Op zondag 7 augustus 1994 loopt Igor Cornelissen (1935-2021) op de Deventer boekenmarkt. Hij laat, zo schrijft hij, ‘het batterij zwetende konten, op zoek naar dat ene boek uit hun jeugd’, voor de kramen staan. En ook stalletjes ‘met alleen Suske’s en Wiske’s en ander analfabetenspul’ keurt hij geen blik waardig.
Igor zocht naar boeken van George Orwell (1903-1950). Niet de eerste drukken, die zijn zeldzaam en onbetaalbaar. Wel eerste drukken van Amerikaanse pockets, uitgegeven met sensationele hitsig-erotische omslagen. Daarnaast filatelistische boeken, bijvoorbeeld over oude Bulgaarse zegels. En zeker ook een enkel boek voor zijn collectie Jack the Ripper, de serial killer die in het Londense East End te keer ging. En natuurlijk alles wat hij kon vinden over het Hongaarse radencommunisme. En laat ik de afdeling judaica niet vergeten.
Igor verzamelde postzegels en dat zoeken gebeurde ook op Deventer boekenmarkt. Postzegels liegen niet, zei hij eens tegen mij. De geschiedenis wordt steeds weer herschreven, maar “postzegels liegen niet en laten het ware verhaal zien.” Dat Bulgaarse filatelistische boek vond ik terug, net zoals pockets van Orwell met hitsige omslagen waarin het toch om ernstige zaken gaat. En zelfs de biografie over de stalinist Béla Kun (1886-1938) ligt in een van de dozen die ik in 2021 uit zijn huis aan de Vondelkade meenam. Ik weet dat het boek er is, maar niet waar.
De grote vondst die Igor op die zondag deed ligt voor mij. Het is een boekje van Hartog Beem uit 1950, De verdwenen Mediene dat ingaat op de verdwenen joodse provinciegemeenschappen. Slecht uitgegeven, schreef Igor, want geen toelichtende tekst op de omslagflappen. Hij kende de schrijver, Hartog Beem (1892-1987), een man met een tragische geschiedenis, waarover niet werd gesproken. Hij had hem geinterviewd en schreef er eerder over op deze website. Hartog Beem was kenner van het West-Europese Jiddisch, docent Duits waar hij na de oorlog weinig plezier aan beleefde. Het Duits klonk na de Holocaust anders.
In het boekje van Hartog Beem staat een portret van de schnorrer (zie afbeelding van De Schnorrer naar een studie van Ismaël Gentz, 1822-1890). Dat is geen bedelaar, maar een mens die zich van zijn zending bewust is en met zijn klanten op voet van gelijkheid verkeert. Hij weet dat het de plicht is van iedere Jood de arme te geven en dat zonder de bereidwilligheid om te nemen, de mitswe van het geven niet vervuld kon worden. Ik las ergens eens een tekst van een beroemde rabbi, wiens naam ik vergat, die zegt dat het zaliger is te geven dan te ontvangen. De schnorrer regelt dat, bemiddelt en hij smeekt niet.
Igor kende de schnorrer uit zijn jeugd aan de Vondelkade 13 waar vlak na de oorlog een Poolse jood voor de deur stond die door zijn moeder Truus Os (1899-1976) direct werd uitgenodigd voor de avondmaaltijd. Hij vroeg haar daarna of zij de man kende waarop ze zei: ‘Nee, ik wist niet wie hij was, maar daarom kende ik hem toch wel’. Een uitspraak die van mensenkennis en empathie getuigt. Dat is zeker en helder.
Igor besluit zijn verhaal met de opmerking dat hij toen de laatste schnorrer ontmoette. Dat laatste betwijfel ik. Elke vrijdag komt E. langs de boekenkramen op het Spui. Niet eenmaal, maar tweemaal. Ik keek opzij als hij langkwam, maar op een dag keek hij míj́ aan. Ik was aangenomen en mocht hem voortaan een gift doen, die hij zorgvuldig natelt. Daarna knikt hij even. Soms lijkt hij te twijfelen. Alsof hij weet dat je tekort groter is dan je gave. Toch mag je verder van E.; je leeft op zijn rente. Hij is het godswonder, dat moeizaam lopend, met scheuren in de broek die speurend om zich heen kijkt en een blik geeft die hij het waardig acht. Je kunt ook ‘nee’ zeggen tegen die blik.
In de afgelopen jaren overleden er verschillende boekhandelaren. De vrijdag daarop staat er dan een kraam met een foto en een paar persoonlijke dingen. Soms leggen klanten dingen op de boekentafel of schrijven een bericht. Op zo’n dag komt E. natuurlijk ook langs die kraam: die vol ligt, maar toch ledig is. Volledig. Als je dan, als laatste groet, een knikje van E. krijgt heb je het goed gedaan. Ja, die kraam brengt dan de ruimte van het volledig leven tot uitdrukking. Ook de weg van verlatenheid naar gemeenschap. En omgekeerd.
Naast de judaica en Orweliana van Igor en de anderen, verkoop ik Lucebert. Op vrijdag op de boekenmarkt op het Spui, maar ook op de andere dagen van de week. Dit uiteraard geheel ter zijde.
Cornelissen, Igor (1994). Voetnoot. De laatste schnorrer, Het Parool, 13 augustus 1994 | de dichtregels deden u terecht denken aan Lucebert (1957). Apocrief. De Analphabetische naam. Amsterdam: De Bezige Bij | Beem, H. (1950). De verdwenen mediene. Amsterdam: Uitgevers- en Drukkerijbedrijf Joachimsthal
























