.

Tussen Becker en Schot ontwikkelde zich iets. Na het overlijden van de vrouw van Becker woonde Aleida Schot bij Bruno Becker op het adres Merwerdeplein 11 in Amsterdam. Vanaf genoemd adres schreef Aleida Schot op 23 april 1964 een andere “Hooggeachte Professor”. Zij schreef het briefje bij “een kleine proeve van eigen werk”, mede bedoeld als dank en weerklank op de bereidheid van de betreffende hoogleraar haar indertijd te ontvangen en te adviseren. Becker kan de ontvanger van het briefje niet zijn geweest, daar zij toen al samenwoonden.

Was Karel van het Reve de ontvanger van het handgeschreven briefje dat in de bundel Meesters der Russische vertelkunst zit? Ik kan het mij nauwelijks voorstellen. Karel van het Reve was 21 jaar jonger dan Aleida Schot. De toon van het briefje is ietwat statig en dat zou dan weer wel passen. Zo schrijft Karel van het Reve in 1972 dat Aleida Schot nogal deftig is. Ze “zal nooit vensterbank schrijven, als zij ook raamkozijn tot haar beschikking heeft.” (p. 924, dl. 3 VW).

Over Aleida G. Schot en Bruno Becker waren nogal wat geruchten, grappen en grollen in omloop. Karel van het Reve, die bij Becker zijn proefschrift schreef, deed er graag aan mee en maakte in de vroege jaren vijftig een limerick over het duo Becker en Schot. Ik schreef er eerder over (Aleida G. Schot en haar Russen: “waarom Leida zo lachte…”). Volgens ingewijden zou de naam van het Amsterdamse Slavinstendispuut Beseda, een afkorting zijn van Becker en Schot en de Anderen zijn.

Die Anderen raakten kort na elkaar wel twee van hun oudste leden kwijt: Becker en Leida, zo schrijft Van het Reve in zijn In Memorium. Het is allemaal te lezen in het Verzameld Werk van Karel van het Reve. Nu te koop bij Cornelissen en De Jong [dln. I-III]. Het briefje van Aleida zit in haar vertaling van het boekje Meesters der Russische vertelkunst

Dat is wat er mooi is aan het lezen van Karel van het Reve: de losse, maar toch precieze formulering en de zin voor het detail. 

Enfin, daar waar het detail betekenis krijgt openbaart zich het leven zelf. Nietwaar?


Links de QR-code van een nieuw product van bookmanager en BOLAS in 't Wasdom -> voetnootonline - het publieke onderdeel van de kaartenbak met daarin de gebruikte bronnen t.b.v. (web)publicaties.

Voor toegang tot voetnootonline en andere functionaliteiten dient u zich eerst hier te registreren.
februari 18th, 2022 by Jaap de Jong

De kaartenbak van Igor Cornelissen en andere boekstavers van de wereld

Ferdinand Columbus, de zoon van de man die Amerika ontdekte, zette zijn zinnen op een wereldkaart, ja wilde de toenmalige kennis van de ganse wereld op één kaart zetten. Alle kennis op een kaart. Ik herken dat streven, sterker nog: de geliefde vertelt mij dat elke dag waarop ik antwoord dat het bij mij om twee kaarten gaat.

Het digitale kaartenbaksysteem dat ik samen met Charlotte de Jong bedacht is bedoeld voor de boekliefhebber, -handelaar & onderzoeker die naast het systematiseren van zijn bibliotheek (via bookmanager), ook aantekeningen over die boeken maakt. Misschien wel om er later een stukje over te schrijven of zelfs een boek dat alle andere boeken overbodig maakt. Een kaartenbak die ordent, labelt en verwijst.

Iedereen heeft wel eens een idee om over te schrijven. Er worden plannen en aantekeningen gemaakt, maar op een dag raak je het kladblok kwijt. Dat overkwam Igor Cornelissen (1935-2021) die zijn aantekeningenboekje over de laatste antiquariaten van Nederland verloor. Misschien vind ik dat boekje op een dag terug. Ergens in een dossiermap van Félicien Rops, of een ander, niet minder illustere, medemens waarover Igor een map bezit.

Misschien komt er een dag dat ik mijzelf vind: in een map en op een kaart.

Antiquariaat Cornelissen & De Jong in ’t Wasdom heeft een dagtaak aan het beschrijven en registreren van de drukte van de geest. In het antiquariaat stond het oude kaartenbakkensysteem van Igor Cornelissen, mijn kompaan, die op 13 maart j.l., bijna een jaar geleden, overleed. Op de foto (links van de tekst) zit hij in zijn studeerkamer: tussen boek, map en kaartenbak. En uiteraard met pijp!

Het systeem van Igor krijgt in ons nieuwe antiquariaat In ’t Wasdom een nieuwe plek. Maar dan in combinatie met een nieuw systeem, een buitengewoon waardevolle aanvulling: bookmanager.

Igor stond mij af en toe genadig toe om de kaarten uit zijn houten kaartenbak te gebruiken en zelfs af en doe een dossier mee te nemen waar zo’n kaart naar verwees. Eigenlijk had hij het liever niet en moest alles onder het oog van de meester gebeuren. Nu heb ik alles, maar is hij er niet meer. Ik wil niet opscheppen – of eigenlijk ook wel – maar ik weet zeker dat Igor – had hij tijd van leven gehad – zou zijn overgegaan naar een digitale kaartenbak. Hij gebruikte tenslotte ook de beroemde bolasknop en niet alleen om mij een plezier te doen. Sterker nog, hij wilde liefst zelf al zijn boeken in de computer invoeren, maar niet dan na herlezing. Hij maakte er aantekeningen bij; op briefjes en op het bloknoot, want op dat moment bestond onze digitale kaartenbak nog niet. Daarom hield Igor het op het schrijven van zijn gewaardeerde blogs.

Uiteindelijk is dat het doel: boekstaven om te schrijven. Te blijven ook, de illusie van een vleugje eeuwigheid op een blote kaart. Het was ook de droom van Ferdinand Columbus, de droom van een universele bibliotheek die je ieder moment kunt oproepen. En als dat toch net niet lukt dan houd ik het vertrouwen dat er altijd iemand is, was en zal zijn die haar kaarten op mij zette.


Zie ook Who's afraid of red, yellow and blue - over onze innovatieve stijl - inhoudelijk en qua stijl.

Voor toegang tot bookmanager (en de kaartenbak) kunt u zich hier (gratis) registeren. 

Voorkeursbrowsers voor gebruikers van bookmanager: Chrome/Edge. Andere browsers volgen later.

februari 9th, 2022 by Jaap de Jong

Over het afgebrande kerkhof van Philip Corvage en de Gelassenheit bij Eckhart

Gisteren ging Het proces van meester Eckhart van Vestdijk door mijn handen. Het is de laatste roman van Vestdijk en het boek komt uit de collectie van Wessel ten Boom. Op het schutblad staan zijn potloodaantekeningen met paginaverwijzingen, o.a. naar Gelassenheit, een begrip dat bij Eckhart niet onbelangrijk is.

Ten Boom was een verzamelaar van Vestdijk en bijzonder geïnteresseerd in het religieuze aspect bij hem. In het eerste deel van zijn tweeluik over Vestdijk introduceert Ten Boom Vestdijk door te wijzen op iets dat zij gemeen hebben: het oergevoel van verlorenheid. Hij zou ook anderen kunnen noemen, schrijft hij en dat doet hij dan ook: Anna Blaman, J. van Oudshoorn, Paul Celan en Friedrich Hölderlin, maar Vestdijk springt boven alles uit. Ik zie het nu voor mij, de koppen van de genoemde auteurs en het springen van Vestdijk, maar dit terzijde.

Vestdijk veroorzaakte in de jaren veertig een rel onder de theologen met zijn ietwat uitgelopen essay De toekomst der religie, overigens nog steeds fascinerende literatuur. Ik schreef er eerder over op deze website. Daarin voorziet Vestdijk de teloorgang van het metafyische type. Dat was wel tegen het zere been van de vrijgemaakt gereformeerde theoloog J. Kamphuis, hoewel die best prijzend over, wat hij noemt, “de ongelovige Vestdijk” schrijft: “Weinigen hebben met zo’n felle belangstelling, met zo’n brede eruditie, met zo’n plezier in dogmatische subtiliteiten de passanten in de kerkhistorische straat gadegeslagen.” Voor Kamphuis waren er twee wegen: het ware geloof met de ware kerk en de weg van het ongeloof. De sluipwegen door de velden Gods zag hij niet.

De religieuze thematiek stond ook in De Vuuraanbidders centraal, het vuistdikke boek dat ik las toen ik rond de twintig was. Ik las het in één, misschien twee dagen uit. Een existentiële roman, zo herinner ik mij en nog steeds zeer de moeite waard, vermoed ik, zelfs binnen en buiten het verbastert christendom.

Grappig is dat Het proces van Eckhart in de kritiek niet zo werd gewaardeerd, maar de prijzen zijn op dit moment wel torenhoog. Het is ook nog eens schaars. In de kloosterbibliotheek, waar ik indertijd mijn kantoor had, zou het boek volgens de kaartenbak ook aanwezig moeten zijn, maar het was verdwenen. Weg! Later gooide men ook de kaartenbak weg, waarna de rest van de boeken verdween. Dit niet geheel terzijde.

Los van De Vuuraanbidders was er een andere roman die ik zeer waardeerde, maar waar ik ook last van had: Ivoren Wachters. Als jong docent had ik vaak jongens en meisjes in de klas met een nog matig ontwikkeld gebit, soms zwartgeblakerd (van drop ofzo). En daarbij hadden ze soms best wel een grote mond. Als ze dan losgingen, kostte het mij heel soms moeite om niet de docent van Philip Corvage uit Ivoren Wachters te citeren: “Zeg, hé, hou je afgebrand kerkhof een beetje voor je zeg.”

Tja, Gelassenheit is misschien niet iets dat men dagelijks met zich omdraagt, ook Eckhart niet. Dat viel een tijdgenoot van hem op, althans volgens Vestdijk: “Maar zijn koppigheid leek mij even gevaarlijk groot als zijn gevoel van eigenwaarde, dat in eigenaardige tegenstelling stond tot zijn leer der gelatenheid, geestelijke armoede, het uitwissen der eigen persoonlijkheid, die leeg moest zijn alvorens zich met God te kunnen verenigen.”


Links de QR-code van een nieuw product van  bookmanager en BOLAS in 't Wasdom -> voetnootonline - het publieke onderdeel van de kaartenbak met daarin de gebruikte bronnen t.b.v. webpublicaties. 

Bookmanager wordt eind volgende week (18 febr. 2022) publiek geïntroduceerd. Voetnootonline is een onderdeel van bookmanager (dat voor boekliefhebbers en -boekhandelaren is bedoeld). Mooi om te gebruiken bij Cornelissen & De Jong

Deze voorpublicatie van voetnootonline is bij wijze van uitzondering. Speciaal bedoeld voor de early adaptors onder de twitteraars [zijn die er onder mijn volgers?]. Registreer je en probeer bookmanager (gratis) uit ;-)
januari 24th, 2022 by Jaap de Jong

Afscheiden! Over het wachten van het woeste en nog onverloste land

Onlangs vertaalde Irma Pieper opnieuw een roman van Karel Čapek (1890-1938): leven en werk van de componist Foltyn. Igor Cornelissen bezat meerdere vooroorlogse romans van de Tsjechische schrijver die hij bewonderde. Ik kocht vanmiddag de nieuwste vertaalde roman bij een Zwolse collega.

In leven en werk van de componist Foltyn uit 2021 schetst Čapek een perspectivistisch beeld van Beda Foltyn, de man die een kunstenaar wilde zijn, daarin geheel opgaat en zijn omgeving, maar vooral zichzelf bedriegt. Dat doet hij door verschillende mensen uit de omgeving van de hoofdpersoon, Beda Foltyn, aan het woord te laten. Uit de verschillende getuigenissen – uit verschillende stadia op de levensweg van Foltyn – komt waarheid naar boven of wordt in elk geval leugenachtigheid duidelijk.

De roman wordt niet door Karel Čapek voltooid. Zijn vrouw, de literator en actrice Olga Scheinpflugová (1902-1968), met wie Karel Čapek in 1935 trouwde, maakt de roman na zijn dood af. En dat doet zij op een volmaakt harmonische wijze, met een buitengewoon passende ‘ontmaskering’ van de hoofdpersoon. Ik verraad niets. Wel dat zij sterft bij de uitvoering van Moeder, een toneelstuk van Karel Čapek, dat werd opgevoerd tijdens de Praagse Lente: op het toneel. Dat staat trouwens niet in dit boek, dus uw leesplezier lijdt er niet onder.

Beda Foltyn had zeker wel de chaos in zich: de woestheid en ledigheid is er, maar de genade om eindige grenzen te stellen en af te scheiden; die genade bezat hij niet. Er is een passage waarin Čapek de scheppingsmythe gebruikt om iets over het verschil tussen goede en verdorven kunst te laten zien. Slechte kunst is daar waar er iets persoonlijks is achtergebleven dat geen vorm geworden is, niet afgescheiden is geweest. Dat afscheiden moet je zelf doen. De kunstenaar die schept, scheidt af en alleen hij en hij alleen kan dat persoonlijke afscheiden. Na het scheiden resteert puur goud.

Ik citeer: “De meeste kunstenaars, net als andere mensen, doen niets anders dan tot in het oneindige de materie vermeerderen in plaats van haar vorm te geven; sommigen spuwen haar uit als een helse lavastroom en anderen zetten haar af als het slijmerige slib op wateroevers; het woeste en onverloste land blijft steeds opnieuw opborrelen en omhoogkomen, wachtend op de ontzagwekkende, glorieuze discipline van het scheppen. Afscheiden, afscheiden! Nooit zal deze strenge wet, de wet van de eerste dag ophouden te gelden en af te schrikken.” 

Karel  Čapek bezocht begin jaren dertig Nederland (voor een PEN-congres) en beschrijft zijn belevenissen in een boekje. Hij is nogal mild in Over Holland, een uitgave die hij zelf illustreerde. De man was een multitalent: een schepper die kon scheiden. Hieronder staan de delen uit de collectie Cornelissen die nog wel beschikbaar zijn.

januari 20th, 2022 by Jaap de Jong

Heerlijkheid die niet schept, maar roept

Ik kwam zojuist een prachtig citaat tegen. Een citaat uit de dagboeken van Franz Kafka (1883-1924) dat als motto werd gebruikt in de roman van Michael Kumpfmüller (1961): Die Herlichkeit des Lebens.

“Es ist sehr gut denkbar, daB die Herrlichkeit des Lebens um jeden und immer in ihrer ganzen Fülle bereit liegt, aber verhängt, in der Tiefe, unsichtbar, sehr weit. Aber sie liegt dort, nicht feindselig, nicht wider-willig, nicht taub. Ruft man sie mit dem richtigen Wort, beim richtigen Namen, dann kommt sie. Das ist das Wesen der Zauberei, die nicht schafft, sondern ruft.”

In mijn vertaling:

Het is zeer goed denkbaar, dat de heerlijkheid van het leven in haar ganse volheid steeds voor een ieder klaar ligt. In de diepte, onzichtbaar, zeer groots, maar verborgen. Maar ze is er, niet vijandig, niet weerstrevend, niet doof. Als men haar roept met het juiste woord, noemt bij de juiste naam. Dan komt ze. Ze is als het wezen van de toverij: ze schept niet, ze roept.

Michiel Krielaars recenseerde in 2013 de roman van Michael Kumpfmüller voor de NRC (bij het boek gevoegd). Die recensie heeft trouwens een prachtige titel: “Zodra ik het durf, vraag ik het je”. Feitelijk is dat een heel passende gedachte. Zeker ook als je nadenkt over de heerlijkheid van het leven of wat dat zou kunnen zijn.

De roman Die Herlichkeit des Lebens gaat over de liefde tussen Kafka en Dora Diamant (1898-1952). Dora ontmoet Kafka in juli 1923 en maakte hem alleen in zijn laatste levensjaar mee. Kafka had meerdere problematische relaties achter de rug, maar met Dora ontwikkelt zich iets dat lijkt op levenslust. Twee maanden na hun eerste ontmoeting betrekken ze een woning in Grunewaldstraat 13 (Berlijn). Op 3 juni 1924 overlijdt Kafka aan tuberculose en ondervoeding. Dora Diamant, die hem tot de laatste dag verzorgt, behoudt zijn notitieblokken en brieven, maar die worden bij een huiszoeking door de nazi’s in beslag genomen en zijn tot op heden zoek.

Ik heb tot nog toe te weinig van Kafka gelezen. Dat is mij wel duidelijk. Wat een citaat! Heb ik nog tijd?

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong. We hebben ook Rilke. Ik roep maar 😉

januari 19th, 2022 by Jaap de Jong

Een memo van een vulgaire boekhandelaar

“Je hebt twee soorten van mensen”, vertelde mij een antiquaar eens: “boekenliefhebbers en vulgaire boekhandelaren. Ik behoor tot de laatste groep, jij tot de eerste.”

Toen was dat nog wel zo, inmiddels heb ik mij tot de vulgaire mensensoort bekeerd. Toch waren er vandaag twee verrassingen die mij misschien tot een grensgeval maken.

Voor het eerst las ik in Dromen. Late gedichten van Wessel ten Boom. Ik signaleerde een intertekstuele referentie naar een gedicht dat mij lief is. Bovendien wierp ik toevallig ook nog een blik in zijn bundel Preken na Pasen. De laatste bundel opent met datzelfde gedicht dat eigenlijk een paasgedicht is: Over de Jabbok.

Het is een gedicht van Gerrit Achterberg. Ik schreef er eerder over, maar kende toen deze verwijzing nog niet. Het is een gedicht over een aangeslagen mens die opstaat en op blijft staan. Het gaat, denk ik, over humaniteit.

Het is duidelijk dat Wessel ten Boom een liefhebber van Achterberg was. Niet ieders liefde gaat immers zover dat de vier banden van de driedelige historisch-kritische teksteditie van de grootste dichter van de 20e eeuw in de kast staat. Ook bij mij niet, maar ik ben dan ook een vulgaire boekhandelaar.

Het gedicht Over de Jabbok komt, zoals opgemerkt, ook terug in de dichtbundel van Wessel ten Boom: Dromen. Late gedichten. Althans, het gaat om een zinsnede, een intertekstuele referentie, zoals geleerden dat noemen.

Taal is leven, stelt Wessel in zijn woord vooraf. En in het leven is er liefde. Het zijn eigenlijk allemaal gemankeerde liefdesgedichten: “Dat mijn leven vervuld van liefde was, niet alleen in haar schoonheid maar ook haar ellende, wordt uit deze gedichten wel duidelijk.” En er is verzoening, in elk geval in zijn Dromen. Ik citeer:

Ik droomde, dat wij ons met elkaar verzoenden

Ze zei opeens met Achterberg: maar dat is nu voorbij, / nog voordat ik iets zei

Ik hoefde niets met woorden te benoemen / de dingen kwamen zomaar vrij

Zon herscheen. Wij liepen hand in hand / als vroeger, heel even maar, eenvoudig / en heel stil tussen de bloemen

januari 16th, 2022 by Jaap de Jong

Over een ‘zielsverwant van Spinoza”: Abraham Ricardo. Een detail uit de Spinoza receptie

De grondige studie van Henri Krop over de receptiegeschiedenis van Spinoza gaat niet in op het Spinozabeeld van dr. F. de Graaff (1918-1993). Anders dan Krop ben ik misschien meer in de kruimels geïnteresseerd. En wie zou die oppikken als ik het niet doe?

De theoloog Frank de Graaff promoveerde in 1951 op Martin Heidegger en publiceerde daarna meerdere boeken met een tamelijk speculatieve cultuurfilosofische inhoud over o.a. Nietzsche en Spinoza. Het schijnt dat zijn preken nogal wat stof deden opwaaien in het naburige Hattem waar hij predikant was.

Frank de Graaff – ik geef toe: het is wel een beetje stout van mij om dit te beweren – was het wat meer ingehouden en geleerde alternatief voor Hal Lindsey (1929-) die in de jaren zeventig talrijke boeken schreef waarin hij haarfijn het bijbelboek der Openbaringen uitlegde aan iedereen die het wilde weten. Ik beken het maar direct: ik was onder hen. Hal Lindsey leeft nog steeds en wandelt op de witte stranden van California en zwemt misschien ook nog wel in de zee die immers nog steeds niet van glas is.

Genoeg over Lindsey. Zojuist stootte ik dus op een exemplaar van de Spinoza-studie van De Graaff: Spinoza en de crisis van de westerse cultuur (1977). De Graaff staat voor een mystieke lezing van Spinoza en gaat ook wat uitgebreider in op het pantheïsme van Spinoza, waarbij hij zelfs op verwantschap tussen Calvijn en Spinoza wijst. Hij vindt het maar flauwekul en anachronistisch dat Spinoza een pantheïst zou zijn. De Graaff stelt dat in de zestiende en zeventiende eeuw onder natuur iets heel anders werd verstaan. Calvijn zegt: “Pro sensu naturam posse dici Deum” ofwel “in vrome zin kan de natuur God genoemd worden.” En niemand, zo schrijft De Graaff, zal Calvijn van pantheïsme durven beschuldigen. De zeventiende eeuwse dichter-predikant Carolus Tuinman sprak die verwantschap overigens wel tegen en dat deed hij zonder meel in de mond: “Spouw op dit graf / Hier ligt Spinosa. Was zijn leer / Daar ook bedolven! Wrocht die stank geen zielpest meer.”

Mij trof vooral een detail, één regeltje uit het boek van De Graaff. Hij draagt zijn studie op aan zijn schoonvader Abraham Ricardo (1882-1945), journalist bij de Haagsche Courant, die hij een “geest- en zielsverwant van Spinoza” noemt. Die vermelding intrigeerde mij. Er zit vast een verhaal achter die vermelding, zo vermoedde ik. En dat is ook zo.

In de eerste oorlogsjaren – nog voor het definitieve verbod van de nazi’s – trouwt Frank de Graaf met Lilith Ricardo (1923-2005) waarmee hij haar het leven redt. Na de oorlog (in 1947) wordt hun huwelijk kerkelijk bevestigd. Lilith was de dochter van Abraham Ricardo en Jeanette Margaretha de Jongh (1891-1945). Hun kinderen overleven de oorlog, maar de ouders van Lilith, Vera en Hedda worden in Bergen Belsen vermoord. Vader Abraham, die bevriend was met Nescio, gaf zijn kinderen namen die hij ontleende aan de contemporaine literatuur.

Over Abraham Ricardo vond ik bijna niets, behalve dat hij met zijn vriend Grönloh en een aantal andere schoolkameraden in 1899 de debatingclub GOHV opricht en als secretaris de uitnodigingen naar potentiële sprekers verstuurt. De afkorting GOHV staat voor Gedachtenwisseling Ontwikkelt Het Verstand. In april 1900 wordt ene Hassoldt uitgenodigd die een lezing houdt over de band tussen godsdienst en staat, overigens ook een belangrijk thema van Spinoza (naast de Ethica). Lineke Frerichs beschrijft Ricardo in haar biografie (p. 35, 56) als een goede vriend van Nescio. Ze noemen elkaar ‘Grön’ en ‘Riek’. Ricardo houdt zijn vriend in brieven voortdurend op de hoogte van het wel en wee van de vereniging.

Of de mystieke eenheidsfilosofie van Spinoza bij Nescio en zijn vriend Abraham Ricardo landde of aansloeg? Buiten de aantekening van Frank de Graaff weet ik dat niet (wat betreft Ricardo), maar de “natuurmystiek” van Nescio wijst in elk geval op een overeenkomst in denken. In het natuurdagboek van Nescio staan prachtige euforische natuurbeschrijvingen, waarin er iets daagt van een eenheidsbeleving. Eén ding over die eenheidsbeleving is, denk ik, wel zeker: het is “bijna voor geen mens weggelegd dit bij voortduring te beseffen”.

Ofwel, het gaat om “uurtjes van korte duurtjes”. Dit alles geheel terzijde van de boeken die ik wil verkopen.


Update: 25 januari 2022: in de biografie van Graa Boomsma over Bert Schierbeek – Niemand is waterdicht – staat hoe Frank de Graaff – een vriend van Bert Schierbeek – de drie opgepakte zussen van Lilith (Hedda, Ilona en Vera) redt. Frank de Graaff gaat naar Aus der Fünten met de schedelmetingen van de drie meisjes en stelt dat de metingen niet kloppen met die van Aus der Fünten. Zo overtuigt De Graaff hem dat de meisjes niet Joods zijn, althans vlg. het vulgair-racistische instrumentarium van de nazi’s. Boomsma schrijft dat Lilith in november 1943 – na het oppakken van haar drie zussen – een week bij Schierbeek onderdook (Boomsma, 2021, p. 105).

januari 13th, 2022 by Jaap de Jong

Een schouderophalen der eeuwigheid: over Koestler, Benjamin en Lore Krüger

In de nacht van 26 op 27 september 1940, terwijl de Duitse tanks zich door het Franse landschap ploegden, pleegde Walter Benjamin (1892-1940) in het plaatsje Portbou zelfmoord door de inname van een dosis morfine. Hij was nog niet eens vijftig, in de middag van zijn leven, toen het nacht voor hem werd. De morfinepillen had hij eerder gekregen van Arthur Koestler (1905-1983), die eind jaren dertig bezig was met zijn grootse roman Darkness at noon, en net als Benjamin in Frankrijk verbleef. Zijn vriendin Daphne Hardy (1917-2003), beeldhouwster, vertaalde de roman in het Engels.

Walter Benjamin, Arthur Koester, Daphne Hardy en de portretfotografe en de latere vertaalster Lore Krüger (1914-2009) woonden in de Rue Dombasle 10, de straat waar de appartementen zo’n zeven verdiepingen tellen. Arthur Koestler en zijn vriendin Daphne woonden naast Benjamin. Over Walter Benjamin wist Lore Krüger nog wel een en ander toen zij in 2007 door Christian Burkard werd geïnterviewd (NIW, 12 januari 2007, p. 15). Wonen met Benjamin was een “wonen met de woudgeest”. Ze vertelt dat Benjamin nogal een Eigenheimer was. Ik citeer: “Ik wist toen nog niet dat hij een beroemde schrijver en filosoof was. Ik was nog jong, ik wist niet zo veel. Benjamin had de gewoonte om ’s nachts te werken en daarna te baden. Het huis was zo gebouwd dat de afvoerpijp van zijn badkamer door mijn slaapkamer liep. We wisten altijd wanneer hij baadde. En ’s morgens sliep hij lang uit. Wanneer je aanbelde, deed hij de deur open met een roestrode badmantel, met verward haar en verwarde blik, nogal afwezig dus. Hij wist zo te zien geen raad met ons. We noemden hem ‘de woudgeest.’”

Lore Krüger en haar zus ontvingen juist in die tijd een briefje van hun ouders. Het briefje, geschreven op een kladblok (zie foto), is gedateerd op 11 juli 1940 en bevat onder meer de volgende tekst (mijn vertaling, JdJ): “Als je deze regels ontvangt, zijn wij niet meer onder de levenden. Wij willen niet in handen vallen van harteloze politiemensen of ze nu Spaans of Duits zijn. Daarom nemen we nu voor altijd afscheid van jullie. Jullie waren het geluk van ons leven, onze trots en onze vreugde. Ik raad jullie aan, met nadruk: wees dapper als deze regels je bereiken. Jullie zijn jong! Probeer zo snel als mogelijk Europa te verlaten.”

Lore en haar zus vluchten en zo doen ook de Koestlers, maar Benjamins vlucht eindigt in het plaatsje Portbou. Wellicht, zo zegt een bron, was de politie onder de indruk van zijn zelfmoord en laat ze daarom de rest van de groep toch de grens passeren. Voor Walter Benjamin eindigt het. Een monument herinnert aan zijn doodlopende weg in de zee (zie links). Rechts van het monument Passages van Dani Karavan staan de bomen, kromgetrokken door de storm die uit het paradijs waait.

De dood van Benjamin in het badplaatsje Portbou doet mij denken aan de laatste zinnen in Koestlers geweldige roman Nacht in de middag. Ik citeer: “Een vormloze gestalte boog zich over hem heen, hij rook het nieuwe leer van de revolverkoppel: maar welke insignes droeg de gestalte op de mouwen en schouderbedekkingen van zijn uniform – en in wiens naam hief hij de donkere loop van het pistool omhoog?

Een tweede, verbrijzelende slag trof zijn oor. Daarna was alles rustig. Daar was de zee weer met haar geluiden. Een golf tilde hem langzaam omhoog. Ze kwam van ver en bewoog zich rustig voort, een schouderophalen van de eeuwigheid.”

Die laatste zinnen maken deel uit van de kroonjuwelen uit de wereldliteratuur. Ze zijn oud en toch altijd weer nieuw: “In wiens naam?” en “een schouderophalen der eeuwigheid”.

Overigens was ook Igor Cornelissen een verzamelaar van het werk van Koestler. Daarover later ongetwijfeld meer, Deo Volente. De boeken van en over Walter Benjamin (zie hieronder) komen uit de collectie van Wessel ten Boom.

januari 11th, 2022 by Jaap de Jong

“De bevroren zee in ons aan mootjes hakken” Over Brod, Kafka en het boek

Afgelopen week verkocht ik de biografie van Ernst Pawel over het leven van Franz Kafka. Het exemplaar (Pawel, 1986, 1e dr.) kwam uit de bibliotheek van Igor Cornelissen en was hem op 11 september 1986 geschonken door de uitgever Rob van Gennep (1937-1994) met wie Igor goed bevriend was. Gelukkig heb ik nog wel het Duitse origineel en gelukkig verkocht ik het aan een kenner die alles weet over Kafka en de reiziger in scheerapparaten 😉 Twee keer gelukkig! Dat is ook nodig als compensatie, want van het lezen van boeken dien je ongelukkig te worden. Lees maar!

Ik kreeg direct spijt van de verkoop toen ik eens goed lette op de aantekeningen van Igor. Op een apart vel noteerde hij zijn leesobservaties. Hij vond het prachtig hoe Kafka en Brod over hun tijdgenoten spraken en schreven. Zo had Kafka indertijd geen goed woord over voor Gustav Meyrink (1868-1932) en dat leidt tegenover Max Brod tot een betoog over de vraag waarom “we” lezen. Niet omdat het ons gelukkig maakt. Neen, dat niet, boeken die ons gelukkig maken kunnen we desnoods zelf wel schrijven. 

Neen, schrijft Kafka in een brief aan Oskar Pollak (27 januari 1904): “we hebben boeken nodig die ons treffen als een ongeluk dat ons veel pijn bezorgt, als de dood van iemand van wie we meer hielden dan van ons zelf, als wanneer we de bossen in zouden worden gejaagd, van alle mensen vandaan, als een zelfmoord, een boek moet de bijl zijn voor de bevroren zee in ons. Dat vind ik” De woorden van Kafka doen me denken aan mijn oma die mij ooit vertelde dat het goed is als mensen “in hun ongeluk lopen.” Daar kan iets goeds van komen, zo bezwoor ze.

Fantastisch, een boek moet zijn als een bijl voor de bevroren zee in ons. Het moet het hart in stukken snijden, ons leven op het spel zetten, inzichten opnieuw bevragen. Waar hield Kafka van? Welke boeken las hij? Het zijn Goethe, Thomas Mann, Hamsun, Hesse en Flaubert. 

We hebben ze allemaal in huis en dat geldt ook voor een zeldzame editie van Gustav Meyrink wiens Golem indertijd een bestseller was, maar dan zonder de litho’s van Hugo Steiner-Prag. Genoeg bijltjes om mee te zwaaien en – als God het wil en de duivel het niet tegenwerkt – de bevroren zee in ons aan mootjes te hakken. “Mijn idee over boeken”, zo schreef Igor Cornelissen in de marge. Zo is het! 

Bronnen over Max Brod – Franz Kafka – Oskar Pollak ontleend aan Pawel (1986, p. 182-184 [Ned. vert.])

januari 10th, 2022 by Jaap de Jong

“Gelijk een zomer om de dorpen bloeit” Over Achterberg, Doornenbal en Cornelissen

Voor Igor Cornelissen waren er lange tijd twee redenen om naar Oene te gaan: de slager Ter Weele wiens vlees lekkerder is dan dat van het wildbraad dat Rebekka voor Izak bereidde ėn het terras van het plaatselijke dorpscafé met zicht op de kerk. Als je daar zit – in alle rust – is het alsof er een “zomer om de dorpen bloeit, ook al regent het.” Later, tijdens zijn laatste jaren, kwam er een derde reden bij: het kerkje met de preekstoel waarop de predikant J.T. Doornenbal jarenlang dichters citeerde, waaronder uiteraard gedichten van zijn vriend Gerrit Achterberg. Igor deed mij eens enthousiast verslag van zijn bezoek bij de koster die hem alles vertelde over J.T. Doornenbal.

Overigens had de dichter Achterberg voor Igor afgedaan. Na het lezen van een artikel van Godert van Colmjon in Trouw kon Achterberg geen goed meer doen. Achterberg zou de doodslag op de hospita zelf nooit ter sprake brengen. Toen ik eens een gedicht van Achterberg citeerde dat met Gíj begint – er zijn er velen – repliceerde Igor: “Gíj, Gíj, Gíj, de man van de moord die het bestond om zijn daad te relativeren door te zeggen ik heb er toch een gedicht over geschreven. God betere het.”

Ik las het artikel van Colmjon indertijd ook, maar zou nooit de Verzamelde gedichten van Achterberg “door het toilet spoelen”, zoals een verontwaardigde lezer van Colmjon wenste. Ik dacht er het mijne van. Zoiets als: die lezer zal überhaupt wel nooit een gedicht lezen, maar dit geheel terzijde.

Over Achterberg werden wij het niet eens, maar Doornenbal kon niet stuk bij Igor. Ik leende hem de biografie die Doornenbal schreef over de met oorringen getooide schaapherder-lekenprediker Wulfert Floor en wees op de biografieën van Bart Jan Spruyt en Jeannette Donkersteeg. Igor kende ze en had ze ook in huis. Hij vond de achternaam van de biografe erg mooi, zei hij, en ook dat heimwee. Ik moest op dat moment aan Bunyan’s werkje denken en vooral aan zijn gebruik van illustratieve namen voor de staat van de ziel. Dat heb ik maar voor mijzelf gehouden.

Met Doornenbal maakte ik voor het eerst kennis in de jaren tachtig toen er een dagboek van hem op een tafel in Dordrecht lag. Maar ik had toen meer oog voor de zus van een toenmalige vriend dan voor het schrift. Toch las ik het boek later wel degelijk en geheel: vlees en geest zoeken immers altijd weer naar de ultieme balans. Later leerde ik deze onverbeterlijke romanticus beter kennen en vatte ook sympathie op: hoe mooi is het als liefhebbers van het woord dichters en filosofen citeren en er daarna nog iets over zeggen. Ik hoop dat het nog veel gebeurt: succes is verzekerd, studenten en leerlingen hangen aan je lippen. Ik weet dat toevallig.

De boeken van Igor over Achterberg en Doornenbal, inclusief die van Wulfert Floor, liggen nog ergens in een doos. Deze biografie – met de prachtige foto van Doornenbal in een gesprek met een passerende pastoor – komt uit de nalatenschap van Wessel ten Boom die ook een liefhebber was; hij bezat onder meer de kritische uitgave van het Achterberg, dat ook nog ergens in een doos wacht om beschreven te worden. 

januari 3rd, 2022 by Jaap de Jong

Osip Mandelstam en de man met dikke vingers: “als wormen zo vet”

Toen Osip Mandelstam (1891-1938) in het vroege voorjaar van 1934 zijn gedicht De Heerser voorlas in een kleine kring van zo’n tien vrienden en familieleden wist hij niet dat één van hen een verrader was. En ook niet dat dit gedicht tevens zijn toegangskaartje tot het dodenrijk was. De poëzie van Mandelstam is, evenals die van Anna Achmatova, – een van de aanwezigen tijdens de voorlezing – aards, concreet en helder. En dat geldt ook voor dit gedicht.

Het gedicht De Heerser ontstond in de winter van 1933 en is er een met een adres: het Kremlin. De plek waar de man met de kakkerlakkensnorren, onder wier woorden alles wordt geplet, zit en smaalt. Het gaat om Jozef Stalin, geboren in Gori (Georgië), maar feitelijk kwam hij uit Ossetië: “En breed is de borst der Osseten”, zo luidt de laatste regel van het gedicht van Osip Mandelstam. De Georgiërs worden liever niet met Stalin geassocieerd.

Wij leven en hebben geen voet aan de grond / wij spreken alleen met een blad voor de mond / en waar wij vertrouwelijk raken, / komt de man in het Kremlin ter sprake. / Zijn vingers zijn dik en als wormen zo vet, / en onder zijn woorden wordt alles geplet, / zijn kakkerlakkensnorren smalen, / zijn laarzenschachten stralen.

Om hem heen het gespuis dat beweegt op zijn wens, / Dunhalzige leiders, half monster, half mens. / Zij hinniken, blaffen, miauwen, / en hij alleen trekt aan de touwen / als hoefijzers smeedt hij bevel op bevel: jij moet zus, je moet zo, jij moet niet, jij moet wel! / Hangop is zijn lievelingseten, / en breed is de borst der Osseten.

Dat de woorden van Stalin alles plette wist ook zijn zoon Jakov. Toen hij vanwege de hardheid van Jozef een mislukte zelfmoordpoging deed, smaalde zijn vader dat hij niet eens goed kon schieten. Na de slag om Stalingrad weigerde hij de Duitse veldmaarschalk Friedrich Paulus te ruilen voor zijn inmiddels gevangengenomen zoon Jakov met als argument dat de generaal (Paulus) meer waard was dan een luitenant (Jakov).

Volgens historici zou Jakov zijn vader in verlegenheid hebben gebracht door zijn opzettelijke overgave, een daad die volgens Stalin niets minder dan desertie was. Jakov werd op 14 april 1943 geëlektrocuteerd en neergeschoten toen hij probeerde het elektrische hek van het concentratiekamp Sachsenhausen te beklimmen. Stalin kreeg spijt en noemde hem, de dode zoon, alsnog “een echte man.”

Het gedicht van Osip Mandelstam vatte Stalin als persoonlijke belediging op. Hij werd opgepakt, verbannen en opnieuw opgepakt. Hij stierf eind december 1938 in een Goelagkamp. Zijn verhaal De Egyptische postzegel verscheen samen met een aantal autobiografische teksten in de reeks Russische miniaturen. De gedichten van Mandelstam werden vertaald en schitterend uitgegeven door de uitgeverij Atlas onder de titel: Neem mijn verzen in acht. 

Dat laatste geldt zeker voor dit gedicht; de gevolgen waren bitter voor Osip Mandelstam, maar had hij het niet opgeschreven en uitgesproken, dan was zijn levenssap wellicht veranderd in zomerdroogte. Bijna negentig jaar geleden op papier gezet en immer actueel: Om hem heen het gespuis dat beweegt op zijn wens, / Dunhalzige leiders, half monster, half mens. / Zij hinniken, blaffen, miauwen, / en hij alleen trekt aan de touwen

Het persoonlijke is politiek.

Zo is dat.

januari 2nd, 2022 by Jaap de Jong

Jozef en zijn broeders: over Jacob ;-)

Het plan was vandaag iets over Joseph und seine Brüder, de vierdelige roman (1344 pag.) van Thomas Mann, te schrijven, maar de filosoof Ger Groot deed dat in een NRC-recensie (Jozef als verknipte godsdienstfanaticus) eerder en grondiger.

Ik zie dus af, echter niet zonder te benoemen dat Mann weliswaar een heel deel aan aartsvader Jacob wijdde, maar de tocht van Jacob over de Jabbok vergeet. Daarin gaat het over zaken waarover het altijd gaat: een mens in gevecht met zichzelf, met de God of goden uit de jeugd. Om over broeders, zusters, vader of moeder te zwijgen.

In de bundel van Verzamelde gedichten staat het gedicht Over de Jabbok. Gerrit Achterberg comprimeert de essentie van het eerste deel uit de cyclus van Mann tot 844 tekens: “Toen ik het einde had bereikt / van mijn verdorvenheden, / stond God op uit het slijk, / en weende; / en ik stond naast Hem, ziende neder / op een verloren eeuwigheid. / En Hij zei: je had geen gelijk; /maar dat is nu voorbij, van heden / tot aan die andere eeuwigheid / is maar één schrede.”

Zelf lijd ik aan een gebrek aan woorden, maar dit gedicht werkt uitstekend als dagopening met of zonder studenten: ga wat doen, vergeef jezelf. In 22 tekens, ik tip maar.

Vergeet het blog over de roman van Mann, bewaar het gedicht van Achterberg, maar neem de verzen van Osip Mandelstam in acht. Over Mandelstam later meer.

januari 1st, 2022 by Jaap de Jong

Nieuwjaarsoogst: het keerpunt van Klaus Mann. Over Mann, Silesius en Isherwood

Ik ben een dolle liefhebber van registers. Niet alleen om snel iets op te zoeken, meer nog omdat ik mij vooraf verheug op de lezing van de eigenlijke tekst en de uitleg van al vermoede verbanden.

Zo kwam ik in het register van Het Keerpunt, de autobiografie van de getormenteerde (maar heerlijk schrijvende) Klaus Mann (1906-1949), de puntdichter Angelus Silesius tegen. Over Silesius schreef ik eerder. Mann schrijft op twee plaatsen over hem: “Nog nader dan Meister Eckhart en Mechtild von Magdeburg stond mij de Wandersmann, waaruit ik spreuken (ik kende er veel uit mijn hoofd en heb er ook veel tot op de dag van vandaag onthouden) graag bij het wandelen of ’s avonds voor het slapengaan opzei.

Gelovigheid los van het dogma, religiositeit als spiritualiteit, diep persoonlijke beleving, onafhankelijk van, ja tegen de clericale orthodoxie – het waren de eenvoudige rijmen van Angelus Silesius die mij deze geestelijke mogelijkheden voor het eerst leerden kennen en inprentten.”

Afgelopen dagen, tijdens het lichtjesfeest ;-), moest ook ik aan een bekend puntdicht van Silesius denken: Al was Christus duizendmaal in Bethlehem geboren / maar niet in uw hart, zo waart gij nog verloren [uit het hoofd]. Ik ken betere puntdichten van hem, maar dit terzijde.

Elders noemt Klaus Mann Silesius nog eens onder talrijke boeiende geesten als Franz von Baader, Novalis en Jakob Böhme. Op het moment dat Klaus dit schrijft is het oorlog en schaart hij hen onder het ‘andere’ Duitsland, het Duitsland “in zijn zuiverste en mooiste vorm.”

Na 1660 werd Angelus Silesius, ofwel Johann Scheffler overigens een fanaticus die ijverde voor de katholieke orthodoxie. Je ziet dat vaker: twee of drie zielen in één enkele borst die een vuur laten ontbranden die hem of haar alle mogelijke hoeken en gaten laat zien. Zonder rust: mystiek en erotiek, liberaliteit en orthodoxie. Wel is de middenweg volgens oma zaliger de beste weg. Maar niet de meest spannende route. 

In het register van Het Keerpunt tref ik ook Christopher Isherwood aan. Isherwood was een goede vriend van Klaus Mann. Mann maakt zich zorgen over zijn dierbare vriend. Zorgen heeft hij over diens flirt, samen met Aldous Huxley, met de Indische mystiek die, zo schrijft hij, hem in handen zou drijven van het absolute pacifisme.

En zo gaat het maar door. Geef mij een register en ik ben uren van de straat: alleen, maar toch verbonden. Een soort van, zeg maar.

Ook van Isherwood bezat Wessel ten Boom meerdere romans.

december 31st, 2021 by Jaap de Jong

Het spreken van de kerk in de politiek: Barth, Koopmans en Ten Boom

In 2018 promoveerde Niels den Hertog op Jan Koopmans (1905-1945), de theoloog die op 24 maart 1945 stierf door een verdwaalde Duitse kogel die hem op 12 maart trof terwijl hij op zijn onderduikadres op de Stadhouderskade toezag hoe dertig personen door de Duitsers werden neergeschoten bij het Amsterdamse Weteringplantsoen.

Koopmans die in 1938 promoveerde op het oud-kerkelijk dogma, m.n. bij Calvijn, was in de jaren dertig betrokken bij de opvang van gevluchte joden. In het begin van de oorlog liet hij in een brochure een fel protest tegen het antisemitisme horen en poogde hij het kerkelijk verzet tegen de Duitse anti-semitische maatregelen te mobiliseren. Koopmans liet zich inspireren door het Barthiaanse denken over de verhouding kerk en wereld.

In het tijdschrift Wapenveld schreef diezelfde Den Hertog in 2019 een artikel over zijn persoonlijke en theologische Werdegang wat betreft Koopmans. Hij noemt daarin de drie Postilles van Koopmans die voor iedere zondag uit het kerkelijke jaar een preekschets bieden. Hij kwam daar telkens weer op terug, zo schrijft hij en dat geldt ook voor zijn denken over het politieke spreken van de kerk.

In de Laatste postille van Koopmans schrijft zijn geestverwant K.H. Miskotte een inleiding en verantwoording rond zijn keuze uit het werk van Koopmans. Miskotte, Koopmans en J.J. Buskes waren zgn. Barthianen die in de jaren dertig al contacten onderhielden met de Bekennende Kirche in Duitsland. Miskotte en Buskes behoorden tot de zgn. doorbraakdominees die afzagen van christelijke politiek en – partijvorming.

In 1980, vlak voor zijn dood, werd ik, scholier nog, geraakt  door een radiotoespraak van de rode dominee J.J. Buskes. Ik kocht niet lang daarna de pocketuitgave van Hoera voor het leven. Ik wist niet wat mij overkwam. Het was een begin, maar ook een eind: the Beginning of the End & Start of a New Adventure. In de zomer van 1989 danste ik op een zondagavond, tijdens het laatste communistische feestje op een berg ergens bij Parijs, met een mooie veelbelovende schoonheid. Althans, het was iets dat op dansen leek. Ook was er verlangen, maar niet persé naar de wereldrevolutie. Ik hield het klein, maar zelfs dat mislukte.

De drie Postille delen komen uit de collectie van Wessel ten Boom, die – het zal u niet bevreemden – eveneens de invloed onderging van de theologie van Karl Barth. Hij was een grondig kenner van diens theologie; dat blijkt uit zijn bibliotheek (en schrijven). Met Koopmans had Ten Boom een sterke belangstelling en liefde voor de theologie van Calvijn. En dan zwijg ik nog over zijn politieke oriëntatie en keuzes die uiteraard theologische wortels had. In een lang en buitengewoon interessant interview met Henk-Jan Prosman [De dominees – Een ongerijmd leven] gaat hij er zelf nader op in. Daarin komen veel van de hierboven beschreven zaken naar voren: de literatuur (o.a. Vestdijk, Kafka en Rilke), de verhouding christendom-jodendom, Calvijn en de betekenis van het dogma in de kerkelijke praxis.

Zelf zit ik op een bijna afgezaagde tak van een verbastert christendom en weet niet eens wat het woord Postille precies betekent. Ik zocht het voor u (en mijzelf) op in het onvolprezen Historisch Woordenboek: het zijn uitleggingen en kanttekeningen, aanmerkingen in de marge. Dit uiteraard geheel terzijde.

december 28th, 2021 by Jaap de Jong

Aleida G. Schot en haar Russen: “waarom Leida zo lachte …”

Vanmorgen las ik de inleiding op Een held van onze tijd van de vertaalster Aleida G. Schot (1900-1969). De novelle is van Michail Lermontow (1814-1841). Hij werd maar 27 jaar oud. Hij bewonderde de dichter Byron, was verbitterd over het leven en gedroeg zich cynisch en hooghartig, misschien wel omdat hij innerlijk onbevredigd was. Egocentrisch en zich tegelijkertijd van zijn eenzaamheid pijnlijk bewust, schrijft Aleida G. Schot die door haar vrienden Leida werd genoemd en een verdienstelijk vertaalster was van Russische literatuur.

Eigenlijk is het niet zozeer Michail Lermontow, maar Aleida G. Schot die mij nu interesseert. De uitgever Geert van Oorschot – die van de Russische bibliotheek – liet iedereen los op de Russen, behalve Aleida Schot en dat nam zij hem zeer kwalijk. Aleida Schot was al geruime tijd voor de oorlog bezig met de vertaling van de Russen en zou onder meer Dostojewski vertalen. Maar Poesjkin – de man van de sereniteit en harmonie – behoorde volgens haar tot de allergrootsten. Overigens vertaalde zij alleen Russen van voor de revolutie.

Of Aleida Schot zelf ook sereen was, betwijfel ik, althans in de oorlog had zij die staat nog niet bereikt. De door mij, tijdens mijn twenties, zeer bewonderde Etty Hillesum kende haar en had ook haar vertaling van Lermontow in huis. Etty H. noemt Aleida verzuurd en verafschuwt haar haat naar de Duitsers. Eind september ’41 – in de avond, terwijl Etty juist wilde ‘werken aan mijzelf’, kwam Aleida er tussen: “Haar stem snerpt me nog in m’n oren als ik er aan denk. Allemachtig, wat een mens. Ze vertaalt Dostojewski en er staat een Madonna op haar kamer, die ze indirect verlicht wanneer er visite komt. Maar alle 80 millioen Duitsers moeten worden uitgeroeid. Er mag er geen één blijven leven. (…). Als ik achteraf aan dat gesprek denk, heb ik het gevoel met een abnormaal mens te doen te hebben gehad. Maar het was interessant ook. O, ik groei, zei ze, als ik ’s avonds aan m’n raam sta en de vliegmachines hoor gaan en het zag er uit of haar boezem geweldig zwol en haar neusvleugels uitzetten, hoewel ze helemaal geen boezem heeft en een heel smalle, onbenullige neus.”

Aleida G. Schot kende vrijwel alle slavisten en was nogal bevriend met Bruno Becker, die alles wist over Duitse mystiek, Coornhert en nog wat dingen. Etty Hillesum, Karel van het Reve en alle andere bekende slavisten van na de oorlog, volgde colleges bij hem. Karel van het Reve kon zich Etty – wier dagboeken hij bakvisachtig noemde – na de oorlog niet meer herinneren, maar Becker en Aleida Schot des te beter. Als we afgaan op de limerick van Karel van het Reve – die bij Becker promoveerde, ging de vriendschap tussen Aleida en Becker verder dan de gedeelde liefde voor de letteren. Van het Reve schreef in 1953 een limerick met een toespeling op intimiteiten tussen Becker en Aleida G. Schot: ‘Ik weet waarom Leida zo lachte / Toen Bruin haar die avond opwachtte: / Hij toonde haar gul / Een reusachtige lul, / Die niemand meer van hem verwachtte.’ Haar lachen maakt dan weer duidelijk dat Leida minder verzuurd was dan Etty meende. Na het overlijden van zijn vrouw, in 1962, trok Aleida bij Bruno Becker in. Een jaar na zijn dood stierf ook Aleida G. Schot aan de gevolgen van een verwaarloosde griep.

Voor haar overlijden zorgde ze voor een legaat waaruit de bekende vertaalprijs voor de Russische letteren wordt bekostigd. De Aleida Schot-prijs wordt regelmatig uitgekeerd. Gelukkig maar, beter een Rus in de boekenkast dan het Russische leger in de voortuin, hoewel het gas natuurlijk weer welkom is. Mits betaalbaar. Dit laatste geheel terzijde.

december 25th, 2021 by Jaap de Jong

De kerst van George Langer en de zwakke blaas van Tycho Brahe

Tycho Brahe (1546-1601) was een gevloekte, een tragische figuur, die door Max Brod in Tycho Brahe’s Weg zu Gott (1915) wordt neergezet als een getormenteerd godzoeker. Hij studeerde filosofie en astronomie en kwam door zijn empirische waarnemingen in conflict met zowel het nieuwe Copernicaanse wereldbeeld als het model van Ptolemaeus. Tijdens zijn studie in Rostock kreeg hij ruzie met een medestudent over de kwestie wie het beste in wiskunde was. Het daaropvolgende duel leverde hem een zwaar litteken op aan de neus dat hij verborg onder een prothese.

Hij moet een ongelukkig mens moet zijn geweest. Tycho Brahe behoort, zo schrijft Siegfried van Praag ergens, tot die profeten, die met een profetenroeping worden geboren, maar zonder profetenkracht. Het is lastig om met een opdracht te worden geboren zonder dat je de weg wordt gewezen. 

Ik moest aan Tycho Brahe denken toen ik vanmorgen in de dagboeken van Kafka las over Tycho Brahe’s Weg zu Gott, de roman  van Max Brod die door hun gezamenlijke vriend George Mordechai Langer (1874-1943) tijdens de kerstdagen van 1915 nog steeds niet was gelezen. Langer vertelde Kafka die dag dat hij er pas dertien dagen later tijd voor zou nemen, en wel tijdens het Russische kerstfeest dat immers ietwat later wordt gevierd. Langer was een religieus socialist (en zionist), afkomstig uit de chassidische traditie. Altijd zat hij met de neus in de religieuze boeken, vooral in de Talmoed en de Kabbalah. Alleen tijdens het kerstfeest kon hij zich veroorloven om zich met de schone letteren en het wereldse weten bezig te houden. En eigenlijk mocht dat – volgens een middeleeuwse traditie – pas na het zeventigste jaar of, in een ietwat gematigde versie vanaf het veertigste jaar.

Er is echter wel een plek, een uitzonderlijke plek, waarop men zich de wereldse lectuur kan veroorloven. Dat is op het toilet. Op het toilet mag men niet aan de Thora denken; daar kan men dus wereldse boeken lezen. De Pragenaar K., een vroom man, wist volgens Kafka erg veel. Hij had, zo voegt hij er aan toe, het allemaal op het toilet gelezen.

Terug naar Tycho Brahe die zichzelf tijdens een banket op 13 oktober 1601 niet toestond om op te staan en zijn blaas op het toilet te ledigen. Dat zou onbeleefd zijn, waarop zijn blaas scheurde en er een eind kwam aan zijn leven. In 2010 werd zijn graf gelicht en ontdekte men dat zijn neusprothese van messing was gemaakt in plaats van zilver of zelfs goud, zoals Wikipedia meldt (met bronvermelding).

Aan hem moest ik denken toen ik vanmorgen de notitie van 25 december 1915 uit het dagboek van Kafka las.

“Mit Langer: Er kann Maxens Buch erst in dreizehn Tagen lesen. Weihnachten hätte er es lesen können, da man nach einem alten Brauch Weihnachten nicht Thora lesen darf, diesmal aber fiel Weihnachten auf Samstag. In dreizehn Tagen aber ist russische Weihnacht, da wird er lesen.” [Kafka, Tagebücher, 25. December 1915]

Ik wens u een zalig kerstfeest en ledig uw blaas op tijd. En wat ons betreft kunt u ook buiten het toilet lezen. Voor al uw boeken, lokaal of via het digitale heelal: Cornelissen & De Jong

december 21st, 2021 by Jaap de Jong

De Doezende Dar en De Bezige Bij – Over de WA-man van Theun de Vries

In het decembernummer van De Parelduiker las ik het opstel van Enno van der Eerden over de figuur van de collaborateur in de vroege naoorlogse literatuur. Het toeval wil dat ik op dat moment de novelle WA-Man van Theun de Vries, in 1944 uitgegeven bij de clandestiene uitgeverij De Doezende Dar, onder handbereik had.

Lisette Lewin schrijft in haar studie Het clandestiene boek dat zij deze novelle als het beste verhaal ziet dat in de oorlog werd geschreven. De novelle lijkt, zo schrijft ze, “op Sartre’s l’Enfance d’un chef, Vestdijk vond de kwaliteit vergelijkbaar.” Lewin prijst de nuance en het realiteitsgehalte van het verhaal: “WA-man beschrijft geloofwaardig hoe een contactgestoorde kruidenierszoon uit de Jordaan in de NSB terecht komt en tenslotte in de WA tot hij in de mei-dagen, gehoorzaam maar walgend van zichzelf meegesleept wordt in de WA-terreur.”

[Ik vertelde Igor eens dat ik Het clandestiene boek van Lisette Lewin een erg goed geschreven studie vond. Het boek heeft een hoog informatief gehalte en leest ook nog eens soepel weg. Ik meen dat er een exemplaar bij ons te koop is. Igor zou het zijn “vroegere aanstaande” doorgeven, maar of dat is gebeurd? God weet het, ik niet, maar ook dit geheel terzijde]

De novelle WA-man werd in 1944 clandestien – “in het verborgene gedrukt”, meldt de colofon. Als pseudoniem werd de naam M. Swaertreger [zetfout voor Swaertveger] gebruikt. Swaertveger staat voor wapensmid, schrijft Enno van der Eerden in het blijmakende notenapparaat van De Parelduiker. Hij had dat, net als ik, ook van een ander. Ik vond het aardig om te weten dat M. Swaertveger het door Theun de Vries gebruikte pseudoniem was en dat de mij nog onbekende uitgeverij De Doezende Dar tot op dag van vandaag bekend staat als De Bezige Bij. 

Hoewel Igor ook een aantal romans van De Vries bezat, komt deze novelle uit de boekerij van Wessel ten Boom. Hij bezat een rijke collectie van en over De Vries. Op de schrijver Theun de Vries kom ik zeker terug, was het alleen maar vanwege zijn interesse in (en werk over) Spinoza, Rembrandt,  Torrentius, nog even los van zijn studies in de religiegeschiedenis en de roman De wilde vrouwen van Pella

december 21st, 2021 by Jaap de Jong

De Parelduiker: “voor een ondeelbaar ogenblik, in het punt des tijds”

Zojuist, bij het opruimen van enkele stapels papier, vond ik hem: De Parelduiker van december. Ik was hem vergeten of wellicht verdween het blad in een moment van onnadenkendheid in de stapel des doods. Ik las in de rubriek De laatste pagina over het verscheiden van de dichter Remko Ekkers (1941-2021) en zijn gedicht Dood dat het tegendicht vormt van Vestdijks ‘De uiterste seconde’ en waarvan de laatste regels luiden: “maar dit verwart mij het meest / het oog dat nu leest / zag nooit de hand die nu schrijft.”

Verder schrijft Marsha Keja over Andreas Burnier, die een ingewikkelde relatie met het feminisme had. Die ingewikkeldheid gold ook voor haar verhouding tot het jodendom, waarmee ze overigens wel in het reine komt, althans met de liberale variant. Tijdens een conflict in de Liberaal Joodse Gemeente over het dragen van de gebedsmantel (talles) dat niet werd toegestaan voor vrouwen levert ze kort en krachtig ironisch commentaar: “geen fallus, geen talles”. Aanleiding voor het stuk van Keja is de vondst van een feministisch toneelstuk van Andreas Burnier.

Ronald Bos brengt de Berlijnse reis van Hendrik Marsman voor het voetlicht. Berlijn was in de jaren twintig de plaats waar het gebeurde. Heel aardig is dat het nijvere speurwerk van Bos ook onbekende documenten van en over Marsman opleverde. Interessant ook is het gedicht waarin Marsman zijn herinnering aan het eiland en de Hiddenee boekstaafde. Opnieuw water, dood en bloed. Marsman heeft zijn voortijdige verdrinkingsdood in elk geval esthetisch goed voorbereid, zo grapte een vriend eens. Ik ben dat nooit vergeten.

Anders dan Adriaan Venema ooit deed geeft Enno van der Eerden in Fout maar schipperend en met mate wel een interessante inhoudelijke analyse over de beweegredenen van de collaborateur (via romanpersonages uit de naoorlogse tijd). En zo is er meer, veel meer in het altijd keurig verzorgde literair-historische tijdschrift De Parelduiker dat ik veel abonnees toewens. Mooi dat mijn oog in het ondeelbare ogenblik, in de punt des tijds, toch op De Parelduiker viel.

U kunt zich op de website abonneren en/of bij ons een oud (proef)nummer aanschaffen.

december 15th, 2021 by Jaap de Jong

Lientje Brilleslijper in Berlijn: “Es brennt, Brüder, es brennt”

Zojuist bladerde ik in het Jiddisch-Duitse liedboek ’s brent, briderlech, ’s brent ofwel het brandt, broeders, het brandt. Het boek werd samengesteld door Lin Jaldati (1912-1988) – eigenlijk heette ze Lientje Brilleslijper  – en Eberhard Rebling (1911-2008).

“Het brandt, het brandt, broeders!” Dat klinkt niet goed, zoveel is mij wel duidelijk. Maar wat en hoe? Het titellied ’s brent, briderlech, ’s brent is van de dichter Mordechai Gebirtig (1877-1942) die in de jaren dertig in Polen de eerste pogroms meemaakte en in het getto van Krakau het leven liet. De kogel kwam ditmaal van rechts; het was een nazi-kogel in het getto tijdens Bloedige Zondag op 4 juni 1942.

Lin Jaldati was al vóór de oorlog danseres bij het Nederlands Ballet en daarnaast solo-zangeres. Zij woonde samen met Eberhard Rebling die eerder in Berlijn filosofie en muziekwetenschap studeerde. In 1935 promoveerde hij op de sociologische achtergronden van de stijlverandering in de muziek (in de 18e eeuw). Hij was pianist en trad op met zijn geliefde  Lin, die danste en daarnaast Jiddische liederen zong. Eberhard was na zijn promotie met twee koffers, een typemachine en tien Mark naar Nederland gekomen. In 1941 kreeg het paar de eerste dochter (Kathinka), niet veel later doken ze onder in ’t Hooge Nest. 

Het verhaal van de onderduik, de verzetsactiviteiten van de familie Brilleslijper en het verraad werd beschreven door Roxane van Iperen (’t Hooge Nest). Het werd een bestseller.

Lin en Eberhard beschikten over een enorm repertoire met liederen. Dat blijkt ook uit deze uitgave die honderden liederen bevat (incl. aanhangsel met muzieknoten). In het naoorlogse Nederland nodigde niemand het communistische echtpaar meer uit. In Berlijn was dat anders, dus vestigden Lin en Eberhard zich in Oost-Duitsland waar Eberhard docent werd aan een hogeschool, als ook redacteur van het tijdschrift Musik und Gesellschaft.

Het dansen, zingen en musiceren bleef een constante in hun leven. Zo schrijft Coen Wessel, die in de jaren tachtig twee van hun optredens meemaakte, op de website karlbarth.nl: “Lientje Brilleslijper zong Jiddische liederen. Het vrolijke ‘Als der rebbe Elimejlech’ onthield ik meteen. Haar man Eberhard Rebling zat achter de piano en hun jongste dochter Jalda (1951) stal de show.” Coen kocht na afloop van het concert het boekje Es brennt, Brüder, es brennt. Misschien was hij er wel met Wessel ten Boom, uit wiens nalatenschap deze bundel komt. Dàt zou mij niet verbazen.

De liedbundel bevat mooie teksten met veel melancholie in de traditie van de psalmdichter die er ook wat van kon: aan Babels stromen zaten wij gevangen. Daar weenden wij van weemoed en verlangen.

Dit alles terzijde uiteraard. Klik op de link voor méér boeken uit de collectie Ten Boom.


N.a.v. 's Brent, briderlech, 's brent | Es brennt, Brüder, es brennt. Jiddische Lieder (1985). Herausgegeben von Lin Jaldati und Eberhard Rebling. Nachdichtung von Heinz Kahlau. Berlin: Rütten & Loening.

Met notenschrift van diverse liederen, alsmede een krantenknipsel van Esther Hageman (Trouw, 6 aug. 2008) over Eberhard Rebling en Lin Jaldati (o.a. over naoorlogse tijd). € 45,00 incl. pak- en verzendkosten. Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong
december 10th, 2021 by Jaap de Jong

Wat de zee verzwijgt! Wat dood niet tekent, is er nooit geweest

Ik las vanmorgen in De Waarheid van 28 mei 1988 een recensie van de dichtbundel Wat de zee verzwijgt van H.J. de Roy van Zuydewijn (1927-2019). Recensent is de onlangs overleden Wessel ten Boom (1959-2021). De krant – als eerste in tabloidformaat – wilde zich in die jaren ontwikkelen tot de krant voor links Nederland en men had ook daarom meer aandacht voor cultuur. Voorheen was dat iets marginaals in de partijkrant die zich desondanks De Waarheid noemde.

De bespreking is van hoog niveau. Ten Boom zet De Roy van Zuydewijn in de traditie van Herman Gorter, James Joyce en Heiner Müller die stof uit de klassieke literatuur ontlenen voor het positioneren van een eigen program. De poëzie van De Roy van Zuydewijn  – die in deze bundel het Odysseus-motief hanteert – wordt door hem beschreven als een anti-burgerlijk fenomeen waaraan iedere vrijblijvendheid ontbreekt. Hij zag af van het poseren van het vrije bewustzijn in een onvrije maatschappij met de bijbehorende vrijblijvendheid die eigen is aan de pose.

In de poëzie van De Roy van Zuydewijn gaat het volgens Ten Boom om de inzet van het eigen vlees en bloed in een wereld die kritiek verdient: een militante kritiek op al het voorlopige en bestaande als het aan Ten Boom zou liggen. Kritiek die in het huidige politieke discours overigens ook niet misplaatst is waarin zogenaamd het pragmatisme leidend is, maar waarvan de keuzes maar al te vaak nadelig uitvallen voor de publieke zaak die bestuurders zeggen te dienen. Geef het volk hun brood en spelen, maar laat ons de knikkers en het spel. Consumeer je kapot en verdwijn daarna in die zee van eeuwige vergetelheid.

Het knappe aan de bundel is intussen dat die verleiding als ook die van het zoete “dichterlijke” afzien van kritiek wel wordt benoemd in de vormvaste bundel met 123 kwatrijnen in het rijmschema a-a-b-a: “Laat het weer zijn zoals het vroeger was / in bed, op ons zacht verende matras / wie let er op het kraken van de wielen / zolang de naaf nog meegeeft op de as?” (kwatrijn 91).

En dan is er nog iets dat mìj aanpreekt als lezer die nog voor het definitief doorknippen van de navelstreng door de bevinding werd overmand. De intertekstuele verwijzing (kwatrijn 39) naar het schitterende verhaal van de Jacobsworsteling en naar de roeping van de mens wiens enige roeping is om mens te zijn. Bedenk wel: “mens is alleen de vleesgeworden geest / wiens heup niet van het tweegevecht geneest / waarin hij met zijn Demon heeft geworsteld / wat dood niet tekent, is er nooit geweest.”

Wat dood niet tekent, is er nooit geweest.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, ook uit de collectie Ten Boom, waaronder de dichtbundel van H.J. de Roy van Zuidewijn.