in 't Wasdom

antiquariaat Cornelissen & De Jong – Zwolle
januari 15th, 2021 by Igor Cornelissen

Het congres van Wenen en de genoegens van Vita en Harold

Het congres van Wenen vond plaats in 1815, maar Harold Nicolson (1886-1968) pakt het breed aan, zoals hij alles breed aanpakte. Deze diplomaat, schrijver en politicus, werd in 1886 in Teheran geboren waar zijn vader gezant was.

Nicolson vond, toen hij in later jaren terugkeek, zijn leven nogal mislukt. Vreemd want hij schreef 125 boeken was lid van het parlement en werd onderminister. Zijn belangstelling was heel breed. Hij schreef o.a. over Verlaine, en Swinburne en kreeg, hoewel hij kort lid was geweest van een fascistische partij, toegang tot de koninklijke archieven om een biografie over George V te schrijven. Vanaf 1930 woonde hij op kasteel Sissinghurst dat hij met zijn vrouw, de dichteres Vita Sackville-West in oude glorie herstelde. Zijn vrouw maakte van de uitgebreide tuinen een lusthof die nu jaarlijks door tienduizenden toeristen worden bezocht, maar Harold knipte zelf ook wel met zijn rozenschaar. Ik was een van die bezoekers en dacht meer aan de schitterende rozen en altijd groen bemoste muren dan aan het Congres van Wenen.

Het congres van Wenen gaf Nicolson de gelegenheid om de herordening van Europa na de val van Napoleon te voorzien van ruim bemeten steigers. De Heilige Alliantie, een  vaag bondgenootschap tussen het Rusland van tsaar Alexander, Pruisen en Oostenrijk moest een tegenwicht vormen tegen de ideeën van de Franse Revolutie. Vaag was het omdat het stoelde op christendom en begrippen als barmhartigheid en naastenliefde. De tsaar zou bij dat plan beïnvloed zijn door de Baltische mystica barones Barbara Juliana von Krüdener, een naam waarvan je denkt dat hij door een tweederangs romancier is verzonnen. Nicolson vond bronnen waaruit kan blijken dat zij dankzij (of ondanks?) haar mystiek het bed deelde met de tsaar. Een avontuurtje dat niet heel lang duurde, maar genoeg was voor de Heilige Alliantie.

Ondanks mijn aanzwellende hang naar het vegetarisme genoot ik ook van Nicolsons beschrijving van de mondaine genoegens tijdens die maanden durende onderhandelingen. Recepties, bals, banketten, tombola’s, spiegelgevechten… Er leek geen einde aan te komen. Tijdens de jachtpartijen werd, volgens een ooggetuige, een onnoemelijk aantal everzwijnen, herten, hazen en ander wild onder luide bijval der toeschouwers omver geschoten. En dan waren er nog de kleinere avondjes in de huizen van de Weense upper ten.

Nicolson schreef in ieder geval niet saai.

En wat zijn sombere terugblik op zijn eigen leven betreft, misschien dat de verklaring gezocht moet worden in zijn huwelijk. Zijn vrouw was lesbisch (Virginia Woolf was een van haar vriendinnen) en hij homo, beiden ook biseksueel,  en hun verhoudingen dienovereenkomstig. Maar dat moet toch op dat schitterende Sissinghurst een welkome afleiding zijn geweest voor het graven, spitten, zaaien, planten, dichten en boeken schrijven?


Nicolson, Harold (1948. Het congres van Wenen. De samenwerking der geallieerden in de jaren 1812-1822. Amsterdam: Querido Uit het Engels vertaald door E. Lopes Cardozo. I.z.g.st, gebonden in blauw linnen met gouden belettering. Met mooie stofomslag, 344 pp., illustraties en bibliografie, vertaling Lopes Cardoza. Met frontispiece (schilderij naar een tekening van Isabey). Ex Libris van A.J. Blydestein. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 21,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 14th, 2021 by Igor Cornelissen

De Russische reisschetsen van Philip Mechanicus

Bij zijn eerste reis in 1930, georganiseerd door de Nederlandse vertegenwoordiger van het Russische reisbureau Apie Prins, werd Philip Mechanicus vergezeld door architect H.P. Berlage en de kunstenaar Henri Pieck die op dat moment voor de Russische geheime dienst werkte. Pieck schreef een dik boek over de reis die alleen maar lof bevatte. Mechanicus daarentegen was kritisch en noemde de geheime dienst die iedere Rus in de gaten hield en hij wist ook al dat in de Ljoebjanka gevangenis de opgeslotenen onder erbarmelijke omstandigheden moesten leven.

Mechanicus was vooral nieuwsgierig, zoals het een journalist betaamt. Toen hij als jood in Westerbork zat (in afwachting van zijn transport naar en dood in Auschwitz) schreef hij In Depot dat lang na zijn dood werd uitgegeven. Een buitengewoon belangrijk boek.

Philip Mechanicus schreef over de seksuele wetten in Rusland (op de praktijk kon hij natuurlijk geen zicht hebben), de film en de economische toestand. Het jaar 1931 was volgens hem een  kritiek jaar. De hongersnoden in de Oekraïne moesten nog komen. Het grote enthousiasme die merkbaar was bij het begin van het vijfjarenplan was nog niet gedoofd, maar wel aanmerkelijk teruggelopen.

Het is jammer dat we niet meer te weten kunnen komen wie Mechanicus’  bronnen waren. Met wie sprak hij? Kende hij voldoende Russisch of moest hij het doen met (voorgeprogrammeerde? ) tolken?

In deze tijd, waarin Nederland over slavisten en kremlinologen beschikt, is het interessant te lezen hoe Mechanicus zich een weg baant door dat enorme en zelfs deels ondoordringbare land. Dat laatste is nog altijd zo, al weten we nu veel meer dan het Handelsblad toen kon weten. Wat Mechanicus zag, noteerde hij: de onafzienbare stoet van haveloze, dakloze wezen, bedelend langs de straten.

Als terzijde blijve niet onvermeld dat de toenmalige liberale hoofdredacteur van het Handelsblad, Von Balluseck, fel anti-nazi, afstamt van een Russische familie. Hij werd tijdens de bezetting door de Duitsers gearresteerd, kwam later en werd en na 1945 diplomaat.


Mechanicus, Philip (z.j.[ca. 1933]). Russische reisschetsen. [Verzamelde reisbrieven, overgenomen uit het Algemeen Handelblad van 1930, 1931 en 1932, met een voorwoord van D.J. von Balluseck.]. Uitgave van het Algemeen Handelsblad. Redelijk; omslag 'hersteld' (zie foto). Binnenwerk goed. 111 pp., met illustraties. Met ex libris van J. Kortenhorst. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 15,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 13th, 2021 by Igor Cornelissen

Achter het mombakkes: Over Shakespeare

De in Middelburg geboren P.H. van Moerkerken Jr. (1877-1951) studeerde in Utrecht Nederlandse letteren. Hij promoveerde in 1904 op De satire in de Nederlandse Kunst in de Middeleeuwen. Tijdens zijn leraarschap werd hij aan de Academie voor Beeldende Kunst benoemd tot docent in de iconografie. Hij is ook bekend geworden als boekbandontwerper en illustrator. En hij schreef onder het pseudoniem Peter Dumaar.

Toen de criticus Kees Kelk hem in 1951 in De Groene Amsterdammer herdacht, noemde hij Van Moerkerken een miskend talent. Achter het mombakkes leek daar enige verandering in te brengen. Deze studie over Shakespeare verscheen kort voor de dood van Van Moerkerken. In het goed geïllustreerde boek wordt – en niet voor het eerst – de vraag opgeworpen of Shakespeare werkelijk de auteur is van de aan hem toegeschreven toneelstukken en sonnetten.

Was niet veeleer graaf Edward De Vere de schrijver? Shakespeare was al eerder getypeerd als een charlatan, een analfabete derderangs toneelspeler die onmogelijk op de hoogte kon zijn van het wel en wee der vorstenhuizen. De Vere was dat in ieder geval wel. Die verkeerde aan het Britse hof en kwam zelfs in de Tower terecht. Hij zou gesympathiseerd hebben met het roomse geloof. En dat was niet het enige. Dat verblijf in de Tower was niet voor goed, want De Vere vocht daarna nog enkele jaren met de Hollanders mee tegen de Spanjaard.

Het is alsof ik zelf al iets van argwaan had. Toen ik Stratford-upon-Avon bezocht bezocht ik het geboortehuisje van Shakespeare niet, hoewel het bij de rondreis was inbegrepen. Was dat niet allemaal namaak? Maar misschien had ik geen zin me mee te laten voeren in de lange rijen der toeristen. Ik verzeilde in een antiekwinkeltje en kocht daar voor mijn verzameling een mooi antiek antiekpotje. Dat was tenminste iets voor echte schrijvers.

Ooit bezocht ik de schrijver C.J. (Kees) Kelk die Van Moerkerken “een miskend genie” had genoemd. Het was kort voor zijn dood voor een interview in Vrij Nederland. Dat was overigens niet makkelijk. Kees ontving me met grote vreugde. Helaas was hij geteisterd door een herseninfarct, waardoor hij met moeite slechts enkele woorden kon uitbrengen. Was het waar dat hij altijd zo mild over boeken had geschreven? Ja. Omdat-ik-weet-dat-het-zo-moeilijk-is-een g-g-goed-boek- te -schrijven.

En die boeken die hij over wijnen had geschreven. Nee dat was niet moeilijk geweest. Waar was daar de kern van geweest. Kees lachte. Bij wijn ging het om de k-k-kwali-teit. Van Moerkerken kwam lang na zijn dood nog in het nieuws, maar dat kwam door zijn zoon, de bekende fotograaf Emiel van Moerkerken die het archief van zijn vader bij het letterkundig Museum opeiste. Dat wilde het Museum niet omdat de nalatenschap aan het Museum was geschonken. Hoe dat conflict is afgelopen, weet ik niet. Bovendien is dat veel minder interessant dan het achterhalen van de schrijver van Hamlet en al die andere meesterwerken. Die discussie woedt nog steeds voort.


Moerkerken, P.H. van (1950). Achter het mombakkes. Amsterdam: G.A. van Oorschot. Geïllustreerd, frontispiece met afbeelding van Edward de Vere. Met verantwoording afbeeldingen, noten, 154 pp. Beschadigd stofomslag. Bijgevoegde krantenknipsels geven enig inzicht in de figuur van prof. P. H. van Moerkerken en Kees Kelk. € 16,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 11th, 2021 by Igor Cornelissen

A.B. Kleerekoper, de kronkel bij het Volk

Vroeger – nog niet eens zo lang geleden – was alles anders en wist men in de Rode Familie wie A.B.K. was. Toen wel. Sommigen noemen hem de eerste columnist, schrijver van het ‘hoekjesstuk’. Dat zijn dan vaak de lezers van Het Parool. Zij begonnen hun dag met de kronkel van Simon Carmiggelt; de dagelijkse kronkel.

De columnist Kleerekoper, zionist én socialist, was politieker en had een, om het zo te noemen, fijne neus voor het antisemitisme. Geen wonder dat zijn stukjes uit de jaren dertig daar vaak over gaan.

Kleerekoper was geen makkelijk mens in de omgang. Hij was nogal bewust van zijn eigen voortreffelijkheid. Aan zijn toewijding voor de socialistische zaak bestaat geen enkele twijfel. Tal van fondsen werden door hem opgericht. Voor bedelen schaamde hij zich niet. Mits voor de goede zaak. Hij was de zoon van de rabbijn in Tiel. Aan bijbelkennis ontbrak het hem niet en dat maakte dat hij in zekere kringen werd gevreesd.

In 1929 werd A.B.K. getroffen door een ellendige ziekte. Toen hij een paar jaar later het ziekenhuis mocht verlaten had hij twee verlamde benen. Hij bleef voor Het Volk schrijven. Bij redactievergaderingen, die bij hem thuis plaatsvonden, leefde hij op. Hij moest mensen zien en horen. Voor zijn ziekte reisde hij met de trein het hele land af voor spreekbeurten. Hij nam dan de derde klas want dan hoorde je wat er onder het volk leefde. In mijn tijd bij Vrij Nederland konden redacteuren al een leaseauto krijgen. Dit alles terzijde, net als de constatering dat er tegenwoordig honderden ‘columnisten’ zijn die allemaal (n)iets te melden hebben.

De zwaar zieke Kleerekoper kreeg tijdens de oorlog een kleine voorkeursbehandeling. Hij werd niet gedeporteerd, maar mocht zijn laatste weken doorbrengen in een joods ziekenhuis. Daar bezocht partijgenoot Willem Drees hem nog met als geschenk drie gebakken scholletjes. Die heeft hij niet meer kunnen opeten. Hij werd op Muiderberg begraven. Zijn zionistische vrienden, die enkelen die nog niet waren opgepakt, mochten hem niet op zijn laatste tocht begeleiden.


Kleerekoper, A. (1933). Oproerige krabbels [verzameld en ingeleid door Joh. Winkler]. Amsterdam: Querido. I.z.g.st., zwartlinnen band met rode belettering. Bandontwerp van Fré Cohen. Gebonden in linnen, 181 pp., 1e druk. Uit de collectie Igor Cornelissen. Foto auteur als frontispiece, 2e bundel (vijftien jaar na de 1e). Incl. 2 originele krantenknipsels met columns van ABK (uit jaren dertig). Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 6th, 2021 by Igor Cornelissen

Bunyan in the Short History of the English People van Green

Een korte geschiedenis over het Engelse volk, maar wel in vier dikke delen en met schitterende illustraties. Niet alleen hoe de slaapkamer van een Engelse lady eruit zag en hoe koningin Elisabeth zich al biddend tot het Opperwezen wendde, maar ook hoe in de veertiende eeuw kippen werden gevoerd en een paard werd beslagen. De vier delen vullen in totaal 1906 pagina’s. Men is bijna geneigd dat ‘short’ te zien als ironie, waar de Engelsen sterk in zijn. De historicus John Richard Green (1837-1883) had een zwakke gezondheid (longen) en had haast met het afmaken van zijn  meesterwerk. Zijn Short History verscheen in de jaren 1878-1880 voor het eerst (maar zonder illustraties).

In deze editie, uitgegeven na de dood van Green, zijn talloze illustraties opgenomen en die maken deze uitgave bijzonder. Tot op de dag van vandaag verschijnen er herdrukken van deze uitgave uit 1892-1894.

John Richard Green (1837-1883) die eerder geestelijke was, maar later in Oxford geschiedenis studeerde wilde geen boek schrijven over veldslagen, dus niet over hoe de ene helft van de mannen een ander deel afslachtte, maar over de gewone mens in het veld. Toch veel afbeeldingen van kastelen, fraaie landhuizen. graven, koningin Elisabeth in gebed maar ook ‘onze admiraals De Ruyter en Tromp, een Iers melkmeisje, een schoenmaker en zijn (spaarzame) gereedschap en een keukenmeid. Opvallend voor zijn brede en ongewone belangstelling is bijvoorbeeld ook een afbeelding van het schip Bellerophon waarmee Napoleon naar St. Helena werd vervoerd. Wie heeft er (nu nog) ooit van dat schip gehoord?

Green besteedt de nodige aandacht aan religie en de daarbij behorende twisten. De Puriteinen en de Pilgrim Fathers (waarvan een groep in 1609 naar Leiden vluchtte en daar asiel verkreeg) krijgen veel aandacht. Hij schrijft ook over de predikant John Bunyan die in bevindelijke kringen nog met grote instemming wordt gelezen, meestal in een Nederlandse vertaling. Je gaat meeleven als je, in deel III de prent ziet van het in 1687 gebouwde lokaal in Southwark waar Bunyan en zijn volgelingen bij elkaar kwamen. In de Londense wijk Southwark herinnert in Zoar Street niets meer aan de geestelijke arbeid van Bunyan. Het is nu een saai stukje straat in een vooral door naargeestige banken en hoge kantoorgebouwen overheerste buurt.

Later dan Bunyan spelen de grote koloniale overwinningen die een rol in Greens overzicht krijgen. De tijd dat Groot Brittannië een wereldmacht wordt. In 1759 noteert de schrijver Horace Walpole: ‘We are forced to ask every morning which victory there is for fear of missing one.’ Conservatieve politici als Boris Johnson zullen met gevoelens van heimwee aan die tijd terugdenken.


Green, J.R. (1892-1894). A Short History of the English People. Illustrated edition by Mrs. J.R. Green and Mrs. Kate Norgate. London/New York: MacMilland and Co. Preface and introduction by Alice Stoppord Green (background of the illustrated edition), Preface of the First Edition by J.R. Green. Contents and notes on the illustrations [All Volumes], 1906 pp. Ex libris Robert Russell Needham Baron. Good, light foxing. In blue cloth bindings with gilt lettering to the spines and gilt embellishment to the front boards. There are coloured maps to the front of Volume I and IV and a fold-out map to the front of Volume III. With numerous black and white illustrations throughout all volumes.

Very scarce edition (not founded) € 285,00 (incl. shipping within The Netherlands). Interested? Contact us.


Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 6th, 2021 by Igor Cornelissen

De vijf dagen van Churchill

John Lukacs was een in Boedapest geboren historicus (katholieke vader, joodse moeder) die zeer productief was. In 1946 toen hij de communistische heilstaat in zijn land al zag aankomen, vertrok hij naar de Verenigde Staten waar hij colleges ging geven aan het Chessnut Hill College in Philadelphia. Hij steekt in veel van zijn boeken zijn lof over Winston Churchill niet onder stoelen of banken. Hij zag hem als de grootste staatsman van de twintigste eeuw. Hij trok van leer tegen het populisme dat hij, lang voordat men hier wakker werd, als een groot gevaar zag. Vroeger werd men bespeeld door aristocraten, daarna door democraten, maar de uitwerking was niet hetzelfde.

In Vijf dagen in Londen beschrijft Lukacs nauwkeurig wat er in en rondom de regeringsgebouwen in Londen gebeurde, maar ook wat  de man (en zijn vrouw) ‘in the street’ ervan dacht. Tegengestelde meningen. Overal. Er waren ook vrouwen die niks voor de voortgezette oorlog voelden. Als er een vergelijk met Hitler mogelijk was, dan hadden ze tenminste hun man weer thuis. Levend. Op 1O mei was Chamberlain afgedankt en Churchill benoemd tot regeringsleider. Chamberlain was de man die dacht dat hij met Hitler een overeenkomst kon sluiten. Peace in our time. De vlaggen werden uitgehangen. Maar Hitler slokte Tsjechoslowakije op en dat deed het prestige van Chamberlain geen goed. En dat was nog maar het begin. Churchill bestreed Hitler vanaf 1932 in redevoeringen en artikelen. Die werden in heel Europa afgedrukt. Of ze ook gelezen en begrepen werden, is een ander ding.

Lukacs noteert dat allemaal. Heel bijzonder is dat hij vertelt dat Churchill als regeringsleider zijn afgedankte voorganger nodig had. Die is namelijk nog altijd de aanvoerder van de Conservatieven in het Lagerhuis en Churchill wordt door velen van hen, hoewel partijgenoten, toch met wantrouwen bezien, met hoorbaar wantrouwen ook. Churchill krijgt Chamberlain aan zijn kant tijdens de discussies die soms in afgesloten ruimtes worden gevoerd. Churchill toont zich niet haatdragend tegenover zijn voorganger. Integendeel. Chamberlain is daar gevoelig voor en ziet eindelijk in dat er met Hitler niet te onderhandelen valt.

In Nederland is ook vijf dagen gevochten. Hier en daar met heldenmoed. Maar wij hadden nauwelijks wapens. Er was maar één tank. Alleen op de Afsluitdijk stonden moderne bunkers met afweergeschut. Toen de mannen daar hoorden dat Nederland had gecapituleerd moesten ze huilen. Ze hadden op het Kornwerderzand toch de Moffen tegengehouden? Over onze vijf dagen oorlog tegen Duitsland schreef Loe de Jong een heel boek in zijn reeks over het Koninkrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog. Lukacs schreef een spannend boek over vijf dagen.

In Engeland was het met de bewapening maar net iets beter gesteld dan in Nederland. Churchill wist dat, maar van een toegeven aan Hitler wilde hij niet weten. Dat maakt hem tot een groot staatsman. Die paar dagen die beslissend werden voor de toekomst van een bevrijd en democratisch Europa waren beslissend. In ieder geval voor het deel waar wij in leven. Zo lang het duurt.


Lukacs, J. (2005). Vijf dagen in Londen. Mei 1940. Amsterdam: Mets & Schilt. I.z.g.st., als nieuw, gebonden in lichtblauw linnen met stofomslag en leeslint. 1e druk. Vertaling Paul Syrier, met bibliografie en noten. Uit de collectie Cornelissen. € 20,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 4th, 2021 by Igor Cornelissen

Zwolle op de kaart

De herinneringen van Catharina Magdalena van Hille-Gaerthé (1881-1958), dochter van een Zwolse huisarts, beslaan de jaren 1881-1914. Dat zijn de jaren dat niemand het in zijn malle hoofd kreeg om Zwolle ‘op de kaart te zetten’ en het evenmin nodig werd geachten, om de stad te promoten als Hanzestad.

In de Mijmeringen, die voor de Zwolse Courant zijn geschreven en werden gepubliceerd in de jaren 1956-1958, is Zwolle nog een rustige provinciestad met weinig industrie. Een ambtenarenstad heette het in mijn jeugd. Nu is het een stad met studenten, hoewel er nergens een hoogleraar rondloopt. In de tijd van Van Hille was de Diezerstraat een winkelstraat maar van ‘ketens’ had men niet gehoord en zelden stond een pand leeg. Een winkelier begon zijn zaak in de overtuiging dat zijn kinderen het tot grotere bloei zouden brengen. In die Diezerstraat stond nog de Oude Gaper. Daar waren er toen al weinig meer van in Nederland. Soms is het een neger, legt Van Hille uit. Ook dat woord is nu taboe en de Oude Gaper is al jaren verdwenen.

Aandoenlijk is haar beschrijving van de boerinnen in klederdracht die hun groente en bloemen verkochten. Een enkele keer zie ik nog vrouwen uit Staphorst in klederdracht. Ook dat verdwijnt.

Ik zou het boekje van Van Hille vooral rustgevend willen noemen. Zoals het was en nooit meer terug zal komen. Niemand voelde toen de behoefte om zijn deur te vergrendelen. Zelfs het Heilsleger dat ze beschrijft, met de vrouwen die met hun Halleluja hoeden in het begin werden uitgejouwd, zie ik nooit meer. Vroeger nog wel. Ze hadden een pand in de Diezerstraat. Daar zal nu ook wel een keten in zitten als er niet al een bordje met Te Huur op staat.


Hille-Gaerthé, C.M. van (z.j.). Zwolse mijmeringen. Herinneringen aan de jaren 1881-1914. Zwolle: Erven J.J. Tijl. Omslag met vlekken, gebruind papier. 71 pp., met illustraties. Uit de collectie Igor Cornelissen. Met meerdere foto's, € 12,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 3rd, 2021 by Igor Cornelissen

Over Jan Hanlo, een liefdevol surrealist

Ik vind Jan Hanlo een liefdevolle surrealist, al hebben deskundigen hem ongetwijfeld beter, laten we zeggen wetenschappelijker getypeerd. Met liefdevol bedoel ik bijvoorbeeld zijn korte verslagje hoe hij ‘s morgens vroeg om vijf uur, om en om met een merel een lied fluit. Jan is dan één met de natuur.

Hij werd tot de vijftigers gerekend en dat gold zeker voor wat zijn leefwijze en drankzucht betreft, maar hij kon of wilde niet leven zonder zijn katholieke god. Zo was hij opgegroeid. Als hij in Ierland ‘s morgens vroeg naar zijn goedkope hotel loopt na een vermoeiende nacht informeert hij bij een omstander waar een roomse kerk is. Hij moest immers zijn zondagsplicht vervullen. Dat hij zich in de dag vergist, maakt het verhaal nog komischer. En al heb ik dan nooit in een Iers kippenhok de nacht doorgebracht ik herkende de door Hanlo opgeroepen sfeer van dat land. Hetzelfde merkte ik toen ik zijn korte verhalen las over Sevilla. Ook daar was ik eens, vele jaren later, maar het leek of ik dezelfde Spanjaarden en zigeuners had ontmoet.

Als hij in tien regels uitlegt waarom het zo moeilijk blijft non-figuratieve kunst mooi te vinden (‘het stelt immers niets voor’) en opmerkt dat hij aan avondlucht of zonsopgang niets aan vindt, maakt hij voor één gewaarwording een uitzondering. Bij een zonsopgang meende hij één keer ‘ergens in de vorm van zo’n wolk de neus van mijn grootmoeder te onderscheiden en toen vond ik het ineens mooi.’

Ik had het moeten zeggen: Je hebt gelijk Jan, het hoeft allemaal niet zo ernstig, maar nou net die ene keer dat ik Jan Hanlo ontmoette en met hem de stad introk, werd hij in korte tijd zo straalbezopen dat hij mijn woorden niet gehoord zou hebben.


Hanlo, J. (1966). In een gewoon rijtuig. Amsterdam: G.A. van Oorschot. I.g.st., omslag licht beschadigd (bovenzijde rug). Paperback/softcover met flappen, 279 pp., € 15,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 2nd, 2021 by Jaap de Jong

Zwolse egodocumenten in het nieuwste nummer van het ZHT

Zojuist arriveerde het nieuwste nummer van het Zwols Historisch Tijdschrift (37e jrg., nr. 4, 2020). Daarin aandacht voor het afscheid van Annèt Bootsma als hoofdredacteur. Meer dan de helft van het bestaan van het ZHT drukte zij haar stempel op het tijdschrift. Net als twee andere medewerkers (Wim Huijmans en Wim Coster) stopt zij met de redactie van het tijdschrift. Dat is een stevige aderlating voor het tijdschrift dat mede door hun inbreng een professionele uitstraling kreeg.

In dit nummer ook volop aandacht voor het egodocument. Een bron die door Bootsma zeer wordt gewaardeerd. De artikelen over Steven van Egten, maar ook dat van Harry Koopman (over zijn katholieke jeugd in het verzuilde Zwolle) zijn gebaseerd op egodocumenten en herinneringen. Belangrijk voor een levend contact met de wereld van gisteren.

Verleden en toekomst van de Zwolse architectuurgeschiedenis komen naar voren in het gesprek met oud-wethouder Margriet Meindertsma die met verbazing en ongerustheid de tomeloze ambitie op het Zwolse stadhuis gadeslaat: Zwolle moet de vierde topregio in het land worden. Meindertsma formuleert het omzichtig: ‘Deze groeiambitie past niet bij Zwolle. Het is te veel, te hoog, te dicht op elkaar en vooral te duur’. De gaten in het historisch centrum van Zwolle en de vernielzucht van de heren bestuurders uit het recente verleden (jaren zestig) zou toch iets moeten betekenen als het gaat om deze ambities, zou ik daaraan willen toevoegen. Ed Anker van de ChristenUnie, verantwoordelijk wethouder, is misschien nog aanspreekbaar op de torenbouw van Babel die nergens toe leidde dan tot verwarring en verval. Dit natuurlijk terzijde.

Jan van de Wetering schrijft een boeiend artikel over de Zwolse socialist Louis Cohen (1864-1933) die een maand werd opgesloten in ‘Hotel de Houten Lepel’, waarin nu het drie-sterrenrestaurant De Librije is gevestigd. Huidige bezoekers moeten haast wel in huizen met gouden lepels zijn geboren om daar van de tafel te snoepen, maar ook dit terzijde. Het is een mooi verhaal geworden, mede door het gebruik van een bron die zeer concrete informatie verstrekt over het dagelijks leven in de Zwolse gevangenis (Enquête over de behandeling van Politieke misdadigers in Nederlandsche Gevangenissen). Daarnaast besteedt Van de Wetering aandacht aan Domela Nieuwenhuis, Herman Heijermans en drie van de twaalf apostelen uit de socialistische beweging. Kompaan Igor Cornelissen zal er van smullen. Dat is zeker.


Voor het lidmaatschap van de Zwolse Historische Vereniging kunt u zich aanmelden op de website.  U ontvangt dan jaarlijks vier nummers van het tijdschrift.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 2nd, 2021 by Igor Cornelissen

Kuyper en het bukken der Oranjes. Een gedenkboek

Mogen wij de In memoriams in de pers geloven dan zijn ons de laatste jaren vele Grote Staatslieden ontvallen. Na Den Uyl werden Kok, Van Mierlo en Lubbers de hemel in geprezen voor zover zijn daar al niet in vertoefden.  Langer geleden was Willem Drees aan de beurt. Maar een socialist die mede verantwoordelijk was voor twee koloniale oorlogen kan men toch moeilijk een groot staatsman noemen. Twijfel aan zoveel eerbewijs is gerechtvaardigd.

Abraham Kuyper riep tijdens zijn leven veel weerstand op. En niet alleen ter linkerzijde en bij de liberalen. Toch was hij zeker een groot Staatsman. Niet omdat de Geldersche Kerkbode  en het Predikbeurtenblad na zijn dood hem als zodanig beschreven. De hele vaderlandse pers huldigde hem. Zelfs de communist David Wijnkoop noemt hem een groot staatsman “sedert de zatheid der regenten” hier placht te regeren. Hij was de agitator, een volkstribuun  en organisator van een volksklasse die in de verdrukking was geraakt, de ‘kleine luyden’.  Bovendien, benadrukt Wijnkoop, had Kuyper Oranje laten bukken. Natuurlijk, zijn enige ideologie was die van de clericalen. Maar er zouden andere tijden komen met andere leiders.

Ook in de buitenlandse bladen was de lof groot, waarbij in dit rijk geïllustreerde boek de bijdrage uit de Pester Lloyd opvalt. Dat was wel verklaarbaar, want Kuyper had Hongarije bezocht en er veel dingen geprezen. Belangrijk was de verbondenheid met de Hongaarse gereformeerden. In Hongarije was ook bekend dat Kuypers dochters zich meermalen hadden ingespannen voor de opvang in Nederland van de door de oorlog verzwakte Hongaarse kinderen.

De foto’s van familie, medestanders (o.a. opvolger Colijn),  woonhuis, uitvaart en begrafenis zijn curieus. Een illustratie valt extra op: het Koningshuis had zich (waarschijnlijk met tegenzin, maar dat staat er niet bij) laten vertegenwoordigen door hoogwaardigheidsbekleders.

Enige merkwaardige knipsels zaten in het boek waaronder een verslag van de schaker Jan Hein Donner (ARP geslacht) over een jazz lezing die hij in 1944 bijwoonde. Twee dochters van Kuyper hadden verontwaardigd het zaaltje verlaten toen de inleider een lans brak voor jazzmuziek. Negro spirituals, mits zoetsappig,  konden nog door de beugel. Jazz was vele stappen te ver. Jammer dat dit soort schijnbaar onbetekenende details zo vaak buiten de  geschiedschrijving blijven. Dit boek komt overigens uit de nalatenschap van een van de dochters van Abraham Kuyper.


Kuyper, H.H. (samensteller & inleiding). Gedenkboek ter herinnering aan het overlijden van dr. A. Kuyper en de sprake die daarbij uit de pers voortkwam. Amsterdam: W. ten Have. I.z.g.st.. Gebonden met illustratie (in 3D) op voorplat, 320 pp., 1e druk. Met illustraties. Uit de collectie Igor Cornelissen. Voorheen eigendom van Cath. M.E. Kuyper (dochter van Abraham K., naam op voorblad). Met veel fotomateriaal en krantenknipsels. € 22,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 1st, 2021 by Jaap de Jong

The Painted Bird en het licht op Groot Wezenland

Vanmiddag wandelden wij rond de middeleeuwse stad Zwolle. De late middagzon stond op de huizen aan de overkant van de gracht bij Groot Wezenland. Hoe schoon het licht was dat over de bomenrij het spaarzame groen en de stenen muren streelde is onbeschrijflijk.

Er waren weinig wandelaars op de been. Verbeeld ik mij dat de mensen op nieuwjaarsdag meer ingehouden zijn? Leeft op die dag het besef van nog niet gerealiseerde mogelijkheid; van een ongereptheid waarbij alleen sneeuw ontbreekt? Witheid die alles bedekt en daardoor het nog niet ‘verschmutzte’ accentueert? Even verderop stonden vier witte duiven op het dak van een van de panden aan de Diezerkade. Ze keken allen één richting op, alsof daar het heil ophanden was. Plots voegt zich een spreeuw bij hen. Met het verschijnen van de zwarte spreeuw, de dissonant, versprongen mijn gedachten naar de docentenkamer van een MEAO, midden jaren tachtig, waar collega dr. Ernst Verwaal (1934-2018), de blijmoedige godsdienstfilosoof, mij tijdens pauzes inwijdde in de geschriften van Martin Buber, het chassidisme, de literatuur – zoals in de verschrikkingen van de romankunst van Jerzy Kosinski (1933-1991) en wat al niet meer.

Jerzy Kosinski maakte naam met zijn roman De geverfde vogel dat het verhaal vertelt van een Joods jongetje dat tijdens de oorlog op het Poolse platteland bescherming zoekt en rondzwerft in een poging onderdak te krijgen. De titel van de roman verwijst naar een gebruik om een vogel in bonte kleuren te verven en vervolgens los te laten onder zijn soortgenoten. Die herkennen hem niet en verstoten hem uit de groep. Dat gaat niet zonder dood en verderf. De vogel wil met de troep mee – het is immers zijn troep – maar die wil hem niet. Ik herinner mij de afschuw bij het lezen van sommige passages uit het boek, maar tegelijk was er het vreemd genot van de herkenning. Het spel van afstoten en aantrekken: van geschilderd worden als ook van actieve onderdompeling in het ‘schmutzige’ bad dat wedergeboorte en vernieuwing belooft, maar niet zonder de prijs van verkleuring en vervreemding.

Het was maar even dat ik bij Kosinski en Verwaal toefde op de Zwolse Diezerkade. De spreeuw stond na mijn dromerij nog steeds vredig tussen de anderen. Volkomen zichzelf. Opgemaakt, noch geverfd, maar doodgewoon zwart tussen vier witte duiven. Thuisgekomen las ik dat Ernst Verwaal nog niet zo lang geleden overleed, en ook dat Jerzy Kosinski in 1991 een einde aan zijn leven maakte. Zijn roman De geverfde vogel is onlangs verfilmd. Ik weet niet of ik de film ga bekijken. De trailer is hier te zien.

De roman van Kosinski kan ik niet vinden. Als De geverfde vogel terecht is wordt hij niet losgelaten, noch verkocht.

december 31st, 2020 by Igor Cornelissen

Sporen van geestelijk leven: Henrik Ibsen

De stukken van Henrik Ibsen (1828-1906) worden nog altijd gespeeld, ook in Nederland. Dat is al heel bijzonder voor een negentiende eeuwer. Ibsen was dan ook een hele grote Noor. Daar zijn er meer van. Knut Hamsun is een van die anderen en op radio 4 is nog geregeld werk van Edvard Grieg te horen. Wij van ‘t Wasdom zijn geen skandinavologen, al zal de kompaan misschien een college kunnen geven over Kierkegaard of De reis van de voorganger van Olev Per Enquist of anders ik wel over een splinter van een links socialistische volkspartij in Noorwegen.

Terug naar Ibsen die, nadat zijn vader failliet ging, in “behoeftige omstandigheden” verkeerde. Hij ging al jong schrijven. Toneel. En dat bleef hij doen. In totaal 24 stukken. Met die stukken geldt hij als de voorbereider van de vrouwenemancipatie. Die eren hem. Althans, dat zouden ze moeten doen. Dat deed mijn moeder in ieder geval wel. Als ik als meisje was geboren, zou ik Nora hebben geheten. Mijn ouders hadden al een zoon en toen ik zeven jaar later in aankomst was, hoopte mijn moeder op een dochter. Een Nora dus. Mijn moeder zag het stuk, geschreven in 1879, maar waar en wanneer? Met Rika Hopper in de hoofdrol? Die naam noemde zij mij. Met regelmaat. De vier delen zijn verluchtigd met tal van foto’s. Ibsen zelf, zijn geboortehuis, zijn vrouw, studeervertrek en van de Nederlanders die in zijn stukken glorieerden. Op één van de afbeeldingen is Rika Hopper als Nora te zien. Rika werd bij haar dood geëerd als de grande dame van het Nederlandse toneel. Haar voorname dictie werd geprezen.

Bij de eerste opvoeringen van Nora waren er in Noorwegen demonstraties: voor en tegen. Want Nora ontpopt zich in het stuk als een zelfstandige vrouw die afscheid én afstand nam van haar overheersende, autoritaire man. Een scheiding. Ze gaf hem haar ring terug en hij moest de zijne afstaan. Ook dat nog? Ja, ook dat nog. En bovendien wilde ze geen geld van hem. Ze wilde zelfstandig zijn en zou wel zien hoe het verder zou lopen. In ieder geval op eigen kracht. Dat was een revolutionaire boodschap. Zeker in die tijd.

Ibsen bracht nog iets tot stand. Door zijn stukken werd de hegemonie van het Franse toneel doorbroken. Vertaalster J. Clant van der Mijl-Piepers vertaalde niet alleen vanuit het Engels, Duits en Frans, maar ook Noors en Deens. Later werd er wel kritiek op haar werk geleverd, omdat ze niet volledig zou zijn doorgedrongen tot Ibsens geest, werk en taalgebruik. Zoiets houd je onder kenners en mensen die het altijd beter weten. Wat ik niet wist, was dat ze contact had met Multatuli. Er was over en weer bewondering. Dat alles is en blijft interessant voor hen die weten (of willen weten) dat er ook voor de studentenrevoltes van 1968, ja zelfs voor de Russische revoluties van 1917 een boeiend geestelijk leven was in Europa waarvan veel sporen in Nederland zijn te vinden.


Ibsen, Henrik (1913). Dramatische werken [in vier delen]. Amsterdam: Meullenhoff. I.z.g.st., gebonden in groen linnen met goudopdruk (belettering). 2e druk. Met illustraties, vertaling J. Clant van der Mijl-Piepers. Met een inleiding van dr. W.G.C. Bijvanck. Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 30th, 2020 by Igor Cornelissen

Jan Romein – een paar tips voor zijn biograaf

Jan Romein (1893-1962) bedankt een aantal mensen die hem een dak boden ‘in de dagen der vervolging’. De marxistische hoogleraar in de geschiedenis zat een deel van de bezetting gevangen en dook na zijn vrijlating onder. Voor het schrijven van zijn studie kreeg hij hulp omdat hij zelf de universiteitsbibliotheek niet kon bezoeken.

Romein toont in deze studie een brede aanpak wat ook in zijn andere werk (soms samen met zijn vrouw Annie Romein-Verschoor) ook nimmer ontbrak. Hij behandelt heel veel biografieën en hun schrijvers. Hij noemt drie kenmerken van de moderne biografie: 1. de onbevangenheid van de biograaf 2. zijn psychologisch doordringingsvermogen en 3. de gecompliceerdheid van het psychische beeld. Een volstrekte scheiding tussen de oudere en de moderne biograaf valt weliswaar niet te trekken, maar het is voor Romein duidelijk dat Karl Brandi, die het leven van Karel V beschreef, als goede Duitser leed aan een ‘ongeneeslijke elephantiasis van de ontzagsknobbel’.  Daarom werd de vraag waarom de keizer leed aan besluiteloosheid en hij maar door bleef gaan met lekker eten en drinken hoewel hij er niet tegen kon, onbeantwoord.

Het verschijningsjaar van deze studie (1951) is lang geleden. Veel interessante figuren kregen intussen een biografie en misschien kan Romein dat punt inmiddels intrekken. De bedachtzame historicus zou nu waarschijnlijk de vraag hebben gesteld of er niet veel te veel biografieën verschijnen over tweederangs schrijvers en politici.

Jan Romeins biograaf heeft zich voor zover ik weet, merkwaardig genoeg nog niet gemeld. Hij liet een enorm archief na. Hij bewaarde van jongs af aan veel, zelfs de onbenulligste briefjes. Kennelijk vond hij zichzelf al heel vroeg de moeite waard en wilde hij zijn biograaf ter wille zijn. Ik heb eens enkele uren in dat archief (bewaard op het IISG in Amsterdam) gesnuffeld en het was zeer de moeite waard. Romein, van doopsgezinde huize, werd op jonge leeftijd communist en was in de jaren twintig de feitelijke hoofdredacteur van het communistische dagblad De Tribune. Hij erfde wat geld en kon aan armlastige geestverwanten geld lenen. Eind jaren twintig werd hij geroyeerd omdat hij, net als de door hem bewonderde David Wijnkoop, de Moskouse lijn niet strikt wilde volgen. Wijnkoop legde een schuldbekentenis af en kroop op handen en voeten terug naar de moederkerk. In het archief van Wijnkoop vond ik de brief waar in Romein hem smeekt om ook terug te mogen komen in de partij. Kon Wijnkoop geen goed woordje voor hem doen? Zo werd Jan Romein in de jaren dertig geheim lid van de CPN. HIj omschreef de grondwet van de Sovjetunie als de meest democratische wereld, maar kreeg de communisten weer tegen zich toen hij voorzichtige kritiek uitte op de Moskouse schijnprocessen.

Uiteindelijk stemden de communisten toch voor zijn benoeming tot hoogleraar aan de Gemeente Universiteit van Amsterdam. Dat alles komt natuurlijk uitgebreid in de biografie van Jan Romein die ik nog hoop te beleven. Daarin zal dan ook beschreven worden zijn, na de oorlog, voortdurend ondertekenen van door de CPN geïnspireerde protesten tegen de Westduitse herbewapening en alles wat naar Amerikaans imperialisme rook. Jacques de Kadt, de ex-communist, veegde in zijn memoires Uit mijn communistentijd de vloer aan met Romein die hij een nietskunner noemde. Dat was ook weer wat overdreven, meende Josine Meyer (die met Gerard Reve correspondeerde) vriendin en een groot bewonderaar was van De Kadt. Volgens Josine wist en kon Romein heel wat. En zo wordt men tussen Romein en De Kadt  heen en weer geslingerd. Zonder het lezen van boeken komt men er niet uit.

Tot slot een (niet terzijde) herinnering. Het was pas nadat Romein in Het Parool aandacht besteedde aan het dagboek van Anne Frank, dat een uitgever zich er aan waagde. Het nu wereldwijd vertaalde boek, was door vier of vijf uitgevers geweigerd. Voor de oorlog bestond, dachten ze, geen belangstelling meer. Dat zag Romein beter.


Romein, J. (1951). De biografie. Methode en techniek van de biografie van de oudste tijden tot heden [voorzien van een bladwijzer van schrijver en biografen] Amsterdam: Querido. Gebonden, hardcover met stofomslag (besch. stofomslag, zie foto), roestvorming topsnede. 237 pp., €17,95 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 29th, 2020 by Igor Cornelissen

Lucas van der Land en zijn dissertatie over de PSP

De in januari 1957 opgerichte PSP was vooral een uiting van de bezorgdheid van tamelijk veel Nederlanders over de bewapeningswedloop. Anti-militaristen en pacifisten, opmerkelijk veel met een christelijke achtergrond, verenigden zich toen de PvdA-leiding niet bereid bleek een van hen op een verkiesbare plaats voor de Kamer te zetten. De PvdA verwees naar ds. J.J. Buskes die in Het vrije Volk die opvattingen af en toe mocht uiten.

De PSP heeft veel woedende stukken opgeleverd. Jacques de Kadt (hij niet alleen) vond het een stelletje onbenullen die hun ogen sloten voor het Russische imperialisme. Tekenaar Fritz Behrendt beeldde ze af als domme (maar wel mooie) meisjes met paardenstaarten en de S stond voor studenten die baarden droegen.

Lucas van der Land (1923-1984) – op bijgevoegde foto wandelend aan de rechterzijde van de uitgever G.A. van Oorschot – stuurde de honderd eerste leden een vragenlijst. Op de aldus verzamelde gegevens was zijn proefschrift gestoeld. Ik vond het resultaat nogal mager en de opzet te gemakkelijk. Hetgeen ik, kersvers redacteur bij Vrij Nederland, in de recensie aangaf.

Lucas van der Land, in alle opzichten een probate kerel die bekendheid kreeg door het leiden van vele forums (over Vietnam o.a.) keek heel droevig toen ik hem kort na die bespreking op de kunstenaarssociëteit De Kring tegenkwam. Ik herhaalde mijn bezwaren en hij gaf me deels gelijk. ‘Maar ik moest toch promoveren?’ Hij was al jaren assistent van de blind geworden prof. J. Barents. Van der Land gaf loepzuivere colleges over de utopische socialisten uit de negentiende eeuw. Hij kon geen drs. blijven. Hij vertelde me nog dat hij van plan was geweest om op een van de Nederlands-Britse zeeoorlogen te promoveren. Maar dat kostte hem veel te veel tijd.

Ik kwam Lucas nog menigmaal tegen in Amsterdamse kroegjes die al lang niet meer bestaan. Hij was een vlot innemer van grote glazen bier. Lucas is er ook niet meer. Net zo min als de PSP die in Groen Links opging. Toen de spraakmakende PSP’er Fred van der Spek, jarenlang Kamerlid, werd gevraagd wat hij nu eigenlijk had bereikt, was zijn antwoord: ‘Helemaal niets.’

Ik mag er, en dat eens niet terzijde, aan herinneren dat Lucas van der Land één van de scholieren van het Vossius Gymnasium was die in 1940 het initiatief nam tot een leerlingenstaking tegen het ontslag van de joodse leraren.


Land, L. van der (1962). Het ontstaan van de PSP. Amsterdam: De Bezige Bij (incl. stellingen bij de dissertatie). Redelijk, met aantekeningen en onderstrepingen van I.C. (met pen). Met register, noten, bibliografie. Uit de collectie van Igor Cornelissen. Zeldzaam, € 14,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 28th, 2020 by Igor Cornelissen

Het trappen van WFH & de onttroning van Gomperts

De literatuurcriticus en latere Leidse hoogleraar Hans Gomperts kwam in zijn recensies en op de televisie (hij interviewde als een van de eersten Gerard Reve) over als een uiterst beschaafde, erudiete en innemende cultuurdrager.  En dat was hij denk ik ook. Zijn studie rechten kon hij door de Duitse inval niet afmaken, maar heel erg vond hij dat niet. Al voor de oorlog was de literatuur zijn grote liefde. Hij getuigde daarvan in het studentenblad Propria Cures waarin hij zich ontpopte als een Ter Braak adept. Een bewonderaar en verdediger van Menno ter Braak bleef hij zijn hele leven. Dat moest wel ruzie worden met Willem Frederik Hermans die de man zwaar overschat vond. Die controverse over Ter Braak (en Du Perron) heeft decennia geduurd. Hermans: “Zodra ik vind dat mijn naam weer eens in de krant moet komen, trap ik op Gomperts, niet uit kwaadaardigheid, maar zoals een tramconducteur trapt op zijn bel.” Dat soort uitbarstingen lijken helaas voorgoed verleden tijd.

Gomperts ontkwam in mei 1940 naar Londen en werd daar secretaris van de minister van Koloniën, de katholieke en reactionaire mr. Welter. Daarover heeft Gomperts nooit geschreven. Jammer. Wel over de groten van het Mooie Woord, in Nederland en ver daarbuiten. Multatuli en Slauerhoff natuurlijk en ver daarbuiten Nabokov, Kafka, Shakespeare en Edmond Wilson. Zijn belangstelling en kennis leek onuitputtelijk

Na 1945 werd Gomperts redacteur van het toen gezaghebbende Het Parool. Eerst als correspondent in Parijs. Het verhaal gaat dat hij geen telefoon wilde. Dat stoorde maar als hij aan het denken was. Hij kwam terug naar Amsterdam waar hij de kunstredactie versterkte. Hij kreeg prijzen voor zijn essays. Na zijn pensionering ging hij in Zuid Frankrijk wonen. Hij werkte er aan een dikke studie over de bewonderde Ter Braak. Er was toch iets mis aan de man. Dat bleek toen het boek na Gomperts dood uitkwam: ook Ter Braak was niet vrij geweest van antisemitisme.

Het leek wel of Gomperts zichzelf een beetje onttroond had.


H.A. Gomperts (1960). Jagen om te leven. Amsterdam: G.A. van Oorschot. Goed, gekartonneerd. Gebonden, 299 pp. Stoa-reeks, 1e druk, € 17,95 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 27th, 2020 by Igor Cornelissen

De staking van februari 1941

De Februaristaking van 1941 was een uniek protest van de bevolking in Amsterdam de Zaanstreek en Hilversum tegen de terreurmaatregelen van de nazi’s op de joden.

Dat de CPN leiding en hun aanhang daar een belangrijke rol in speelden, staat buiten kijf. Ben Sijes stelde dat in een publicatie van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie vast. Toch werd dat geschrift door de CPN aangevallen. Hen was onvoldoende lof toegezwaaid en de rol van partijleider Paul de Groot was niet heroïsch genoeg neergezet. Dat Sijes ooit radencommunist was geweest, en daarmee een tegenstander van de partijcommunisten, speelde ook een rol.

In veel artikelen en brochures trok de CPN alle eer naar zich toe. Gerard Maas, lid van de CPN sinds 1940, belangrijk verzetsman in de Zaanstreek en in 1944 gearresteerd en ter dood veroordeeld (maar begenadigd) was één van die schrijvers. Hij was lid van het partijbestuur en De Groot zag er op toe dat het boek van Maas de juiste toon bevatte. Later schreef Maas een beter, persoonlijker en eerlijker boek over zijn eigen rol in het verzet en de gevangenschap die volgde. Daarin kwamen communisten voor als normale mensen die ook fouten konden maken. Ik schreef er iets aardigs over in Vrij Nederland en dat waren ze bij de CPN niet gewend. Toen ik Maas eens tegenkwam, liet hij mij voorzichtig weten dat hij blij was geweest met mijn recensie.  Maas bleef tot zijn dood in 1988 lid van de CPN. Vele jaren was hij lid van het partijbestuur.

Henriëtte Boas, nooit verlegen om tegendraadse meningen, schreef in een ingezonden stuk dat de Februaristaking geen jood het leven had gered. Men kon beter ophouden de staking jaarlijks te herdenken. Anderen wezen er op dat de staking de geest van verzet had aangewakkerd. Niet ontkend kan worden dat dezelfde  trambestuurders die in februari 1941 heel moedig het verkeer in Amsterdam hadden platgelegd na de zomer van 1942 de trams bestuurden waarin de bij razzia’s opgepakte joden naar het Centraal Station werden vervoerd.


Maas, G. (1961). Kroniek van de Februari-staking 1941. Amsterdam: Pegasus. Goed, paperback met verkleurd stofomslag. Enkele gebruikssporen. 163 pp., met illustraties. Uit de collectie Igor Cornelissen, € 12,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 26th, 2020 by Igor Cornelissen

Joachim Fest en de ondergang van het derde rijk

De film Der Untergang, over Hitlers laatste weken in de bunker in Berlijn uit 2004, heeft op velen een onvergetelijke indruk gemaakt. Vooral door Bruno Ganz in de hoofdrol. Een waanzinnige Hitler die, terwijl de hoofdstad al door het Rode Leger is omsingeld, nog bevelen geeft aan niet meer bestaande divisies.  Die tot heel kort voor zijn zelfmoord op 30 april 1945 nog gelooft in de Duitse eindoverwinning. Dat geldt ook voor Eva Braun, de vrouw die hij een dag eerder huwde. 

De journalist en historicus Joachim Fest schreef met Der Untergang het boek waarop de film is gebaseerd. Fest groeide op in een katholiek gezin. Zijn vader, leraar en schooldirecteur, moest van het nationaal-socialisme niets hebben. Hij voorkwam dat zijn zoon zich aanmeldde bij de Hitlerjugend. Fest bediende tegen het einde van de oorlog nog wel een luchtdoel afweergeschut en zat na 1945 twee jaar vast. Hij ontpopte zich, mede door zijn directeurschap van de Frankfurter Allgemeine Zeitung tot een gezaghebbend historicus. Zijn Hitlerbiografie werd in het Nederlands vertaald.

Een kleine(?) misgreep was de journalistieke hulp die hij Albert Speer bood bij het publiceren van diens herinneringen. Het droeg ertoe bij dat Speer lange tijd werd gezien als een charmante en eigenlijk wel nette hulpkracht van Hitler die van de gruwelen in de kampen geen weet had. Dat bleek een leugen. Fest gaf zijn fout toe.

Uit zijn boek over Hitlers laatste dagen stijgt de stank van de door urinezuur, zweetlucht en dampende gassen van dieselaggregaten doordrenkte bunker op.

Hoe het nu precies ging met die zelfmoord en daarna het verbranden van de lijken is altijd een beetje raadselachtig gebleven. De bronnen spraken elkaar tegen.

De in het boek afgedrukte foto’s roepen weer een vraag op. Wie was toch die mooie Rotarmiste die in mei, als heel Duitsland nog niet eens heeft gecapituleerd, het spaarzame verkeer staat te regelen voor de Brandenburger Tor. De namen van de  Russische soldaten die de rode vlag hijsen op de Rijksdag zijn al vele jaren bekend, maar de wakkere verkeersagente bleef anoniem.


Joachim Fest. Der Untergang. Hitler und das Ende des Dritten Reiches. Eine historische Skizze. Berlin: Alexander Fest Verlag. I.z.g.st., gaaf exemplaar. Gebonden in rood linnen met stofomslag, 207 pp., 4e druk. Met illustraties, met bibliografie. € 22,50 (inc. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 23rd, 2020 by Igor Cornelissen

Frans Erens over Parijs ‘waar men pronkt met bordeelachtige wansmaak’

Frans Erens (1857-1935) weer zo’n schrijver uit een ver verleden. Een enkeling zal van hem hebben gehoord. Hij kwam uit Limburg en was niet onbemiddeld. Dat maakte het hem gemakkelijk om de juristerij, waarmee hij zijn brood verdiende, in 1901 vaarwel te zeggen en van de pen te leven. Dat was dus in de tijd dat er van staatswege nog geen schrijvers subsidies werden verstrekt en men niet van voorschotten maandenlang op Ibiza kon verblijven om daar na te denken over het beloofde boek dat nimmer zou verschijnen.

Erens behoort tot de Tachtigers en was een gewaardeerd medewerker van De Nieuwe Gids.  Hij was een van de eersten in Nederland die zich goed inwerkte in de Franse literatuur die toen een groter stempel op de Nederlandse schrijvers drukte. Meer nog dan (nu) de Engelse en Amerikaanse. Het werk van Baudelaire en Huysmans had voor hem geen geheimen. Huysmans kon je trouwens alleen begrijpen als je katholiek was of dat was geweest. Erens was katholiek. Maar hij was geen naprater of hielenlikker.

Leuk aan Erens is dat hij ook echt op pad ging. Naar Madrid en Toledo en ook naar Berlijn. Over Madrid schrijft hij wat de vrouwen er voor kleding dragen en in Berlijn, dat hij de eerste stad van Midden Europa noemt en lelijk in  vergelijking met Parijs,  roemt hij de bierlokalen die paleizen zijn met flikkerende spiegels en veel, veel, veel goud. Op de wanden zijn naakte vrouwen geschilderd: ‘Enkelen zelfs pronken met bordeelachtige wansmaak.’ Het vloeiende brood, zoals de Duitsers het bier noemen (Prins Bernhard deed dat ook) groeit steeds in macht, noteerde Erens, en Frankrijk begon ook al die kant op te gaan. Mogelijk zou Italië volgen. Dat er twee Wereldoorlogen over Berlijn heen zouden gaan en dat het bier er nog steeds vloeit, kon Erens, die in 1935 stierf, niet voorzien. Een saai schrijver was hij in ieder geval niet. In Berlijn gaat hij naar het toneelstuk Die Weber van Hauptmann. Het publiek kon het nauwelijks kon verstaan omdat het goeddeels is geschreven in het dialect van het plaatsje waar de handelingen zich afspelen. Dat zou de reden zijn geweest dat de regering het ondanks de revolutionaire strekking niet verbood. Het apathische publiek was er volgens Erens trouwens alleen maar heen gegaan om te kunnen zeggen dat men er geweest was. Dat gevoel had ik ook die enkele maal dat ik naar een klassiek concert ging in het Concertgebouw in Amsterdam. Frans Erens schreef dat soort dingen op.

Over het stadje Damme in Vlaanderen heeft hij aardige opmerkingen. En niet alleen omdat daar het ‘zeer verdienstelijke’ standbeeld staat van de in Damme geboren Jacob van Maerlant. Erens is zeer vriendelijk over Damme. Wij kunnen daar verder niet op ingaan omdat wij zelf plannen hebben met Damme. En Damme met ons. Erens vermeldt in zijn levendige literaire reisverslag dat er mooie likeuren en jenevers worden geschonken. Dat moet in de nabije toekomst worden gecontroleerd. En het schijnt dat men er ook onbekommerd oesters kan eten. En daar hebben de beide antiquaren van ‘t Wasdom wat mee.


Erens, F. (1906). Litteraire wandelingen. Amsterdam: Van Looy. Afgeschreven bibliotheekexemplaar. Matig; voor- en achterin enkele losliggende pagina's (herstelbaar). Verder prima. Oorspronkelijke omslag meegebonden. 345 pp., 1e druk. Uit de collectie Igor Cornelissen. Zeldzaam € 22.50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 22nd, 2020 by Jaap de Jong

Een boer achter een raam met de pijp van opa

Er zijn nog enkele gesigneerde exemplaren van Een boer achter een raam beschikbaar (onlangs herdrukt en gesigneerd door Igor C., in ‘t Wasdom). De pers was lovend. Zo schreef het Nederlands Dagblad: “Levenslust, humor en hartstocht tekenen de belevenissen waarvan Cornelissen verhaalt.”

Moet ik nog herhalen wat De Morgen vond en het NRC Handelsblad schreef? Vooruit, de NRC schrijft: “Aanstekelijk proza: invoelend en humoristisch-afstandelijk tegelijk”. Wat betreft de pers uit de voormalige Zuidelijke Nederlanden hou ik het kort: “Schitterende autobiografie”.

Tot slot was de Groene Amsterdammer van mening dat een nationaal instituut als Igor Cornelissen eigenlijk gekloond zou moeten worden.

Ik ga op dit punt verder dan Montaigne en schort niks op en zeker geen mening. Ik vraag mij af of De Groene zich bewust is van de ethische consequenties en denk vooralsnog dat het geen goed idee is, maar wellicht dat mijn nog niet gekloonde kompaan het op dit punt met mij oneens is.


Wilt u naast Een boer achter een raam ook het nieuwste boek van Igor Cornelissen (mijn opa rookte ook een pijp. Joodse wortels en ander (on)gemak). Dat is natuurlijk ook mogelijk, bovendien is ook dat boek gesigneerd. In dat geval betaalt u geen verzendkosten (totaal € 49,00). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér boeken bij Cornelissen & De Jong

december 22nd, 2020 by Igor Cornelissen

Oorlogsdagboeken: ‘het moet leerzaam zijn, geen gekeuvel’.

Ik hoor vaak de vraag: Wat wist de burger tijdens de oorlog? Over het algemeen alleen dat wat ze in hun naaste omgeving meemaakten of zagen. Sommigen iets meer omdat ze in het verzet zaten en zo over ‘verbindingen’ beschikten en illegale blaadjes lazen. De pers stond onder censuur. Wie gevangen had gezeten, kende een andere wereld van binnenuit. En wie ondergedoken zat kon een beetje van binnen naar buiten kijken al mocht een onderduiker meestal niet voor een open raam gaan staan want dan kon een foute Nederlander zien dat er binnen iemand woonde die niet tot dat gezin behoorde. Het staat wel vast dat (vrijwel) niemand wist wat er in de vernietigingskampen gebeurde.

In de Dagboekfragmenten leest men over een tijd die men zich nu moeilijk kan indenken. Een 22-jarige, in de Achterhoek ondergedoken, joodse lerares noteerde in 1942 dat haar gastvrouw komt vragen of ze zin hebben in gebakken aardappelen bij het brood. ‘Hierop gaan wij natuurlijk direct in. Zou zij enig idee hebben dat zo iets in A’dam een luxe betekent, want hiervoor heeft men boter, vet of slaolie nodig en dat kan men in een stadse huishouding niet zo gemakkelijk missen.’ Het is dan september 1942 en het zal dus nog bijna drie jaar duren voor aan de onderduik een einde komt.

Er zijn ook geluiden van de Duitsgezinden. Een inspecteur van politie schrijft in september 1943 dat hij liever had dat in Rusland de strijd meer in het voordeel van Duitsland zou verlopen ‘en dat de bolsjewisten kennelijk aan het einde van hun krachten waren gekomen, doch daarvan is nog niets te merken integendeel zelfs.’

In januari 1945 schrijft een 37-jarige timmerman over een strafkamp in Duitsland: ‘De soep is nog nooit zo dun geweest als vandaag, dat was voor straf voor het bietsen (…). Deze nacht bakte een jongen een spreeuw hoe komen ze er bij.’ Een paar weken voor de bevrijding noteert een Rotterdamse tramconducteur: ’Honger. Honger. Het wordt steeds erger. Nu we zelfs die ééne boterham per dag niet meer krijgen, weten we niet meer waar het te zoeken.’

En als de bevrijding er eindelijk is, verzucht een onderwijzer op bevrijdingsdag in zijn dagboek dat hij vreest dat latere geslachten wat hij heeft opgeschreven niet zullen geloven.

Al tijdens de oorlog riep de minister van Onderwijs mr. Bolkestein vanuit Londen op om op te schrijven wat er in het bezette vaderland gebeurde. Dat was nuttig voor de latere geschiedschrijving. Na de oprichting van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie deed de directeur drs. L. de Jong voor de radio in februari 1947 een oproep om dagboeken naar het Instituut te sturen. Er kwamen er honderden binnen. De samenstelster, Jitty Sjenitzer-van Leening, had een streng oordeel. Menig dagboek vond ze niet de moeite waard om te gebruiken. Dan stond er volgens haar alleen maar gekeuvel in. De inhoud moest leerzaam zijn.

Voor wie echt wil weten hoe het was, zijn er dus de, soms zeer uitgebreide, fragmenten. Jammer genoeg kon ik geen verdere gegevens over mevrouw Sjenitzer vinden. Hoe kwam zij op het RIOD terecht en hoe lang bleef ze er? Wat waren haar selectiecriteria en leidde die tot een evenwichtig beeld van de dagelijkse ervaringen, ook van het leven in de (concentratie)kampen? Ik vraag maar, misschien kan een leerling daar een profielwerkstuk over schrijven. Zo heet dat toch?


RIOD (1954). Dagboekfragmenten 1940-1945. ‘s-Gravenhage: Martinus Nijhoff. I.g.st., hardcover, gebruind papier. 638 pp., 1e druk. Bronnenpublicatie, Serie Diversen no. 2, van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, samensteller Jitty Sjenitzer-van Leening. Collectie Igor Cornelissen, € 17,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 21st, 2020 by Igor Cornelissen

De oorlog van Henk Pelser en Mathieu Smedts

Ik leerde de arts (endocrinoloog) Henk Pelser pas kennen toen hij al lang gepensioneerd was. Ik was bezig met de biografie van mijn oud-hoofdredacteur Mathieu Smedts. Henk Pelser woonde in een gerieflijk huis in Amsterdam Zuid met een fraai stukje tuin, waar ik hem eens bezocht. Zijn vrouw bracht thee en later wat sterkers. Hij sprak heel beheerst over zijn oorlogsbelevenissen en zijn relatie tot Matthieu Smedts. Zonder enige stemverheffing.

Henk Pelser was tijdens de bezetting één van de strijdmakkers van Smedts geweest, die na zijn arrestatie een doodvonnis over zich hoorde uitspreken. Dat werd omgezet in een Nacht und Nebel straf die Smedts overleefde, maar hem wel een levenslang trauma opleverde. Een trauma dat hij met wisselend succes met behulp van de jeneverfles kon beheersen.

Smedts had na zijn vertrek bij Vrij Nederland jarenlang in Frankrijk gewoond en was na het overlijden van zijn tweede vrouw naar Nederland teruggekomen. Hij woonde in het Amsterdamse huis van een van zijn dochters waar ik hem enkele malen bezocht en we nooit over de oorlog spraken. Wonderbaarlijk genoeg leefde Smedts, die als een wrak naar Nederland was teruggekomen, nog enkele jaren. Zijn rode wijn werd stiekem met water aangelengd. Kende Pelser, vroeg ik, het verhaal dat een Amsterdamse arts bij de inspectie van Smedts uitgebreide medicatie, meer dan de helft van die pillen en drankjes had weggegooid als volkomen overbodig? Pelser kende dat verhaal niet alleen, hij was die arts geweest. ‘In Frankrijk schrijven artsen altijd iets voor. Een patiënt wil er nooit met lege handen naar buiten.’

Ter gelegenheid van de Engelse vertaling van het boek werd Pelser uitgenodigd om in een klein café in Amsterdam iets te vertellen over zijn verzetsverleden. Dat verzet was al begonnen voordat hij was afgestudeerd. Het zaaltje zat stampvol en iedereen verbaasde zich over de buitengewoon eloquente verteller die al ver over de tachtig was. Ik kreeg zijn boek met een mooie opdracht. Hij bedankte mij voor het fraaie monument dat ik voor zijn inmiddels overleden strijdmakker had opgericht.


Pelser, Henk E. (2006). Henk's War. A Memoir of the Dutch Underground. London: Portell Productions. I.z.g.st., gaaf exemplaar (als nieuw). Gebonden, 169 pp., met illustraties, bibliografie, noten en meerdere fotokaternen. De Engelse vertaling van Vluchtweg Zwitserland dat in 1996 verscheen. Met opdracht van de auteur aan Igor Cornelissen. € 33,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 20th, 2020 by Igor Cornelissen

Philip Mechanicus, gezaghebbend journalist en chroniqueur van het menselijk bedrijf

Philip Mechanicus (1889-1944) haalde na publicatie van zijn dagboek In Dépôt (1964) paginalange stukken in de kranten die zijn verslag bespraken en prezen. Het was dan ook journalistiek vakwerk. Mechanicus was, wat men vroeger noemde, ‘een gezaghebbend journalist’. Hij werkte zich op van expeditieknecht tot journalist bij Het Volk. Hij had in Indië voor de Sumatra Post en De Locomotief geschreven. In 1919 keerde hij terug naar Nederland waar hij bij het Algemeen Handelsblad ging werken. Bij de publicatie van In Dépôt was Philip Mechanicus al twintig jaar dood, vermoord door de nazi’s.

Minder bekend dan het dagboek In Dépôt zijn de eveneens indrukkende reisverslagen over Palestina en Rusland van Philip Mechanicus. In Van sikkel en hamer (ca. 1932) doet Philip Mechanicus verslag van zijn reis naar door de Sovjetunie. Hij was er met een groep heengegaan. Eén van de reizigers was de beroemde architect H.P. Berlage (1856-1934), een ander was de tekenaar/schilder Henri Pieck (1895-1972) die spion (voor Moskou) aan het worden was, of al geslaagd was voor het praktijkexamen.

Anders dan Pieck schrijft Mechanicus over zijn reis geen juichverhaal. Hij had zijn ogen goed open. De kerken waren leeg en stonden in verval. En de economie? Alles stond in het teken van het eerste Vijfjarenplan. Mechanicus constateerde een soort staatssocialisme met sterk kapitalistische trekken waarbij van bovenaf alles werd gepland. En in het Kremlin waar de macht is samengebald,  was er eigenlijk maar één figuur die het laatste woord had: de despoot Stalin. In zijn boek is een afbeelding van Stalin opgenomen; die kijkt niet lief uit zijn ogen. Of is dat een interpretatie op basis van ‘kennis van nu’? Toch wist Mechanicus toen (in 1932) al heel veel. Hij schrijft overigens prachtige, bijkans lyrische hoofdstukken over het Russische landschap en de rivier de Wolga, die hem bekoort. Zijn precisie leidt, althans in dit geval, tot lyriek. Het tegenovergestelde kan ook. Feiten spreken.

Over de Sovjetunie en Rusland bestaat enorm veel literatuur. Mechanicus’ reisverslag behoort tot het betere, vroege  genre. Een journalist die zich niet in de luren liet leggen.


De journalist Philip Mechanicus, eerder redacteur buitenland van het Algemeen Handelsblad, kwam in mei 1943 in Westerbork aan. Er waren toen al veel treinen vertrokken naar de vernietigingskampen in Polen. Dat er in die kampen gasovens waren, hun laatste bestemming, wist geen van de gevangenen. Of de Duitse kampcommandant er van wist, is niet zeker. Iedere dinsdag vertrok een nieuwe trein. Men leefde, schreef Mechanicus, van dinsdag tot dinsdag.

Westerbork was een modelkamp. Men kreeg er te eten en er was uitstekende medische verzorging, Dat kon ook niet anders, want Westerbork herbergde een doorsnee van de joodse bevolking. Diamantbewerkers, gedoopten, orthodoxen, vrijdenkers, onderwijzers, handelsreizigers, rabbijnen, oplichters, scharrelaars, hoogleraren, artsen en verpleegsters. Aan alles merkt men dat Mechanicus een scherp waarnemer is. Hij verzwijgt niets, maar beschrijft nauwkeurig wat zich in het doorgangskamp afspeelt. Liefde en haat, wanhoop, berusting. Wonderen. Zieken die door deskundige (Joodse) artsen worden opgekalefaterd voor hun vertrek naar het oosten. Klaar voor de driedaagse treinreis die voor de meesten in de gaskamers eindigde. Dat wist niemand, bijna niemand. De muziekuitvoeringen (met commandant Gemmeker op de eerste rij) krijgen een plaats, evenals de opgekropte rancunes die Nederlandse joden tegen de Duitse joden (en vice versa) koesteren en die vaak tot een uitbarsting komen. Mechanicus schrijft ook over Weinreb, de man die zei dat hij mensen van transport kon vrijwaren.

Toen In Dépôt verscheen was het voor velen een eye-opener. Men wist dat het kamp had bestaan en sommigen van de ex-gevangenen hadden er over verteld. Maar nooit zo precies en boeiend als Mechanicus deed. Zoals Presser in het voorwoord schrijft: de uitstekende medische dienst kon één ding niet voorkomen, de deportatie aan het einde. Philip Mechanicus, steeds zijn blocnote bij de hand,  beschrijft de waanzin pijnlijk nauwkeurig.

Hij  overleefde Auschwitz niet.


Mechanicus, P. (1964). In dépôt. Dagboek uit Westerbork. Ingeleid door prof. dr. J. Presser. Amsterdam: Polak & Van Gennep. Gebruikssporen, leesvouwtjes in rug en verkleurd, 303 pp. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 10,00

Mechanicus, P. (z.j. [1932]). Van sikkel en hamer. Amsterdam: Andries Blitz. I.z.g.st., gebonden, hardcover met titel in rode belettering, gebruikelijke roestvlekjes. Mooi rood schutblad. 157 pp., 1e druk. Met ingeplakt ex libris van C.C. Scova Righini [niet in Aarts & Kooyman]. Zeer zeldzaam. Met illustraties in zw/w (tekeningen). Uit de collectie Igor Cornelissen. € 230,00. Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 20th, 2020 by Jaap de Jong

“Ik heb hem gebracht die schriften van Meister Eckehardt”. Over Mechanicus en Hillesum

Afgelopen week zette ik een aantal nieuwe boeken op het net, waaronder twee scherpzinnige en journalistiek indrukwekkende werken van Philip Mechanicus (1889-1944). Mechanicus was in zijn laatste levensjaren – tijdens het verblijf in Westerbork – intensief bevriend met Etty Hillesum (1914-1943). Etty Hillesum las ik als jonge adolescent. Het intrigeerde mij niet alleen hoe zij met God en haar onderlichaam op gelijke goede voet stond, maar ik deelde ook haar liefde voor Augustinus, Rilke, Jung, Kierkegaard, Dostojewski en wie en wat al niet meer? Ik zag en las hoe zij worstelde met zichzelf. Gevoelig, een rijpend wordend zijn. Nog steeds herlees ik haar Nagelaten geschriften, zo ook vandaag. Ik besloot alle passages na te zoeken waarin Etty Hillesum het heeft over Philip Mechanicus: vanaf de allereerste ontmoeting tot het moment van haar vertrek met de dinsdagtrein. Overigens schrijft ook Philip Mechanicus in zijn dagboek In Dépôt ook over het gezin Hillesum. Hij kende Louis (Levi) Hillesum via zijn dochter Etty en bezoekt hem geregeld.

Ik ben niet ver gekomen in mijn voornemen de geschiedenis van een vriendschap te beschrijven, want stuitte al bij de tweede aanhaling uit het persoonsregister (van Philip Mechanicus) op Meister Eckhart. Bij het naspeuren van de lijn Mechanicus – Hillesum las ik een intrigerende passage waarin Etty haar vader beschrijft als een wat hulpeloze intellectueel die naast zijn dagelijkse boekenstudie ook het contact met Mechanicus onderhoudt. Etty vertelt vervolgens in een terloopse zin: “Ik heb hem [haar vader Louis] gebracht die schriften van Meister Eckehardt”.

De wat ongebruikelijke variant op de normale schrijfwijze van Eckhart doet vermoeden dat het gaat om een Duitse bloemlezing van Alois Bernt en niet om de Nederlandse vertaling van de traktaten en preken van Eckhart door Gustave Landauer (Zaltbommel, P.M. Wink, 1910). Toch genoot die vertaling – van ene J.N. (ik bezit een exemplaar ;-)) – wel degelijk bekendheid, met name in kringen rond Frederik van Eeden. Van Eeden was de centrale figuur rond Walden, onderdeel van een sociaal experiment waartoe ook een aantal Europese intellectuelen als Gustav Landauer en Martin Buber zich aangetrokken voelden. Van Eeden overwoog in die tijd om over Eckhart te schrijven, maar het kwam er niet van. Mogelijk vanwege problemen op Walden. Etty las in haar laatste levensjaren veel Eckhart. En ze las Van Eeden met wie zij de levenshouding van gelatenheid deelde.  Een overgave aan of tenminste een acceptatie van leed, zelfs van bewust toegebracht lijden. In dit verband noteert Etty in een aantekenboekje een frase van Eckhart die stelt dat het ‘vlugste dier, dat u naar de volkomenheid kan dragen (…) het lijden [is].’ Lijden en Gelassenheit; het zijn de twee zijden van eenzelfde medaille, passend bij eenzelfde levenshouding. Het ene veronderstelt of vraagt om het andere. Tegelijkertijd is er bij Etty sprake van een enorme kracht: wie grote kracht voelt is zacht, zo schrijft ze ergens in haar boekje Levenskunst. Dat is waar.

Die beide zaken signaleert ook Philip Mechanicus in zijn dagboek. Zonder de namen van de gezinsleden van de familie Hillesum te noemen beschrijft hij wat hij ziet: “de familie had gedacht, hem en de andere leden voor transport te kunnen behoeden. Desondanks hangt hun het fatum boven het hoofd (…) de man [Louis Hillesum] zegt kinderlijk blijmoedig: och, het zal wel meevallen; met moet het maar nemen zoals het valt. De dochter [Etty Hillesum] (die zelf gesperrt is) zegt: ‘afschuwelijk, mijn broer [Mischa Hillesum], die hier kan blijven, wil pers se met mijn ouders mee en hij is al niet helemaal normaal. De spanning is onverdragelijk. Wij hopen, dat het transport dinsdag niet doorgaat: maar dan komt een week van nieuwe spanning, en misschien nog één, en het eind van het lied is dat zij toch gaan. Ik zou willen vragen: Heer, maak het kort.’ Voor jonge mensen is dit leven van spanning te verdragen, zij kunnen het aan, maar oude mensen gaan eraan te gronde. Hoe eerder de lijdensweg ten einde is, hoe beter misschien. Elke dag kust de vrouw haar man, kust de dochter haar vader vol tederheid, ter begroeting en ten afscheid. Elke dag strijkt de dochter met haar hand liefderijk over de grijze kruin van haar vader, strijkt zij de plooien glad in het gerimpelde gezicht van haar moeder [Rebecca (Rivka) Hillesum-Bernstein]. De zuster volgt bezorgt de gangen van de broeder. Een aandoenlijk voorbeeld van een gelukkig gezin: een voorbeeldige wederzijdse hartelijkheid, een geestelijk deelgenootschap, een aangeboren aristocratisch levensgevoel.” (In Dépôt, pp. 79-80).

In haar dagboek schrijft Etty Hillesum over het dreigende (maar toch weer uitgestelde) vertrek van haar vriend Philip Mechanicus in juli 1943. Hij vertelt haar bij het inpakken van zijn bagage: “Ik ben hier milder geworden in dit kamp, alle mensen zijn voor mij gelijk geworden, het zijn allen grashalmen, die buigen onder de storm, die plat liggen onder de orkaan’ – Hij zei ook: ”Wanneer ik deze tijd overleef, dan zal ik als een rijper en verdiepter mens gestorven zijn.” Later m’n vader over z’n al bijna witgeworden kruin gestreken, die zei ‘als ik vannacht m’n oproep krijg, dan maak ik me heus niet druk, dan zal ik heel rustig vertrekken.” (Hillesum, pp. 659-660). Het vertrek van Mechanicus en de familie Hillesum werd die dinsdag weliswaar uitgesteld, maar de storm was slechts even gaan liggen om plaats te maken voor een orkaan.

Wij zijn grashalmen die buigen onder de storm, die plat liggen onder de orkaan. Wat een taal en wat een levens! Het zal duidelijk zijn: De nagelaten geschriften van Etty Hillesum 1941-1943 behoort tot de collectie die ik niet verkoop.

december 19th, 2020 by Igor Cornelissen

De superieure stijl van Mary Dorna. Meesteres van het korte verhaal

Ook in de Nederlandse literatuur zijn er af en toe hypes. Leuk en nuttig zijn hypes rond vergeten schrijvers. Helaas duren ze kort en raken de schrijvers daarna niet zelden voorgoed vergeten. Dat vergeten heeft iets oneerlijks, maar tegelijkertijd begrijp ik het wel. De namen van al die nieuwe schrijvers die er wekelijks bijkomen zijn natuurlijk niet te onthouden als je de auteurs van veertig jaar of langer geleden niet wilt vergeten. Het onderwijs helpt daarbij niet mee. Als ik goed ben ingelicht schafte het de verplichte literatuurlijstjes goeddeels af.

In de jaren zeventig van de vorige eeuw deed de redactie van de literaire reeks De Engelbewaarder er alles aan om ‘dooie schrijvers’ weer op papier te krijgen én van lezers te voorzien. P.A. Daum (over Indië!), Theo Thijssen, Jan Arends, Nescio en Wilhelmina Drucker werden in de schijnwerper gezet. Er verschenen kleine, goed geïllustreerde boekjes. Simon Carmiggelt gaf dan soms in een Kronkel in Het Parool een extra zetje zodat het betreffende item uit De Engelbewaarder een oplage haalden van 7 á 8000 stuks. Een enkele maal volgde zelfs een herdruk. Aantallen die nu onhaalbaar zijn. Toke van Helmond was één van de redacteuren van de reeks. Zij ontfermde zich over Mary Dorna (1891-1971).

Mary Dorna, schrijfster van korte autobiografische stukjes kreeg zo’n eerbewijs. Carmiggelt sprak van een superieure stijl. Ze werd geboren als Mary Jeanette Stoppelman in een joods gezin dat weinig tot niets aan religie deed. Ze trouwde op jonge leeftijd met een Engelsman die ergens omschreven is als als oversekst en sadistisch. Ze zou er in de huwelijksnacht vandoor zijn gegaan. In Dusseldorf kwam ze aan de kost door model te gaan staan voor schilders. Ergens las ik dat dat in de volksbuurten was. Weinig schilders verdienden blijkbaar genoeg voor een luxueuze behuizing.

Haar derde en gelukkige huwelijk was met Henk Tenkink die haar in alles steunde en dat bleef doen toen ze ziek was en vervolgens ook nog blind werd. Tenkink handelde in kunst en liet zijn beslissingen niet zelden afhangen van Mary’s smaak. In haar laatste jaren moest hij vaak schilderijen verkopen om haar doktersrekeningen te betalen. Die jaren moeten, vooral na Tenkinks dood, een gruwel zijn geweest. Permanent afhankelijk van verpleegsters en een huishoudster. Haar laatste bundel verscheen in 1941. Na de oorlog dicteerde ze nog wel een aantal verhalen aan Lida Polak. Ze verschenen in Tirade en Barbarber.

Wie eigenzinnig en buitenissig is, roept rampspoed over zich af. Het is groots als dit met humor wordt verdragen. Alsof het vanzelf spreekt. Mary Dorna kon dat. In haar verhalen – ‘sterk autobiografisch’ – veranderen gevestigden in buitenissigen. Zo komt het uiteindelijk toch goed met de wereld.

Ik las haar werk, maar Mary Dorna heb ik nooit ontmoet. Wel heb ik jarenlang met mijn jazzband gespeeld in het Amsterdamse café De Engelbewaarder waar het literaire blad bedacht en geboren is. Eenmaal nam saxofonist Frits Müller een gastsolist mee. Benno Stoppelman. Ik kende zijn naam en dacht aan Mary Dorna die eigenlijk Stoppelman heette. Benno gold als jazzkenner ‘die bijzondere platen had en er veel van wist’.  Volgens mij verpestte hij de hele avond door rammelend in een stijl van anno 1922 te blijven spelen, terwijl wij waren opgeschoven naar de herfst van 1939. Hij moest maar niet meer terugkomen, besliste ik. Ik hoorde later dat hij rondvertelde geweigerd te zijn ‘omdat ik jood ben’. Ik ben dus nooit meer in de gelegenheid gekomen om Benno te vragen of hij familie was van Mary Dorna.

Dat over Benno S. was natuurlijk een volkomen overbodig terzijde. Het gaat hier om Mary Dorna die er eerlijk voor uit kwam dat ze in haar jeugd vooral verlangde ‘naar een lunchroom met taartjes en muziek’. Nog weer veel later wilde ze een heer om port mee te drinken en – toen ze blind werd – iemand om haar verhalen aan te dicteren. En daartussenin beschreef ze de waanzinnige wereld der gevestigden zoals zij, de meesteres van het korte verhaal, dat kon.

Zelf schrijver worden? Lees eerst de meesteres!


Dorna, M. (1938). Onmaatschappelijke voorkeur. Amsterdam: J.M. Meulenhoff. I.g.st., halflinnen, ingenaaid, roestvlekjes en verfvlek (?) op kopsnede. Gebonden, 230 pp., 1e druk. Niet meer leverbaar

Helmond, T. van (1985). Mary Dorna 1891-1971. 's-Gravenhage: Nijgh & Van Ditmar. I.g.st., prima exemplaar. Paperback, 143 pp., 3e druk. Met illustraties, met bibliografie en noten. Niet meer leverbaar

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 18th, 2020 by Jaap de Jong

‘Proef goed, het is uw heil’. Over Vasalis en de melancholie

In de biografie van de dichteres M. Vasalis vond ik vanmorgen een vergeten foto terug. Niet zomaar ergens, maar in het hoofdstuk autobiografie en mystiek dat de biografe Maaike Meijer over de psychiater & dichteres Margaretha Leenmans / M. Vasalis (1909-1998) schreef. Het zal wel het toeval zijn dat mij toevalt. De foto werd genomen in Griekenland, omstreeks 2012. Ik met hoed en beheerste glimlach, mijn dochter meer open. Gul naar toekomst: ‘Proef goed, het is uw heil en de grimassen die gij moet trekken zijn vol herinnering aan vroeger lachen/Met nog één druppel loodzwaar bestaan, dat toekomst heet: de laatste teug van onverdund en helend leed.’ (Uit Vergezichten en gezichten, 1954).

Ik zocht de biografie, omdat ik mij de discussie tussen Rudy Kousbroek en Vasalis herinnerde. En ook vanwege de relatie die Vasalis legt tussen melancholie en de mystieke ervaring. Of beter: het verschil tussen die twee dat zij beschrijft naar aanleiding van een tekening van Albrecht Dürer (1471-1528). Die tekening van Melancholia, waarbij haar niet zozeer de mismoedige vrouw met de grote ogen die nergens naar kijken opvalt, maar veelmeer de veelheid van de objecten. Het is een massieve onmiskenbaar gedetailleerde wereld, maar dan zonder geest. Een wereld zonder oogharen, vocht of beweging. Het is geen wonder dat die grote vrouw bij de pakken neerzit en geen vin verroert, zo schrijft Vasalis aan Gerard Reve. Ze leest Dürers tekening als een representatie van de melancholie die het reductionistische wereldbeeld van de wetenschap oproept. En de mystieke ervaring staat daar haaks op, zo schrijft Vasalis:

“De ervaring die men de mystieke noemt is juist een bijzondere levendige precisie, zonder zwaarte, vibrerend, en leidt tot een gevoel van vreugde, lachen, opluchting. De precisie van Dürer is die van de dood: de hele boel dichtgegooid met ongebluste kalk, interessant als een fossiel. – ik geloof wel dat de zogenaamde mystieke ervaring te maken heeft met een ongewone optiek en/of een toestand van de hersenen die dichter bij dromen dan bij waken staat. In beide gevallen kan je constateren dat er niets gebeurt. Maar bij de melancholie is dat een toestand van de dood en bij de mystieke ervaring een van intens leven waar de tijd geen rol in speelt en die gemakshalve dan eeuwig wordt genoemd. Het is emotioneel het verschil tussen afscheid genomen hebben (Melancholia) en ontmoeten. – Ik hecht geen diepere waarde aan de mystieke ervaring. Ik denk niet dat ik nu ‘het wezenlijke’ zie, maar ik prefereer haar wel boven de afgestorvenheden van de perfectie van de melancholie.”

Proef goed, het is uw heil en de grimassen die gij moet trekken zijn vol herinnering aan vroeger lachen/Met nog één druppel loodzwaar bestaan, dat toekomst heet: de laatste teug van onverdund en helend leed.

Tot zover M. Vasalis. Meer geest nu, licht en leven!

Meijer, M. (1911). M. Vasalis. Een biografie. Amsterdam: G.A. van Oorschot. In nieuwstaat. Gebonden in linnen met stofomslag, 1e druk. 966 pp., met bibliografie, noten, register en drie fotokaternen. Zeer zeldzaam. € 99,00. 

Boeken die wėl te koop zijn bij Cornelissen & De Jong
december 18th, 2020 by Igor Cornelissen

Toevend in de wereld van het boek: Hertzberger en Van Praag

Zowel de schrijver als de uitgever zijn onmisbaar voor de kennis van het jodendom in de vorige eeuw. Menno Hertzberger (1897-1982) zat met zijn antiquariaat decennia op het Singel in Amsterdam. Een mooi pand met mooie en (dus?) dure boeken. Hij begon al in 1921 met het houden van veilingen. Er zouden er 199 volgen. Zijn catalogi waren de moeite waard. Hertzberger zou eerst arts worden, maar zijn gezondheid was te zwak. Hij was oprichter en jarenlang voorzitter van de vereniging van antiquaren en gezaghebbend. Zijn kennis van het boek, incl. het joodse boek, was fenomenaal.

Tijdens de oorlog verloor hij vrijwel zijn gehele familie. Zijn boekenbezit was geroofd. Hij moest opnieuw beginnen. Anderen verbaasden zich over zijn energie en, ondanks alles, humor. Hij was geen gemakkelijk mens in de handel. Men vond hem streng, maar hij werd in zijn latere jaren milder.

Wie bij Hertzberger werd uitgegeven had een naam of kreeg een naam. Zoals Siegfried van Praag (1899-2002) die opgroeide in de Sarphatistraat. Zijn vader was diamantair. Siegfried kwam overigens graag in Artis om naar dieren te kijken en met evenveel liefde en belangstelling in de Lepelstraat waar de arme joodse sjacheraars woonden. Siegfried van Praag verloochende het jodendom allerminst, maar van de joodse wetten trok hij zich niets aan.

Van een voorgenomen biologiestudie kwam niets. Het werd Frans en hij werd leraar. Hij verhuisde in 1936 met zijn vrouw Hilda Sanders naar Brussel waar hij in de Franse wijk ging wonen. In totaal zou hij zestig boeken en essaybundels schrijven. Hilda Sanders speelde in de jaren dertig een belangrijke rol als pleitbezorgster voor uit hun land gevluchte Duitse en Oostenrijkse schrijvers. De laatste twintig jaar van zijn leven publiceerde hij niet meer. Misschien had hij alles gezegd wat er te zeggen viel. Onaardige critici noemden hem een broodschrijver. Boeiend hoe Van Praag de lezer meevoert in de joodse wijken in Parijs en Londen. Hij noemt de schrijvers die het leven daar uitbeelden zoals de Engelse jood Israël Zangwill wiens boeken over het Londense getto ook in het Nederlands werden vertaald.

Menno Hertzberger en Siegfried van Praag, beiden onmisbaar en helemaal nu aan de Leidse universiteit de leerstoel Jodendom is opgeheven. Ik heb ze na de oorlog nog gekend: Joden met niet meer dan lagere school die zelfstandig de vreemde talen leerden en zich zo toegang verschaften tot de wereld van kennis en wetenschap.

Misschien is het opnieuw tijd voor zelfstudie. Antiquariaat ‘t Wasdom biedt u de helpende hand. Dat laatste niet geheel terzijde.


Praag, S. van (1928). In eigen en vreemden spiegel (uit de letterkunde van en over Joden). Amsterdam: Menno Hertzberger. I.z.g.st., ingenaaid gebrocheerd, gebonden in linnen met rode belettering. 203 pp., 1e druk. Met illustraties, met bibliografie. Uit de collectie Igor Cornelissen. Zeldzaam € 47,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 17th, 2020 by Igor Cornelissen

Mozes, de man Gods, in een biezen mandje op de Nijl. Een kerstvertelling van Freud

Mozes was geen jood, maar een Egyptenaar en het monotheïsme was een leer of zo men wil uitvinding van de Egyptenaren. Die boodschap kwam hard aan bij de gelovige joden die meenden alles aan Mosje te danken te hebben. De studie werd zelfs als onaangenaam ervaren, ook door de niet eens meer zo heel erg gelovige joden. Het boekje verscheen voor het eerst in 1939 toen de joden in Duitsland en Oostenrijk vervolgd werden en er juist behoefte was aan iets dat hen verbond.

In sommige zeer geleerde kringen (Menno ter Braak, Karel van het Reve, Han Israels) is Freud wel weggezet als charlatan, wat in het Nederlands wel met oplichter mag worden vertaald. Niet alleen omdat niet iedere jongeling als liefste wens heeft met zijn moeder te mogen slapen. Ook wel omdat Freud wel eens een snuifje coke nam om het effect daarvan op de reactiesnelheid te meten en daarbij zichzelf als proefpersoon koos. Mooi woord in dit verband: proefpersoon. En zo was er meer waar men twijfels bij had, het bestaan van het onbewuste bijvoorbeeld.

Ook zonder Freudiaan te zijn, kan men toch wel opmerken dat de Weense zielenknijper (zoals de journalist Martin van Amerongen hem omschreef) zijn studies zelf serieus nam en ook aanpakte. En het is ontegenzeggelijk: Freud schrijft goed. Dat geldt zeker ook voor Freuds studie over Mozes waarvan in ieder geval wel vast staat dat er over diens leven weinig, oftewel niets vaststaat. Tenminste niet iets dat met historische bronnen kan worden bewezen. Maar misschien maakte Freud zich meer druk om de psychoanalytische waarheid dan om de historische waarheid. Wat blijft is een mooi verhaal over het knaapje dat in een biezen mandje op de Nijl drijvende werd gehouden en door een dochter van een joden hatende Farao wordt opgevoed, al kan het volgens Freud de Nijl niet zijn geweest.

En wie toch aan het mandje én de Nijl vasthoudt, wordt door Freud hooguit op een ander spoor gezet. Niet altijd is een zijspoor een dwaalspoor, zeggen wij op antiquariaat In ‘t Wasdom.


Freud, S. (1947). Mozes en het monotheïsme. Amsterdam: G.W. Breugel. I.g.st., gebonden in halflinnen rugband. 186 pp., vertaling C. Houwaard. € 15,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 16th, 2020 by Igor Cornelissen

De vis wordt duur betaald of Barendje wil niet naar zee

Als men de naam Herman Heijermans (1864-1924) nog kent dan is het als schrijver van toneelstukken. Op Hoop van Zegen is nog wel eens te zien. Op toneel of op de televisie, maar dan zonder Esther de Boer- van Rijk (1853-1937) die ooit de vissersweduwe Kniertje met verve op de planken bracht – Kniertje, wier zonen verdronken op lekke schepen – en door de reder wordt afgescheept met een kommetje soep. Vissersvrouw Kniertje, door het lot getroffen, en haar opstandige zoon die niet naar zee wil op die rotschuit. Ik hoefde maar tegen mijn moeder te zeggen ‘Barendje wil niet naar zee’ of ze begon al te huilen. Maar zij had de echte Kniertje dan ook nog op het toneel gezien. De uitdrukking ‘de vis wordt duur betaald’ kent iedereen. Ook zij die niet weten dat die regel uit Op Hoop van Zegen komt en nooit van de duizendpoot Heijermans hebben gehoord.

Herman Heijermans was een veelschrijver, niet alleen van toneel. Hij schreef romans die gevreten werden omdat ze ‘verboden’ dingen beschreven zoals dat in Kamertjeszonde gebeurde: het ongehuwd samenleven. Hij vulde dagbladen met korte stukjes, er waren novelles zoals in Interieurs.

Heijermans was een zoon uit een joodse familie en die achtergrond bleef hij altijd trouw al kon hij genadeloos de kleinburgerlijkheid (en soms geniepigheid) in dat milieu schetsen. In Interieurs staat een verslag van een joodse begrafenis. Het is van minuut tot minuut te volgen. Plaats van handeling: het armoedige Amsterdamse getto waar joden opeengepropt woonden en men wel over de kosten móest bekvechten met de begrafenisondernemer.

Een verdwenen wereld, maar wie weten wil hoe het was, kan bij Heijermans terecht. Hij schreef behalve literatuur ook geschiedenis.


Heijermans Jr., H. (1898). Interieurs. Amsterdam: H.J.W. Becht. I.g.st., roestvlekjes. Mooie gave rood-bruine band. Gebonden in linnen, 222 pp., 1e druk. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 22,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 15th, 2020 by Jaap de Jong

Revisited – Het duo Chris Beekman en Sam Goudmit

Igor Cornelissen schreef er eerder over: ik doel op het tweetal Chris Beekman (1887-1964) en Sam Goudsmit (1884-1954). Ik citeer:

“Begin jaren twintig maakte Sam Goudsmit kennis met de schilder Chris Beekman (1887-1964), ook links, die zich korte tijd aangetrokken voelde tot De Stijl en andere moderne kunstvormen. Goudsmit, die nogal wat invloed had op Beekman, overtuigde hem ervan dat die moderne, half abstracte werken op de arbeiders geen indruk maakten. Beekman ging weer figuratief werken. “

Vandaag kwam ik. het boekje tegen. Een bijzondere uitgave waarin ook een afbeelding staat tijdens de periode van “abberatie” (van Chris Beekman). Die illustratie doet inderdaad sterk denken aan het werk van De Stijl. Ik vind zijn figuratieve werk mooier, maar dat doet er niet toe 😉

Ik heb leuk werk hier in het klooster!

Goudsmit, S. & Chris Beekman (1924). De Gast-Vertellers. Een serie pogingen tot een enigszins fatsoenlijk Cabaret in klein-kwarto. Laren-Gooi: De Meng. Gedrukt in beperkte oplage, gesigneerd door beide auteurs. Tekst Goudsmit, illustraties Beekman. Eerste druk van Kleine Ontdekkingen 1 (eerste en enige deel uit de reeks Kleine Ontdekkingen). I.z.g.st., met wat roestvlekjes.  Halflinnen met titeletiket op voorplat.

Oorspronkelijke eigenaar Emile Tegelberg, directeur SMN/NHM, villa "Rozenhage" te Baarn. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 49,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 15th, 2020 by Jaap de Jong

De gekkenlogger uit Katwijk aan Zee

In 1998 studeerde ik af op de historische reconstructie van een laat-modern geval van ‘bezetenheid’. (specialisatie cultuurgeschiedenis, Nieuwe Tijd). Daarna was ik als onderzoeker (in een soort ZZP-dienstverband) verbonden aan de Universiteit van Amsterdam (faculteit geesteswetenschappen & theologie).

Ik hield mij aan de UvA bezig met de historische reconstructie van de kwestie rond de Katwijkse ‘gekkenlogger’ Het ging in die zaak om een ingewikkelde wisselwerking tussen religieus en psychiatrisch afwijkend gedrag, ofwel ‘abnormaliteiten’ binnen een specifieke historisch-culturele context. In de volksmond ook wel ‘godsdienstwaanzin’ genoemd.

Onderstaande recensie schreef ik naar aanleiding van de verschijning van de roman Waanzee van Robert Haasnoot (Nederlands Dagblad, 7 mei 1999). De betreffende roman is overigens niet meer leverbaar bij Cornelissen & De Jong, maar elders nog wel voorhanden.


Zij waren dertien in getal, de opvarenden van de KW 171, Noordzee V [zie foto]. Drie van hen zouden de reis met de Katwijker logger, augustus 1915, niet overleven. Zij werden doodgeslagen door collega-vissers als gevolg van wat in de volksmond godsdienstwaanzin heet.

Auteur Robert Haasnoot, afkomstig uit Katwijk, bestudeerde de stukken en schreef een roman over de tragedie, Waanzee. In Waanzee treedt de gemeentesecretaris van Zeedijk op als verteller. Hij verslaat de gebeurtenissen op de logger, hun voor- en nageschiedenis. Eerst schetst hij een beeld van het religieuze klimaat in Zeedijk (Katwijk), een dorp waar het godsdienstige gezelschapsleven bloeit. Ook de zevenentwintigjarige Arend Falkenier, hoofdpersoon in het drama, bezoekt de bevindelijke gezelschappen. Na een visioen waarin zijn pas overleden vriend Koos aan hem verschijnt, komt Arend tot bekering. Haasnoot tekent hem als een brede, boomlange vent met doordringende ietwat uitpuilende ogen en een krachtige stem. Was Paulus bij zijn bekering een ogenblik met blindheid geslagen en Jakob mank gebleven, Arend krijgt ander lichamelijk ongemak: Hij wordt in minder dan twee maanden kaal. Hierna lijkt hij op zijn tirannieke vader, die hij hartgrondig verfoeit en wiens vroege dood hem tot halfwees heeft gemaakt. Sterk is Arend ook. Zo zou hij een keer de speerreep (waaraan zo”n negentig netten hingen, samen goed voor drieduizend kilo vis) met twee vingers zo strak hebben getrokken dat die bijna brak.

In het gezelschapsleven waarin Arend zich ophoudt, worden religieuze ervaringen besproken en doen verhalen de ronde over listige en vreeswekkende verschijningen van de satan, iemand zag de satan op het duinpad in de gedaante van een hond met lichtende ogen, briesend als een leeuw. Er wordt gesproken over de wegen van de ondoorgrondelijke God en de geestelijke stadia van de ziel. Haasnoot kent de tale Kanaäns, en niet alleen van horen zeggen. Daarom weet hij treffend de sfeer van het gezelschap te tekenen, zoals bij het zingen: “Schoorvoetend wordt het psalmvers ingezet. De mannen in het gezelschap leunen achterover, vouwen de handen op de buiken en zingen ”op ”t vleetje”: uiterst langzaam en met lange, nasale uithalen, hun stemmen als logge golven die traag rijzen en dalen (…). Met de ogen gesloten worden ze één met de denkbeeldige zee waarop hun zingende lichamen deinen: Een stroom van ongerechtigheden / Had d” overhand op mij: / Maar ons weerspannig overtreden. Verzoent en zuivert Gij (…). In de stilte die op het gezang volgt komen zij weer aan land.” Dan volgt de fatale reis van de Noordster, die in augustus 1915 vanuit de haven van IJmuiden vertrok. De Eerste Wereldoorlog is in volle gang en de toch al grillige zee ligt vol met mijnen. De leden van de gezelschappen duiden de tekenen in het licht van het komende Koninkrijk. Een paar uur gaans van Zeewijk kan men het gebulder van kanonnen horen en voelt men de aarde schudden. De wereld lijkt in barensnood. Dit alles stimuleert het ontstaan van weer nieuwe religieuze bewegingen. Een jaar eerder hadden honderd aanhangers van het Wachttorengenootschap Zeedijk bezocht in een poging leden te winnen. Op zee met de Noordster wordt weinig vis gevangen, dus is er voldoende tijd voor het uitwisselen van religieuze ervaringen. Arend vertelt er veel. De vissers raken gaandeweg onder de indruk van zijn openbaringen. Door zijn lichamelijk en geestelijk overwicht neemt Arend langzamerhand het commando van de Noordster over. Hij vertelt dat de wereld is vergaan en dat de bemanning is uitverkoren om samen met hem naar het Nieuwe Jeruzalem te varen, waar hun vrouwen en kinderen veilig wachten. Zijn woorden gaan samen met bovenmenselijke staaltjes. Zo laat Arend het zwartleren boek Catechisatiën van Smytegelt door de lucht zweven en daarna in schuine stand op de tafel staan. Niemand kan het van z’n plek krijgen. Als Willem, een van de bemanningsleden, desondanks vraagtekens zet bij Arends geloofsijver, moet hij van Arend dansen opdat hij er dood bij zal neervallen. Ten slotte wordt Willem overboord gezet. Dat overkomt ook twee andere sceptici, die eerst gruwelijk worden toegetakeld en daarna gedood, omdat zij toch niet in Arend geloven. De overige bemanningsleden menen dat de duivel in de twijfelaars gevaren is.

Na de driedubbele doodslag ontmantelen de vissers het schip, vernielen de zeilen en werpen alles als overbodig materiaal overboord. Uiteindelijk treft een Noors vrachtschip de ontredderde bemanning van de Noordster aan en brengt haar naar Engeland. Eind september 1915 zijn de tien bemanningsleden terug in Nederland. Na een verblijf in het Haagse Huis van bewaring worden zij in verschillende inrichtingen ondergebracht. Ten slotte beschrijft de verteller de reactie in Zeewijk en reikt hij verklaringen aan uit de officiële verslagen: inductiepsychose, bevorderd door het aangeboren, plaatselijk bijgeloof op godsdienstig gebied. In Zeewijk maken eindtijdpreken van dominee Waalkamp diepe indruk. Niemand durft ”s nachts nog de straat op, bang voor hetzelfde lot als de bemanning van de Noordster en voor een invasie van duivels. Toch is het geloof van Arend Falkenier volgens het bevindelijk gezelschap tijdgeloof en Arend zelf een door God veroordeelde vanwege zijn hoogmoed. Het boek eindigt met een indrukwekkend verhaal, dat tegelijk de fascinatie van de vertellende gemeentesecretaris moet verklaren. Deze brengt samen met zijn vader en de burgemeester een bezoek aan de inrichting Wendegeest waar Arend Falkenier is opgesloten. De sceptische burgemeester vraagt Arend, hoe hij dat met het zwevende boek voor elkaar had gekregen. Dan ramt Arend met alle kracht die in hem is een schop in de grond en vraagt eerst de burgermeester en daarna de verteller de schop eruit te trekken: “Terwijl hij mij spottend aankeek voelde ik opeens een loodzware loomheid door mijn lichaam trekken. Ik geloof dat mijn vader mij nog wilde tegenhouden, maar toch heb ik de schop gepakt: ik omklemde de steel, vlak onder het handvat. Tweemaal, driemaal trok ik, maar ik zeg u dat mijn armen iedere keer weigerden te gehoorzamen aan mijn wil; mijn spieren slaagden er niet in voldoende kracht te ontwikkelen om de schop uit de grond te trekken (…) Arend liep op mij toe en legde even een hand op mijn schouders. Opeens wierp hij zijn hoofd achterover en ik hoorde hem in lachen uitbarsten. Hij draaide zich om en liep het grindpad af, met zijn armen gespreid en zonder ons nog een blik waardig te keuren. En dat was het laatste wat ik van hem zag, het laatste wat ik van hem hoorde: zijn rollende lach die, als ik dit verslag beëindig, weer tot mij komt uit een verre tijd, uit een wereld waarin andere wetten gelden.”

Robert Haasnoot schrijft dat hij gebruik gemaakt heeft van vrijwel elk rapport en verslag dat in de afgelopen jaren over de geschiedenis van de Katwijker logger verschenen is. Namen, achtergronden en karakteristieke bijzonderheden van betrokkenen zijn veranderd. De geschiedenis ligt bijna vijfentachtig jaar later nog steeds gevoelig in het dorp. Men spreekt niet graag over de zaak, die wel het best bewaarde geheim van Katwijk wordt genoemd. Sommigen menen zelfs dat het om een legende gaat, zoals de Vliegende Hollander. Dat is niet het geval.

Haasnoot is niet de eerste die zich over deze zaak buigt. De antropoloog Verrips publiceerde in december 1987 een artikel over de kwestie in het Sociologisch Tijdschrift De letterkundige en zenuwarts J.W. Schotman wijdde aan de kwestie het gedicht Hellevaart, dat hij in 1941 omwerkte tot de roman De blinde vaart. Schotman maakte gebruik van psychiatrische rapporten uit het gesticht Endegeest. In 1944 werd in opdracht van de toenmalige Katwijkse burgemeester mr. W.J. Woldringh van der Hoop opnieuw een onderzoek ingesteld naar de gebeurtenissen. Aanleiding was het drama te Meerkerk, waarbij een familielid van een boerengezin in een vlaag van godsdienstwaanzin werd doodgeslagen. Men wilde nagaan welke overeenkomsten er tussen beide voorvallen waren. Genoemde schrijvers suggereren een verband tussen de religieuze mentaliteit van de betrokkenen en de gebeurtenissen. De psychiatrie hechtte overigens geen waarde aan interpretaties als bezetenheid door de duivel. Dat standpunt werd gedeeld in de Gereformeerde Kerken. H.H. Kuyper rekende al in 1898 in de Friesche Kerkbode af met gebedsgenezing en duiveluitdrijving. Zijn felle artikelen waren mede ingegeven door het optreden van nieuwe religieuze bewegingen die met deze zaken nieuwe aanhang wierven, ook onder gereformeerden. Gereformeerde dominees waarschuwden tegen te snelle vereenzelviging van krankzinnigheid met bezetenheid door de duivel, hoewel men aan het bestaan van bezetenheid niet twijfelde. Er was sprake van zoeken en tasten op dit gebied. De predikant J.W.A. Notten, geestelijk verzorger in Veldwijk, schreef aan Abraham Kuyper, dat hij zich afvroeg of de psychiatrie niet veel meer aan de theologische dan aan de medische faculteit behoorde. Er werd namelijk overwogen een leerstoel voor de psychiatrie in te stellen aan de Vrije Universiteit. Notten schreef verder dat hij in Veldwijk meer en meer ”een stukske ornament aan den gestichtsgevel” dreigde te worden. Na 1900 werden krankzinnigheid en bezetenheid steeds meer medisch en niet theologisch verklaard, en Notten voelde dat wel aan.

De boeiende roman van Haasnoot vraagt om een vervolg in de vorm van wetenschappelijk verantwoord onderzoek van de gebeurtenissen. Die studie moet nauwkeurig onderscheid maken tussen feit en fictie en plausibele verklaringen geven voor wat er op de KW 171 gebeurde.


Haasnoot, R. (1999). Waanzee. Amsterdam: De Geus. I.z.g.st., 188 pp. Niet meer leverbaar.

Andere nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong