in 't Wasdom

Antiquariaat Cornelissen & De Jong
augustus 10th, 2020 by Igor Cornelissen

Verraad, lafheid en bedrog. Intriges rondom de tsaar

Wil Poetin een nieuwe Stalin zijn of trekt hij zich omhoog aan de in Rusland nog altijd vereerde tsaar? De Oostenrijkse slaviste Elisabeth Heresch dook in de archieven en reconstrueerde het leven van de laatste tsaar Nikolaas II en diens Duitsgezinde vrouw en hun kinderen. De goudroebel was tijdens hun bewind een van de veiligste valuta ter wereld. Ook vanuit Nederland werd belegd in aandelen ‘Russische spoorwegen’. Dat stortte allemaal ineen tijdens de Eerste Wereldoorlog. De Romanovs werden ten val gebracht tijdens de Maartrevolutie en later onder de bolsjewiki afgeslacht. Heresch reconstrueerde de intriges nauwgezet. We lezen opnieuw, of voor de eerste keer, over de complotten door en tegen de enge monnik Raspoetin die invloed aan het hof kreeg omdat hij genezende kracht leek te hebben over de aan een bloederziekte lijdende zoon van de tsaar.

Na lezing weten we ook hoe het moordcommando eruit zag dat de opdracht kreeg de keizerlijke familie te vermoorden. Heresch maakte een fout: de Hongaarse Imre Nagy die deel uitmaakte van dat commando was niet de man die in 1956 de geschiedenis inging als de vrijheidslievende communiste die Hongarije wilde losweken uit het Warschaupact. Bij verschijning van het boek in 1992 is veel aandacht besteed aan die fout. Vrij vertaald is Imre Nagy zoiets als Willem de Groot. Veel Hongaren heten zo.

Boeiend vond ik de passages over graaf Witte, ooit minister van Financiën die veel deed aan de modernisering van Rusland. Hij was een fel tegenstander van Ruslands deelneming aan de Eerste Wereldoorlog. Moest Rusland nog groter worden? Onzin. In Siberië, Toerkestan en de Kaukasus waren nog genoeg gebieden die niet eens ontsloten waren. De hele oorlog was waanzin, meende Witte die Nederlands-Duitse voorouders had. Maar naar graaf Witte werd in 1914 niet meer geluisterd. De Balkan is geen oorlog waard, had hij in 1908 al gezegd. Ik zou wel eens een biografie over graaf Witte willen lezen.

Meer biografieën

augustus 10th, 2020 by Igor Cornelissen

Hermine Heijermans, kamertjeszonde en andere roddels uit de grachtengordels

Hermine Heijermans (1902-1983) schreef een buitengewoon aardig en warm boekje met herinneringen aan haar vader, de grote (ik schrijf liefst ongeremd grootste) Nederlandse toneelschrijver.  Ook andere familieleden worden geportretteerd, zoals haar Ida de Roode-Heijermans, een begaafd schilderes.

Curieus is wat ze verteld over Bernard Canter, vriend van haar vader. Heijermans zat weer eens in geldnood en was vast van plan met zijn (tweede) vrouw een einde aan hun leven te maken. Net op tijd kwam Canter binnen met veertig gulden. De suïcide ging niet door. Toch kregen de twee later ruzie. Canter had een boekje geschreven Een visser ter haringvangst. Kort daarop verscheen van Herman Heijermans een sterk gelijkend toneelstuk Op hoop van zegen, een stuk dat nog altijd wordt gespeeld, al gebeurt dat soms, tot mijn grote ergernis, in moderne setting (met mobieltjes enzo). Het is me een gruwel. Je laat de mensen die een stuk van Tsjechov spelen toch ook geen commentaar geven een op televisieprogramma dat ze net hebben gezien?

In ieder geval ontkende Heijermans dat er sprake was van plagiaat, maar het gebeuren bleef Bernard Canter steken. Ik heb voor Vrij Nederland nog eens een groot stuk over Canter geschreven. Het onderwerp was me aangereikt door Jaap Meijer (de vader van Ischa, dat moet er helaas bij). Canter is totaal vergeten al schreef hij een geweldige roman Kalverstraat over de elkaar dood concurrerende middenstanders in die straat rond de (vorige) eeuwwisseling.

Hermine Heijermans heb ik ontmoet en gesproken. Ze vertelde me hoe ze de oorlog was doorgekomen als waarzegster op de Zeedijk. Maar toen ze me openhartig begon in te lichten over haar vele erotische avonturen haakte ik af. Laten we zeggen dat het leeftijdsverschil tussen ons te groot was. Hermine was een goed mens. Is het ook allemaal waar wat ze vertelt? Volgens haar werd Kamertjeszonde, een andere klassieker van Heijermans, door veertig uitgevers geweigerd. Hoe kwam ze aan dat getal? Het geeft in ieder geval hoop voor jonge schrijvers die herhaaldelijk op afwijzing stuiten. Het dagboek van Anne Frank is ook enige malen door bekende uitgevers geweigerd. Op hoop van zegen dus. Tot veertig keer toe en ook bij de vijftigste weigering niet loslaten.

Heijermans en andere oude nieuwe boeken

augustus 8th, 2020 by Jaap de Jong

Een wulps testament in de notariskluis. Over Belcampo, de zoon van de notaris

Als jongen van zestien las ik Het olografisch testament van Belcampo, pseudoniem van Herman Pieter Schönfeld Wichers (1902-1990). Het is een fantastisch verhaal dat gaat over notaris Van Dalen. Hij krijgt van een erflater de opdracht het door hem opgemaakte testament in zijn kluis te bewaren. Dat testament is geen papieren document, maar staat getatoeëerd op het lichaam van een verleidelijke vrouw, gehuwd met de erflater en belust op zijn geld. In de voetnoten bij dat verhaal staan geleerde juridische verwijzingen. De bepalingen zijn helder als glas en er is geen ontkomen aan voor notaris van Dalen; een levend en wulps testament in zijn kluis. Hoe gaat dat aflopen? Van het verhaal is een hoorspel gemaakt, waarvan hier een fragment is te beluisteren. Net zomin als dat gebeurt in het fragment verklap ook ik de afloop niet. Het is als het laatste snoepje en daarvan laat je niet proeven. De smaak zal zich ten volle openbaren bij het lezen van de tekst zelf. Geleidelijk. Snuif de geur op. Die is beter nog dan pepermunt. Het olografische testament is tot op de dag van vandaag populair, met name bij rechtenstudenten in Groningen en elders.

Vanaf het lezen van Het olografisch testament was ik verslaafd aan de verhalen van Belcampo en die verslaving geldt dus ook Het grote gebeuren. Het verhaal dat beschrijft hoe het de Rijssense inwoners verging op de dag des oordeels (VPRO & Jaap Drupsteen, 1975). In een eerste versie werden de Rijssenaren bij naam en toenaam genoemd. De vader van Belcampo, de Rijssense notaris J.G. Schönfeld Wichers (1887-1937), was “not amused” en vertelde zijn zoon de namen te schrappen, zeker die van de verdoemden. Een notaris heeft immers ook een winkel. Dat schrappen gebeurde. Met zwarte inkt. Herman Pieter Schönfeld Wicher gedroeg zich als de goede zoon.

Tot op zijn sterfdag liep Herman Pieters (Belcampo) volgens de overlijdensadvertentie in de NRC rond met een “van verbazing open mond”, maar op vrijdagmiddag 5 januari 1990 was het de beurt aan de Rijssenaren. Die keken zeer verbaasd op toen de doodskist van Belcampo naar oud-Twenste gewoonte in een ouderwetse boerenkar naar de Oude Begraafplaats aan de Lentfersweg werd vervoerd (zie foto). Belcampo keerde immers terug uit Groningen. Of hij als een verloren zoon werd thuisgebracht laat ik in het midden. Wel kreeg hij een plek naast zijn vader, de Rijssense notaris, die in het najaar van 1937 was overleden. Naast elkaar liggen ze nu, een beetje in de marge van het kerkhof (links aan het einde vanaf de hoofdingang), maar in de schaduw van een Amerikaanse eik. Om het graf van Belcampo staat een gietijzeren hekje, een detail dat mijn gevatte schoonmoeder gebruikte om snel het graf te kunnen vinden. Niet iedereen heeft immers een gietijzeren hek. Eerder kon een buurtbewoner mij de plek niet aanwijzen waar de Grote Schrijver ligt en er is zelfs geen bord dat aan zijn bestaan herinnert. Het is zoals een psalm zegt: men kent en vindt zijn standplaats zelfs niet meer. Nog weer eerder had een Rijssenaar mij het andere Rijssense kerkhof aangewezen als de plaats waar Belcampo zou liggen. Zoiets als een rechtgeaarde Nederlander na de oorlog deed als een Duitser hen de weg vroeg.

Op de grafsteen staat alleen de naam Belcampo en zijn geboorte- en sterftejaar. Nog kaler dan grafstenen van andere Rijssenaren die – anders dan veel zware protestanten elders in het land – nauwelijks bijbelteksten plaatsen of anderszins getuigend zijn. In Overijssel, of in elk geval in Rijssen, wordt er na de dood niet meer gepreekt en blijft dat wat er wel toe doet toch ongezegd. Het is zoals een groot filosoof schreef: “wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen”. Waren alle inwoners van Nederland zoals die uit Overijssel, maar dit uiteraard terzijde.

augustus 7th, 2020 by Jaap de Jong

“Karel van ’n Notoaris oet Riessen”, broer van Belcampo

Woensdag wandelde ik met de geliefde door het Rijssense Schwarzwald op zoek naar de gebroeders Schönfeld Wichers. Of beter: speurend naar de materiële overblijfsels van de schrijvers Karel Diederik (1901-1993) en Herman Pieter (1902-1990). Dat viel niet mee. Uiteindelijk vonden we diep in het bos de resten van het paradijs. Daar voltooide Karel Diederik Schönfeld Wichers in 1959 zijn Woordenboek van het Rijssens dialect. “Karels huusken”, zo lezen we. Het ziet er vervallen uit. De ramen zijn kapotgeslagen en dichtgemaakt met houten planken. Er is geen inkijk & doorkijk mogelijk.

Karel groeide samen met zijn broer Herman op aan de Grotestraat 9 in Rijssen als zonen van notaris J.G. Schönfeld Wichers (1887-1937). Karel was nog maar net klaar met de studie notarieel recht en letterlijk op weg om als notaris te worden beëdigd toen hij als Saulus het licht zag en op zijn schreden terugkeerde naar huis. Daar wachten zijn kameraden om de beëdiging te vieren. Karel had zich echter bedacht, wilde zijn vrijheid houden en liever kandidaat-notaris blijven. Ik vermoed dat er nochtans wijn is gedronken bij zijn terugkeer, want Karel hield van het glas als ook van de bodem van de fles: ad fundum.

Tot op de dag van vandaag staat Karel Diederik in Rijssen bekend als “Karel van ’n Notoaris”. Broer Herman gebruikte de Italiaanse vertaling van “Schönfeld” – Belcampo – als zijn pseudoniem. Hij is in Rijssen nog steeds berucht als de schrijver van Het grote gebeuren, het verhaal dat beschrijft hoe het Rijssen vergaat op de dag des oordeels (VPRO & Jaap Drupsteen, 1975). Toch is het Belcampo – die zijn werkende leven grotendeels in Groningen doorbracht – en niet Karel die, naast zijn vader onder de schaduw van een Amerikaanse eik, op de oude begraafplaats van Rijssen begraven ligt. Hoe wij hen daar vonden? Dat is een ander verhaal.

Net als Herman doorkruiste ook Karel het vooroorlogse Europa. Na de oorlog ontwierp Karel de eerste camper (“Kueklkoare”, zie foto), een houten opbouw op het onderstel van een kleine Renault-vrachtwagen, en reisde tussen 1945 en 1970 in zijn vrije tijd met de Rijssense jeugd door Europa. Karel werkte weliswaar als kandidaat-notaris op kantoor, maar had het ouderlijk huis aan de Grotestraat verlaten en woonde voor de rest van zijn lange leven in “Karels huusken”, diep in het bos aan het Rijssenseveld. Daar kwam ook zijn broer Herman met enige regelmaat langs.

Intussen werd er door Karel hard gewerkt aan de vastlegging van het Twents. Na het Woordenboek van het Rijssens dialect kwam in 1979 het Twents-Nederlandse woordenboek uit. In maart 2019 is dit woordenboek opnieuw uitgegeven. Het door Karel Schönfeld Wichers samengestelde corpus is een belangrijk onderdeel van de Twentse Taalbank.

De Keuklkoare rijdt naar verluidt nog steeds en is in particuliere handen. Ik heb hem nog niet weergezien. Graag zou ik er een ritje mee maken, maar dit terzijde. En de verhalen van Belcampo kunnen we nog steeds lezen.

Bronnen

  • Fotomateriaal – eigen foto & databank Erfgoed Rijssen-Holten. Zoektermen: Keukelkoare, Wichers
  • Databank Wie is Wie in Overijssel. Zoekterm: Schönfeld-Wichers
augustus 7th, 2020 by Igor Cornelissen

Zwarte dauw: Genemuiden revisited

Rachel Vissers voorouders kwamen uit Genemuiden waar de Bijbel nog wordt gelezen en van kaft tot kaft voor waar wordt aangemerkt. In 2011 kwam haar boek Zwarte dauw uit waarin ze haar indrukken over die strenge gemeente beschreef. Het veroorzaakte veel kwaadheid (of woede?) in  Genemuiden. Ze had zich voorgedaan als een objectief antropologe en op die wijze toegang gekregen tot ernstige ouderlingen en andere leden van de Gereformeerde Gemeente. Ook ds. Hogchem had haar ontvangen. Gelovig, maar wellicht ook wat goedgelovig. Had Rachel misschien een rekening te vereffenen? Haar grootvader was een van de weinige NSB’ers in het plaatsje geweest en was na 1945 uit Genemuiden vertrokken. Dat stond in geen enkele recensie. Rachel Visser heeft de gelovigen zeer negatief neergezet: linkerogen trillen, ouderdomsvlekken worden zichtbaar en gastheren loeren. Geen prettige gemeente. Het Reformatorisch Dagblad plaatste een beheerste, maar negatieve recensie.

Ik bezocht Genemuiden enkele keren en sprak met ds. C. Hogchem over allerhande zaken. Het staat allemaal in mijn nieuwste boek Mijn opa rookt ook een pijp dat afgelopen week verscheen. Ik kon mij goed vinden in de recensie van het RD over Zwarte Dauw: vooringenomen.

En als je in Genemuiden in de kerk(en) niets te zoeken hebt: Er is een tapijtmuseum dat veel interessanter is dan de naam vermoedt en er is een Chinees restaurant dat kwaliteit biedt en gastvrijheid. In de kerk zingen ze er met boventonen, al bijna een cultureel werelderfgoed. Hoe dat klinkt, wil ik nog wel eens horen. Voor ik het vergeet: er zijn twee café’s, maar die zijn meen ik op zondag dicht. De Chinees is altijd open. Daar schenken ze ook.

Koop de waarheid en verkoop ze niet, mitsgaders wijsheid en tucht en verstand, schreef Salomo: Zwarte Dauw of Mijn opa rookt ook een pijp? U mag kiezen, maar eet er in elk geval een goede kop soep bij, als het kan met spekjes.

augustus 7th, 2020 by Igor Cornelissen

Grete Weil en tramhalte Beethovenstraat

Grete Weil (1906-1999) vluchtte in 1935 naar Nederland. Haar man, Edgar Weil, was al vanaf 1933 in Amsterdam.  In 1937 ging Grete in de Beethovenstraat wonen waar ze een jaar later een fotozaak overnam (Beethovenstraat 48). In die Amsterdamse straat en in de straten er omheen woonden veel Duitse vluchtelingen. In de ogen van de Nederlanders waren ze nogal hooghartig. Het Duitse eten dat ze gewend waren was beter. Nogal wat winkels kwamen er. Met betere waren. De Beethovenstraat heeft vele tragedies gekend en de straat ligt vol met sporen van de oorlog. De tramhalte, vlakbij de Albert Heijn, is de tramhalte waar in de oorlog 18.000 mensen met harde hand op de tram werden gezet op weg naar de concentratiekampen waar vaak de dood volgde. Het boekomslag van Grete Weil zegt meer dan duizend woorden.

Grete Weil kreeg in de oorlog een baantje bij de Joodse Raad wat haar een zekere bescherming bood. Tot ze in 1943 moest onderduiken. Met een aantal boeken had ze succes. Kort na de oorlog keerde ze terug naar Duitsland. Haar man was in 1941 vermoord in Mauthausen. Ze hertrouwde in 1960. Anke Manschot, die haar in München voor Opzij interviewde, vroeg haar wat de voornaamste reden was dat ze naar Duitsland was teruggegaan. “De taal”, was het antwoord. Daar hoorde natuurlijk de cultuur bij. Tramhalte Beethovenstraat werd vertaald door Willy Wielek-Berg die zelf met een joodse vluchteling (de journalist Heinz Wielek) was getrouwd. Zij kende het milieu en de mensen.

In een van de verhalen noemt Grete Weil de Amsterdamse Zeedijk ‘een matrozenstraat’. Het moet al tientallen jaren geleden zijn dat er een matroos werd gesignaleerd. Ik heb er de café’s nog gekend (alleen van buiten) waar op het raam stond dat binnen Deens, Noors of Zweeds werd gesproken. Dat overal Engels werd gesproken, was  vanzelfsprekend. Het publiek bestaat nu voor 80 percent uit toeristen al heb ik er wel eens Amsterdammers in een café gesproken, wonend in Almere of Purmerend, die uit heimwee één dag in de week daar een biertje gingen drinken. Grete Weil had kennelijk geen last van heimwee.

Ik heb op diezelfde Zeedijk ooit een café bezocht dat door een oude Spanjaard werd gedreven. De naam was, zo meen ik, De stad Valencia. Jonge Nederlandse dichters en schrijvers hielden er eens in de maand een bijeenkomst. Maar dit alles heeft al helemaal niets meer met Grete Weil te maken, noch ook met de Beethovenstraat. Het is waarachtig een terzijde.

augustus 6th, 2020 by Jaap de Jong

Ritselingen van nieuw leven

“Ritselingen van nieuw leven”. Kent u die uitdrukking? Ik moest er aan denken toen ik de interesse van Igor Cornelissen opmerkte. De belangstelling in de dichter en de dominee: Achterberg en Doornenbal. Om ook wat indruk te maken citeerde ik ooit een paar gedichten van Achterberg achter elkaar. Maar niet nadat Igor even tevoren de gehele Faust al uit het hoofd had opgezegd. Vanaf dat moment ging het over de dominee, de dichter en de frik. En het vlees van de Oenese slager.

We deden dat vaker. Praten over dichters, dominees en denkers. In de Hete Brij of in de studeerkamer. Zingend ook: Igor de Internationele – wij hebben wapenen om hen te raken / Die dorstig schijnen naar ons bloed – en ik de tweeënveertigste psalm. Immers, eenmaal aangeraakt door begeerte ontkomt men niet aan de jacht.

In Oene kent iedereen de slager, maar ook de dominee. Doornenbal spreekt er nog steeds, ook al tuiniert hij al decennia lang in het hemels paradijs. Igor las alles van Doornenbal wat er was te krijgen: de biografie van Bart Jan Spruyt, Jeannette Donkersteeg – mooie bevindelijke naam trouwens – en de biografie van Doornenbal over Wulfert Floor. Het kon niet op. Igor at mijn ganse bevindelijke boekenkast leeg en het spijt hem nog steeds dat deel V van zijn memoires al gedrukt was, terwijl het proefschrift en de preken van dr. C. Steenblok niet gelezen, noch verwerkt zijn.

Ritselingen van nieuw leven. Kent u dat?

Het begon allemaal na het interview in Wapenveld. Igor kreeg de uitnodiging van ds. C. Hogchem voor een gesprek van man tot man. De predikant C. Hoghem had het interview uit Wapenveld gelezen en minstens een passage was hem bijgebleven: “Op een dag – dat zit nog in het vat – ga ik naar Genemuiden en wil ik het weten van een predikant van de grootste kerk: de Gereformeerde Gemeente. Of er nog meer is dan nood aan parkeerplaatsen en wat die nood dan is?”

Ik bracht Igor naar Hogchem in Genemuiden, maar weet niet wat besproken werd. Wel dat het over meer ging dan over nood aan parkeerplaatsen bij de Ger. Gemeente. En, zo weet ik uit betrouwbare bron, aan het gesprek hield Igor een wens over: signeren bij een boekhandel in Genemuiden. Signeren dus voor de lezers, al is het maar voor één lezer. Zoiets moet toch te regelen zijn. En bovendien: er zal toch wel meer dan één rechtvaardige zijn in het Genemuiden van Hocghem? Ik vraag maar.

Inmiddels is Waanders goed voorzien van boeken, zo zag ik vanmiddag. Nu Genemuiden nog. Mocht u t.z.t. niet naar Genemuiden kunnen gaan, dan kunt u ook bij het antiquariaat Cornelissen [sic] & De Jong bestellen en ontvangt u een genummerd en gesigneerd exemplaar. Dit terzijde natuurlijk

augustus 6th, 2020 by Jaap de Jong

De memoires van de oudste antiquaar van Overijssel

Igor Cornelissen, geen onbekende binnen de Nederlandse journalistiek en inmiddels 85 jaar, blijft zich verwonderen en is altijd belangstellend. Hij doet daarvan  verslag in zijn memoires: Mijn opa rookte ook een pijp. Joodse wortels en ander (on)gemak. Met gevoel voor anekdotiek beschrijft hij boeiende en zonderlinge figuren die zijn levenspad kruisten.

Een zoektocht naar de zenuwarts/spion Hans Grelinger wordt afgewisseld met bezoeken aan Dalfsen, Berlijn en Lissabon, al dan niet aan de toog. Cornelissen onthult wat het geheim is van het bijna verdwenen joods Zwolle, vertelt verhalen en deelt impressies over spraakmakend Zwolle. Bovendien gaat hij in op zijn nieuwste bezigheid: het verkopen van boeken bij antiquariaat ‘t Wasdom van Cornelissen & De Jong.

Cornelissen, die schreef voor Het Vrije Volk, Het Parool en het weekblad Vrij Nederland (1962-1996) schetst van zijn geboortestad Zwolle een ander beeld dan bestuurders gewoonlijk doen; het Manhattan aan de IJssel is Igor onbekend. Niet voor niets weigerde hij de fel begeerde Bartjensprijs….

Te koop bij antiquariaat ‘t Wasdom van Cornelissen & De Jong – gesigneerd

augustus 6th, 2020 by Igor Cornelissen

De buitenissigheden van Jan Greshoff

Jan Greshoff (1888-1971) was dichter en criticus. Voor de oorlog een man met gezag. Hij schreef voor kranten en was o.a. kunstredacteur van De Telegraaf, een heel andere krant toen dan nu.

In een van zijn essays karakteriseert hij één van zijn afwijkingen die tegelijkertijd zijn normaliteit onderstreept: “mijn voorliefde voor rariteiten, voor buitenissigheden en buitensporigheden: toestellen die niemand weet te behandelen, voorwerpen waarvan geen levend mensenkind het nut bevroedt, heeft mij ten allen tijde ook belangstelling bijgebracht voor boeken, welke een rechtschapen lezer niet ter hand zal nemen”.

Naast essayist was Greshoff ook dichter. Ik denk niet dat zijn gedichten nog gelezen worden, maar zijn meningen als criticus blijven interessant. Hij was de man die Willem Elsschot pousseerde. Niet voor niets droeg Elsschot zijn boek Kaas aan hem op. Greshoff woonde vele jaren in Brussel en was bevriend met de dichter J.C. Bloem en Slauerhoff. Al voor de oorlog verhuisde hij naar Zuid-Afrika. Daar stierf hij in 1971 in Kaapstad.

In Rariteiten staat een buitengewoon amusant stuk over de Belgische schilder Edgar Tytgat (‘t essay Kinderen), een expressionist die ook boekomslagen maakte. Tytgat was een Vlaming met afschuw voor platheid, een unieke eenling. De man was meer dan een talent, hij was een karakter, schrijft Greshoff. In De Fundatie, hier in Zwolle, hebben ze een paar werken van Tytgat. Misschien moeten ze deze grootheid uit België eens naar Zwolle halen.

Greshoffs erudiete bespiegelingen (ook over journalisten van toen) konden niet meer in Nederland verschijnen. Wel in het nog niet door de Japanners bezette Batavia, dat nu ook al weer jaren anders heet. Rariteiten is opgedragen aan de dichter Leo Vroman. Men kende elkaar. Misschien waren er toen wel minder schrijvers.

Meer nieuwe oude boeken

augustus 5th, 2020 by Igor Cornelissen

Een ander tragisch leven: Ralph Springer (1886-1942)

Ralph Springer (1886-1942) kan de meest opmerkelijke en tragische vooroorlogse schrijver worden genoemd. Hij was een joodse loodgieter, op zich al een unicum, die debuteerde in het marxistische tijdschrift De Nieuwe Stem waarvan Henriette Roland Holst redactrice was. In 1917 kwam zijn eerste boek uit: De gezellige staking. Optimistisch-realistische roman. Wie hem bij De Nieuwe Stem binnenbracht is onbekend, maar de uitgever Willy Brusse waarschuwde al direct tegen hem: de man deugt niet.

Dat bleek al snel toen van Springer in 1931 een vuistdik boek Om de macht verscheen waarin de ‘bonzen’ van de SDAP en de moderne vakbeweging werden afgebrand. Oudegeest, Troelstra, Albarda… allemaal oplichters en bedriegers. In het fascistische blad De Bezem, redacteur Jan Baars, verscheen een lovende recensie. Volgens de jonge Garmt Stuiveling was het een schandalig slecht boek. Springer voelde zich bij de fascisten thuis. Mussolini was een groot mens.

In de oorlog werd Springer, hoewel gemengd gehuwd, opgeroepen om te gaan graven. Hij meldde zich en werd doorgestuurd naar Auschwitz waar hij in 1942 de dood vond. Zijn weduwe Janna Antje van der Wal herbergde onderduikers, werd verraden en zat een jaar vast in Vught. Ralph Springer behoort tot de vergeten schrijvers, maar zijn werk is grotendeels gedigitaliseerd. Dat laatste geldt (nog) niet voor zijn, toch wel wat kritische, analyse van het anti-semitisme en de toen omgaande rassentheorieën.

Naar aanleiding van: Ralph Springer (1928). Het wondere avontuur van den heer Herman Lobbes. Teunmeubelenfabrikant. Amsterdam: Nederlandsche Uitgevers-maatschap. Boekbandontwerp van Wybo Meijer (1885-1942).

Méér oude boeken

augustus 4th, 2020 by Igor Cornelissen

Charles Ralph Boxer – kenner van het kolonialisme

C.R. Boxer was een van die Britse historici met een brede kennis, avontuurlijk leven en hoge productie. Hij sprak veel talen waaronder Portugees en Nederlands, maar dan de versie uit de zeventiende eeuw. Die kennis had hij nodig om zijn boeken over zeevarend Nederland te kunnen schrijven. Hij schreef ook over de korte periode van de Hollanders in Brazilië.

In de oorlog raakte hij in Japanse krijgsgevangenschap. Volgens Frank Lequin overleefde hij die dankzij “zijn ijzeren lichamelijke en geestelijke constitutie, zijn kennis van de condition humaine en van Marcus Aurelius, de stoïsche wijsgeer, die hij zijn leven lang trouw bleef.” Overigens namen de Japanners zijn bibliotheek in beslag en die collectie bevatte veel items over de Portugese en Nederlandse koloniale geschiedenis. Na de oorlog zag hij kans die bibliotheek terug te krijgen. Zijn boeken, handschriften en prenten waren middelen om tot kennis te komen. Hij bekommerde zich nauwelijks om hun geldelijke waarde, indachtig aan de uitspraak van Isaac Titsingh (over wie hij schreef): “ik veragt het geld, wyl het myn weetlust niet kan voldoen.”

Zijn Portugees kwam hem te pas toen er in Lissabon een artikel verscheen waarin werd beweerd dat de Portugezen in hun koloniën niet aan rassendiscriminatie deden. Salazar probeerde er goede sier mee te maken. Boxer wist beter en schreef een boekje waarin hij het tegendeel aantoonde. Prompt werd hij niet meer in Portugal toegelaten.

Boxer weigerde tweemaal de onderscheiding C.B.E., Commander of the British Empire. De eerste keer omdat hij vond dat een andere (gekleurde) wetenschapper de prijs toekwam. De tweede keer omdat er volgens hem geen Empire meer was.

Een Nederlandse journalist werd ‘s morgens vroeg al uiterst beleefd ontvangen met  een keuze uit whiskey, bier of oude jenever. Helaas was ik dit niet. Het boek van Boxer is overigens vertaald door Zwollenaar, schrijver-psychiater, sinoloog en nog veel meer: Johan W. Schotman (1892-1976), maar ook dit terzijde.

Méér boeken over geschiedenis. Het boek van Boxer staat overigens ook op boekwinkeltjes.nl

augustus 3rd, 2020 by Igor Cornelissen

Multatuli: koning van Insulinde

Over Multatuli, Eduard Douwes Dekker was zijn echte naam, is ongelooflijk veel geschreven. Al tijdens zijn leven. Pro en contra. Stof genoeg, want hij was een vreemd heer. Zijn Max Havelaar was een felle aanklacht tegen de uitbuiting van de Javaan, maar tegen het kolonialisme was hij niet. Hij wilde zelf Koning van Insulinde worden en zijn nichtje Sietske, waar hij ‘íets mee had’, zou dan keizerin van Sumatra zijn. Hij werd dan ook al vroeg uitgemaakt voor vrouwengek. Hij zou het in een MeToo tijdperk moeilijk hebben gehad. Hij was verder gokverslaafd en gaf graag geld weg dat hij van anderen geleend had. Hij kon het niet aanzien dat in Groningen een paard werd afgeranseld door een lompe boer. Hij kocht het paard dat nog een paar jaren zonder zweepslagen heeft geleefd.

Belangrijker was dat hij door zijn aanklacht met de Max Havelaar een rilling door het land deed gaan. Wie de dikke biografie van Dik van der Meulen over Multatuli heeft gelezen weet (bijna) alles over deze van origine Amsterdamse schrijver die het geloof en de predikanten fel aanviel. Hij nam nooit een blad voor de mand. Hij is en blijft onze belangrijkste schrijver van de negentiende eeuw. Misschien wel ook nog van ver daarna. In Anekdoten gaf uitgeverij van Oorschot tientallen merkwaardige belevenissen van deze man in druk uit. Geert van Oorschot was ook de man die er in slaagde het Volledige Werk van Multatuli uit te geven. Inclusief onbeduidende briefjes en de schaakpartij per brief die hij speelde. Maar ook met de Ideeën en het ontroerende en geestige Woutertje Pieterse.

Van Oorschot was ook de man die er voor zorgde dat er een standbeeld van Douwes Dekker in Amsterdam kwam. En nu maar hopen dat dat niet wordt beklad.

Méér nieuwe oude boeken

augustus 2nd, 2020 by Jaap de Jong

Freud en Multatuli: seks, religie en het oceanische gevoel

In de inleiding tot zijn vuistdikke biografie merkt Dik van der Meulen op dat Freud, Mahler en Lenin het werk van Multatuli waardeerden. Bij toeval – maar wat is dat anders dan dat het mij toevalt? – ligt het werk van Freud en Multatuli op mijn werktafel. Freud las ik eind jaren tachtig, tijdens mijn reis door Europa (Wenen, Budapest, Venetië, Rome, Parijs) en ik deed dat vooral omdat ik dacht wijzer te worden van de man. In Wenen bezocht ik Bergasse 19, dronk bier bij de Stephansdom met vrouwen wier lelijkheid mijn begeerte uitdoofde en las ik Freud: De grap en haar relatie met het onbewuste en Die Zukunft einer Illusion en jawel: Das Unbehagen in der Kultur.

Freud had geen gevoel voor religie en Romain Roland kon hem ook niet overtuigen van de realiteit van het oceanische gevoel – die Empfindung der “Ewigkeit” (…). Ein Gefühl wie von etwas Unbegrenztem, Schrankenlosen, gleichsam “Ocenanischem”. Freud kon het bij zichzelf niet ontdekken en legt zelfs een verband tussen de ontdekking van de psychoanalyse en zijn godloosheid: “Overigens, waarom schiep eigenlijk geen godvrezende de psychoananalyse? Waarom moest men wachten op een volstrekt goddeloze jood? (Sigmund Freud aan Oskar Pfister, 9 oktober 1918). Ik betwijfel of het antwoord van Peter Gay in Een goddeloze Jood voldoende bevredigend is, maar dat hangt natuurlijk samen met de definitie van religie.

Met Multatuli kwam ik in aanraking via zijn Ideeën. Die zijn sprankelend. Nog steeds. Later ontdekte ik dat zijn broer Pieter student was aan het Doopsgezind Seminarium en doopsgezind predikant werd. Als zodanig veroverde hij een plek in mijn onderzoeksdatabase over de beroepsontwikkeling van doopsgezinde predikanten (1675-1865). Pieter Douwes Dekker is de broer die als enig familielid een plek veroverde in het oeuvre van Multatuli. Aan Dik van de Meulen, die diep dook in het doopsgezinde milieu van Douwes Dekker, dank ik veel interessante gegevens.

Maar waren komen die twee samen: Freud en Multatuli?

De schitterende index op het werk van Freud brengt uitkomst (deel 11, Boom, 2006). Freud schatte Multatuli hoog. Hij noemt hem “de grote denker en mensenvriend”. Als hem gevraagd wordt naar een lijst van tien ‘goede’ boeken geeft hij de brieven van Multatuli als eerste op. Freud schrijft in een open brief aan zijn collega dr. M. Fürst waarderende woorden over Multatuli. Freud citeert hem uitvoerig in een brief aan Tine (28 okt. 1845) over seksuele opvoeding: “men doet wél de verbeelding der kinderen rein te houden maar die reinheid wordt niet bewaard door onwetendheid. Ik geloof eerder dat het bedekken van iets, den knaap en het meisje te meer naar de waarheid doen gissen. Men spoort uit nieuwsgierigheid zaken na, die ons zonder moeite medegedeeld zijnde, weinig of geen belang zouden inboezemen. Ware die onwetendheid nog te bewaren dan had ik er vrede mee maar dat kan niet: het kind komt in aanraking met andere kinderen, het krijgt boeken in handen, die het tot nadenken brengen; juist de geheimzinnigheid, waarmede het toch begrepene, door de ouders is behandeld, verhoogt het verlangen meer te weten; dat verlangen, slechts gedeeltelijk bevredigd, slechts ter sluik voldaan, verhit het hart en bederft de verbeelding. Het kind zondigt reeds en de ouders meenen nog dat het niet weet wat zonde is!”

Daar is geen woord Frans bij.

Er is nog iets waar de beide schrijvers het eens zijn en dat is het lot in relatie tot rede en noodzakelijkheid. In het geval van Freud en Multatuli komt dat neer op de bevestiging van hun beider atheïsme. Zo schrijft Freud: “Als de Nederlandse schrijver Multatuli het lot van de Grieken vervangt door rede en noodzakelijkheid, valt daar weinig tegen in te brengen. Maar ieder die de leiding van het wereldgebeuren overdraagt aan de voorzienigheid, God of God en de natuur, laadt de verdenking op zich dat hij deze opperste en meest ongrijpbare machten nog steeds – mythologisch – als een ouderpaar ervaart en zich door libidineuze bindingen met hen verbonden waant.”

Inmiddels is de psychoanalyse op sterven na dood, behalve in België.

Voor mijn Vlaamse en Nederlandse vrienden en boekenliefhebbers derhalve onderstaand aanbod. Vier boeken voor €47,50, inclusief verzendkosten.

Freud, Sigmund (1988). De grap en haar relatie met het onbewuste. De humor. Meppel/Amsterdam: Boom. Goed, gebonden in linnen met stofomslag. Vertaling: Thomas Graftdijk & redactie: Wilfred Oranje, 310 pp. Met registers (van namen & grappen) en bibliografie. Met naam en aanschafdatum op schutblad (JJ, augustus '89). 

Freud, Sigmund (1982). Massenpsychologie und Ich-Analyse / Die Zukunft einer Illusion. Frankfurt am Main: Fischer Taschenbuch Verlag. Redelijk. 134 pp. Met naam en aanschafdatum op schutblad (JJ, mei 1989). 

Freud, Sigmund (1974). Abriss der Psychoanalyse / Das Unbehagen in der Kultur. Frankfurt am Main: Fischer Taschenbuch Verlag. Redelijk. 150 pp. Met een rede van Thomas Mann als nawoord. Naam en aanschafdatum op schutblad (JJ, 6 mei 1989). 

Horsman, Annet (1960). Anekdoten over Multatuli. Uit authentieke bronnen bijeengebracht. Amsterdam: G.A. van Oorschot. Redelijk. 173 pp. Met kartonnen omslag.

Méér nieuwe oude boeken

juli 31st, 2020 by Jaap de Jong

Acht jaar om de slaap gebracht. Arnold Zweig over De Vriendt keert weer

In het najaar (november 2020) brengt Uitgeverij Cossee een nieuwe vertaling op de markt van De Vriendt keert terug. Deze roman van Arnold Zweig, de minder bekende broer van Stefan, is eerder vertaald door Nico Rost. De eerste druk (uit 1933), waarvan een gedeelte in 1939 opnieuw in de handel werd gebracht als titeluitgave in De Salamander-reeks, verschijnt bij de uitgever Em. Querido te Amsterdam. Tussen februari en augustus 1940 wordt De Vriendt keert weer uit de handel genomen. Oorspronkelijke titel: De Vriendt kehrt heim.

In het hier aangeboden exemplaar, schrijft Arnold Zweig in september 1933 een nawoord waarin hij – speciaal voor de Nederlandse lezer – verdichting en werkelijkheid uiteenzet. Zweig vertelt hoe de ongelukkige geleerde, dichter en onzalige politicius Jacob Israël de Haan, die in 1924 in Jeruzalem werd vermoord, hem vanaf het moment van zijn dood acht jaar lang om de slaap bracht. Door zijn ongeremde hartstochtelijkheid, stelt Zweig, “was hij de juiste persoon om de grote figuur van de tegenspeler in mij te doen geboren worden. Ik wist dat hij mij in de diepste diepten van de joodse en menselijke problemen zou duwen, alleen vermoedde ik nog niet, hoe diep”.

Wie is de dader van de moordaanslag op de geleerde jurist en schrijver Jitschak Jozef de Vriendt [Jacob Israël de Haan] die in Jeruzalem op een zomeravond in Jeruzalem wordt vermoord? Dat is de inzet van de buitengewoon interessante roman die de wereld van fanatisme en politieke intriges blootlegt in Israël  & Palestina. Een wereld die sinds de beschrijving van Zweig ogenschijnlijk niet veel veranderde.


Jacob Israël de Haan was afkomstig uit een orthodox Joods milieu. Hij was de zoon van een Joodse voorzanger uit Drenthe en broer van Carry van Bruggen. De Haan werd opgeleid als onderwijzer, geraakte in de journalistiek, schreef de roman Pijppelijntjes die vanwege de homoseksuele thematiek opzien baarde. Na zijn promotie (1918) emigreerde hij naar Palestina. Hij was daar werkzaam als correspondent voor het Algemeen Handelsblad en werd in 1924 vermoord.

Arnold Zweig (1939). De Vriendt keert weer. Amsterdam: Querido. In goede staat, ingenaaid. Titeluitgave van de 1e druk uit 1933 die als nr. 49 uit de Salamanderreeks in 1939 opnieuw werd uitgebracht. In augustus 1940 uit de handel genomen. Omslag van Jan Bertus Heukelom. Vertaling Nico Rost. Niet in de handel/Zeer zeldzaam. Samen met 'Een vriend komt thuis. Jacob Israël de Haan-nummer' Special van Uitgelezen Boeken (jrg. 13, nr. 2, september 2009) € 69,00 (incl. verzendkosten). Belangstelling? Bel of mail ons.

juli 29th, 2020 by Igor Cornelissen

Het slotakkoord van Adriaan Venema

Adriaan Venema, die met aankondiging en al, een eind aan zijn leven maakte, heeft als schrijver en kunsthandelaar zijn sporen nagelaten. Zijn boeken over de Bergense school, de Amsterdamse juffers en de Nederlandse schilders die naar Frankrijk (Parijs vooral) trokken en daar beroemd werden, werden goed ontvangen. Venema kon de dingen tot het bot uitzoeken. Lof oogstte hij voor zijn speurzin toen hij het gedrag tijdens de oorlog van schrijvers, uitgevers en kunsthandelaren onder de loep legde in een omvangrijk oeuvre. Menigeen vond dat hij wat ruim omging met zout op slakken.

Ook aan het toneel waagde hij zich. Zijn Mussert, een Nederlands Koningsdrama, werd in 1973 opgevoerd onder regie van Peter Oosthoek. Het idee vond men aardig, gedurfd zelfs, maar de uitwerking trof geen doel. Hans van den Bergh stelde in Het Parool dat het allesbehalve een koningsdrama was. Seyss Inquart werd neergezet als een wat knerpend sprekend mannetje, dat leek echt nergens op. Dat Mussert een landverrader was, wisten we. Daarvoor is hij geëxecuteerd. Mijn vroegere collega bij Vrij Nederland Tessel Pollmann vond inmiddels veel meer: Mussert verrijkte zich royaal met in beslag genomen joods bezit. Hij was iets erger dan Loe de Jong hem had neergezet. Helemaal geen burgermannetje dat nog wel iets van Nederlands onafhankelijkheid wilde behouden, maar tegen Hitler geen schijn van kans had.

Enfin, dat kon Venema allemaal niet weten. In de kunstwereld was en bleef hij het beste thuis. En daarover ging ook het laatste gesprek dat hij bij mij thuis in Zwolle voerde. Dat was enkele weken voor zijn zelfgekozen dood, een gebeuren waarmee zijn laatste boek, Het dilemma, opent en ik citeer uit het hoofd: als u dit leest, ben ik er niet meer. In het boek is ook het bekende interview van Ischa Meier met Venema opgenomen.

Méér nieuwe oude boeken

juli 26th, 2020 by Jaap de Jong

Dit is mijn boek. Joodse exlibriscultuur in Nederland

Het leven speelt zich af binnen de dimensies ruimte en tijd; wordt gestuurd door hen die je ontmoet en hen die je ontwijkt. Er is geen ontkomen aan. Godlof dat er boeken zijn, boeken die je nooit meer kwijt wilt, ook al ben je boekhandelaar geworden. Of juist omdat je op weg bent om er één te worden. Boeken die je begeleiden, je weg verbreden, je helpen om je een weg te banen door een oerwoud dat grotendeels wel oerwoud zal blijven. Of boeken die als merkstenen zijn. Merkstenen en gedenktekens. Wie zal het zeggen?

Vorige week zag ik een titel in de boekenkast van mijn kompaan Igor Cornelissen. Ik vertelde er over en mijn geliefde zag begeerte in mijn ogen branden. Nu ligt het voor mij op tafel: Dit is mijn boek. Joodse exlibriscultuur in Nederland (Amsterdam, 2017). Het is een lijvig boekwerk dat 1492 pagina’s telt. Het zal wel toeval zijn dat dit aantal samenvalt met het jaar van de verdrijving van de Sefardim, die zich na dit Edict van Isabelle en Ferdinand over Europa verspreidden. Met in het kielzog het Boek en de boeken: woord, wet en gebod.

In het begin van de twintigste eeuw ontstaat er een apart genre: het (joodse) exlibris, waarin zo’n beetje alles tot uiting komt wat voor de ontwerper, bedenker en/of uitvoerder tot de essentie behoort. Jan Aarts en Chris Kooyman geven een interessante historisch-sociologische inleiding bij het handboek voor de boekcultuur. Ook hier aandacht voor de sporen die vluchtelingen nalieten. Zo wijzen zij op eerdere publicaties die het internationale aspect van de exlibriscultuur accentueren. Zo was er in 2011 een publicatie over de Exlibris in Exil: Duits-joodse vluchtelingen in Nederland 1933-1940. Uit de bespreking van die Duitse exlibriscultuur wordt bijvoorbeeld de “spanning” helder tussen assimilatie, emancipatie en persistentie. Een spanning die zich ook wel openbaart in de gebruikte afbeeldingen. Naast de lemmata over bijna 1400 titularissen en 600 kunstenaars zijn er essays opgenomen waaruit methodologische en sociologische aspecten helder worden. Erg jammer dat de namen van de beschreven titularissen (boekeigenaren) met hun exlibrissen (en paginaverwijzing) niet zijn opgenomen in het personenregister. Dat bemoeilijkt het snelle zoeken.

Het handboek van Aarts en Kooyman beperkt zich tot de Joodse exlibriscultuur in Nederland en daarover is al heel veel te vertellen. De inleiders doen zelf een poging tot samenvatting. Het gaat over “de trots van de Sefardische Joden op hun aristocratische afstamming, het streven naar emancipatie, de bijzondere gehechtheid aan het boek, de intellectuele voorkeur, de religieuze overtuiging, het zionistisch ideaal of het lijden onder discriminatie en vervolging.” Voor veel titularissen en ontwerpers is het exlibris het enig overgebleven teken van hun existentie: hun leven eindigt in Sobibor, Auschwitz en andere oorden van verderf.

Dit doet mij denken aan een verhaal van historicus Jaap Meijer, of beter de glashelder schrijvende dichter Samuel van Messel. In zijn bundel Het eeuwige leven (1972) geeft hij de dialoog weer tussen een vrijdenker en de drager van een naam: te weten de naam Gebiha, zoon van Pesisa: “een vrijdenker zei tot gebiha de zoon van pesisa / gij dwazen die aan een opstanding gelooft / alles wat leeft sterft en het gestorvene zou weder leven? Gebiha antwoordde / gij dwaas die de opstanding loochent / ik zeg u dat wanneer reeds iets kan leven dat voordien niet bestond. Waarom zou dan niet opnieuw kunnen leven iets dat reeds heeft bestaan” [naar de babylonische talmud, tractaat sanhedrin, folio 91].

Boeken die wij wèl verkopen

juli 23rd, 2020 by Igor Cornelissen

Het huis met de bloedvlekken. Over Amsterdamse burgemeesters

De burgemeesters van Amsterdam. Wie kent ze niet? Ik bedoel niet alleen Femke Halsema en Eberhard van der Laan, maar ook nog Schelto Patijn, Job Cohen (die van de polonaise en het theedrinken), Ivo Samkalden en Gijsbert van Hall. Drie van hen heb ik gekend en zelfs geïnterviewd, waaronder van Hall na zijn gedwongen aftreden.

Maar nu die grote gezagsdragers uit de zeventiende en achttiende eeuw. Soms met geld achter de hand, van adel of een beetje patriciaat. Die hadden, er waren geen echte verkiezingen, echt macht en invloed. En waarschijnlijk zullen activisten van nu zeggen, bloed aan hun handen. Nicolaas Tulp, kennen we nog een beetje als (ook) heelmeester, naar Bicker is het Bickerseiland genoemd en Hooft zegt ons ook nog wat.

Maar wie waren Joan Corver, Reynier Pauw, Coenraad van Beuningen en Willem Backer?

De laatste was van eenvoudige komaf. Zijn vader was haringkoper. Hij wordt ons door de schrijver Balbian de Verster beschreven als een beschaafd en kundig man. Voor een functie bij de VOC bedankte hij na enkele maanden omdat daar ongure zaken (mijn woorden) gebeurden. Hij had grote bemoeienis met het herstel van de Nieuwe Kerk na een brand. In 1646 werd de eerste heipaal ingeslagen. Balbian Verster beschrijft nauwkeurig hoeveel palen nog volgden want wij allen weten dat Amsterdam nu eenmaal op palen is gebouwd.

Over het tragische einde van Coenraad van Beuningen zijn veel verhalen in omloop. Hij leed grote verliezen in de handel, belandde in een ongelukkig huwelijk en zocht troost in de godsdienst. Van Beuningen schreef een verward geschrift waarin hij konde deed van het Duizendjarig Rijk dat aanstaande was. Het verhaal gaat dat Van Beuningen zijn gevel bekladde met zijn eigen bloed. Het gaat om tekeningen, onheilspellende woorden en meetkundige figuren. Mijn kompaan vertelde me dat in zijn huis (Amstel 216) nog steeds de bloedvlekken te zien zouden zijn. Hij sneed zich en besmeurde er de muren mee.

Bij Van Beuningen en veel anderen van die burgemeesters dacht ik: Interessante kerels, ik zou meer over hen willen weten. Een korte literatuur opgaaf achter in het boek kan daar daar bij helpen.

Jan François Leopold de Balbian Verster (1861-1939) was een journalist met brede belangstelling. Hij had relaties in de kunstwereld en schreef voor de oorlog o.a. voor het Algemeen Handelsblad en De Telegraaf. Zijn boek over de Amsterdamse burgemeesters is opgenomen in onze catalogus. Over die bloedvlekken heeft hij het niet. Híj niet!

Meer nieuwe oude boeken

juli 22nd, 2020 by Igor Cornelissen

Alles al ontdekt. Over Sven Hedin

Kort na de bevrijding nam mijn vader mij mee naar de bioscoop in Zwolle waar op zondagmorgen natuurfilms werden gedraaid. De binnenlanden van Brazilië. Apen en levensgrote slangen.  Ook stammen die nog nooit een blanke hadden gezien. Toen ik in die tijd bij de padvinders kwam moest ik als welp een opstel schrijven: Wat wil je later worden?

Eerst dacht ik aan bankdirecteur omdat ik meende dat dat zo’n directeur over al het bankgeld kon beschikken. Daarna dacht ik aan ontdekkingsreiziger vanwege die film over Brazilië en de ontdekkingsreiziger Sven Hedin (1865-1952) waarover mijn vader mij vertelde. Ook die laatste optie moest ik schrappen toen ik las dat alles al ontdekt was.

De Zweed Sven Hedin was een van degenen die mij was voorgegaan. In zijn jeugd had hij Perzisch geleerd. Dat kwam van pas toen hij de hoogvlakte van Pamir verkende. Later trok hij verder naar Tibet waar hij de laatste ‘witte plekken’ in kaart bracht. Hij had er wat voor over, want hij vermomde zich soms als boeddhistische monnik. Hij werd met zijn boeken en lezingen wereldberoemd. Hij liep een forse smet op door zijn bewondering voor Hitler die hij in 1935 ontmoette. Na de oorlog verdedigde hij zich met de bewering dat hij veel joden en verzetsstrijders het leven had kunnen redden.

Zijn foto’s van kamelen, gebergtes en Kirgizische vrouwen in klederdracht staan als een huis overeind. Ze zijn opgenomen in deze tweedelige serie over Azië, net zoals de kaarten.

Kleine toevoeging: de werkloze metselaar Marinus van der Lubbe, ja die van de Rijksdagbrand, las in de bibliotheek in Leiden niet alleen Karl Marx, maar ook Sven Hedin.

Sven Hedin (1919) Durch Asiens Wüsten: drei Jahre auf neuen Wegen in Pamir, Lop-nor, Tibet und China. 2 Bände. Mit 107 Abbildingen und 5 Karten [incompleet: 4]. Leipzig : F.A. Brockhaus, 1919. 6th edition. Originele linnen banden. XII, 236 [1]; VI, 245,[2] pp. Met register. Redelijk tot goede staat. € 17,50
juli 20th, 2020 by Igor Cornelissen

“An a goj, der jiddisch redt.” Over Hartog Beem en de Joden van Leeuwarden

In de zomer van 1974 interviewde ik Hartog Beem (1892-1987), oud-leraar Duits, over de resten van het jiddisch, dat in Nederland toen nog door slechts enkele tientallen werd gesproken. Van Beems hand was eerder een boekje over die taal verschenen [Jerosche (1959), zie Joodse bibliotheek, JON] De resten van die taal waren overal zichtbaar en zelfs na de oorlog  hoorbaar. Sommige waren zelfs in de dikke Van Dale doorgedrongen. Gein, goochem, lef, sjofel, chotspe en stiekem. Wie gebruikt die woorden niet? Slechts weinigen weten dat ze uit het jiddisch komen.

Boven het VN artikel stond de kop: An a goj, der jiddisch redt, dou ist kaan brooche an. In het Nederlands: Aan een niet-jood die jiddisch spreekt, daar rust geen zegen op. Beem verduidelijkte dat met een mooie anekdote uit Twente waar een joodse veekoopman met een niet-joodse boer onderhandelde over de prijs van een paard. De koopman bood honderd gulden wat de boer te weinig vond. Ze zouden het laten beslissen door de zoon van de koopman die er net aan kwam. ‘Meie zoof, wat moet dat peerd kosten?’ vroeg de koopman aan zijn zoon, die direct antwoordde: dat paard is met honderd gulden dik betaald.’ Als men weet dat “meie” honderd is en zoof in het jiddisch gulden betekent, begrijpt men het antwoord van de zoon. Of de boer het voor die prijs verkocht heeft, is niet bekend. Veel veehandelaren in het oosten en Noorden van Nederland kenden die woorden en uitdrukkingen. Vandaar de kop boven het artikel.

De in Harderwijk geboren Beem had met zijn vrouw door onder te duiken de oorlog overleefd. Reden tot vreugde was er niet. Voor de oorlog hadden ze al een kind verloren door een verkeersongeluk. Een ander zoontje en een dochtertje waren tijdens de bezetting verraden en vermoord. Beem stortte zich niet alleen op de resten van een taal, maar ook op de geschiedenis. Van het joodse leven in Leeuwarden waar hij lang leraar Duits was geweest, was veel materiaal bewaard. Beem was direct na de bevrijding aangesteld om het joods leven in de Friese hoofdstad voor zover mogelijk op gang te brengen. Het resultaat van zijn diepgravende onderzoek was een rijke studie over een ooit levendige gemeente en cultuurcentrum.

Nog even een mooie uitdrukking in het jiddisch die ik van Hartog Beem leerde: E jonge maad is besser wie ‘n alte tefille. Oftewel: een jonge meid is beter dan een oud gebedenboek. De humor is alleen te begrijpen als men weet dat het een oude gewoonte was uit eerbied het gebedenboek voor en na gebruik te kussen.

Naar aanleiding van: H. Beem (1974). De Joden van Leeuwarden. Geschiedenis van een Joods cultuurcentrum. Assen: Van Gorcum

In goede staat. Gebonden in zwart linnen met nette stofomslag. Met bibliografie, register, noten, XII, 368 pp. Meerdere illustraties zw/w. (€ 39,50, incl. verzendkosten). Méér judaica. Dit exemplaar bestellen? Bel of mail ons
juli 17th, 2020 by Jaap de Jong

De mooiste paradijstuin is niet meer dan wat zwarte sintels in droge aarde

Denkend aan Cornelis Steenblok (1894-1966) zie ik een zwarte T-Ford in een achterkamer staan, terwijl hij met zijn huishoudster in de voorkamer de maaltijd geniet. Niet veel later gaat Steenblok te snel door de bocht en belandt de T-Ford in een sloot. De dominee wordt wonderbaarlijk gered. Met zwarte hoed en al wordt hij uit het water gevist. Of ik sla hem gade terwijl hij de hostie weigert in een katholieke kerk en hoor zijn reactie op de boze blik van de priester die hem vraagt wat hij daar doet. Terwijl zijn “aangezicht verandert als in een keisteen”, zegt Cornelis Steenblok: “dit is toch een publieke plaats?” Deze en andere verhalen staan in het boekje Leven en leer van dr. C. Steenblok. Maar er is meer.

Ik herinner mij ook de verwondering toen ik als jonge student zijn proefschrift Voetius over de sabbath doorbladerde (met hardkartonnen blauwe omslag) en daarin de stellingen las. Een van die stellingen vond ik heel bijzonder: “de logische denkfunctie is door de zondeval niet aangetast geworden”. Eensklaps begreep ik de oorsprong van de conflicten en zijn wat onverzettelijke opstelling bij geschillen. Hij meende het gewoon altijd bij het rechte eind te hebben met de logica aan zijn zijde. Niet echt, maar toch wel bijna een God in het diepst van zijn gedachten. En waarschijnlijk heel eenzaam. Ik vond die stelling wel wat merkwaardig. Mij was altijd bijgebracht dat alles onder de ban van het kwaad lag en dat zelfs de mooiste paradijstuin niet meer is dan wat zwarte sintels in droge aarde.

Toen ik dit blog afrondde ontdekte ik dat P.L. Rouwendal een boek over Steenblok schreef waarin die stelling een belangrijke rol speelt, ook in de leergeschillen en -conflicten. Hij poneert daarnaast dat Steenblok het syndroom van Asperger had. Dat weet ik allemaal niet, maar de gedachtegang kan ik wel begrijpen, zeker nu ik het boekje over Steenblok opnieuw doorblader en over zijn ervaringen lees. In een als apologie bedoelde bespreking van de leer van Steenblok redeneert L.M.P. Scholten op soms bijna identieke wijze. Het blijft bijzonder, die logicistische omgang met heilige schrift.

In 1975 kreeg ik het boekje over Steenblok cadeau. Een presentje toen ik als leerling de dr. C. Steenblokschool verliet met als advies om de ambachtschool te volgen; ik mocht eventueel de Mavo proberen. Uit woede over dat advies verscheurde ik alle rapporten van de dr. C. Steenblokschool, maar het boekje hield ik en ik zal niet spugen in de bron waaruit ik dronk. Met dr. C. Steenblok heb ik niet veel, maar ik laat mij nooit de herinnering ontnemen aan de beschrijving van het overlijden van de predikant Pannekoek, een leerling van Steenblok. Er werd geschreven dat op het moment van zijn sterven, “de wind plotseling ging liggen en er (…) een stilte in de valley [kwam].” Ik geloof dat.

Je moet goed luisteren om windstilte te horen.

Boeken die ik wèl verkoop