In 't Wasdom

antiquariaat Cornelissen & De Jong – Zwolle
april 8th, 2022 by Jaap de Jong

Over Marc Rozelaar en het bitterzoete leven. Nooit zonder Bach

In 1922, toen hij veertien jaar oud was, ontwierp Marc Rozelaar (1908-1991) zijn eerste exlibris: de Oudemanhuis Poort in Amsterdam. Het is een tekening van een klein besloten holletje waarin hij wilde wegschuilen. Helemaal achterin staat een kaal boompje, een rozelaar. Marc Rozelaar kreeg op het Kennemer Lyceum les van Anton Pieck (1895-1987) die hem inwijdde in het maken van houtsnedes, lino’s, gravures en aquarellen.

Afgelopen week, dus honderd jaar later, vond ik in diezelfde Oudemanhuis Poort – in een boekenstalletje – het proefschrift, waarop Marc Rozelaar op 25 maart 1941 promoveerde: Lukrez, Versuch einer Deutung met de stellingen en het dankwoord. In de eerste stelling zet Rozelaar zich neer als voorstander van het psychologische perspectief op literaire teksten. Dat gezichtspunt zou volgens die stelling de voorrangspositie van het historische perspectief wel mogen overnemen. Hij deed dat zelf ook in zijn dissertatie over Lucretius over wie weinig historische data zijn.

Zijn vriend en medestander in de zionistische beweging, de historicus Jaap Meijer (1912-1993), zou ruim een half jaar later promoveren op Isaac da Costa (1798-1860), de dichter die, zo schrijft Meijer ergens ‘ons verlaten heeft’. In 1942 stopt de mogelijkheid om te promoveren, althans voor Joden. De vriendschap tussen Rozelaar en Meijer werd gevierd in teksten zoals portret dat Meijer (onder het pseudoniem Saul van Messel) naar aanleiding van het overlijden van Rozelaar schrijft:

genieter van het leven/vehement

door muzen als om strijd verwend

die hooglieds eros met geduld van job verbond

homo ludens/die bittere ernst verstond

Bij de dichter Saul van Messel weegt ieder woord. Altijd. Dat blijkt ook uit bovenstaand gedicht. Rozelaar vertaalde het Hooglied en het boek Job dat als Mijn leven is een ademtocht verscheen. De vertaling van Job droeg hij op aan zijn moeder Regina Rozelaar-Maykels die geen zerk kreeg, maar wier as op 11 juni 1943 door de schoorsteen in Sobidor ging en over de vier uithoeken van de aarde werd verstrooid. Zelf wist Marc aan de vernietiging te ontkomen door zich door het raam van de rijdende trein te wurmen en te springen. Marc Rozelaar tekende niet alleen, hij dichtte en bundelde een honderdtal kwatrijnen (ontstaan tussen 1934 en 1940) onder de titel Interludium die hij onder 25 goede vrienden verspreidde. Het lijkt mij zeer waarschijnlijk dat Jaap Meijer tot die groep van 25 goede vrienden behoorde die de bundel ontving. Meijer herkende (zie dualisme II) de existentiële twijfel bij Marc Rozelaar, maar wellicht ook scepsis. Scepsis die in de kwatrijnen tot uiting komt in een vragend zwenken tussen Jeruzalem en Athene.

De kwatrijnen weerspiegelen “een moeilijke levensperiode”, zo schreef Marc Rozelaar op het exemplaar dat hij op 4 april 1981 aan zijn jongste zoon Micha gaf (kopie & schriftelijke mededeling aan mij, van MR, 10 april 2022). Als ik mij niet vergis – en dat doe ik niet 😉 – schemert er in de kwatrijnen een epicurisch-stoicijnse levensvisie door. Dat is niet vreemd. Marc Rozelaar studeert in de jaren dertig intensief op het werk van Lucretius en promoveert uiteindelijk in maart 1941 op werk en duiding van de filosoof. Intussen leidde de verloving met Emily Konijn, aangekondigd in een advertentie in het Algemeen Handelsblad van 8 mei 1933, niet tot een huwelijk.

Marc Rozelaar voegt een interessant motto toe aan de honderd kwatrijnen: Breekt u braakland en zaait niet tussen doornen (Jer. 4:3). Het Nederlands uit de Statenvertaling vind ik simpeler: Ploeg voor uzelf ongeploegd land om! / Zaai niet tussen de dorens. Hij droeg de bundel op aan zijn (tweede) verloofde, Fanny Ichenhäuser, met wie hij in de oorlogsdagen van 1940 wel trouwt en met wie hij drie zonen kreeg.

Naast dit alles bespeelde Marc de cello tot in de concertzalen toe. Ondanks dit alles – of wellicht wel vanwege al die talenten – bleef hem een leven lang de twijfel. Meijer beschreef het in dualisme I en II

tot in de toppen van zijn vingers fel begerig

tot in de vezels van zijn geest abstract wijsgerig

een mens van grillige contrasten

die op de duur natuurlijk bij hem pasten


dualisme II

hij leek mij soms een hellenist

een nieuwe philo tussen twee culturen

als keuze bleef hem akelig beslist:

de twijfel die een leven lang zou duren

De twijfel tussen Jeruzalem en Athene komt sterk naar voren in de selectie van vier (nr. XV, XVIII, LXXI, XXXVIII) van de honderd kwatrijnen uit Interludium die door een onbekende in het Hebreeuws werden vertaald. Micha Razel (1946), de jongste zoon van Marc Rozelaar, die mij een kopie stuurde, schreef dat de precisie van de vertaling er op wijst dat zijn vader de vertaling maakte, “but I am not sure who translated it.”

Ik ben ook niet zeker, maar het zou mij – vanwege diezelfde precisie, de inhoud en de intensieve vriendschap – niet verbazen als niet Marc Rozelaar zelf, maar Jaap Meijer de vertaler van deze selectie is. Meijer vertaalde gedichten van o.m. Jan Hanlo, Jacob Israël de Haan in het Hebreeuws. In zijn opstel over De Haan schrijft Jaap Meijer dat het de ‘verlichte’ Hebraïci erom ging om aan te tonen dat het Hebreeuws in staat was alle gedachten vorm te geven die men als Aufklärer maar wenste uit te dragen, “ook (en soms bij uitstek) gedachten, die indruisten tegen het traditionele jodendom.” (Meijer, 1974). Meijer en Rozelaar waren misschien wel te joods om orthodox joods te kunnen zijn. In elk geval demonstreert Meijer zijn buitengewoon scherpe lezing van Marc Rozelaar in zijn kwatrijn dualisme II, juist op het punt als het gaat om de twijfel tussen Jeruzalem en Athene. In de selectie van de vier kwatrijnen wordt die twijfel opnieuw heel precies onder woorden gebracht. Of die vertaling nu van Meijer of van Rozelaar zelf is. Het doet er eigenlijk niet toe.

Naast vruchtbare twijfel was er levenslust! Misschien is die combinatie wel kenmerkend voor een pessimistisch vitalisme als dat van Marc Rozelaar. In een brief aan de componist-schrijver Matthijs Vermeulen (1888-1967) en zijn vrouw Thea Diepenbrock (1907-1995) neemt Rozelaar een reproductie op van een olijfboom die hij ooit tekende “omdat hij mij zo imponeerde doordat hij, uitgehold, verwrongen en geteisterd – kennelijk – door de wonderlijkste & verschrikkelijkste lotswisselingen, ondanks verwaarlozing en verlatenheid elk jaar zijn blaadjes trouw vernieuwt alsof niets hem deert”. In de brief bedankt hij en passant voor het proefschrift over Seneca dat Alphons Diepenbrock schreef en waarover hij via Thea kon beschikken.

De cello en de muziek is een constante in het leven van Rozelaar. De liefde voor de muziek komt ook in een tweede ex libris tot uiting waarin een prominente plek is toebedeeld aan de cello. In een artikel in De Joodsche Wachter – naar aanleiding van de emigratie van het gezin Rozelaar in 1952 – herinnert Jaap Meijer aan de zomermiddagen op de Prinsengracht, vlakbij de Amstel, waar Marc de cello bespeelde en hij met Meijer filosofische gesprekken (over thema’s uit “Jeruzalem en Athene”) voerde, zoals Meijer in zijn krantenartikel schrijft.

Ruim veertig jaar later doet hij dat opnieuw in het gedicht cellist, “het jammerhout”. In het gedicht van Meijer is zomermiddag een donkere novemberdag geworden. In november regent het vanzelf, al is het Bach. Dan valt het mee:

vlak bij de amstel op de prinsengracht

– zal ik wat spelen/wat had je gedacht –

een donkere novemberdag

regende zachtjes bach

Jammer dat Igor Cornelissen er niet meer is. Met hem had ik honderduit willen praten over het leven van Marc Rozelaar en de vriendschap met Jaap Meijer, die tevens de schakel was tussen Igor en Marc Rozelaar. En natuurlijk over Anton Pieck (en diens broer). Kortom, over het leven zelf, dat wonderbaarlijk is, vol van tegenstellingen: zuur, zoet en bitter, ja bitterzoet.

Maar nooit zonder Bach (en de jazz).


PS. Op het internet (en later bevestigt door de familie) ontdekte ik dat de kinderen van Marc Rozelaar de achternaam Rozelaar veranderden in het Hebreeuwse Razel en dat er onder zijn kleinzonen bekende muzikanten zijn, zoals Yonatan Razel.

Marc Rozelaar erfde zijn muzikale talent van zijn grootouders en gaf het door aan zijn kleinkinderen. In het gedicht De Fakkelloop kondigde hij het aan: “maar ook als ‘k lang tot stof zal zijn vergaan/en van mijn naam de klank zal zijn vergeten/geeft de een de ander nog mijn fakkel aan.”

Jaap Meijer zei iets anders in zijn motto bij het in memoriam marc rozelaar en dat is ook waar: laten we onthouden dat we vergeten worden.

PHP Code Snippets Powered By : XYZScripts.com