in 't Wasdom

antiquariaat Cornelissen & De Jong – Zwolle
december 22nd, 2020 by Igor Cornelissen

Oorlogsdagboeken: ‘het moet leerzaam zijn, geen gekeuvel’.

Ik hoor vaak de vraag: Wat wist de burger tijdens de oorlog? Over het algemeen alleen dat wat ze in hun naaste omgeving meemaakten of zagen. Sommigen iets meer omdat ze in het verzet zaten en zo over ‘verbindingen’ beschikten en illegale blaadjes lazen. De pers stond onder censuur. Wie gevangen had gezeten, kende een andere wereld van binnenuit. En wie ondergedoken zat kon een beetje van binnen naar buiten kijken al mocht een onderduiker meestal niet voor een open raam gaan staan want dan kon een foute Nederlander zien dat er binnen iemand woonde die niet tot dat gezin behoorde. Het staat wel vast dat (vrijwel) niemand wist wat er in de vernietigingskampen gebeurde.

In de Dagboekfragmenten leest men over een tijd die men zich nu moeilijk kan indenken. Een 22-jarige, in de Achterhoek ondergedoken, joodse lerares noteerde in 1942 dat haar gastvrouw komt vragen of ze zin hebben in gebakken aardappelen bij het brood. ‘Hierop gaan wij natuurlijk direct in. Zou zij enig idee hebben dat zo iets in A’dam een luxe betekent, want hiervoor heeft men boter, vet of slaolie nodig en dat kan men in een stadse huishouding niet zo gemakkelijk missen.’ Het is dan september 1942 en het zal dus nog bijna drie jaar duren voor aan de onderduik een einde komt.

Er zijn ook geluiden van de Duitsgezinden. Een inspecteur van politie schrijft in september 1943 dat hij liever had dat in Rusland de strijd meer in het voordeel van Duitsland zou verlopen ‘en dat de bolsjewisten kennelijk aan het einde van hun krachten waren gekomen, doch daarvan is nog niets te merken integendeel zelfs.’

In januari 1945 schrijft een 37-jarige timmerman over een strafkamp in Duitsland: ‘De soep is nog nooit zo dun geweest als vandaag, dat was voor straf voor het bietsen (…). Deze nacht bakte een jongen een spreeuw hoe komen ze er bij.’ Een paar weken voor de bevrijding noteert een Rotterdamse tramconducteur: ’Honger. Honger. Het wordt steeds erger. Nu we zelfs die ééne boterham per dag niet meer krijgen, weten we niet meer waar het te zoeken.’

En als de bevrijding er eindelijk is, verzucht een onderwijzer op bevrijdingsdag in zijn dagboek dat hij vreest dat latere geslachten wat hij heeft opgeschreven niet zullen geloven.

Al tijdens de oorlog riep de minister van Onderwijs mr. Bolkestein vanuit Londen op om op te schrijven wat er in het bezette vaderland gebeurde. Dat was nuttig voor de latere geschiedschrijving. Na de oprichting van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie deed de directeur drs. L. de Jong voor de radio in februari 1947 een oproep om dagboeken naar het Instituut te sturen. Er kwamen er honderden binnen. De samenstelster, Jitty Sjenitzer-van Leening, had een streng oordeel. Menig dagboek vond ze niet de moeite waard om te gebruiken. Dan stond er volgens haar alleen maar gekeuvel in. De inhoud moest leerzaam zijn.

Voor wie echt wil weten hoe het was, zijn er dus de, soms zeer uitgebreide, fragmenten. Jammer genoeg kon ik geen verdere gegevens over mevrouw Sjenitzer vinden. Hoe kwam zij op het RIOD terecht en hoe lang bleef ze er? Wat waren haar selectiecriteria en leidde die tot een evenwichtig beeld van de dagelijkse ervaringen, ook van het leven in de (concentratie)kampen? Ik vraag maar, misschien kan een leerling daar een profielwerkstuk over schrijven. Zo heet dat toch?


RIOD (1954). Dagboekfragmenten 1940-1945. ‘s-Gravenhage: Martinus Nijhoff. I.g.st., hardcover, gebruind papier. 638 pp., 1e druk. Bronnenpublicatie, Serie Diversen no. 2, van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, samensteller Jitty Sjenitzer-van Leening. Collectie Igor Cornelissen, € 17,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong