in 't Wasdom

Antiquariaat Cornelissen & De Jong – Zwolle
juli 26th, 2020 by Jaap de Jong

Dit is mijn boek. Joodse exlibriscultuur in Nederland

Het leven speelt zich af binnen de dimensies ruimte en tijd; wordt gestuurd door hen die je ontmoet en hen die je ontwijkt. Er is geen ontkomen aan. Godlof dat er boeken zijn, boeken die je nooit meer kwijt wilt, ook al ben je boekhandelaar geworden. Of juist omdat je op weg bent om er één te worden. Boeken die je begeleiden, je weg verbreden, je helpen om je een weg te banen door een oerwoud dat grotendeels wel oerwoud zal blijven. Of boeken die als merkstenen zijn. Merkstenen en gedenktekens. Wie zal het zeggen?

Vorige week zag ik een titel in de boekenkast van mijn kompaan Igor Cornelissen. Ik vertelde er over en mijn geliefde zag begeerte in mijn ogen branden. Nu ligt het voor mij op tafel: Dit is mijn boek. Joodse exlibriscultuur in Nederland (Amsterdam, 2017). Het is een lijvig boekwerk dat 1492 pagina’s telt. Het zal wel toeval zijn dat dit aantal samenvalt met het jaar van de verdrijving van de Sefardim, die zich na dit Edict van Isabelle en Ferdinand over Europa verspreidden. Met in het kielzog het Boek en de boeken: woord, wet en gebod.

In het begin van de twintigste eeuw ontstaat er een apart genre: het (joodse) exlibris, waarin zo’n beetje alles tot uiting komt wat voor de ontwerper, bedenker en/of uitvoerder tot de essentie behoort. Jan Aarts en Chris Kooyman geven een interessante historisch-sociologische inleiding bij het handboek voor de boekcultuur. Ook hier aandacht voor de sporen die vluchtelingen nalieten. Zo wijzen zij op eerdere publicaties die het internationale aspect van de exlibriscultuur accentueren. Zo was er in 2011 een publicatie over de Exlibris in Exil: Duits-joodse vluchtelingen in Nederland 1933-1940. Uit de bespreking van die Duitse exlibriscultuur wordt bijvoorbeeld de “spanning” helder tussen assimilatie, emancipatie en persistentie. Een spanning die zich ook wel openbaart in de gebruikte afbeeldingen. Naast de lemmata over bijna 1400 titularissen en 600 kunstenaars zijn er essays opgenomen waaruit methodologische en sociologische aspecten helder worden. Erg jammer dat de namen van de beschreven titularissen (boekeigenaren) met hun exlibrissen (en paginaverwijzing) niet zijn opgenomen in het personenregister. Dat bemoeilijkt het snelle zoeken.

Het handboek van Aarts en Kooyman beperkt zich tot de Joodse exlibriscultuur in Nederland en daarover is al heel veel te vertellen. De inleiders doen zelf een poging tot samenvatting. Het gaat over “de trots van de Sefardische Joden op hun aristocratische afstamming, het streven naar emancipatie, de bijzondere gehechtheid aan het boek, de intellectuele voorkeur, de religieuze overtuiging, het zionistisch ideaal of het lijden onder discriminatie en vervolging.” Voor veel titularissen en ontwerpers is het exlibris het enig overgebleven teken van hun existentie: hun leven eindigt in Sobibor, Auschwitz en andere oorden van verderf.

Dit doet mij denken aan een verhaal van historicus Jaap Meijer, of beter de glashelder schrijvende dichter Samuel van Messel. In zijn bundel Het eeuwige leven (1972) geeft hij de dialoog weer tussen een vrijdenker en de drager van een naam: te weten de naam Gebiha, zoon van Pesisa: “een vrijdenker zei tot gebiha de zoon van pesisa / gij dwazen die aan een opstanding gelooft / alles wat leeft sterft en het gestorvene zou weder leven? Gebiha antwoordde / gij dwaas die de opstanding loochent / ik zeg u dat wanneer reeds iets kan leven dat voordien niet bestond. Waarom zou dan niet opnieuw kunnen leven iets dat reeds heeft bestaan” [naar de babylonische talmud, tractaat sanhedrin, folio 91].

Boeken die wij wèl verkopen

Geef een reactie