In 't Wasdom

antiquariaat Cornelissen & De Jong – Zwolle
maart 26th, 2022

Over Karl Barth: “twijfelen en toch zeker zijn, wenen en toch vrolijk zijn”

Wessel ten Boom (1959-2021) had meerdere specialismen (o.a. Rilke, Vestdijk, Barth). Hij was een kenner van het werk van de theoloog Karl Barth (1886-1968) en vertaalde onder meer Fides quarens intellectum (FQI) ofwel geloof dat naar begrip zoekt. FQI is een boek (uit 1931) waarin Barth het godsbewijs van Anselmus van Canterbury (1033-1109) relateert aan het theologische programma van Anselmus en uiteraard ook aan zijn eigen programma. Barth deed in de 20e eeuw een stevige poging de theologie te restaureren. Binnen die restauratie paste een inspectie van de voorgangers. En dan deed hij in Die Protestantische Theologie im 19. Jahrhundert, waarbij hij ook de 18e eeuwse voorgangers (en filosofen) betrok. Ik noem enkele van de door hem behandelde namen: Rousseau, Lessing, Kant, Hegel, Novalis en Schleiermacher.

Kennis en begrip van geschiedenis was een wezenlijk onderdeel van Barth’s methode. Hij begon er mee in de jaren dertig in Bonn, waar Die Protestantische Theologie ontstond. Hij schakelde niet alleen zijn medewerkster Charlotte von Kirschbaum (1899-1975) in, maar ook zijn zonen – waarvan er drie theologie zouden studeren – hielpen hem. Tijdens de jaren in Bonn verzamelde Christoph Barth (1917-1986) de portretten van de theologen die in het boek zijn opgenomen (w.o. de Nederlandse theologen Voetius en Kohlbrugge). Die portretten hingen ook bij Barth in huis. En ze maakten indruk, zoals zal blijken.

In het door Wessel ten Boom vertaalde FQI stak een losse bundel vergeeld papier. Dat bleek de tekst te zijn van de rede die Barth hield bij de begrafenis van zijn zoon Matthias Barth (1921-1941). Matthias was één van de drie zonen – onder zijn vijf kinderen – die in de voetsporen van zijn vader trad. Matthias Barth kwam om bij een beklimming van de Fründenhorn. Een berg die tot op de dag van vandaag een geliefd object is voor bergbeklimmers. In zijn laatste uren was zijn moeder Nelly Barth-Hoffman (1893-1976) bij hem. Matthias Barth was een dromer en ondanks zijn heldere verstand was hij niet opgehouden kind te blijven, schrijft Karl Barth waarna hij zijn herinnering aan een andere bergtocht verhaalt: “Und so sehe ich ihn noch als Neunjährigen bei einem für seine Kräfte viel zu schwierigen Gebirgsweg, auf den er sich mit uns begeben hatte, mit leichtesten Füßen, den Boden nur eben berührend, um uns Andere und um alle Gefahren unbekümmert, von einem Felsblock zum anderen springen wie eine kleine Gemse.”

De rede aan het graf van zijn zoon is mij overgeleverd als typoscript. Het typoscript ziet er oud en vergeeld uit, maar het lijkt mij onwaarschijnlijk dat het afkomstig is van Karl Barth zelf. In dat geval zou Charlotte von Kirschbaum wellicht de tekst hebben getikt. Als motto voor zijn rede koos Barth voor een frase uit de brief aan de Korinthiers: “Wir sehen jetzt durch einen Spiegel in einem dunklen Wort, dann aber von Angesicht zu Angesicht”? Barth koos die tekst niet zelf uit, die liet zich kiezen. Sterker nog, hij was al gekozen door zijn zoon Matthias. In de woning in Bonn, waar Barth tot 1935 hoogleraar was, stond de tekst direct onder het portret van een oude theoloog. Ik weet niet welk portret het was, maar het is waarschijnlijk wel opgenomen in Die Protestantische Theologie. Karl Barth had toevallig gezien dat zijn zoon de tekst had afgeschreven, in het Latijn vertaald en overdacht. Vertalen en overdenken waren onlosmakelijk verbonden, meende Karl Barth – Matthias Barth had over de tekst nagedacht: videmus nunc per speculum in aenigmate, tunc autem facie ad faciem.

Ik ga de grafrede niet citeren, maar vertaal een korte passage van de dialecticus Barth, een stuk dat mij aansprak of het nou waar is of niet: “Dat is de genade Gods, waar wij aan vasthouden en waarmee wij aan de grens mogen staan, daar waar het Hier en Dan zich roeren, en dat wij aan deze grens geloven, liefhebben en hopen. Zij is de grens waar het licht zich in en door het duister boort, waar het leven over de dood triomfeert, waar wij grote zondaren zijn en toch gerechtvaardigden, waar wij gevangen zijn en toch vrij, waar wij twijfelen en toch zeker zijn en waar we wenen, maar toch vrolijk zijn.”

De naam van Barth kwam ik voor het eerst tegen in de jaren tachtig, toen ik enige tijd met het (religieus) socialisme sympathiseerde en daar een rechtvaardiging bij zocht. Het was vooral J.J. Buskes die Barth keer op keer noemde en populariseerde. En ik kwam hem tegen in de persoon van Hebe Charlotte Kohlbrugge (1914-2016) – kleindochter van de theoloog die Barth (en Wessel ten Boom) waardeerde. Hebe nam geen blad voor de mond, toen niet en in de oorlog ook al niet. Als ik haar zag – ze werd heel oud – dacht ik ook aan Barth en aan de waarheid en wist ik weer wanneer (en vooral wanneer niet) een mens mag liegen.

In de zomer van 1942 reisde Hebe Kohlbrugge naar Bazel – ik meen dat ze de tocht grotendeels fietste – om Karl Barth te vragen of het verzetslieden was toegestaan te liegen tijdens hun verhoor door de Duitsers. Een verhoor waar het er vaak gruwelijk aan toe ging. Barth vond het een moeilijke vraag, zo vertelde Kohlbrugge, en het was onbescheiden om als inwoner van een neutraal land die existentiële vraag te beantwoorden. Maar na lang heen en weer gepraat was het antwoord ‘ja’. De uitleg van Barth werd na terugkomst van Hebe direct gedrukt en clandestien in omloop gebracht onder de titel: Aan de Nederlandsche Christenen; brief van Prof. Karl Barth.

Dat is ook Barth: zondaar-zijn en toch gerechtvaardigd, wenend en toch vrolijk, gevangen en toch vrij en zelfs liegen en daarin toch de waarheid spreken.


 

maart 14th, 2022

De verschijning van Eurydice en Rilke’s onvertaalbare grafdicht

Zo’n twintig jaar geleden bezocht ik de laatste rustplaats van Rilke. Het graf ligt boven het Rhônedal. Het is er altijd winderig. Op die dag regende het onophoudelijk. We schuilden in een klein museum waar wat foto’s van Rilke lagen. Men kon er zijn dichtbundels kopen.

Rilke woonde de laatste jaren van zijn leven in het Zwitserse Muzot waar hij aan de Sonnetten aan Orpheus werkte. Het werk dat hij nog voor zijn dood voltooide. Gisteren zag ik met de geliefde een uitvoering van de Sonnetten, het grote dichtwerk dat onder meer door Wessel ten Boom werd vertaald. Er zijn er overigens veel meer die zich er aan waagden. Het was een prachtige uitvoering met mooie decors, zoals dat van de veerboot die over de doodsrivier voer. Een tocht die onontkoombaar leidde tot de verschijning van Eurydice aan Orpheus. Eurydice, die in de dood, het niet-zijn, eindelijk de koningin (Neen, alle denkbare koninginnen) was geworden en wilde blijven, “offerde” Orpheus daaraan op: “Niemandes Schlaf zu sein”. Ze zei het niet en het libretto schrijft het niet voor, maar ik dacht er aan.

Zojuist bladerde ik bij toeval – maar wat is toeval anders dan dat het je toevalt – door een bundel van tien studies over Rilke (Bassermann, 1947). Dieter Bassermann begint bij het einde: bij het grafdicht van Rilke. Het gedicht dat de dichter zelf had uitgezocht voor de winderige plaats boven het Rhônedal. Toen ik het indertijd las – in mijn herinnering stond het op een bord tussen rode rozen – begreep ik er weinig van, ook al trok ik er indertijd een intelligent gezicht bij toen ik het “vertaalde” voor mijn kinderen. Tieners nog.

Rose o reiner Widerspruch | Lust, niemandes Schlaf zu sein unter so viel Lidern.

Het grafdicht is voor mij, meer nog dan toen, een onvertaalbare zin geworden. Soms denk ik er dichtbij te zijn, maar kom er toch niet bij. Het beeld van de roos, die zoals de puntdichter Angelus Silesius ergens opmerkt, zonder waarom bloeit en bestaat, ja louter is – is een krachtig beeld. Een roos reflecteert niet. En wat is de slaap zolang hij iemands slaap is? Rilke formuleerde geen leer en zijn gedichten zijn niet bedoeld als levensfilosofie, hooguit een spiegel van zijn Zijn, schrijft Bassermann. Terecht. Vertalen is ook, net als de flirt, een vorm van toe-eigening en dat is hier wellicht net een stap te ver. Juist of zeker ook bij de poëzie van Rilke.

Misschien gaf Eurydice gistermiddag – in die laatste verschijning – wel de meest dichtbij komende vertolking van het grafdicht van Rilke: Rose, o reiner Widerspruch, Lust, Niemandes Schlaf zu sein unter so viel Lidern.

Orpheus kwam haar niet méér naderbij dan bij zijn omkering waarna hij haar verloor. Maar zag haar in die ondeelbare seconde, in die punt des tijds, wel op het allergrootst en zo moet het zijn of beter: zo is het.

februari 9th, 2022

Over het afgebrande kerkhof van Philip Corvage en de Gelassenheit bij Eckhart

Gisteren ging Het proces van meester Eckhart van Vestdijk door mijn handen. Het is de laatste roman van Vestdijk en het boek komt uit de collectie van Wessel ten Boom. Op het schutblad staan zijn potloodaantekeningen met paginaverwijzingen, o.a. naar Gelassenheit, een begrip dat bij Eckhart niet onbelangrijk is.

Ten Boom was een verzamelaar van Vestdijk en bijzonder geïnteresseerd in het religieuze aspect bij hem. In het eerste deel van zijn tweeluik over Vestdijk introduceert Ten Boom Vestdijk door te wijzen op iets dat zij gemeen hebben: het oergevoel van verlorenheid. Hij zou ook anderen kunnen noemen, schrijft hij en dat doet hij dan ook: Anna Blaman, J. van Oudshoorn, Paul Celan en Friedrich Hölderlin, maar Vestdijk springt boven alles uit. Ik zie het nu voor mij, de koppen van de genoemde auteurs en het springen van Vestdijk, maar dit terzijde.

Vestdijk veroorzaakte in de jaren veertig een rel onder de theologen met zijn ietwat uitgelopen essay De toekomst der religie, overigens nog steeds fascinerende literatuur. Ik schreef er eerder over op deze website. Daarin voorziet Vestdijk de teloorgang van het metafyische type. Dat was wel tegen het zere been van de vrijgemaakt gereformeerde theoloog J. Kamphuis, hoewel die best prijzend over, wat hij noemt, “de ongelovige Vestdijk” schrijft: “Weinigen hebben met zo’n felle belangstelling, met zo’n brede eruditie, met zo’n plezier in dogmatische subtiliteiten de passanten in de kerkhistorische straat gadegeslagen.” Voor Kamphuis waren er twee wegen: het ware geloof met de ware kerk en de weg van het ongeloof. De sluipwegen door de velden Gods zag hij niet.

De religieuze thematiek stond ook in De Vuuraanbidders centraal, het vuistdikke boek dat ik las toen ik rond de twintig was. Ik las het in één, misschien twee dagen uit. Een existentiële roman, zo herinner ik mij en nog steeds zeer de moeite waard, vermoed ik, zelfs binnen en buiten het verbastert christendom.

Grappig is dat Het proces van Eckhart in de kritiek niet zo werd gewaardeerd, maar de prijzen zijn op dit moment wel torenhoog. Het is ook nog eens schaars. In de kloosterbibliotheek, waar ik indertijd mijn kantoor had, zou het boek volgens de kaartenbak ook aanwezig moeten zijn, maar het was verdwenen. Weg! Later gooide men ook de kaartenbak weg, waarna de rest van de boeken verdween. Dit niet geheel terzijde.

Los van De Vuuraanbidders was er een andere roman die ik zeer waardeerde, maar waar ik ook last van had: Ivoren Wachters. Als jong docent had ik vaak jongens en meisjes in de klas met een nog matig ontwikkeld gebit, soms zwartgeblakerd (van drop ofzo). En daarbij hadden ze soms best wel een grote mond. Als ze dan losgingen, kostte het mij heel soms moeite om niet de docent van Philip Corvage uit Ivoren Wachters te citeren: “Zeg, hé, hou je afgebrand kerkhof een beetje voor je zeg.”

Tja, Gelassenheit is misschien niet iets dat men dagelijks met zich omdraagt, ook Eckhart niet. Dat viel een tijdgenoot van hem op, althans volgens Vestdijk: “Maar zijn koppigheid leek mij even gevaarlijk groot als zijn gevoel van eigenwaarde, dat in eigenaardige tegenstelling stond tot zijn leer der gelatenheid, geestelijke armoede, het uitwissen der eigen persoonlijkheid, die leeg moest zijn alvorens zich met God te kunnen verenigen.”


Links de QR-code van een nieuw product van  bookmanager en BOLAS in 't Wasdom -> voetnootonline - het publieke onderdeel van de kaartenbak met daarin de gebruikte bronnen t.b.v. webpublicaties. 

Bookmanager wordt eind volgende week (18 febr. 2022) publiek geïntroduceerd. Voetnootonline is een onderdeel van bookmanager (dat voor boekliefhebbers en -boekhandelaren is bedoeld). Mooi om te gebruiken bij Cornelissen & De Jong

Deze voorpublicatie van voetnootonline is bij wijze van uitzondering. Speciaal bedoeld voor de early adaptors onder de twitteraars [zijn die er onder mijn volgers?]. Registreer je en probeer bookmanager (gratis) uit ;-)
januari 19th, 2022

Een memo van een vulgaire boekhandelaar

“Je hebt twee soorten van mensen”, vertelde mij een antiquaar eens: “boekenliefhebbers en vulgaire boekhandelaren. Ik behoor tot de laatste groep, jij tot de eerste.”

Toen was dat nog wel zo, inmiddels heb ik mij tot de vulgaire mensensoort bekeerd. Toch waren er vandaag twee verrassingen die mij misschien tot een grensgeval maken.

Voor het eerst las ik in Dromen. Late gedichten van Wessel ten Boom. Ik signaleerde een intertekstuele referentie naar een gedicht dat mij lief is. Bovendien wierp ik toevallig ook nog een blik in zijn bundel Preken na Pasen. De laatste bundel opent met datzelfde gedicht dat eigenlijk een paasgedicht is: Over de Jabbok.

Het is een gedicht van Gerrit Achterberg. Ik schreef er eerder over, maar kende toen deze verwijzing nog niet. Het is een gedicht over een aangeslagen mens die opstaat en op blijft staan. Het gaat, denk ik, over humaniteit.

Het is duidelijk dat Wessel ten Boom een liefhebber van Achterberg was. Niet ieders liefde gaat immers zover dat de vier banden van de driedelige historisch-kritische teksteditie van de grootste dichter van de 20e eeuw in de kast staat. Ook bij mij niet, maar ik ben dan ook een vulgaire boekhandelaar.

Het gedicht Over de Jabbok komt, zoals opgemerkt, ook terug in de dichtbundel van Wessel ten Boom: Dromen. Late gedichten. Althans, het gaat om een zinsnede, een intertekstuele referentie, zoals geleerden dat noemen.

Taal is leven, stelt Wessel in zijn woord vooraf. En in het leven is er liefde. Het zijn eigenlijk allemaal gemankeerde liefdesgedichten: “Dat mijn leven vervuld van liefde was, niet alleen in haar schoonheid maar ook haar ellende, wordt uit deze gedichten wel duidelijk.” En er is verzoening, in elk geval in zijn Dromen. Ik citeer:

Ik droomde, dat wij ons met elkaar verzoenden

Ze zei opeens met Achterberg: maar dat is nu voorbij, / nog voordat ik iets zei

Ik hoefde niets met woorden te benoemen / de dingen kwamen zomaar vrij

Zon herscheen. Wij liepen hand in hand / als vroeger, heel even maar, eenvoudig / en heel stil tussen de bloemen

januari 1st, 2022

Nieuwjaarsoogst: het keerpunt van Klaus Mann. Over Mann, Silesius en Isherwood

Ik ben een dolle liefhebber van registers. Niet alleen om snel iets op te zoeken, meer nog omdat ik mij vooraf verheug op de lezing van de eigenlijke tekst en de uitleg van al vermoede verbanden.

Zo kwam ik in het register van Het Keerpunt, de autobiografie van de getormenteerde (maar heerlijk schrijvende) Klaus Mann (1906-1949), de puntdichter Angelus Silesius tegen. Over Silesius schreef ik eerder. Mann schrijft op twee plaatsen over hem: “Nog nader dan Meister Eckhart en Mechtild von Magdeburg stond mij de Wandersmann, waaruit ik spreuken (ik kende er veel uit mijn hoofd en heb er ook veel tot op de dag van vandaag onthouden) graag bij het wandelen of ’s avonds voor het slapengaan opzei.

Gelovigheid los van het dogma, religiositeit als spiritualiteit, diep persoonlijke beleving, onafhankelijk van, ja tegen de clericale orthodoxie – het waren de eenvoudige rijmen van Angelus Silesius die mij deze geestelijke mogelijkheden voor het eerst leerden kennen en inprentten.”

Afgelopen dagen, tijdens het lichtjesfeest ;-), moest ook ik aan een bekend puntdicht van Silesius denken: Al was Christus duizendmaal in Bethlehem geboren / maar niet in uw hart, zo waart gij nog verloren [uit het hoofd]. Ik ken betere puntdichten van hem, maar dit terzijde.

Elders noemt Klaus Mann Silesius nog eens onder talrijke boeiende geesten als Franz von Baader, Novalis en Jakob Böhme. Op het moment dat Klaus dit schrijft is het oorlog en schaart hij hen onder het ‘andere’ Duitsland, het Duitsland “in zijn zuiverste en mooiste vorm.”

Na 1660 werd Angelus Silesius, ofwel Johann Scheffler overigens een fanaticus die ijverde voor de katholieke orthodoxie. Je ziet dat vaker: twee of drie zielen in één enkele borst die een vuur laten ontbranden die hem of haar alle mogelijke hoeken en gaten laat zien. Zonder rust: mystiek en erotiek, liberaliteit en orthodoxie. Wel is de middenweg volgens oma zaliger de beste weg. Maar niet de meest spannende route. 

In het register van Het Keerpunt tref ik ook Christopher Isherwood aan. Isherwood was een goede vriend van Klaus Mann. Mann maakt zich zorgen over zijn dierbare vriend. Zorgen heeft hij over diens flirt, samen met Aldous Huxley, met de Indische mystiek die, zo schrijft hij, hem in handen zou drijven van het absolute pacifisme.

En zo gaat het maar door. Geef mij een register en ik ben uren van de straat: alleen, maar toch verbonden. Een soort van, zeg maar.

Ook van Isherwood bezat Wessel ten Boom meerdere romans.

december 31st, 2021

Het spreken van de kerk in de politiek: Barth, Koopmans en Ten Boom

In 2018 promoveerde Niels den Hertog op Jan Koopmans (1905-1945), de theoloog die op 24 maart 1945 stierf door een verdwaalde Duitse kogel die hem op 12 maart trof terwijl hij op zijn onderduikadres op de Stadhouderskade toezag hoe dertig personen door de Duitsers werden neergeschoten bij het Amsterdamse Weteringplantsoen.

Koopmans die in 1938 promoveerde op het oud-kerkelijk dogma, m.n. bij Calvijn, was in de jaren dertig betrokken bij de opvang van gevluchte joden. In het begin van de oorlog liet hij in een brochure een fel protest tegen het antisemitisme horen en poogde hij het kerkelijk verzet tegen de Duitse anti-semitische maatregelen te mobiliseren. Koopmans liet zich inspireren door het Barthiaanse denken over de verhouding kerk en wereld.

In het tijdschrift Wapenveld schreef diezelfde Den Hertog in 2019 een artikel over zijn persoonlijke en theologische Werdegang wat betreft Koopmans. Hij noemt daarin de drie Postilles van Koopmans die voor iedere zondag uit het kerkelijke jaar een preekschets bieden. Hij kwam daar telkens weer op terug, zo schrijft hij en dat geldt ook voor zijn denken over het politieke spreken van de kerk.

In de Laatste postille van Koopmans schrijft zijn geestverwant K.H. Miskotte een inleiding en verantwoording rond zijn keuze uit het werk van Koopmans. Miskotte, Koopmans en J.J. Buskes waren zgn. Barthianen die in de jaren dertig al contacten onderhielden met de Bekennende Kirche in Duitsland. Miskotte en Buskes behoorden tot de zgn. doorbraakdominees die afzagen van christelijke politiek en – partijvorming.

In 1980, vlak voor zijn dood, werd ik, scholier nog, geraakt  door een radiotoespraak van de rode dominee J.J. Buskes. Ik kocht niet lang daarna de pocketuitgave van Hoera voor het leven. Ik wist niet wat mij overkwam. Het was een begin, maar ook een eind: the Beginning of the End & Start of a New Adventure. In de zomer van 1989 danste ik op een zondagavond, tijdens het laatste communistische feestje op een berg ergens bij Parijs, met een mooie veelbelovende schoonheid. Althans, het was iets dat op dansen leek. Ook was er verlangen, maar niet persé naar de wereldrevolutie. Ik hield het klein, maar zelfs dat mislukte.

De drie Postille delen komen uit de collectie van Wessel ten Boom, die – het zal u niet bevreemden – eveneens de invloed onderging van de theologie van Karl Barth. Hij was een grondig kenner van diens theologie; dat blijkt uit zijn bibliotheek (en schrijven). Met Koopmans had Ten Boom een sterke belangstelling en liefde voor de theologie van Calvijn. En dan zwijg ik nog over zijn politieke oriëntatie en keuzes die uiteraard theologische wortels had. In een lang en buitengewoon interessant interview met Henk-Jan Prosman [De dominees – Een ongerijmd leven] gaat hij er zelf nader op in. Daarin komen veel van de hierboven beschreven zaken naar voren: de literatuur (o.a. Vestdijk, Kafka en Rilke), de verhouding christendom-jodendom, Calvijn en de betekenis van het dogma in de kerkelijke praxis.

Zelf zit ik op een bijna afgezaagde tak van een verbastert christendom en weet niet eens wat het woord Postille precies betekent. Ik zocht het voor u (en mijzelf) op in het onvolprezen Historisch Woordenboek: het zijn uitleggingen en kanttekeningen, aanmerkingen in de marge. Dit uiteraard geheel terzijde.

december 21st, 2021

De Doezende Dar en De Bezige Bij – Over de WA-man van Theun de Vries

In het decembernummer van De Parelduiker las ik het opstel van Enno van der Eerden over de figuur van de collaborateur in de vroege naoorlogse literatuur. Het toeval wil dat ik op dat moment de novelle WA-Man van Theun de Vries, in 1944 uitgegeven bij de clandestiene uitgeverij De Doezende Dar, onder handbereik had.

Lisette Lewin schrijft in haar studie Het clandestiene boek dat zij deze novelle als het beste verhaal ziet dat in de oorlog werd geschreven. De novelle lijkt, zo schrijft ze, “op Sartre’s l’Enfance d’un chef, Vestdijk vond de kwaliteit vergelijkbaar.” Lewin prijst de nuance en het realiteitsgehalte van het verhaal: “WA-man beschrijft geloofwaardig hoe een contactgestoorde kruidenierszoon uit de Jordaan in de NSB terecht komt en tenslotte in de WA tot hij in de mei-dagen, gehoorzaam maar walgend van zichzelf meegesleept wordt in de WA-terreur.”

[Ik vertelde Igor eens dat ik Het clandestiene boek van Lisette Lewin een erg goed geschreven studie vond. Het boek heeft een hoog informatief gehalte en leest ook nog eens soepel weg. Ik meen dat er een exemplaar bij ons te koop is. Igor zou het zijn “vroegere aanstaande” doorgeven, maar of dat is gebeurd? God weet het, ik niet, maar ook dit geheel terzijde]

De novelle WA-man werd in 1944 clandestien – “in het verborgene gedrukt”, meldt de colofon. Als pseudoniem werd de naam M. Swaertreger [zetfout voor Swaertveger] gebruikt. Swaertveger staat voor wapensmid, schrijft Enno van der Eerden in het blijmakende notenapparaat van De Parelduiker. Hij had dat, net als ik, ook van een ander. Ik vond het aardig om te weten dat M. Swaertveger het door Theun de Vries gebruikte pseudoniem was en dat de mij nog onbekende uitgeverij De Doezende Dar tot op dag van vandaag bekend staat als De Bezige Bij. 

Hoewel Igor ook een aantal romans van De Vries bezat, komt deze novelle uit de boekerij van Wessel ten Boom. Hij bezat een rijke collectie van en over De Vries. Op de schrijver Theun de Vries kom ik zeker terug, was het alleen maar vanwege zijn interesse in (en werk over) Spinoza, Rembrandt,  Torrentius, nog even los van zijn studies in de religiegeschiedenis en de roman De wilde vrouwen van Pella

december 15th, 2021

Lientje Brilleslijper in Berlijn: “Es brennt, Brüder, es brennt”

Zojuist bladerde ik in het Jiddisch-Duitse liedboek ’s brent, briderlech, ’s brent ofwel het brandt, broeders, het brandt. Het boek werd samengesteld door Lin Jaldati (1912-1988) – eigenlijk heette ze Lientje Brilleslijper  – en Eberhard Rebling (1911-2008).

“Het brandt, het brandt, broeders!” Dat klinkt niet goed, zoveel is mij wel duidelijk. Maar wat en hoe? Het titellied ’s brent, briderlech, ’s brent is van de dichter Mordechai Gebirtig (1877-1942) die in de jaren dertig in Polen de eerste pogroms meemaakte en in het getto van Krakau het leven liet. De kogel kwam ditmaal van rechts; het was een nazi-kogel in het getto tijdens Bloedige Zondag op 4 juni 1942.

Lin Jaldati was al vóór de oorlog danseres bij het Nederlands Ballet en daarnaast solo-zangeres. Zij woonde samen met Eberhard Rebling die eerder in Berlijn filosofie en muziekwetenschap studeerde. In 1935 promoveerde hij op de sociologische achtergronden van de stijlverandering in de muziek (in de 18e eeuw). Hij was pianist en trad op met zijn geliefde  Lin, die danste en daarnaast Jiddische liederen zong. Eberhard was na zijn promotie met twee koffers, een typemachine en tien Mark naar Nederland gekomen. In 1941 kreeg het paar de eerste dochter (Kathinka), niet veel later doken ze onder in ’t Hooge Nest. 

Het verhaal van de onderduik, de verzetsactiviteiten van de familie Brilleslijper en het verraad werd beschreven door Roxane van Iperen (’t Hooge Nest). Het werd een bestseller.

Lin en Eberhard beschikten over een enorm repertoire met liederen. Dat blijkt ook uit deze uitgave die honderden liederen bevat (incl. aanhangsel met muzieknoten). In het naoorlogse Nederland nodigde niemand het communistische echtpaar meer uit. In Berlijn was dat anders, dus vestigden Lin en Eberhard zich in Oost-Duitsland waar Eberhard docent werd aan een hogeschool, als ook redacteur van het tijdschrift Musik und Gesellschaft.

Het dansen, zingen en musiceren bleef een constante in hun leven. Zo schrijft Coen Wessel, die in de jaren tachtig twee van hun optredens meemaakte, op de website karlbarth.nl: “Lientje Brilleslijper zong Jiddische liederen. Het vrolijke ‘Als der rebbe Elimejlech’ onthield ik meteen. Haar man Eberhard Rebling zat achter de piano en hun jongste dochter Jalda (1951) stal de show.” Coen kocht na afloop van het concert het boekje Es brennt, Brüder, es brennt. Misschien was hij er wel met Wessel ten Boom, uit wiens nalatenschap deze bundel komt. Dàt zou mij niet verbazen.

De liedbundel bevat mooie teksten met veel melancholie in de traditie van de psalmdichter die er ook wat van kon: aan Babels stromen zaten wij gevangen. Daar weenden wij van weemoed en verlangen.

Dit alles terzijde uiteraard. Klik op de link voor méér boeken uit de collectie Ten Boom.


N.a.v. 's Brent, briderlech, 's brent | Es brennt, Brüder, es brennt. Jiddische Lieder (1985). Herausgegeben von Lin Jaldati und Eberhard Rebling. Nachdichtung von Heinz Kahlau. Berlin: Rütten & Loening.

Met notenschrift van diverse liederen, alsmede een krantenknipsel van Esther Hageman (Trouw, 6 aug. 2008) over Eberhard Rebling en Lin Jaldati (o.a. over naoorlogse tijd). € 45,00 incl. pak- en verzendkosten. Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong
december 10th, 2021

Wat de zee verzwijgt! Wat dood niet tekent, is er nooit geweest

Ik las vanmorgen in De Waarheid van 28 mei 1988 een recensie van de dichtbundel Wat de zee verzwijgt van H.J. de Roy van Zuydewijn (1927-2019). Recensent is de onlangs overleden Wessel ten Boom (1959-2021). De krant – als eerste in tabloidformaat – wilde zich in die jaren ontwikkelen tot de krant voor links Nederland en men had ook daarom meer aandacht voor cultuur. Voorheen was dat iets marginaals in de partijkrant die zich desondanks De Waarheid noemde.

De bespreking is van hoog niveau. Ten Boom zet De Roy van Zuydewijn in de traditie van Herman Gorter, James Joyce en Heiner Müller die stof uit de klassieke literatuur ontlenen voor het positioneren van een eigen program. De poëzie van De Roy van Zuydewijn  – die in deze bundel het Odysseus-motief hanteert – wordt door hem beschreven als een anti-burgerlijk fenomeen waaraan iedere vrijblijvendheid ontbreekt. Hij zag af van het poseren van het vrije bewustzijn in een onvrije maatschappij met de bijbehorende vrijblijvendheid die eigen is aan de pose.

In de poëzie van De Roy van Zuydewijn gaat het volgens Ten Boom om de inzet van het eigen vlees en bloed in een wereld die kritiek verdient: een militante kritiek op al het voorlopige en bestaande als het aan Ten Boom zou liggen. Kritiek die in het huidige politieke discours overigens ook niet misplaatst is waarin zogenaamd het pragmatisme leidend is, maar waarvan de keuzes maar al te vaak nadelig uitvallen voor de publieke zaak die bestuurders zeggen te dienen. Geef het volk hun brood en spelen, maar laat ons de knikkers en het spel. Consumeer je kapot en verdwijn daarna in die zee van eeuwige vergetelheid.

Het knappe aan de bundel is intussen dat die verleiding als ook die van het zoete “dichterlijke” afzien van kritiek wel wordt benoemd in de vormvaste bundel met 123 kwatrijnen in het rijmschema a-a-b-a: “Laat het weer zijn zoals het vroeger was / in bed, op ons zacht verende matras / wie let er op het kraken van de wielen / zolang de naaf nog meegeeft op de as?” (kwatrijn 91).

En dan is er nog iets dat mìj aanpreekt als lezer die nog voor het definitief doorknippen van de navelstreng door de bevinding werd overmand. De intertekstuele verwijzing (kwatrijn 39) naar het schitterende verhaal van de Jacobsworsteling en naar de roeping van de mens wiens enige roeping is om mens te zijn. Bedenk wel: “mens is alleen de vleesgeworden geest / wiens heup niet van het tweegevecht geneest / waarin hij met zijn Demon heeft geworsteld / wat dood niet tekent, is er nooit geweest.”

Wat dood niet tekent, is er nooit geweest.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, ook uit de collectie Ten Boom, waaronder de dichtbundel van H.J. de Roy van Zuidewijn.

november 30th, 2021

H.N. Werkman – de meester die geen vazal was

Vanavond pakte ik in het voorbijgaan een boek van een hele hoge stapel. Het is het egodocument van H.N. Werkman met de brieven die hij tussen december 1940 en april 1945 schreef.

Werkman was een expressionistisch kunstenaar en grafisch vormgever die voortgedreven werd door besef van onvolmaaktheid. Iets dat vaker voorkomt en wat hij deelde met de dichter Gerrit Achterberg: “Met dit gedicht vervalt het vorige / ik blijf mij eigen onderhorige.” En het blijft maar doorgaan. Ja, pas in ’t einde blijkt, zo schrijft Achterberg, “wie meester is en wie vazal.”

Ook Werkman schrijft in een van zijn brieven dat hij denkt dat het beste werk nog voor hem ligt: “Maar altijd denk ik dat ik mijn beste werk nog moet maken. En dat is wat mij tegenhoudt om te zeggen: ik ben een kunstenaar.” Wessel ten Boom (1959-2021) – hij was de eigenaar van het boek – zette er met potlood een streepje bij. Dat deed hij vaker: “woeste potloodstrepen, want een balpen is in een boek volstrekt taboe”, zo schrijft hij (Vestdijk II, p. 173).

Na de titelpagina van dit boekje, dat als nr. 10 deel uitmaakt van de privé-domeinreeks, staat een prachtig citaat. Het is een notitie van Werkman, gevonden tussen zijn nagelaten papieren. Als ik niet zo sterk was als dat ik ben zou ik wenen, immers: it’s nice enough to make a little man weep / But I don’t weep, do you? (Charles Bukowski, ja).

“De verborgen wegen zijn het mooist, op de onopengesneden bladen, als het stil gedragene dat niemand weet, dat niemand ziet, dan na de dood.”

Op 10 april werd Werkman met negen anderen door de SD-er Peter Schaap vermoord in de bossen bij Bakkeveen. Hij werd, denk ik, herkend als een kunstenaar die dingen maakt die de woede opwekt omdat het stem geeft aan dat wat men in zichzelf niet erkennen kan of wil. Werkman kon dat! Als geen ander gaf hij er vorm aan. En ook in dat einde bleek wie hij was: meester, géén vazal.

Het boekje met de brieven maakt deel uit van de collectie van dr. Wessel ten Boom, dienaar van het woord (en kenner van het werk van Vestdijk, Rilke, Bob Dylan en wat al niet meer) die in oktober j.l. overleed. 

Hier kunt u andere boeken uit de collectie Ten Boom vinden.

PHP Code Snippets Powered By : XYZScripts.com