in 't Wasdom

Antiquariaat Cornelissen & De Jong
juli 20th, 2020 by Igor Cornelissen

“An a goj, der jiddisch redt.” Over Hartog Beem en de Joden van Leeuwarden

In de zomer van 1974 interviewde ik Hartog Beem (1892-1987), oud-leraar Duits, over de resten van het jiddisch, dat in Nederland toen nog door slechts enkele tientallen werd gesproken. Van Beems hand was eerder een boekje over die taal verschenen [Jerosche (1959), zie Joodse bibliotheek, JON] De resten van die taal waren overal zichtbaar en zelfs na de oorlog  hoorbaar. Sommige waren zelfs in de dikke Van Dale doorgedrongen. Gein, goochem, lef, sjofel, chotspe en stiekem. Wie gebruikt die woorden niet? Slechts weinigen weten dat ze uit het jiddisch komen.

Boven het VN artikel stond de kop: An a goj, der jiddisch redt, dou ist kaan brooche an. In het Nederlands: Aan een niet-jood die jiddisch spreekt, daar rust geen zegen op. Beem verduidelijkte dat met een mooie anekdote uit Twente waar een joodse veekoopman met een niet-joodse boer onderhandelde over de prijs van een paard. De koopman bood honderd gulden wat de boer te weinig vond. Ze zouden het laten beslissen door de zoon van de koopman die er net aan kwam. ‘Meie zoof, wat moet dat peerd kosten?’ vroeg de koopman aan zijn zoon, die direct antwoordde: dat paard is met honderd gulden dik betaald.’ Als men weet dat “meie” honderd is en zoof in het jiddisch gulden betekent, begrijpt men het antwoord van de zoon. Of de boer het voor die prijs verkocht heeft, is niet bekend. Veel veehandelaren in het oosten en Noorden van Nederland kenden die woorden en uitdrukkingen. Vandaar de kop boven het artikel.

De in Harderwijk geboren Beem had met zijn vrouw door onder te duiken de oorlog overleefd. Reden tot vreugde was er niet. Voor de oorlog hadden ze al een kind verloren door een verkeersongeluk. Een ander zoontje en een dochtertje waren tijdens de bezetting verraden en vermoord. Beem stortte zich niet alleen op de resten van een taal, maar ook op de geschiedenis. Van het joodse leven in Leeuwarden waar hij lang leraar Duits was geweest, was veel materiaal bewaard. Beem was direct na de bevrijding aangesteld om het joods leven in de Friese hoofdstad voor zover mogelijk op gang te brengen. Het resultaat van zijn diepgravende onderzoek was een rijke studie over een ooit levendige gemeente en cultuurcentrum.

Nog even een mooie uitdrukking in het jiddisch die ik van Hartog Beem leerde: E jonge maad is besser wie ‘n alte tefille. Oftewel: een jonge meid is beter dan een oud gebedenboek. De humor is alleen te begrijpen als men weet dat het een oude gewoonte was uit eerbied het gebedenboek voor en na gebruik te kussen.

Naar aanleiding van: H. Beem (1974). De Joden van Leeuwarden. Geschiedenis van een Joods cultuurcentrum. Assen: Van Gorcum

In goede staat. Gebonden in zwart linnen met nette stofomslag. Met bibliografie, register, noten, XII, 368 pp. Meerdere illustraties zw/w. (€ 39,50, incl. verzendkosten). Méér judaica. Dit exemplaar bestellen? Bel of mail ons

Geef een reactie