in 't Wasdom

antiquariaat Cornelissen & De Jong – Zwolle
maart 12th, 2021 by Jaap de Jong

“Een onheilspellend boek” – Krielaars over Zweig

Michiel Krielaars recenseerde vandaag in de NRC de nieuwe vertaling van de roman van Arnold Zweig (1881-1924). Hij wijst in zijn recensie op de overeenkomst tussen Jitschak Jozef de Vriendt en Jacob Israël de Haan (1881-1924): “met zijn rossige baard, lichte ogen, ronde hoofd en knijpbril ziet hij er hetzelfde uit. Ook heeft hij als orthodoxe Jood een seksuele voorkeur voor Arabische jongens, dicht hij kwatrijnen, is hij jurist en schrijver, en wordt hij in Jeruzalem vermoord door een fanatieke zionist.” Een onheilspellend boek, noemt Krielaars het.

Arnold Zweig, de minder bekende broer van Stefan, was acht jaar lang bezig met het verhaal van De Haan. In 1933 werd de eerste druk van zijn roman door Querido in omloop gebracht. Die werd in 1939 als nr. 40 van de Salamanderreeks opnieuw uitgegeven, maar in augustus 1940 verdween ook die voorgoed uit de schappen. Toch hebben wij een zeldzaam exemplaar. Meer over deze uitgave in een eerder blog: Acht jaar lang om de slaap gebracht. Arnold Zweig over De vriendt keert weer.


Arnold Zweig (1939). De Vriendt keert weer. Amsterdam: Querido. In goede staat, ingenaaid. Titeluitgave van de 1e druk uit 1933 die als nr. 49 uit de Salamanderreeks in 1939 opnieuw werd uitgebracht. In augustus 1940 uit de handel genomen. Omslag van Jan Bertus Heukelom. Vertaling Nico Rost. Niet in de handel/Zeer zeldzaam. 

Samen met 'Een Vriend komt thuis. Jacob Israël de Haan-nummer' Special van Uitgelezen Boeken (jrg. 13, nr. 2, september 2009) € 69,00 (incl. pak- en verzendkosten). Belangstelling? Bel of mail ons.

maart 12th, 2021 by Igor Cornelissen

Heimwee naar Lissabon en de Taag

Alfama is een oude wijk, volksbuurt is beter uitgedrukt in Lissabon die in tegenstelling tot de rest van de stad na de aardbeving van 1755 grotendeels intact bleef. Wie er nu in ronddwaalt krijgt de indruk van een ver verleden. Er wonen echter nog altijd mensen, al zullen er weinig vissers meer onder hen zijn. De mannen die van hieruit naar de Taag lopen naar hun boten. Bij Alfama horen zowel de fado – een treurig klinkend levenslied (ze is wel vergeleken met de Blues van de Afro Amerikaan) – als de saudade. Twee Portugese woorden die eigenlijk niet vertalen zijn en voor een buitenlander nog lastiger om te beschrijven. Er zit iets in van weemoed naar een (groots) verleden dat men niet echt gekend en heeft en hoop op een toekomst die waarschijnlijk niet zal komen. Gerrit Komrij heeft een poging gedaan de beide elementen te plaatsen daar waar men ze nog beluisteren kan al wordt men er steeds meer gehinderd door toeristen. Het is Komrij aardig gelukt. Hij heeft tenslotte jaren in Portugal gewoond en hij was een begaafd schrijver die het woord wist te schikken naar (zijn) gevoelens.

Ik kan er een beetje over meepraten. Ik heb met mijn geliefde door Alfama gelopen (kronkelsteegjes, je verdwaalt subiet) en toen we besloten dat we de fado wilden horen, liep ik een volkscafé binnen. Nadat ik een bagaceira had geproefd, nam ik er nog één. Ik voelde me er goed. Er zaten veel oudere mannen met petten op en dat alles gaf een gevoel van huiselijkheid. Toen ik een derde bagaceira bestelde vroeg mijn verloofde of we nog naar een fado gingen of dat ik daar bleef doorzakken.

Ik had het alles zo gepland. Want bij de derde borrel had ik me als het ware verzekerd van het goeddunken van de eigenaar. Toen durfde ik hem wel naar een fadorestaurant te vragen dat nao turismo was. Hij vatte zijn zoontje bij het oor en gelastte hem ons naar de Beco do Esperito Santo te brengen. Daar zongen enkele fadistas, maar degene die mij bijbleef was Alcindo de Carvalho (1932-2010), een goed geklede heer (niks spijkerbroek) die over wist te brengen wat hij en de begeleiders voelden, al konden wij zijn woorden niet verstaan.

Het restaurant zat vol met Portugezen die soms een refrein meezongen. Naast ons was er nog een beschaafde Duitser aanwezig. Bij het afrekenen betaalde ik graag voor een cassette met Alcindo’s zang. Er volgde een tweede avond. Een gesprek met de artiest was moeilijk, want zijn Engels was pover. Andermaal een onvergetelijke avond. Na het vertrek moest ik buiten even op een bankje zitten, overmand door gevoelens en de rode wijn. Er stond ineens een man voor ons die wat zei en gebaarde. Ik probeerde hem weg te jagen. Nu geen bedelaar die met zijn platte geldhonger mijn diepere gevoelens verstoorde. Mijn vriendin wees mij op de Werkelijkheid. Het was Alcindo de Carvalho die aanbood ons naar ons onderkomen te brengen. Jaren later kocht ik van Alcindo een CD. Ik draai hem nog geregeld. En elders moet nog een cassette liggen van zijn muziek die ik zelf opnam in de Beco de Esperito Santo. Daarop hoor je niet alleen de muziek, maar ook, heel voorzichtig het getik van een vork tegen een bord. Als een fadista zingt is men stil, men praat niet, je luistert. Op Youtube vond ik een filmpje van hem.

Door Alcindo de Carvalho heb ik de ziel van de Portugees leren kennen waarvoor ik hem dankbaar blijf.


Komrij, Gerrit (1998). Alfama. Lisboa. Antwerpen: Pandora. In goede staat, 79 pp., met illustraties van Hans Roels en Serge Vermeir (foto’s). Uit de collectie Cornelissen. € 14,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

maart 11th, 2021 by Jaap de Jong

Een dame-in-het-zwart in een Deventer boekerij. De vertelkunst van J.H. van den Berg.

Gisteren arriveerde de autobiografie van J.H. van den Berg. Op het scherp van de snede. Memoires van een gewraakt schrijver. Ik had ooit het voorrecht Van den Berg te spreken. Het was een lang gesprek in zijn appartement in Antwerpen, dat kort duurde. Of was het een monoloog? Tweeënhalf uur lang tussen zijn boeken en zijn vlinderverzameling zitten en luisteren naar de reconstructie van zijn leven, van een leven zoals hij dat zag. Een belevenis was het zeker. Aan het einde vertelde Van den Berg dat – als hij het onderwijs zou mogen hervormen – theologie als hoofdvak in het curriculum zou staan [zie interview]. Zou het dan wel goed zijn gekomen met het onderwijs?

In zijn autobiografie komt die hang naar boeken, de natuur en de theologie terug. Hij vertelt over de boeken uit de opgeheven universiteiten van Franeker en Harderwijk die in zijn geboortestad Deventer lagen: in het stadhuis. Een prachtverhaal waarin hij alles uit de kast haalt en tegelijkertijd zijn fenomenale vertelkunst demonstreert. Ik laat het hier in zijn geheel volgen.

Enkele weken daarna stapte ik alleen het stadhuis binnen – dat was toen nog mogelijk, omdat niemand op de vreemde gedachte kwam dat er wel eens gestolen zou kunnen worden. Het kamertje met de dame-in-het-zwart was leeg. Ik ging naar de grote zaal en bleef even op de drempel staan. Daar waren al die folianten! Mijn genot duurde kort. Het dametje zag mij staan, pakte mij bij de arm en er bleef voor mij niets anders te doen dan het stadhuis te verlaten. Het deerde mij niet. Het leek mij heel juist dat ik, een onbekend jongetje, geen toegang had. Maar enkele weken later was ik er weer. Zij herkende mij! Ik vroeg haar of ik de boeken mocht zien. Ze nam mij bij de hand en voerde mij tot in het midden van de grote zaal zodat ik alle boeken zien kon. Daar bleef het bij. Maar ik kwam weer. En weer. Ze begon mij te vertrouwen. Liet mij weleens alleen in de zaal. Nam op mijn beleefde verzoek een boek van de boekenplank en opende dat voor mij. – Toen mocht ik zelf een boek van zijn plek nemen en het voorzichtig openslaan. Daarna nam ik een foliant en opende die. Op de eerste bladzijde stond, met vlotte hand geschreven, een naam, welke weet ik niet meer. Wat onder die naam stond, dat weet ik nog goed! Daar stond, in prachtig handschrift: Hoogleraar in de Heilige Godgeleerdheid aan de Universiteit van Franeker. Dat zoiets bestaan had! Dat een mens zoiets had kunnen bereiken! – Later, veel later, toen ikzelf hoogleraar was geworden, nog wel in de inmiddels helaas niet meer zo heilige Godgeleerdheid, herinner ik mij dat boek met het zwierige handschrift – en ik voelde mij voldaan. Op den duur – ik was inmiddels leerling geworden van de Deventer Rijks Hogere Burger School – werden mij meer vrijheden gegund. Toen wachtte mij een tweede verrassing. Ik ontdekte een boek met de titel De Nederlandse Insecten. Schrijver: J.Th. Oudemans. In dat boek werden de Nederlandse insecten beschreven. Elk insect met zijn ‘Latijnse’ en – als die bestond – Nederlandse naam. Daarna de eigenschappen van het insect. In strakke taal, zonder werkwoorden. – Het duurde niet lang of ik mocht het boek mee naar huis nemen. Voor een week. Voor enkele weken. – Nu bezit ik het boek zelf! Het is mij, door veelvuldig gebruik, vertrouwd geworden. Ik kan het te midden van de vele boeken in mijn bibliotheek, geblinddoekt vinden. De magie die ik de eerste keer, daar in de zaal van het stadhuis ervoer, is niet geweken.


Visscher, Jacques de & Hub Zwart (red.) (2013). Op het scherp van de snede. Memoires van een gewraakt schrijver. Aangevuld met vier essays over hedendaagse cultuur – Jan Hendrik van den Berg. Kalmthout:Pelckmans.

Dit item behoort tot de boeken die ik niet verkoop. Hier een opgave van de Bergiana die ik wėl verkoop.

maart 10th, 2021 by Igor Cornelissen

Cordell Hull, de oorlog en het isolationisme

Cordell Hull (1871-1955) was de langstzittende minister van Buitenlandse zaken van de Verenigde Staten. Hij werd in 1933 door zijn partijgenoot Franklin Delano Roosevelt benoemd en trad in 1944 af wegens gezondheidsredenen. In zijn boeiende herinneringen, die hij in precies twee jaar afkreeg, beschrijft hij de moeizame weg van FDR na de grote crisis van de dertiger jaren, de verhouding tot nazi Duitsland, de bondgenoot Groot Brittannië en de andere vijand, Japan. Toen de Japanse ambassadeur hem in 1946 de oorlogsverklaring van zestien velletjes in de handen duwde, verklaarde Hull in zijn loopbaan nog niet eerder zo’n lang stuk in handen te hebben gehad met zoveel leugens.

Hull wordt gezien als een succesvolle minister die zijn land zeer was toegedaan. Hij kreeg de Nobelprijs voor de Vrede omdat hij zich zeer had ingezet voor de oprichting van de Verenigde Naties. Na  maar ook al tijdens de oorlog is er kritiek op hem geweest, omdat hij verhinderde dat er in 1939 een Duits schip met 936 gevluchte joden in New York kon aanmeren. Meerdere malen verzette hij zich tegen de immigratie van joden. Dat hij getrouwd was met een een joodse vrouw afkomstig uit Oostenrijk speelde blijkbaar (of juist wel?) geen rol.

Interessant is hoe hij al in 1944 ziet aankomen dat de status van Polen een grote rol zal gaan spelen na de bevrijding. Opmerkelijk is dat hij, toen hij in juni 1941 hoorde dat Hitler de Sovjetunie was binnengevallen direct president Roosevelt belde met het verzoek om de Sovjetunie materieel te steunen. Dat is ook gebeurd en de Amerikaanse hulp (vrachtwagens en medicijnen onder andere) heeft bijgedragen aan de uiteindelijke nederlaag van Hitlers troepen. Een feit dat na 1945 nogal graag door Moskou werd verzwegen.

In zijn laatste hoofdstuk waarschuwt Hull ervoor dat Amerika niet opnieuw mag vervallen in het isolationisme waaraan het zich in de jaren dertig had overgegeven. Het leek onder Trump die kant op te gaan, maar Bidens voorganger zal Hull wel niet hebben gelezen en als hij dat wel heeft gedaan zal hij met de geschriften van deze Democraat waarschijnlijk dingen hebben gedaan die wij niet vermogen uit te spreken.


Cordell Hull. The Memoirs of Cordell Hull [In two volumes]. New York: The Macmillan Company. I.z.g.st., XII, VI, 1804 pp. First edition, met frontispies (foto auteur). Uit de collectie Cornelissen. € 37,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

maart 9th, 2021 by Igor Cornelissen

Romanov en Raspoetin: de enge monnik en het einde van het tsarenrijk

De tsarenfamilie Romanov regeerde drie eeuwen over Rusland. Daar kwam onder Nicolaas II in 1917 een einde aan. In maart 1917 tijdens de eerste revolutie in dat jaar werd hij afgezet. Na de tweede revolutie van de bolsjewiki in oktober onder leiding van Lenin en Trotski verbande men hem naar het platteland. De communisten waren bang – een burgeroorlog was immers nog gaande – dat de contrarevolutionairen hem als symbool zouden gaan vereren. Op een uiterst bloedige wijze werd op 16 juli 1918 een einde gemaakt aan de levens van de ex-tsaar, zijn vrouw en vier kinderen. Er heeft daarna nog een dame in Europa rondgedoold die beweerde een dochter van de tsaar te zijn die het had overleefd. Er werden films over haar leven gemaakt. Het bleek bedrog. De hele familie was echt uitgemoord.

In het boek van Shelayev krijgen we aan de hand van veel unieke foto’s een kijkje op het gezin. De tsaar uiteraard veelal in militair uniform want hij was de opperbevelhebber van de troepen die in de Eerste Wereldoorlog nederlaag op nederlaag leden. Langzaam maakte diepe verering van het volk plaats voor twijfel en daarna woede. Dat Lenin het volk vrede beloofde sloeg aan. Maar aan het hof heerste ook niet louter pais en vree. De van Duitse afkomst tsarina was onder invloed gekomen van een enge monnik. Hij beweerde het zoontje van de familie te kunnen genezen van de bloederziekte waaraan het knaapje leed. Raspoetin was pro Duits en dat deed een deel van de hofkliek besluiten hem uit de weg te ruimen. Met twee foto’s staat Raspoetin in het boek. Eenmaal levend en eenmaal daarna. Volgens de kompaan schreef Achterberg een schitterend gedicht over de laatste dagen van Raspoetin en zijn dood. Ik heb niet zoveel met Achterberg, maar ik geef toe: er zit iets in.

Wat opvalt in het boek is de pracht en praal waarmee de familie zich omgaf. Gelukkig staan er ook foto’s in van de ministers die er nog iets van trachten te maken. Soms met succes. Want voor 1914 was Rusland al een eind op weg een moderne staat te worden. De politici krijgen een kort, maar helder overzicht van hun levensloop. Het rijk geïllustreerde boek heeft een extraatje: er staan stukjes in uit voordien ongepubliceerde memoires.

Nikolaas II had iets hulpbehoevends over zich. Of was het fatalisme? Hij bad veel tot God en bleef denken dat dit zou helpen. En toen dat niet gebeurde, gaf hij zich over aan de gedachte dat God ook het beste met Rusland voor zou hebben zonder hem.


Shelayev, Yuri, Shelayeva, Elizabeth & Nicolas Semenov (1998). Nicolas Romanov. Life and Death. Sint Petersburg: Liki Rossii. I.g.st., vouwtje (rechtsboven in omslag). Verder gaaf exemplaar. 118 pp., met illustraties. Uit de collectie van Igor Cornelissen. € 22,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

maart 8th, 2021 by Igor Cornelissen

Het Hattemse poortje en de weg van Daendels in Java

Herman Willem Daendels (1762-1818) werd in Hattem geboren als zoon van een schepen (wethouder). Hij ging in Harderwijk rechten studeren waar een universiteit was die niet zeer belangwekkend was, er was in die tijd slechts één hoogleraar die daar doceerde.

Daendels maakte naam als gouverneur-generaal van Indië in de Napoleontische tijd en vooral als bedenker van de grote Postweg op Java van Anyer naar het uiterste Oosten van wat toen als belangrijkste wingewest gold. Elfhonderd kilometer lang. De reis werd met vele dagen bekort. Negenhonderd kilometer lang en in ieder geval belangrijk voor de handel én de uitvoering van het gezag. Haak meldt dat ‘zeer vele Inlanders’ onder het zware werk bezweken. Daar is wel iets meer over te zeggen. Latere historici telden 12.000 doden. Als het productiedoel niet werd gehaald leidde dit tot de dood van de verantwoordelijke Javaanse heerser en zijn arbeiders. Hun hoofden werden opgehangen aan de bomen langs de weg.

Het is dus de vraag of de patriot Daendels nu nog tot de ‘groote Nederlanders’ moet worden gerekend. De Grote Postweg wordt intussen nog steeds gebruikt en is nu een snelweg geworden waarover duizenden auto’s razen.

Dat alles mag de weetgierige lezer niet beletten een bezoek aan Hattem te brengen waar het Daendelspoortje herinnert aan de beroemde burger. Hij zou zijn geschaakte geliefde, de dochter van kolonel Van Vlierden, hebben ontvoerd. Via dat poortje vluchtte hij met haar de stad uit. Voordat men door het poortje loopt is er een verrukkelijke kruidentuin waar men (met mate) mag plukken van de tijm, munt of bieslook. Elders staat een borstbeeld van de illustere Hattemer.

Toen de Van Rossems onlangs Zwolle bezochten en hun brommerige oordeel gaven over de koepel op het museum De Fundatie gingen ze ook naar Hattem en waren opgetogen over de Hattems schilder Jan Voerman die in zijn artistieke leven wel honderden koeien in de weilanden moet hebben vereeuwigd. Eigenlijk vonden ze het kleine stadje Hattem leuker dan Zwolle. Ik herinner me niet eens of ze ook het kneuterige Anton Pieck museum hebben genoemd. In ieder geval vond ik hun oordeel over Hattem alleraardigst. Er is daar geen Daendels museum. Men moet het doen met boeken over hem. En daar kan ‘t Wasdom in voorzien. En zo is de cirkel weer rond: uw wasdom is ons wasdom.


Haak, A. (1938). Daendels. Rijswijk: V.A. Kramers. Uit de serie Groote Nederlanders in Kramers' kleine biografieën. I.g.st., met schade aan plastic omslag, 63 pp. met bibliografie. Uit de collectie Igor Cornelissen. Met ex libris van L.H. Brautjes. € 12,95 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

maart 6th, 2021 by Igor Cornelissen

De priapeeën van Jaap Meijer en andere onkuisheden

Rody Chamuleau was leraar Nederlands. De lol van het lesgeven ging er bij hem van af toen hij merkte dat zijn leerlingen niet alleen niets wisten, maar ook niets wilden leren. Zijn liefde voor de Nederlandse letteren in al zijn facetten bleef gelukkig geheel intact. Ook waar het geschonden eer of deugdzaamheid betreft.

Bij het herlezen van deze bundel met door Chamuleau verzamelde onkuise gedichten schoot ik herhaaldelijk in de lach en herinnerde mij hoe ik met mijn vriendin bij de hebraïst en neerlandicus dr. Jaap Meijer op bezoek was die spontaan aanbood één van zijn priapeeën voor te dragen. Ondanks enig tegenstribbelen van Jaaps vrouw Liesje, zette de dichter door. Toen mijn vriendin liet merken dat het resultaat haar wat tegenviel, viel Jaap gepikeerd uit: ‘Ja, jij bedoelt natuurlijk van die rijmpjes met “jouw kutje is mijn hutje”, maar zo dicht ík niet.’

Hoe Jaap Meijer wel dichtte kunt u zelf nalezen, bijv. in de bundel Toverstaf waaruit wij hier het gedicht drinkgewoonten citeren. Mijn collega-directeur van ‘t Wasdom zou Jaap Meijer ofwel de dichter Saul van Messel wel opnieuw willen uitgeven. Dit geheel terzijde.

De inhoud van de bundel van Chamuleau kun je samenvatten met het woord: onkuis, waarmee veel doch lang niet alles is gezegd. Ook de tekeningen van Du Perron liegen er niet om.

Het mooiste vond ik eigenlijk een gedicht dat geen gedicht is maar meer een oprisping waarin ik veel, zo niet alles, herken. Hij is van van de inmiddels tachtigjarige Hans Dorrestijn en gaat als volgt:

Als ik een vrouw ontmoet met een intelligent gezicht/een edel gevoelig profiel en beschaafde manieren/met poëziebundels van Rainer Maria Rilke en Hölderlin/en een altviool onder de arm/dan denk ik meteen aan neuken.

Ik heb wel eens het verhaal gehoord dat er vrouwen zijn die hetzelfde denken als ze een ruige, slecht geschoren zeeman tegenkomen met een ongewassen trui aan en een verfvlek op zijn broek.

Maar of dat waar is?

Ik zou er in ieder geval niet zomaar een twee drie een priapee over kunnen maken. Maar daar zijn wij van ‘t Wasdom ook niet voor. Wij zijn er voor om dat wat er al is toegankelijk te maken. Dit alles voor beschaafde prijzen waaraan ook door onkuise aanbiedingen niets te veranderen is. Dat laatste niet alleen geheel terzijde, maar ook volmaakt overbodig.

… en een altviool onder de arm…

Zoiets blijft nazoemen.

Chamuleau, R. (1991). Jantje zag een pruikje hangen. Nederlandse priapeeën door de eeuwen heen. Rotterdam: Ad. Donker. I.g.st., met leesvouw in de rug. Paperback, 143 pp., 1e druk. Met illustraties, bibliografie en tekeningen van E. du Perron. € 14,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

maart 5th, 2021 by Igor Cornelissen

Over de studie van oude huizen en andere belangwekkende zaken

Meeloper of niet? Die vraag wordt vaak gesteld bij kunstenaars die de jaren dertig van de massa terreur in de Sovjetunie wisten te overleven. Iemand zei over de periode van Stalin: ‘Alles was toen mogelijk. Zelfs dat je niet gearresteerd werd.’ Zoveel is zeker dat er geen liefde was van Paustovskij voor het communistische regime en het omgekeerde gold ook. Hij werd hooguit geduld. Belangrijker is: kenners van de Russische literatuur noemen hem een meesterverteller. Karel van het Reve vertaalde al in 1935 De baai van Kara Boegas. Vanuit het Duits, want Russisch kende hij toen nog niet.

Men kan instemmen met Paustovskij’s opmerking dat het bestuderen van de geschiedenis van oude huizen zeer de moeite waard is. Huizen bestaan langer dan hun bewoners. Ik ben dat pleidooi al eens eerder bij een schrijver tegengekomen, maar wie was dat ook weer?

Zo maar een zin uit een verhaal van Paustovski: ‘Behalve eigengemaakte brandewijn werden er nu in de kamer van Kroerenda bijzonder intensief valse bankbiljetten vervaardigd.’ Ook afgezien van die naam voel je direct dat je in een ver land zit waar men vreemde gewoonten en gebruiken in ere houdt en er zich in heeft bekwaamd.

Toen Michel Krielaars (chef boeken, NRC) juichend mijn laatste boek besprak vergeleek hij mij niet alleen met Graham Greene, maar ook met Paustovski. Ik heb enkele dagen naast mijn schoenen gelopen, al was het misschien net (iets) te veel eer. Maar u kunt zelf vergelijken; mijn laatste boek (Mijn opa rookte ook een pijp. Deel V van mijn memoires) is nog in de boekhandel te koop, evenals Greene en Paustovsky.

Steun uw boekhandel en koop Paustovski, Cornelissen en Graham Greene.


Paustovskij, Konstantin (1967). Begin van een onbekend tijdperk. Herinneringen aan de Russische revolutie.  Amsterdam: De Arbeiderspers. I.g.st., vertaling W. Hartog, gebrocheerd, vlekjes op omslag. Paperback met flappen, 267 pp., 1e druk, privé-domeinreeks, nr. 5. Uit de collectie Igor Cornelissen, met wat potloodaantekeningen en krantenknipsels. € 30,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

maart 4th, 2021 by Jaap de Jong

“Zwerven, zwoegen en zwijgen”. Over Bataljon 423 in vrm. Nederlands Indië

“Hier zwierven, zwoegden, zwiepten, zwamden en zwegen wij.” Dat zijn de woorden bij de kaart van commando-Oost (waarop de plaatsen van legering). In het boekwerk zelf staan verhalen over het commando, incl. dateringen. Verhalen over oorlogshandelingen, acties, ziekte, dood, religie, kameraadschap en wat al niet meer? Alles dat over het soldatenleven gaat, inclusief het verkeer regelen in Jakarta.

Bataljon 423 behoorde tot de laatste bataljons tijdens de politonele acties in voormalig Nederlands Indië. Het boekje werd samengesteld door leden van het korps zelf en opgedragen aan “onze makkers, die het hoogste offer hebben gebracht in de dienst van ons Vaderland”. Dat is niet niks.

Het boekje is vanuit insidersperspectief geschreven en alleen al om die reden een interessant en intrigerend document humaine. Het taalgebruik (gebruik Javaanse woorden) boeide mij, evenals intertekstuele referenties als “waer werd opregter trouw / dan tussen soldaat en soldaat / op een post ooit gevonden”.

Aan het einde zijn alle thuisadressen van de manschappen – “de zonen van 423 Bat.” –  opgenomen. Daarvoor een stichtelijk woord waarin de Dood wordt voorgesteld als het lot dat hen aanwees die Hem moesten volgen.

Het boekje is overigens eerder gezien en niet onopgemerkt gebleven. Zo signaleerde Klooster het al in zijn bekende bibliografie als nr. 5478. Dit alles terzijde.


Reinders, J.H., Den Hollander, P., Hack, P, & Verhoeven, J.L. (samenst.). Dat was 423. Leven en werken van het 423 bataljon in Oost-Java. Heiloo: Kinheim. I.z.g.st., gaaf exemplaar. Gebonden in halflinnen band met stofomslag (enigszins verkleurd). Oblong 8vo., 150 pp. Met embleem van het bataljon op omslag. Met vele foto’s en naam- en adressenlijst (sic!) van alle leden van het bataljon (incl. foto’s en namen der gesneuvelden), kaarten. Met opdracht Jan Reinders (d.d. Almelo, april ’51) die ook onder de samenstellers was en als majoor (wrschl.) actief was binnen het bataljon. Zeer zeldzaam, € 79,50 (incl. pak- en verzendkosten binnen Europa). Interesse? Neem contact met ons op.
Zie ook: Klooster, H.A.J. (1997). Bibliography of the Indonesian revolution. Publications from 1942 to 1994. Leiden: KITLV Press. (Bibliographical series XXI), no. 5478.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

maart 4th, 2021 by Igor Cornelissen

De pen van Podhoretz

Jaren geleden bezocht ik Jacques de Kadt (1897-1988) die mij bij die gelegenheid over zijn vroege jaren vertelde. De jaren dat de drang naar de vrijheid, de menselijke vrijheid, hem naar de keel greep. Hij schreef toen Het fascisme en de nieuwe vrijheid. Toch schakelde hij in dat gesprek vrij snel over naar het heden en noemde mij de naam van Norman Podhoritz als de schrijver ‘die de moeite van het lezen waard is’. En dat is ook zo.

Podhoritz en De Kadt hadden veel gemeen, al was Podhoritz weliswaar links, maar nooit communist geweest. Beiden waren van joodse komaf. maar de ouders van De Kadt waren, anders dan die van Podhoritz, geen immigranten uit het tsaristische Rusland.

Wat ze vooral gemeen hadden was een onbedwingbare behoefte aan lezen, niet alleen de politieke schrijfsels, maar ze zogen ook de pennevruchten op van de moderne literatuur en hielden van een scherpe pen. De Kadt klaagde dat hij het ongeluk had geboren te zijn in een klein land waar schrijvers niet in het buitenland doordrongen. Naar Podhoretz werd wel geluisterd. En hij werd gelezen, ook door verschillende presidenten van de VS.

Norman Podhoritz (1930), geboren in Brooklyn, was hoofdredacteur van het gezaghebbende Commentary. Hij schreef in veel bladen waaronder de New York Review of Books waarin lange artikelen geen uitzondering zijn. Podhoritz wordt gerekend tot de neo-conservatieven. Het ging hem in zijn latere jaren vooral om het belang dat dat Amerika een wereldmacht moet blijven. Hij was in eerste instantie een tegenstander van Trump, maar uiteindelijk werd hij onder de medestanders gerekend. Wat zijn allerlaatste standpunt is is mij niet bekend. Hij schreef over Saul Bellow, Norman Mailer en ook over Bach deed hij zijn zegje, onder meer in de Groene Amsterdammer. Ook toen hij Making it schreef stond Podhoretz zijn mannetje in de wereld der denkers.


Podhoretz, Norman (1967). Making it. New York: Random House. Goed, vergeeld papier en verkleurd omslag. Gebonden in linnen met stofomslag, 360 pp. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 22,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

maart 3rd, 2021 by Igor Cornelissen

Het Polen van Peter Schumacher

Mijn journalistieke reizen naar Polen waren, al kwamen er wel stukken in de krant, geen groot succes. Niet alleen was mijn Pools minimaal, de medewerking van de burgers was evenmin om over te juichen. Overal (communistische) ambtenaren die je ‘morgen’ lieten terug komen waarna er nog niets gebeurde.

Het was de tijd van de staat van beleg. Lech Wałęsa en zijn vakbond Solidarność en de kerk aan de ene kant, de communistische partij aan de andere kant. Het was een bittere tijd en op de menukaarten was bijna alles doorgestreept. Ik riep de hulp in van de telefoniste uit het hotel. Die sprak wat Duits. Zij en haar vriendin gaven fotograaf Hans van den Bogaard en mij een rondleiding door een troosteloos industriestadje. Zo leerde ik de geheimen kennen van de andere handel: niet wit, niet zwart, maar anders. Een vrijwel lege slagerij moest je via een achteringang benaderen en dan schroeven, bouten of andere schaarse middelen bij je hebben waarmee auto’s konden worden gerepareerd. Dán was er wél vlees.

Toen de situatie meer gespannen werd wilde adjunct hoofdredacteur Joop van Tijn dat ik nog een keer ging. Ik wachtte weken op een visum. Geen respons. Joop beweerde dat ik op het vliegveld in Warschau wel het benodigde stempel zou krijgen. Hij had betrouwbare bronnen die dat wisten. Ik zag het somber in, maar vermomde mij als musicus en stapte met een zwarte jas aan en hoed op het vliegtuig in. Ik had mijn  trompet bij mij. In Warschau werd mijn vermomming binnen vijf minuten doorzien. Ik werd uitgelachen en op het vliegtuig naar Kopenhagen gezet. Via die tussenstop was ik dezelfde avond terug in Amsterdam. Een dure reportage.

Ik zeg niet dat een fotograaf het gemakkelijk heeft, maar die vangt sneller wat zonder te hoeven praten. Peter Schumacher maakte schitterende foto’s. Gewone mensen, gewone landschappen. Soms grauw, soms mensen in de zon. Echte Polen. Een oude baas speelt op straat op zijn viool in de hoop op een bijverdienste. Kinderen spelen op straat en vrouwen zitten op een bankje. Net als hier en toch totaal anders. Want dit is Polen, althans het Polen zoals ik mij het herinner.


Schumacher, Peter (z.j.). Polska 1963 - a photo journey | Niezwykla podroz fotofraficzna. Hoofddorp: Dutch Art & Media House. I.z.g.st., zonder gebruikssporen. Hardcover met leeslint. 157 pp., met illustraties. Tweetalig (Engels en Pools). Uit de collectie Igor Cornelissen. € 25,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

maart 2nd, 2021 by Igor Cornelissen

Over een goede Duitser en een fijne zigeunerschnitzel

Toen ik bij het weekblad Vrij Nederland werkte had iedere redacteur een eigen postbakje. Daar kwamen persoonlijk gerichte brieven in terecht; het blad dat al jaren je speciale interesse had, een knipsel van een collega die vond dat het over jouw onderwerp ging of ook wel een artikel met een suggestie van de hoofdredacteur om daar eens op af te gaan. In april 1983 vond ik in dat bakje een knipsel uit de International Herald Tribune. ‘Gypsy writer. From Auschwitz in Fairy Tales. Philomena Franz is an unusual author.’

Zigeuners waren  onbetwist het onderwerp van redacteur Jan Rogier Of die nu ziek was of de krant al had verlaten, weet ik niet meer, maar ik ondernam de reis naar Keulen. Daar in de buurt woonde Philomena in een woonwagen met enkele van haar kinderen. Van het interview met haar herinner ik me weinig en in mijn veelgeprezen archief kan ik het niet terugvinden. Haar ouders waren in Mauthausen vermoord en drie van haar broers in andere kampen. Een familie van musici. Ze was 21 toen ze werd gedeporteerd. Ze was uit een kamp ontvlucht en door een Duitse boer verborgen. Er waren dus ook goede Duitsers.

We aten in een restaurant en toen ik zei dat ik maar geen zigeunerschnitzel zou bestellen, moest ze hartelijk lachen. Dat zou haar allerminst storen. Ze vertelde me iets dat indruk op me maakte. Ze was een keer in Israël geweest voor vakantie. Bij de douane was ze spontaan omhelsd door een meisje van de controle. Die had het brandmerk op haar arm gezien. Ze hadden beiden gehuild. ‘Ik heb me in een land nog nooit zo thuis gevoeld,’ zei Philomena Franz en ze hoefde mij niet uit te leggen waarom.

Philomena Franz (1982). Zigeunermärchen. Bonn: Europa Union Verlag. Gesigneerd door de schrijfster. Met artikel over de auteur uit de International Herald Tribune. Met autograaf van Philomena Franz. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 20,00 (incl. pak- en verzendkosten).

maart 1st, 2021 by Igor Cornelissen

De ontreddering van Stalin

Het is net als met Hitler. Iedere keer dat je denkt de laatste definitieve biografie hebben gelezen, komt er weer een nieuwe op de markt. De vergelijking gaat nauwelijks mank, want in beide gevallen gaat het om bloeddorstige mensen die, zo leek het althans, een heel volk achter zich kregen Dankzij een enorme propagandamachine en uitgebreid onderdrukkingsapparaat. Als ik dit in 1953 tegen een gestaalde communist had verteld, het sterfjaar van Stalin, had mij dat op zijn minst een muilpeer opgeleverd.

Chlevnjoek behoort tot de Russische historici die toegang hadden tot de geheime archieven die begin jaren negentig even open gingen. Als hij zeker is van zaak, zegt hij dat en hij aarzelt niet om bij twijfelgevallen te schrijven dat er onvoldoende bewijsmateriaal is. Hij vond echter zoveel dat zijn conclusie overtuigt: Stalin werd steeds argwanender, die op den duur zelfs zijn allernaaste en trouwste medewerkers niet meer vertrouwde. Er komt veel aan de orde, zoals het liefdesleven van Stalin en zijn verhouding tot zijn familie. Het meest werd ik getroffen door de beschrijving van ‘s mans volkomen ontreddering toen het leger van Hitler in juni 1941 binnenviel. Ondanks het in 1939 niet aanvalspact tussen Molotov en Von Ribbentrop.  Hij was niet in staat het volk toe te spreken. Dat gebeurde pas weken later. Dat het land in oorlog was moest Molotov aan het volk vertellen. Molotov was de minister van Buitenlandse Zaken. Maar ook hij kreeg de volle lading toen Stalin zijn (joodse) vrouw liet arresteren wegens spionage. Er werd in de opperste leiding over gestemd. Allen vóór. Molotov onthield zich van stemming, hetgeen men gezien de omstandigheden als een soort heldendaad zou kunnen aanmerken.

Niet minder geboeid las ik de passages over de speciale dienst die Stalin dag en nacht moest bewaken. Sinds 1952 werd Stalin in zijn werkvertrek of in zijn datsja permanent bewaakt door 335 agenten. En daar kwamen dan nog de 73 specialisten bij die er voor zorgden dat het aan hem aan niets ontbrak. Deze bewakers verdienden tientallen malen zoveel loon als de arbeider. Een boer moest het met nog minder doen. De bewakers was er alles aan gelegen ‘de baas’ ter wille te zijn.

Stalin ging de geschiedenis in als de legeraanvoerder die Hitler heeft verslagen. Chlevnjoek vind het als historicus zijn plicht er op te wijzen dat voordat het Rode Leger in staat was overwinningen te boeken er anderhalf miljoen soldaten waren gesneuveld of krijgsgevangen waren gemaakt. De overwinning kwam niet dankzij Stalin, maar ondanks hem. Hij vertrouwde zijn eigen diplomaten en de in het buitenland werkzame spionnen niet. Zij hadden hem voor de inval gewaarschuwd. Het waren allemaal lasterpraatjes, verhaaltjes om hem op een dwaalspoor te brengen, zo meende hij.

In Nederland loopt ongetwijfeld nog ergens een vereerder van Stalin rond. In het Rusland van Poetin zijn er nog vele. Chlevnjoeks conclusie is helder en duidelijk: uiteindelijk was er één man verantwoordelijk voor de terreur die vele miljoenen het leven kostte. Als hij besliste durfde niemand hem tegen te spreken.


Chlevnjoek, O. (2015). Stalin. De biografie.  Amsterdam: Nieuw Amsterdam. I.z.g.st., hardcover met stofomslag. Met potloodstreepjes. Gebonden, 479 pp., 1e druk. Met illustraties, vertaling Toon Dohmen. Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

 

februari 28th, 2021 by Jaap de Jong

De Parelduiker over tragische liefde en overwonnen droefheid

Het nieuwste nummer van De Parelduiker bevat foto’s in kleur. Het blad vernieuwt zich zoals ook de arend zijn jeugd vernieuwt; eender maar toch anders.

In dit nummer aandacht voor de liefdesperikelen van Bert Schierbeek, Frieda Koch en Lucebert: een ménage à trois, een wrede liefde. Asymmetrisch, kan het anders? Bij het opruimen van zijn atelier vond Michiel Schierbeek de brieven van Frieda Koch en Lucebert in een kartonnen doos. Die vondst levert veel op. Graa Boomsma geeft in zijn artikel een mooi portret van de Vijftigers die regelmatig de Van Eeghenlaan 7 bezochten waar Bert Schierbeek en Frieda Koch hen opving zoals een hen haar kuikens. Ook kompaan Igor Cornelissen woonde er enige tijd. Tekeningen van Lucebert – die er op de grond lagen – herinnerden hem aan “de roemruchte jaren van knarsende liefde en bijbehorend verdriet”.

In Een liefde, een boek, een roeping schrijft Gé Vaartjes naar aanleiding van de brieven van Godfried Bomans over de moeizame vader-zoon relatie. Er is ook veel God in die brieven; goud voor een godsdienstpsycholoog à la William James, vermoed ik, maar ook een mooie aanvulling op wat we al weten over Bomans. Het stuk besluit overigens met een meer dan prachtige zin die ook nog eens waar is: humor is overwonnen droefheid.

Marco Daane schrijft over de spot van Jac van Looy met het socialistische engagement van Herman Heijermans en heeft bovendien aandacht voor het antisemitisme binnen de kringen der Tachtigers. In die kritiek op het engagement wordt ook de consequentie van het credo L’art pour l’art bij de Tachtigers onder de aandacht gebracht.

En dan is er nog het verhaal van Ronald Bos over de relatie tussen Paul Celan en Martin Heidegger. Een relatie die zich onder meer uit in grofheden op een koude kunststoffen achterbank van een Panama-beige VW Kever: in een stilzwijgen mit-einander-sein. Een paar dagen later schrijft Celan zijn beroemde gedicht Todtnauberg. Dat lokte veel speculaties uit over de inhoud van de ontmoeting tussen Celan en Heidegger: veel drassigs.

Het nummer van De Parelduiker bevat natuurlijk nog veel meer lezenswaardigs zoals de uitgebreide aandacht voor privé-drukken en marginale uitgevers in de rubriek van Jan-Paul Hinrichs.

De Parelduiker is een prachtig blad. Abonneer u en koop oudere nummers bij Cornelissen & De Jong of een andere goede boekhandel.

Méér nieuwe oude Parelduikers bij Cornelissen & De Jong

februari 28th, 2021 by Igor Cornelissen

Het Amerika boek van Jacques Presser

Als ik Pressers boek over Amerika lees, is het alsof ik hem weer college hoor geven. Het jaar dat ik hem beluisterde gaf hij voordrachten over Engeland. Hij kwam altijd binnen met een tas vol boeken die hij een voor een uitpakte en behandelde en vertelde daarbij de ene anekdote na de andere. Je moest die boeken niet alleen beslist kopen, maar uiteraard ook lezen. Je kon goedkope uitgaven – Presser bezat natuurlijk de dure gebonden eerste drukken – vinden in de naburige Oudemanhuispoort. Daar lagen de Penguins voor een paar gulden.

Pressers Amerika— hij begon er tijdens zijn onderduik aan – is gebaseerd op secundaire literatuur. Er was, toen al, enorm veel over de geschiedenis van dat land. De historicus lijkt niets over te slaan. Hij begint, uiteraard, met de ontdekker Columbus over wiens origine weinig bekend is. Over het uitmoorden van de Indianen al veel meer.

Wie iets meer weet over Presser zal het niet verbazen dat hij uitgebreid stilstaat bij de positie, zeg maar onderdrukking van alle minderheden die Amerika groot maakten. Niet alleen de Indianen – teruggedrongen in reservaten nadat eerst hun bizons waren uitgeroeid (leuk vermaak: vanuit treinen op die beesten schieten) – ook de negers, de Joden, Ieren en Italianen worden besproken. En dat geldt ook voor Lincoln, Jefferson, Roosevelt; alle beroemde presidenten krijgen hun deel en bij Presser gebeurt dat nooit zonder curiosa. Abraham Lincoln kon nog gewoon het White House uitlopen om een krant te gaan kopen. Zijn opvolger Andrew Johnson was soms dronken (om zijn zenuwen de baas te zijn) en hing in zijn ontvangstkamer de was te drogen.

Er is Presser wel eens verweten dat hij een te grote voorliefde voor de anekdote had. Bij mij werkte dat juist stimulerend: je blijft doorlezen. Over Lincoln vertelt hij dat er toen (in 1949 dus) al een onuitputtelijke rij aan biografieën over de man bestond. Er was er al een die ‘s mans leven van dag tot dag beschreef. Het wachten was, schreef Presser met milde spot, op een uurverslag.  Google laat zien dat er de laatste jaren veel nieuwe biografieën over deze ‘slaven bevrijder’ zijn verschenen.

Wie de laatste jaren de Amerikaanse politiek, dankzij of ondanks Trump, heeft gevolgd, zal bij Presser veel herkennen. Zoals zijn constatering dat veel Amerikanen verwachten dat hun vertegenwoordigers iets uitstralen van de circusartiest, de potsenmaker. En wie wil weten wat de oorsprong is van de Tea Parties komt bij Presser aan zijn trekken. Wat het boek extra aantrekkelijk maakt zijn de vele, zorgvuldig uitgezochte illustraties. Soms aandoenlijk zoals de kromgetrokken handen van een pioniersvrouw, gefotografeerd in 1936 door Russell Lee.

Opgemerkt moet nog worden dat Den Hollander – hoogleraar sociologie die indertijd veel colleges gaf over Amerika – het boek van zijn collega Presser opvallend positief recenseerde in Het Parool. Den Hollander stond bepaald niet bekend om zijn mildheid.

In een Voorbericht schrijft Presser dat de eerste versie van zijn boek tijdens de bezetting bij een nachtelijke overval enkele uren in Duitse handen is geweest. Ze hadden er wel in gebladerd, maar het handschrift niet vernietigd. Pressers boek houdt ons ook de spiegel voor. De man die het zo voor alle minderheden opnam, schrijft voortdurend over negers waar wij – die het allemaal beter weten – het hebben over Afro-Amerikanen. Als Presser laat zien hoe zwarten uitblinken, kiest hij voor een foto van Jesse Owens die in 1936 tot grote woede van de nazi’s drie gouden medailles won. Onder de foto staat dat het de ‘neger-atleet’ Jesse Owens was die tot deze prestaties kwam.


Presser, J. (1949). Amerika. Van kolonie tot wereldmacht. De geschiedenis van de Verenigde Staten. Amsterdam: Elsevier. I.g.st., maar met scheurtje bij schutblad (voor- en achterplat), verder gaaf exemplaar. Gouden belettering op roodzwarte achtergrond. Gebonden in linnen, XII, 619 pp., 1e druk. Met illustraties, bibliografie, noten, verantwoording illustraties en register. Met frontispies van Franklin Delano Roosevelt van S.J. Woolf. Rijkelijk geïllustreerd. Uit de collectie  Igor Cornelissen. € 21,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

februari 27th, 2021 by Igor Cornelissen

Apostel Willem H. Vliegen en het ‘proletarisch sentiment’

Willem Hubertus Vliegen (1862-1947) kwam uit Limburg en was (dus) van roomse afkomst en bovendien arbeider. Daar waren er meer van. Wat hem bijzonder maakte was dat hij socialist werd, eerst aanhanger van het anarchisme van Domela Nieuwenhuis. Hij liep zelfs met een revolver rond in verband met de komende revolutie. Daarna ging hij over naar de ‘parlementairen’ die meenden dat als er maar steeds meer arbeiders op hen zouden stemmen, het socialisme langs geleidelijke weg bereikt kon worden. Vliegen was in Zwolle aanwezig toen daar in het drank- en spijslokaal De Atlas onder de Peperbus op 26 augustus 1894 de SDAP werd opgericht. Hij was een van de twaalf apostelen, zoals de oprichters werden genoemd. Willem Vliegen was een van de echte arbeiders die het beginselprogram ondertekenden en met zijn katholieke achtergrond een bijzonderheid.

Koos Vorrink noemde hem in 1939 tijdens een SDAP congres een ‘geboren reformist’.  Dat wilde Vliegen toch wel even corrigeren. Hij was een echte revolutionair geweest, maar reformist geworden ‘door de feiten’. Die hadden hem ervan overtuigd dat de marxisten voor een groot deel ongelijk hadden. Hun theorie werd door de praktijk gelogenstraft. Vliegen bleef tijdens zijn lange socialistische leven een nuchtere pragmaticus. Wat was behalve wenselijk ook mogelijk? Hij werd langzamerhand de ‘grand old man’ van de parlementairen. Men was trots op de man die jarenlang de beweging had gediend als redacteur van het partij dagblad Het Volk, als wethouder van Amsterdam, als partijvoorzitter en als Kamerlid. Zonder tegenstand was dat niet gegaan. Hij had genoeg tegenstrevers en dat waren niet alleen de marxisten die, mede door hem, geroyeerd werden. Ook met Troelstra lag hij menigmaal overhoop. Politieke meningsverschillen of eerzucht? Meestal beide. Perry schreef een voorbeeldige biografie. Tegenslagen (de Eerste Wereldoorlog) en voorspoed (de groeiende invloed in parlementen en gemeenteraden) krijgen de nodige aandacht. De conflicten binnen het partijbestuur over nu lang vergeten kwesties vervelen door de vlotte schrijfstijl van Perry nooit.

Twee vlekjes in het leven van de man die als typograaf begon en in Luik Frans leerde spreken en schrijven krijgen bij Perry extra ruimte. De SDAP bestond nog maar vijf jaar toen Vliegen naar Parijs werd verbannen waar hij maar als journalist aan de kost moest zien te komen zonder dat hij daar goede contacten had. En anders moest hij maar zien daar als typograaf een baan te vinden. Vliegen had zich schuldig gemaakt aan overspel met de vrouw van een gewaardeerde partijgenoot. Dat kon in de nieuwe partij die openheid en zuiverheid propageerde niet ongestraft blijven. Wat er precies is gebeurd, kon ook Perry niet achterhalen. In ieder geval had Vliegen toegegeven dat er ‘iets’ was gebeurd dat niet door de beugel kon. Het heeft Vliegens latere loopbaan niet geschaad. Hij kon vrij spoedig naar Nederland terugkomen. Het geval zelf werd vooral met de mantel der liefde bedekt. Een methode die binnen en buiten de socialistische wereld tot en met nu veelvuldig wordt toegepast. Ook in kerkelijke kringen wanneer dominee of pastoor al te veel tijd besteedt aan pastorale zorg van weduwen of verdrietige meisjes.

De tweede misstap die Vliegen beging was in mei-juni 1940 toen het de SDAP leden na de Duitse inval niet direct helder was wat ze moesten doen. Kaderleden die Vliegen om advies vroegen kregen wel de mededeling dat de partij niet meer bestond, maar dat men het partijblad Het Volk ondanks de ingestelde censuur moest blijven lezen en dat het lidmaatschap van de VARA niet moest worden opgezegd. Vliegen was zo met de beweging vergroeid dat hij vond dat ‘onze organisaties’ niet in de steek moesten worden gelaten. Het was zelfs zaak, vond hij, om voor het Instituut voor Arbeidersontwikkeling leden te gaan winnen. Hoe Vliegen daar later tegen aankeek is niet helemaal duidelijk. Een collaborateur werd hij beslist niet. Zijn verkeerde adviezen werden hem niet al te zeer kwalijk genomen en hij was dan ook een gewaardeerde gast op het buitengewoon congres in 1946 de SDAP opging in de nieuwe Partij van de Arbeid. Hij was toen de laatste nog levende Apostel van 1894. Hij was het helemaal eens geweest dat de SDAP naar rechts was opgeschoven, maar het ergerde hem wel dat er door partijbestuurders geringschattend werd gesproken over het zogenaamde ‘proletarische sentiment’ dat ze wat te vaak roken. Vliegens herinneringen bleef tot aan zijn dood helder. Hij had dat sentiment niet alleen meegemaakt, hij was er nooit helemaal van losgekomen.


Perry, J. (1994). De voorman. Een biografie van Willem Hubert Vliegen. Amsterdam: De Arbeiderspers. I.g.st., maar met leesvouwtjes in rug. Paperback met flappen, 483 pp., 1e druk. Met illustraties, met bibliografie en noten. Open Domein nr. 29. Met fotokatern. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 22,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

februari 4th, 2021 by Igor Cornelissen

Zionisme in Nederland. Over de man die zijn rechterhand bijna vergat

Voor de oorlog was slechts een minderheid van de Nederlandse joden zionist. De (orthodoxe) rabbijnen zagen het als een afwijking. Zionisten kwamen op voor een eigen land op historische grond: Palestina dus dat na 1918 onder Brits mandaat stond. Joden die erheen trokken waren vooral afkomstig uit Rusland en Polen. Die hadden pogroms meegemaakt. In Nederland waren die vervolgingen onbekend. Althans in de praktijk want er werd wel over geschreven. Theodor Herzl was de baanbreker van het zionisme. Zijn naam wordt geëerd in Israël waar zijn stoffelijk overschot herbegraven is. Herzl wordt nu alom geëerd en de meeste Nederlandse joden beoordelen het zionisme nu positief. Die ommezwaai beschrijft Ludy Giebels niet omdat haar studie eindigt in 1941, het jaar dat de zionistische beweging door de bezetter werd verboden.

De vooroorlogse zionisten waren verdeeld. Begin jaren dertig richtten Sam de Wolff en een handvol medestanders een socialistische zionistische beweging op: de Poale Tsion. Zij vonden de NZB, de grote organisatie burgerlijk en vijandig ten opzichte van arbeiders. Ook mijn grootvader was lid van die beweging. Sam de Wolff bezat een zogenaamd Palestina certificaat dat hem het leven redde. De Britten ruilde Duitse krijgsgevangenen – die in Palestina zaten – uit tegen joden. De laatste konden via Bergen Belsen naar Palestina uitreizen. Dat verhaal staat niet bij Giebels, maar dat doet niets af aan haar baanbrekende studie. Sam de Wolff kwam, na korte tijd in Palestina, terug naar Nederland. Ik leerde hem eind jaren vijftig kennen. Een gemoedelijke, maar soms wat halsstarrige man. Hij bleef een vurig socialist én zionist. Met de dichter uit Psalm 137 vergat hij zijn rechterhand niet, maar naar Israël vertrok hij niet.

Op Sam de Wolff komen we nog wel eens terug.


Giebels, L. (1975). De zionistische beweging in Nederland 1899-1941. Assen: Van Gorcum. I.g.st., kleine schade op achterplat. Gebonden in linnen, 223 pp., 1e druk. Met illustraties, met bibliografie, noten, verantwoording illustraties en register. € 19,95 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 31st, 2021 by Igor Cornelissen

Het Spanje van Octave Aubry: méér dan tapas en servetten

Van de keren dat ik Spanje bezocht waren de laatste de beste. Toen kwam ik echt onder het volk en in de eethuisjes waar zij drinken en snoepen. De laatste keer werd mijn aandacht getrokken in het provinciale blad dat ik af en toe lees en waarin Sevilla ‘de hoofdstad van de tapas’ werd genoemd. Ik ken maar één restaurant in Nederland dat een warme benadering geeft van wat je in Spanje voorgeschoteld kunt krijgen. Die tapasbar staat in Amsterdam vlakbij het Spui. Daar trof ik dan ook Hugh Jans de befaamde receptenschrijver van Vrij Nederland.

In Spanje gaat alles anders. In de eerste plaats wordt er niets voorgeschoteld. Je kiest zelf uit een aanbod dat hier niet wordt vertoond, Visjes, gestoofde niertjes, gebakken levertjes en onvoorstelbaar veel worstsoorten. Of Sevilla nu het allerbeste aanbiedt, weet ik niet, maar de keuze was overweldigend en dat gaat dan de hele dag door. Nog steeds vraag je je af wie er in Spanje ooit televisie kijkt. Het leven speelt er zich – we schrijven over de tijd vóór de Corona ellende –  tot laat op straat af. Men wandelt, flaneert en laat zich af en toe verleiden tot een kopje koffie, een biertje een glas wijn plus wat daar dan allemaal bij hoort. Het Spanje uit de aangeboden boeken bestaat in ieder geval nog: monumenten en kerken inbegrepen.

Ik herinner me een bezoek aan Madrid met in het gezelschap een man die voor zijn firma de hele wereld had bereisd. Ik had geen reden daar aan te twijfelen. Hij zat goed in de slappe was. Toen ik die avond enthousiast verslag deed van een tapasbar vlak naast ons hotel, wees hij die zaak neerbuigend af. Hij had er naar binnen gekeken en overal servetjes op grond gezien: ‘Een smerig zaakje’.  Blijkbaar wist hij met al zijn gereis niet dat iedereen in iedere tapasbar het servetje waarmee je je mond hebt afgeveegd op de grond laat vallen. Veel wereldreizigers blijken niet verder te komen dan hun Hilton hotel of andere logeergelegenheid met veel modern design maar weinig authentieks.

In Sevilla was trouwens in het straatje naast ons appartement een geweldige hoedenzaak. Ik kocht er meteen twee, plus een pet waarvoor ik nog wel eens een compliment krijg. Ik zou graag nog eens naar Sevilla gaan en dan met die pet op de tapas uitkiezen (vooral ook de gefrituurde sprotjes die je met huid en haar opeet) en dan vaak mijn mond afvegen en opnieuw beginnen. Met een fraaie collectie servetjes rondom mij. Maar een kenner van Spanje ben ik niet, al bezocht ik het Alcazar. Er waren toen wel erg veel toeristen die gehoorzaam de gidsen volgden, herkenbaar aan de kleur van hun vlaggetjes.  De boeken van Aubry ademen een zekere rust uit die je in de straten van Madrid, Toledo en Sevilla helaas alleen nog aantreft tijdens de pandemie die ons nu teistert. De kathedralen en paleizen uit de boeken hebben die crisis overleefd. In zijn boeken veel aandacht voor processies, schilderijen, klederdrachten en stierenvechten. Die stierengevechten behoren gelukkig bijna tot het verleden. Ik werd getroffen door een fraaie foto van een zigeunermeisje.

Nu maar hopen dat veel van die tapasbars straks weer open gaan. Niet bij brood alleen. Welzeker, maar met kathedralen alléén, hoe imposant ook, gaat het evenmin.

Octave Aubry (1881-1946) was een Franse romanschrijver met grote belangstelling voor geschiedenis. Hij schreef meerdere boeken over Napoleon. Aubry was lid van de Académie Francaise. Hij was wat men wel noemt een véélschrijver, maar daar hebben wij van het Wasdom geen principieel bezwaar tegen.


Aubrey, Octave (1929). L'Espagne. Les Provinces du Sud. De Séville a Cordoue. [Un volume grand-in-4° orné de aquarelles. Nombreuses héliogravures dans le texte et en hors-texte]. Grenoble: B. Arthaud & J. Rey.  Genummerd exemplaar, 160 [+2] pp. Roodkleurige halflederen band met hoekbescherming (moroccan red leather). Goud op bovensnede. Schitterende schutbladen, heliosfotografie door Anderson, Bertault-Foussemagne, Boissonnas, Darcis, Garzon, Laurent, Ruiz-Vernacci, Serrano. Aquarellen (15) van Marius Hubert-Robert (1885-1966), w.o. als frontispies de zigeunerwijk van Grenade (Le quartier des Gitanes). Zeer zeldzaam.

Aubrey, Octave (1930). L'Espagne. Les Provinces du Nord. De Tolédo a Burgos. [Un volume grand-in-4° orné de aquarelles. Nombreuses héliogravures dans le texte et en hors-texte]. Grenoble: B. Arthaud & J. Rey. Genummerd exemplaar, 195 [+3] pp. Roodkleurige halflederen band met hoekbescherming (moroccan red leather) en vergulde bovensnede. Schitterende schutbladen, heliosfotografie door diversen. Aquarellen (14) van Marius Hubert-Robert, w.o. als frontispies de kathedraal van Burgos. Zeer zeldzaam. Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 30th, 2021 by Igor Cornelissen

Theedrinken met Montgomery

Richard Mac Millan was oorlogscorrespondent van persbureau United Press. Verslagen van oorlogscorrespondenten hebben het voordeel dat de schrijvers ter plekke thee (of wat sterkers) dronken met de soldaten, hun voedsel nuttigden en de realiteit van granaten, loopgraven en bombardementen meemaakten. Ze hoefden zich niet, zoals later geboren historici ‘de sfeer eigen te maken’. Het nadeel is soms dat ze het overzicht misten waarover wij nu wel beschikken.

Field Marshall Montgomery (1887-1976) was de held van de Britten zoals de Amerikanen hun Eisenhower hadden en de Duitsers Rommel.

Ik herinner me curieus voorval van enkele jaren geleden. Er was iets in Tobroek of El Alamein gebeurd. De naam kwam in de krant. Het had niets te maken met WOII. Een oudere vriend die zich net al ik de namen van de veldslagen in Noord Afrika herinnerde, mailde me direct. Wist ik het nog? Dat daar de Duitsers hun eerste klappen hadden gekregen? Ondanks die slimme Rommel. Het is waar. De slag om Stalingrad en later de invasie in Normandië blijven hangen, maar die uitputtende gevechten in een moordende hitte, stof, en enge, altijd aanwezige bijtgrage insecten is wat weggevallen.

Het heldendom van Montgomery heeft later nogal wat deuken opgelopen. Men verwijt hem dat hij de Slag om Arnhem verkeerd heeft ingeschat. Dit boek gaat niet over Arnhem. In de woestijn van Noord Afrika stond hij zijn mannetje. Op een foto werd hem door soldaten een tas thee aangeboden. Zo noemen ze dat in Vlaanderen waar het boek verscheen. Een vriend uit Eindhoven vertelde me dat ze dat woord ook bij hem thuis gebruikten. Dat geheel terzijde. Hier gaat het om de mannen van het 8ste leger. Eisenhower, of was het Churchill, had ook nog wel wat andere kritiek op Monty wiens jas (houtje touwtje) wij nog jaren na 1945 droegen. Hij rookte niet en dronk niet. Behalve die tas thee, die natuurlijk wel.


Mac Millan, Richard (1945). Montgomery rekent met Rommel af. De geschiedenis van het 8ste leger. Brussel: Manteau. Redelijk, gebonden in rood linnen, mooie schutbladen, verkleurde rug. Figuur en tekst in goudopdruk op voorplat. 325 pp., 2e druk. Met als frontispies foto van Montgomery, geïllustreerd. Vertaling Jan van Opstal. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 33,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 28th, 2021 by Igor Cornelissen

Blue Note – Alfred Lion en Francis Wolff. Geraakt door ‘negermuziek’

Jazz is muziek en naar muziek moet je (leren) luisteren om er iets van te begrijpen, het daarna te kunnen waarderen en ten slotte met je gespaarde zakgeld naar de winkel te gaan om de begeerde platen te kopen. Wij begonnen met de breekbare 78-toerental platen, daarna kwam LP en nu, ook al weer verouderd, de CD’s.

Twee joodse jonge mannen, eind jaren dertig nog net op tijd uit nazi- Duitsland naar Amerika gevlucht, zorgden voor een extra dimensie. Misschien is de uitdrukking een gat in de markt wat overtrokken, maar de visuele reclame die ze maakten, sloeg aan. Die beide mannen,  Alfred Lion (1908-1987) en Francis Wolff (1907-1971), hadden in Berlijn al orkesten gehoord die wat toen heette negermuziek speelden. Ze waren er door geraakt.

Eén van hen had de sopraansaxofonist Sidney Bechet (1897-1959) al in Duitsland horen spelen. Bij een weerzien in New York leidde dat tot een contract. De Summertime die Bechet op de plaat zette is naar mijn mening nooit overtroffen. De klassieke jazz (dixieland!) volgde met o.a. de pianist Art Hodes die wars was van de moderne vormen van jazz die zich omstreeks 1942 begon te ontwikkelen. Bebop. Meer techniek en ingewikkelder akkoordenschema’s.  Lion en Wolff begrepen dat ze met hun tijd mee moesten gaan en ze gaven de jonge knapen van de Bebop alle ruimte. Voorspelbaar misschien, maar toch opmerkelijk is dat de oprichters en medewerkers van Blue Note allen behoorden tot het linkse, progressieve deel van de Amerikanen. Een minderheid dus, want de meeste Amerikanen beschouwden de segratie als iets vanzelfsprekend. Bij Blue Note werden de zwarte muzikanten als heren behandeld en overeenkomstig betaald.

Het dikke en loodzware boek over de geschiedenis van Blue Note is uiterst rijk geïllustreerd met foto’s van de kunstzinnige hoezen waarin de LP’s verpakt waren plus de afdrukken van de photo shoots die tijdens en na de opnamen werden gemaakt.

Een stukje onbekende Amerikaanse geschiedenis met namen en afbeeldingen van knapen, altijd cool, die soms al op hun 21ste of nog jonger een kans kregen. Zij grepen die kans bij die twee uit Duitsland gevluchte joden: Wolff en Lion. Zij hadden in elk geval in de States voldoende vrijheid voor hun baanbrekende werk, waarover jazzkenners nog steeds niet zijn uitgepraat.

Havers, Richard (2014). The Finest in Jazz Since 1939. Blue Note. Z.pl.: Lannoo|Terra. I.z.g.st., als nieuw en zonder gebruikssporen, 399 (+ 1) pp, met index, illustraties (foto's in zw./w. en kleur), verantwoording illustraties en discografie. Uit de collectie Igor Cornelissen. Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, wij doen ook aan muziekgeschiedenis.
januari 28th, 2021 by Igor Cornelissen

Jan Vrijman, het journaille en De Waarheid

Journaille was het pseudoniem waaronder Jan Vrijman (1925-1997) tussen 1985 en 1997 zijn frisse en vaak verhelderende rubriek schreef in Het Parool. Vrijman was het pseudoniem van de in de Jordaan geboren Jan Hulsebos die tijdens de bezetting het illegale blad De Waarheid rond bracht. Dat gaf hem een entree tot de legale Waarheid die na de bevrijding onder hoofdredacteur A.J. Koejemans korte tijd de grootste krant van Nederland was. Jan was niet de enige die later elders naam maakten: Gerrit Kouwenaar was chef kunst en Jan Brusse was even correspondent in Parijs, maar ging voor andere kranten en de AVRO werken omdat het communistische blad hem te traag, niet of te weinig betaalde. Jan Spierdijk stapte over naar De Telegraaf waar hij boeken besprak en toneel recenseerde.

Jan Vrijman ging naar Vrij Nederland, maar ging ook daar weg toen hij meende gecensureerd te worden. Inmiddels had hij al wel naam gemaakt met zijn reportages over de vetkuiven op de Nieuwendijk die hij nozems noemde. Hij veroorzaakte landelijk gerucht toen hij een TV-uitzending maakte over de rebellie op de Zeven Provinciën en daarbij een muiter aan het woord liet. Juist in de tijd dat er in Nederland weinig mocht of kon, liet Jan van zich spreken. Hij hield in ieder geval niet van stilte en bleef nieuwsgierig. Ook naar de gewone mensen om hem heen. Jan en ik mochten eens bij de KRO herinneringen aan het verleden ophalen en commentaar geven op het heden. We kregen twee uur. Jan was meer met zijn tijd meegegaan dan ik. We mochten onze lievelingsmuziek draaien. Mijn mooiste jazzmuziek stamde uit de zomer van 1927. Jan liet liederen uit de West Side Story uit de speakers knallen.

Toen ons werd gevraagd hoe oud we ons voelden, kwam ik op dertien jaar uit, Jan op zestien. Maar ook Jan Vrijman ging er onderdoor. Hij stierf aan borstkanker. In ieder geval een bewijs dat ik behoorlijk feministisch ben, grapte hij met de moed der wanhoop kort voor zijn dood tegen mij. In zijn laatste stukje voor Het Parool schreef hij ontroerend over het naderende einde. Als jongen van een jaar of tien was hij bang voor de slaap. Hij staarde dan met wijdopen ogen in het duister loerend naar een denkbeeldige havik. ‘Aan het eind van mijn leven, begin van het sterven, kijk ik naar de grote vogel op de rand van mijn bed. Hij loert niet, hij waakt en wacht tot ik hem roep.’

Uit zijn dagelijkse stukjes bleek dat het verleden hem vaker in de greep had. Hij was in een café in gesprek geraakt met een meisje van  tweeëntwintig. Die studeerde aan twee studierichtingen aan de VU en, had ze hem toevertrouwd, ging alleen met domme topsporters naar bed. Dat was dubbel safe: ze hadden geen enge ziektes en van liefde (van haar kant) zou toch niks komen. Toen ze weg ging, vertelde ze dat ze in de Gerrit van der Veenstraat woonde. Als Jan Vrijman antwoordt dat die straat vroeger de Euterpestraat heette ‘terwijl een vloed van herinneringen opwelde’ bleek ze nooit van Gerrit van der Veen te hebben gehoord. “Ik voelde geen spijt toen ze ten slotte “doei” riep en met een taxi naar huis ging.”


Vrijman, Jan (1998). Journaille. Een keuze uit de Parool-columns. Inleiding Felix Rottenberg, samenstelling en verantwoording Tom Rooduijn. Amsterdam: De Bezige Bij. I.g.st., leesvouwtjes in rug. Paperback, 277 pp., 2e druk. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 13,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 27th, 2021 by Igor Cornelissen

De levenssappigste onder de Tachtigers: Lodewijk van Deyssel

Lodewijk van Deyssel (1864-1952) beschikte over een “naar clowneske neigende deftigheid.” De karakterisering komt van zijn biograaf Harry G.M. Prick (1925-2006) die overigens ook oog had voor zijn humor en veelzijdigheid. Van Deyssel gold als Tachtiger en was zonder meer een van de meest ‘levenssappigste’ onder hen. De man was op een goede manier nieuwsgierig.

Als scholier schreef Prick een brief naar de oude van Deyssel. Dat was in 1942. Het viel de bejaarde schrijver op dat deze jonge knaap zijn werk zo doorgrond had. Toen ze enkele jaren later kennis maakten benoemde Van Deyssel hem tot zijn biograaf. Prick zou onbeperkt toegang krijgen tot Van Deyssels correspondentie en dagboekaantekeningen. Hetgeen geschiedde. Het zou onterecht zijn te schrijven dat de neerlandicus Prick daar zijn hele leven mee heeft gevuld. Prick heeft over ook veel over anderen geschreven (Gerrit Komrij en Boudewijn Buch bijvoorbeeld), maar hij bleef toch voornamelijk verslingerd aan Van Deyssel, de man met dat enorme hoofd en dat altijd maar loensende oog.

Toen de Gedenkschriften verschenen, oordeelde de anonieme recensent van de Nieuwe Rotterdamse Courant: ‘Als geheel zijn de Gedenkschriften een boek dat Van Deyssel ten voeten uitgeeft, in al zijn vele literaire gedaantes. De minutieuze en liefdevolle beschrijver, de heel persoonlijke, intuïtieve kunstbeschouwer, de merkwaardige wijsgeer, de lyricus, de humorist.’

Kom daar nu eens om, is men geneigd te verzuchten.

Sommigen vonden dat Prick wel wat ruim was in zijn belangstelling. Hij schreef in diverse tijdschriften deelstudies over de door hem bewonderde. In een van die bijdragen noteerde hij hoe vaak daags Van Deyssel onaneerde. Lang dus voordat Reve zulks aan het papier toevertrouwde. Het nazaat van Van Deyssel was ontsteld. Die zelfbevlekking deed volgens Prick niets af aan de grootheid van de schrijver. En bovendien: Van Deyssel had hem toch gezegd dat hij alles mocht gebruiken wat er in zijn handschrift boven water kwam? De meester bleef een Meister, ook “ohne Beschränkung.”


Prick, Harry G.M. (red.) (1962). Gedenkschriften voor de eerste maal volledig naar het handschrift [2 dln.]. Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink. Uitgegeven, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Harry G.M. Prick. Met krantenknipsels. Uit de collectie Igor Cornelissen. Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 26th, 2021 by Igor Cornelissen

“Als beste vrienden voortgaan”: Friedericy en “ons Indië”

Herman Jan Friedericy (1900-1962) was in de jaren dertig bestuursambtenaar op Celebes. Het waren, vertelde hij terugblikkend, zijn mooiste jaren. Hij interesseerde zich werkelijk voor de inheemse cultuur. Friedericy was een aanhanger van de zogenaamde ethische politiek die propageerde dat ons Indië uiteindelijk zelfstandig zou moeten worden en dat we daarna als ‘beste vrienden’ zouden voortgaan. Een deel van het bedrijfsleven zag de winsten van hun plantages en andere handel in gevaar komen en richtte in Utrecht een eigen faculteit voor Indische Zaken op, door de tegenstanders spottend de oliefaculteit genoemd.

Friedericy kwam in 1930 terug om in Leiden Indologie te gaan studeren. Daar promoveerde hij op een Makassaars onderwerp. Hij keerde terug naar Celebes en zat drie jaar onder de Japanners gevangen om daarna in diplomatieke dienst te komen. In Washington moest hij de Nederlandse regeringspolitiek verdedigen wat hem zeer moeilijk viel. Hij was tegen de koloniale oorlogen. Maar als diplomaat wordt je niet geacht een eigen mening te hebben.

Toen Friedericy verhalen en romans ging publiceren roemden critici hem om zijn stijl als rasverteller. Toen Gerard Reve hem in Edinburgh tijdens een schrijverscongres ontmoette oogde hij wat vermoeid, maar gelukkig nog net niet cynisch. Het was een man waar Reve niet goed wijs uit kon worden.

In De raadsman blikt de schrijver terug op zijn tijd in Indonesië. Het slot speelt zich af in de bar van het restaurant op het vliegveld in San Francisco. Twee vriendelijke Indonesische studenten en een Nederlander raken in gesprek. De Nederlander denkt aan zijn jaren als bestuursambtenaar op Makassar. En aan de woorden van zijn leraar in Leiden die had gezegd dat als Indonesië onafhankelijk werd de beide landen vrienden moesten blijven. Het was allemaal anders gelopen.

Friedericy moet, zoals Greetje Heemskerk in De Parelduiker schreef, een buitengewoon innemende en erudiete man zijn geweest.


Friedericy, H.J. (1958). De raadsman. Amsterdam: Querido. I.z.g.st., vergeeld papier. Gebonden, 125 pp., 1e druk. Met verklarende woordenlijst. Uit de collectie Igor Cornelissen. Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 25th, 2021 by Igor Cornelissen

De waarheid van de schilder en de beeldhouwster

Albert Carel Willink (1900-1983) was Amsterdammer van geboorte en overleed in die stad. Hij heeft er enkele 19e eeuwse huizen geschilderd die er mysterieus uitzien. Dat werd uiteindelijk zijn stijl, magisch realistisch genoemd. Willink vond dat onzin, want er was niets magisch in zijn werk. Magie deed aan sprookjes denken.

Hij was al op jeugdige leeftijd in Berlijn aan het werk. Dat was in de jaren twintig de stad waar ‘alles’ gebeurde. Hij ontmoette er George Grosz die de decadentie niet uitvond, maar wel in krasse tekeningen uitbeeldde. Daarna kwam Willink in Parijs in aanraking met weer nieuwe schilderstijlen. Hij omarmde het abstracte, daarna het kubisme. Zijn vriend Du Perron ried hem aan het te zoeken in het realisme. Na 1945 leek er geen plaats meer voor alles wat herkenbaar was. De Cobrabeweging eiste en kreeg alle ruimte. Willink verzette zich daartegen in geschrifte met De schilderkunst in een kritiek stadium dat in 1950 voor het eerst verscheen.

Willink was niet gesteld op luxe. Hij had geen rijbewijs en reed dus nooit in patserige auto’s wat veel mensen doen die het ‘gemaakt’ hebben. Maar hij hield wel van lekker eten en kwam graag in de Oesterbar waar als hij binnenkwam de paling al op het vuur werd gezet. Maar dat was pas veel later toen hij als schilder naam had gemaakt.

Bekendheid kwam er ook door zijn derde vrouw, Mathilde die zich om de haverklap kledij gemaakt door Fong Leng liet aanmeten. Deze extravagante Zeeuwse was een willige prooi voor de roddelpers. Oude schilder met veel jongere vrouw. Zulke berichten willen mensen wel lezen die zelf een reproductie van het hertje van Van Meegeren aan de muur hebben hangen. Mathilde werd dood op haar bed gevonden met een schot door haar linkeroor terwijl ze rechtshandig was. Er was sprake van cocaïne en duistere geheimen die ze op schrift bewaarde in een kastje. Over Mathilde is een aantal boeken verschenen. Maar toen ze stierf was Willink al heel gelukkig met de beeldhouwster Sylvia Quiël, ook al veel jonger. Volgens de dagboekaantekeningen van Sylvia kwamen de schilder en de beeldhouwster tot allerhande frivole dingen.

Bij hun huwelijk waren Simon Carmiggelt en diens vrouw aanwezig. Willink was inmiddels erkend als groot schilder en om die dure kleding van Mathilde te kunnen bekostigen was hij, op aanvraag, portretschilder. Hij zag het als een deel van zijn ambacht en schaamde er zich niet voor. Hij liet zijn opdrachtgevers flink betalen. Zijn klanten kwamen uit de zakenwereld of het waren politici. Meestal liberaal of katholiek. Een uitnodiging om de vroegere koningin Wilhelmina te schilderen, wees hij af toen hij de ruimte had gezien waar zijn schilderij zou komen te hangen. Een gele muur. Willink had de pest aan geel.

In Amsterdam is een Willink pleintje met een standbeeld van de schilder gemaakt door zijn laatste geliefde.


Mulder, J. (1983). Willinks waarheid en het dagboek van Sylvia. Baarn: De Fontein. I.g.st.. Paperback, 240 pp., met illustraties (fotokatern (in zw./w). Voorwoord van Simon Carmiggelt en recensies. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 17,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 24th, 2021 by Igor Cornelissen

Sporen van J.B. Charles: wat nagelschraapsel en andere herinneringen

Volg het spoor terug was één van de boeken die ik, nog lang geen twintig, las. Ouders van een vriend bezaten het. Ik mocht het lenen. Het droeg bij tot mijn ‘politieke bewustwording’. J.B. Charles pakte al die oplichters en bedriegers stevig aan: de hele en half collaborateurs. Hij slachtte postuum Colijn en de naoorlogse hele of halve fascisten (zo noemde hij ze) die zich druk maakten over de Nederlandse vlag die op Koninginnedag vijf minuten te laat werd binnengehaald. Zijn latere werk – Van het kleine koude front – maakte niet minder indruk.

Charles, de schrijversnaam van de criminoloog W.H. Nagel (1910-1983) kwam uit Groningen. School met de bijbel, twijfels, opstandig, het verzet in… Het is een lijn die meer Groningers trokken die zich in de literaire wereld een plaats veroverden.  Zijn vrienden uit het verzet bleef hij steunen. Toen uitgever Bert Bakker wegens rijden onder invloed de cel in moest, vond Nagel een weg om hem te helpen. Ze hadden beiden in het verzet gezeten en Bakker had ongetwijfeld last van een oorlogstrauma. Dat Bakker voor de oorlog al stevig dronk en dat Nagel en hij elkaar tijdens de oorlog nog helemaal niet kenden, deed niets af aan de inzet van Nagel.

Toen Aat Veldhoen (1934-2018) in de zomer van 1964 problemen kreeg met justitie omdat hij zinnenprikkelende prenten verkocht, schreef Charles een verontwaardigd artikel in Ratio: Wat heb ik aan mijn zinnen als ze niet meer geprikkeld mogen worden? Hij was en werd geen huiskamergeleerde.

Charles/Nagel was een omstreden man. Daar deed hij zelf veel aan. Hij stelde zich op als iemand van Derde Weg. Iets tussen Moskou en Washington in. Hij verzette zich tegen de Duitse herbewapening en de legering van een Duits troepenonderdeel in Budel (Brabant).  Een foto waarop hij, wadend door de sneeuw, met de joodse schrijfster Marga Minco voorop in de stoet loopt die tegen Budel protesteert, maakte diepe indruk op mij

In zijn vakgebied was hij uiterst deskundig wat, uiteraard kritiek opriep van andere deskundigen. Zijn dissertatie Criminaliteit in Oss (Het Wasdom had het ooit te koop; het was snel verkocht) geldt nog altijd als een belangrijk werk.

Hij raakte nogal wat sympathie kwijt toen hij in de aanval ging tegen het zionisme en de buitenlandse politiek van Israël. Hij noemde minister Golda Meir een typische Duitse jodin, wat ze niet was. Wel joods, maar ze kwam uit Kiev en was in Amerika opgegroeid.

Belangrijker dan Nagels (of Charles’) misstappen is dat zijn biografie de lezer van nu veel leert over het Nederland van voor, tijdens en na de oorlog. Ik word in de tekst een keer genoemd, maar in het personenregister is mijn naam niet te vinden. Als je een boek zo zou recenseren dan deugt er geen biografie. Mijn collega bij Vrij Nederland Martin van Amerongen komt er vaker in voor, Hij haalde Charles bij VN binnen als columnist. Ik vond het niet zo’n succes. Dat kwam niet omdat Charles onvermoeibaar uithaalde tegen onze minister van Buitenlandse Zaken Joseph Luns, maar omdat hij hem steeds ’een hese hufter’ bleef noemen. Anderen vonden dat ongetwijfeld wel erg geestig.


Schuyt, K. (2010). Het spoor terug. J.B. Charles | W.H. Nagel | 1910-1983. Amsterdam: Balans. I.z.g.st.. Paperback, 640 pp., 1e druk. Met illustraties, met bibliografie, noten, verantwoording illustraties en register. € 22,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 23rd, 2021 by Igor Cornelissen

Henry Miller en Brenda Gabrielle Venus in De Hete Brij

De Amerikaanse schrijver Henry Miller (1891-1980) gold bij velen, en dat jaren lang, als een vies mannetje die zijn tijd doorbracht met naaien en zuipen. Bovendien schepte hij er behagen in daar zijn boeken mee te vullen. En wat was er waar van al die verhalen? Hij mengde fantasie en werkelijkheid door elkaar.

Toen Henry Miller in 1930 in Parijs aankwam had hij weinig geld en nauwelijks contacten. Hij bracht zijn tijd inderdaad anders door dan de Parijzenaar die op tijd naar zijn werk moest en hooguit tijd had voor een enkel vluggertje. Millers Parijse jaren leek daarentegen te bestaan uit alléén maar vluggertjes. Maar dat is slechts de halve waarheid. Hij schreef ook over zijn grote liefde voor Parijs en Frankrijk.

In Amerika was je als schrijver alleen maar wat als je beroemd was en bestsellers produceerde. Een onbekende schrijver gold er als een anarchist en dus oplichter. In Parijs maakte hij mee dat de eigenaresse van een restaurant hem krediet verleende, omdat hij vertelde schrijver te zijn. En met iedere jonge kellner kon je praten over Dostojevski. Dat laatste lijkt me een beetje overdreven. Maar misschien was dat in de jaren dertig (een beetje) waar. Bij Miller wist je het nooit.

Een van de kameraden waarmee hij optrok was de in Hongarije geboren, maar in Frankrijk opgegroeide Gilberte Brassaï (1899-1984) die naam zou maken als fotograaf van het Parijse nachtleven. Ook ontmoette hij vele malen Picasso. Hij fotografeerde de Spaanse kunstenaar en schreef over hem.  Toen Miller in Amerika terug was, werden zijn boeken daar verboden. Ze gingen tegen iedere moraal in. Uiteindelijk werd het verbod in 1964 opgeheven en dat droeg volgens kenners bij tot de seksuele revolutie. Een revolutie die verdere gaten sloeg in de door het christendom gepreekte zedenleer.

In zijn laatste jaren, Miller werd 89 jaar, ontwikkelde de nu gevierde schrijver een correspondentie met de zestig jaar jongere Brenda Gabrielle Venus (1947), die alles in huis had om een veelgevraagd model te zijn. Was er méér tussen hen? In ieder geval schreef Miller haar meer dan duizend brieven. Ze schreef terug en sleepte hem door een tijd van aftakeling heen.

Toen ik in mijn Zwolse stamcafé De Hete Brij eens een boek van Miller met foto’s van Brenda liet circuleren, ontstond er een wat broeierige sfeer. Brenda wie? Waar woonde ze?  Kon ze niet met ons in Zwolle het glas komen heffen? Niet alleen wekte Brenda in Zwolle lusten op, ook vond men die Miller een geweldige kerel. Hij had het toch maar voor elkaar gekregen.


Brassai, Gilberte (2011). Henry Miller. The Paris Years. I.z.g.st., hardcover met stofomslag. 224 pp., met illustraties, met bibliografie. € 19.95 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 23rd, 2021 by Jaap de Jong

Henry Miller revisited – uit de dagaantekeningen

Uit de dagaantekeningen van 2019.10.23, 14.15 – “Ik houd van al wat stroomt”

De kreeftskeerling (met vouwtje op pagina 229)

“Ik houd van al wat stroomt” zei de grote blinde dichter John Milton eens. Ik moest er aan denken toen ik zojuist het boek van Henry Miller uit de kast pakte om te beschrijven. Op pagina 229 zit een vouwtje en dat is bijzonder. Ik hou mijn boeken meestal netjes. Zelden maak ik een vouw om iets te onthouden. Dat doen barbaren. Er moest iets bijzonders zijn dat mij tot vouwen heeft gebracht op die dertiende september 1997. Ik geef toe: mij is niets barbaars vreemd.

“Ik houd van al wat stroomt” en zo goed als ik weet u dat er nu iets bijzonder komt, iets smerigs, iets bijzonder smerigs, een enorme lavastroom aan gedachten, een kolkende lavastroom. En dat is ook zo. Ik citeer, maar hou het kort. Moet door met beschrijven. Nog twintig boeken te gaan. Miller was een existentialist en een vitalistische melancholicus of allebei en dat is te merken:

Ik houd van al wat stroomt: rivieren, riolen, lava, sperma, bloed, gal, woorden, zinnen. Ik houd van het vruchtwater als het uit de zak loopt, ik houd van de nier met haar pijnlijke stenen, haar niersteen en wat al niet meer; ik houd van de urine die er kokend heet uitkomt en de gono die eindeloos blijft lopen; ik houd van hysterische woorden en zinnen die als dysenterie steeds blijven doorgaan en alle zieke beelden van de ziel weerspiegelen.

Ik houd van al wat stroomt. Ook van de dynamiek in een boekenkast. Het boek van Henry Miller De kreeftskeerkring (Amsterdam, De Bezige Bij, 1963) was hier te koop, maar staat te pronken in andermans boekenkast. Het was een gaaf exemplaar.

Alleen zit er op pagina 229 een vouwtje.

januari 22nd, 2021 by Igor Cornelissen

Zuinigheid met vlijt. Over de “Navo-professor” Ger Harmsen

Ger Harmsen (1922-2005) werd kort na de oorlog lid van de CPN. Hij was toen nog jong, leek een veelbelovend kameraad en werd al snel leider van de afdeling politieke scholing. Naar eigen zeggen was hij “streng en veeleisend”. Dat ging een aantal jaren goed. Hij wist alles van Lenin en Stalin, maar in de communistische partij ging er altijd wel iets mis. Hij werd afgezet en gedegradeerd. Hij bleek toch ietwat te zelfstandig. Toch bleef Harmsen lid en colporteerde met De Waarheid waarin hij op dat moment werd berispt. Na de opstand in Hongarije bedankte hij voor de partij en werd een dissident, maar wel een communistische dissident. Vervolgens PSP en daarna PvdA. “‘een snelle afloop der wateren”, fluistert de kompaan zacht, maar toch hoorbaar.

Zijn belangstelling voor de communistische beweging behield hij, evenals de liefde en kennis voor planten. Mossen vooral. Bovendien bleef hij volksdansen. Dat laatste vond ik raar. Die andere hobbies niet, want die deelde ik. Nadat Harmsen zijn lidmaatschap van de CPN had opgezegd, waarmee hij “een klassevijand en verrader” werd, zette hij zich aan zijn proefschrift. Hij ondervroeg oudere kameraden over hun ervaringen in de jeugdbeweging. Die stonden hem tijdens zijn CPN-tijd welwillend te woord. Bij de verschijning van zijn dissertatie hadden ze spijt als de haren op hun hoofd, maar dat was inmiddels kaal geworden.

Blauwe en rode jeugd is een uitputtende studie over de jongeren die geheelonthouder en/of socialist/communist/anarchist waren. We komen interessante types tegen zoals de schilder Melle Oldeboerrigter, het latere kamerlid Gerda Brautigam, de geheim agent Daan Goulooze en de christen-socialist  professor Willem Banning. Een weerkerend thema is dat de moederpartij vrijwel altijd de baas wil spelen over de jongeren. Anarchisten hebben geen partij boven zich. Hooguit raadgevers.

De leukste uitspraak is van de latere PvdA minister Ko Suurhoff die in zijn jongere jaren voor het NVV (de socialistische vakbond) het jeugdwerk voor zijn rekening nam De ouderen moesten bij hun opvoeding geheel afzien van hun eigen voorkeur. Het was helemaal niet socialistischer om op een mandoline dan op een mondharmonica te spelen ‘het is alleen maar welluidender’. Inmiddels is dat oordeel ook al weer gewijzigd bij de hedendaagse musicerenden die het vooral bij flink versterkte gitaren en trommels houden. Misschien dat op Urk nog mandoline wordt gespeeld?

Harmsen kreeg veel aandacht voor zijn proefschrift zoals hij voor zijn vele latere boeken en studies de recensenten wist te interesseren. Hij promoveerde bij Jacques Presser en werd hoogleraar in Groningen. Door de jonge communisten (studerend of niet) werd hij voor “NAVO-professor” uitgemaakt. Dat knipte hij allemaal uit De Waarheid en telde het aantal beschuldigingen. Dat kwam dan weer in zijn memoires Herfsttijloos. Toen ik dat boek voor Vrij Nederland besprak, leek het me dat hij mensen en artikelen inventariseerde als de zeldzame mossen die hij in Ierland of Schotland vond.

Ik bezocht hem een enkele maal in zijn Friese boerderij. Te eten kreeg je er niet. Met veel gezucht en pijnlijk vertrokken gezicht kwam er een kop thee. Het leek wel of Ger in de crisisjaren of in die van de zuinige CPN was blijven steken. Veel humor had hij niet. Wel werklust en een niet te stuiten verzamelwoede van boeken, brochures en brieven van oud-strijders.


Harmsen, G.J. (1961). Blauwe en rode jeugd. Een bijdrage tot de geschiedenis van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Assen: Van Gorcum & Comp./H.J. Prakke. Softcover, binnenwerk prima, omslag matig (maar herstelbaar). Disseratie. Met penaantekeningen Igor Cornelissen. Paperback, XIV, 496 pp., 1e druk. Met bibliografie en noten. € 17,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 20th, 2021 by Jaap de Jong

Étienne Gilson, specialist middeleeuwse filosofie & kenner van Descartes

Étienne Henri Gilson (1884–1978) is geen onbekende onder de filosofen. Gilson studeerde o.m. bij Lucien Lévy-Bruhl, Henri Bergson en Emile Durkheim en promoveerde in 1913 op Descartes. Hij staat onder specialisten ook bekend om zijn grondige kennis van de thomistische traditie. Op aanraden van zijn leermeester Lévy-Bruhl verdiepte hij zich na zijn promotie op de doorwerking van de middeleeuwse filosofie op het denken van Descartes. Er kwam evenwel een oorlog tussen.

Gilson diende als tweede luitenant en onderscheidde zich door dapper gedrag. Tijdens en na de oorlog ontwikkelde hij zich tot specialist op het terrein van de Middeleeuwse filosofie. Hij gaf colleges in Lille, Straatsburg, Parijs en de Sorbonne en richtte in 1929 in Toronto een onderzoeksinsitituut op dat nog steeds bekend staat als het Pontifical Institute of Mediaeval Studies. In 1946 werd Gilson verkozen als lid van de Académie Française en later genomineerd voor de Nobelprijs in de literatuur.

Gilson schreef ook een studie over de geschiedenis van Héloïse en Abélard, de lovestory waarmee de enthousiaste docent Leen Dorsman  zijn toehoorders (eind jaren tachtig) verleidde om zich massaal als student geschiedenis in te schrijven aan de Utrechtse Universiteit. Ik was onder hen en kreeg nooit spijt van mijn keuze. Als het even minder gaat en Prediker geen soelaas biedt lees ik Het verhaal van mijn rampspoed van Petrus Abélard en weet ik dat het niets is waarover ik mij zorgen maak. Dat boek en de brieven van Abelard aan en van Héloïse houd ik dus nog even ;-). Ik vermoed dat Gilson in zijn studie Héloïse et Abélard (Paris, 1938) een filosofisch licht op Petrus Abélard laat schijnen (universaliënstrijd). Het gefrutsel met Héloïse zal bij hem hooguit een klein terzijde zijn of als lichte verpozing op een gouden schaal worden aangeboden. Of vergis ik mij?

Het Pontifical Institute in Toronto gaf in 1982 in elk geval een bibliografie uit over het werk van Gilson. Dat overzicht van teksten van en over Gilson werd samengesteld door Margaret McGrath en was natuurlijk erg belangrijk voor de biografie die Laurence K. Shook twee jaar later schreef.

Wij zijn door toeval dat ons toeviel in staat om de bibliografie, de (zeldzame) biografie en een selectie van het werk van Etienne Gilson te leveren. Niet meer leverbaar.


McGrath, Margaret (1982). Etienne Gilson. A Bibliography - Une Bibliographie. Toronto, Pontifical Institute of Mediaeval Studies. Paperback, 124 pp. Goed. 

Shook, Laurence K. (1984). Etienne Gilson. Toronto, Pontifical Institute of Mediaeval Studies, 1984. I.g.st., binnenwerk uitstekend. Vochtvlekken op voor- en achterplat (foto). Zeer zeldzaam. Gebonden in linnen, 412 pp., met illustraties, met bibliografie en noten.  

Gilson, Etienne (1950). Le Philosophe et La Theologie. Paris: Arthème Fayard.  I.g.st., licht verkleurd. Paperback, 259 pp.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 20th, 2021 by Igor Cornelissen

Klinkenberg en de Prins

Ere wie ere toekomt is een stelregel waarmee met name de Nederlandse journalistiek het vaak erg moeilijk mee heeft. Maar het was de communistische journalist Wim Klinkenberg (1923-1995) die als eerste de levensloop van prins Bernhard onder de loep legde. En met die loep keek hij scherp.

Van de verhalen van eerdere biografen, de gereformeerde Jan Waterink (1890-1966) (hoogleraar pedagogiek aan de VU) en de Amerikaanse (ingehuurde?) journalist Alden R. Hatch (1898-1975), bleef weinig over. Waterink zag steeds Gods hand en zegen in de weer bij Bernhards loopbaan en zijn zogenaamd toevallige sprookjeshuwelijk vol wederzijdse liefde met prinses Juliana. En ook Hatch had zaken weggelaten of goedgepraat.

Klinkenberg was de eerste die het nationaal-socialistische milieu waarin Bernhard groot werd – en begon te bloeien – ontrafelde. Klinkenbergs boek werd bij verschijning nauwelijks serieus genomen. Dat kwam ook wel doordat Klinkenberg, als hij iets niet direct bewijzen kon, vaak met formulering kwam als “…het zou wel vreemd zijn als niet…” En zijn veelvuldig gebruik van het woordje ‘waarschijnlijk’.

Wim Klinkenberg zag Bernhard niet als een pion maar als een Hoofdspeler in het machtsspel van grote concerns dat het kapitalisme wilde laten blijven zegevieren. Een Amerikaanse zetbaas van het hoogste niveau en buitengewoon gevaarlijk. Anderen zagen en zien hem als een handige speler die alleen uit was op zijn eigen bed genoegens en dus bijkomend geld dat nodig is ‘reis en verblijf’.

Klinkenberg was niet alleen communist, hij was ook een stalinist in die zin dat hij de nederlaag van Hitler grotendeels aan de geniale militaire leiding van de bloeddorstige dictator toeschreef. Misstappen en wandaden van Stalin waren hooguit kleine fouten die aan zijn grootheid niet afdeden. Van dissidenten moest hij niets hebben. Tenminste niet als ze Russisch waren. Dat ze het land werden uitgezet of achter de tralies kwamen, deerde hem niet. Door deze vreemde vasthoudendheid maakte Klinkenberg het zichzelf moeilijk.

Ik heb Klinkenberg redelijk goed gekend en in zijn boek (althans in een herziene herdruk) citeert hij enkele malen met instemming mijn artikelen uit Vrij Nederland. In zijn verering van Stalin en zijn overtuiging dat de Sovjet Unie de ware vredesmacht was, kon ik niet meegaan. Daarom bleef er een afstand tussen ons bestaan. Maar toen ik het een paar jaar geleden noodzakelijk vond om op te komen voor een gedeeltelijk eerherstel van deze nijvere journalist als eerste Bernhard vorser die archieven doorploegde toen vrijwel iedereen de prins een toffe vent vond, nam het NRC Handelsblad mijn ingezonden brief niet op.


Klinkenberg, W. (1979). Prins Bernhard. Een politieke biografie. Amsterdam: Onze Tijd. Redelijk, met gebruikssporen (potloodaantekeningen van Igor Cornelissen). Paperback, 555 pp., 1e druk. Met illustraties (fotokatern), bibliografie en noten. € 16,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, bijv. biografieën.