in 't Wasdom

Antiquariaat Cornelissen & De Jong – Zwolle
oktober 26th, 2020

Coornhert in de Sassenstraat: eeuwigh gaet voor ogenblick

Afgelopen vrijdag reed ik door de Sassenstraat om af te stappen bij nummer 5 waar een gevelopschrift naast een ietwat uitstekende gevelklok hangt. De klok lijkt op die uit een film van Ingmar Bergman (Wild Strawberries), maar mist niet – zoals in deze existentialistische film – de klokwijzers. Wel staat de klok stil: het is voor eeuwig drie voor drie in de Zwolse Sassenstraat.

In het alleraardigst boekje Zwolse mijmeringen wijst Catharina Magdalena van Hille-Gaerthé (1881-1958) op het gevelopschrift in de Sassenstraat: Hy weet niet wat hy verliest/Die het tidelyck voor het geestelyck kiest. Hille-Gaerthé, die op aanstekelijke wijze tal van details uit het negentiende eeuwse Zwolle opdist, was niet de eerste die de regels op het pand aan de Sassenstraat 5 aanhaalt. Ook Willem Anthonie Elberts (1820-1903) citeert het gedicht in zijn bekende Historische wandelingen in en om Zwolle (Elbers, 1890). Elberts is vollediger en minder luchtig. Hij neemt ook de laatste twee regels over: Als het komt op een scheyden / Soo heeft hy geen van beyden.

Een meer volledige beschrijving over de voorgevel van de toenmalige bewoner, de horlogemaker G.A.J. Voetelink (1839-ca. 1914), levert C.J. van der Loo in zijn Geïllustreerde gids voor Zwolle en omstreken. Hij schrijft in 1895 dat er naast de vermanende versregels ook nog een onduidelijk wapen te zien is. Zo onduidelijk is dat wapen niet: het gaat zonder enige twijfel om het familiewapen van Van Rechteren. De historicus J.C. Streng stelt dat de ziekentrooster Zeger (of Seyger) van Rechteren (1600-1645) het wapen in zijn gevel heeft laten aanbrengen. Het familiewapen is echter gedateerd op 1738 en alleen al om die reden zal de bastaardzoon Zeger (of Seyger) van Rechteren het niet hebben kunnen plaatsen. De huidige gevel stamt overigens uit de negentiende eeuw (na 1815). De beide gevelstenen alsmede het familiewapen zijn bij die verbouwing waarschijnlijk herplaatst.

De versregels, waarvan een variant op de twee Zwolse gevelstenen staat, stammen tenminste uit de vroege zestiende eeuw. Dirck Volkertsz. Coornhert (1522-1590) nam ze over in het zesde hoofdstuk (van dwaasheyd) van zijn Zedekunst (Wellevenskunste) dat in 1586/’7 werd gedrukt. Hij heeft het over “het ouden rymken” en citeert:

Zy zyn zot ende gheheel onvroed / Die hier verkiezen ’t verganckelyck voort eeuwighe ghoed / want alst ghaat op een scheyden / En hebben zy gheen van beyden (Coornhert, 1586, p. 205)

Het levensgevoel dat hieruit spreekt is matigheid. Dat geldt voor het consumptiepatroon en voor het getoonde temperament, zoals in tijden van droefheid. Kinder-lyck, het prachtige rouwgedicht dat Vondel schreef bij de dood van zijn zoontje Constantijn komt voort uit datzelfde levensgevoel. Getemperde droefheid is de beste droefheid: eeuwigh gaat voor oogenblick.

Over de Zwolse ziekentrooster en latere gevangenisdirecteur Seyger van Rechteren – waarschijnlijk een van de eerste bezitters van het pand aan de Sassenstraat 5 – die samen met zijn eerste vrouw Anneke Heimans naar Indië reisde en bij die gelegenheid bijna werd opgepeuzeld door Zuidafrikaanse inlanders valt veel te verhalen. Net zoals over het pand aan de Sassenstraat 5 zelf, “but that’s another story”. De ietwat uitstekende stilstaande klok (zie hierboven) is overigens niet opgehangen door de eerder genoemde horlogemaker Voetelink, maar dateert waarschijnlijk uit de laatste helft van de twintigste eeuw. Na de oorlog zat de parfumeriezaak Wolff in het pand en hing er geen klok.

Het Malteser kruis op het wapenschild, aangebracht op advies van de Zwolse schilder, illustrator en tekenaar Han Prins (1925-1987), komt niet overeen met de historische details. Ook dit terzijde, ‘t is immers maar tidelyck.

Geraadpleegde bronnen [opgemaakt met APA-tool van BOLAS -> ingekorte versie van het klikbare projectoverzicht]

Coornhert, D.V. (1586).  Zedekunst dat is wellevenskunste [editie B. Becker, 1942]. Leiden: E.J. Brill.

Elberts, W.A. (1890).  Historische wandelingen in en om Zwolle. Zwolle: Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant.

Goutbeek, A. (2014). Seyger van Rechteren in: Wie Is Wie In Overijssel. Geraadpleegd op 27 oktober 2020 van https://www.wieiswieinoverijssel.nl/

Inventaris Huis Almelo, toegang 214, archief HCO [genealogie] 

Loo, C.J. van der (1895).  Geïllustreerde gids voor Zwolle en Omstreken. Zwolle: La Riviera & Voorhoeve.

Streng, J.C. (2001).  Vrijheid, gelijkheid, broederschap en gezelligheid. Het Zwolse Sint Nicolaasgilde tijdens het ancien régime. Hilversum: Verloren.
oktober 26th, 2020

Een kruis met rozen is ‘s menschen lot

Ik leerde Kader Abdolah in Zwolle kennen waar hij in het plaatselijk archief dozen moest aanslepen voor bezoekers. De directie van het archief gaf hem veel vrijheid en tijd om zich in zijn eigen ruimte verder te bekwamen in het schrijven. Een enkele keer gingen we lunchen, maar dat was niet echt gezellig. Hij overstelpte mij met vragen: Hoe zat dit en wat betekende dat?

Toen hij mij thuis opzocht viel zijn oog op het houten schildje dat mijn ouders vroeger boven hun bed hadden hangen. ’Een kruis met rozen is ‘s menschen lot,‘ staat er op geschreven. Mijn kompaan wist me te vertellen dat het een citaat uit een gedicht van De Génestet (1829-1861) komt, uit oktober 1859, het jaar dat zijn vrouw en kind aan tbc overleden. Over Peter August de Génestet ging overigens het gerucht dat hij een bastaardzoon van koning Willem II zou zijn. Dit terzijde. Ook over dat kruis moest Kader het fijne van weten. Dat was nog niet zo makkelijk…’s menschen lot… en dan ook nog met die inmiddels verdwenen sch. 

Ik maakte zijn debuut mee in het inmiddels helaas verdwenen Zwolse literaire café In de Sinnepoppen waar hij een verhaal voorlas met zijn toen nog zeer nadrukkelijke, hakkelende dictie.

Hij bleef vechten met de hem vreemde taal. Hij overwon en werd een gevierd schrijver. Ik droeg daar wat aan bij toen ik zijn eersteling in Het Parool uiterst positief besprak. Kader Abdolah pakt je bij je kraag en hij laat je niet meer los, schreef ik en dat zinnetje kwam op de flapteksten van zijn volgende boeken.

Hij pakte niet alleen mij in, maar ook het lezende publiek.

Hij vertaalde De Koran hoewel een schrijver van een ingezonden brief beweerde dat Abdolah helemaal geen Arabisch kende. Hoe dan ook Abdolah hertaalde of her-vertelde de Koran op zijn manier. Maar dat doen zo veel dominees en theologen met de Bijbel ook. Iedereen heeft zijn eigen uitleg. Waarom Kader Abdolah niet? In ieder geval is over hem van orthodox islamitische zijde geen fatwah uitgesproken. Tenminste voor zover ik weet. Ons contact is wat verwaterd sinds hij Zwolle inruilde voor Delft waar een van zijn dochters ging studeren. Zijn dochters werden door hem ingeschakeld als hij er zeker van wilde zijn of zijn Nederlands wel correct was. Abdolah is een strijder die zijn doel bereikte. Hij veroverde de Nederlandse taal en bereikt veel lezers.

Meer nieuwe oude boeken, bijv. literatuur

september 25th, 2020

Lichtbrenger in het jeugdwerk – Frits Huijsman

Frits Huijsman (1892-1954) was geen groot theoreticus of abstract denker, maar een man met een praktische instelling die hielp waar hij kon. Zijn leven was er een in dienst van de zorg voor het kind, schrijft Hagedoorn. In zijn biografie over Huijsman schetst de Zwolse historicus Jaap Hagedoorn – die met regelmaat publiceert over Zwolle en joodse geschiedenis – man en context. Hij neemt de lezer mee naar de omgeving waarbinnen Frits opgroeide – een redelijk gegoed Utrechts milieu – en zijn opleiding volgde: het christelijk gymnasium en de universiteit van Utrecht. In november 1917 voltooide Frits zijn opleiding rechten met een promotie op stellingen waarin hij al volop aandacht geeft aan zijn levensmissie: het jeugdwerk. Interessant  om te lezen over het Utrecht in het fin de siècle, zeker omdat ik er 25 jaar woonde en mijn kinderen de school bezochten, waarvan de begintijd bij Hagedoorn uitgebreid aan de orde komt.

Ook de Zwolse stadsgeschiedenis komt in het boek van Hagedoorn ruim aan bod, met name de Zwolse scouting Huysmangroep III, waarvan Frits Huijsman hopman (ook wel: scoutingleider) was. Hij liet zien dat het niet goed kan gaan in de groep als één van de groepsleden  problemen heeft. Hij greep dan in en ontstak in de scoutingroep het vuur van de vriendschap. Zijn succes als padvindersleider dankte Frits niet in het minst aan zijn liefde voor de natuur (geïnspireerd door o.a. Jan Pieter Heije) en de Nederlandse geschiedenis. Sowieso, een mooie combinatie. Na het lezen van de biografie van Hagedoorn, denk ik niet dat Huijsman zijn leven en werk zag als dat van Sisyphus. Eerder wilde hij het licht brengen. Dat deed hij om daarna, en nu citeer ik de dominee aan zijn graf, “het hoge licht tegemoet” te gaan. Mooi om te lezen hoe Frits tegen de achtergrond van zijn tijd – en in vredes- en in oorlogstijd – vorm en inhoud geeft aan zijn drijfveren en christelijke idealen.

Jaap Hagedoorn (2019). Jeugdwerk is mijn levenskeuze. Het leven van Frits Huijsman (1892-1954). Zwolle: Scouting Huijsmangroep III. Nieuw, 172 pp., foto’s in zwart/w en kleur. Met bibliografie, noten, archivalia. Prijs: 25 euro (incl. verzendkosten). Gesigneerd door de auteur. Mail of bel ons voor de bestelling, zie contactpagina.
september 22nd, 2020

Johan Theunisz en de Oostkolonisatie. Over een boek dat ik niet verkoop.

Het was afgelopen zondag een prachtige septemberdag. Een mooie gelegenheid om naar de IJssel te wandelen en onderweg het voormalige huis van de dichter, historicus en geograaf Johan Theunisz (1900-1979) te bekijken. Theunisz was tussen 1934 en 1941 docent aan het Celeanum en woonde aan de Sophiastraat 35, op loopafstand van het gymnasium en de Willemsvaart, de vaarroute naar de stad. In de wijk staan veel huizen met kenmerken van de Jugenstil, maar niet uitsluitend. Het eclecticisme is dominant in het Zwolle buiten de oude, niet meer bestaande, middeleeuwse stadsmuren: overal wat van, een allegaartje. Staat dat voor de aard van de Zwollenaar? Theunisz was getrouwd met de docente Engels & vertaalster Mildred van Neck (1896-1979). Dochter Patricia (1896-2005), één van de zes kinderen van het echtpaar Teunisz, herinnert zich haar vader – die zij in haar terugblik steevast “Opa” noemt – als de man die altijd gelijk had.

Johan Theunisz rolde bij wijze van spreken vanuit zijn bedstede zo het Celeanum in; het categorale gymnasium aan de Veerallee en kweekvijver van de Zwolse elite. Johan Theunisz was bevriend met Johan Schotman (1892-1976). Schotman, een man met veel talenten, werd in de jaren vijftig directeur van het Provinciaal Overijssels Museum (het latere Stedelijk Museum van Zwolle). Op de verdiensten van Schotman kom ik later nog eens apart terug. Theunisz en vooral Schotman werden in 1931 door Du Perron op de hak genomen, nadat Schotman het waagde om het tijdschrift Forum, de heilige graal van Ter Braak en Du Perron, te bekritiseren.

Johan Theunisz, die in 1941 lid werd van de NSB, kreeg van prof.dr. J. van Dam, secretaris-generaal van het genazificeerde departement van Onderwijs, Kunst en Wetenschappen, opdracht onderzoek te doen naar de Nederlandse Oostkolonisatie. Dat thema – dat natuurlijk in het geheel geen thema  was – maar wel als zodanig werd “geframed” en ideologisch op fascistische leest geschoeid: de zgn. “Oostkolonisatie” werd verbonden met de geschiedenis van de doopsgezinde emigranten uit de Lage Landen. Mennonieten uit Vlaanderen, na 1580 merendeels naar Nederland gevlucht, emigreerden later weer naar Polen. Eerst naar Dantzig (op oudere begraafplaatsen tref je daar veel Nederlandse namen aan) en in de 18e eeuw naar Rusland. Voertaal was het Plautdietsch, een reden waarom de mennonieten ook wel verward werden met de Volksduiters met alle problemen van dien (uitsluiting, discriminatie). Vanuit Siberië vertrokken de mennonieten in de 20e eeuw (in de jaren twintig en na 1945) naar Noord-Amerika, Canada en Mexico. Daar voegden zij zich bij verschillende groepen onder de Amish (behorend tot de familie der mennonieten, maar oorspronkelijk afkomstig uit Zwitserland) of vormden hun eigen facties.

Theunisz kreeg bij zijn onderzoek naar bronnen m.b.t. de zgn. Oostkolonisatie hulp van de doopsgezinde predikant J.S. Postma (1910-1995), die een bibliografie samenstelde (zie foto). Die bibliografie behoort tot mijn Mennoniticaverzameling, een collectie die ik niet verkoop. De bibliografie van Postma werd in 1941 door Johan Theunisz uitgegeven bij de nationaal-socialistische uitgeverij Hamer, opgericht door door de beruchte Henk Feldmeijer (1910-1945) die organisatorisch beter onderlegd was. Theunisz bezocht voor zijn eigen onderzoek, in SS-uniform en gewapend met revolver, buitenlandse archieven tot in Wenen toe. In 1943 gaf Theunisz bij uitgeverij Hamer een vervolg uit van het onderzoek naar de Oostkolonisatie: De Nederlandse Oost-kolonisatie. Meer in het bizonder die in Brandenburg in de 17e eeuw tijdens de regering van den Groten Keurvorst. Het is buitengewoon interessant materiaal, bijvangst van een onderzoek dat ik ooit begon, maar dat nu al jaren stilligt.

Johan Postma kwam net als Johan Theunisz in fascistisch vaarwater terecht. Hij vluchtte na de oorlog met zijn zwager Jacob Luijtjens (1919-) naar Paraguay en kwam later terug. Zijn zwager werd uiteindelijk in Nederland berecht. Na zijn vrijlating woont Luijtjens tot op de dag van vandaag in Friesland. Johan Theunisz en zijn echtgenote kwamen in 1979 om bij een brand in hun woning in Valencia. Er zijn er die stellen dat de brand door menselijk toedoen is ontstaan.

Onze wandeling, die langs het ooit door Johan Theunisz bewoonde huis ging, was nog maar net begonnen. Langs de Veerallee en de oude Veerweg lopen we naar de IJssel. De zon schijnt prachtig en gaat volop los op de oude sluizen bij Het Katerveer. Even waan ik mij als Nescio’s Bavink uit Titaantjes en hunker ik naar het allerhoogste: “Naar de zon loopen wilde-i over de lange, lange schitterende streep.” Even maar, want van alle titaantjes viel Bavink het diepste en dat wil ik dan weer niet. Enfin, buitengewoon jammer dat Zwolle niet meer via de Willemsvaart te bevaren is. Het zou een mooi project zijn om die oude vaarweg – al een wens in de Middeleeuwen (maar verhinderd door Kampen en Deventer), toch uitgevoerd in het begin van de 19e eeuw – opnieuw begaanbaar te maken: weg met de betonnen gruwel der parkeerhavens bij de Willemskade, het grauwe blik van het gemotoriseerd verkeer en ruim baan voor het water & het groen tussen IJssel en gracht rond de oude stad: een alternatief Engelenpad ernaast, maar dan beter. Dit alles terzijde natuurlijk.

Nijkeuter, H. (2001). De "pen gewijd aan Drenthe's dierbren grond". Literaire bedrijvigheid in de Olde Lantschap, 1816-1956 (dissertatie RUG). Groningen: RUG.

Perron, E. du (1932). Panopticum. Aandacht voor Schotman! Forum, jrg. 1, 267-270.

Postma, J.S. (1941). Bibliographie van Mennonitica. In verband met de Nederlandse Oostkolonisatie uitgegeven door dr. Johan Theunisz. Den Haag: Hamer.

Theunisz, P. (z.j.). Hoe het was aan de andere kant. Een 'oorlogsverslag' van Patricia Teunisz. Zwolle: St. Werkgroep Herkenning.
september 9th, 2020

Willem Kloeke en de Zwolsche sketsies: “chien Ollans, maer Zwols”

In Zwolle wordt nog steeds het plaatselijke dialect gesproken, al hoor ik het minder vaak. Niet vreemd, omdat zoveel inwoners van elders komen. Er is zelfs een jaarlijks dicteewedstrijd waarbij je winnaar kunt worden.

Willem Kloeke (1852-1934) kende het dialect heel goed. Hij was opgegroeid in de Zwolse binnenstad, werd onderwijzer en verhuisde naar Haarlem. Daar schreef hij zijn aardige Zwolsche sketsies die speelden in het midden van de 19e eeuw onder het gewone volk. In zijn vrije tijd was Kloeke kaartenmaker. Hij was een erudiet onderwijzer, waar er in zijn tijd meer van waren. Ik weet wel zeker dat hij het eens zou zijn met de bewering dat kennis een vorm van liefde is: om te bekennen moet je iets kennen.

Het Zwols is niet zo moeilijk, maar voor enkele woorden (boezekerel=boeman) geeft hij in voetnoten (dus onderaan de bladzijde) een verklaring. Ik spreek en versta Zwols, maar het eerste doe ik met tegenzin. Ik vind het een lelijk dialect en als ik daar voor uit kom, zijn boze blikken mijn deel. Twents vind ik bijvoorbeeld lieflijker klinken, zachter, melodieuzer. Maar na lezing van Kloeke’s boek uit 1931 dacht ik daar toch wat genuanceerder over. Het Zwolse kan zeer direct zijn. Gasterig=vuil. In Zwolle wordt iemand nog wel voor “voele gasterd” uitgemaakt. Dan ben je een smeerlap. Ik heb altijd gedacht dat het woord gasterd van het Hebreeuwse chazzer afstamt wat onrein betekent. Zoals bijvoorbeeld een varken. Maar bewijs voor die afleiding heb ik tot op heden niet gevonden. 

Kloeke geeft aardige details. We komen bij hem aan de weet dat als minister Thorbecke voor zaken weer  eens in zijn geboorteplaats moest zijn waar hij dan logeerde. Er waren in zijn tijd veel logementen en herbergen in Zwolle, een tijd waarin spoorwegen en auto’s ontbraken. 

In de Zwolsche Courant van 9 april. 1925 staat een mooi citaat van Kloeke. Hij spreekt met warmte over de schoonheid van de taal waarmee hij opgroeide, “chien Ollans, maer Zwols”. Taal en dingelijkheid vloeien in elkaar over, zou mijn kompaan zeggen.

De tael, die ‘k ‘t eerste eb eleerd was chien Ollans, maer Zwols, de tael van miej moeder, van miej vaeder en van zoo wat alle mensen, die ‘k in de eerste joeuren van miej léven te zien en te euren krege. Is ‘t dan wonder da-‘k die tael graeg in eere olle? ‘k Wonne now al meer dan fieftig joeur in ‘n eel andere oek van ‘t land, maer ‘t Zwols bin ‘k toch nog lange niet vergeten en doeur bin ‘k bliej umme, want ‘t is toch zo’n ekfetieve mooie tael; ‘t ef zokke mooie, zachte klanken; jö, ‘t is miej vaeke of’t selde vertelseltien in ‘t Zwols mooier is as in ‘t Ollans

De zoon van Willem Kloeke, Gesinus Kloeke (1887-1963), viel net als de appel niet ver van de boom. Hij werd taalwetenschapper (taalgeograaf en historisch taalkundige) en hoogleraar in Leiden. Dit terzijde uiteraard.

Kloeke, W. (1931). Zwolsche sketsies. Zutphen: W.J. Thieme & Cie. 1e druk, XII, 148 pp. Omslag en rug kwetsbaar (licht beschadigd). Binnenwerk goed, geïllustreerd (Sassenpoort, Lemelerberg etc.). Meerdere opstellen (in het Zwols dialect) over schooltijd, kosthuis, scheldnamen, reizen etc.). Collectie Igor Cornelissen. € 16,50 (incl. verzending). Bel of mail ons.
september 7th, 2020

De straathonden in de Zwolse dichterswijk: Winnie, Ike en Stalin

Hitler en Stalin. Twee massamoordenaars. Toch lees ik de redevoeringen van de tweede nog met een zekere aangename opwinding. Ik zie mijn vader nog de vlaggetjes prikken op de kaart van Europa. Het Rode Leger rukte op naar Berlijn en dat betekende dat onze bevrijding ook dichterbij kwam. We hielden onze adem in op de Zwolse Vondelkade.

De eerste dagen na Hitlers aanval op de Sovjet Unie was Stalin van slag. Hij was, populair gezegd, de kluts kwijt, hoewel zijn spionnen hem hadden gewaarschuwd. Hij geloofde en vertrouwde ze niet. De eerste radiorede na de inval werd gehouden door Molotov, de minister van Buitenlandse Zaken die het niet-aanvalsverdrag met Ribbentrop in 1939 had ondertekend. Toen Stalin op 3 juli 1941, tien dagen na de inval van Duitsland, op de radio te horen was richtte hij zich tot: Kameraden! Burgers! Broeders en zusters! Strijders van ons leger en vloot!

Hij verheelde niet dat de toestand ernstig was. De Wehrmacht sneed als een mes door de boter. Hitler was een bloeddorstige agressor. De hele wereld kan dat nu zien. Na Stalingrad en andere overwinningen kon Stalin zich wat optimistischer tonen.

Wie nu Redevoeringen en legerorders, 1941-1945 leest (Pegasus, Amsterdam, 1946), begrijpt beter waarom 11 procent van de Nederlanders in 1946 op de communisten stemde. In Amsterdam was de CPN zelfs de grootste partij. De overwinningen van de Russen hadden overal diepe indruk gemaakt. In het boek is een krantenknipsel geplakt met een merkwaardige inhoud. Het stamt uit de laatste dagen van Stalins ziekte, pal voor zijn dood op 5 maart 1953. Volgens het bericht zouden de kerkleiders van alle geloven voor zijn zieleheil bidden. Ook de opperrabbijn van Moskou riep zijn volgelingen op om te bidden voor het herstel van de zieke Stalin. Die stierf evenwel toch, zodat zijn plannen om de joden massaal te vervolgen geen doorgang vonden.

Nog even terug naar de bevrijdingsdagen van mei 1945 aan de Zwolse Vondelkade. Er liepen ineens veel honden in de buurt rond die de naam Winnie (ter ere van Churchill) of Ike (Eisenhower) werden genoemd. Ik noemde mijn hondje Stalin en beval hem bij het uitlaten op de stoep te blijven en bij thuiskomst in zijn mand te gaan liggen. Ik had toen niet eens Stalins redevoeringen en legerorders gelezen. Dat laatste geheel terzijde.

Meer nieuwe oude boeken en meer Stalin.

augustus 31st, 2020

Arthur Taylor – Notes and Tones in Zwolle

Ik was amper twee jaar terug in Zwolle toen de drummer Art Taylor (1929-1995) daar kwam spelen. Hij had met alle groten gespeeld (Dizzy Gillespie, Charlie Parker, Mingus, Bud Powell). Hij woonde en werkte al enkele jaren in Europa. In zijn thuisland was geen droog brood te verdienen. Hier was het beter, maar ook geen kaviaar en tarbot. Ik kon dat zien omdat naast zijn drumstel een stapeltje boeken lag. Het door hem zelf geschreven Notes and Tones; interviews met collega’s uit de jazz. Ik kocht een exemplaar en hij zette er wat aardigs in.

Het zijn openhartige vraaggesprekken waarin de musici dat zeggen wat Taylor graag wil horen. Vaak nogal blank of wit, zoals ze vandaag zeggen. Het verhaal had ik vaker gehoord. De blanken hadden hun muziek gestolen, en witte recensenten, impresario’s en anderen verdienden dik aan hun muziek. Er valt meer over te zeggen. Bij voorbeeld over de impresario Norman Granz (blank en joods) die de mensen die hij inhuurde voor Jazz at the Philharmonic allemaal evenveel en goed betaalde. en wars van van segregatie, ja daar lijfelijk tegen optrad.

Maar ik kwam niet om met Arthur Taylor te debatteren. Ik had zijn boek nog niet gelezen. Ik kwam om te luisteren naar fijne muziek. Dat was in de Librije. Toen een galerie voor (beeldende) kunst (jazz viel daar blijkbaar ook onder), lang daarvoor een synagoge en nog weer veel later het restaurant van Jonnie Boer.

Wat Taylor die avond verdiende, weet ik niet. Honderd gulden? Dan zal de jazz stichting die hem hierheen haalde wel een subsidie gekregen hebben van de gemeente Zwolle, want meer dan zestig man kon er niet in het zaaltje. Met wie hij toen speelde, weet ik niet meer. Het valt op te zoeken op Delpher kranten. De datum was, volgens de signatuur van Taylor, 13 januari 1978. Twee jaar later ging Taylor terug naar Amerika. Europa was het blijkbaar ook niet helemaal.

Arthur Taylor (1977). Notes and Tones. Musician to Musician Interviews. Liege, Belgium: eigen beheer. 1e druk, 301 pp., excl. register. Interviews met o.a. Miles Davis, Hampton Hawes, Nina Simone, Randy Weston en 23 anderen. Met opdracht en signatuur, met krantenknipsel, (necrologie De Volkrant, 8 febr. 1995). Jazzcollectie Igor Cornelissen. € 47,50. Zeldzaam.

Meer muziekgeschiedenis en andere nieuwe oude boeken

augustus 25th, 2020

To van Hille-Gaerthé en de Zwolse buxushaagjes

Veel schrijvers heeft Zwolle misschien niet opgeleverd. A. den Doolaard (1901-1994) woonde er maar even of beter: hij werd geboren in een huis aan de Rhijnvis Feithlaan als Cornelis Johannes George Spoelstra, maar woonde in Heino waar zijn vader predikant was. E.J. Potgieter (1808-1875), landelijk bekend als oprichter van De Gids, woonde er ook maar kort en het duurt wellicht nog jaren voordat er een straat of plein naar de geheel volbloed Zwollenaar Meindert Boss (1898-1937) (schrijversnaam J.K. van Eerbeek) wordt vernoemd. Een Zwollenaar die een leven lang in de Thomas à Kempisstraat 69 woonde, vlakbij de slager Walter Stern (nr. 93) die in de jaren dertig vanuit Duitsland naar Nederland vluchtte, maar dat is een ander verhaal.

De schrijfster To van Hille-Gaerthé (1881-1958) heeft wel een straat in de schrijverswijk van Zwolle (ten noorden van Wipstrik. Ze werd geboren in 1881 en schrijft heel liefelijk over haar jeugdjaren in een bevoorrecht milieu. Haar vader was huisarts en To zou trouwen met een leraar die conrector werd aan het gymnasium (Celeanum). De Zwolsche Courant nam haar stukjes met herinneringen over Zwolle graag op en ze werden verzameld en herdrukt. In haar korte verhalen, zoals in Tuintjes, is zij op haar best. Het boek werd meerder malen herdrukt bij Nijgh & Van Ditmar.

In Tuintjes – een bundel met drie verhalen – deze mooie zin over iemand die een huis met een hofje erft dat precies zo moest blijven als het was. Er stond een kruisbessen boompje met hoge blauwe riddersporen langs de kant. ‘En rondom de stamroos, pal in ‘t midden was een perkje viooltjes, omgeven door een rand van frisch-glanzende buks, als een ondoordringbaar, groen muurtje.’

Zwolle mag dan intussen onherkenbaar veranderd zijn, de buxushaagjes rukken steeds meer op. Is dat vooruitgang?

Méér nieuwe oude boeken

augustus 19th, 2020

Steden van Pandora. Drie vertellingen – Paul Gellings

In de serie signalementen & Zwolse schrijvers aandacht voor Paul Gellings die een nieuwe bundel publiceerde bij uitgeverij Passage (Groningen, 2020): Steden van Pandora. Drie vertellingen. Twee verhalen zijn eerder gepubliceerd, maar nu samen met een derde vertelling opgenomen in een drieluik.

Paul Gellings – oud-docent aan de Thorbecke Scholengemeenschap, dichter, schrijver en vertaler – is in Zwolle geen onbekende. In de jaren tachtig en negentig bezocht hij het Zwolse literair café In de Sinnepoppen, een zeer geheim en samenzwerend genootschap van Zwolse schrijvers & vereerders van Dionysius, maar over dat laatste weet niemand het fijne. Bijna niemand en het ook is goed dat dit deksel van Pandora dicht blijft, opdat ons hoop en nieuwsgierigheid restere. Het literair café ging ter ziele, maar verdient – natuurlijk in alle beslotenheid – opnieuw te worden opgericht. Dit terzijde.

De opgenomen verhalen van Gellings spelen in een Groningse stadswijk en twee steden: Beijum, Manchester en Enschede, het Enschede waar de vuurwerkramp op 13 mei 2000 een enorm stuk braakliggend land braakte: “een vlakte in de stad waar een wonderlijke stilte hangt, iets wat zijn adem inhoudt, al waait het er, maar de wind maakt het nog stiller.” schrijft Paul Gellings. Inderdaad, goede luisteraars horen het ruisen van een zachte stilte en scherpe kijkers zien meer dan braakliggend braakland.

Naar aanleiding van: Paul Gellings (2020). Steden van Pandora. Drie vertellingen. Groningen: Passage. Nieuw. Gesigneerd door de auteur, 192 pp. € 17.90 (excl. verzendkosten). Bel of mail ons.

 

augustus 6th, 2020

De memoires van de oudste antiquaar van Overijssel

Igor Cornelissen, geen onbekende binnen de Nederlandse journalistiek en inmiddels 85 jaar, blijft zich verwonderen en is altijd belangstellend. Hij doet daarvan  verslag in zijn memoires: Mijn opa rookte ook een pijp. Joodse wortels en ander (on)gemak. Met gevoel voor anekdotiek beschrijft hij boeiende en zonderlinge figuren die zijn levenspad kruisten.

Een zoektocht naar de zenuwarts/spion Hans Grelinger wordt afgewisseld met bezoeken aan Dalfsen, Berlijn en Lissabon, al dan niet aan de toog. Cornelissen onthult wat het geheim is van het bijna verdwenen joods Zwolle, vertelt verhalen en deelt impressies over spraakmakend Zwolle. Bovendien gaat hij in op zijn nieuwste bezigheid: het verkopen van boeken bij antiquariaat ‘t Wasdom van Cornelissen & De Jong.

Cornelissen, die schreef voor Het Vrije Volk, Het Parool en het weekblad Vrij Nederland (1962-1996) schetst van zijn geboortestad Zwolle een ander beeld dan bestuurders gewoonlijk doen; het Manhattan aan de IJssel is Igor onbekend. Niet voor niets weigerde hij de fel begeerde Bartjensprijs….

Te koop bij antiquariaat ‘t Wasdom van Cornelissen & De Jong – gesigneerd

maart 7th, 2020

Rode wijnvlekken op het kostuum van Van Vriesland

Victor E. van Vriesland was ooit een gezaghebbend criticus. Op de televisie was hij prominent en uiterst beschaafd aanwezig in forums die het volk vertelden wat goed en slecht was. Later vond men hem wat te zoetig. Een beetje ten onrechte want als je zijn stukje tegen Pearl Buck leest die volgens hem ten onrechte de Nobelprijs voor literatuur kreeg, merk je dat Victor scherp kon zijn. Die prijs zou alleen maar vanwege literaire criteria toegekend moeten worden en niet omdat Pearl Buck begrip wilde brengen voor het lijdende Chinese volk. Haar boek This proud heart vond hij ‘onecht, onwaarachtig en slecht’. 

De twee delen Verzameld critisch en essayistisch proza. Onderzoek en vertoog geven een goed overzicht van wat er voor 1958 verscheen, de tijd dat er nog veel boeken werden gelezen. Leuk om te zien wat van Vriesland van Willem Frederik Hermans’ Moedwil en misverstand vond.

Voorzover ik me herinner heb ik Van Vriesland slechts eenmaal gesproken. Dat was op de befaamde kunstenaarssociëteit De Kring in Amsterdam, waar ik geen lid van was, maar werd geïntroduceerd door de 34 jaar oudere aquarelliste Milly van Duivenbode, een charmante dame. Het werd een verhit gesprek met Victor. Waarschijnlijk over politiek. Van Vriesland was wel een beetje links, maar volgens mij (toen) natuurlijk niet links genoeg. In ieder geval belandde de inhoud van mijn glas rode wijn zonder opzet op zijn lichtkleurige, driedelige kostuum. Ik bood mijn excuses aan die hij, minzaam glimlachend vanachter zijn dikke brillenglazen, aanvaardde. Ik drink zelden rode wijn, maar dat terzijde. Victor E. van Vriesland was daar meer bedreven in.

Tijdens de bezetting zat Van Vriesland als jood ondergedoken bij de familie Bouman in de Zwolse Koestraat 18. Ik meen dat hij nog eens een gedicht heeft geschreven over Zwolle met de Peperbus erin, maar dat heb ik nooit kunnen terugvinden. Zo kom je voor alles tijd te kort.

januari 31st, 2020

Ben Kam over de dood en het lichte leven in Zwolle

Ben Kam was vele jaren een bekwaam huisarts in Zwolle. Hij promoveerde op het leven van lichte vrouwen in Zwolle in vroeger tijden. Het materiaal had hij uit een afvalbak voor oud papier gevist die voor het oude politiebureau stond.

Dr. B.J. Kam interesseerde zich ook voor de in deze stad uitgesproken en uitgevoerde doodstraffen. Inclusief radbraken en vierendelen. Een diepgravende studie die niet makkelijk is te lezen omdat Kam oude documenten raadpleegde in een voor ons moeilijke taal. Waar stond de galg precies?

Na zijn pensionering was Kam, die als jongeman in Helmond, zijn geboortestad, in het verzet verzeild raakte en het illegale Parool verspreidde, een vaste bezoeker van het stadsarchief. Hij maakte, maar dit geheel terzijde, zijn vlinderdasjes zelf. Ik kon hem nog eens een van de eerste naoorlogse nummers van Het Parool schenken waarin hij als directeur van de Helmondse editie vermeld stond. Hij was er blij mee. Nadat hij zijn medicijnen studie had afgerond, kwam hij naar Zwolle. Zijn patiënten, soms in de verre omtrek, bezocht hij per bromfiets. Een auto kwam pas later.

januari 20th, 2020

De papieren tijger – Thom K. de Vries, archivaris te Zwolle

Thom. J. de Vries, stadsarchivaris van Zwolle, de plaats waar hij was geboren en stierf, was een productief schrijver. Hij schreef veel cadeau boekjes voor de ooit bekende Zwolse uitgeverij Tjeenk Willink, zijn buren op de Melkmarkt.

De stille straat uit 1946 is er één van. Het is een ode aan het beschreven papier en aan de Zwolse schrijvers. Hun beeltenissen afgedrukt. Willem Bartjens, de rekenmeester incluis. Thom J. de Vries gaf het boekje een mooie ondertitel mee: meditatie over meesters en boeken in een Zwols papierpakhuis.

Thom. K. de Vries zou zeer geschikt zijn geweest voor het onderwijs, maar doofheid belette dat. Het schijnt dat hij op latere leeftijd zelfs niet meer de indruk wilde wekken dat hij naar iemand luisterde. Het had geen zin. Er bleven documenten te over om te bestuderen.

Niet meer leverbaar