in 't Wasdom

antiquariaat Cornelissen & De Jong – Zwolle
januari 27th, 2021 by Igor Cornelissen

De levenssappigste onder de Tachtigers: Lodewijk van Deyssel

Lodewijk van Deyssel (1864-1952) beschikte over een “naar clowneske neigende deftigheid.” De karakterisering komt van zijn biograaf Harry G.M. Prick (1925-2006) die overigens ook oog had voor zijn humor en veelzijdigheid. Van Deyssel gold als Tachtiger en was zonder meer een van de meest ‘levenssappigste’ onder hen. De man was op een goede manier nieuwsgierig.

Als scholier schreef Prick een brief naar de oude van Deyssel. Dat was in 1942. Het viel de bejaarde schrijver op dat deze jonge knaap zijn werk zo doorgrond had. Toen ze enkele jaren later kennis maakten benoemde Van Deyssel hem tot zijn biograaf. Prick zou onbeperkt toegang krijgen tot Van Deyssels correspondentie en dagboekaantekeningen. Hetgeen geschiedde. Het zou onterecht zijn te schrijven dat de neerlandicus Prick daar zijn hele leven mee heeft gevuld. Prick heeft over ook veel over anderen geschreven (Gerrit Komrij en Boudewijn Buch bijvoorbeeld), maar hij bleef toch voornamelijk verslingerd aan Van Deyssel, de man met dat enorme hoofd en dat altijd maar loensende oog.

Toen de Gedenkschriften verschenen, oordeelde de anonieme recensent van de Nieuwe Rotterdamse Courant: ‘Als geheel zijn de Gedenkschriften een boek dat Van Deyssel ten voeten uitgeeft, in al zijn vele literaire gedaantes. De minutieuze en liefdevolle beschrijver, de heel persoonlijke, intuïtieve kunstbeschouwer, de merkwaardige wijsgeer, de lyricus, de humorist.’

Kom daar nu eens om, is men geneigd te verzuchten.

Sommigen vonden dat Prick wel wat ruim was in zijn belangstelling. Hij schreef in diverse tijdschriften deelstudies over de door hem bewonderde. In een van die bijdragen noteerde hij hoe vaak daags Van Deyssel onaneerde. Lang dus voordat Reve zulks aan het papier toevertrouwde. Het nazaat van Van Deyssel was ontsteld. Die zelfbevlekking deed volgens Prick niets af aan de grootheid van de schrijver. En bovendien: Van Deyssel had hem toch gezegd dat hij alles mocht gebruiken wat er in zijn handschrift boven water kwam? De meester bleef een Meister, ook “ohne Beschränkung.”


Prick, Harry G.M. (red.) (1962). Gedenkschriften voor de eerste maal volledig naar het handschrift [2 dln.]. Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink. Uitgegeven, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Harry G.M. Prick. Met krantenknipsels. Uit de collectie Igor Cornelissen. Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong