In 't Wasdom

antiquariaat Cornelissen & De Jong – Zwolle
december 28th, 2021 by Jaap de Jong

Aleida G. Schot en haar Russen: “waarom Leida zo lachte …”

Vanmorgen las ik de inleiding op Een held van onze tijd van de vertaalster Aleida G. Schot (1900-1969). De novelle is van Michail Lermontow (1814-1841). Hij werd maar 27 jaar oud. Hij bewonderde de dichter Byron, was verbitterd over het leven en gedroeg zich cynisch en hooghartig, misschien wel omdat hij innerlijk onbevredigd was. Egocentrisch en zich tegelijkertijd van zijn eenzaamheid pijnlijk bewust, schrijft Aleida G. Schot die door haar vrienden Leida werd genoemd en een verdienstelijk vertaalster was van Russische literatuur.

Eigenlijk is het niet zozeer Michail Lermontow, maar Aleida G. Schot die mij nu interesseert. De uitgever Geert van Oorschot – die van de Russische bibliotheek – liet iedereen los op de Russen, behalve Aleida Schot en dat nam zij hem zeer kwalijk. Aleida Schot was al geruime tijd voor de oorlog bezig met de vertaling van de Russen en zou onder meer Dostojewski vertalen. Maar Poesjkin – de man van de sereniteit en harmonie – behoorde volgens haar tot de allergrootsten. Overigens vertaalde zij alleen Russen van voor de revolutie.

Of Aleida Schot zelf ook sereen was, betwijfel ik, althans in de oorlog had zij die staat nog niet bereikt. De door mij, tijdens mijn twenties, zeer bewonderde Etty Hillesum kende haar en had ook haar vertaling van Lermontow in huis. Etty H. noemt Aleida verzuurd en verafschuwt haar haat naar de Duitsers. Eind september ’41 – in de avond, terwijl Etty juist wilde ‘werken aan mijzelf’, kwam Aleida er tussen: “Haar stem snerpt me nog in m’n oren als ik er aan denk. Allemachtig, wat een mens. Ze vertaalt Dostojewski en er staat een Madonna op haar kamer, die ze indirect verlicht wanneer er visite komt. Maar alle 80 millioen Duitsers moeten worden uitgeroeid. Er mag er geen één blijven leven. (…). Als ik achteraf aan dat gesprek denk, heb ik het gevoel met een abnormaal mens te doen te hebben gehad. Maar het was interessant ook. O, ik groei, zei ze, als ik ’s avonds aan m’n raam sta en de vliegmachines hoor gaan en het zag er uit of haar boezem geweldig zwol en haar neusvleugels uitzetten, hoewel ze helemaal geen boezem heeft en een heel smalle, onbenullige neus.”

Aleida G. Schot kende vrijwel alle slavisten en was nogal bevriend met Bruno Becker, die alles wist over Duitse mystiek, Coornhert en nog wat dingen. Etty Hillesum, Karel van het Reve en alle andere bekende slavisten van na de oorlog, volgde colleges bij hem. Karel van het Reve kon zich Etty – wier dagboeken hij bakvisachtig noemde – na de oorlog niet meer herinneren, maar Becker en Aleida Schot des te beter. Als we afgaan op de limerick van Karel van het Reve – die bij Becker promoveerde, ging de vriendschap tussen Aleida en Becker verder dan de gedeelde liefde voor de letteren. Van het Reve schreef in 1953 een limerick met een toespeling op intimiteiten tussen Becker en Aleida G. Schot: ‘Ik weet waarom Leida zo lachte / Toen Bruin haar die avond opwachtte: / Hij toonde haar gul / Een reusachtige lul, / Die niemand meer van hem verwachtte.’ Haar lachen maakt dan weer duidelijk dat Leida minder verzuurd was dan Etty meende. Na het overlijden van zijn vrouw, in 1962, trok Aleida bij Bruno Becker in. Een jaar na zijn dood stierf ook Aleida G. Schot aan de gevolgen van een verwaarloosde griep.

Voor haar overlijden zorgde ze voor een legaat waaruit de bekende vertaalprijs voor de Russische letteren wordt bekostigd. De Aleida Schot-prijs wordt regelmatig uitgekeerd. Gelukkig maar, beter een Rus in de boekenkast dan het Russische leger in de voortuin, hoewel het gas natuurlijk weer welkom is. Mits betaalbaar. Dit laatste geheel terzijde.

PHP Code Snippets Powered By : XYZScripts.com