in 't Wasdom

antiquariaat Cornelissen & De Jong – Zwolle
augustus 16th, 2021 by Jaap de Jong

De Golem van Meyrink – leven dat iets wordt als er geest bijkomt

“Het maanlicht valt op het voeteinde van mijn bed en ligt daar als een grote, glanzende, platte steen.” Het is de eerste zin uit de roman De Golem van Gustav Meyrink (1868-1932). De illustrator Jaap Nieuwenhuis (1927) maakte er de tekeningen bij, ook bij deze zin.

Het Hebreeuwse woord golem komt in de psalmen voor en staat voor “ongevormde klomp”, ofwel leven dat iets wordt als er geest bij komt. Een meer moderne vertaling van het woord golem is ‘vormeloos begin’. Wel begin dat wordt gezien: “Mij, vormeloos nog, zagen uw ogen” (Naardense bijbel, psalm 139:16)

Het verhaal van de golem dateert uit de zestiende eeuw. Daarin legt rabbijn Löw (ca. 1512-1609) de golem, een levenloze lemen pop, in de morgen een briefje in de mond. Met die handeling komt de pop tot leven en treedt op als beschermer van de Praagse bewoners van het getto. De bevolking behoeft die dag niets te vrezen. In de avond wordt het briefje weer door de rabbijn verwijderd. Zoiets moet je niet vergeten, want dan roep je rampen over jezelf en de stad af. En dat gebeurt dan ook.

Naast de golem komt ook het beeld van de steen in de symbolistische roman van Meyrink steeds terug. Eerst is er de kraai die erop afvliegt. De steen ziet er namelijk uit als een stuk spek, als een belofte. De kraai hoopt iets lekkers te vinden, maar vliegt al snel teleurgesteld weg.

De steen blijft dus liggen, maar is vooralsnog onvindbaar voor de hoofdpersoon. Hij poogt in de schemertoestand tussen slapen en waken grip te krijgen op zijn leven. Hij zoekt de steen, symbool voor de identiteit (en misschien ook wel het nog onbewuste deel dat invloed heeft op het handelen en daarmee de voorgegeven identiteit bepaalt), om daarmee de mogelijkheid te verkrijgen zijn bewustzijn uit te breiden en te verrijken. Hij wil, zo interpreteert Andreas Burnier in een essay (NRC, 13 november 1988), naast het aardse, ook het hemelse kennen en genieten. Niet dus, zoals de mystici, afzien van het aardse, maar beiden in het hier en nu bezitten. Ziedaar de mens: rupsje-nooit-genoeg. Intussen neemt de steen monsterachtige afmetingen aan voor de hoofdpersoon, die vanuit het Ik-perspectief spreekt:

“Ik loop door een uitgedroogde rivierbedding en raap gladde kiezelstenen op. Grijsblauwe met glinsterende stof dooraderd, die mijn gedachten maar blijven bezighouden zonder dat zij er iets mee weten te beginnen, dan zwarte met zwavelgele vlekken, als een versteende kinderlijke poging om plompe, gespikkelde salamanders na te bootsen. En ik wil ze ver af werpen, deze kiezelstenen, maar steeds vallen ze uit mijn hand, en ik kan ze niet uit mijn gezichtsveld bannen. Al die stenen, die ooit in mijn leven een rol hebben gespeeld duiken rond mij op. Vele trachten zich moeizaam uit het zand naar boven, naar het licht te werken – als grote leigrauwe zeekrabben bij aflopende vloed, en als wilden zij alles in het werk stellen om mijn aandacht te trekken, teneinde mij dingen van ontzaglijk belang te vertellen. Andere vallen – uitgeput – machteloos terug in hun gaten en zien er van af zich ooit in woorden uit te drukken. Soms schrik ik op uit de schemer van deze waakdromen en zie een ogenblik lang weer de maneschijn op het opgebolde voeteneind van mijn deken liggen als een grote, glanzende, platte steen, om daarna opnieuw blindelings achter mijn vervagend bewustzijn aan te strompelen, rusteloos naar de steen zoekend, die mij kwelt, die ergens in het puin van mijn herinnering verborgen moet liggen en er uitziet als een stuk spek.”

Het verhaal van de golem is in de afgelopen vijftig jaar door onder meer Isaac Bashevis Singer, Chaim Potok en Harry Mulisch verteld. Anders dan bij de uit Praag afkomstige journalist Egon Erwin Kisch (1885-1948) – die in 1920 de door rabbi Löw afgesloten zolder van de Altneuschul onderzocht op de resten van de golem – valt er in het verhaal van Harry Mulisch (De procedure, 1998) wel een dode bij dat onderzoek. Die papieren doden behoeven de geest niet terug te geven.

Cornelissen & De Jong beschikt, naast twee vertalingen in het Nederlands (1916, 1959), ook over de oorspronkelijke Duitse versie (Meyrink, 1915, 1e druk) met een achttal litho’s van de kunstenaar Hugo Steiner-Prag (1880-1945). Een jaar later kwam Meyrink met de versie van De golem met 25 litho’s van Steiner-Prag, waaronder de acht afbeeldingen uit 1915. Ook is er een verhalenbundel van Gustav Meyrink. Hieronder staan de exacte gegevens.


Meyrink, Gustav (1915). Der Golem [mit acht Lithographien von Hugo Steiner-Prag]. Leipzig: Kurt Wolff Verlag. De litho's werden apart gedrukt bij Meissner & Buch (Leipzig), 343 pp., groene schutbladen, platten en rug (gouden belettering) in Jugenstil. Afbeelding met de golem als frontispies. I.g.st., maar met onderstrepingen en aantekeningen. Uit de collectie Igor Cornelissen, € 115,00 (incl. pak- en verzendkosten). Zeldzaam. 

Meyrink, Gustav (z.j. [1916]). De golem. Utrecht: De Haan. Rug beschadigd, binnenwerk goed. Zeldzaam. 259 pp., 1e druk. Vertaling J. Lourens (geautoriseerde vert.). Uit de collectie Igor Cornelissen, € 25,00 (incl. pak- en verzendkosten). 

Meyrink, Gustav (1959). De golem. Amsterdam: Uitgeverij de Driehoek. Goed, paperback met beschadigd stofomslag, geïllustreerd (naar pentekeningen van Jaap Nieuwenhuis(1927)), vertaling E.Th. van der Veer-Bertels. Met krantenknipsels, o.a. NRC-artikel van Andreas Burnier (13 nov. 1988). Uit de collectie Igor Cornelissen, € 29,50 (incl. pak- en verzendkosten).

Meyrink, Gustav (1972). Het wassenbeeldenspel en 16 andere verhalen. Amsterdam: Meulenhoff. Vertaling: Wouter Donath Tiegen. Omslagtekening: Josephine van der Hout, 157 pp. Uit de collectie Igor Cornelissen, € 13.00 (incl. pak- en verzendkosten).

Alle vier hierboven genoemde titels in één pakket: € 170,00 (incl. pak- en verzendkosten binnen Europa). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong