in 't Wasdom

Antiquariaat Cornelissen & De Jong – Zwolle

Archive for the ‘bolas’ Category

oktober 26th, 2020 by Jaap de Jong

Coornhert in de Sassenstraat: eeuwigh gaet voor ogenblick

Afgelopen vrijdag reed ik door de Sassenstraat om af te stappen bij nummer 5 waar een gevelopschrift naast een ietwat uitstekende gevelklok hangt. De klok lijkt op die uit een film van Ingmar Bergman (Wild Strawberries), maar mist niet – zoals in deze existentialistische film – de klokwijzers. Wel staat de klok stil: het is voor eeuwig drie voor drie in de Zwolse Sassenstraat.

In het alleraardigst boekje Zwolse mijmeringen wijst Catharina Magdalena van Hille-Gaerthé (1881-1958) op het gevelopschrift in de Sassenstraat: Hy weet niet wat hy verliest/Die het tidelyck voor het geestelyck kiest. Hille-Gaerthé, die op aanstekelijke wijze tal van details uit het negentiende eeuwse Zwolle opdist, was niet de eerste die de regels op het pand aan de Sassenstraat 5 aanhaalt. Ook Willem Anthonie Elberts (1820-1903) citeert het gedicht in zijn bekende Historische wandelingen in en om Zwolle (Elbers, 1890). Elberts is vollediger en minder luchtig. Hij neemt ook de laatste twee regels over: Als het komt op een scheyden / Soo heeft hy geen van beyden.

Een meer volledige beschrijving over de voorgevel van de toenmalige bewoner, de horlogemaker G.A.J. Voetelink (1839-ca. 1914), levert C.J. van der Loo in zijn Geïllustreerde gids voor Zwolle en omstreken. Hij schrijft in 1895 dat er naast de vermanende versregels ook nog een onduidelijk wapen te zien is. Zo onduidelijk is dat wapen niet: het gaat zonder enige twijfel om het familiewapen van Van Rechteren. De historicus J.C. Streng stelt dat de ziekentrooster Zeger (of Seyger) van Rechteren (1600-1645) het wapen in zijn gevel heeft laten aanbrengen. Het familiewapen is echter gedateerd op 1738 en alleen al om die reden zal de bastaardzoon Zeger (of Seyger) van Rechteren het niet hebben kunnen plaatsen. De huidige gevel stamt overigens uit de negentiende eeuw (na 1815). De beide gevelstenen alsmede het familiewapen zijn bij die verbouwing waarschijnlijk herplaatst.

De versregels, waarvan een variant op de twee Zwolse gevelstenen staat, stammen tenminste uit de vroege zestiende eeuw. Dirck Volkertsz. Coornhert (1522-1590) nam ze over in het zesde hoofdstuk (van dwaasheyd) van zijn Zedekunst (Wellevenskunste) dat in 1586/’7 werd gedrukt. Hij heeft het over “het ouden rymken” en citeert:

Zy zyn zot ende gheheel onvroed / Die hier verkiezen ’t verganckelyck voort eeuwighe ghoed / want alst ghaat op een scheyden / En hebben zy gheen van beyden (Coornhert, 1586, p. 205)

Het levensgevoel dat hieruit spreekt is matigheid. Dat geldt voor het consumptiepatroon en voor het getoonde temperament, zoals in tijden van droefheid. Kinder-lyck, het prachtige rouwgedicht dat Vondel schreef bij de dood van zijn zoontje Constantijn komt voort uit datzelfde levensgevoel. Getemperde droefheid is de beste droefheid: eeuwigh gaat voor oogenblick.

Over de Zwolse ziekentrooster en latere gevangenisdirecteur Seyger van Rechteren – waarschijnlijk een van de eerste bezitters van het pand aan de Sassenstraat 5 – die samen met zijn eerste vrouw Anneke Heimans naar Indië reisde en bij die gelegenheid bijna werd opgepeuzeld door Zuidafrikaanse inlanders valt veel te verhalen. Net zoals over het pand aan de Sassenstraat 5 zelf, “but that’s another story”. De ietwat uitstekende stilstaande klok (zie hierboven) is overigens niet opgehangen door de eerder genoemde horlogemaker Voetelink, maar dateert waarschijnlijk uit de laatste helft van de twintigste eeuw. Na de oorlog zat de parfumeriezaak Wolff in het pand en hing er geen klok.

Het Malteser kruis op het wapenschild, aangebracht op advies van de Zwolse schilder, illustrator en tekenaar Han Prins (1925-1987), komt niet overeen met de historische details. Ook dit terzijde, ‘t is immers maar tidelyck.

Geraadpleegde bronnen [opgemaakt met APA-tool van BOLAS -> ingekorte versie van het klikbare projectoverzicht]

Coornhert, D.V. (1586).  Zedekunst dat is wellevenskunste [editie B. Becker, 1942]. Leiden: E.J. Brill.

Elberts, W.A. (1890).  Historische wandelingen in en om Zwolle. Zwolle: Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant.

Goutbeek, A. (2014). Seyger van Rechteren in: Wie Is Wie In Overijssel. Geraadpleegd op 27 oktober 2020 van https://www.wieiswieinoverijssel.nl/

Inventaris Huis Almelo, toegang 214, archief HCO [genealogie] 

Loo, C.J. van der (1895).  Geïllustreerde gids voor Zwolle en Omstreken. Zwolle: La Riviera & Voorhoeve.

Streng, J.C. (2001).  Vrijheid, gelijkheid, broederschap en gezelligheid. Het Zwolse Sint Nicolaasgilde tijdens het ancien régime. Hilversum: Verloren.
oktober 19th, 2020 by Jaap de Jong

“Nog maar net begonnen met ademhalen.” Over de dood van twee Amsterdamse tieners: Elsje Christiaens (1664) en Hilda de Wit (1922)

De vaststelling van de naam en de achtergrond van het slachtoffer van de crimineel Gerrit Nat (1880-1947) kostte mij afgelopen zondag niet heel veel tijd. Het lichaam van zijn slachtoffer werd in oktober 1922 neergelegd in de berm van de Haarlemmerweg en later gefotografeerd door een onbekend gebleven fotograaf. Over méér gegevens dan de foto, de globale datering en de genoemde plek beschikte ik niet.

Toen ik de foto zag moest ik direct denken aan een meisje dat op de Dam in Amsterdam werd terechtgesteld en daarna op het galgenveld opgehangen: de Deense immigrante Elsje Christiaens (ca. 1646- ca. 3 mei 1664). Zij was tweemaal getekend door Rembrandt, hangend aan een paal, maar de datering was onbekend. In 1969 had de vermaarde Amsterdamse archivaris I.H. van Eeghen (1913-1996) haar zinnen gezet op de datering van de tekening van Rembrandt en wilde weten wat het verhaal was achter haar terechtstelling. De klus die zij klaarde was tijdrovender. Ik had vergelijkbare drijfveren als Van Eeghen: wie was de dode vrouw in de berm en wat was haar geschiedenis. Wat een tragiek. Wie wil er nu dood als je zeventien of achttien bent? Beide verhalen zijn fascinerend. Ik begin met de geschiedenis die de archivaris Van Eeghen reconstrueerde.

Mejuffrouw I.H. van Eeghen nam naar aanleiding van een tekening van Rembrandt maar liefst 25 confessieboeken door om de datering van de terechtstelling van Elsje Christiaens vast te stellen. Elsje, gehangen op het galgenveld Volewijk, werd vastgelegd door de toen 56-jarige Rembrandt (1607-1669) die zich voor die gelegenheid naar de overzijde van het IJ laat roeien. Waarschijnlijk werd hij die dag vergezeld door zijn leerling Anthonie van Borssom (1631-1677), zo stelt Frans Thuijs, die de geradbraakte lotgenoot van Elsje vastlegde: Jan Nieuwkerk. Hij vermoorde in 1664 de rabbijn Benjamin Dias Pato. Op de tekening van Van Borssom is zowel Jan Nieuwkerk als Elsje Christiaens vastgelegd. Dit terzijde.

Isabelle van Eeghen kende ik van mijn veelvuldige bezoeken aan het Amsterdamse Gemeentearchief (toen nog aan de Amstel). Zij was altijd behulpzaam voor bezoekers met lastige vragen. Ik las het verhaal over Elsje Christiaens voor het eerst in 1994 in Een kleine geschiedenis van Amsterdam, een verhalenbundel van Geert Mak, maar Van Eeghen publiceerde het verhaal al in 1969 in het Maandblad Amstelodamum.

Elsje, afkomstig uit Jutland en nog maar enkele weken in Amsterdam, had haar huisbazin met een bijl neergeslagen. Aanleiding was een conflict over de huur die zij niet kon betalen. De hospita viel van de keldertrap en bleef er voor dood liggen. Elsje Christiaens probeerde te vluchten, maar werd gevangengenomen en eind april 1664 twee keer door de schout verhoord. Op 1 mei 1664 volgde het vonnis: dood door wurging aan de paal, enkele klappen met het moordwapen op het hoofd door de scherprechter en te pronkstelling van het lichaam met de bijl boven haar hoofd op de Volewijk ‘om door de lucht en de vogels verteerd te worden’. Vermoedelijk op de zaterdag hierna, 3 mei 1664, werd het vonnis uitgevoerd.

Van Eeghen trok de conclusie dat kunsthistorici – die er tien jaar naast zaten wat betreft de datering van de tekening – het eigenlijke historisch handwerk niet moeten verloochenen. Ik ben het met haar eens: stijlkenmerken zijn minder betrouwbaar dan de inkt waarmee de secretaris de datum en de bekentenis van Elsje Christiaens in het confessieboek vastlegde. Die bekentenis leverde Van Eeghen het ontbrekende puzzelstukje om de tekening van Rembrandt te kunnen dateren.

Zoals gezegd was het voor mij simpeler om de naam en de achtergrond van het dode meisje te achterhalen. De foto met het vermiste meisje was gedateerd (oktober 1922, fotograaf onbekend). Ook was bekend dat haar lichaam in de berm van de Haarlemmerweg werd gevonden. Die twee gegevens (oktober 1922 & Haarlemmerweg) waren voldoende om met behulp van de krantendatabank Delpher vast te stellen dat het om Hilda de Wit (1905-1922) gaat.

Hilda bloedde dood door de illegale praktijken van de souteneur Gerrit Nat (1880, 5 sept [De Rijp] – 1947, 2 mei [Amsterdam]). Zij was in de middag van 8 oktober vanuit haar huis in de Pretoriusstraat naar de Bilderdijkstraat 61 gegaan. Bij het avondeten was zij er niet en om twee uur in de nacht waarschuwde de familie de politie dat Hilda de Wit niet was thuisgekomen. Dat zij zwanger was zullen zij niet hebben geweten. Intussen werd Hilda onderhanden genomen door de illegale aborteur Gerrit Nat die met zijn ‘vriendin’ Johanna Alard – die kostuumnaaister zou zijn – in de woning aan de Bilderdijkstraat was.

Gerrit Nat was een berucht crimineel uit donker Amsterdam die eerder betrokken was bij een moord in het Sarphatipark. Hij trad daar op als heler van een zilverbuit, maar ook als beramer van de overval. Daarnaast leverde hij het gereedschap voor die overval en stond hij bij de politie bekend als een man die meisjes exploiteerde. In de registers die ik raadpleegde staat als beroep rijwielhandelaar, steendrukker en boterhandelaar. Mogelijk was hij ook dezelfde persoon als de Gerrit Nat die in 1898 volgens de registers als agent 2e klasse werd ontslagen vanwege dienstweigering (bron: indexen). In het militieregister wordt hij op 15 december 1899 beschreven als een negentienjarige jongeman met blonde haren, blauwe ogen en 180 cm lang. Ovaalvormig gezicht, met lange neus en een gewoon voorhoofd. Van dat hoofd van Gerrit Nat is overigens ruim twintig jaar later ook een tekening gemaakt tijdens een proces – over de moord in het Sarphatipark – waarin hij eerst als beklaagde en daarna als getuige zou optreden (zie afbeelding. Uit: De Courant, 6 november 1920). Dat proces was twee jaar vóór de oktobernacht waarin Hilda aan haar einde komt. Gerrit wentelde zich dieper en dieper in de modder.

Waarschijnlijk was Hilda al dood toen het rijtuig van de nachtsnorder (koetsier) Jongbloed, die eerder die avond ontboden was door Gerrit Nat, haar de nacht inreed. Jongbloed wilde dat wel doen en kreeg er veertig gulden voor. Samen met Nat en Alard reden zij een uur door de stad tot Gerrit Nat aan Jongbloed vroeg naar de Haarlemmerweg te rijden Daar werd het lichaam van Hilda in de berm gelegd om vervolgens naar de 1e Oosterparkstraat op weg te gaan waar Johanna Alard woonde. Toen Nat en Alard uit de open koets stapten werden ze aangeroepen door een agent van de Muiderpoort met de vraag of zij iets van het verdwenen meisje wisten. Dat werd ontkend. De koetsier Jongbloed rook onraad en besloot na het stallen van paard en wagen verhaal te doen op het bureau Muiderpoort. Hij zal zijn aandeel hebben geminimaliseerd. Desondanks werd hij aangehouden, terwijl Nat en Alard de volgende dag werden gearresteerd. Later werd het aborteursgereedschap in de tuin van het pand aan de Bilderdijkstraat 61 teruggevonden. De dan 68-jarige moeder van Gerrit Nat, Antje van Petter (1853-1943), weduwe van Jacob Nat (ca. 1848 – 1904, 26 aug.), was die nacht naar verluidt niet thuis. Gerrit Nat was zijn leven lang bij zijn moeder ingeschreven en deed in juni 1943 aangifte van haar dood. In de praktijk woonde Gerrit overal en nergens, een criminele zwerver uit donker Amsterdam.

Hilde de Wit werd in de nacht van 8 oktober 1922 neergelegd in het gras, iets onder de stenen dijk die de Haarlemmerweg van de Haarlemmertrekvaart markeert. Boven de genomen foto staan de gegevens waarmee ik dit onderzoekje begon. Daar ligt zij: Hilda de Wit, de wollen doek om haar lichaam heengeslagen, de pantys slordig opgestroopt, wellicht direct na de mislukte abortus provocatus. Haar linkerarm onder haar hoofd. In het gras, zeventien jaar oud en zo’n tweeduizend voetstappen verwijderd van het IJ, de plek waar Rembrandt zich zo’n tweeënhalve eeuw eerder, in mei 1664, met zijn leerling Anthonie van Borssom liet overzetten om tekeningen te maken van gehangenen op galgenveld. Tekeningen van Elsje Christiaens, het achttienjarige immigrantenmeisje dat onfortuinlijk eindigde en evenals Hilda de Wit nog maar net was begonnen met ademhalen.

Gerrit Nat krijgt vier jaar. De familie, vrienden, allernaasten en -liefsten van de meisjes levenslang.


Klikbare versie van onderstaand bronnenoverzicht (deelrapport opgemaakt door BOLAS, een programma voor het uitvoeren onderzoeksprojecten binnen en buiten het onderwijs). Alle hierboven gebruikte afbeeldingen – behalve de reconstructie van de Amsterdamse (verkregen via Google Maps) en de foto van Hilda de Wit komen uit één van onderstaande bronnen.


Geraadpleegde bronnen

Amsterdams Nieuws. Een 17-jarig meisje vermoord? (1922, 9 oktober). Het volk: dagblad voor de arbeiderspartij.

Eeghen, I.H. van (1969). Elsje Christiaens en de kunsthistorici. Maandblad Amstelodamum, 56, 73-78.

Gezinsblad van Jacob Nat en Antje van Petten [genealogisch data DTB boeken NH]. Geraadpleegd op 18 oktober 2020 van http://genea.pedete.net/derijp/2302.htm

Het drama in het Sarphatipark. Het requisitoir en de pleidooien (1920, 6 november). De courant.

Indexen stadsarchief Amsterdam - Gerrit Nat, geboren 05.09.1880 Geraadpleegd van https://archief.amsterdam/indexen/persons

Jong, J. de (2006). Rembrandts geboortejaar een jaar te vroeg gevierd? Nederlands Dagblad, 3 februari 2006. Verg.: Blom, Onno (2019). De jonge Rembrandt. Een biografie. Amsterdam: De Bezige Bij, die in zijn biografie uit 2019 (gedenkjaar van zijn sterfjaar) tot dezelfde conclusie komt.

Kloek, E. (2014, 23 april). Christiaens, Elsje (ca. 1646-1664). [laatste update 23/04/2014]. Geraadpleegd van http://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/christiaens

Mak, G. (1994). Een kleine geschiedenis van Amsterdam. Amsterdam: Atlas, 102-141.

Thuijs, F. (2015, 19 juli). De onbekende lotgenoot van Elsje Christiaens [blogbericht op Ons Amsterdam]. Geraadpleegd op 18 oktober van https://onsamsterdam.nl/de-onbekende-lotgenoot-van-elsje-christiaens
september 2nd, 2020 by Jaap de Jong

Tussenmens-zijn. Over Shtisel, Chaim Potok en de mens op het vlot

De prachtige Netflixserie Shtisel thematiseert de positie van de tussenmens, een wezen dat zich beweegt tussen twee extremen. Een relatief beschermd bestaan binnen de schil van de traditie waarin je de eigen marge dan wel comfortzone kiest of verzuipt in een oceaan van duizend en één mogelijkheden. Het vernieuwen van de traditie is weinigen gegeven en eiland-zijn bij stijgend water valt niet mee. Misschien kun je een schiereiland zijn, zoals Jozef Waanders betoogt in een interessant essay (op longlist Joost Zwagerman Essayprijs).

Schiereiland-zijn of tussenmens. Dat is het thema waarin de schrijver, schilder, filosoof en rabbijn zonder gemeente Chaim Potok (1929-2002) excelleert, met name in zijn vroege werk (o.a. Uitverkoren, Mijn naam is Asher Lev). In Shtisel speelt Akiva de rol van de jonge talentvolle schilder die worstelt met zijn gaven en positie. De schilder Akiva is typisch de tussenmens die de trekken vertoont van Asher in Mijn naam is Asher Lev. Een grappig detail is dat Chaim Potok zijn derde kind Akiva noemde.

Chaim Potok – die eigenlijk Herman Harold Potok heet – besloot rond 1943, na het lezen van Brideshead Revisited. The Sacred and Profane Memories of Captain Charles Ryder, schrijver te worden. Dat is tenminste wat hij vertelt aan de interviewster Connie Martinson (Martinson, 1991). Maar eerst studeerde hij filosofie om in 1965 te promoveren op een dissertatie over het rationalisme en scepticisme bij Salomon Maimon (1753-1800). Het was geen willekeurig onderwerp dat Potok koos. Ook Maimon was een tussenmens. In een interessant opstel concludeert Gideon Freudenthal dat een echte ontmoeting met Maimon productieve onzekerheid veroorzaakt. Ik citeer: “Moreover, the encouter with his philosophy – speculative and yet skeptic, sensitive to tradition and yet inter-culturally oriented, a philosophy which suffers strong tensions and paradoxes without enforcing their reconcilation may prove as thought-provocking as ever.” (Freudenthal, 2003, p. 17).

Ik herinner mij de opwinding toen ik in de jaren tachtig en negentig de boeken van Potok las. Het was de literaire evenknie van de sociologische analyses van C.S.L. Janse (Bewaar het pand. De spanning tussen assimilatie en persistentie bij de emancipatie van de bevindelijk gereformeerden) en Jan Zwemer. Goed geschreven en spannend. Existentieel zelfs, vooral de dialogen, zoals tussen Asher en leermeester Jacob Kahn: “Begin je te begrijpen wat je jezelf gaat aandoen? Je begrijpt nu wat Picasso deed, ja? Zelfs Picasso, de heiden, moest dit doen. Af en toe is er geen andere mogelijkheid. Begrijp je me, Asjer Lev? Dit is geen speelgoed. Dit is geen kindergekrabbel op een muur. Dit is een traditie; het is zelfs een religie, Asjer Lev (…) Alleen hij die zich een traditie meester heeft gemaakt, heeft het recht om iets aan die traditie toe te voegen of om ertegen in opstand te komen. Begrijp je me, Asjer Lev?”.

Het cijfer zeven opent met een autobiografisch essay waarin Potok de metafoor van het vlot gebruikt waarmee hij de positie van de Zwischenmensch schildert: “Een Zwischenmensch te zijn betekent je tegelijkertijd overal en nergens thuis te voelen, met argwaan bekeken te worden door degenen op de oevers, wanneer je op je vlot voorbij drijft. Mijn Missisppi heeft geen monding, geen delta. Hij stroomt steeds maar verder. Wij zijn het meest menselijk wanneer we op creatieve wijze communiceren via de Hannibals die we voor onszelf maken.”

Ik ontmoette Chaim Potok op 12 november 1992 in het toenmalige boekenpaleis Broese Kemink in Utrecht waar hij mijn exemplaar van De troop-leraar signeerde. We wisselden wat woorden. Ik stotterde vooral bewondering uit. Hij keek mij wat peinzend aan en schreef na onze korte kennismaking “Best wishes, Chaim Potok.”

Gebruikte bronnen - Voor een meer volledige en klikbare lijst met geraadpleegde bronnen en databanken, zie de literatuurlijst, gemaakt met het programma BOLAS, ook een product uit 't Wasdom ;-)

Freudenthal, G. (2003). A Philosopher between Two Cultures. In G. Freudenthal (red.), Salomon Maimon: Rational Dogmatist, Empirical Skeptic (pp. 1-17). Dordrecht: Kluwer.

Martinson, C. (1991, mei). Connie Martinson Talks Books, Interview met Chaim Potok. Geraadpleegd van https://ccdl.libraries.claremont.edu/digital/collection/cmt/id/828

Potok, Chaim (1992). Mijn naam is Asher Lev. 's-Gravenhage: BZZTôH

Potok, H.H. (1965). The rationalism and skepticism of Solomon Maimon (phd thesis Graduate School of Arts and Sciences). Philadelphia: University of Pennsylvania.

University of Pennsylvania (2011). Chaim Potok papers - Ms. Coll. 730. Geraadpleegd van http://dla.library.upenn.edu/dla/ead/detail.html?id=EAD_upenn_rbml_MsColl730

Waanders, J. (2020). De mogelijkheid van een schiereiland. Geraadpleegd van https://www.nederlandseboekengids.com/20200831-jozef-waanders/

Meer nieuwe oude boeken, w.o. het werk van Chaim Potok

juli 4th, 2020 by Jaap de Jong

Willem Elsschot digitaal

Onlangs startte ik met een project over Alfons de Ridder (pseudoniem: Willem Elsschot). Ik ben geïnteresseerd in de ins en outs rond de ontvangst van de roman Kaas van Willem Elsschot, m.n. de uitgave uit 1933 (uitgave Forum). Zo is er bijvoorbeeld de correspondentie met Menno ter Braak over Kaas die mij boeit. Maar hoe kom je nu aan de juiste bronnen om daar iets zinnigs over te kunnen zeggen?

Mits je de weg weet is het niet enorm ingewikkeld om hoogwaardige en dus relevante digitale bronnen te vinden. Maar je kunt zo iets ook leren. Geleidelijk. Het project – opgezet met de projecttool bolas – demonstreert de mogelijkheden en functionaliteiten van de tool voor het (literatuur)onderwijs in het voortgezet en hoger onderwijs. Voor leerlingen en studenten is het niet eenvoudig om zich een weg door het doolhof te banen. De handleiding bij de onderzoekstool BOLAS (Jong & Avest, 2020) helpt hen daarbij. Hier staat (als voorbeeld) een selectie uit het klikbare projectoverzicht van gebruikte bronnen en databanken.

Via het Biografisch Portaal vond ik materiaal in de DBNL (o.a. de briefwisseling met Menno Ter Braak over Kaas). De krantencatalogus van Delpher geeft toegang tot meerdere recensies. Voor de secundaire literatuur, primaire bronnen en recensies maak ik gebruik van Laelaps, de Online Bibliotheek en de databanken Literom en de Uittrekselbank. De projecttool helpt ook nog eens bij het verwijzen naar bronnen en het opzetten van de literatuurlijst.

Voor biografische details van Willem Elsschot volstaat de biografie van Van de Reijt. De uittrekselbank van NBD Biblion en Literom bieden toegang tot recente recensies, terwijl het zoeken in Delpher vooral oudere recensies (vanaf 1933) van Kaas opleverde.

De projecttool BOLAS – die ik rond 2015 met mijn zoon Thomas opzette en verder ontwikkelde – voldoet nog steeds om snel en effectief een antwoord te geven op dit soort oprispende vragen. Ik ben daar blij mee en dat deel ik.

Antiquariaat Cornelissen & De Jong geeft in samenwerking met BOLAS toegang tot een prachtige onderzoeks- en projectomgeving. Gebruikers zoeken, vinden, delen in die omgeving hoogwaardige bronnen die ze simpel, met één enkele muisklik, kunnen opslaan (vlg. APA-richtlijnen).

Wat wil een levend mens nog meer?

Méér over de handleiding voor BOLAS en méér over de collectie Van de Reijt

Geraadpleegde literatuur [zie BOLAS-rapport voor de klikbare versie (incl. selectie van databanken]

Briefwisseling tussen Menno ter Braak en Willem Elsschot 1933-1938 (2010). Geraadpleegd van https://www.dbnl.org/titels/titel.php?id=braa002brie23

Dossier Willem Elsschot (2020). Geraadpleegd van https://uittrekselbank-nbdbiblion-nl.kb.idm.oclc.org/auteur-titel?q=willem elsschot

Elsschot, W. (1933). Kaas.  Forum, 2, 497-793.

Faneker, S. (2020). Willem Elsschot & Kaas. Geraadpleegd op 4 juli 2020 van https://uittrekselbank-nbdbiblion-nl.kb.idm.oclc.org/detail/622417/kaas

Jong, J. de & R.J. ter Avest (2020). Handleiding bij het opzetten en uitvoeren van (praktijk)onderzoek. Zwolle: 't Wasdom

Overzicht Willem Elsschot in de DBNL (primaire en secundaire bronnen) (2020). Geraadpleegd van https://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=elss001

Reijt, Vic van de (2012).  Elsschot. Leven en werk van Alfons de Ridder. Amsterdam: Athenaeum - Polak & Van Gennep.

Rinckhout, E. (2011, 4 maart). "Elsschot schreef 'Kaas' als boetedoening".  De Morgen. Geraadpleegd op https://literom-nbdbiblion-nl.kb.idm.oclc.org/

Willem Elsschot (2020). In Biografisch Portaal. Geraadpleegd op http://www.biografischportaal.nl/
juni 27th, 2020 by Jaap de Jong

“Waarheid is ons enig anker”. Carolus Verhulst en Mahatma Gandhi

In wat restte van wat ooit een grootse theologisch-filosofische bibliotheek was vond ik onlangs het boek De profeet van Kahlil Gibran (1883-1931), een Libanese dichter, schilder en verhalenverteller. Ik was sceptisch, maar mijn nieuwsgierigheid werd geprikkeld toen ik zag dat Carolus Verhulst (1900-1985) het werk van Gibran had vertaald en uitgaf. Verhulst gaf tot aan zijn dood in 1985 leiding aan de uitgeverij Mirananda (eerder uitgeverij Servire (1921-1977)) en gaf voornamelijk mystiek-religieuze werken taal uit. Zo gaf Servire ook werken van Carl Gustav Jung uit waarvoor ik mij in de jaren tachtig interesseerde. Minder bekend, maar belangwekkend was zijn contact met James Joyce en de door hem ontwikkelde huisstijl van Servire. Die was gebaseerd op de “Nieuwe Typografie” (Theo van Doesburg en De Stijl). Doel was om de ideale harmonie vorm te geven door het precieze gebruik van de basiselementen van de kunst: kleur, vorm, verdeling en lijn (zie ook de foto van het omslag van De Profeet).

Carolus Verhulst groeit op in een gereformeerd gezin in Middelburg. Hij doorloopt de mulo en kweekschool, neemt afscheid van het orthodox gereformeerde milieu uit zijn jeugd en ontmoet als jonge student Kees Boeke (1884-1966) met wie hij rond 1918 door de straten van Utrecht loopt. Onder de schoenen dragen beide mannen rubber stempels met de tekst: “Nooit meer oorlog”. Onder invloed van Kees Boeke bekeert Verhulst zich tot de geweldloosheid – zit om die reden enige maanden opgesloten in de militaire strafgevangenis van Scheveningen – en correspondeert met Mahatma Gandhi (1869-1948). India, de oosterse mystiek en het pacifisme zou hem blijvend interesseren. Met Henriette Roland Holst – wier overtuiging zich ontwikkelde in de richting van het pacifisme – richt hij de Vereniging van Vrienden van India. Met Henriette redigeert Verhulst het tweemaandelijkse bulletin van de vereniging die op het hoogtepunt zo’n 500 leden telt.

Als Gandhi in 1931 in Londen komt wordt hij door Verhulst voor De Groene Amsterdammer geïnterviewd. Verhulst beschrijft hem in het interview in De Groene: ”’n Kleine magere gestalte, gehuld in lendendoek en sjaal. In rust, een van vele groeven doorploegd, melancholiek gelaat, waarin geconcentreerd al de zorgen en moeiten van vele jaren. Maar glimlachend een zielenadel onthullend als in weinig gezichten tot uitdrukking komt.” Gandhi woont tijdens zijn verblijf in Engeland in East End in een tehuis voor daklozen waar Verhulst hem samen met de Javaanse nationalist, dichter en activist Noto Soeroto (1888-1951) bezoekt. Bij een derde bezoek komt Verhulst vanwege de mist te laat aan en treft Gandhi in zijn kantoortje in Knightbridge mediterend aan. Hij is te laat voor een gedachtenwisseling, niet voor meditatie. Bij het spinnenwiel brengen de beide mannen samen een uur zwijgend door. Bij het afscheid krabbelt Gandhi op de achterzijde van zijn foto de tekst die Verhulst een leven lang koestert: “Truth is our only sheet-achor”. Waarheid – ons enig anker.


Geraadpleegde literatuur [zie BOLAS-rapport voor de klikbare versie]

Boon, C. & Harmsen, G. (1992). Schalk, Henriette Goverdine Anna van der. In Biografische Woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland (vol. 5, pp. 241-256). Amsterdam: IISG.

Het Aristo-democratische stelsel. Een onderhoud met Gandhi (1931, 3 december). Het Vaderland: staat- en letterkundig nieuwsblad [Avondblad A].

Ruijter, F.G. de (1983, 10 maart). 'Gandhi was een man van liefde, het enige cement dat mensen bindt' [interview met Carolus Verhulst]. NRC Handelsblad, p.2.

Thuring, L. (1983, 19 maart). Carolus Verhulst houdt zijn bedrukte eenmanskruistocht al 82 jaar vol.  Leidse courant [finale], p.16.

Verhulst, C. (1931). Een interview met Mahatma Gandhi. De Groene Amsterdammer, 2843, 2.

Voogd, P. de (2005). Modernisme in de boekdrukkunst: transition en Carolus Verhulst. In J. Baetens, S. Houppermans, A. Langeveld & P. Liebregts (red.), Modernisme(n) in de Europese letterkunde. Een ander meervoud (pp. 77-92). Leuven: Peeters.