In 't Wasdom

antiquariaat Cornelissen & De Jong – Zwolle
maart 3rd, 2021 by Igor Cornelissen

Het Polen van Peter Schumacher

Mijn journalistieke reizen naar Polen waren, al kwamen er wel stukken in de krant, geen groot succes. Niet alleen was mijn Pools minimaal, de medewerking van de burgers was evenmin om over te juichen. Overal (communistische) ambtenaren die je ‘morgen’ lieten terug komen waarna er nog niets gebeurde.

Het was de tijd van de staat van beleg. Lech Wałęsa en zijn vakbond Solidarność en de kerk aan de ene kant, de communistische partij aan de andere kant. Het was een bittere tijd en op de menukaarten was bijna alles doorgestreept. Ik riep de hulp in van de telefoniste uit het hotel. Die sprak wat Duits. Zij en haar vriendin gaven fotograaf Hans van den Bogaard en mij een rondleiding door een troosteloos industriestadje. Zo leerde ik de geheimen kennen van de andere handel: niet wit, niet zwart, maar anders. Een vrijwel lege slagerij moest je via een achteringang benaderen en dan schroeven, bouten of andere schaarse middelen bij je hebben waarmee auto’s konden worden gerepareerd. Dán was er wél vlees.

Toen de situatie meer gespannen werd wilde adjunct hoofdredacteur Joop van Tijn dat ik nog een keer ging. Ik wachtte weken op een visum. Geen respons. Joop beweerde dat ik op het vliegveld in Warschau wel het benodigde stempel zou krijgen. Hij had betrouwbare bronnen die dat wisten. Ik zag het somber in, maar vermomde mij als musicus en stapte met een zwarte jas aan en hoed op het vliegtuig in. Ik had mijn  trompet bij mij. In Warschau werd mijn vermomming binnen vijf minuten doorzien. Ik werd uitgelachen en op het vliegtuig naar Kopenhagen gezet. Via die tussenstop was ik dezelfde avond terug in Amsterdam. Een dure reportage.

Ik zeg niet dat een fotograaf het gemakkelijk heeft, maar die vangt sneller wat zonder te hoeven praten. Peter Schumacher maakte schitterende foto’s. Gewone mensen, gewone landschappen. Soms grauw, soms mensen in de zon. Echte Polen. Een oude baas speelt op straat op zijn viool in de hoop op een bijverdienste. Kinderen spelen op straat en vrouwen zitten op een bankje. Net als hier en toch totaal anders. Want dit is Polen, althans het Polen zoals ik mij het herinner.


Schumacher, Peter (z.j.). Polska 1963 - a photo journey | Niezwykla podroz fotofraficzna. Hoofddorp: Dutch Art & Media House. I.z.g.st., zonder gebruikssporen. Hardcover met leeslint. 157 pp., met illustraties. Tweetalig (Engels en Pools). Uit de collectie Igor Cornelissen. € 25,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

maart 2nd, 2021 by Igor Cornelissen

Over een goede Duitser en een fijne zigeunerschnitzel

Toen ik bij het weekblad Vrij Nederland werkte had iedere redacteur een eigen postbakje. Daar kwamen persoonlijk gerichte brieven in terecht; het blad dat al jaren je speciale interesse had, een knipsel van een collega die vond dat het over jouw onderwerp ging of ook wel een artikel met een suggestie van de hoofdredacteur om daar eens op af te gaan. In april 1983 vond ik in dat bakje een knipsel uit de International Herald Tribune. ‘Gypsy writer. From Auschwitz in Fairy Tales. Philomena Franz is an unusual author.’

Zigeuners waren  onbetwist het onderwerp van redacteur Jan Rogier Of die nu ziek was of de krant al had verlaten, weet ik niet meer, maar ik ondernam de reis naar Keulen. Daar in de buurt woonde Philomena in een woonwagen met enkele van haar kinderen. Van het interview met haar herinner ik me weinig en in mijn veelgeprezen archief kan ik het niet terugvinden. Haar ouders waren in Mauthausen vermoord en drie van haar broers in andere kampen. Een familie van musici. Ze was 21 toen ze werd gedeporteerd. Ze was uit een kamp ontvlucht en door een Duitse boer verborgen. Er waren dus ook goede Duitsers.

We aten in een restaurant en toen ik zei dat ik maar geen zigeunerschnitzel zou bestellen, moest ze hartelijk lachen. Dat zou haar allerminst storen. Ze vertelde me iets dat indruk op me maakte. Ze was een keer in Israël geweest voor vakantie. Bij de douane was ze spontaan omhelsd door een meisje van de controle. Die had het brandmerk op haar arm gezien. Ze hadden beiden gehuild. ‘Ik heb me in een land nog nooit zo thuis gevoeld,’ zei Philomena Franz en ze hoefde mij niet uit te leggen waarom.

Philomena Franz (1982). Zigeunermärchen. Bonn: Europa Union Verlag. Gesigneerd door de schrijfster. Met artikel over de auteur uit de International Herald Tribune. Met autograaf van Philomena Franz. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 20,00 (incl. pak- en verzendkosten).

maart 1st, 2021 by Igor Cornelissen

De ontreddering van Stalin

Het is net als met Hitler. Iedere keer dat je denkt de laatste definitieve biografie hebben gelezen, komt er weer een nieuwe op de markt. De vergelijking gaat nauwelijks mank, want in beide gevallen gaat het om bloeddorstige mensen die, zo leek het althans, een heel volk achter zich kregen Dankzij een enorme propagandamachine en uitgebreid onderdrukkingsapparaat. Als ik dit in 1953 tegen een gestaalde communist had verteld, het sterfjaar van Stalin, had mij dat op zijn minst een muilpeer opgeleverd.

Chlevnjoek behoort tot de Russische historici die toegang hadden tot de geheime archieven die begin jaren negentig even open gingen. Als hij zeker is van zaak, zegt hij dat en hij aarzelt niet om bij twijfelgevallen te schrijven dat er onvoldoende bewijsmateriaal is. Hij vond echter zoveel dat zijn conclusie overtuigt: Stalin werd steeds argwanender, die op den duur zelfs zijn allernaaste en trouwste medewerkers niet meer vertrouwde. Er komt veel aan de orde, zoals het liefdesleven van Stalin en zijn verhouding tot zijn familie. Het meest werd ik getroffen door de beschrijving van ‘s mans volkomen ontreddering toen het leger van Hitler in juni 1941 binnenviel. Ondanks het in 1939 niet aanvalspact tussen Molotov en Von Ribbentrop.  Hij was niet in staat het volk toe te spreken. Dat gebeurde pas weken later. Dat het land in oorlog was moest Molotov aan het volk vertellen. Molotov was de minister van Buitenlandse Zaken. Maar ook hij kreeg de volle lading toen Stalin zijn (joodse) vrouw liet arresteren wegens spionage. Er werd in de opperste leiding over gestemd. Allen vóór. Molotov onthield zich van stemming, hetgeen men gezien de omstandigheden als een soort heldendaad zou kunnen aanmerken.

Niet minder geboeid las ik de passages over de speciale dienst die Stalin dag en nacht moest bewaken. Sinds 1952 werd Stalin in zijn werkvertrek of in zijn datsja permanent bewaakt door 335 agenten. En daar kwamen dan nog de 73 specialisten bij die er voor zorgden dat het aan hem aan niets ontbrak. Deze bewakers verdienden tientallen malen zoveel loon als de arbeider. Een boer moest het met nog minder doen. De bewakers was er alles aan gelegen ‘de baas’ ter wille te zijn.

Stalin ging de geschiedenis in als de legeraanvoerder die Hitler heeft verslagen. Chlevnjoek vind het als historicus zijn plicht er op te wijzen dat voordat het Rode Leger in staat was overwinningen te boeken er anderhalf miljoen soldaten waren gesneuveld of krijgsgevangen waren gemaakt. De overwinning kwam niet dankzij Stalin, maar ondanks hem. Hij vertrouwde zijn eigen diplomaten en de in het buitenland werkzame spionnen niet. Zij hadden hem voor de inval gewaarschuwd. Het waren allemaal lasterpraatjes, verhaaltjes om hem op een dwaalspoor te brengen, zo meende hij.

In Nederland loopt ongetwijfeld nog ergens een vereerder van Stalin rond. In het Rusland van Poetin zijn er nog vele. Chlevnjoeks conclusie is helder en duidelijk: uiteindelijk was er één man verantwoordelijk voor de terreur die vele miljoenen het leven kostte. Als hij besliste durfde niemand hem tegen te spreken.


Chlevnjoek, O. (2015). Stalin. De biografie.  Amsterdam: Nieuw Amsterdam. I.z.g.st., hardcover met stofomslag. Met potloodstreepjes. Gebonden, 479 pp., 1e druk. Met illustraties, vertaling Toon Dohmen. Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

 

februari 28th, 2021 by Jaap de Jong

De Parelduiker over tragische liefde en overwonnen droefheid

Het nieuwste nummer van De Parelduiker bevat foto’s in kleur. Het blad vernieuwt zich zoals ook de arend zijn jeugd vernieuwt; eender maar toch anders.

In dit nummer aandacht voor de liefdesperikelen van Bert Schierbeek, Frieda Koch en Lucebert: een ménage à trois, een wrede liefde. Asymmetrisch, kan het anders? Bij het opruimen van zijn atelier vond Michiel Schierbeek de brieven van Frieda Koch en Lucebert in een kartonnen doos. Die vondst levert veel op. Graa Boomsma geeft in zijn artikel een mooi portret van de Vijftigers die regelmatig de Van Eeghenlaan 7 bezochten waar Bert Schierbeek en Frieda Koch hen opving zoals een hen haar kuikens. Ook kompaan Igor Cornelissen woonde er enige tijd. Tekeningen van Lucebert – die er op de grond lagen – herinnerden hem aan “de roemruchte jaren van knarsende liefde en bijbehorend verdriet”.

In Een liefde, een boek, een roeping schrijft Gé Vaartjes naar aanleiding van de brieven van Godfried Bomans over de moeizame vader-zoon relatie. Er is ook veel God in die brieven; goud voor een godsdienstpsycholoog à la William James, vermoed ik, maar ook een mooie aanvulling op wat we al weten over Bomans. Het stuk besluit overigens met een meer dan prachtige zin die ook nog eens waar is: humor is overwonnen droefheid.

Marco Daane schrijft over de spot van Jac van Looy met het socialistische engagement van Herman Heijermans en heeft bovendien aandacht voor het antisemitisme binnen de kringen der Tachtigers. In die kritiek op het engagement wordt ook de consequentie van het credo L’art pour l’art bij de Tachtigers onder de aandacht gebracht.

En dan is er nog het verhaal van Ronald Bos over de relatie tussen Paul Celan en Martin Heidegger. Een relatie die zich onder meer uit in grofheden op een koude kunststoffen achterbank van een Panama-beige VW Kever: in een stilzwijgen mit-einander-sein. Een paar dagen later schrijft Celan zijn beroemde gedicht Todtnauberg. Dat lokte veel speculaties uit over de inhoud van de ontmoeting tussen Celan en Heidegger: veel drassigs.

Het nummer van De Parelduiker bevat natuurlijk nog veel meer lezenswaardigs zoals de uitgebreide aandacht voor privé-drukken en marginale uitgevers in de rubriek van Jan-Paul Hinrichs.

De Parelduiker is een prachtig blad. Abonneer u en koop oudere nummers bij Cornelissen & De Jong of een andere goede boekhandel.

Méér nieuwe oude Parelduikers bij Cornelissen & De Jong

februari 28th, 2021 by Igor Cornelissen

Het Amerika boek van Jacques Presser

Als ik Pressers boek over Amerika lees, is het alsof ik hem weer college hoor geven. Het jaar dat ik hem beluisterde gaf hij voordrachten over Engeland. Hij kwam altijd binnen met een tas vol boeken die hij een voor een uitpakte en behandelde en vertelde daarbij de ene anekdote na de andere. Je moest die boeken niet alleen beslist kopen, maar uiteraard ook lezen. Je kon goedkope uitgaven – Presser bezat natuurlijk de dure gebonden eerste drukken – vinden in de naburige Oudemanhuispoort. Daar lagen de Penguins voor een paar gulden.

Pressers Amerika— hij begon er tijdens zijn onderduik aan – is gebaseerd op secundaire literatuur. Er was, toen al, enorm veel over de geschiedenis van dat land. De historicus lijkt niets over te slaan. Hij begint, uiteraard, met de ontdekker Columbus over wiens origine weinig bekend is. Over het uitmoorden van de Indianen al veel meer.

Wie iets meer weet over Presser zal het niet verbazen dat hij uitgebreid stilstaat bij de positie, zeg maar onderdrukking van alle minderheden die Amerika groot maakten. Niet alleen de Indianen – teruggedrongen in reservaten nadat eerst hun bizons waren uitgeroeid (leuk vermaak: vanuit treinen op die beesten schieten) – ook de negers, de Joden, Ieren en Italianen worden besproken. En dat geldt ook voor Lincoln, Jefferson, Roosevelt; alle beroemde presidenten krijgen hun deel en bij Presser gebeurt dat nooit zonder curiosa. Abraham Lincoln kon nog gewoon het White House uitlopen om een krant te gaan kopen. Zijn opvolger Andrew Johnson was soms dronken (om zijn zenuwen de baas te zijn) en hing in zijn ontvangstkamer de was te drogen.

Er is Presser wel eens verweten dat hij een te grote voorliefde voor de anekdote had. Bij mij werkte dat juist stimulerend: je blijft doorlezen. Over Lincoln vertelt hij dat er toen (in 1949 dus) al een onuitputtelijke rij aan biografieën over de man bestond. Er was er al een die ‘s mans leven van dag tot dag beschreef. Het wachten was, schreef Presser met milde spot, op een uurverslag.  Google laat zien dat er de laatste jaren veel nieuwe biografieën over deze ‘slaven bevrijder’ zijn verschenen.

Wie de laatste jaren de Amerikaanse politiek, dankzij of ondanks Trump, heeft gevolgd, zal bij Presser veel herkennen. Zoals zijn constatering dat veel Amerikanen verwachten dat hun vertegenwoordigers iets uitstralen van de circusartiest, de potsenmaker. En wie wil weten wat de oorsprong is van de Tea Parties komt bij Presser aan zijn trekken. Wat het boek extra aantrekkelijk maakt zijn de vele, zorgvuldig uitgezochte illustraties. Soms aandoenlijk zoals de kromgetrokken handen van een pioniersvrouw, gefotografeerd in 1936 door Russell Lee.

Opgemerkt moet nog worden dat Den Hollander – hoogleraar sociologie die indertijd veel colleges gaf over Amerika – het boek van zijn collega Presser opvallend positief recenseerde in Het Parool. Den Hollander stond bepaald niet bekend om zijn mildheid.

In een Voorbericht schrijft Presser dat de eerste versie van zijn boek tijdens de bezetting bij een nachtelijke overval enkele uren in Duitse handen is geweest. Ze hadden er wel in gebladerd, maar het handschrift niet vernietigd. Pressers boek houdt ons ook de spiegel voor. De man die het zo voor alle minderheden opnam, schrijft voortdurend over negers waar wij – die het allemaal beter weten – het hebben over Afro-Amerikanen. Als Presser laat zien hoe zwarten uitblinken, kiest hij voor een foto van Jesse Owens die in 1936 tot grote woede van de nazi’s drie gouden medailles won. Onder de foto staat dat het de ‘neger-atleet’ Jesse Owens was die tot deze prestaties kwam.


Presser, J. (1949). Amerika. Van kolonie tot wereldmacht. De geschiedenis van de Verenigde Staten. Amsterdam: Elsevier. I.g.st., maar met scheurtje bij schutblad (voor- en achterplat), verder gaaf exemplaar. Gouden belettering op roodzwarte achtergrond. Gebonden in linnen, XII, 619 pp., 1e druk. Met illustraties, bibliografie, noten, verantwoording illustraties en register. Met frontispies van Franklin Delano Roosevelt van S.J. Woolf. Rijkelijk geïllustreerd. Uit de collectie  Igor Cornelissen. € 21,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

februari 27th, 2021 by Igor Cornelissen

Apostel Willem H. Vliegen en het ‘proletarisch sentiment’

Willem Hubertus Vliegen (1862-1947) kwam uit Limburg en was (dus) van roomse afkomst en bovendien arbeider. Daar waren er meer van. Wat hem bijzonder maakte was dat hij socialist werd, eerst aanhanger van het anarchisme van Domela Nieuwenhuis. Hij liep zelfs met een revolver rond in verband met de komende revolutie. Daarna ging hij over naar de ‘parlementairen’ die meenden dat als er maar steeds meer arbeiders op hen zouden stemmen, het socialisme langs geleidelijke weg bereikt kon worden. Vliegen was in Zwolle aanwezig toen daar in het drank- en spijslokaal De Atlas onder de Peperbus op 26 augustus 1894 de SDAP werd opgericht. Hij was een van de twaalf apostelen, zoals de oprichters werden genoemd. Willem Vliegen was een van de echte arbeiders die het beginselprogram ondertekenden en met zijn katholieke achtergrond een bijzonderheid.

Koos Vorrink noemde hem in 1939 tijdens een SDAP congres een ‘geboren reformist’.  Dat wilde Vliegen toch wel even corrigeren. Hij was een echte revolutionair geweest, maar reformist geworden ‘door de feiten’. Die hadden hem ervan overtuigd dat de marxisten voor een groot deel ongelijk hadden. Hun theorie werd door de praktijk gelogenstraft. Vliegen bleef tijdens zijn lange socialistische leven een nuchtere pragmaticus. Wat was behalve wenselijk ook mogelijk? Hij werd langzamerhand de ‘grand old man’ van de parlementairen. Men was trots op de man die jarenlang de beweging had gediend als redacteur van het partij dagblad Het Volk, als wethouder van Amsterdam, als partijvoorzitter en als Kamerlid. Zonder tegenstand was dat niet gegaan. Hij had genoeg tegenstrevers en dat waren niet alleen de marxisten die, mede door hem, geroyeerd werden. Ook met Troelstra lag hij menigmaal overhoop. Politieke meningsverschillen of eerzucht? Meestal beide. Perry schreef een voorbeeldige biografie. Tegenslagen (de Eerste Wereldoorlog) en voorspoed (de groeiende invloed in parlementen en gemeenteraden) krijgen de nodige aandacht. De conflicten binnen het partijbestuur over nu lang vergeten kwesties vervelen door de vlotte schrijfstijl van Perry nooit.

Twee vlekjes in het leven van de man die als typograaf begon en in Luik Frans leerde spreken en schrijven krijgen bij Perry extra ruimte. De SDAP bestond nog maar vijf jaar toen Vliegen naar Parijs werd verbannen waar hij maar als journalist aan de kost moest zien te komen zonder dat hij daar goede contacten had. En anders moest hij maar zien daar als typograaf een baan te vinden. Vliegen had zich schuldig gemaakt aan overspel met de vrouw van een gewaardeerde partijgenoot. Dat kon in de nieuwe partij die openheid en zuiverheid propageerde niet ongestraft blijven. Wat er precies is gebeurd, kon ook Perry niet achterhalen. In ieder geval had Vliegen toegegeven dat er ‘iets’ was gebeurd dat niet door de beugel kon. Het heeft Vliegens latere loopbaan niet geschaad. Hij kon vrij spoedig naar Nederland terugkomen. Het geval zelf werd vooral met de mantel der liefde bedekt. Een methode die binnen en buiten de socialistische wereld tot en met nu veelvuldig wordt toegepast. Ook in kerkelijke kringen wanneer dominee of pastoor al te veel tijd besteedt aan pastorale zorg van weduwen of verdrietige meisjes.

De tweede misstap die Vliegen beging was in mei-juni 1940 toen het de SDAP leden na de Duitse inval niet direct helder was wat ze moesten doen. Kaderleden die Vliegen om advies vroegen kregen wel de mededeling dat de partij niet meer bestond, maar dat men het partijblad Het Volk ondanks de ingestelde censuur moest blijven lezen en dat het lidmaatschap van de VARA niet moest worden opgezegd. Vliegen was zo met de beweging vergroeid dat hij vond dat ‘onze organisaties’ niet in de steek moesten worden gelaten. Het was zelfs zaak, vond hij, om voor het Instituut voor Arbeidersontwikkeling leden te gaan winnen. Hoe Vliegen daar later tegen aankeek is niet helemaal duidelijk. Een collaborateur werd hij beslist niet. Zijn verkeerde adviezen werden hem niet al te zeer kwalijk genomen en hij was dan ook een gewaardeerde gast op het buitengewoon congres in 1946 de SDAP opging in de nieuwe Partij van de Arbeid. Hij was toen de laatste nog levende Apostel van 1894. Hij was het helemaal eens geweest dat de SDAP naar rechts was opgeschoven, maar het ergerde hem wel dat er door partijbestuurders geringschattend werd gesproken over het zogenaamde ‘proletarische sentiment’ dat ze wat te vaak roken. Vliegens herinneringen bleef tot aan zijn dood helder. Hij had dat sentiment niet alleen meegemaakt, hij was er nooit helemaal van losgekomen.


Perry, J. (1994). De voorman. Een biografie van Willem Hubert Vliegen. Amsterdam: De Arbeiderspers. I.g.st., maar met leesvouwtjes in rug. Paperback met flappen, 483 pp., 1e druk. Met illustraties, met bibliografie en noten. Open Domein nr. 29. Met fotokatern. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 22,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

februari 4th, 2021 by Igor Cornelissen

Zionisme in Nederland. Over de man die zijn rechterhand bijna vergat

Voor de oorlog was slechts een minderheid van de Nederlandse joden zionist. De (orthodoxe) rabbijnen zagen het als een afwijking. Zionisten kwamen op voor een eigen land op historische grond: Palestina dus dat na 1918 onder Brits mandaat stond. Joden die erheen trokken waren vooral afkomstig uit Rusland en Polen. Die hadden pogroms meegemaakt. In Nederland waren die vervolgingen onbekend. Althans in de praktijk want er werd wel over geschreven. Theodor Herzl was de baanbreker van het zionisme. Zijn naam wordt geëerd in Israël waar zijn stoffelijk overschot herbegraven is. Herzl wordt nu alom geëerd en de meeste Nederlandse joden beoordelen het zionisme nu positief. Die ommezwaai beschrijft Ludy Giebels niet omdat haar studie eindigt in 1941, het jaar dat de zionistische beweging door de bezetter werd verboden.

De vooroorlogse zionisten waren verdeeld. Begin jaren dertig richtten Sam de Wolff en een handvol medestanders een socialistische zionistische beweging op: de Poale Tsion. Zij vonden de NZB, de grote organisatie burgerlijk en vijandig ten opzichte van arbeiders. Ook mijn grootvader was lid van die beweging. Sam de Wolff bezat een zogenaamd Palestina certificaat dat hem het leven redde. De Britten ruilde Duitse krijgsgevangenen – die in Palestina zaten – uit tegen joden. De laatste konden via Bergen Belsen naar Palestina uitreizen. Dat verhaal staat niet bij Giebels, maar dat doet niets af aan haar baanbrekende studie. Sam de Wolff kwam, na korte tijd in Palestina, terug naar Nederland. Ik leerde hem eind jaren vijftig kennen. Een gemoedelijke, maar soms wat halsstarrige man. Hij bleef een vurig socialist én zionist. Met de dichter uit Psalm 137 vergat hij zijn rechterhand niet, maar naar Israël vertrok hij niet.

Op Sam de Wolff komen we nog wel eens terug.


Giebels, L. (1975). De zionistische beweging in Nederland 1899-1941. Assen: Van Gorcum. I.g.st., kleine schade op achterplat. Gebonden in linnen, 223 pp., 1e druk. Met illustraties, met bibliografie, noten, verantwoording illustraties en register. € 19,95 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 31st, 2021 by Igor Cornelissen

Het Spanje van Octave Aubry: méér dan tapas en servetten

Van de keren dat ik Spanje bezocht waren de laatste de beste. Toen kwam ik echt onder het volk en in de eethuisjes waar zij drinken en snoepen. De laatste keer werd mijn aandacht getrokken in het provinciale blad dat ik af en toe lees en waarin Sevilla ‘de hoofdstad van de tapas’ werd genoemd. Ik ken maar één restaurant in Nederland dat een warme benadering geeft van wat je in Spanje voorgeschoteld kunt krijgen. Die tapasbar staat in Amsterdam vlakbij het Spui. Daar trof ik dan ook Hugh Jans de befaamde receptenschrijver van Vrij Nederland.

In Spanje gaat alles anders. In de eerste plaats wordt er niets voorgeschoteld. Je kiest zelf uit een aanbod dat hier niet wordt vertoond, Visjes, gestoofde niertjes, gebakken levertjes en onvoorstelbaar veel worstsoorten. Of Sevilla nu het allerbeste aanbiedt, weet ik niet, maar de keuze was overweldigend en dat gaat dan de hele dag door. Nog steeds vraag je je af wie er in Spanje ooit televisie kijkt. Het leven speelt er zich – we schrijven over de tijd vóór de Corona ellende –  tot laat op straat af. Men wandelt, flaneert en laat zich af en toe verleiden tot een kopje koffie, een biertje een glas wijn plus wat daar dan allemaal bij hoort. Het Spanje uit de aangeboden boeken bestaat in ieder geval nog: monumenten en kerken inbegrepen.

Ik herinner me een bezoek aan Madrid met in het gezelschap een man die voor zijn firma de hele wereld had bereisd. Ik had geen reden daar aan te twijfelen. Hij zat goed in de slappe was. Toen ik die avond enthousiast verslag deed van een tapasbar vlak naast ons hotel, wees hij die zaak neerbuigend af. Hij had er naar binnen gekeken en overal servetjes op grond gezien: ‘Een smerig zaakje’.  Blijkbaar wist hij met al zijn gereis niet dat iedereen in iedere tapasbar het servetje waarmee je je mond hebt afgeveegd op de grond laat vallen. Veel wereldreizigers blijken niet verder te komen dan hun Hilton hotel of andere logeergelegenheid met veel modern design maar weinig authentieks.

In Sevilla was trouwens in het straatje naast ons appartement een geweldige hoedenzaak. Ik kocht er meteen twee, plus een pet waarvoor ik nog wel eens een compliment krijg. Ik zou graag nog eens naar Sevilla gaan en dan met die pet op de tapas uitkiezen (vooral ook de gefrituurde sprotjes die je met huid en haar opeet) en dan vaak mijn mond afvegen en opnieuw beginnen. Met een fraaie collectie servetjes rondom mij. Maar een kenner van Spanje ben ik niet, al bezocht ik het Alcazar. Er waren toen wel erg veel toeristen die gehoorzaam de gidsen volgden, herkenbaar aan de kleur van hun vlaggetjes.  De boeken van Aubry ademen een zekere rust uit die je in de straten van Madrid, Toledo en Sevilla helaas alleen nog aantreft tijdens de pandemie die ons nu teistert. De kathedralen en paleizen uit de boeken hebben die crisis overleefd. In zijn boeken veel aandacht voor processies, schilderijen, klederdrachten en stierenvechten. Die stierengevechten behoren gelukkig bijna tot het verleden. Ik werd getroffen door een fraaie foto van een zigeunermeisje.

Nu maar hopen dat veel van die tapasbars straks weer open gaan. Niet bij brood alleen. Welzeker, maar met kathedralen alléén, hoe imposant ook, gaat het evenmin.

Octave Aubry (1881-1946) was een Franse romanschrijver met grote belangstelling voor geschiedenis. Hij schreef meerdere boeken over Napoleon. Aubry was lid van de Académie Francaise. Hij was wat men wel noemt een véélschrijver, maar daar hebben wij van het Wasdom geen principieel bezwaar tegen.


Aubrey, Octave (1929). L'Espagne. Les Provinces du Sud. De Séville a Cordoue. [Un volume grand-in-4° orné de aquarelles. Nombreuses héliogravures dans le texte et en hors-texte]. Grenoble: B. Arthaud & J. Rey.  Genummerd exemplaar, 160 [+2] pp. Roodkleurige halflederen band met hoekbescherming (moroccan red leather). Goud op bovensnede. Schitterende schutbladen, heliosfotografie door Anderson, Bertault-Foussemagne, Boissonnas, Darcis, Garzon, Laurent, Ruiz-Vernacci, Serrano. Aquarellen (15) van Marius Hubert-Robert (1885-1966), w.o. als frontispies de zigeunerwijk van Grenade (Le quartier des Gitanes). Zeer zeldzaam.

Aubrey, Octave (1930). L'Espagne. Les Provinces du Nord. De Tolédo a Burgos. [Un volume grand-in-4° orné de aquarelles. Nombreuses héliogravures dans le texte et en hors-texte]. Grenoble: B. Arthaud & J. Rey. Genummerd exemplaar, 195 [+3] pp. Roodkleurige halflederen band met hoekbescherming (moroccan red leather) en vergulde bovensnede. Schitterende schutbladen, heliosfotografie door diversen. Aquarellen (14) van Marius Hubert-Robert, w.o. als frontispies de kathedraal van Burgos. Zeer zeldzaam. Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 30th, 2021 by Igor Cornelissen

Theedrinken met Montgomery

Richard Mac Millan was oorlogscorrespondent van persbureau United Press. Verslagen van oorlogscorrespondenten hebben het voordeel dat de schrijvers ter plekke thee (of wat sterkers) dronken met de soldaten, hun voedsel nuttigden en de realiteit van granaten, loopgraven en bombardementen meemaakten. Ze hoefden zich niet, zoals later geboren historici ‘de sfeer eigen te maken’. Het nadeel is soms dat ze het overzicht misten waarover wij nu wel beschikken.

Field Marshall Montgomery (1887-1976) was de held van de Britten zoals de Amerikanen hun Eisenhower hadden en de Duitsers Rommel.

Ik herinner me curieus voorval van enkele jaren geleden. Er was iets in Tobroek of El Alamein gebeurd. De naam kwam in de krant. Het had niets te maken met WOII. Een oudere vriend die zich net al ik de namen van de veldslagen in Noord Afrika herinnerde, mailde me direct. Wist ik het nog? Dat daar de Duitsers hun eerste klappen hadden gekregen? Ondanks die slimme Rommel. Het is waar. De slag om Stalingrad en later de invasie in Normandië blijven hangen, maar die uitputtende gevechten in een moordende hitte, stof, en enge, altijd aanwezige bijtgrage insecten is wat weggevallen.

Het heldendom van Montgomery heeft later nogal wat deuken opgelopen. Men verwijt hem dat hij de Slag om Arnhem verkeerd heeft ingeschat. Dit boek gaat niet over Arnhem. In de woestijn van Noord Afrika stond hij zijn mannetje. Op een foto werd hem door soldaten een tas thee aangeboden. Zo noemen ze dat in Vlaanderen waar het boek verscheen. Een vriend uit Eindhoven vertelde me dat ze dat woord ook bij hem thuis gebruikten. Dat geheel terzijde. Hier gaat het om de mannen van het 8ste leger. Eisenhower, of was het Churchill, had ook nog wel wat andere kritiek op Monty wiens jas (houtje touwtje) wij nog jaren na 1945 droegen. Hij rookte niet en dronk niet. Behalve die tas thee, die natuurlijk wel.


Mac Millan, Richard (1945). Montgomery rekent met Rommel af. De geschiedenis van het 8ste leger. Brussel: Manteau. Redelijk, gebonden in rood linnen, mooie schutbladen, verkleurde rug. Figuur en tekst in goudopdruk op voorplat. 325 pp., 2e druk. Met als frontispies foto van Montgomery, geïllustreerd. Vertaling Jan van Opstal. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 33,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 28th, 2021 by Igor Cornelissen

Blue Note – Alfred Lion en Francis Wolff. Geraakt door ‘negermuziek’

Jazz is muziek en naar muziek moet je (leren) luisteren om er iets van te begrijpen, het daarna te kunnen waarderen en ten slotte met je gespaarde zakgeld naar de winkel te gaan om de begeerde platen te kopen. Wij begonnen met de breekbare 78-toerental platen, daarna kwam LP en nu, ook al weer verouderd, de CD’s.

Twee joodse jonge mannen, eind jaren dertig nog net op tijd uit nazi- Duitsland naar Amerika gevlucht, zorgden voor een extra dimensie. Misschien is de uitdrukking een gat in de markt wat overtrokken, maar de visuele reclame die ze maakten, sloeg aan. Die beide mannen,  Alfred Lion (1908-1987) en Francis Wolff (1907-1971), hadden in Berlijn al orkesten gehoord die wat toen heette negermuziek speelden. Ze waren er door geraakt.

Eén van hen had de sopraansaxofonist Sidney Bechet (1897-1959) al in Duitsland horen spelen. Bij een weerzien in New York leidde dat tot een contract. De Summertime die Bechet op de plaat zette is naar mijn mening nooit overtroffen. De klassieke jazz (dixieland!) volgde met o.a. de pianist Art Hodes die wars was van de moderne vormen van jazz die zich omstreeks 1942 begon te ontwikkelen. Bebop. Meer techniek en ingewikkelder akkoordenschema’s.  Lion en Wolff begrepen dat ze met hun tijd mee moesten gaan en ze gaven de jonge knapen van de Bebop alle ruimte. Voorspelbaar misschien, maar toch opmerkelijk is dat de oprichters en medewerkers van Blue Note allen behoorden tot het linkse, progressieve deel van de Amerikanen. Een minderheid dus, want de meeste Amerikanen beschouwden de segratie als iets vanzelfsprekend. Bij Blue Note werden de zwarte muzikanten als heren behandeld en overeenkomstig betaald.

Het dikke en loodzware boek over de geschiedenis van Blue Note is uiterst rijk geïllustreerd met foto’s van de kunstzinnige hoezen waarin de LP’s verpakt waren plus de afdrukken van de photo shoots die tijdens en na de opnamen werden gemaakt.

Een stukje onbekende Amerikaanse geschiedenis met namen en afbeeldingen van knapen, altijd cool, die soms al op hun 21ste of nog jonger een kans kregen. Zij grepen die kans bij die twee uit Duitsland gevluchte joden: Wolff en Lion. Zij hadden in elk geval in de States voldoende vrijheid voor hun baanbrekende werk, waarover jazzkenners nog steeds niet zijn uitgepraat.

Havers, Richard (2014). The Finest in Jazz Since 1939. Blue Note. Z.pl.: Lannoo|Terra. I.z.g.st., als nieuw en zonder gebruikssporen, 399 (+ 1) pp, met index, illustraties (foto's in zw./w. en kleur), verantwoording illustraties en discografie. Uit de collectie Igor Cornelissen. Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, wij doen ook aan muziekgeschiedenis.
januari 28th, 2021 by Igor Cornelissen

Jan Vrijman, het journaille en De Waarheid

Journaille was het pseudoniem waaronder Jan Vrijman (1925-1997) tussen 1985 en 1997 zijn frisse en vaak verhelderende rubriek schreef in Het Parool. Vrijman was het pseudoniem van de in de Jordaan geboren Jan Hulsebos die tijdens de bezetting het illegale blad De Waarheid rond bracht. Dat gaf hem een entree tot de legale Waarheid die na de bevrijding onder hoofdredacteur A.J. Koejemans korte tijd de grootste krant van Nederland was. Jan was niet de enige die later elders naam maakten: Gerrit Kouwenaar was chef kunst en Jan Brusse was even correspondent in Parijs, maar ging voor andere kranten en de AVRO werken omdat het communistische blad hem te traag, niet of te weinig betaalde. Jan Spierdijk stapte over naar De Telegraaf waar hij boeken besprak en toneel recenseerde.

Jan Vrijman ging naar Vrij Nederland, maar ging ook daar weg toen hij meende gecensureerd te worden. Inmiddels had hij al wel naam gemaakt met zijn reportages over de vetkuiven op de Nieuwendijk die hij nozems noemde. Hij veroorzaakte landelijk gerucht toen hij een TV-uitzending maakte over de rebellie op de Zeven Provinciën en daarbij een muiter aan het woord liet. Juist in de tijd dat er in Nederland weinig mocht of kon, liet Jan van zich spreken. Hij hield in ieder geval niet van stilte en bleef nieuwsgierig. Ook naar de gewone mensen om hem heen. Jan en ik mochten eens bij de KRO herinneringen aan het verleden ophalen en commentaar geven op het heden. We kregen twee uur. Jan was meer met zijn tijd meegegaan dan ik. We mochten onze lievelingsmuziek draaien. Mijn mooiste jazzmuziek stamde uit de zomer van 1927. Jan liet liederen uit de West Side Story uit de speakers knallen.

Toen ons werd gevraagd hoe oud we ons voelden, kwam ik op dertien jaar uit, Jan op zestien. Maar ook Jan Vrijman ging er onderdoor. Hij stierf aan borstkanker. In ieder geval een bewijs dat ik behoorlijk feministisch ben, grapte hij met de moed der wanhoop kort voor zijn dood tegen mij. In zijn laatste stukje voor Het Parool schreef hij ontroerend over het naderende einde. Als jongen van een jaar of tien was hij bang voor de slaap. Hij staarde dan met wijdopen ogen in het duister loerend naar een denkbeeldige havik. ‘Aan het eind van mijn leven, begin van het sterven, kijk ik naar de grote vogel op de rand van mijn bed. Hij loert niet, hij waakt en wacht tot ik hem roep.’

Uit zijn dagelijkse stukjes bleek dat het verleden hem vaker in de greep had. Hij was in een café in gesprek geraakt met een meisje van  tweeëntwintig. Die studeerde aan twee studierichtingen aan de VU en, had ze hem toevertrouwd, ging alleen met domme topsporters naar bed. Dat was dubbel safe: ze hadden geen enge ziektes en van liefde (van haar kant) zou toch niks komen. Toen ze weg ging, vertelde ze dat ze in de Gerrit van der Veenstraat woonde. Als Jan Vrijman antwoordt dat die straat vroeger de Euterpestraat heette ‘terwijl een vloed van herinneringen opwelde’ bleek ze nooit van Gerrit van der Veen te hebben gehoord. “Ik voelde geen spijt toen ze ten slotte “doei” riep en met een taxi naar huis ging.”


Vrijman, Jan (1998). Journaille. Een keuze uit de Parool-columns. Inleiding Felix Rottenberg, samenstelling en verantwoording Tom Rooduijn. Amsterdam: De Bezige Bij. I.g.st., leesvouwtjes in rug. Paperback, 277 pp., 2e druk. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 13,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 27th, 2021 by Igor Cornelissen

De levenssappigste onder de Tachtigers: Lodewijk van Deyssel

Lodewijk van Deyssel (1864-1952) beschikte over een “naar clowneske neigende deftigheid.” De karakterisering komt van zijn biograaf Harry G.M. Prick (1925-2006) die overigens ook oog had voor zijn humor en veelzijdigheid. Van Deyssel gold als Tachtiger en was zonder meer een van de meest ‘levenssappigste’ onder hen. De man was op een goede manier nieuwsgierig.

Als scholier schreef Prick een brief naar de oude van Deyssel. Dat was in 1942. Het viel de bejaarde schrijver op dat deze jonge knaap zijn werk zo doorgrond had. Toen ze enkele jaren later kennis maakten benoemde Van Deyssel hem tot zijn biograaf. Prick zou onbeperkt toegang krijgen tot Van Deyssels correspondentie en dagboekaantekeningen. Hetgeen geschiedde. Het zou onterecht zijn te schrijven dat de neerlandicus Prick daar zijn hele leven mee heeft gevuld. Prick heeft over ook veel over anderen geschreven (Gerrit Komrij en Boudewijn Buch bijvoorbeeld), maar hij bleef toch voornamelijk verslingerd aan Van Deyssel, de man met dat enorme hoofd en dat altijd maar loensende oog.

Toen de Gedenkschriften verschenen, oordeelde de anonieme recensent van de Nieuwe Rotterdamse Courant: ‘Als geheel zijn de Gedenkschriften een boek dat Van Deyssel ten voeten uitgeeft, in al zijn vele literaire gedaantes. De minutieuze en liefdevolle beschrijver, de heel persoonlijke, intuïtieve kunstbeschouwer, de merkwaardige wijsgeer, de lyricus, de humorist.’

Kom daar nu eens om, is men geneigd te verzuchten.

Sommigen vonden dat Prick wel wat ruim was in zijn belangstelling. Hij schreef in diverse tijdschriften deelstudies over de door hem bewonderde. In een van die bijdragen noteerde hij hoe vaak daags Van Deyssel onaneerde. Lang dus voordat Reve zulks aan het papier toevertrouwde. Het nazaat van Van Deyssel was ontsteld. Die zelfbevlekking deed volgens Prick niets af aan de grootheid van de schrijver. En bovendien: Van Deyssel had hem toch gezegd dat hij alles mocht gebruiken wat er in zijn handschrift boven water kwam? De meester bleef een Meister, ook “ohne Beschränkung.”


Prick, Harry G.M. (red.) (1962). Gedenkschriften voor de eerste maal volledig naar het handschrift [2 dln.]. Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink. Uitgegeven, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Harry G.M. Prick. Met krantenknipsels. Uit de collectie Igor Cornelissen. Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 26th, 2021 by Igor Cornelissen

“Als beste vrienden voortgaan”: Friedericy en “ons Indië”

Herman Jan Friedericy (1900-1962) was in de jaren dertig bestuursambtenaar op Celebes. Het waren, vertelde hij terugblikkend, zijn mooiste jaren. Hij interesseerde zich werkelijk voor de inheemse cultuur. Friedericy was een aanhanger van de zogenaamde ethische politiek die propageerde dat ons Indië uiteindelijk zelfstandig zou moeten worden en dat we daarna als ‘beste vrienden’ zouden voortgaan. Een deel van het bedrijfsleven zag de winsten van hun plantages en andere handel in gevaar komen en richtte in Utrecht een eigen faculteit voor Indische Zaken op, door de tegenstanders spottend de oliefaculteit genoemd.

Friedericy kwam in 1930 terug om in Leiden Indologie te gaan studeren. Daar promoveerde hij op een Makassaars onderwerp. Hij keerde terug naar Celebes en zat drie jaar onder de Japanners gevangen om daarna in diplomatieke dienst te komen. In Washington moest hij de Nederlandse regeringspolitiek verdedigen wat hem zeer moeilijk viel. Hij was tegen de koloniale oorlogen. Maar als diplomaat wordt je niet geacht een eigen mening te hebben.

Toen Friedericy verhalen en romans ging publiceren roemden critici hem om zijn stijl als rasverteller. Toen Gerard Reve hem in Edinburgh tijdens een schrijverscongres ontmoette oogde hij wat vermoeid, maar gelukkig nog net niet cynisch. Het was een man waar Reve niet goed wijs uit kon worden.

In De raadsman blikt de schrijver terug op zijn tijd in Indonesië. Het slot speelt zich af in de bar van het restaurant op het vliegveld in San Francisco. Twee vriendelijke Indonesische studenten en een Nederlander raken in gesprek. De Nederlander denkt aan zijn jaren als bestuursambtenaar op Makassar. En aan de woorden van zijn leraar in Leiden die had gezegd dat als Indonesië onafhankelijk werd de beide landen vrienden moesten blijven. Het was allemaal anders gelopen.

Friedericy moet, zoals Greetje Heemskerk in De Parelduiker schreef, een buitengewoon innemende en erudiete man zijn geweest.


Friedericy, H.J. (1958). De raadsman. Amsterdam: Querido. I.z.g.st., vergeeld papier. Gebonden, 125 pp., 1e druk. Met verklarende woordenlijst. Uit de collectie Igor Cornelissen. Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 25th, 2021 by Igor Cornelissen

De waarheid van de schilder en de beeldhouwster

Albert Carel Willink (1900-1983) was Amsterdammer van geboorte en overleed in die stad. Hij heeft er enkele 19e eeuwse huizen geschilderd die er mysterieus uitzien. Dat werd uiteindelijk zijn stijl, magisch realistisch genoemd. Willink vond dat onzin, want er was niets magisch in zijn werk. Magie deed aan sprookjes denken.

Hij was al op jeugdige leeftijd in Berlijn aan het werk. Dat was in de jaren twintig de stad waar ‘alles’ gebeurde. Hij ontmoette er George Grosz die de decadentie niet uitvond, maar wel in krasse tekeningen uitbeeldde. Daarna kwam Willink in Parijs in aanraking met weer nieuwe schilderstijlen. Hij omarmde het abstracte, daarna het kubisme. Zijn vriend Du Perron ried hem aan het te zoeken in het realisme. Na 1945 leek er geen plaats meer voor alles wat herkenbaar was. De Cobrabeweging eiste en kreeg alle ruimte. Willink verzette zich daartegen in geschrifte met De schilderkunst in een kritiek stadium dat in 1950 voor het eerst verscheen.

Willink was niet gesteld op luxe. Hij had geen rijbewijs en reed dus nooit in patserige auto’s wat veel mensen doen die het ‘gemaakt’ hebben. Maar hij hield wel van lekker eten en kwam graag in de Oesterbar waar als hij binnenkwam de paling al op het vuur werd gezet. Maar dat was pas veel later toen hij als schilder naam had gemaakt.

Bekendheid kwam er ook door zijn derde vrouw, Mathilde die zich om de haverklap kledij gemaakt door Fong Leng liet aanmeten. Deze extravagante Zeeuwse was een willige prooi voor de roddelpers. Oude schilder met veel jongere vrouw. Zulke berichten willen mensen wel lezen die zelf een reproductie van het hertje van Van Meegeren aan de muur hebben hangen. Mathilde werd dood op haar bed gevonden met een schot door haar linkeroor terwijl ze rechtshandig was. Er was sprake van cocaïne en duistere geheimen die ze op schrift bewaarde in een kastje. Over Mathilde is een aantal boeken verschenen. Maar toen ze stierf was Willink al heel gelukkig met de beeldhouwster Sylvia Quiël, ook al veel jonger. Volgens de dagboekaantekeningen van Sylvia kwamen de schilder en de beeldhouwster tot allerhande frivole dingen.

Bij hun huwelijk waren Simon Carmiggelt en diens vrouw aanwezig. Willink was inmiddels erkend als groot schilder en om die dure kleding van Mathilde te kunnen bekostigen was hij, op aanvraag, portretschilder. Hij zag het als een deel van zijn ambacht en schaamde er zich niet voor. Hij liet zijn opdrachtgevers flink betalen. Zijn klanten kwamen uit de zakenwereld of het waren politici. Meestal liberaal of katholiek. Een uitnodiging om de vroegere koningin Wilhelmina te schilderen, wees hij af toen hij de ruimte had gezien waar zijn schilderij zou komen te hangen. Een gele muur. Willink had de pest aan geel.

In Amsterdam is een Willink pleintje met een standbeeld van de schilder gemaakt door zijn laatste geliefde.


Mulder, J. (1983). Willinks waarheid en het dagboek van Sylvia. Baarn: De Fontein. I.g.st.. Paperback, 240 pp., met illustraties (fotokatern (in zw./w). Voorwoord van Simon Carmiggelt en recensies. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 17,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 24th, 2021 by Igor Cornelissen

Sporen van J.B. Charles: wat nagelschraapsel en andere herinneringen

Volg het spoor terug was één van de boeken die ik, nog lang geen twintig, las. Ouders van een vriend bezaten het. Ik mocht het lenen. Het droeg bij tot mijn ‘politieke bewustwording’. J.B. Charles pakte al die oplichters en bedriegers stevig aan: de hele en half collaborateurs. Hij slachtte postuum Colijn en de naoorlogse hele of halve fascisten (zo noemde hij ze) die zich druk maakten over de Nederlandse vlag die op Koninginnedag vijf minuten te laat werd binnengehaald. Zijn latere werk – Van het kleine koude front – maakte niet minder indruk.

Charles, de schrijversnaam van de criminoloog W.H. Nagel (1910-1983) kwam uit Groningen. School met de bijbel, twijfels, opstandig, het verzet in… Het is een lijn die meer Groningers trokken die zich in de literaire wereld een plaats veroverden.  Zijn vrienden uit het verzet bleef hij steunen. Toen uitgever Bert Bakker wegens rijden onder invloed de cel in moest, vond Nagel een weg om hem te helpen. Ze hadden beiden in het verzet gezeten en Bakker had ongetwijfeld last van een oorlogstrauma. Dat Bakker voor de oorlog al stevig dronk en dat Nagel en hij elkaar tijdens de oorlog nog helemaal niet kenden, deed niets af aan de inzet van Nagel.

Toen Aat Veldhoen (1934-2018) in de zomer van 1964 problemen kreeg met justitie omdat hij zinnenprikkelende prenten verkocht, schreef Charles een verontwaardigd artikel in Ratio: Wat heb ik aan mijn zinnen als ze niet meer geprikkeld mogen worden? Hij was en werd geen huiskamergeleerde.

Charles/Nagel was een omstreden man. Daar deed hij zelf veel aan. Hij stelde zich op als iemand van Derde Weg. Iets tussen Moskou en Washington in. Hij verzette zich tegen de Duitse herbewapening en de legering van een Duits troepenonderdeel in Budel (Brabant).  Een foto waarop hij, wadend door de sneeuw, met de joodse schrijfster Marga Minco voorop in de stoet loopt die tegen Budel protesteert, maakte diepe indruk op mij

In zijn vakgebied was hij uiterst deskundig wat, uiteraard kritiek opriep van andere deskundigen. Zijn dissertatie Criminaliteit in Oss (Het Wasdom had het ooit te koop; het was snel verkocht) geldt nog altijd als een belangrijk werk.

Hij raakte nogal wat sympathie kwijt toen hij in de aanval ging tegen het zionisme en de buitenlandse politiek van Israël. Hij noemde minister Golda Meir een typische Duitse jodin, wat ze niet was. Wel joods, maar ze kwam uit Kiev en was in Amerika opgegroeid.

Belangrijker dan Nagels (of Charles’) misstappen is dat zijn biografie de lezer van nu veel leert over het Nederland van voor, tijdens en na de oorlog. Ik word in de tekst een keer genoemd, maar in het personenregister is mijn naam niet te vinden. Als je een boek zo zou recenseren dan deugt er geen biografie. Mijn collega bij Vrij Nederland Martin van Amerongen komt er vaker in voor, Hij haalde Charles bij VN binnen als columnist. Ik vond het niet zo’n succes. Dat kwam niet omdat Charles onvermoeibaar uithaalde tegen onze minister van Buitenlandse Zaken Joseph Luns, maar omdat hij hem steeds ’een hese hufter’ bleef noemen. Anderen vonden dat ongetwijfeld wel erg geestig.


Schuyt, K. (2010). Het spoor terug. J.B. Charles | W.H. Nagel | 1910-1983. Amsterdam: Balans. I.z.g.st.. Paperback, 640 pp., 1e druk. Met illustraties, met bibliografie, noten, verantwoording illustraties en register. € 22,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 23rd, 2021 by Igor Cornelissen

Henry Miller en Brenda Gabrielle Venus in De Hete Brij

De Amerikaanse schrijver Henry Miller (1891-1980) gold bij velen, en dat jaren lang, als een vies mannetje die zijn tijd doorbracht met naaien en zuipen. Bovendien schepte hij er behagen in daar zijn boeken mee te vullen. En wat was er waar van al die verhalen? Hij mengde fantasie en werkelijkheid door elkaar.

Toen Henry Miller in 1930 in Parijs aankwam had hij weinig geld en nauwelijks contacten. Hij bracht zijn tijd inderdaad anders door dan de Parijzenaar die op tijd naar zijn werk moest en hooguit tijd had voor een enkel vluggertje. Millers Parijse jaren leek daarentegen te bestaan uit alléén maar vluggertjes. Maar dat is slechts de halve waarheid. Hij schreef ook over zijn grote liefde voor Parijs en Frankrijk.

In Amerika was je als schrijver alleen maar wat als je beroemd was en bestsellers produceerde. Een onbekende schrijver gold er als een anarchist en dus oplichter. In Parijs maakte hij mee dat de eigenaresse van een restaurant hem krediet verleende, omdat hij vertelde schrijver te zijn. En met iedere jonge kellner kon je praten over Dostojevski. Dat laatste lijkt me een beetje overdreven. Maar misschien was dat in de jaren dertig (een beetje) waar. Bij Miller wist je het nooit.

Een van de kameraden waarmee hij optrok was de in Hongarije geboren, maar in Frankrijk opgegroeide Gilberte Brassaï (1899-1984) die naam zou maken als fotograaf van het Parijse nachtleven. Ook ontmoette hij vele malen Picasso. Hij fotografeerde de Spaanse kunstenaar en schreef over hem.  Toen Miller in Amerika terug was, werden zijn boeken daar verboden. Ze gingen tegen iedere moraal in. Uiteindelijk werd het verbod in 1964 opgeheven en dat droeg volgens kenners bij tot de seksuele revolutie. Een revolutie die verdere gaten sloeg in de door het christendom gepreekte zedenleer.

In zijn laatste jaren, Miller werd 89 jaar, ontwikkelde de nu gevierde schrijver een correspondentie met de zestig jaar jongere Brenda Gabrielle Venus (1947), die alles in huis had om een veelgevraagd model te zijn. Was er méér tussen hen? In ieder geval schreef Miller haar meer dan duizend brieven. Ze schreef terug en sleepte hem door een tijd van aftakeling heen.

Toen ik in mijn Zwolse stamcafé De Hete Brij eens een boek van Miller met foto’s van Brenda liet circuleren, ontstond er een wat broeierige sfeer. Brenda wie? Waar woonde ze?  Kon ze niet met ons in Zwolle het glas komen heffen? Niet alleen wekte Brenda in Zwolle lusten op, ook vond men die Miller een geweldige kerel. Hij had het toch maar voor elkaar gekregen.


Brassai, Gilberte (2011). Henry Miller. The Paris Years. I.z.g.st., hardcover met stofomslag. 224 pp., met illustraties, met bibliografie. € 19.95 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 23rd, 2021 by Jaap de Jong

Henry Miller revisited – uit de dagaantekeningen

Uit de dagaantekeningen van 2019.10.23, 14.15 – “Ik houd van al wat stroomt”

De kreeftskeerling (met vouwtje op pagina 229)

“Ik houd van al wat stroomt” zei de grote blinde dichter John Milton eens. Ik moest er aan denken toen ik zojuist het boek van Henry Miller uit de kast pakte om te beschrijven. Op pagina 229 zit een vouwtje en dat is bijzonder. Ik hou mijn boeken meestal netjes. Zelden maak ik een vouw om iets te onthouden. Dat doen barbaren. Er moest iets bijzonders zijn dat mij tot vouwen heeft gebracht op die dertiende september 1997. Ik geef toe: mij is niets barbaars vreemd.

“Ik houd van al wat stroomt” en zo goed als ik weet u dat er nu iets bijzonder komt, iets smerigs, iets bijzonder smerigs, een enorme lavastroom aan gedachten, een kolkende lavastroom. En dat is ook zo. Ik citeer, maar hou het kort. Moet door met beschrijven. Nog twintig boeken te gaan. Miller was een existentialist en een vitalistische melancholicus of allebei en dat is te merken:

Ik houd van al wat stroomt: rivieren, riolen, lava, sperma, bloed, gal, woorden, zinnen. Ik houd van het vruchtwater als het uit de zak loopt, ik houd van de nier met haar pijnlijke stenen, haar niersteen en wat al niet meer; ik houd van de urine die er kokend heet uitkomt en de gono die eindeloos blijft lopen; ik houd van hysterische woorden en zinnen die als dysenterie steeds blijven doorgaan en alle zieke beelden van de ziel weerspiegelen.

Ik houd van al wat stroomt. Ook van de dynamiek in een boekenkast. Het boek van Henry Miller De kreeftskeerkring (Amsterdam, De Bezige Bij, 1963) was hier te koop, maar staat te pronken in andermans boekenkast. Het was een gaaf exemplaar.

Alleen zit er op pagina 229 een vouwtje.

januari 22nd, 2021 by Igor Cornelissen

Zuinigheid met vlijt. Over de “Navo-professor” Ger Harmsen

Ger Harmsen (1922-2005) werd kort na de oorlog lid van de CPN. Hij was toen nog jong, leek een veelbelovend kameraad en werd al snel leider van de afdeling politieke scholing. Naar eigen zeggen was hij “streng en veeleisend”. Dat ging een aantal jaren goed. Hij wist alles van Lenin en Stalin, maar in de communistische partij ging er altijd wel iets mis. Hij werd afgezet en gedegradeerd. Hij bleek toch ietwat te zelfstandig. Toch bleef Harmsen lid en colporteerde met De Waarheid waarin hij op dat moment werd berispt. Na de opstand in Hongarije bedankte hij voor de partij en werd een dissident, maar wel een communistische dissident. Vervolgens PSP en daarna PvdA. “‘een snelle afloop der wateren”, fluistert de kompaan zacht, maar toch hoorbaar.

Zijn belangstelling voor de communistische beweging behield hij, evenals de liefde en kennis voor planten. Mossen vooral. Bovendien bleef hij volksdansen. Dat laatste vond ik raar. Die andere hobbies niet, want die deelde ik. Nadat Harmsen zijn lidmaatschap van de CPN had opgezegd, waarmee hij “een klassevijand en verrader” werd, zette hij zich aan zijn proefschrift. Hij ondervroeg oudere kameraden over hun ervaringen in de jeugdbeweging. Die stonden hem tijdens zijn CPN-tijd welwillend te woord. Bij de verschijning van zijn dissertatie hadden ze spijt als de haren op hun hoofd, maar dat was inmiddels kaal geworden.

Blauwe en rode jeugd is een uitputtende studie over de jongeren die geheelonthouder en/of socialist/communist/anarchist waren. We komen interessante types tegen zoals de schilder Melle Oldeboerrigter, het latere kamerlid Gerda Brautigam, de geheim agent Daan Goulooze en de christen-socialist  professor Willem Banning. Een weerkerend thema is dat de moederpartij vrijwel altijd de baas wil spelen over de jongeren. Anarchisten hebben geen partij boven zich. Hooguit raadgevers.

De leukste uitspraak is van de latere PvdA minister Ko Suurhoff die in zijn jongere jaren voor het NVV (de socialistische vakbond) het jeugdwerk voor zijn rekening nam De ouderen moesten bij hun opvoeding geheel afzien van hun eigen voorkeur. Het was helemaal niet socialistischer om op een mandoline dan op een mondharmonica te spelen ‘het is alleen maar welluidender’. Inmiddels is dat oordeel ook al weer gewijzigd bij de hedendaagse musicerenden die het vooral bij flink versterkte gitaren en trommels houden. Misschien dat op Urk nog mandoline wordt gespeeld?

Harmsen kreeg veel aandacht voor zijn proefschrift zoals hij voor zijn vele latere boeken en studies de recensenten wist te interesseren. Hij promoveerde bij Jacques Presser en werd hoogleraar in Groningen. Door de jonge communisten (studerend of niet) werd hij voor “NAVO-professor” uitgemaakt. Dat knipte hij allemaal uit De Waarheid en telde het aantal beschuldigingen. Dat kwam dan weer in zijn memoires Herfsttijloos. Toen ik dat boek voor Vrij Nederland besprak, leek het me dat hij mensen en artikelen inventariseerde als de zeldzame mossen die hij in Ierland of Schotland vond.

Ik bezocht hem een enkele maal in zijn Friese boerderij. Te eten kreeg je er niet. Met veel gezucht en pijnlijk vertrokken gezicht kwam er een kop thee. Het leek wel of Ger in de crisisjaren of in die van de zuinige CPN was blijven steken. Veel humor had hij niet. Wel werklust en een niet te stuiten verzamelwoede van boeken, brochures en brieven van oud-strijders.


Harmsen, G.J. (1961). Blauwe en rode jeugd. Een bijdrage tot de geschiedenis van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Assen: Van Gorcum & Comp./H.J. Prakke. Softcover, binnenwerk prima, omslag matig (maar herstelbaar). Disseratie. Met penaantekeningen Igor Cornelissen. Paperback, XIV, 496 pp., 1e druk. Met bibliografie en noten. € 17,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 20th, 2021 by Jaap de Jong

Étienne Gilson, specialist middeleeuwse filosofie & kenner van Descartes

Étienne Henri Gilson (1884–1978) is geen onbekende onder de filosofen. Gilson studeerde o.m. bij Lucien Lévy-Bruhl, Henri Bergson en Emile Durkheim en promoveerde in 1913 op Descartes. Hij staat onder specialisten ook bekend om zijn grondige kennis van de thomistische traditie. Op aanraden van zijn leermeester Lévy-Bruhl verdiepte hij zich na zijn promotie op de doorwerking van de middeleeuwse filosofie op het denken van Descartes. Er kwam evenwel een oorlog tussen.

Gilson diende als tweede luitenant en onderscheidde zich door dapper gedrag. Tijdens en na de oorlog ontwikkelde hij zich tot specialist op het terrein van de Middeleeuwse filosofie. Hij gaf colleges in Lille, Straatsburg, Parijs en de Sorbonne en richtte in 1929 in Toronto een onderzoeksinsitituut op dat nog steeds bekend staat als het Pontifical Institute of Mediaeval Studies. In 1946 werd Gilson verkozen als lid van de Académie Française en later genomineerd voor de Nobelprijs in de literatuur.

Gilson schreef ook een studie over de geschiedenis van Héloïse en Abélard, de lovestory waarmee de enthousiaste docent Leen Dorsman  zijn toehoorders (eind jaren tachtig) verleidde om zich massaal als student geschiedenis in te schrijven aan de Utrechtse Universiteit. Ik was onder hen en kreeg nooit spijt van mijn keuze. Als het even minder gaat en Prediker geen soelaas biedt lees ik Het verhaal van mijn rampspoed van Petrus Abélard en weet ik dat het niets is waarover ik mij zorgen maak. Dat boek en de brieven van Abelard aan en van Héloïse houd ik dus nog even ;-). Ik vermoed dat Gilson in zijn studie Héloïse et Abélard (Paris, 1938) een filosofisch licht op Petrus Abélard laat schijnen (universaliënstrijd). Het gefrutsel met Héloïse zal bij hem hooguit een klein terzijde zijn of als lichte verpozing op een gouden schaal worden aangeboden. Of vergis ik mij?

Het Pontifical Institute in Toronto gaf in 1982 in elk geval een bibliografie uit over het werk van Gilson. Dat overzicht van teksten van en over Gilson werd samengesteld door Margaret McGrath en was natuurlijk erg belangrijk voor de biografie die Laurence K. Shook twee jaar later schreef.

Wij zijn door toeval dat ons toeviel in staat om de bibliografie, de (zeldzame) biografie en een selectie van het werk van Etienne Gilson te leveren. Niet meer leverbaar.


McGrath, Margaret (1982). Etienne Gilson. A Bibliography - Une Bibliographie. Toronto, Pontifical Institute of Mediaeval Studies. Paperback, 124 pp. Goed. 

Shook, Laurence K. (1984). Etienne Gilson. Toronto, Pontifical Institute of Mediaeval Studies, 1984. I.g.st., binnenwerk uitstekend. Vochtvlekken op voor- en achterplat (foto). Zeer zeldzaam. Gebonden in linnen, 412 pp., met illustraties, met bibliografie en noten.  

Gilson, Etienne (1950). Le Philosophe et La Theologie. Paris: Arthème Fayard.  I.g.st., licht verkleurd. Paperback, 259 pp.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 20th, 2021 by Igor Cornelissen

Klinkenberg en de Prins

Ere wie ere toekomt is een stelregel waarmee met name de Nederlandse journalistiek het vaak erg moeilijk mee heeft. Maar het was de communistische journalist Wim Klinkenberg (1923-1995) die als eerste de levensloop van prins Bernhard onder de loep legde. En met die loep keek hij scherp.

Van de verhalen van eerdere biografen, de gereformeerde Jan Waterink (1890-1966) (hoogleraar pedagogiek aan de VU) en de Amerikaanse (ingehuurde?) journalist Alden R. Hatch (1898-1975), bleef weinig over. Waterink zag steeds Gods hand en zegen in de weer bij Bernhards loopbaan en zijn zogenaamd toevallige sprookjeshuwelijk vol wederzijdse liefde met prinses Juliana. En ook Hatch had zaken weggelaten of goedgepraat.

Klinkenberg was de eerste die het nationaal-socialistische milieu waarin Bernhard groot werd – en begon te bloeien – ontrafelde. Klinkenbergs boek werd bij verschijning nauwelijks serieus genomen. Dat kwam ook wel doordat Klinkenberg, als hij iets niet direct bewijzen kon, vaak met formulering kwam als “…het zou wel vreemd zijn als niet…” En zijn veelvuldig gebruik van het woordje ‘waarschijnlijk’.

Wim Klinkenberg zag Bernhard niet als een pion maar als een Hoofdspeler in het machtsspel van grote concerns dat het kapitalisme wilde laten blijven zegevieren. Een Amerikaanse zetbaas van het hoogste niveau en buitengewoon gevaarlijk. Anderen zagen en zien hem als een handige speler die alleen uit was op zijn eigen bed genoegens en dus bijkomend geld dat nodig is ‘reis en verblijf’.

Klinkenberg was niet alleen communist, hij was ook een stalinist in die zin dat hij de nederlaag van Hitler grotendeels aan de geniale militaire leiding van de bloeddorstige dictator toeschreef. Misstappen en wandaden van Stalin waren hooguit kleine fouten die aan zijn grootheid niet afdeden. Van dissidenten moest hij niets hebben. Tenminste niet als ze Russisch waren. Dat ze het land werden uitgezet of achter de tralies kwamen, deerde hem niet. Door deze vreemde vasthoudendheid maakte Klinkenberg het zichzelf moeilijk.

Ik heb Klinkenberg redelijk goed gekend en in zijn boek (althans in een herziene herdruk) citeert hij enkele malen met instemming mijn artikelen uit Vrij Nederland. In zijn verering van Stalin en zijn overtuiging dat de Sovjet Unie de ware vredesmacht was, kon ik niet meegaan. Daarom bleef er een afstand tussen ons bestaan. Maar toen ik het een paar jaar geleden noodzakelijk vond om op te komen voor een gedeeltelijk eerherstel van deze nijvere journalist als eerste Bernhard vorser die archieven doorploegde toen vrijwel iedereen de prins een toffe vent vond, nam het NRC Handelsblad mijn ingezonden brief niet op.


Klinkenberg, W. (1979). Prins Bernhard. Een politieke biografie. Amsterdam: Onze Tijd. Redelijk, met gebruikssporen (potloodaantekeningen van Igor Cornelissen). Paperback, 555 pp., 1e druk. Met illustraties (fotokatern), bibliografie en noten. € 16,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, bijv. biografieën.
januari 18th, 2021 by Igor Cornelissen

Nobelprijswinnaar Rudyard Kipling, dichter en verteller van verhalen

Vandaag, 18 januari 2021, is het precies 85 jaar geleden dat Rudyard Kipling (1865-1936) overleed. Hij ontving in 1907 de Nobelprijs voor de literatuur. Hij was de eerste Brit die deze onderscheiding ontving.  De Nobelprijs zegt niet alles en zorgt zeker niet voor eeuwige roem, want veel van de winnaars zijn vandaag totaal vergeten. Toch schreef hij het prachtige – maar nu vergeten (?) gedicht If dat je alles vertelt over leiderschap. De Engelsen verkozen het in 1995 tot hun favoriete gedicht. Het bevat het advies van een vader aan zijn dochter of zoon. Er staan ware dingen in, zegt de kompaan. Het verhaal The Man who would be King (1975) van Kipling is verfilmd, met Michael Caine en Sean Connery. Kipling kon wel wat.

Rudyard Kipling werd in Bombay geboren, stad in het grote rijk dat vanuit Londen werd bestuurd, zoals een groot deel van de wereld. Kipling was een bewonderaar en verdediger van dat grote rijk. Hij ging er van uit dat East is East and West is West (de zin is van hem) zo hoorde en ook dat dat White Man’s Burden iets van God gegeven was. Een ouderwetse man die koloniale verhoudingen verheerlijkte. Wij gingen in de landen beschaving brengen.

Kipling werd bij zijn leven al bestreden door progressieve schrijvers en politici. Orwell noemde hem een ‘bijna fascist”.  Baden Powell, de stichter van de Boy Scouts, werd beïnvloed door zijn boeken en Mowgli speelde een grote rol in de opbouw van de padvinders. Dat alles wist ik niet toen ik in Zwolle kort na de oorlog welp werd en daarna verkenner. Wie Rudyard Kipling was, kwam ik pas veel later te weten en van Baden Powell wist ik alleen dat hij op hoge leeftijd nog in korte broek liep en een verkennershoed droeg. Dat hij in Zuid Afrika tegen de Boeren had gevochten, hoorde ik later en nog weer veel later las ik ergens dat zelfs Kipling realist kon zijn. Hij begreep uiteindelijk dat het koloniale Britse Rijk er niet voor eeuwig kon zijn. Ondanks alles.

De ooit gepensioneerde dienaren, militair of burger, die in een kolonie hadden gediend kwam ik bij mijn eerste reis naar Engeland nog wel tegen, net zoals soldaten die bij ‘Arnheim’ hadden gevochten. Die zijn nu allemaal dood. De Britten vechten nu onder elkaar over Brussel en de Brexit. Tamelijk onoverzichtelijk.

In de tijd van Kipling ging het over duidelijker zaken: hoe houden we stand in Afghanistan en India. Maar je maakt nog altijd een goede beurt in Engeland als je tenminste weet wie Rudyard Kipling was. Maar niet bij iedereen.

In zijn verhalenbundel Soldiers Tree gebruikte Kipling (al dan niet in samenspraak met zijn uitgever Macmillan (London, 1899) een swastika ofwel het hakenkruis als frontispies. Hetzelfde teken staat op het voorplat van dit boek, maar dan eenachtste naar links gedraaid, zoals dat bij de latere (neo-)nazi’s gebruikelijk was. Het swastikateken had voordien de betekenis van vrede, voorspoed, geluk of zelfs heiligheid. 

Die draai naar links (met eenachtste) is ongebruikelijk bij het hindoeïsme en boeddhisme, waar de swastika eveneens te vinden is. De swastika wordt ook aangetroffen op de vloeren van enkele oude synagogen zoals die in Ein Gedi op de linkeroever van de Dode Zee. Die kun je nu met voeten treden.


Kipling, Rudyard (1899). Soldiers Three. The Story of the Gadsbys in Black & White. London: Macmillan & Co. I.z.g.st., hoekjes voor- en achtplat ietwat gebogen (normale tijdschade). Gebonden in rood linnen met afbeelding van de swastika (in goud) op voorplat (in 3D) en frontispies, gouden belettering van de rugtitel. € 19,95 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 18th, 2021 by Igor Cornelissen

Over de broodschrijver Walter Scott en ‘a vulgar cockney poetaster”

Walter Scott (1771-1832) was een beroemde Schotse schrijver die verhalen en sagen uit zijn geboorteland uitwerkte tot romans. Hij is wat wijdlopig in zijn boeken waarvan Waverley de bekendste werd. Scott had eerder naam gemaakt als dichter.

Waverly was zijn eersteling in het genre van de historische roman. Ook The Bride of Lammermoor droeg bij aan zijn grote populariteit. Hij beïnvloedde een reeks van grote schrijvers onder wie Victor Hugo en Aleksandr Poesjkin. Er is Scott wel verweten dat hij veel zijpaden bewandelde en te uitvoerig was. Een broodschrijver noemde iemand hem smalend.

Misschien moest hij wel – schrijven voor zijn brood – want hij kwam op latere leeftijd in de schulden te zitten. Ik meen dat het Renate Rubinstein was die het voor dat soort schrijvers opnam. Wat is er overigens tegen om voor je brood te schrijven? Men spreekt toch ook niet van broodloodgieter of broodelektricien?

Scott’s Invanhoe is, in Amerika en Engeland, verfilmd. Niet één keer, maar tot vier keer toe. De Britse televisieserie Ivanhoe is ook op de Nederlandse buis vertoond. Het schijnt dat men dan de stem van Willy Alberti kan horen. Ivanhoe is de dappere Saks die het opneemt tegen onbetrouwbare Normandiërs.

Los van dit alles, maar toch nauw verbonden met het voorgaande: wij bieden hierbij de bekende, maar zeldzame biografie van Walter Scott aan. Geschreven en uitgegeven door zijn schoonzoon John Gibson Lockhart. Lockhart werd erom geroemd en geprezen. L. staat er overigens ook om bekend dat hij de dichter John Keats toevoegde dat hij “a vulgar cockney poetaster” zou zijn, een ‘wappie’ dus in het land der dichters. Dit alles terzijde uiteraard.


Scott, Walter (1837-1838). Memoirs of the Life of Sir Walter Scott [in three volumes, later completed by the (scarce) fourth vol.]. By J.G. Lockhart, his son-in-law and literary executor. Paris: Galignani and Co. Good copy, bound in contemporary 1/2 black leather over marbled boards. Gilt-blocked leather labels to spines with gilt-crossed bands. Bands and the edges slighly rubbed by time (specially 3th vol., see photo). Ex Libris 'GvR - Deo Non Fortuna'. € 210,00 (incl. costs for shipping and package within Europe). Interested, contact us.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 17th, 2021 by Igor Cornelissen

Samuel Sarphati, minnaar van mensen

In Amsterdam vernoemde men een straat en een park naar Samuel Sarphati (1813-1866), maar toen Bottenheim zijn boekje in het voorjaar van 1945 schreef was er al een ‘jongere generatie’ die de man met die Portugees joodse naam niet kon plaatsen. Afgezien dan dat het toen de tijd niet was zich met dit soort zaken bezig te houden.

Samuel Sarphati, zoon van een tabakshandelaar, ging na zijn medicijnenstudie als huisarts werken in Amsterdam. Hij werd geconfronteerd met de armen, paupers vaak. Acht procent van de inwoners huisde in kelders. De stad stonk. Sarphati greep in. Het schijnt dat het woord ‘onmogelijk’ niet in zijn woordenboek voorkwam. Hij nam het initiatief voor een abattoir en stichtte een broodfabriek. Het eindproduct kostte bij hem beduidend minder dan dat van de andere fabrikanten. Hij produceerde gezond brood.

Dat van dat brood, zal men nu ook vergeten zijn, maar wat nog recht overeind staat is het glorieuze Amstel Hotel dat zijn initiatief was. Er logeerden koningen en oliesjeiks. Ik heb er eens thee gedronken, maar schrok zo van de prijzen dat ik er geen gebraden patrijzen heb durven bestellen. Je kunt niet alles hebben.

Verdwenen is het eens glorieuze Paleis voor Volksvlijt van glas en ijzer waarvan nog wel foto’s en ansichtkaarten bestaan. Het Paleis was naar Engels voorbeeld gebouwd en bestemd voor tentoonstellingen. Het ging in 1929 in vlammen op. Er voor in de plaats kwam na de oorlog het afzichtelijke gebouw van De Nederlandsche Bank waar ik, ook dat moet gezegd, een document vond dat voor een onthulling zorgde in een boek dat ik aan het schrijven was. Sarphati had daar niets mee te maken.

Bottenheim noemde Sarphati ‘een zielvol denker, een zoon der studie, een gelovige op het gebied van menschenmin en van vooruitgang.’

Gezwollen taal zeggen we nu, maar in de kern juist.

In 1942 verdween, op last van de Duitse bezetter, zijn (joodse) naam uit het straatbeeld. Nu kan men weer door de Sarphatistraat wandelen en, mits voorzien van ruime beurs, uitgebreid gaan dineren in het Amstel Hotel.


Bottenheim, S. (1945). Dr. Samuel Sarphati en zijne betekenis voor Amsterdam. Amsterdam: "Joost van den Vondel". I.g.st., lichte verkleuring, met papieren omslag. 29 pp., 1e druk. Met illustraties. € 17,00. Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 16th, 2021 by Igor Cornelissen

Herman Heijermans Jr., schrijver over het kleine (on)geluk

De toneelschrijver en journalist Herman Heijermans Jr. (Rotterdam, 1864 – Zandvoort, 1924) had al heel wat geschreven voordat hij in 1908 naar Berlijn vertrok. Meestal had hij succes, maar een enkele maal werd een stuk van hem uitgefloten. Zou zoiets nu nog bestaan bij een premiére?  Veel van Heijermans stukken waren al in Berlijn opgevoerd. Hij kreeg er geen cent voor, want Duitsland was niet aangesloten bij de Berner Conventie. Dat werd na zijn Berlijner burgerschap beter, maar de geldelijke zorgen bleven want Heijermans leefde soms luxueus.

In ieder geval waren zijn contacten in de Duitse hoofdstad zo goed dat hij hetzelfde jaar al toegang kreeg tot het Berliner Tageblatt. Die krant drukte dat zijn impressies af, waarna een Nederlandse vertaling verscheen.

Veel Nederlanders kennen de geschiedenis van Berlijn een beetje. Vooral die van de stad tijdens de Weimarrepubliek toen de stad de toon aangaf wat betreft kunst, mode en uitgaan. En daarna kennen de meesten de stad in ruïnes, tenminste van de foto’s, inclusief de ondergang van het Derde Rijk met de lichamen van Hitler en zijn geliefde Eva Braun.

Maar hoe zag het Berlijn er van vóór de Eerste Wereldoorlog uit. Heijermans laat het ons zien. Hij bezocht een daklozencentrum, ging – hij bleef vaak de reizende reporter- in de hele vroege morgen met een bloemenverkoper mee. Bloemen waren altijd gewild. Op bruiloften en begrafenissen. Bij feesten en ‘s avonds laat als een verlept hoertje nog wat kleur tevoorschijn wilde toveren en een late boemelaar een roos in zijn knoopsgat stak. Van de luxe is niets te merken als Heijermans met vrouw en kind een kamer huurt bij een hospita en een schril beeld schetst van de inhalige verhuurster die vriendelijk lijkt, maar al snel een vlek op haar nieuwe tafelkleed ontdekt en schrikbarende prijzen berekent voor armoedige avondmaaltijden. Het aantal suikerklontjes bij de thee wordt van drie naar twee teruggeschroefd.

Heijermans wist uitstekend ‘de andere kant’ te portretteren.

Heijermans Jr., Herman (1908). Een wereldstad. Berlijnsche impressies en schetsen. Amsterdam: H.J.W. Becht. I.g.st., vergeeld papier, enige roestvorming. Gebonden, 199 pp., 1e druk. € 38,50 (incl. pak- en verzendkosten binnen Nederland). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, bijvoorbeeld over en van Heijermans Jr.

januari 15th, 2021 by Jaap de Jong

Gullivers reizen

In het schitterend uitgegeven boek van Jonathan Swift (1667-1745) Gulliver’s Travels is voorin het ex libris van Freeman Clarke Samuel Roper (1820-1896) geplakt: “Spes Mea in Deo” ofwel “mijn hoop is op God”. Freeman C.S. Roper was in de 19e eeuw een bekend natuurwetenschapper en botanist. Hij verzamelde niet alleen werken over microscopen, maar was ook geïnteresseerd in de flora van het Eastbourne & Cuckmere district (waar hij ook woonde). Over beide thema’s stelde hij catalogi samen.

In elk geval was Freeman C.S. Roper ook de bezitter van een zeldzaam mooi exemplaar van Gulliver’s Travels van Jonathan Swift. Dit boek kwam later in de collectie van Igor Cornelissen terecht. Het exemplaar bevat 400 houtgravures van Jean Jacques Grandville (pseudoniem van Jean Ignace Isidore Gérard (1803-1847). Grandville was een dolle liefhebber van satirische humor en daarom buitengewoon geschikt als illustrator van Gullivers Travels. Dit boek van Swift is immers in de eerste plaats een satirisch werk; het drijft de spot met de Europese samenleving, de moraal en de wetenschap.

Ik heb het boek (een moderne variant) als jongetje van tien of twaalf in handen gehad, ook rijkelijk geïllustreerd; ik herinner mij tekeningen van Lemuel Gulliver die ergens aanspoelt op een strand van een of ander eiland en daar – in mijn herinnering – belaagd wordt door monsterlijke wezens. Díe tekeningen heb ik in deze versie niet kunnen terugvinden tussen andere fascinerende gravures van Grandville.

Voor mij is nu wel zeker dat dit het eiland Lilliput geweest moet zijn. De wezens daar zijn minuscule mensen met een lengte van ongeveer 15 centimeter. Op het eiland is er strijd gaande over de ware godsdienst en de politiek (de Tories en de Whigs), gesymboliseerd door de strijd om het eitje en de oorlog om de hakken: aan welke kant maakt met zijn eitje open (aan de bolle of de spitse kant) en draagt men lage dan wel hoge hakken)? Uiterst belangrijke vragen, net zoals de antwoorden natuurlijk.

Lemuel Gulliver raakt ook nog betrokken bij een oorlog tussen Lilliput en het eiland Blefuscu en helpt de Lilliputters totdat hij van verraad wordt beschuldigd en men hem het gezicht dreigt te ontnemen. Maar hij ontsnapt. En daar gaat het om: blijven ontsnappen totdat eens de dood er op volgt. Edoch, Spes Mea in Deo.

En zo zijn er nog drie delen. Wat een genot!


Swift, J. (1840). Travels into Several Remote Nations of the World [by Lemuel Gulliver, first a Surgeon an then a Captain of Several Ships in four parts. Illustrated with upward of four hundred wood-engravings from designis of Grandville. With Copious Notes, A Life of the Author, and An Essay on Satirical Fiction by W.C. Taylor]. London: Hayward and Moore. I.z.g.st., gebonden in kalfslederen band, titel in goudopdruk, geringe roestvorming, prachtige schutbladeren, 508 pp. Zeldzaam. Uit de collectie van Igor Cornelissen. € 225,00 (incl. pak- en verzendkosten, ook binnen Europa). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 15th, 2021 by Igor Cornelissen

Het congres van Wenen en de genoegens van Vita en Harold

Het congres van Wenen vond plaats in 1815, maar Harold Nicolson (1886-1968) pakt het breed aan, zoals hij alles breed aanpakte. Deze diplomaat, schrijver en politicus, werd in 1886 in Teheran geboren waar zijn vader gezant was.

Nicolson vond, toen hij in later jaren terugkeek, zijn leven nogal mislukt. Vreemd want hij schreef 125 boeken was lid van het parlement en werd onderminister. Zijn belangstelling was heel breed. Hij schreef o.a. over Verlaine, en Swinburne en kreeg, hoewel hij kort lid was geweest van een fascistische partij, toegang tot de koninklijke archieven om een biografie over George V te schrijven. Vanaf 1930 woonde hij op kasteel Sissinghurst dat hij met zijn vrouw, de dichteres Vita Sackville-West in oude glorie herstelde. Zijn vrouw maakte van de uitgebreide tuinen een lusthof die nu jaarlijks door tienduizenden toeristen worden bezocht, maar Harold knipte zelf ook wel met zijn rozenschaar. Ik was een van die bezoekers en dacht meer aan de schitterende rozen en altijd groen bemoste muren dan aan het Congres van Wenen.

Het congres van Wenen gaf Nicolson de gelegenheid om de herordening van Europa na de val van Napoleon te voorzien van ruim bemeten steigers. De Heilige Alliantie, een  vaag bondgenootschap tussen het Rusland van tsaar Alexander, Pruisen en Oostenrijk moest een tegenwicht vormen tegen de ideeën van de Franse Revolutie. Vaag was het omdat het stoelde op christendom en begrippen als barmhartigheid en naastenliefde. De tsaar zou bij dat plan beïnvloed zijn door de Baltische mystica barones Barbara Juliana von Krüdener, een naam waarvan je denkt dat hij door een tweederangs romancier is verzonnen. Nicolson vond bronnen waaruit kan blijken dat zij dankzij (of ondanks?) haar mystiek het bed deelde met de tsaar. Een avontuurtje dat niet heel lang duurde, maar genoeg was voor de Heilige Alliantie.

Ondanks mijn aanzwellende hang naar het vegetarisme genoot ik ook van Nicolsons beschrijving van de mondaine genoegens tijdens die maanden durende onderhandelingen. Recepties, bals, banketten, tombola’s, spiegelgevechten… Er leek geen einde aan te komen. Tijdens de jachtpartijen werd, volgens een ooggetuige, een onnoemelijk aantal everzwijnen, herten, hazen en ander wild onder luide bijval der toeschouwers omver geschoten. En dan waren er nog de kleinere avondjes in de huizen van de Weense upper ten.

Nicolson schreef in ieder geval niet saai.

En wat zijn sombere terugblik op zijn eigen leven betreft, misschien dat de verklaring gezocht moet worden in zijn huwelijk. Zijn vrouw was lesbisch (Virginia Woolf was een van haar vriendinnen) en hij homo, beiden ook biseksueel,  en hun verhoudingen dienovereenkomstig. Maar dat moet toch op dat schitterende Sissinghurst een welkome afleiding zijn geweest voor het graven, spitten, zaaien, planten, dichten en boeken schrijven?


Nicolson, Harold (1948. Het congres van Wenen. De samenwerking der geallieerden in de jaren 1812-1822. Amsterdam: Querido Uit het Engels vertaald door E. Lopes Cardozo. I.z.g.st, gebonden in blauw linnen met gouden belettering. Met mooie stofomslag, 344 pp., illustraties en bibliografie, vertaling Lopes Cardoza. Met frontispiece (schilderij naar een tekening van Isabey). Ex Libris van A.J. Blydestein. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 21,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 14th, 2021 by Igor Cornelissen

De Russische reisschetsen van Philip Mechanicus

Bij zijn eerste reis in 1930, georganiseerd door de Nederlandse vertegenwoordiger van het Russische reisbureau Apie Prins, werd Philip Mechanicus vergezeld door architect H.P. Berlage en de kunstenaar Henri Pieck die op dat moment voor de Russische geheime dienst werkte. Pieck schreef een dik boek over de reis die alleen maar lof bevatte. Mechanicus daarentegen was kritisch en noemde de geheime dienst die iedere Rus in de gaten hield en hij wist ook al dat in de Ljoebjanka gevangenis de opgeslotenen onder erbarmelijke omstandigheden moesten leven.

Mechanicus was vooral nieuwsgierig, zoals het een journalist betaamt. Toen hij als jood in Westerbork zat (in afwachting van zijn transport naar en dood in Auschwitz) schreef hij In Depot dat lang na zijn dood werd uitgegeven. Een buitengewoon belangrijk boek.

Philip Mechanicus schreef over de seksuele wetten in Rusland (op de praktijk kon hij natuurlijk geen zicht hebben), de film en de economische toestand. Het jaar 1931 was volgens hem een  kritiek jaar. De hongersnoden in de Oekraïne moesten nog komen. Het grote enthousiasme die merkbaar was bij het begin van het vijfjarenplan was nog niet gedoofd, maar wel aanmerkelijk teruggelopen.

Het is jammer dat we niet meer te weten kunnen komen wie Mechanicus’  bronnen waren. Met wie sprak hij? Kende hij voldoende Russisch of moest hij het doen met (voorgeprogrammeerde? ) tolken?

In deze tijd, waarin Nederland over slavisten en kremlinologen beschikt, is het interessant te lezen hoe Mechanicus zich een weg baant door dat enorme en zelfs deels ondoordringbare land. Dat laatste is nog altijd zo, al weten we nu veel meer dan het Handelsblad toen kon weten. Wat Mechanicus zag, noteerde hij: de onafzienbare stoet van haveloze, dakloze wezen, bedelend langs de straten.

Als terzijde blijve niet onvermeld dat de toenmalige liberale hoofdredacteur van het Handelsblad, Von Balluseck, fel anti-nazi, afstamt van een Russische familie. Hij werd tijdens de bezetting door de Duitsers gearresteerd, kwam later en werd en na 1945 diplomaat.


Mechanicus, Philip (z.j.[ca. 1933]). Russische reisschetsen. [Verzamelde reisbrieven, overgenomen uit het Algemeen Handelblad van 1930, 1931 en 1932, met een voorwoord van D.J. von Balluseck.]. Uitgave van het Algemeen Handelsblad. Redelijk; omslag 'hersteld' (zie foto). Binnenwerk goed. 111 pp., met illustraties. Met ex libris van J. Kortenhorst. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 15,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 13th, 2021 by Igor Cornelissen

Achter het mombakkes: Over Shakespeare

De in Middelburg geboren P.H. van Moerkerken Jr. (1877-1951) studeerde in Utrecht Nederlandse letteren. Hij promoveerde in 1904 op De satire in de Nederlandse Kunst in de Middeleeuwen. Tijdens zijn leraarschap werd hij aan de Academie voor Beeldende Kunst benoemd tot docent in de iconografie. Hij is ook bekend geworden als boekbandontwerper en illustrator. En hij schreef onder het pseudoniem Peter Dumaar.

Toen de criticus Kees Kelk hem in 1951 in De Groene Amsterdammer herdacht, noemde hij Van Moerkerken een miskend talent. Achter het mombakkes leek daar enige verandering in te brengen. Deze studie over Shakespeare verscheen kort voor de dood van Van Moerkerken. In het goed geïllustreerde boek wordt – en niet voor het eerst – de vraag opgeworpen of Shakespeare werkelijk de auteur is van de aan hem toegeschreven toneelstukken en sonnetten.

Was niet veeleer graaf Edward De Vere de schrijver? Shakespeare was al eerder getypeerd als een charlatan, een analfabete derderangs toneelspeler die onmogelijk op de hoogte kon zijn van het wel en wee der vorstenhuizen. De Vere was dat in ieder geval wel. Die verkeerde aan het Britse hof en kwam zelfs in de Tower terecht. Hij zou gesympathiseerd hebben met het roomse geloof. En dat was niet het enige. Dat verblijf in de Tower was niet voor goed, want De Vere vocht daarna nog enkele jaren met de Hollanders mee tegen de Spanjaard.

Het is alsof ik zelf al iets van argwaan had. Toen ik Stratford-upon-Avon bezocht bezocht ik het geboortehuisje van Shakespeare niet, hoewel het bij de rondreis was inbegrepen. Was dat niet allemaal namaak? Maar misschien had ik geen zin me mee te laten voeren in de lange rijen der toeristen. Ik verzeilde in een antiekwinkeltje en kocht daar voor mijn verzameling een mooi antiek antiekpotje. Dat was tenminste iets voor echte schrijvers.

Ooit bezocht ik de schrijver C.J. (Kees) Kelk die Van Moerkerken “een miskend genie” had genoemd. Het was kort voor zijn dood voor een interview in Vrij Nederland. Dat was overigens niet makkelijk. Kees ontving me met grote vreugde. Helaas was hij geteisterd door een herseninfarct, waardoor hij met moeite slechts enkele woorden kon uitbrengen. Was het waar dat hij altijd zo mild over boeken had geschreven? Ja. Omdat-ik-weet-dat-het-zo-moeilijk-is-een g-g-goed-boek- te -schrijven.

En die boeken die hij over wijnen had geschreven. Nee dat was niet moeilijk geweest. Waar was daar de kern van geweest. Kees lachte. Bij wijn ging het om de k-k-kwali-teit. Van Moerkerken kwam lang na zijn dood nog in het nieuws, maar dat kwam door zijn zoon, de bekende fotograaf Emiel van Moerkerken die het archief van zijn vader bij het letterkundig Museum opeiste. Dat wilde het Museum niet omdat de nalatenschap aan het Museum was geschonken. Hoe dat conflict is afgelopen, weet ik niet. Bovendien is dat veel minder interessant dan het achterhalen van de schrijver van Hamlet en al die andere meesterwerken. Die discussie woedt nog steeds voort.


Moerkerken, P.H. van (1950). Achter het mombakkes. Amsterdam: G.A. van Oorschot. Geïllustreerd, frontispiece met afbeelding van Edward de Vere. Met verantwoording afbeeldingen, noten, 154 pp. Beschadigd stofomslag. Bijgevoegde krantenknipsels geven enig inzicht in de figuur van prof. P. H. van Moerkerken en Kees Kelk. € 16,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 11th, 2021 by Igor Cornelissen

A.B. Kleerekoper, de kronkel bij het Volk

Vroeger – nog niet eens zo lang geleden – was alles anders en wist men in de Rode Familie wie A.B.K. was. Toen wel. Sommigen noemen hem de eerste columnist, schrijver van het ‘hoekjesstuk’. Dat zijn dan vaak de lezers van Het Parool. Zij begonnen hun dag met de kronkel van Simon Carmiggelt; de dagelijkse kronkel.

De columnist Kleerekoper, zionist én socialist, was politieker en had een, om het zo te noemen, fijne neus voor het antisemitisme. Geen wonder dat zijn stukjes uit de jaren dertig daar vaak over gaan.

Kleerekoper was geen makkelijk mens in de omgang. Hij was nogal bewust van zijn eigen voortreffelijkheid. Aan zijn toewijding voor de socialistische zaak bestaat geen enkele twijfel. Tal van fondsen werden door hem opgericht. Voor bedelen schaamde hij zich niet. Mits voor de goede zaak. Hij was de zoon van de rabbijn in Tiel. Aan bijbelkennis ontbrak het hem niet en dat maakte dat hij in zekere kringen werd gevreesd.

In 1929 werd A.B.K. getroffen door een ellendige ziekte. Toen hij een paar jaar later het ziekenhuis mocht verlaten had hij twee verlamde benen. Hij bleef voor Het Volk schrijven. Bij redactievergaderingen, die bij hem thuis plaatsvonden, leefde hij op. Hij moest mensen zien en horen. Voor zijn ziekte reisde hij met de trein het hele land af voor spreekbeurten. Hij nam dan de derde klas want dan hoorde je wat er onder het volk leefde. In mijn tijd bij Vrij Nederland konden redacteuren al een leaseauto krijgen. Dit alles terzijde, net als de constatering dat er tegenwoordig honderden ‘columnisten’ zijn die allemaal (n)iets te melden hebben.

De zwaar zieke Kleerekoper kreeg tijdens de oorlog een kleine voorkeursbehandeling. Hij werd niet gedeporteerd, maar mocht zijn laatste weken doorbrengen in een joods ziekenhuis. Daar bezocht partijgenoot Willem Drees hem nog met als geschenk drie gebakken scholletjes. Die heeft hij niet meer kunnen opeten. Hij werd op Muiderberg begraven. Zijn zionistische vrienden, die enkelen die nog niet waren opgepakt, mochten hem niet op zijn laatste tocht begeleiden.


Kleerekoper, A. (1933). Oproerige krabbels [verzameld en ingeleid door Joh. Winkler]. Amsterdam: Querido. I.z.g.st., zwartlinnen band met rode belettering. Bandontwerp van Fré Cohen. Gebonden in linnen, 181 pp., 1e druk. Uit de collectie Igor Cornelissen. Foto auteur als frontispiece, 2e bundel (vijftien jaar na de 1e). Incl. 2 originele krantenknipsels met columns van ABK (uit jaren dertig). Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 6th, 2021 by Igor Cornelissen

Bunyan in the Short History of the English People van Green

Een korte geschiedenis over het Engelse volk, maar wel in vier dikke delen en met schitterende illustraties. Niet alleen hoe de slaapkamer van een Engelse lady eruit zag en hoe koningin Elisabeth zich al biddend tot het Opperwezen wendde, maar ook hoe in de veertiende eeuw kippen werden gevoerd en een paard werd beslagen. De vier delen vullen in totaal 1906 pagina’s. Men is bijna geneigd dat ‘short’ te zien als ironie, waar de Engelsen sterk in zijn. De historicus John Richard Green (1837-1883) had een zwakke gezondheid (longen) en had haast met het afmaken van zijn  meesterwerk. Zijn Short History verscheen in de jaren 1878-1880 voor het eerst (maar zonder illustraties).

In deze editie, uitgegeven na de dood van Green, zijn talloze illustraties opgenomen en die maken deze uitgave bijzonder. Tot op de dag van vandaag verschijnen er herdrukken van deze uitgave uit 1892-1894.

John Richard Green (1837-1883) die eerder geestelijke was, maar later in Oxford geschiedenis studeerde wilde geen boek schrijven over veldslagen, dus niet over hoe de ene helft van de mannen een ander deel afslachtte, maar over de gewone mens in het veld. Toch veel afbeeldingen van kastelen, fraaie landhuizen. graven, koningin Elisabeth in gebed maar ook ‘onze admiraals De Ruyter en Tromp, een Iers melkmeisje, een schoenmaker en zijn (spaarzame) gereedschap en een keukenmeid. Opvallend voor zijn brede en ongewone belangstelling is bijvoorbeeld ook een afbeelding van het schip Bellerophon waarmee Napoleon naar St. Helena werd vervoerd. Wie heeft er (nu nog) ooit van dat schip gehoord?

Green besteedt de nodige aandacht aan religie en de daarbij behorende twisten. De Puriteinen en de Pilgrim Fathers (waarvan een groep in 1609 naar Leiden vluchtte en daar asiel verkreeg) krijgen veel aandacht. Hij schrijft ook over de predikant John Bunyan die in bevindelijke kringen nog met grote instemming wordt gelezen, meestal in een Nederlandse vertaling. Je gaat meeleven als je, in deel III de prent ziet van het in 1687 gebouwde lokaal in Southwark waar Bunyan en zijn volgelingen bij elkaar kwamen. In de Londense wijk Southwark herinnert in Zoar Street niets meer aan de geestelijke arbeid van Bunyan. Het is nu een saai stukje straat in een vooral door naargeestige banken en hoge kantoorgebouwen overheerste buurt.

Later dan Bunyan spelen de grote koloniale overwinningen die een rol in Greens overzicht krijgen. De tijd dat Groot Brittannië een wereldmacht wordt. In 1759 noteert de schrijver Horace Walpole: ‘We are forced to ask every morning which victory there is for fear of missing one.’ Conservatieve politici als Boris Johnson zullen met gevoelens van heimwee aan die tijd terugdenken.


Green, J.R. (1892-1894). A Short History of the English People. Illustrated edition by Mrs. J.R. Green and Mrs. Kate Norgate. London/New York: MacMilland and Co. Preface and introduction by Alice Stoppord Green (background of the illustrated edition), Preface of the First Edition by J.R. Green. Contents and notes on the illustrations [All Volumes], 1906 pp. Ex libris Robert Russell Needham Baron. Good, light foxing. In blue cloth bindings with gilt lettering to the spines and gilt embellishment to the front boards. There are coloured maps to the front of Volume I and IV and a fold-out map to the front of Volume III. With numerous black and white illustrations throughout all volumes.

Very scarce edition (not founded) € 285,00 (incl. shipping within The Netherlands). Interested? Contact us.


Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 6th, 2021 by Igor Cornelissen

De vijf dagen van Churchill

John Lukacs was een in Boedapest geboren historicus (katholieke vader, joodse moeder) die zeer productief was. In 1946 toen hij de communistische heilstaat in zijn land al zag aankomen, vertrok hij naar de Verenigde Staten waar hij colleges ging geven aan het Chessnut Hill College in Philadelphia. Hij steekt in veel van zijn boeken zijn lof over Winston Churchill niet onder stoelen of banken. Hij zag hem als de grootste staatsman van de twintigste eeuw. Hij trok van leer tegen het populisme dat hij, lang voordat men hier wakker werd, als een groot gevaar zag. Vroeger werd men bespeeld door aristocraten, daarna door democraten, maar de uitwerking was niet hetzelfde.

In Vijf dagen in Londen beschrijft Lukacs nauwkeurig wat er in en rondom de regeringsgebouwen in Londen gebeurde, maar ook wat  de man (en zijn vrouw) ‘in the street’ ervan dacht. Tegengestelde meningen. Overal. Er waren ook vrouwen die niks voor de voortgezette oorlog voelden. Als er een vergelijk met Hitler mogelijk was, dan hadden ze tenminste hun man weer thuis. Levend. Op 1O mei was Chamberlain afgedankt en Churchill benoemd tot regeringsleider. Chamberlain was de man die dacht dat hij met Hitler een overeenkomst kon sluiten. Peace in our time. De vlaggen werden uitgehangen. Maar Hitler slokte Tsjechoslowakije op en dat deed het prestige van Chamberlain geen goed. En dat was nog maar het begin. Churchill bestreed Hitler vanaf 1932 in redevoeringen en artikelen. Die werden in heel Europa afgedrukt. Of ze ook gelezen en begrepen werden, is een ander ding.

Lukacs noteert dat allemaal. Heel bijzonder is dat hij vertelt dat Churchill als regeringsleider zijn afgedankte voorganger nodig had. Die is namelijk nog altijd de aanvoerder van de Conservatieven in het Lagerhuis en Churchill wordt door velen van hen, hoewel partijgenoten, toch met wantrouwen bezien, met hoorbaar wantrouwen ook. Churchill krijgt Chamberlain aan zijn kant tijdens de discussies die soms in afgesloten ruimtes worden gevoerd. Churchill toont zich niet haatdragend tegenover zijn voorganger. Integendeel. Chamberlain is daar gevoelig voor en ziet eindelijk in dat er met Hitler niet te onderhandelen valt.

In Nederland is ook vijf dagen gevochten. Hier en daar met heldenmoed. Maar wij hadden nauwelijks wapens. Er was maar één tank. Alleen op de Afsluitdijk stonden moderne bunkers met afweergeschut. Toen de mannen daar hoorden dat Nederland had gecapituleerd moesten ze huilen. Ze hadden op het Kornwerderzand toch de Moffen tegengehouden? Over onze vijf dagen oorlog tegen Duitsland schreef Loe de Jong een heel boek in zijn reeks over het Koninkrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog. Lukacs schreef een spannend boek over vijf dagen.

In Engeland was het met de bewapening maar net iets beter gesteld dan in Nederland. Churchill wist dat, maar van een toegeven aan Hitler wilde hij niet weten. Dat maakt hem tot een groot staatsman. Die paar dagen die beslissend werden voor de toekomst van een bevrijd en democratisch Europa waren beslissend. In ieder geval voor het deel waar wij in leven. Zo lang het duurt.


Lukacs, J. (2005). Vijf dagen in Londen. Mei 1940. Amsterdam: Mets & Schilt. I.z.g.st., als nieuw, gebonden in lichtblauw linnen met stofomslag en leeslint. 1e druk. Vertaling Paul Syrier, met bibliografie en noten. Uit de collectie Cornelissen. € 20,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 4th, 2021 by Igor Cornelissen

Zwolle op de kaart

De herinneringen van Catharina Magdalena van Hille-Gaerthé (1881-1958), dochter van een Zwolse huisarts, beslaan de jaren 1881-1914. Dat zijn de jaren dat niemand het in zijn malle hoofd kreeg om Zwolle ‘op de kaart te zetten’ en het evenmin nodig werd geachten, om de stad te promoten als Hanzestad.

In de Mijmeringen, die voor de Zwolse Courant zijn geschreven en werden gepubliceerd in de jaren 1956-1958, is Zwolle nog een rustige provinciestad met weinig industrie. Een ambtenarenstad heette het in mijn jeugd. Nu is het een stad met studenten, hoewel er nergens een hoogleraar rondloopt. In de tijd van Van Hille was de Diezerstraat een winkelstraat maar van ‘ketens’ had men niet gehoord en zelden stond een pand leeg. Een winkelier begon zijn zaak in de overtuiging dat zijn kinderen het tot grotere bloei zouden brengen. In die Diezerstraat stond nog de Oude Gaper. Daar waren er toen al weinig meer van in Nederland. Soms is het een neger, legt Van Hille uit. Ook dat woord is nu taboe en de Oude Gaper is al jaren verdwenen.

Aandoenlijk is haar beschrijving van de boerinnen in klederdracht die hun groente en bloemen verkochten. Een enkele keer zie ik nog vrouwen uit Staphorst in klederdracht. Ook dat verdwijnt.

Ik zou het boekje van Van Hille vooral rustgevend willen noemen. Zoals het was en nooit meer terug zal komen. Niemand voelde toen de behoefte om zijn deur te vergrendelen. Zelfs het Heilsleger dat ze beschrijft, met de vrouwen die met hun Halleluja hoeden in het begin werden uitgejouwd, zie ik nooit meer. Vroeger nog wel. Ze hadden een pand in de Diezerstraat. Daar zal nu ook wel een keten in zitten als er niet al een bordje met Te Huur op staat.


Hille-Gaerthé, C.M. van (z.j.). Zwolse mijmeringen. Herinneringen aan de jaren 1881-1914. Zwolle: Erven J.J. Tijl. Omslag met vlekken, gebruind papier. 71 pp., met illustraties. Uit de collectie Igor Cornelissen. Met meerdere foto's, € 12,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 3rd, 2021 by Igor Cornelissen

Over Jan Hanlo, een liefdevol surrealist

Ik vind Jan Hanlo een liefdevolle surrealist, al hebben deskundigen hem ongetwijfeld beter, laten we zeggen wetenschappelijker getypeerd. Met liefdevol bedoel ik bijvoorbeeld zijn korte verslagje hoe hij ‘s morgens vroeg om vijf uur, om en om met een merel een lied fluit. Jan is dan één met de natuur.

Hij werd tot de vijftigers gerekend en dat gold zeker voor wat zijn leefwijze en drankzucht betreft, maar hij kon of wilde niet leven zonder zijn katholieke god. Zo was hij opgegroeid. Als hij in Ierland ‘s morgens vroeg naar zijn goedkope hotel loopt na een vermoeiende nacht informeert hij bij een omstander waar een roomse kerk is. Hij moest immers zijn zondagsplicht vervullen. Dat hij zich in de dag vergist, maakt het verhaal nog komischer. En al heb ik dan nooit in een Iers kippenhok de nacht doorgebracht ik herkende de door Hanlo opgeroepen sfeer van dat land. Hetzelfde merkte ik toen ik zijn korte verhalen las over Sevilla. Ook daar was ik eens, vele jaren later, maar het leek of ik dezelfde Spanjaarden en zigeuners had ontmoet.

Als hij in tien regels uitlegt waarom het zo moeilijk blijft non-figuratieve kunst mooi te vinden (‘het stelt immers niets voor’) en opmerkt dat hij aan avondlucht of zonsopgang niets aan vindt, maakt hij voor één gewaarwording een uitzondering. Bij een zonsopgang meende hij één keer ‘ergens in de vorm van zo’n wolk de neus van mijn grootmoeder te onderscheiden en toen vond ik het ineens mooi.’

Ik had het moeten zeggen: Je hebt gelijk Jan, het hoeft allemaal niet zo ernstig, maar nou net die ene keer dat ik Jan Hanlo ontmoette en met hem de stad introk, werd hij in korte tijd zo straalbezopen dat hij mijn woorden niet gehoord zou hebben.


Hanlo, J. (1966). In een gewoon rijtuig. Amsterdam: G.A. van Oorschot. I.g.st., omslag licht beschadigd (bovenzijde rug). Paperback/softcover met flappen, 279 pp., € 15,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 2nd, 2021 by Jaap de Jong

Zwolse egodocumenten in het nieuwste nummer van het ZHT

Zojuist arriveerde het nieuwste nummer van het Zwols Historisch Tijdschrift (37e jrg., nr. 4, 2020). Daarin aandacht voor het afscheid van Annèt Bootsma als hoofdredacteur. Meer dan de helft van het bestaan van het ZHT drukte zij haar stempel op het tijdschrift. Net als twee andere medewerkers (Wim Huijmans en Wim Coster) stopt zij met de redactie van het tijdschrift. Dat is een stevige aderlating voor het tijdschrift dat mede door hun inbreng een professionele uitstraling kreeg.

In dit nummer ook volop aandacht voor het egodocument. Een bron die door Bootsma zeer wordt gewaardeerd. De artikelen over Steven van Egten, maar ook dat van Harry Koopman (over zijn katholieke jeugd in het verzuilde Zwolle) zijn gebaseerd op egodocumenten en herinneringen. Belangrijk voor een levend contact met de wereld van gisteren.

Verleden en toekomst van de Zwolse architectuurgeschiedenis komen naar voren in het gesprek met oud-wethouder Margriet Meindertsma die met verbazing en ongerustheid de tomeloze ambitie op het Zwolse stadhuis gadeslaat: Zwolle moet de vierde topregio in het land worden. Meindertsma formuleert het omzichtig: ‘Deze groeiambitie past niet bij Zwolle. Het is te veel, te hoog, te dicht op elkaar en vooral te duur’. De gaten in het historisch centrum van Zwolle en de vernielzucht van de heren bestuurders uit het recente verleden (jaren zestig) zou toch iets moeten betekenen als het gaat om deze ambities, zou ik daaraan willen toevoegen. Ed Anker van de ChristenUnie, verantwoordelijk wethouder, is misschien nog aanspreekbaar op de torenbouw van Babel die nergens toe leidde dan tot verwarring en verval. Dit natuurlijk terzijde.

Jan van de Wetering schrijft een boeiend artikel over de Zwolse socialist Louis Cohen (1864-1933) die een maand werd opgesloten in ‘Hotel de Houten Lepel’, waarin nu het drie-sterrenrestaurant De Librije is gevestigd. Huidige bezoekers moeten haast wel in huizen met gouden lepels zijn geboren om daar van de tafel te snoepen, maar ook dit terzijde. Het is een mooi verhaal geworden, mede door het gebruik van een bron die zeer concrete informatie verstrekt over het dagelijks leven in de Zwolse gevangenis (Enquête over de behandeling van Politieke misdadigers in Nederlandsche Gevangenissen). Daarnaast besteedt Van de Wetering aandacht aan Domela Nieuwenhuis, Herman Heijermans en drie van de twaalf apostelen uit de socialistische beweging. Kompaan Igor Cornelissen zal er van smullen. Dat is zeker.


Voor het lidmaatschap van de Zwolse Historische Vereniging kunt u zich aanmelden op de website.  U ontvangt dan jaarlijks vier nummers van het tijdschrift.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 2nd, 2021 by Igor Cornelissen

Kuyper en het bukken der Oranjes. Een gedenkboek

Mogen wij de In memoriams in de pers geloven dan zijn ons de laatste jaren vele Grote Staatslieden ontvallen. Na Den Uyl werden Kok, Van Mierlo en Lubbers de hemel in geprezen voor zover zijn daar al niet in vertoefden.  Langer geleden was Willem Drees aan de beurt. Maar een socialist die mede verantwoordelijk was voor twee koloniale oorlogen kan men toch moeilijk een groot staatsman noemen. Twijfel aan zoveel eerbewijs is gerechtvaardigd.

Abraham Kuyper riep tijdens zijn leven veel weerstand op. En niet alleen ter linkerzijde en bij de liberalen. Toch was hij zeker een groot Staatsman. Niet omdat de Geldersche Kerkbode  en het Predikbeurtenblad na zijn dood hem als zodanig beschreven. De hele vaderlandse pers huldigde hem. Zelfs de communist David Wijnkoop noemt hem een groot staatsman “sedert de zatheid der regenten” hier placht te regeren. Hij was de agitator, een volkstribuun  en organisator van een volksklasse die in de verdrukking was geraakt, de ‘kleine luyden’.  Bovendien, benadrukt Wijnkoop, had Kuyper Oranje laten bukken. Natuurlijk, zijn enige ideologie was die van de clericalen. Maar er zouden andere tijden komen met andere leiders.

Ook in de buitenlandse bladen was de lof groot, waarbij in dit rijk geïllustreerde boek de bijdrage uit de Pester Lloyd opvalt. Dat was wel verklaarbaar, want Kuyper had Hongarije bezocht en er veel dingen geprezen. Belangrijk was de verbondenheid met de Hongaarse gereformeerden. In Hongarije was ook bekend dat Kuypers dochters zich meermalen hadden ingespannen voor de opvang in Nederland van de door de oorlog verzwakte Hongaarse kinderen.

De foto’s van familie, medestanders (o.a. opvolger Colijn),  woonhuis, uitvaart en begrafenis zijn curieus. Een illustratie valt extra op: het Koningshuis had zich (waarschijnlijk met tegenzin, maar dat staat er niet bij) laten vertegenwoordigen door hoogwaardigheidsbekleders.

Enige merkwaardige knipsels zaten in het boek waaronder een verslag van de schaker Jan Hein Donner (ARP geslacht) over een jazz lezing die hij in 1944 bijwoonde. Twee dochters van Kuyper hadden verontwaardigd het zaaltje verlaten toen de inleider een lans brak voor jazzmuziek. Negro spirituals, mits zoetsappig,  konden nog door de beugel. Jazz was vele stappen te ver. Jammer dat dit soort schijnbaar onbetekenende details zo vaak buiten de  geschiedschrijving blijven. Dit boek komt overigens uit de nalatenschap van een van de dochters van Abraham Kuyper.


Kuyper, H.H. (samensteller & inleiding). Gedenkboek ter herinnering aan het overlijden van dr. A. Kuyper en de sprake die daarbij uit de pers voortkwam. Amsterdam: W. ten Have. I.z.g.st.. Gebonden met illustratie (in 3D) op voorplat, 320 pp., 1e druk. Met illustraties. Uit de collectie Igor Cornelissen. Voorheen eigendom van Cath. M.E. Kuyper (dochter van Abraham K., naam op voorblad). Met veel fotomateriaal en krantenknipsels. € 22,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 1st, 2021 by Jaap de Jong

The Painted Bird en het licht op Groot Wezenland

Vanmiddag wandelden wij rond de middeleeuwse stad Zwolle. De late middagzon stond op de huizen aan de overkant van de gracht bij Groot Wezenland. Hoe schoon het licht was dat over de bomenrij het spaarzame groen en de stenen muren streelde is onbeschrijflijk.

Er waren weinig wandelaars op de been. Verbeeld ik mij dat de mensen op nieuwjaarsdag meer ingehouden zijn? Leeft op die dag het besef van nog niet gerealiseerde mogelijkheid; van een ongereptheid waarbij alleen sneeuw ontbreekt? Witheid die alles bedekt en daardoor het nog niet ‘verschmutzte’ accentueert? Even verderop stonden vier witte duiven op het dak van een van de panden aan de Diezerkade. Ze keken allen één richting op, alsof daar het heil ophanden was. Plots voegt zich een spreeuw bij hen. Met het verschijnen van de zwarte spreeuw, de dissonant, versprongen mijn gedachten naar de docentenkamer van een MEAO, midden jaren tachtig, waar collega dr. Ernst Verwaal (1934-2018), de blijmoedige godsdienstfilosoof, mij tijdens pauzes inwijdde in de geschriften van Martin Buber, het chassidisme, de literatuur – zoals in de verschrikkingen van de romankunst van Jerzy Kosinski (1933-1991) en wat al niet meer.

Jerzy Kosinski maakte naam met zijn roman De geverfde vogel dat het verhaal vertelt van een Joods jongetje dat tijdens de oorlog op het Poolse platteland bescherming zoekt en rondzwerft in een poging onderdak te krijgen. De titel van de roman verwijst naar een gebruik om een vogel in bonte kleuren te verven en vervolgens los te laten onder zijn soortgenoten. Die herkennen hem niet en verstoten hem uit de groep. Dat gaat niet zonder dood en verderf. De vogel wil met de troep mee – het is immers zijn troep – maar die wil hem niet. Ik herinner mij de afschuw bij het lezen van sommige passages uit het boek, maar tegelijk was er het vreemd genot van de herkenning. Het spel van afstoten en aantrekken: van geschilderd worden als ook van actieve onderdompeling in het ‘schmutzige’ bad dat wedergeboorte en vernieuwing belooft, maar niet zonder de prijs van verkleuring en vervreemding.

Het was maar even dat ik bij Kosinski en Verwaal toefde op de Zwolse Diezerkade. De spreeuw stond na mijn dromerij nog steeds vredig tussen de anderen. Volkomen zichzelf. Opgemaakt, noch geverfd, maar doodgewoon zwart tussen vier witte duiven. Thuisgekomen las ik dat Ernst Verwaal nog niet zo lang geleden overleed, en ook dat Jerzy Kosinski in 1991 een einde aan zijn leven maakte. Zijn roman De geverfde vogel is onlangs verfilmd. Ik weet niet of ik de film ga bekijken. De trailer is hier te zien.

De roman van Kosinski kan ik niet vinden. Als De geverfde vogel terecht is wordt hij niet losgelaten, noch verkocht.

december 31st, 2020 by Igor Cornelissen

Sporen van geestelijk leven: Henrik Ibsen

De stukken van Henrik Ibsen (1828-1906) worden nog altijd gespeeld, ook in Nederland. Dat is al heel bijzonder voor een negentiende eeuwer. Ibsen was dan ook een hele grote Noor. Daar zijn er meer van. Knut Hamsun is een van die anderen en op radio 4 is nog geregeld werk van Edvard Grieg te horen. Wij van ’t Wasdom zijn geen skandinavologen, al zal de kompaan misschien een college kunnen geven over Kierkegaard of De reis van de voorganger van Olev Per Enquist of anders ik wel over een splinter van een links socialistische volkspartij in Noorwegen.

Terug naar Ibsen die, nadat zijn vader failliet ging, in “behoeftige omstandigheden” verkeerde. Hij ging al jong schrijven. Toneel. En dat bleef hij doen. In totaal 24 stukken. Met die stukken geldt hij als de voorbereider van de vrouwenemancipatie. Die eren hem. Althans, dat zouden ze moeten doen. Dat deed mijn moeder in ieder geval wel. Als ik als meisje was geboren, zou ik Nora hebben geheten. Mijn ouders hadden al een zoon en toen ik zeven jaar later in aankomst was, hoopte mijn moeder op een dochter. Een Nora dus. Mijn moeder zag het stuk, geschreven in 1879, maar waar en wanneer? Met Rika Hopper in de hoofdrol? Die naam noemde zij mij. Met regelmaat. De vier delen zijn verluchtigd met tal van foto’s. Ibsen zelf, zijn geboortehuis, zijn vrouw, studeervertrek en van de Nederlanders die in zijn stukken glorieerden. Op één van de afbeeldingen is Rika Hopper als Nora te zien. Rika werd bij haar dood geëerd als de grande dame van het Nederlandse toneel. Haar voorname dictie werd geprezen.

Bij de eerste opvoeringen van Nora waren er in Noorwegen demonstraties: voor en tegen. Want Nora ontpopt zich in het stuk als een zelfstandige vrouw die afscheid én afstand nam van haar overheersende, autoritaire man. Een scheiding. Ze gaf hem haar ring terug en hij moest de zijne afstaan. Ook dat nog? Ja, ook dat nog. En bovendien wilde ze geen geld van hem. Ze wilde zelfstandig zijn en zou wel zien hoe het verder zou lopen. In ieder geval op eigen kracht. Dat was een revolutionaire boodschap. Zeker in die tijd.

Ibsen bracht nog iets tot stand. Door zijn stukken werd de hegemonie van het Franse toneel doorbroken. Vertaalster J. Clant van der Mijl-Piepers vertaalde niet alleen vanuit het Engels, Duits en Frans, maar ook Noors en Deens. Later werd er wel kritiek op haar werk geleverd, omdat ze niet volledig zou zijn doorgedrongen tot Ibsens geest, werk en taalgebruik. Zoiets houd je onder kenners en mensen die het altijd beter weten. Wat ik niet wist, was dat ze contact had met Multatuli. Er was over en weer bewondering. Dat alles is en blijft interessant voor hen die weten (of willen weten) dat er ook voor de studentenrevoltes van 1968, ja zelfs voor de Russische revoluties van 1917 een boeiend geestelijk leven was in Europa waarvan veel sporen in Nederland zijn te vinden.


Ibsen, Henrik (1913). Dramatische werken [in vier delen]. Amsterdam: Meullenhoff. I.z.g.st., gebonden in groen linnen met goudopdruk (belettering). 2e druk. Met illustraties, vertaling J. Clant van der Mijl-Piepers. Met een inleiding van dr. W.G.C. Bijvanck. Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 30th, 2020 by Igor Cornelissen

Jan Romein – een paar tips voor zijn biograaf

Jan Romein (1893-1962) bedankt een aantal mensen die hem een dak boden ‘in de dagen der vervolging’. De marxistische hoogleraar in de geschiedenis zat een deel van de bezetting gevangen en dook na zijn vrijlating onder. Voor het schrijven van zijn studie kreeg hij hulp omdat hij zelf de universiteitsbibliotheek niet kon bezoeken.

Romein toont in deze studie een brede aanpak wat ook in zijn andere werk (soms samen met zijn vrouw Annie Romein-Verschoor) ook nimmer ontbrak. Hij behandelt heel veel biografieën en hun schrijvers. Hij noemt drie kenmerken van de moderne biografie: 1. de onbevangenheid van de biograaf 2. zijn psychologisch doordringingsvermogen en 3. de gecompliceerdheid van het psychische beeld. Een volstrekte scheiding tussen de oudere en de moderne biograaf valt weliswaar niet te trekken, maar het is voor Romein duidelijk dat Karl Brandi, die het leven van Karel V beschreef, als goede Duitser leed aan een ‘ongeneeslijke elephantiasis van de ontzagsknobbel’.  Daarom werd de vraag waarom de keizer leed aan besluiteloosheid en hij maar door bleef gaan met lekker eten en drinken hoewel hij er niet tegen kon, onbeantwoord.

Het verschijningsjaar van deze studie (1951) is lang geleden. Veel interessante figuren kregen intussen een biografie en misschien kan Romein dat punt inmiddels intrekken. De bedachtzame historicus zou nu waarschijnlijk de vraag hebben gesteld of er niet veel te veel biografieën verschijnen over tweederangs schrijvers en politici.

Jan Romeins biograaf heeft zich voor zover ik weet, merkwaardig genoeg nog niet gemeld. Hij liet een enorm archief na. Hij bewaarde van jongs af aan veel, zelfs de onbenulligste briefjes. Kennelijk vond hij zichzelf al heel vroeg de moeite waard en wilde hij zijn biograaf ter wille zijn. Ik heb eens enkele uren in dat archief (bewaard op het IISG in Amsterdam) gesnuffeld en het was zeer de moeite waard. Romein, van doopsgezinde huize, werd op jonge leeftijd communist en was in de jaren twintig de feitelijke hoofdredacteur van het communistische dagblad De Tribune. Hij erfde wat geld en kon aan armlastige geestverwanten geld lenen. Eind jaren twintig werd hij geroyeerd omdat hij, net als de door hem bewonderde David Wijnkoop, de Moskouse lijn niet strikt wilde volgen. Wijnkoop legde een schuldbekentenis af en kroop op handen en voeten terug naar de moederkerk. In het archief van Wijnkoop vond ik de brief waar in Romein hem smeekt om ook terug te mogen komen in de partij. Kon Wijnkoop geen goed woordje voor hem doen? Zo werd Jan Romein in de jaren dertig geheim lid van de CPN. HIj omschreef de grondwet van de Sovjetunie als de meest democratische wereld, maar kreeg de communisten weer tegen zich toen hij voorzichtige kritiek uitte op de Moskouse schijnprocessen.

Uiteindelijk stemden de communisten toch voor zijn benoeming tot hoogleraar aan de Gemeente Universiteit van Amsterdam. Dat alles komt natuurlijk uitgebreid in de biografie van Jan Romein die ik nog hoop te beleven. Daarin zal dan ook beschreven worden zijn, na de oorlog, voortdurend ondertekenen van door de CPN geïnspireerde protesten tegen de Westduitse herbewapening en alles wat naar Amerikaans imperialisme rook. Jacques de Kadt, de ex-communist, veegde in zijn memoires Uit mijn communistentijd de vloer aan met Romein die hij een nietskunner noemde. Dat was ook weer wat overdreven, meende Josine Meyer (die met Gerard Reve correspondeerde) vriendin en een groot bewonderaar was van De Kadt. Volgens Josine wist en kon Romein heel wat. En zo wordt men tussen Romein en De Kadt  heen en weer geslingerd. Zonder het lezen van boeken komt men er niet uit.

Tot slot een (niet terzijde) herinnering. Het was pas nadat Romein in Het Parool aandacht besteedde aan het dagboek van Anne Frank, dat een uitgever zich er aan waagde. Het nu wereldwijd vertaalde boek, was door vier of vijf uitgevers geweigerd. Voor de oorlog bestond, dachten ze, geen belangstelling meer. Dat zag Romein beter.


Romein, J. (1951). De biografie. Methode en techniek van de biografie van de oudste tijden tot heden [voorzien van een bladwijzer van schrijver en biografen] Amsterdam: Querido. Gebonden, hardcover met stofomslag (besch. stofomslag, zie foto), roestvorming topsnede. 237 pp., €17,95 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 29th, 2020 by Igor Cornelissen

Lucas van der Land en zijn dissertatie over de PSP

De in januari 1957 opgerichte PSP was vooral een uiting van de bezorgdheid van tamelijk veel Nederlanders over de bewapeningswedloop. Anti-militaristen en pacifisten, opmerkelijk veel met een christelijke achtergrond, verenigden zich toen de PvdA-leiding niet bereid bleek een van hen op een verkiesbare plaats voor de Kamer te zetten. De PvdA verwees naar ds. J.J. Buskes die in Het vrije Volk die opvattingen af en toe mocht uiten.

De PSP heeft veel woedende stukken opgeleverd. Jacques de Kadt (hij niet alleen) vond het een stelletje onbenullen die hun ogen sloten voor het Russische imperialisme. Tekenaar Fritz Behrendt beeldde ze af als domme (maar wel mooie) meisjes met paardenstaarten en de S stond voor studenten die baarden droegen.

Lucas van der Land (1923-1984) – op bijgevoegde foto wandelend aan de rechterzijde van de uitgever G.A. van Oorschot – stuurde de honderd eerste leden een vragenlijst. Op de aldus verzamelde gegevens was zijn proefschrift gestoeld. Ik vond het resultaat nogal mager en de opzet te gemakkelijk. Hetgeen ik, kersvers redacteur bij Vrij Nederland, in de recensie aangaf.

Lucas van der Land, in alle opzichten een probate kerel die bekendheid kreeg door het leiden van vele forums (over Vietnam o.a.) keek heel droevig toen ik hem kort na die bespreking op de kunstenaarssociëteit De Kring tegenkwam. Ik herhaalde mijn bezwaren en hij gaf me deels gelijk. ‘Maar ik moest toch promoveren?’ Hij was al jaren assistent van de blind geworden prof. J. Barents. Van der Land gaf loepzuivere colleges over de utopische socialisten uit de negentiende eeuw. Hij kon geen drs. blijven. Hij vertelde me nog dat hij van plan was geweest om op een van de Nederlands-Britse zeeoorlogen te promoveren. Maar dat kostte hem veel te veel tijd.

Ik kwam Lucas nog menigmaal tegen in Amsterdamse kroegjes die al lang niet meer bestaan. Hij was een vlot innemer van grote glazen bier. Lucas is er ook niet meer. Net zo min als de PSP die in Groen Links opging. Toen de spraakmakende PSP’er Fred van der Spek, jarenlang Kamerlid, werd gevraagd wat hij nu eigenlijk had bereikt, was zijn antwoord: ‘Helemaal niets.’

Ik mag er, en dat eens niet terzijde, aan herinneren dat Lucas van der Land één van de scholieren van het Vossius Gymnasium was die in 1940 het initiatief nam tot een leerlingenstaking tegen het ontslag van de joodse leraren.


Land, L. van der (1962). Het ontstaan van de PSP. Amsterdam: De Bezige Bij (incl. stellingen bij de dissertatie). Redelijk, met aantekeningen en onderstrepingen van I.C. (met pen). Met register, noten, bibliografie. Uit de collectie van Igor Cornelissen. Zeldzaam, € 14,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 28th, 2020 by Igor Cornelissen

Het trappen van WFH & de onttroning van Gomperts

De literatuurcriticus en latere Leidse hoogleraar Hans Gomperts kwam in zijn recensies en op de televisie (hij interviewde als een van de eersten Gerard Reve) over als een uiterst beschaafde, erudiete en innemende cultuurdrager.  En dat was hij denk ik ook. Zijn studie rechten kon hij door de Duitse inval niet afmaken, maar heel erg vond hij dat niet. Al voor de oorlog was de literatuur zijn grote liefde. Hij getuigde daarvan in het studentenblad Propria Cures waarin hij zich ontpopte als een Ter Braak adept. Een bewonderaar en verdediger van Menno ter Braak bleef hij zijn hele leven. Dat moest wel ruzie worden met Willem Frederik Hermans die de man zwaar overschat vond. Die controverse over Ter Braak (en Du Perron) heeft decennia geduurd. Hermans: “Zodra ik vind dat mijn naam weer eens in de krant moet komen, trap ik op Gomperts, niet uit kwaadaardigheid, maar zoals een tramconducteur trapt op zijn bel.” Dat soort uitbarstingen lijken helaas voorgoed verleden tijd.

Gomperts ontkwam in mei 1940 naar Londen en werd daar secretaris van de minister van Koloniën, de katholieke en reactionaire mr. Welter. Daarover heeft Gomperts nooit geschreven. Jammer. Wel over de groten van het Mooie Woord, in Nederland en ver daarbuiten. Multatuli en Slauerhoff natuurlijk en ver daarbuiten Nabokov, Kafka, Shakespeare en Edmond Wilson. Zijn belangstelling en kennis leek onuitputtelijk

Na 1945 werd Gomperts redacteur van het toen gezaghebbende Het Parool. Eerst als correspondent in Parijs. Het verhaal gaat dat hij geen telefoon wilde. Dat stoorde maar als hij aan het denken was. Hij kwam terug naar Amsterdam waar hij de kunstredactie versterkte. Hij kreeg prijzen voor zijn essays. Na zijn pensionering ging hij in Zuid Frankrijk wonen. Hij werkte er aan een dikke studie over de bewonderde Ter Braak. Er was toch iets mis aan de man. Dat bleek toen het boek na Gomperts dood uitkwam: ook Ter Braak was niet vrij geweest van antisemitisme.

Het leek wel of Gomperts zichzelf een beetje onttroond had.


H.A. Gomperts (1960). Jagen om te leven. Amsterdam: G.A. van Oorschot. Goed, gekartonneerd. Gebonden, 299 pp. Stoa-reeks, 1e druk, € 17,95 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 27th, 2020 by Igor Cornelissen

De staking van februari 1941

De Februaristaking van 1941 was een uniek protest van de bevolking in Amsterdam de Zaanstreek en Hilversum tegen de terreurmaatregelen van de nazi’s op de joden.

Dat de CPN leiding en hun aanhang daar een belangrijke rol in speelden, staat buiten kijf. Ben Sijes stelde dat in een publicatie van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie vast. Toch werd dat geschrift door de CPN aangevallen. Hen was onvoldoende lof toegezwaaid en de rol van partijleider Paul de Groot was niet heroïsch genoeg neergezet. Dat Sijes ooit radencommunist was geweest, en daarmee een tegenstander van de partijcommunisten, speelde ook een rol.

In veel artikelen en brochures trok de CPN alle eer naar zich toe. Gerard Maas, lid van de CPN sinds 1940, belangrijk verzetsman in de Zaanstreek en in 1944 gearresteerd en ter dood veroordeeld (maar begenadigd) was één van die schrijvers. Hij was lid van het partijbestuur en De Groot zag er op toe dat het boek van Maas de juiste toon bevatte. Later schreef Maas een beter, persoonlijker en eerlijker boek over zijn eigen rol in het verzet en de gevangenschap die volgde. Daarin kwamen communisten voor als normale mensen die ook fouten konden maken. Ik schreef er iets aardigs over in Vrij Nederland en dat waren ze bij de CPN niet gewend. Toen ik Maas eens tegenkwam, liet hij mij voorzichtig weten dat hij blij was geweest met mijn recensie.  Maas bleef tot zijn dood in 1988 lid van de CPN. Vele jaren was hij lid van het partijbestuur.

Henriëtte Boas, nooit verlegen om tegendraadse meningen, schreef in een ingezonden stuk dat de Februaristaking geen jood het leven had gered. Men kon beter ophouden de staking jaarlijks te herdenken. Anderen wezen er op dat de staking de geest van verzet had aangewakkerd. Niet ontkend kan worden dat dezelfde  trambestuurders die in februari 1941 heel moedig het verkeer in Amsterdam hadden platgelegd na de zomer van 1942 de trams bestuurden waarin de bij razzia’s opgepakte joden naar het Centraal Station werden vervoerd.


Maas, G. (1961). Kroniek van de Februari-staking 1941. Amsterdam: Pegasus. Goed, paperback met verkleurd stofomslag. Enkele gebruikssporen. 163 pp., met illustraties. Uit de collectie Igor Cornelissen, € 12,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 26th, 2020 by Igor Cornelissen

Joachim Fest en de ondergang van het derde rijk

De film Der Untergang, over Hitlers laatste weken in de bunker in Berlijn uit 2004, heeft op velen een onvergetelijke indruk gemaakt. Vooral door Bruno Ganz in de hoofdrol. Een waanzinnige Hitler die, terwijl de hoofdstad al door het Rode Leger is omsingeld, nog bevelen geeft aan niet meer bestaande divisies.  Die tot heel kort voor zijn zelfmoord op 30 april 1945 nog gelooft in de Duitse eindoverwinning. Dat geldt ook voor Eva Braun, de vrouw die hij een dag eerder huwde. 

De journalist en historicus Joachim Fest schreef met Der Untergang het boek waarop de film is gebaseerd. Fest groeide op in een katholiek gezin. Zijn vader, leraar en schooldirecteur, moest van het nationaal-socialisme niets hebben. Hij voorkwam dat zijn zoon zich aanmeldde bij de Hitlerjugend. Fest bediende tegen het einde van de oorlog nog wel een luchtdoel afweergeschut en zat na 1945 twee jaar vast. Hij ontpopte zich, mede door zijn directeurschap van de Frankfurter Allgemeine Zeitung tot een gezaghebbend historicus. Zijn Hitlerbiografie werd in het Nederlands vertaald.

Een kleine(?) misgreep was de journalistieke hulp die hij Albert Speer bood bij het publiceren van diens herinneringen. Het droeg ertoe bij dat Speer lange tijd werd gezien als een charmante en eigenlijk wel nette hulpkracht van Hitler die van de gruwelen in de kampen geen weet had. Dat bleek een leugen. Fest gaf zijn fout toe.

Uit zijn boek over Hitlers laatste dagen stijgt de stank van de door urinezuur, zweetlucht en dampende gassen van dieselaggregaten doordrenkte bunker op.

Hoe het nu precies ging met die zelfmoord en daarna het verbranden van de lijken is altijd een beetje raadselachtig gebleven. De bronnen spraken elkaar tegen.

De in het boek afgedrukte foto’s roepen weer een vraag op. Wie was toch die mooie Rotarmiste die in mei, als heel Duitsland nog niet eens heeft gecapituleerd, het spaarzame verkeer staat te regelen voor de Brandenburger Tor. De namen van de  Russische soldaten die de rode vlag hijsen op de Rijksdag zijn al vele jaren bekend, maar de wakkere verkeersagente bleef anoniem.


Joachim Fest. Der Untergang. Hitler und das Ende des Dritten Reiches. Eine historische Skizze. Berlin: Alexander Fest Verlag. I.z.g.st., gaaf exemplaar. Gebonden in rood linnen met stofomslag, 207 pp., 4e druk. Met illustraties, met bibliografie. € 22,50 (inc. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 23rd, 2020 by Igor Cornelissen

Frans Erens over Parijs ‘waar men pronkt met bordeelachtige wansmaak’

Frans Erens (1857-1935) weer zo’n schrijver uit een ver verleden. Een enkeling zal van hem hebben gehoord. Hij kwam uit Limburg en was niet onbemiddeld. Dat maakte het hem gemakkelijk om de juristerij, waarmee hij zijn brood verdiende, in 1901 vaarwel te zeggen en van de pen te leven. Dat was dus in de tijd dat er van staatswege nog geen schrijvers subsidies werden verstrekt en men niet van voorschotten maandenlang op Ibiza kon verblijven om daar na te denken over het beloofde boek dat nimmer zou verschijnen.

Erens behoort tot de Tachtigers en was een gewaardeerd medewerker van De Nieuwe Gids.  Hij was een van de eersten in Nederland die zich goed inwerkte in de Franse literatuur die toen een groter stempel op de Nederlandse schrijvers drukte. Meer nog dan (nu) de Engelse en Amerikaanse. Het werk van Baudelaire en Huysmans had voor hem geen geheimen. Huysmans kon je trouwens alleen begrijpen als je katholiek was of dat was geweest. Erens was katholiek. Maar hij was geen naprater of hielenlikker.

Leuk aan Erens is dat hij ook echt op pad ging. Naar Madrid en Toledo en ook naar Berlijn. Over Madrid schrijft hij wat de vrouwen er voor kleding dragen en in Berlijn, dat hij de eerste stad van Midden Europa noemt en lelijk in  vergelijking met Parijs,  roemt hij de bierlokalen die paleizen zijn met flikkerende spiegels en veel, veel, veel goud. Op de wanden zijn naakte vrouwen geschilderd: ‘Enkelen zelfs pronken met bordeelachtige wansmaak.’ Het vloeiende brood, zoals de Duitsers het bier noemen (Prins Bernhard deed dat ook) groeit steeds in macht, noteerde Erens, en Frankrijk begon ook al die kant op te gaan. Mogelijk zou Italië volgen. Dat er twee Wereldoorlogen over Berlijn heen zouden gaan en dat het bier er nog steeds vloeit, kon Erens, die in 1935 stierf, niet voorzien. Een saai schrijver was hij in ieder geval niet. In Berlijn gaat hij naar het toneelstuk Die Weber van Hauptmann. Het publiek kon het nauwelijks kon verstaan omdat het goeddeels is geschreven in het dialect van het plaatsje waar de handelingen zich afspelen. Dat zou de reden zijn geweest dat de regering het ondanks de revolutionaire strekking niet verbood. Het apathische publiek was er volgens Erens trouwens alleen maar heen gegaan om te kunnen zeggen dat men er geweest was. Dat gevoel had ik ook die enkele maal dat ik naar een klassiek concert ging in het Concertgebouw in Amsterdam. Frans Erens schreef dat soort dingen op.

Over het stadje Damme in Vlaanderen heeft hij aardige opmerkingen. En niet alleen omdat daar het ‘zeer verdienstelijke’ standbeeld staat van de in Damme geboren Jacob van Maerlant. Erens is zeer vriendelijk over Damme. Wij kunnen daar verder niet op ingaan omdat wij zelf plannen hebben met Damme. En Damme met ons. Erens vermeldt in zijn levendige literaire reisverslag dat er mooie likeuren en jenevers worden geschonken. Dat moet in de nabije toekomst worden gecontroleerd. En het schijnt dat men er ook onbekommerd oesters kan eten. En daar hebben de beide antiquaren van ‘t Wasdom wat mee.


Erens, F. (1906). Litteraire wandelingen. Amsterdam: Van Looy. Afgeschreven bibliotheekexemplaar. Matig; voor- en achterin enkele losliggende pagina's (herstelbaar). Verder prima. Oorspronkelijke omslag meegebonden. 345 pp., 1e druk. Uit de collectie Igor Cornelissen. Zeldzaam € 22.50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 22nd, 2020 by Jaap de Jong

Een boer achter een raam met de pijp van opa

Er zijn nog enkele gesigneerde exemplaren van Een boer achter een raam beschikbaar (onlangs herdrukt en gesigneerd door Igor C., in ’t Wasdom). De pers was lovend. Zo schreef het Nederlands Dagblad: “Levenslust, humor en hartstocht tekenen de belevenissen waarvan Cornelissen verhaalt.”

Moet ik nog herhalen wat De Morgen vond en het NRC Handelsblad schreef? Vooruit, de NRC schrijft: “Aanstekelijk proza: invoelend en humoristisch-afstandelijk tegelijk”. Wat betreft de pers uit de voormalige Zuidelijke Nederlanden hou ik het kort: “Schitterende autobiografie”.

Tot slot was de Groene Amsterdammer van mening dat een nationaal instituut als Igor Cornelissen eigenlijk gekloond zou moeten worden.

Ik ga op dit punt verder dan Montaigne en schort niks op en zeker geen mening. Ik vraag mij af of De Groene zich bewust is van de ethische consequenties en denk vooralsnog dat het geen goed idee is, maar wellicht dat mijn nog niet gekloonde kompaan het op dit punt met mij oneens is.


Wilt u naast Een boer achter een raam ook het nieuwste boek van Igor Cornelissen (mijn opa rookte ook een pijp. Joodse wortels en ander (on)gemak). Dat is natuurlijk ook mogelijk, bovendien is ook dat boek gesigneerd. In dat geval betaalt u geen verzendkosten (totaal € 49,00). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér boeken bij Cornelissen & De Jong

december 22nd, 2020 by Igor Cornelissen

Oorlogsdagboeken: ‘het moet leerzaam zijn, geen gekeuvel’.

Ik hoor vaak de vraag: Wat wist de burger tijdens de oorlog? Over het algemeen alleen dat wat ze in hun naaste omgeving meemaakten of zagen. Sommigen iets meer omdat ze in het verzet zaten en zo over ‘verbindingen’ beschikten en illegale blaadjes lazen. De pers stond onder censuur. Wie gevangen had gezeten, kende een andere wereld van binnenuit. En wie ondergedoken zat kon een beetje van binnen naar buiten kijken al mocht een onderduiker meestal niet voor een open raam gaan staan want dan kon een foute Nederlander zien dat er binnen iemand woonde die niet tot dat gezin behoorde. Het staat wel vast dat (vrijwel) niemand wist wat er in de vernietigingskampen gebeurde.

In de Dagboekfragmenten leest men over een tijd die men zich nu moeilijk kan indenken. Een 22-jarige, in de Achterhoek ondergedoken, joodse lerares noteerde in 1942 dat haar gastvrouw komt vragen of ze zin hebben in gebakken aardappelen bij het brood. ‘Hierop gaan wij natuurlijk direct in. Zou zij enig idee hebben dat zo iets in A’dam een luxe betekent, want hiervoor heeft men boter, vet of slaolie nodig en dat kan men in een stadse huishouding niet zo gemakkelijk missen.’ Het is dan september 1942 en het zal dus nog bijna drie jaar duren voor aan de onderduik een einde komt.

Er zijn ook geluiden van de Duitsgezinden. Een inspecteur van politie schrijft in september 1943 dat hij liever had dat in Rusland de strijd meer in het voordeel van Duitsland zou verlopen ‘en dat de bolsjewisten kennelijk aan het einde van hun krachten waren gekomen, doch daarvan is nog niets te merken integendeel zelfs.’

In januari 1945 schrijft een 37-jarige timmerman over een strafkamp in Duitsland: ‘De soep is nog nooit zo dun geweest als vandaag, dat was voor straf voor het bietsen (…). Deze nacht bakte een jongen een spreeuw hoe komen ze er bij.’ Een paar weken voor de bevrijding noteert een Rotterdamse tramconducteur: ’Honger. Honger. Het wordt steeds erger. Nu we zelfs die ééne boterham per dag niet meer krijgen, weten we niet meer waar het te zoeken.’

En als de bevrijding er eindelijk is, verzucht een onderwijzer op bevrijdingsdag in zijn dagboek dat hij vreest dat latere geslachten wat hij heeft opgeschreven niet zullen geloven.

Al tijdens de oorlog riep de minister van Onderwijs mr. Bolkestein vanuit Londen op om op te schrijven wat er in het bezette vaderland gebeurde. Dat was nuttig voor de latere geschiedschrijving. Na de oprichting van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie deed de directeur drs. L. de Jong voor de radio in februari 1947 een oproep om dagboeken naar het Instituut te sturen. Er kwamen er honderden binnen. De samenstelster, Jitty Sjenitzer-van Leening, had een streng oordeel. Menig dagboek vond ze niet de moeite waard om te gebruiken. Dan stond er volgens haar alleen maar gekeuvel in. De inhoud moest leerzaam zijn.

Voor wie echt wil weten hoe het was, zijn er dus de, soms zeer uitgebreide, fragmenten. Jammer genoeg kon ik geen verdere gegevens over mevrouw Sjenitzer vinden. Hoe kwam zij op het RIOD terecht en hoe lang bleef ze er? Wat waren haar selectiecriteria en leidde die tot een evenwichtig beeld van de dagelijkse ervaringen, ook van het leven in de (concentratie)kampen? Ik vraag maar, misschien kan een leerling daar een profielwerkstuk over schrijven. Zo heet dat toch?


RIOD (1954). Dagboekfragmenten 1940-1945. ‘s-Gravenhage: Martinus Nijhoff. I.g.st., hardcover, gebruind papier. 638 pp., 1e druk. Bronnenpublicatie, Serie Diversen no. 2, van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, samensteller Jitty Sjenitzer-van Leening. Collectie Igor Cornelissen, € 17,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 21st, 2020 by Igor Cornelissen

De oorlog van Henk Pelser en Mathieu Smedts

Ik leerde de arts (endocrinoloog) Henk Pelser pas kennen toen hij al lang gepensioneerd was. Ik was bezig met de biografie van mijn oud-hoofdredacteur Mathieu Smedts. Henk Pelser woonde in een gerieflijk huis in Amsterdam Zuid met een fraai stukje tuin, waar ik hem eens bezocht. Zijn vrouw bracht thee en later wat sterkers. Hij sprak heel beheerst over zijn oorlogsbelevenissen en zijn relatie tot Matthieu Smedts. Zonder enige stemverheffing.

Henk Pelser was tijdens de bezetting één van de strijdmakkers van Smedts geweest, die na zijn arrestatie een doodvonnis over zich hoorde uitspreken. Dat werd omgezet in een Nacht und Nebel straf die Smedts overleefde, maar hem wel een levenslang trauma opleverde. Een trauma dat hij met wisselend succes met behulp van de jeneverfles kon beheersen.

Smedts had na zijn vertrek bij Vrij Nederland jarenlang in Frankrijk gewoond en was na het overlijden van zijn tweede vrouw naar Nederland teruggekomen. Hij woonde in het Amsterdamse huis van een van zijn dochters waar ik hem enkele malen bezocht en we nooit over de oorlog spraken. Wonderbaarlijk genoeg leefde Smedts, die als een wrak naar Nederland was teruggekomen, nog enkele jaren. Zijn rode wijn werd stiekem met water aangelengd. Kende Pelser, vroeg ik, het verhaal dat een Amsterdamse arts bij de inspectie van Smedts uitgebreide medicatie, meer dan de helft van die pillen en drankjes had weggegooid als volkomen overbodig? Pelser kende dat verhaal niet alleen, hij was die arts geweest. ‘In Frankrijk schrijven artsen altijd iets voor. Een patiënt wil er nooit met lege handen naar buiten.’

Ter gelegenheid van de Engelse vertaling van het boek werd Pelser uitgenodigd om in een klein café in Amsterdam iets te vertellen over zijn verzetsverleden. Dat verzet was al begonnen voordat hij was afgestudeerd. Het zaaltje zat stampvol en iedereen verbaasde zich over de buitengewoon eloquente verteller die al ver over de tachtig was. Ik kreeg zijn boek met een mooie opdracht. Hij bedankte mij voor het fraaie monument dat ik voor zijn inmiddels overleden strijdmakker had opgericht.


Pelser, Henk E. (2006). Henk's War. A Memoir of the Dutch Underground. London: Portell Productions. I.z.g.st., gaaf exemplaar (als nieuw). Gebonden, 169 pp., met illustraties, bibliografie, noten en meerdere fotokaternen. De Engelse vertaling van Vluchtweg Zwitserland dat in 1996 verscheen. Met opdracht van de auteur aan Igor Cornelissen. € 33,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 20th, 2020 by Igor Cornelissen

Philip Mechanicus, gezaghebbend journalist en chroniqueur van het menselijk bedrijf

Philip Mechanicus (1889-1944) haalde na publicatie van zijn dagboek In Dépôt (1964) paginalange stukken in de kranten die zijn verslag bespraken en prezen. Het was dan ook journalistiek vakwerk. Mechanicus was, wat men vroeger noemde, ‘een gezaghebbend journalist’. Hij werkte zich op van expeditieknecht tot journalist bij Het Volk. Hij had in Indië voor de Sumatra Post en De Locomotief geschreven. In 1919 keerde hij terug naar Nederland waar hij bij het Algemeen Handelsblad ging werken. Bij de publicatie van In Dépôt was Philip Mechanicus al twintig jaar dood, vermoord door de nazi’s.

Minder bekend dan het dagboek In Dépôt zijn de eveneens indrukkende reisverslagen over Palestina en Rusland van Philip Mechanicus. In Van sikkel en hamer (ca. 1932) doet Philip Mechanicus verslag van zijn reis naar door de Sovjetunie. Hij was er met een groep heengegaan. Eén van de reizigers was de beroemde architect H.P. Berlage (1856-1934), een ander was de tekenaar/schilder Henri Pieck (1895-1972) die spion (voor Moskou) aan het worden was, of al geslaagd was voor het praktijkexamen.

Anders dan Pieck schrijft Mechanicus over zijn reis geen juichverhaal. Hij had zijn ogen goed open. De kerken waren leeg en stonden in verval. En de economie? Alles stond in het teken van het eerste Vijfjarenplan. Mechanicus constateerde een soort staatssocialisme met sterk kapitalistische trekken waarbij van bovenaf alles werd gepland. En in het Kremlin waar de macht is samengebald,  was er eigenlijk maar één figuur die het laatste woord had: de despoot Stalin. In zijn boek is een afbeelding van Stalin opgenomen; die kijkt niet lief uit zijn ogen. Of is dat een interpretatie op basis van ‘kennis van nu’? Toch wist Mechanicus toen (in 1932) al heel veel. Hij schrijft overigens prachtige, bijkans lyrische hoofdstukken over het Russische landschap en de rivier de Wolga, die hem bekoort. Zijn precisie leidt, althans in dit geval, tot lyriek. Het tegenovergestelde kan ook. Feiten spreken.

Over de Sovjetunie en Rusland bestaat enorm veel literatuur. Mechanicus’ reisverslag behoort tot het betere, vroege  genre. Een journalist die zich niet in de luren liet leggen.


De journalist Philip Mechanicus, eerder redacteur buitenland van het Algemeen Handelsblad, kwam in mei 1943 in Westerbork aan. Er waren toen al veel treinen vertrokken naar de vernietigingskampen in Polen. Dat er in die kampen gasovens waren, hun laatste bestemming, wist geen van de gevangenen. Of de Duitse kampcommandant er van wist, is niet zeker. Iedere dinsdag vertrok een nieuwe trein. Men leefde, schreef Mechanicus, van dinsdag tot dinsdag.

Westerbork was een modelkamp. Men kreeg er te eten en er was uitstekende medische verzorging, Dat kon ook niet anders, want Westerbork herbergde een doorsnee van de joodse bevolking. Diamantbewerkers, gedoopten, orthodoxen, vrijdenkers, onderwijzers, handelsreizigers, rabbijnen, oplichters, scharrelaars, hoogleraren, artsen en verpleegsters. Aan alles merkt men dat Mechanicus een scherp waarnemer is. Hij verzwijgt niets, maar beschrijft nauwkeurig wat zich in het doorgangskamp afspeelt. Liefde en haat, wanhoop, berusting. Wonderen. Zieken die door deskundige (Joodse) artsen worden opgekalefaterd voor hun vertrek naar het oosten. Klaar voor de driedaagse treinreis die voor de meesten in de gaskamers eindigde. Dat wist niemand, bijna niemand. De muziekuitvoeringen (met commandant Gemmeker op de eerste rij) krijgen een plaats, evenals de opgekropte rancunes die Nederlandse joden tegen de Duitse joden (en vice versa) koesteren en die vaak tot een uitbarsting komen. Mechanicus schrijft ook over Weinreb, de man die zei dat hij mensen van transport kon vrijwaren.

Toen In Dépôt verscheen was het voor velen een eye-opener. Men wist dat het kamp had bestaan en sommigen van de ex-gevangenen hadden er over verteld. Maar nooit zo precies en boeiend als Mechanicus deed. Zoals Presser in het voorwoord schrijft: de uitstekende medische dienst kon één ding niet voorkomen, de deportatie aan het einde. Philip Mechanicus, steeds zijn blocnote bij de hand,  beschrijft de waanzin pijnlijk nauwkeurig.

Hij  overleefde Auschwitz niet.


Mechanicus, P. (1964). In dépôt. Dagboek uit Westerbork. Ingeleid door prof. dr. J. Presser. Amsterdam: Polak & Van Gennep. Gebruikssporen, leesvouwtjes in rug en verkleurd, 303 pp. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 10,00

Mechanicus, P. (z.j. [1932]). Van sikkel en hamer. Amsterdam: Andries Blitz. I.z.g.st., gebonden, hardcover met titel in rode belettering, gebruikelijke roestvlekjes. Mooi rood schutblad. 157 pp., 1e druk. Met ingeplakt ex libris van C.C. Scova Righini [niet in Aarts & Kooyman]. Zeer zeldzaam. Met illustraties in zw/w (tekeningen). Uit de collectie Igor Cornelissen. € 230,00. Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 20th, 2020 by Jaap de Jong

“Ik heb hem gebracht die schriften van Meister Eckehardt”. Over Mechanicus en Hillesum

Afgelopen week zette ik een aantal nieuwe boeken op het net, waaronder twee scherpzinnige en journalistiek indrukwekkende werken van Philip Mechanicus (1889-1944). Mechanicus was in zijn laatste levensjaren – tijdens het verblijf in Westerbork – intensief bevriend met Etty Hillesum (1914-1943). Etty Hillesum las ik als jonge adolescent. Het intrigeerde mij niet alleen hoe zij met God en haar onderlichaam op gelijke goede voet stond, maar ik deelde ook haar liefde voor Augustinus, Rilke, Jung, Kierkegaard, Dostojewski en wie en wat al niet meer? Ik zag en las hoe zij worstelde met zichzelf. Gevoelig, een rijpend wordend zijn. Nog steeds herlees ik haar Nagelaten geschriften, zo ook vandaag. Ik besloot alle passages na te zoeken waarin Etty Hillesum het heeft over Philip Mechanicus: vanaf de allereerste ontmoeting tot het moment van haar vertrek met de dinsdagtrein. Overigens schrijft ook Philip Mechanicus in zijn dagboek In Dépôt ook over het gezin Hillesum. Hij kende Louis (Levi) Hillesum via zijn dochter Etty en bezoekt hem geregeld.

Ik ben niet ver gekomen in mijn voornemen de geschiedenis van een vriendschap te beschrijven, want stuitte al bij de tweede aanhaling uit het persoonsregister (van Philip Mechanicus) op Meister Eckhart. Bij het naspeuren van de lijn Mechanicus – Hillesum las ik een intrigerende passage waarin Etty haar vader beschrijft als een wat hulpeloze intellectueel die naast zijn dagelijkse boekenstudie ook het contact met Mechanicus onderhoudt. Etty vertelt vervolgens in een terloopse zin: “Ik heb hem [haar vader Louis] gebracht die schriften van Meister Eckehardt”.

De wat ongebruikelijke variant op de normale schrijfwijze van Eckhart doet vermoeden dat het gaat om een Duitse bloemlezing van Alois Bernt en niet om de Nederlandse vertaling van de traktaten en preken van Eckhart door Gustave Landauer (Zaltbommel, P.M. Wink, 1910). Toch genoot die vertaling – van ene J.N. (ik bezit een exemplaar ;-)) – wel degelijk bekendheid, met name in kringen rond Frederik van Eeden. Van Eeden was de centrale figuur rond Walden, onderdeel van een sociaal experiment waartoe ook een aantal Europese intellectuelen als Gustav Landauer en Martin Buber zich aangetrokken voelden. Van Eeden overwoog in die tijd om over Eckhart te schrijven, maar het kwam er niet van. Mogelijk vanwege problemen op Walden. Etty las in haar laatste levensjaren veel Eckhart. En ze las Van Eeden met wie zij de levenshouding van gelatenheid deelde.  Een overgave aan of tenminste een acceptatie van leed, zelfs van bewust toegebracht lijden. In dit verband noteert Etty in een aantekenboekje een frase van Eckhart die stelt dat het ‘vlugste dier, dat u naar de volkomenheid kan dragen (…) het lijden [is].’ Lijden en Gelassenheit; het zijn de twee zijden van eenzelfde medaille, passend bij eenzelfde levenshouding. Het ene veronderstelt of vraagt om het andere. Tegelijkertijd is er bij Etty sprake van een enorme kracht: wie grote kracht voelt is zacht, zo schrijft ze ergens in haar boekje Levenskunst. Dat is waar.

Die beide zaken signaleert ook Philip Mechanicus in zijn dagboek. Zonder de namen van de gezinsleden van de familie Hillesum te noemen beschrijft hij wat hij ziet: “de familie had gedacht, hem en de andere leden voor transport te kunnen behoeden. Desondanks hangt hun het fatum boven het hoofd (…) de man [Louis Hillesum] zegt kinderlijk blijmoedig: och, het zal wel meevallen; met moet het maar nemen zoals het valt. De dochter [Etty Hillesum] (die zelf gesperrt is) zegt: ‘afschuwelijk, mijn broer [Mischa Hillesum], die hier kan blijven, wil pers se met mijn ouders mee en hij is al niet helemaal normaal. De spanning is onverdragelijk. Wij hopen, dat het transport dinsdag niet doorgaat: maar dan komt een week van nieuwe spanning, en misschien nog één, en het eind van het lied is dat zij toch gaan. Ik zou willen vragen: Heer, maak het kort.’ Voor jonge mensen is dit leven van spanning te verdragen, zij kunnen het aan, maar oude mensen gaan eraan te gronde. Hoe eerder de lijdensweg ten einde is, hoe beter misschien. Elke dag kust de vrouw haar man, kust de dochter haar vader vol tederheid, ter begroeting en ten afscheid. Elke dag strijkt de dochter met haar hand liefderijk over de grijze kruin van haar vader, strijkt zij de plooien glad in het gerimpelde gezicht van haar moeder [Rebecca (Rivka) Hillesum-Bernstein]. De zuster volgt bezorgt de gangen van de broeder. Een aandoenlijk voorbeeld van een gelukkig gezin: een voorbeeldige wederzijdse hartelijkheid, een geestelijk deelgenootschap, een aangeboren aristocratisch levensgevoel.” (In Dépôt, pp. 79-80).

In haar dagboek schrijft Etty Hillesum over het dreigende (maar toch weer uitgestelde) vertrek van haar vriend Philip Mechanicus in juli 1943. Hij vertelt haar bij het inpakken van zijn bagage: “Ik ben hier milder geworden in dit kamp, alle mensen zijn voor mij gelijk geworden, het zijn allen grashalmen, die buigen onder de storm, die plat liggen onder de orkaan’ – Hij zei ook: ”Wanneer ik deze tijd overleef, dan zal ik als een rijper en verdiepter mens gestorven zijn.” Later m’n vader over z’n al bijna witgeworden kruin gestreken, die zei ‘als ik vannacht m’n oproep krijg, dan maak ik me heus niet druk, dan zal ik heel rustig vertrekken.” (Hillesum, pp. 659-660). Het vertrek van Mechanicus en de familie Hillesum werd die dinsdag weliswaar uitgesteld, maar de storm was slechts even gaan liggen om plaats te maken voor een orkaan.

Wij zijn grashalmen die buigen onder de storm, die plat liggen onder de orkaan. Wat een taal en wat een levens! Het zal duidelijk zijn: De nagelaten geschriften van Etty Hillesum 1941-1943 behoort tot de collectie die ik niet verkoop.

december 19th, 2020 by Igor Cornelissen

De superieure stijl van Mary Dorna. Meesteres van het korte verhaal

Ook in de Nederlandse literatuur zijn er af en toe hypes. Leuk en nuttig zijn hypes rond vergeten schrijvers. Helaas duren ze kort en raken de schrijvers daarna niet zelden voorgoed vergeten. Dat vergeten heeft iets oneerlijks, maar tegelijkertijd begrijp ik het wel. De namen van al die nieuwe schrijvers die er wekelijks bijkomen zijn natuurlijk niet te onthouden als je de auteurs van veertig jaar of langer geleden niet wilt vergeten. Het onderwijs helpt daarbij niet mee. Als ik goed ben ingelicht schafte het de verplichte literatuurlijstjes goeddeels af.

In de jaren zeventig van de vorige eeuw deed de redactie van de literaire reeks De Engelbewaarder er alles aan om ‘dooie schrijvers’ weer op papier te krijgen én van lezers te voorzien. P.A. Daum (over Indië!), Theo Thijssen, Jan Arends, Nescio en Wilhelmina Drucker werden in de schijnwerper gezet. Er verschenen kleine, goed geïllustreerde boekjes. Simon Carmiggelt gaf dan soms in een Kronkel in Het Parool een extra zetje zodat het betreffende item uit De Engelbewaarder een oplage haalden van 7 á 8000 stuks. Een enkele maal volgde zelfs een herdruk. Aantallen die nu onhaalbaar zijn. Toke van Helmond was één van de redacteuren van de reeks. Zij ontfermde zich over Mary Dorna (1891-1971).

Mary Dorna, schrijfster van korte autobiografische stukjes kreeg zo’n eerbewijs. Carmiggelt sprak van een superieure stijl. Ze werd geboren als Mary Jeanette Stoppelman in een joods gezin dat weinig tot niets aan religie deed. Ze trouwde op jonge leeftijd met een Engelsman die ergens omschreven is als als oversekst en sadistisch. Ze zou er in de huwelijksnacht vandoor zijn gegaan. In Dusseldorf kwam ze aan de kost door model te gaan staan voor schilders. Ergens las ik dat dat in de volksbuurten was. Weinig schilders verdienden blijkbaar genoeg voor een luxueuze behuizing.

Haar derde en gelukkige huwelijk was met Henk Tenkink die haar in alles steunde en dat bleef doen toen ze ziek was en vervolgens ook nog blind werd. Tenkink handelde in kunst en liet zijn beslissingen niet zelden afhangen van Mary’s smaak. In haar laatste jaren moest hij vaak schilderijen verkopen om haar doktersrekeningen te betalen. Die jaren moeten, vooral na Tenkinks dood, een gruwel zijn geweest. Permanent afhankelijk van verpleegsters en een huishoudster. Haar laatste bundel verscheen in 1941. Na de oorlog dicteerde ze nog wel een aantal verhalen aan Lida Polak. Ze verschenen in Tirade en Barbarber.

Wie eigenzinnig en buitenissig is, roept rampspoed over zich af. Het is groots als dit met humor wordt verdragen. Alsof het vanzelf spreekt. Mary Dorna kon dat. In haar verhalen – ‘sterk autobiografisch’ – veranderen gevestigden in buitenissigen. Zo komt het uiteindelijk toch goed met de wereld.

Ik las haar werk, maar Mary Dorna heb ik nooit ontmoet. Wel heb ik jarenlang met mijn jazzband gespeeld in het Amsterdamse café De Engelbewaarder waar het literaire blad bedacht en geboren is. Eenmaal nam saxofonist Frits Müller een gastsolist mee. Benno Stoppelman. Ik kende zijn naam en dacht aan Mary Dorna die eigenlijk Stoppelman heette. Benno gold als jazzkenner ‘die bijzondere platen had en er veel van wist’.  Volgens mij verpestte hij de hele avond door rammelend in een stijl van anno 1922 te blijven spelen, terwijl wij waren opgeschoven naar de herfst van 1939. Hij moest maar niet meer terugkomen, besliste ik. Ik hoorde later dat hij rondvertelde geweigerd te zijn ‘omdat ik jood ben’. Ik ben dus nooit meer in de gelegenheid gekomen om Benno te vragen of hij familie was van Mary Dorna.

Dat over Benno S. was natuurlijk een volkomen overbodig terzijde. Het gaat hier om Mary Dorna die er eerlijk voor uit kwam dat ze in haar jeugd vooral verlangde ‘naar een lunchroom met taartjes en muziek’. Nog weer veel later wilde ze een heer om port mee te drinken en – toen ze blind werd – iemand om haar verhalen aan te dicteren. En daartussenin beschreef ze de waanzinnige wereld der gevestigden zoals zij, de meesteres van het korte verhaal, dat kon.

Zelf schrijver worden? Lees eerst de meesteres!


Dorna, M. (1938). Onmaatschappelijke voorkeur. Amsterdam: J.M. Meulenhoff. I.g.st., halflinnen, ingenaaid, roestvlekjes en verfvlek (?) op kopsnede. Gebonden, 230 pp., 1e druk. Niet meer leverbaar

Helmond, T. van (1985). Mary Dorna 1891-1971. 's-Gravenhage: Nijgh & Van Ditmar. I.g.st., prima exemplaar. Paperback, 143 pp., 3e druk. Met illustraties, met bibliografie en noten. Niet meer leverbaar

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 18th, 2020 by Jaap de Jong

‘Proef goed, het is uw heil’. Over Vasalis en de melancholie

In de biografie van de dichteres M. Vasalis vond ik vanmorgen een vergeten foto terug. Niet zomaar ergens, maar in het hoofdstuk autobiografie en mystiek dat de biografe Maaike Meijer over de psychiater & dichteres Margaretha Leenmans / M. Vasalis (1909-1998) schreef. Het zal wel het toeval zijn dat mij toevalt. De foto werd genomen in Griekenland, omstreeks 2012. Ik met hoed en beheerste glimlach, mijn dochter meer open. Gul naar toekomst: ‘Proef goed, het is uw heil en de grimassen die gij moet trekken zijn vol herinnering aan vroeger lachen/Met nog één druppel loodzwaar bestaan, dat toekomst heet: de laatste teug van onverdund en helend leed.’ (Uit Vergezichten en gezichten, 1954).

Ik zocht de biografie, omdat ik mij de discussie tussen Rudy Kousbroek en Vasalis herinnerde. En ook vanwege de relatie die Vasalis legt tussen melancholie en de mystieke ervaring. Of beter: het verschil tussen die twee dat zij beschrijft naar aanleiding van een tekening van Albrecht Dürer (1471-1528). Die tekening van Melancholia, waarbij haar niet zozeer de mismoedige vrouw met de grote ogen die nergens naar kijken opvalt, maar veelmeer de veelheid van de objecten. Het is een massieve onmiskenbaar gedetailleerde wereld, maar dan zonder geest. Een wereld zonder oogharen, vocht of beweging. Het is geen wonder dat die grote vrouw bij de pakken neerzit en geen vin verroert, zo schrijft Vasalis aan Gerard Reve. Ze leest Dürers tekening als een representatie van de melancholie die het reductionistische wereldbeeld van de wetenschap oproept. En de mystieke ervaring staat daar haaks op, zo schrijft Vasalis:

“De ervaring die men de mystieke noemt is juist een bijzondere levendige precisie, zonder zwaarte, vibrerend, en leidt tot een gevoel van vreugde, lachen, opluchting. De precisie van Dürer is die van de dood: de hele boel dichtgegooid met ongebluste kalk, interessant als een fossiel. – ik geloof wel dat de zogenaamde mystieke ervaring te maken heeft met een ongewone optiek en/of een toestand van de hersenen die dichter bij dromen dan bij waken staat. In beide gevallen kan je constateren dat er niets gebeurt. Maar bij de melancholie is dat een toestand van de dood en bij de mystieke ervaring een van intens leven waar de tijd geen rol in speelt en die gemakshalve dan eeuwig wordt genoemd. Het is emotioneel het verschil tussen afscheid genomen hebben (Melancholia) en ontmoeten. – Ik hecht geen diepere waarde aan de mystieke ervaring. Ik denk niet dat ik nu ‘het wezenlijke’ zie, maar ik prefereer haar wel boven de afgestorvenheden van de perfectie van de melancholie.”

Proef goed, het is uw heil en de grimassen die gij moet trekken zijn vol herinnering aan vroeger lachen/Met nog één druppel loodzwaar bestaan, dat toekomst heet: de laatste teug van onverdund en helend leed.

Tot zover M. Vasalis. Meer geest nu, licht en leven!

Meijer, M. (2011). M. Vasalis. Een biografie. Amsterdam: G.A. van Oorschot. In nieuwstaat. Gebonden in linnen met stofomslag, 1e druk. 966 pp., met bibliografie, noten, register en drie fotokaternen. Zeer zeldzaam. € 99,00. 

Boeken die wėl te koop zijn bij Cornelissen & De Jong
december 18th, 2020 by Igor Cornelissen

Toevend in de wereld van het boek: Hertzberger en Van Praag

Zowel de schrijver als de uitgever zijn onmisbaar voor de kennis van het jodendom in de vorige eeuw. Menno Hertzberger (1897-1982) zat met zijn antiquariaat decennia op het Singel in Amsterdam. Een mooi pand met mooie en (dus?) dure boeken. Hij begon al in 1921 met het houden van veilingen. Er zouden er 199 volgen. Zijn catalogi waren de moeite waard. Hertzberger zou eerst arts worden, maar zijn gezondheid was te zwak. Hij was oprichter en jarenlang voorzitter van de vereniging van antiquaren en gezaghebbend. Zijn kennis van het boek, incl. het joodse boek, was fenomenaal.

Tijdens de oorlog verloor hij vrijwel zijn gehele familie. Zijn boekenbezit was geroofd. Hij moest opnieuw beginnen. Anderen verbaasden zich over zijn energie en, ondanks alles, humor. Hij was geen gemakkelijk mens in de handel. Men vond hem streng, maar hij werd in zijn latere jaren milder.

Wie bij Hertzberger werd uitgegeven had een naam of kreeg een naam. Zoals Siegfried van Praag (1899-2002) die opgroeide in de Sarphatistraat. Zijn vader was diamantair. Siegfried kwam overigens graag in Artis om naar dieren te kijken en met evenveel liefde en belangstelling in de Lepelstraat waar de arme joodse sjacheraars woonden. Siegfried van Praag verloochende het jodendom allerminst, maar van de joodse wetten trok hij zich niets aan.

Van een voorgenomen biologiestudie kwam niets. Het werd Frans en hij werd leraar. Hij verhuisde in 1936 met zijn vrouw Hilda Sanders naar Brussel waar hij in de Franse wijk ging wonen. In totaal zou hij zestig boeken en essaybundels schrijven. Hilda Sanders speelde in de jaren dertig een belangrijke rol als pleitbezorgster voor uit hun land gevluchte Duitse en Oostenrijkse schrijvers. De laatste twintig jaar van zijn leven publiceerde hij niet meer. Misschien had hij alles gezegd wat er te zeggen viel. Onaardige critici noemden hem een broodschrijver. Boeiend hoe Van Praag de lezer meevoert in de joodse wijken in Parijs en Londen. Hij noemt de schrijvers die het leven daar uitbeelden zoals de Engelse jood Israël Zangwill wiens boeken over het Londense getto ook in het Nederlands werden vertaald.

Menno Hertzberger en Siegfried van Praag, beiden onmisbaar en helemaal nu aan de Leidse universiteit de leerstoel Jodendom is opgeheven. Ik heb ze na de oorlog nog gekend: Joden met niet meer dan lagere school die zelfstandig de vreemde talen leerden en zich zo toegang verschaften tot de wereld van kennis en wetenschap.

Misschien is het opnieuw tijd voor zelfstudie. Antiquariaat ‘t Wasdom biedt u de helpende hand. Dat laatste niet geheel terzijde.


Praag, S. van (1928). In eigen en vreemden spiegel (uit de letterkunde van en over Joden). Amsterdam: Menno Hertzberger. I.z.g.st., ingenaaid gebrocheerd, gebonden in linnen met rode belettering. 203 pp., 1e druk. Met illustraties, met bibliografie. Uit de collectie Igor Cornelissen. Zeldzaam € 47,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 17th, 2020 by Igor Cornelissen

Mozes, de man Gods, in een biezen mandje op de Nijl. Een kerstvertelling van Freud

Mozes was geen jood, maar een Egyptenaar en het monotheïsme was een leer of zo men wil uitvinding van de Egyptenaren. Die boodschap kwam hard aan bij de gelovige joden die meenden alles aan Mosje te danken te hebben. De studie werd zelfs als onaangenaam ervaren, ook door de niet eens meer zo heel erg gelovige joden. Het boekje verscheen voor het eerst in 1939 toen de joden in Duitsland en Oostenrijk vervolgd werden en er juist behoefte was aan iets dat hen verbond.

In sommige zeer geleerde kringen (Menno ter Braak, Karel van het Reve, Han Israels) is Freud wel weggezet als charlatan, wat in het Nederlands wel met oplichter mag worden vertaald. Niet alleen omdat niet iedere jongeling als liefste wens heeft met zijn moeder te mogen slapen. Ook wel omdat Freud wel eens een snuifje coke nam om het effect daarvan op de reactiesnelheid te meten en daarbij zichzelf als proefpersoon koos. Mooi woord in dit verband: proefpersoon. En zo was er meer waar men twijfels bij had, het bestaan van het onbewuste bijvoorbeeld.

Ook zonder Freudiaan te zijn, kan men toch wel opmerken dat de Weense zielenknijper (zoals de journalist Martin van Amerongen hem omschreef) zijn studies zelf serieus nam en ook aanpakte. En het is ontegenzeggelijk: Freud schrijft goed. Dat geldt zeker ook voor Freuds studie over Mozes waarvan in ieder geval wel vast staat dat er over diens leven weinig, oftewel niets vaststaat. Tenminste niet iets dat met historische bronnen kan worden bewezen. Maar misschien maakte Freud zich meer druk om de psychoanalytische waarheid dan om de historische waarheid. Wat blijft is een mooi verhaal over het knaapje dat in een biezen mandje op de Nijl drijvende werd gehouden en door een dochter van een joden hatende Farao wordt opgevoed, al kan het volgens Freud de Nijl niet zijn geweest.

En wie toch aan het mandje én de Nijl vasthoudt, wordt door Freud hooguit op een ander spoor gezet. Niet altijd is een zijspoor een dwaalspoor, zeggen wij op antiquariaat In ’t Wasdom.


Freud, S. (1947). Mozes en het monotheïsme. Amsterdam: G.W. Breugel. I.g.st., gebonden in halflinnen rugband. 186 pp., vertaling C. Houwaard. € 15,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 16th, 2020 by Igor Cornelissen

De vis wordt duur betaald of Barendje wil niet naar zee

Als men de naam Herman Heijermans (1864-1924) nog kent dan is het als schrijver van toneelstukken. Op Hoop van Zegen is nog wel eens te zien. Op toneel of op de televisie, maar dan zonder Esther de Boer- van Rijk (1853-1937) die ooit de vissersweduwe Kniertje met verve op de planken bracht – Kniertje, wier zonen verdronken op lekke schepen – en door de reder wordt afgescheept met een kommetje soep. Vissersvrouw Kniertje, door het lot getroffen, en haar opstandige zoon die niet naar zee wil op die rotschuit. Ik hoefde maar tegen mijn moeder te zeggen ‘Barendje wil niet naar zee’ of ze begon al te huilen. Maar zij had de echte Kniertje dan ook nog op het toneel gezien. De uitdrukking ‘de vis wordt duur betaald’ kent iedereen. Ook zij die niet weten dat die regel uit Op Hoop van Zegen komt en nooit van de duizendpoot Heijermans hebben gehoord.

Herman Heijermans was een veelschrijver, niet alleen van toneel. Hij schreef romans die gevreten werden omdat ze ‘verboden’ dingen beschreven zoals dat in Kamertjeszonde gebeurde: het ongehuwd samenleven. Hij vulde dagbladen met korte stukjes, er waren novelles zoals in Interieurs.

Heijermans was een zoon uit een joodse familie en die achtergrond bleef hij altijd trouw al kon hij genadeloos de kleinburgerlijkheid (en soms geniepigheid) in dat milieu schetsen. In Interieurs staat een verslag van een joodse begrafenis. Het is van minuut tot minuut te volgen. Plaats van handeling: het armoedige Amsterdamse getto waar joden opeengepropt woonden en men wel over de kosten móest bekvechten met de begrafenisondernemer.

Een verdwenen wereld, maar wie weten wil hoe het was, kan bij Heijermans terecht. Hij schreef behalve literatuur ook geschiedenis.


Heijermans Jr., H. (1898). Interieurs. Amsterdam: H.J.W. Becht. I.g.st., roestvlekjes. Mooie gave rood-bruine band. Gebonden in linnen, 222 pp., 1e druk. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 22,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 15th, 2020 by Jaap de Jong

Revisited – Het duo Chris Beekman en Sam Goudmit

Igor Cornelissen schreef er eerder over: ik doel op het tweetal Chris Beekman (1887-1964) en Sam Goudsmit (1884-1954). Ik citeer:

“Begin jaren twintig maakte Sam Goudsmit kennis met de schilder Chris Beekman (1887-1964), ook links, die zich korte tijd aangetrokken voelde tot De Stijl en andere moderne kunstvormen. Goudsmit, die nogal wat invloed had op Beekman, overtuigde hem ervan dat die moderne, half abstracte werken op de arbeiders geen indruk maakten. Beekman ging weer figuratief werken. “

Vandaag kwam ik. het boekje tegen. Een bijzondere uitgave waarin ook een afbeelding staat tijdens de periode van “abberatie” (van Chris Beekman). Die illustratie doet inderdaad sterk denken aan het werk van De Stijl. Ik vind zijn figuratieve werk mooier, maar dat doet er niet toe 😉

Ik heb leuk werk hier in het klooster!

Goudsmit, S. & Chris Beekman (1924). De Gast-Vertellers. Een serie pogingen tot een enigszins fatsoenlijk Cabaret in klein-kwarto. Laren-Gooi: De Meng. Gedrukt in beperkte oplage, gesigneerd door beide auteurs. Tekst Goudsmit, illustraties Beekman. Eerste druk van Kleine Ontdekkingen 1 (eerste en enige deel uit de reeks Kleine Ontdekkingen). I.z.g.st., met wat roestvlekjes.  Halflinnen met titeletiket op voorplat.

Oorspronkelijke eigenaar Emile Tegelberg, directeur SMN/NHM, villa "Rozenhage" te Baarn. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 49,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 15th, 2020 by Jaap de Jong

De gekkenlogger uit Katwijk aan Zee

In 1998 studeerde ik af op de historische reconstructie van een laat-modern geval van ‘bezetenheid’. (specialisatie cultuurgeschiedenis, Nieuwe Tijd). Daarna was ik als onderzoeker (in een soort ZZP-dienstverband) verbonden aan de Universiteit van Amsterdam (faculteit geesteswetenschappen & theologie).

Ik hield mij aan de UvA bezig met de historische reconstructie van de kwestie rond de Katwijkse ‘gekkenlogger’ Het ging in die zaak om een ingewikkelde wisselwerking tussen religieus en psychiatrisch afwijkend gedrag, ofwel ‘abnormaliteiten’ binnen een specifieke historisch-culturele context. In de volksmond ook wel ‘godsdienstwaanzin’ genoemd.

Onderstaande recensie schreef ik naar aanleiding van de verschijning van de roman Waanzee van Robert Haasnoot (Nederlands Dagblad, 7 mei 1999). De betreffende roman is overigens niet meer leverbaar bij Cornelissen & De Jong, maar elders nog wel voorhanden.


Zij waren dertien in getal, de opvarenden van de KW 171, Noordzee V [zie foto]. Drie van hen zouden de reis met de Katwijker logger, augustus 1915, niet overleven. Zij werden doodgeslagen door collega-vissers als gevolg van wat in de volksmond godsdienstwaanzin heet.

Auteur Robert Haasnoot, afkomstig uit Katwijk, bestudeerde de stukken en schreef een roman over de tragedie, Waanzee. In Waanzee treedt de gemeentesecretaris van Zeedijk op als verteller. Hij verslaat de gebeurtenissen op de logger, hun voor- en nageschiedenis. Eerst schetst hij een beeld van het religieuze klimaat in Zeedijk (Katwijk), een dorp waar het godsdienstige gezelschapsleven bloeit. Ook de zevenentwintigjarige Arend Falkenier, hoofdpersoon in het drama, bezoekt de bevindelijke gezelschappen. Na een visioen waarin zijn pas overleden vriend Koos aan hem verschijnt, komt Arend tot bekering. Haasnoot tekent hem als een brede, boomlange vent met doordringende ietwat uitpuilende ogen en een krachtige stem. Was Paulus bij zijn bekering een ogenblik met blindheid geslagen en Jakob mank gebleven, Arend krijgt ander lichamelijk ongemak: Hij wordt in minder dan twee maanden kaal. Hierna lijkt hij op zijn tirannieke vader, die hij hartgrondig verfoeit en wiens vroege dood hem tot halfwees heeft gemaakt. Sterk is Arend ook. Zo zou hij een keer de speerreep (waaraan zo’n negentig netten hingen, samen goed voor drieduizend kilo vis) met twee vingers zo strak hebben getrokken dat die bijna brak.

In het gezelschapsleven waarin Arend zich ophoudt, worden religieuze ervaringen besproken en doen verhalen de ronde over listige en vreeswekkende verschijningen van de satan, iemand zag de satan op het duinpad in de gedaante van een hond met lichtende ogen, briesend als een leeuw. Er wordt gesproken over de wegen van de ondoorgrondelijke God en de geestelijke stadia van de ziel. Haasnoot kent de tale Kanaäns, en niet alleen van horen zeggen. Daarom weet hij treffend de sfeer van het gezelschap te tekenen, zoals bij het zingen: “Schoorvoetend wordt het psalmvers ingezet. De mannen in het gezelschap leunen achterover, vouwen de handen op de buiken en zingen ”op ’t vleetje”: uiterst langzaam en met lange, nasale uithalen, hun stemmen als logge golven die traag rijzen en dalen (…). Met de ogen gesloten worden ze één met de denkbeeldige zee waarop hun zingende lichamen deinen: Een stroom van ongerechtigheden / Had d’ overhand op mij: / Maar ons weerspannig overtreden. Verzoent en zuivert Gij (…). In de stilte die op het gezang volgt komen zij weer aan land.” Dan volgt de fatale reis van de Noordster, die in augustus 1915 vanuit de haven van IJmuiden vertrok. De Eerste Wereldoorlog is in volle gang en de toch al grillige zee ligt vol met mijnen. De leden van de gezelschappen duiden de tekenen in het licht van het komende Koninkrijk. Een paar uur gaans van Zeewijk kan men het gebulder van kanonnen horen en voelt men de aarde schudden. De wereld lijkt in barensnood. Dit alles stimuleert het ontstaan van weer nieuwe religieuze bewegingen. Een jaar eerder hadden honderd aanhangers van het Wachttorengenootschap Zeedijk bezocht in een poging leden te winnen. Op zee met de Noordster wordt weinig vis gevangen, dus is er voldoende tijd voor het uitwisselen van religieuze ervaringen. Arend vertelt er veel. De vissers raken gaandeweg onder de indruk van zijn openbaringen. Door zijn lichamelijk en geestelijk overwicht neemt Arend langzamerhand het commando van de Noordster over. Hij vertelt dat de wereld is vergaan en dat de bemanning is uitverkoren om samen met hem naar het Nieuwe Jeruzalem te varen, waar hun vrouwen en kinderen veilig wachten. Zijn woorden gaan samen met bovenmenselijke staaltjes. Zo laat Arend het zwartleren boek Catechisatiën van Smytegelt door de lucht zweven en daarna in schuine stand op de tafel staan. Niemand kan het van z’n plek krijgen. Als Willem, een van de bemanningsleden, desondanks vraagtekens zet bij Arends geloofsijver, moet hij van Arend dansen opdat hij er dood bij zal neervallen. Ten slotte wordt Willem overboord gezet. Dat overkomt ook twee andere sceptici, die eerst gruwelijk worden toegetakeld en daarna gedood, omdat zij toch niet in Arend geloven. De overige bemanningsleden menen dat de duivel in de twijfelaars gevaren is.

Na de driedubbele doodslag ontmantelen de vissers het schip, vernielen de zeilen en werpen alles als overbodig materiaal overboord. Uiteindelijk treft een Noors vrachtschip de ontredderde bemanning van de Noordster aan en brengt haar naar Engeland. Eind september 1915 zijn de tien bemanningsleden terug in Nederland. Na een verblijf in het Haagse Huis van bewaring worden zij in verschillende inrichtingen ondergebracht. Ten slotte beschrijft de verteller de reactie in Zeewijk en reikt hij verklaringen aan uit de officiële verslagen: inductiepsychose, bevorderd door het aangeboren, plaatselijk bijgeloof op godsdienstig gebied. In Zeewijk maken eindtijdpreken van dominee Waalkamp diepe indruk. Niemand durft ’s nachts nog de straat op, bang voor hetzelfde lot als de bemanning van de Noordster en voor een invasie van duivels. Toch is het geloof van Arend Falkenier volgens het bevindelijk gezelschap tijdgeloof en Arend zelf een door God veroordeelde vanwege zijn hoogmoed. Het boek eindigt met een indrukwekkend verhaal, dat tegelijk de fascinatie van de vertellende gemeentesecretaris moet verklaren. Deze brengt samen met zijn vader en de burgemeester een bezoek aan de inrichting Wendegeest waar Arend Falkenier is opgesloten. De sceptische burgemeester vraagt Arend, hoe hij dat met het zwevende boek voor elkaar had gekregen. Dan ramt Arend met alle kracht die in hem is een schop in de grond en vraagt eerst de burgermeester en daarna de verteller de schop eruit te trekken: “Terwijl hij mij spottend aankeek voelde ik opeens een loodzware loomheid door mijn lichaam trekken. Ik geloof dat mijn vader mij nog wilde tegenhouden, maar toch heb ik de schop gepakt: ik omklemde de steel, vlak onder het handvat. Tweemaal, driemaal trok ik, maar ik zeg u dat mijn armen iedere keer weigerden te gehoorzamen aan mijn wil; mijn spieren slaagden er niet in voldoende kracht te ontwikkelen om de schop uit de grond te trekken (…) Arend liep op mij toe en legde even een hand op mijn schouders. Opeens wierp hij zijn hoofd achterover en ik hoorde hem in lachen uitbarsten. Hij draaide zich om en liep het grindpad af, met zijn armen gespreid en zonder ons nog een blik waardig te keuren. En dat was het laatste wat ik van hem zag, het laatste wat ik van hem hoorde: zijn rollende lach die, als ik dit verslag beëindig, weer tot mij komt uit een verre tijd, uit een wereld waarin andere wetten gelden.”

Robert Haasnoot schrijft dat hij gebruik gemaakt heeft van vrijwel elk rapport en verslag dat in de afgelopen jaren over de geschiedenis van de Katwijker logger verschenen is. Namen, achtergronden en karakteristieke bijzonderheden van betrokkenen zijn veranderd. De geschiedenis ligt bijna vijfentachtig jaar later nog steeds gevoelig in het dorp. Men spreekt niet graag over de zaak, die wel het best bewaarde geheim van Katwijk wordt genoemd. Sommigen menen zelfs dat het om een legende gaat, zoals de Vliegende Hollander. Dat is niet het geval.

Haasnoot is niet de eerste die zich over deze zaak buigt. De antropoloog Verrips publiceerde in december 1987 een artikel over de kwestie in het Sociologisch Tijdschrift De letterkundige en zenuwarts J.W. Schotman wijdde aan de kwestie het gedicht Hellevaart, dat hij in 1941 omwerkte tot de roman De blinde vaart. Schotman maakte gebruik van psychiatrische rapporten uit het gesticht Endegeest. In 1944 werd in opdracht van de toenmalige Katwijkse burgemeester mr. W.J. Woldringh van der Hoop opnieuw een onderzoek ingesteld naar de gebeurtenissen. Aanleiding was het drama te Meerkerk, waarbij een familielid van een boerengezin in een vlaag van godsdienstwaanzin werd doodgeslagen. Men wilde nagaan welke overeenkomsten er tussen beide voorvallen waren. Genoemde schrijvers suggereren een verband tussen de religieuze mentaliteit van de betrokkenen en de gebeurtenissen. De psychiatrie hechtte overigens geen waarde aan interpretaties als bezetenheid door de duivel. Dat standpunt werd gedeeld in de Gereformeerde Kerken. H.H. Kuyper rekende al in 1898 in de Friesche Kerkbode af met gebedsgenezing en duiveluitdrijving. Zijn felle artikelen waren mede ingegeven door het optreden van nieuwe religieuze bewegingen die met deze zaken nieuwe aanhang wierven, ook onder gereformeerden. Gereformeerde dominees waarschuwden tegen te snelle vereenzelviging van krankzinnigheid met bezetenheid door de duivel, hoewel men aan het bestaan van bezetenheid niet twijfelde. Er was sprake van zoeken en tasten op dit gebied. De predikant J.W.A. Notten, geestelijk verzorger in Veldwijk, schreef aan Abraham Kuyper, dat hij zich afvroeg of de psychiatrie niet veel meer aan de theologische dan aan de medische faculteit behoorde. Er werd namelijk overwogen een leerstoel voor de psychiatrie in te stellen aan de Vrije Universiteit. Notten schreef verder dat hij in Veldwijk meer en meer ”een stukske ornament aan den gestichtsgevel” dreigde te worden. Na 1900 werden krankzinnigheid en bezetenheid steeds meer medisch en niet theologisch verklaard, en Notten voelde dat wel aan.

De boeiende roman van Haasnoot vraagt om een vervolg in de vorm van wetenschappelijk verantwoord onderzoek van de gebeurtenissen. Die studie moet nauwkeurig onderscheid maken tussen feit en fictie en plausibele verklaringen geven voor wat er op de KW 171 gebeurde.


Haasnoot, R. (1999). Waanzee. Amsterdam: De Geus. I.z.g.st., 188 pp. Niet meer leverbaar.

Andere nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 14th, 2020 by Igor Cornelissen

Albert Johann Funke Küpper als illustrator

De tekenaar Albert Johann Funke Küpper (1894-1934) was van geboorte een Duitser maar hij voelde zich na zijn verhuizing volkomen Nederlander, een socialistische Nederlander welteverstaan. De linkse beweging had geen gebrek aan illustratoren die Kerk, Kroeg en Kapitaal met de pen bestreden. De beroemdste was Albert Hahn (1877-1918). Zijn tekening met als tekst Als Uw machtige arm het wil, staat gansch het raderwerk stil was bedoeld als steun voor de spoorwegstaking. Die strijd werd ondanks die prent toch verloren.

In die traditie staat ook Albert Johann Funke Küpper. Hij kwam weliswaar later, maar was niet minder sociaal bewogen. Bovendien werd zijn kunst ook erkend. Hij studeerde in Rotterdam aan de kunstacademie waar hij later ook docent werd. Later kwam hij in vaste dienst bij De Arbeiderspers. Hij vulde de bladen van de SDAP en de vakbeweging. In De Notenkraker en Voorwaarts waren zijn bijdragen onmisbaar. Veel felle aanvallen tegen Hitler en zijn brute aanhangers.

Albert Funke Küpper overleed bij een spoorwegongeluk toen hij met zijn auto werd aangereden. Dat was in 1934. Hij was op weg naar De Paasheuvel, hoofdkwartier van de AJC, de Arbeiders Jeugd Centrale. Die vereniging bestaat al lang niet meer en naar socialistische sporen op De Paasheuvel moet je met geduld zoeken. Küpper schilderde ook en hij ontwierp boekbanden. Hij had twee broers die ook actief waren als schilder, tekenaar en illustrator.


In memorium Albert Funke Küpper (1935). Amsterdam: De Arbeiderspers. In linnen. Binnenwerk uitstekend, rug los (verdient reparatie). Bevat vele ongepagineerde illustraties in zw./w en kleur. € 17,50

Met portret van Funke Küpper als frontispiece (door Van Raemdonck, nov. 1934, zie foto bij dit bericht). Met bijdragen - over verschillende aspecten van het werk van Funke Küpper - van de hand van: Y.G. van der Veen, Cornelis Veth, Koos Vorrink, E. Kupers, Jo Spier, Piet Bakker, A.M. de Jong, A. Pleysier. Daarnaast overzicht met affiches (eveneens ongepagineerd), zowel locaties (Nieuwmarkt, Zoutelande, Corsica. Personen, sociale situaties, naakten. Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 13th, 2020 by Igor Cornelissen

Houwdegen Kitchener – de man met het priemende oog

Egypte, Soedan, Zuid Afrika. Overal waar generaal Horatio H. Kitchener (1850-1916) zijn voetstappen zette, steeg het Britse wereldrijk in aanzien en faam. Tenminste bij de Britten die meenden dat ze er niet alleen recht op hadden dat in alle werelddelen vlag en wimpel wapperde, maar ook dat overwonnen volkeren blij moesten zijn dat er recht, orde en beschaving heerste. Daar hoorde het Christendom uiteraard bij.

Kitchener, hoewel in wezen schuw en ook nog bijziend, was een houwdegen. Philip Magnus voert de lezer aan de hand van Kitchener dat wereldrijk binnen en laat op onverbiddelijke wijze zien hoe Kitchener niet alleen de zwarten van Afrika, maar ook de blanke Boeren eronder kreeg en eronder wist te houden. Veel sabelgekletter en kruitdampen. Ook de (militaire) fouten die Kitchener maakte, maar aan diens populariteit niets afdeden, worden door zijn biograaf Philip Magnus in kaart gebracht.

Het Nederlandse publiek was destijds vooral geschokt door de krantenberichten over de door hem opgezette concentratiekampen. Daar werden duizenden Boeren met hun vrouwen en kinderen opgesloten. De toestanden waren erbarmelijk. Slecht eten en ontbrekende hygiëne. De vrouwen en vooral de kinderen stierven er als ratten. Een Engelse dame Emily Hobhouse kreeg na veel tegenstand de mogelijkheid om in 1901 een aantal kampen te bezoeken. Ze schrok zich rot. Ze publiceerde er over, een onderzoek werd ingesteld, maar er veranderde weinig. Kitchener ergerde zich rot aan ‘dat klerewijf’. Later is geschreven dat Kitcheners concentratiekampen model hebben gestaan voor de vernietigingskampen onder Hitler, maar dat waren een paar stappen te ver.

Overigens heeft mijn oom Herman (ik heb hem helaas niet gekend) in Zuid Afrika gevochten aan de zijde van de Boeren. Toen hij terugkwam naar zijn geboortestad Monnikendam is hij daar als een held ingehaald. Oom Herman heeft over het hele land lezingen gehouden over de erbarmelijke kampen. Hij wist waar hij het over had: Hij was er gevangene geweest.

Kitcheners naam mag in Nederland nu onbekend zijn, zijn beeltenis heeft iedereen wel eens gezien in een geschiedenisboek. Hij is de man met de priemende ogen en uitstekende wijsvinger op de affiche uit 1914 die de Engelse jongemannen opriep dienst te nemen in de Eerste Wereldoorlog. ‘Your Country needs YOU’. Honderdduizenden jongens kwamen om tijdens gevechten in de loopgraven van België en Noord Frankrijk. Kitchener verdronk toen een Duitse torpedo een Britse schip tot zinken bracht. Kitchener was daar aan boord met een diplomatieke missie op weg naar Rusland.

Het zou interessant zijn eens uit te zoeken wat er in de Nederlandse kranten tijdens de Boerenoorlogen over Kitchener is gepubliceerd. Maar dat terzijde.


Magnus, Ph. (1958). Portrait of an imperialist. London: John Murray. I.g.st., gebonden in rood linnen gouden belettering. Met stofomslag. 409 pp., 1e druk. Met illustraties. € 22,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 12th, 2020 by Jaap de Jong

Ezau’s linzensoep en de gure wind in de Lange Nieuwstraat

De Dunne Man loopt door de glazen schuifdeuren naar buiten. Daar ligt een groot stuk hout: afgehouwen hout. De Dunne Man associeert plek en hout met de bestseller Wie is van hout van de psychiater Jan Foudraine (1929-2016). Teksten dringen zich als vanzelf aan hem op, zeker als hij het moeilijk heeft. Nog geen vijf minuten terug zat hij op de vierde verdieping in het enorm lelijke, hoog optrokken, gele gebouw aan de Lange Nieuwstraat. Daar, op die vierde verdieping, volgt De Dunne Man in een kale lege ruimte zonder groen – en met medewerkers achter glas – de cursus Ontcijferen. Over het decoderen van taal.  In dat gebouw mag je ook roken, als je even niet wilt praten, leren of breien. Daar, op een binnenplaats, tussen hoog opgetrokken glas met wat smalle kieren verdwijnt alleen sigarettenrook. De Dunne Man kijkt naar boven. Daar, op die vierde verdieping, was hij zojuist bij het Meisje met de Vlecht. Van haar kreeg hij een vel papier. Het is omwikkeld met wat aan elkaar gebreide draden. Restafval van een das: “In die das zit al mijn verdriet”, zei ze bij het afscheid.

De Dunne Man tast in zijn zak om het in elkaar gevouwen papier te pakken Hij wikkelt het uit elkaar en leest. Er staan drie woorden op, in rode letters: liefde is onaantastbaar. Als het moeilijk wordt, denkt de Dunne Man aan de boeken. Hij denkt eigenlijk altijd aan boeken. Is er een betere samenvatting van Paulus brief aan Korinthe dan deze drie woorden, zo vraagt hij zich af.  Nee, Paulus schrijft niet best. Lange, met komma’s doorspekte, onleesbare zinnen. Ja, het zijn vooral de komma’s die de tekst onleesbaar maken voor een vleselijk mens. Maar een kortere weergave van Kor. 13 is onbestaanbaar: liefde is onaantastbaar.

In deze straat waait immer een gure wind. Tranen vriezen er vast op je wangen. De Dunne Man heeft geen tranen meer om vast te vriezen. Wel honger. Hij besluit om iets te gaan eten. In het midden van de Lange Nieuwstraat staat een kraam voor een restaurant. De weg naar binnen is niet meer begaanbaar, maar buiten, bij de houten kraam, is linzensoep te koop: Syrische linzensoep. De Dunne Man denkt onmiddellijk aan de geurige linzensoep van Jakob, die daarmee zijn broer Ezau het eerstgeboorterecht ontfutselde. Hij glimlacht en vraagt zich af hoe vaak hijzelf het eerstgeboorterecht verkocht. De geur is onweerstaanbaar en de Dunne Man krijgt zin. Op de vraag of de linzensoep de prijs van het eerstgeboorterecht waard is kijkt de kok hem vragend aan. Mohammed nam het linzensoepverhaal niet over in de Koran. De Dunne Man besluit het te wagen: een verhaal voor een kop linzensoep ofwel Ezau’s prijs voor het Zintuiglijk Genot. De soep is kruidig, smakelijk ook. En de verkoper-kok geniet van het verhaal. Hij zegt dat hij zijn soep voortaan Ezau’s Linzensoep zal noemen. De Dunne Man tipt hem er een volgende keer kip en koriander in te doen en wandelt tevreden verder. Het woord gods vergaat nimmermeer.

Door de smalle Dorstig Hartsteeg naar de Oudegracht. Daarna langs het huis met het muurgedicht van Ingmar Heytze die schrijft dat vrijheid nooit vanzelf spreekt. Aangekomen bij het antiquariaat Hindericks & Windericks vraagt De Dunne Man of er boeken zijn over locomotieven. “Neen”, zegt de antiquaar en schrijft verder in het Winkeldagboek. Er ligt wel ander prachtigs: Hans van Straten, Multatuli, Ter Braak en wat al niet meer. Desnoods kan Hindericks een tekst van Nescio leveren (in rood-zwarte belettering): “’Ik zit op den berg en kijk in het dal (…). Dat is dor, er is geen water”. Edoch, geen teksten over locomotieven en ook Jan Foudraine wordt niet verkocht. Misschien voor 150 eurocent bij overbuurman Stichting De Arm.

De anti-psychiatrische beweging is dood, het evenwicht tussen Pil en Praat is zoek en Jan Foudraine is uit. Maar De Dunne Man heeft zijn tekst. Drie woorden: liefde is onaantastbaar.


Foudraine, J. (1971). Wie is van hout... Een gang door de psychiatrie. Ambo: Bilthoven. Niet leverbaar, behalve digitaal

Nieuwe oude boeken die wèl te koop zijn bij Cornelissen & De Jong

december 12th, 2020 by Igor Cornelissen

Sam Goudsmit, het naturalisme en het Kamper & jiddische dialect

Sam Goudsmit (1884-1954) werd geboren in Kampen, een gereformeerd bolwerk. Kampen telde  in 1899 nog 252 joden (het waren er meer geweest; de trek naar de grote steden was al begonnen) en de meeste joden gingen nog trouw naar de synagoge. Sam Goudsmit stamde uit een arm gezin met veel kinderen. Hij was, het kwam veel vaker voor dan tegenwoordig, autodidact. Hij vertaalde zelfs Rousseau uit het Frans, maar was, nadat hij naar Amsterdam vertrok, toch vooral met zijn eigen werk bezig.

In zijn eerste boeken laat hij zien hoe het (joodse) leven zich in zo’n klein provinciestadje voltrok. Enerzijds respect voor het Oude Volk, anderzijds permanent de ‘risjes’, kleine plagerijen gemengd met de bekende vooroordelen. Sommige van zijn vroegere boeken schreef Goudsmit in een mix van Nederlands met Kamper dialect waarbij de joden de jiddische woorden en termen gebruikten. Zoekenden is een roman in de stijl van het naturalisme, een stroming dat als doel had op precieze, bijna wetenschappelijke wijze de werkelijkheid van het gewone leven te beschrijven.

Van zijn plannen om rabbijn te worden kwam niets. Goudsmit werd gegrepen door de nieuwe leer, de aardse Verlossing: het socialisme dat bij hem in latere jaren het communisme werd. Hij meldde zich zelfs aan als lid van de partij.

Sam Goudsmit had redelijk succes met zijn boeken. Sommigen werden zelfs herdrukt. Begin jaren twintig maakte hij kennis met de schilder Chris Beekman (1887-1964), ook links, die zich korte tijd aangetrokken voelde tot De Stijl en andere moderne kunstvormen. Goudsmit, die nogal wat invloed had op Beekman, overtuigde hem ervan dat die moderne, half abstracte werken op de arbeiders geen indruk maakten. Beekman ging weer figuratief werken. De oorlog vernietigde Goudsmits geloof in een betere toekomst niet, maar dat  in een concentratiekamp  zijn meest geliefde zoon  verloor, kwam hij niet te boven. Goudsmit schreef na de oorlog nog maar weinig. In de andere zoon, die een binnenschip bestuurde, had hij niet veel fiducie. Toch probeerde hij hem te helpen. Hij vroeg de bemiddelde communiste Mathilde Visser om vierduizend gulden te leen om de jongen die een zware hypotheek tot last had te ondersteunen.

Goudsmit behoort tot de ‘vergeten schrijvers’, maar wie wil weten hoe de ploeterende joden in de provincie rond 1900  leefden, kan niet om hem heen. Bij zijn crematie sprak namens de Vredesraad L. Boas, een schoonzoon van de schrijver Nescio. Aanwezig namens het partijbestuur was Paul de Groot, opmerkelijk omdat de partijleider ongaarne dat soort gelegenheden bijwoonde. Wel een bewijs dat Goudsmit bij de partijleiding in aanzien stond.

In Kampen is een hofje naar hem genoemd, niet ver van de imposante Bovenkerk. Er wonen nu, voor zover bekend, geen joden meer in Kampen. De fraaie synagoge aan de IJssel  is gerestaureerd. Daarin worden nu af en toe culturele bijeenkomsten gehouden.


Goudsmit, S. (z.j.[ca. 1906]. Dievenschool. Amsterdam: Van Holkema & Warendorf. I.z.g.st.. Gebonden in linnen, 224 pp., 1e druk.  

Goudsmit, S. (1907). Zoekenden. Amsterdam: Van Holkema & Warendorf. Omslag rafelig aan zijkant, binnenwerk goed, vergeeld papier, 297 pp., 1e druk.

Goudsmit, S. & Chris Beekman (1924). De Gast-Vertellers. Een serie pogingen tot een enigszins fatsoenlijk Cabaret in klein-kwarto. Laren-Gooi: De Meng. Gedrukt in beperkte oplage, gesigneerd door beide auteurs. Tekst Goudsmit, illustraties Beekman. Eerste druk van Kleine Ontdekkingen 1 (eerste en enige deel uit de reeks Kleine Ontdekkingen). Beekman was actief in de beweging van De Stijl. Oorspronkelijke eigenaar Emile Tegelberg, directeur SMN/NHM, villa "Rozenhage" te Baarn.

Uit de collectie Igor Cornelissen. In combinatie en inclusief pak- en verzendkosten: 85 euro. Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 11th, 2020 by Igor Cornelissen

Jan Hanlo was een vreemde kerel

Jan Hanlo was een vreemde kerel. En dat niet alleen omdat hij op jonge jongens viel, veel te hard op zijn motor reed (en zo verongelukte), al vroeg straf kreeg en gecastreerd werd en ook niet omdat hij in Limburg in een poortwachtershuisje woonde en bij mijn weten de katholieke kerk op zijn manier trouw bleef. In zijn biografie staat nog veel meer.

Hanlo verzamelde gemberpotjes en die wilde hij wel aan een goede vriend laten zien. Het bleef bij één potje. De vriend vroeg waar de rest van de verzameling was. Die was er niet. Hanlo had maar één potje. ‘Ik ben net begonnen met verzamelen,’ verduidelijkte hij. Hanlo is een van de weinige dichters die het tot kamervragen bracht. het ging om zijn spraakmakende ‘oote oote boe’ gedicht. Het zal wel een christelijke afgevaardigde zijn geweest die aan de minister vroeg waarom dat nu gesubsidieerd moest worden.

Hanlo gold als een groot jazzliefhebber en hij maakte een mooi gedicht over de St. Louis Blues. Maar had hij er ook verstand van? Ik betwijfel dat want in een stukje in de AVRO Bode noemde hij de Jazz Me Blues gespeeld door Jelly Roll Morton de mooiste jazzplaat die hij kende. Morton heeft dat nummer misschien wel gespeeld, maar het is door hem nooit op de plaat gezet.

Ik ben eenmaal met Hanlo in Amsterdam op pad geweest. Ik huurde toen een kamer bij Frieda Koch, de ex echtgenote van Bert Schierbeek en vroegere geliefde van Lucebert. Jan Hanlo die, ook blijkens zijn brieven, vaak bij dichters en kunstenaars in Amsterdam op bezoek ging, was in de Van Eeghenlaan nummer 7 te gast bij Frieda Koch en haar nieuwe vriend de vertaler uit het Frans Nico Lijssen. Toen bij hen het gesprek op jazz kwam, zei Frieda dat hij beter naar haar kamerhuurder boven kon gaan. Die wist er veel van. Ik draaide platen voor Hanlo die hem erg bevielen. Dat de door hem beluisterde Morton plaat niet bestond, verbaasde hem zeer. Omdat Jan Hanlo dorst kreeg en ik niets in huis had, kwamen we snel terecht in café Pieper op de Prinsengracht. Toen en nu nog een uiterst prettig café. Ik heb nog nooit iemand zo snel dronken zien worden. Na een uur sloeg Hanlo alleen nog maar wartaal uit over een sneeuwgans, volgens hem een stom beest. Hoe wij (of bleef hij nog?) thuis zijn gekomen, weet ik niet meer.

Veel interessantere ontmoetingen zijn te lezen in de zorgvuldig uitgegeven Brieven. Hij schrijft in 1963 dat hij bij Frieda en Nico langs zal gaan en daar waarschijnlijk zal overnachten. Over de sneeuwgans vond ik helaas geen verdere sporen. Jan Hanlo zal waarschijnlijk de enige gedundrukte schrijver/dichter blijven die ik heb ontmoet.


Hanlo, J. (1989). Brieven [2 dln. 1931-1962, 1963-1969]. Amsterdam: G.A. van Oorschot. I.z.g.st., prachtexemplaar. Gebonden in blauw linnen met diepblauwe belettering. Met stofomslag, 1e druk. Met bibliografie, register en noten. € 37,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 10th, 2020 by Igor Cornelissen

Van paria tot prins. Het leven van de avonturier Harry Domela

Hoe vaak ben ik niet iemand tegengekomen die verzuchtte: ‘Meneer, mijn leven? Ik zou er een boek over kunnen schrijven.’ Gelukkig deden ze dat nooit. Harry Domela (1905-na 1978) had die aansporing niet nodig. De valse prins werd in Duitsland goed verkocht, zijn leven verfilmd en op de planken gezet. Net echt.

Het echte leven van deze in Litouwen in 1905 geboren zoon uit Duitse ouders is bij mijn weten nooit nauwkeurig opgeschreven. Te veel vraagtekens. Hij vocht in de Eerste Wereldoorlog, vijftien jaar jong, tegen Baltische rebellen. Zijn vader en een broer sneuvelden tijdens de Eerste Wereldoorlog. Harry maakte er na 1918 het beste van door zich voor te doen als iemand die stamde uit de adel. Hij werd geloofd. Zakenlieden gaven hem geld en hij was te gast op dure diners. Hij kon zelfs doorgaan voor een kleinzoon van Wilhelm II, de laatste keizer van Duitsland.

Zijn bedrog kwam aan het licht. Tijdens zijn gevangenschap in Keulen schreef hij zijn boek. Hij werd vrijgesproken; het bedrog werd niet strafbaar geacht, Hij vluchtte na 1933 naar Nederland waar de schrijver Jef Last, zelf niet vies van avontuur, zich over hem ontfermde. Last stuurde hem door naar de schrijver André Gide in Frankrijk die hem verder hielp. Harry Domela vocht samen met Last in de Spaanse Burgeroorlog. In 1940 kon hij dankzij hulp van Gide nog naar Mexico ontkomen waar hij volgens sommigen als leraar aan de kost kwam. In 1965 had Last nog briefcontact met hem. Na 1978 is Domela’s spoor zoek.

Ik kreeg zelf nog even met Harry Domela te maken toen Last er bij mij in 1965 op aandrong over Harry Domela te schrijven. Ik was nog maar net gestart met een onderzoekje toen er een dwingende brief kwam van Last dat ik niet over Domela moest schrijven. Het zou zijn vriend in gevaar kunnen brengen. De precieze redenen zullen we, hoop ik, vernemen als volgend jaar de al vaak aangekondigde biografie van Rudi Wester over Jef last verschijnt.

Domela, H. (1928). Van paria tot prins van Pruisen. Gedenkschriften van. Harry Domela. In de gevangenis van Keulen door hem zelf geschreven. januari-juni 1927. Baarn: Hollandia. I.z.g.st., gebruind papier, gaaf exemplaar met mooie linnen band, 231 pp. Handtekening van de auteur en gedateerd: Amsterdam, 1 juli 1935. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 57,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 9th, 2020 by Igor Cornelissen

Alice van Nahuys, vertaalster van Schnitzler en directeur bij Querido

Voor Vrij Nederland schreef ik eens een artikel over de uitgever Emmanuel Querido (1871-1943) die door de nazi’s werd vermoord. Querido had voor de oorlog al een indrukwekkend fonds had met vertalingen van belangrijke auteurs.

Een aantal van die vertalingen werd gemaakt door Alice van Nahuys (1894-1967) die hij bij Ontwikkeling (de voorloper van de Arbeiderspers) had weggepikt. Volgens Alice mocht ze in het begin alleen maar rekeningen uittikken. Daar kwam spoedig verandering in, want Querido zag wat in haar. Of beter: veel. In 1929 werd ze directeur bij Querido, net 35 jaar oud. Drie jaar eerder vertaalde ze Else van Arthur Schnitzler, maar ze had ook in 1920 al werk van hem vertaald. Zij was ook de eerste die na de oorlog Kafka vertaalde in het Nederlands. En ze ontdekte de schrijfster Hella Haasse.

Alice van Nahuys was behalve uiterst aantrekkelijk heel intelligent. Zo heeft althans Klaus Mann haar omschreven. Mijn kompaan vertelde mij ook al dat er tussen die twee variabelen een positieve correlatie zou zijn. Ik wil het verder niet weten, dus dit terzijde. Was er iets tussen Querido en Alice van Nahuys? Toen zij trouwde met een meneer Van Eugen, ontsloeg Querido haar om haar later weer aan te nemen. Was dat ontslag een conservatief trekje van Emmanuel Querido en ging hij even mee in de ‘gewoonte’ om vrouw na een huwelijk te ontslaan?

Elma Drayer schrijft aan de biografie van Alice van Nahuys die naar verwachting over twee jaar bij Querido zal uitkomen.

Schnitzler, Arthur (1926). Else [vertaling van: Fräulein Else]. Amsterdam: Em. Querido. I.g.st., vergeeld papier. Gebonden in linnen, 162 pp., 1e druk. Vertaling Alice van Nahuys. € 18,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, zoals Schnitzler en ander werk.

december 8th, 2020 by Igor Cornelissen

Edgar Allan Poe en de wijnproeverij met losbol Peter Lorre

Edgar Allan Poe (1809-1849) verloor zijn ouders, rondtrekkende acteurs, voor hij drie jaar was.  Poe werd literair criticus, dichter en schrijver van novellen. Het duurde even voordat hij succes had met het gedicht The Raven. Poe schiep als het ware een nieuwe wereld met zijn lugubere, gewelddadige verhalen die menigeen nachtmerries bezorgde. Wat zijn bedoeling was. Hij wordt als de vader van de detective beschouwd. De Gothics zijn zwaar door hem beïnvloed. Horror stond bij hem hoog in het vaandel wat hij afwisselde met drinken en gokken. Wat weer schulden veroorzaakte waardoor hij wel weer naar de pen moest grijpen.  Hij was ook thuis in de kosmologie en de kennis van geheimschriften.

Veel van zijn verhalen zijn verfilmd. Ik zag een film, ik meen de geschiedenis waarin een graaf, gespeeld door Vincent Price, het opneemt tegen een losbol, schitterend vertolkt door de van origine Hongaarse filmacteur Peter Lorre (1904-1964). Bij een wijnproeverij zal de verliezer zijn leven verliezen. Lorre drinkt tegen de klippen op, de graaf doet het voorzichtig aan. Als iedereen denkt dat Lorre het onderspit delft, weet hij, inmiddels strontlazarus, niet alleen het merk en het landgoed van het wijn te noemen maar er ook nog, met dikke tong, triomfantelijk aan toe te voegen: zuidelijke helling.

Ik, die totaal geen verstand heb van wijn en het zelden drink, mag graag Peter Lorre imiteren met dat “zuidelijke helling”. Ik heb Peter Lorre in meer opzichten hoog zitten. Dat laatste terzijde.


Edgar Allan Poe. Complete works of Edgar Allan Poe (10 volumes). New York: Fred de Fau & Company. Copyright 1902 G.P. Putnam’s sons. I.g.st., gaaf exemplaar van het Engelstalige Verzamelde Werk van Poe.

In linnen gebonden. Met register op titel (in deel X). Elk van de tien delen heeft een eigen frontispies-pagina. Goud op snee (kop). Titelpagina rood-zwarte belettering. Oplage 1000 st., genummerd waarvan dit werk nummer 315 draagt. Met inleiding van Charles F. Richardson, literair historicus en editor van de collected works: Edgar Allan Poe, World-Author (LIII). Uit de collectie Igor Cornelissen. Tegen ieder aannemelijk bod. Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 7th, 2020 by Igor Cornelissen

Roosevelt, koning van Amerika. Ogenschijnlijk zachtmoedig, maar een vechter

Toen Jan Blokker in de Volkskrant Lammers biografie van Roosevelt besprak, constateerde hij dat er op dat moment (1992) in Nederland weinig belangstelling bestond voor de strijd om het Witte Huis. Dat is nu wel anders door of dankzij Donald Trump. De Amerikanist A. Lammers (hij doceerde vele jaren in Leiden) stelde zelf vast dat, als er al belangstelling was voor Amerika, de aandacht vooral was gericht op links Amerika. Dat waren de demonstranten tegen de oorlog in Vietnam, en aan de ‘zwarte’ kant dominee Luther King, Eldridge Cleaver, Malcolm X. en de Black Panthers. Ik herinner me dat zelfs het zeer stalinistische meisje Angela Davis veel aandacht kreeg

Dat er een enorme middengroep bestond in de VS en een nog grotere aanhang voor conservatief-religieuze denkbeelden ontging de Nederlander omdat er niet of nauwelijks over werd geschreven.

Op de achterflap staat dat Lammers een elegante biografie schreef over de president die zijn land uit het isolationisme moest trekken om mede de strijd tegen nazi Duitsland en Japan te voeren. In 1921 werd hij geveld door polio. Hij bleef een vechter, ogenschijnlijk zachtmoedig. Na de oorlog is hem verweten dat hij zich te zwak opstelde tegenover Stalin. Polen werd ‘’weggegeven’ en in zijn eigen land hadden communisten toegang tot allerhande ministeries. Over China werd hij opzettelijk verkeerd voorgelicht door links gezinden.

Maar ook bij Lammers blijft Roosevelt overeind als een sympathieke man die begreep dat er van overheidswege iets moest worden gedaan aan de massale werkloosheid. Zijn New Deal was een moedige en deels geslaagde poging daar iets aan te doen. Lammers is een voorzichtig man. In zijn voorwoord schrijft hij dat je een mens nooit helemaal kunt doorgronden. Je kunt hooguit suggereren.

Lammers, A. (1992). Franklin Delano Roosevelt. Koning van Amerika. Een biografie. Amsterdam: Balans. I.g.st., paperback met flappen, 319 pp, met illustraties en bibliografie. Uit de collectie Igor Cornelissen € 16,95 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 6th, 2020 by Jaap de Jong

De blasphemie van Jan van Leyden en de emancipatie van de doopsgezinden

Mijn privé-boekerij bevat een relatief kleine, maar fijne collectie Mennonitica: boeken, tijdschriften, bibliografieën etc. over de doopsgezinde theologie & geschiedenis. Elk jaar komt daar een nummer van de Doopsgezinde Bijdragen bij, het jaarboek dat in de 19e eeuw werd opgericht (Oude Reeks, 1861-1919) en in de 20e eeuw opnieuw leven werd ingeblazen (Nieuwe Reeks, 1975-heden). Ik doe daar momenteel niet heel veel mee, behalve dan als het regent: op zondagen in november en december, zoals vandaag.

Afgelopen donderdag viel het nieuwste nummer van de Doopsgezinde Bijdragen op de deurmat. Aangenaam verrast geef ik hier een korte weergave van de inhoud. Piet Visser levert op zijn eigen wijze – humoristisch-ironisch en betrokken – een diepgravende analyse van de bronnen rond de organisatie van het hulpbetoon van de Nederlandse doopsgezinden aan de migratie van de Zwitserse broeders [die in Amerika nog steeds bekendstaan als de Amish, waarvan sommigen in Nederland achterbleven en gemeenten vormden in Kampen, Deventer, Groningen en Harlingen]. Hij laat ook zien dat (en hoe) de succesvolle bemiddeling bij de Nederlandse overheid bij het hulpbetoon aan de vervolgde Zwitserse mennonieten blijk geeft van voortschrijdende emancipatie van de Nederlandse doopsgezinden.

Ik was ook onder de indruk van de bijdrage van Mirjam van Veen over de veranderende houding van de gereformeerden (Guillaume Farel) ten opzichte van de dopersen. Beiden dongen in de vroege zestiende eeuw naar een steviger positie op de religieuze markt, waarbij de dopersen uiteindelijk het onderspit delven. Het mislukte avontuur in Münster, de blasphemie van Jan van Leyden (1509-1536), die daar het dopers koninkrijk en het Nieuwe Jeruzalem poogde op te richten (met gemeenschappelijk bezit & polygamie) was daar debet aan. Het Münsterse avontuur en de naweeën ervan komen ook aan de orde in de artikelen rondom De blasphemie van Jan van Leyden (eerste uitgave dan wel herdruk uit 1627) van James M. Stayer en Brookelnn A. Cooper. Het auteurschap van De blasphemie van Jan van Leyden werd toegeschreven aan Menno Simons (ca. 1496-1561), maar daarover rezen al in de 19e eeuw twijfels. In elk geval speelt het boek – tenminste bij de eerste zestiende eeuwse (?) dan wel de herdruk (?) uit 1627 – een rol om Menno Simons en de mennonieten te zuiveren van de Münsterse associaties. Die zuivering – ofwel het isoleren van de mennonieten van de Münstersen, spiritualisten en andere, soms meer geweldadige groepen – zou immers de acceptatie van de vreedzame mennonieten vergroten en hun emancipatie stimuleren. De discussie over de bronneninterpretatie en het auteurschap van De blasphemie (James M. Stayer en Brookelnn A. Cooper) krijgt bij Cooper ook een meer technische en boekhistorische wending. Boeiend.

Ruud Lambour, specialist op het terrein van de Amsterdamse doopsgezinden in de lange zeventiende eeuw, levert een kleurrijke bijdrage in zijn artikel over bezitters van atlassen, kaarten en prenten. Mooi werk! En dat geldt ook voor de bronnenanalyse van Alpita de Jong die de preek van de illustere predikant Joost Halbertsma (1789-1869) op de Gorsselse heide analyseerde. Was de uitnodiging tot het houden van die preek in de nazomer van 1823 – een praktische uitwerking van de gelijkberechtiging van de verschillende godsdiensten – inderdaad een teken van een afgeronde emancipatie van de doopsgezinden? Halbertsma vond van wel. En zo is er nog veel meer, bijvoorbeeld over het studentenleven aan de Kweekschool rond 1840 en het hulpbetoon aan Oost-Europese ontheemden in de 20e eeuw.


Het nieuwste nummer van de Doopsgezinde Bijdragen is helaas niet te koop bij Cornelissen & De Jong. Ik bewaar mijn collectie Mennonitica vooralsnog in de privé-boekerij en sta open voor aanvullingen. Dat dan weer wel. Meer informatie over bestelmogelijkheden van de Doopsgezinde Bijdragen staan op de website van de Doopsgezinde Historische Kring.

december 5th, 2020 by Jaap de Jong

De nieuwe Parelduiker duikt weer diep

De schrijver, schilder en matroos Jef Last (1898-1972) had minstens dertien levens. In het nieuwste nummer van De Parelduiker beschrijft Rudi Wester de bemoeienissen van Last met de Indonesische zaak. In zijn goed gedocumenteerd artikel wordt duidelijk dat de idealen van Last inzake Indonesië – waar hij geliefd was als mens en leraar – stukliepen op de realiteit. Ook op de realiteit van Soekarno met wie hij bevriend was en die naast Indonesië ook Irian Jaya wilde losmaken van Nederland. Hij maakte daar eerder een afspraak over met God die had toegezegd dat hij de Simon Bolivar van Indonesië zou worden. Jef Last daarover: “er bestaat in de politiek niet zo gevaarlijks als staatslieden die menen dat God tot hen gesproken heeft.” Binnenkort verschijnt de biografie van Rudi Wester over Jef Last.

Verder aandacht voor Martinus Nijhoff als toneelschrijver tijdens de Duitse bezetting. Nijhoff schreef overigens al in 1916 een toneelstuk – een clowneske rapsodie – over Pierrot dat indertijd veel indruk op mij maakte. Ik leerde het stuk (Pierrot aan de lantaarn) uit het hoofd en citeer het nog wel eens: Ik was als kind te ouwelijk/ik was als man te vrouwelijk/leven is dromen, en de dood/denk ik, is’t die ons wakker stoot. Pierrot aan de lantaarn is een melancholisch & ironisch gedicht. De twee “tegenspelers” (Pierrot en Harlekijn) hebben onverenigbare (?) levensvisies en de melancholicus delft uiteindelijk het onderspit. Hem wordt de das omgedaan. Maar dit terzijde.

Pierrot aan de lantaarn behoort waarschijnlijk niet tot het type dichtwerk dat de gemiddelde mens in oorlogstijd een hart onder de riem zou steken en dat wilde Nijhoff wel, stelt Bert Slijper. Nijhoff schreef in de oorlog twee stukken voor opvoeringen in de kerk. Hij wilde universeel verstaanbaar zijn en zou het liefst taalloos wilde schrijven. In zijn poging dit te realiseren en de bijbelverhalen in het licht te stellen bleef hij ploeteren en schaven. Het is wat vreemd, dat taalloos schrijven. Het doet me denken aan het verzamelen van herfstbladeren in manden zonder bodem, maar Slijper legt het uit.

En dan is er nog een groot artikel over Proust: Proust in Bogotá. Literaire verkenningen van Colombia van Peter Daerden dat ik zeker ga lezen. Tot nu toe haak ik bij Proust zelf steeds af en verkeer ik niet onder de goden die hem uit het hoofd citeren en dan bedoel ik niet de theedrinkers die hun oranje madeleines in de bloesemthee dompelen en vervolgens Proust ter sprake brengen en daarbij een of andere laffe jeugdherinnering ophalen. Maar dat niet-lezen van Proust gaat veranderen. Na lezing van dit artikel probeer ik het opnieuw.

Hein Aalders en Bart de Cort schrijven over resp. Waldie van Eck en Maurits Dekker. Arno van der Valk vertelt ons in Schraalhans keukenmeester meer over de maaltijden in Reve’s Avonden. In de rubriek Schoon & Haaks bespreekt Jan Paul Hinrichs de boeken en komt zelfs het nu al beroemde antiquariaat ’t Wasdom alsmede het nieuwste boek van Igor Cornelissen ter sprake. Wij hebben nog geen tap in ’t Wasdom, maar die is al wel besteld. Het is maar dat u het weet.

Overigens kunt u bij ons het boek van Igor bestellen, alsmede dat van Ronit Palache die eerder een boek met stukken van Ischa Meijer samenstelde (incl. inleiding) en nu van Renate Rubinstein.

Koop oudere nummers van De Parelduiker(s) bij Cornelissen & De Jong. Overigens kunt u via de website van De Parelduiker ook een abonnement afsluiten.

december 5th, 2020 by Igor Cornelissen

Jerme Os en de verschijning van het witte paard

Joseph Gompers (1899-1945) was een Amsterdamse kantoorbediende die in de oorlog met zijn hele familie werd vermoord. Hij verzamelde verhalen uit de Maäseh-boeken. Die legenden en volksverhalen, zo schrijft Gompers in zijn Voorwoord, vormden hoofdzakelijk de lectuur der vrome Joodse vrouwen. Volgens de vertaler geven ze een uitstekend beeld van de mentaliteit der Joden uit de vijftiende en zestiende eeuw. Met uiteraard vaak een wijze rabbijn met uitleg en goede raadgevingen.

Toen ik enkele verhalen las schoot mij een verhaal te binnen dat mijn moeder mij vertelde over mijn overgrootvader Bernard (Jerme) Os (ca. 1824-1919). Jerme sprak Jiddisch, maar kon zich goed verstaanbaar maken over de handel die hij kocht en verkocht. Iedereen begreep zijn Jiddisch. “Oend selbst die Brik sprach noch Jiddisch.” [en zelfs de brug sprak Jiddisch]. Jerme dreef al vóór 1900 handel in Meppel, Hasselt en Zwartsluis. Te voet vanuit Zwolle naar klanten in Meppel of Zwartsluis was te ver, dus verdiende hij zijn geld met behulp van een hondenkar. Op een avond was Jerme ‘s avonds volkomen overstuur thuis gekomen. Wat was er gebeurd? Hij had een wonder waargenomen. Op de Hasselterdijk bij Zwolle had hij in de duisternis een wit paard zien vliegen. “Ein weisses Pferd”. De oude man was door zijn familie uitgelachen en nog jaren geplaagd met zijn “weisses Pferd”.

Nu ik de door Gompers vertaalde verhalen herlas, geloof ik heilig dat Jerme Os heeft gezien wat hij zag.

Waarom is deze tijd zo puur zakelijk en “realistisch”?


Gompers, J. (1930). Maäsiejoth. Wondere verhalen. Maastricht: Leiter-Nypels. I.z.g.st., curieuze illustraties met o.a. een door Paul Citroen getekend portret van Joseph Gompers. Gebonden in linnen met gouden belettering en prachtig omslag, VI, 146 pp., wat roestvlekjes, € 30,00 (inc. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op. Niet meer leverbaar.

Andere nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, bijv. judaica.
december 4th, 2020 by Igor Cornelissen

De vroedvrouw van Samuel Coltof: een verraadster, doorzien vanaf het eerste levenslicht ;-)

Twee Coltoffen maakten naam in de socialistische beweging. Sam en Bernard Coltof (1889-1940). Sam was en bleef een vurig aanhanger van Domela Nieuwenhuis (1846-1919). Zijn oom Bernard was en bleef communist, ook toen hij een hoge ambtenaar werd op het Nederlandse ministerie van Koloniën en door sommigen werd gezien als de rechterhand van Colijn.

De joodse Sam Coltof (1854-1932) schreef niet alleen gepeperde stukken in De Vrije Socialist en Recht voor Allen, maar maakte er ook een gewoonte van om de vergaderingen van de gehate ‘parlementairen’, de sociaal-democraten dus, te verstoren met hinderlijke vragen en te bestoken met  hatelijke opmerkingen. Het waren allemaal verraajers.

Geen wonder dat Sam Coltof er bij zijn socialistische tegenstanders in hun terugblikken niet best afkwam. J. Saks ofwel Pieter Wiedijk (1867-1938) noemde hem een zuurpruim. Willem Vliegen veronderstelde dat Coltof in zijn baker wel een verraadster moet hebben gezien en Troelstra noemde hem een onguur type. Zoals Coltof de vereerde Domela trouw bleef, zo bleef Domela op hem steunen. Curieus als men bedenkt dat Jan Willem Stutje, de biograaf van Domela, meent dat de anarchistische voorman een antisemiet was. Hetgeen overigens door Rudolf de Jong in De As met argumenten werd bestreden.

Iemand ‘coltoffen’ was in de vooroorlogse linkse beweging een bekende uitdrukking. Het betekende je tegenstander permanent lastig vallen en bestrijden. Niet aflaten je in hem vast te bijten Echte socialisten zijn zeldzaam geworden, de anarchisten zijn vrijwel uitgestorven en gecoltofd wordt er niemand meer. Vergaderingen met ‘gelegenheid tot debat’ worden al in jaren niet meer gehouden.

Coltof, W. (1932). Verzamelde opstellen. Zandvoort: B.O.O. I.g.st., met gouden belettering. Gebonden in linnen, 205 pp., 1e druk. € 16,95 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 3rd, 2020 by Igor Cornelissen

Kuierend langs de grens en oesters eten in de Zwinstreek

Dit boekje gaat niet over de natuur maar over de mensen die er woonden. Vooral over de smokkelaars, voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, en over de mensen van de douane die daar wat tegen wilden doen. Iets dat vaak mislukte. In Kuieren langs de grens praten de mensen eenvoudig en zo is het ook opgeschreven. Interessant: familieleden woonden vaak aan weerskanten van de grens. En de borrel was de ene keer in Duitsland goedkoper, de andere keer in Holland. Biggen werden ook gesmokkeld. Dat krijsen hoorde je alleen als je er dichtbij stond. Ze werden soms (illegaal uiteraard) over de Dinkel vanuit Nederland naar Duitsland verscheept. En verhalen over de inflatietijd in Duitsland toen een reep chocolade een biljoen mark kostte.

En dat allemaal over een tijd toen er nog grenzen waren met het bijbehorende spiedende personeel. Als ik nu over de Duitse grens kom, is die spanning weg. En ik heb niet eens gesmokkeld.


Bij het opruimen van mijn boekenkasten stuit ik op eerdere voornemens die nooit tot uitvoer kwamen. Als beheerst optimist zou ik ook kunnen zeggen: Wat niet was, kan nog komen. Mijn kompaan zou aanvullen: als God het wil en zijn zegen er op rust zal het zeker komen.

Zo was het met dit boekje over het Zwin, nu een deels beschermd natuurgebied net over de grens van Zeeland en België. Wat zou dat een mooie reportage hebben opgeleverd voor Vrij Nederland. Beschouwingen over zeldzame vogels en planten, afgewisseld met grepen in de rijke geschiedenis van wat ooit was.

Het Zwin verbond de Noordzee met steden als Brugge en Damme waar gehandeld werd in staven nog onbewerkt zilver, geweven uit Venetië of in de Verre Oost, bontwerk uit Hongarije, wijn uit Casconje of La Rochelle, laken uit Engeland. Het was een streek, we spreken van de dertiende en veertiende eeuw, die tevens werd geteisterd door bendes aangevuurd door al lang vergeten graven die daar allemaal rechten meenden te hebben. Brugge was in die tijd de economische hoofdstad van Noord West Europa. Daar werd het eerste beursgebouw ter wereld opgericht. Als het Zwin gaat verzanden, is het gedaan met de handel en Brugge verliest haar verbinding met de zee. Antwerpen nam de rol over. Wat van de ooit bloeiende Zwinstreek rest zijn hier en daar treurige kerkjes met  wat verspreide boerderijen.

Maar vorige eeuw kwam het toerisme er op gang en het schijnt dat je er in die streek goed kunt eten. Ook vruchten van de zee. Oesters. Alle reden dus om in het komende voorjaar in Damme, waar nog heel wat historie is blijven staan, het door het antiquariaat in ’t Wasdom op te richten Oesterfonds (met de allerschoonste bibliofiele uitgaven)  van start te laten gaan. Te zijner tijd hoort u daar meer over. Van Zwolle tot het Zwin. Tot nog toe kwam het er niet van, maar wie weet. Er is al ingetekend voor het oprichtingsfeest.

Zo is er altijd hoop. Terecht door Paulus gewaardeerd, maar ook door mij en door Tsjechov niet minder. Bestelde Tsjechov niet twee dagen voor zijn dood een lichtgrijs zomerkostuum? En hij at oesters tot het einde, lag er tussen op zijn laatste reis: in een wagonwagen volgeladen met oesters. Zo hoort het.

Boink, H. (red.) (1992). Kuieren langs de grens. Grensverhalen uit Denekamp en omgeving. Denekamp: St. Heemkunde Denekampi.g.st., paperback, ingenaaid. 218 pp., 1e druk. Met illustraties. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 18,50 (incl. pak- en verzendkosten). 

Chastelain, Jean-Didier (1957). Bloei en verval van de Zwinstreek. Brussel: Office de Publicité. I.g.st. Paperback met flappen, 122 pp., 1e druk. Met illustraties en uitslaande XVI- eeuwse kaart van de Zwinstreek, met bibliografie. Nederlandse vertaling: Annie Mesritz. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 17,50 (incl. pak- en verzendkosten).

Interesse? Neem contact met ons op. Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 2nd, 2020 by Jaap de Jong

Zo meen ik dat ook jij bent – Carola Kloos over Victor van Vriesland en Jan Hanlo

Druk doende om een paar prachtboeken in de database van het antiquariaat Cornelissen & De Jong in te voeren, zoals: Maäsiejoht (Gomperts), Ondergang (De Jong) Oproerige krabbels (Kleerekoper), Onderzoek en Vertoog (Van Vriesland), de Brieven van Jan Hanlo en nog veel meer.

Die laatste combinatie – Victor van Vriesland (1892-1974) en de schrijver-dichter Jan Hanlo (1912-1969) – triggert iets bij mij. Een vriendin, Carola Kloos, stuurde mij een paar maanden terug haar herinneringen aan Jan Hanlo. Met hem wisselde zij vele brieven (die van hem zijn opgenomen in de tweedelige brievenuitgave van Van Oorschot, Amsterdam, 1989). Carola leerde Hanlo kennen door plannen binnen het klassieke dispuut aan de Leidse universiteit, het Collegium Classicum cui nomen MF. De betekenis van de letters MF ken ik niet en degene die dit aan een buitenstaander vertelt is gewaarschuwd: hij of zij haalt bij verraad de vloek over zich. Carola Kloos, classica en theologe, zegt geheel van God los te zijn, maar vreest desalniettemin de vervloeking. Dit geheel terzijde. In haar dispuut ontstaat beginjaren zestig het plan tot uitgave van een nieuw werk. Men zoekt bijdragen van verschillende mensen en er wordt contact gelegd met de literatuurpaus Victor van Vriesland.

Het gaat mij hier om haar prachtige sfeerbeschrijving rond de eerste ontmoeting met Van Vriesland. In verband met de uitgave van een nieuw werk wendde Carola zich in 1962 met Marinus Wes tot Victor van Vriesland. Hij was tot in de jaren zestig een invloedrijk man in de literaire scene; de literatuurpaus. Over Van Vriesland deed in de undergroundscene, ondanks zijn status, een toch wel wat oneerbiedig rijmdicht de ronde. Ik verklap het hier, maar u moet het niet verder vertellen: “Stik zei de pik van Victor van Vriesland / en schoot met een plof van de naai- in de piesstand”.

Terug naar Amsterdam en het bezoek van Carola Kloos met Marinus Wes aan Victor van Vriesland: “Ons bezoek aan Victor van Vriesland, bij hem thuis in Amsterdam, was zo hilarisch dat we na afloop, op de stoep voor de deur, een langdurige aanval kregen van de slappe lach. We waren om vier uur ’s middags ontboden. `Toen was hij zeker net op,’ zei onze hoogleraar Van Groningen. Inderdaad, las ik later over zijn leefwijze. Ook de vertaler Evert Straat was uitgenodigd. Victor van Vriesland zat aan zijn bureau, met een uitgeschoven plankje waarop een fles jenever. Wij om het bureau heen. De drie heren dronken non-stop door, ik kreeg tijdens het twee uur durende bezoek twee glaasjes (gender-discriminatie, zogezegd). Victor van Vriesland nam met Evert Straat de ledenlijst van de Pen-Club door. Hun vernietigende commentaren maakten dat Marinus en ik elkaar geregeld zaten te schoppen. `Maar dat en dat heeft ze toch heel aardig gedaan’ – over iemand die eerst in de grond was geboord. Dit laatste zinnetje deed natuurlijk de deur dicht.

We gingen naar huis met een lijst met namen, die we onderling verdeelden. Tot mijn groep behoorde Jan Hanlo, de tot de Vijftigers gerekende dichter, bekend geworden door experimentele gedichten als Oote boe (`Oote oote oote/ Boe/ Oote oote/ Oote oote oote boe’, etc.).” Na deze gebeurtenis rond het bureau van Van Vriesland begint het brievenavontuur tussen Carola Kloos en Jan Hanlo, wellicht later meer daarover. Nu alleen nog het gedicht dat mij door het hoofd schoot toen ik de naam van Jan Hanlo zag. Dat is niet Oote boe. Zeker niet, maar wel: Zo meen ik dat ook jij bent. Ik word daar vreselijk melancholiek van, sentimenteel ook en alles wat ik niet moet zijn; volgens sommigen dan, onder hen enkelen van mijn eigen ik-ken.

Zo meen ik dat ook jij bent

zoals de koelte ’s nachts langs lelies
en langs rozen
als wit koraal en parels diep in zee
zoals wat schoon is rustig schuilt
maar straalt wanneer ik schouwen wil
zo meen ik dat ook jij bent

als melk
als leem
en ’t bleke rood van vaal gesteent
of porselein
zoals wat ver is en gering
en lang vergeten voor het oud is

zoals een waskaars en een koekoek
en een oud boek en een glimlach
en wat onverwacht en zacht is en het eerste
en wat schuchter en verlangend en vrijgevig
gaaf maar broos is
zo meen ik dat ook jij bent

Jan Hanlo (1970). Verzamelde Gedichten. Amsterdam: G.A. van Oorschot


Vriesland, V. van (1958). Verzameld critisch en essayistisch proza. Onderzoek en vertoog [2 delen]. Amsterdam: Querido. I.z.g.st., resp. 710 en 697 pp. Gebonden in linnen met stofomslag, 1e druk. Uit de collectie Igor Cornelissen, € 24,50. Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 2nd, 2020 by Igor Cornelissen

Schreib das auf Kisch! Egon Erwin Kisch als prozaïst van de ballade

Egon Erwin Kisch (1885-1948) werd geboren in Praag, maar schreef in het Duits. Hij wordt gerekend tot de beroemdste reporters van voor 1940. Schreib das auf Kisch! werd een beroemde kreet onder vooroorlogse verslaggevers, want Kisch, een overtuigd communist, was overal in Europa. Hij schreef een boek onder die titel. Voor voetbalverslagen ging ‘der rasende Reporter’ niet aan de kant. En ook nog in Australië waar hem eerst de toegang werd ontzegd. Allert de Lange was een uitgever die Duitse en Oostenrijkse schrijvers onder zijn hoede nam nadat Hitler in 1933 aan de macht was gekomen. Joodse schrijvers dus of communisten. Of, zoals in het geval van Kisch, beide. Uiteindelijk kwam hij in Mexico terecht. Na de oorlog keerde hij terug naar zijn geliefde Praag, maar hij stierf in 1948 tijdens de machtsovername van de communisten. Misschien was zijn dood net op tijd. Immers, tijdens de stalinistische schijnprocessen was niemand zijn leven meer zeker en Kisch kon door zijn vele contacten gemakkelijk van spionage worden beschuldigd. Nu kreeg hij nog een staatsbegrafenis. In de jaren zestig kwam de ‘nieuwe journalistiek’ in de mode. Het moest persoonlijker. Kenners wisten dat er dat voor de oorlog al was geweest. Met flitsende details. Persoonlijke waarnemingen zoals ‘de kelner brengt de biefstuk niet’.

Ook schreef hij zijn memoires, maar verder dan 1914 kwam hij niet. De verslaggever moest, meldde hij, de prozaïst van de ballade zijn, ‘iemand met een tomeloos nieuwsgierig karakter die anekdotes vertelt, een chroniqueur en daarom, ja, ook een soort literator.’ Ik had het zelf kunnen zeggen, maar het gebeurt vaker dat iemand mij net voor is.

Over de uit Beieren afkomstige tekenaar Paul Ludwig Urban zou meer te vertellen zijn. Ik heb het zelf geprobeerd toen ik hem tegenkwam bij mijn zoektocht naar de spionnen die voorkomen in mijn boek De GPOe op de Overtoom. Hij was één van die spionnen, maar hij liet weinig sporen na. De toneelspeelster Mary Dresselhuys had hem ontmoet, maar wist me niet meer dan dat Urban een hoogst aantrekkelijke persoon was. In 1936 vertrok hij naar de Sovjetunie. Daarna heeft niemand meer iets van hem gehoord.

Kisch, Egon Erwin (1934). Geschichten aus sieben Ghettos. Amsterdam: Allert de Lange Verlag. Binnenwerk i.g.st., maar met roestvlekjes. Bandomslag beschadigd en vlekjes (zie foto). Paperback met flappen, 216 pp., 1e druk. Bandontwerp en tekeningen van P..L. Urban. € 24,50 (incl. pak- en verzendkosten). Uit de collectie Cornelissen. Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 1st, 2020 by Igor Cornelissen

De keuze van Multatuli – Resident van Java of schrijver van Max Havelaar?

Onder leiding van Garmt Stuiveling schreven een aantal Noord- en Zuid-Nederlandse letterkundigen hun visie op de man die zich met zijn Max Havelaar een plaats in de wereldliteratuur veroverde. Wie alles wil weten over Eduard Douwes Dekker leest natuurlijk de uitmuntende biografie van Dik van der Meulen. Dat boek doe ik niet weg, net zo min als de Volledige Werken van de man die soms irriteert, maar nooit verveelt.

Een hele generatie van (vroege) socialisten en anarchisten is mede door Multatuli gevormd. En al verklaarde hij nog kort voor zijn dood dat hij het met de socialisten wat betreft de oplossing van de maatschappelijke vraagstukken niet eens was, in de linkse kring bleef men volhouden dat Multatuli één van ons is.

Multatuli keerde zich niet alleen tegen de mooischrijverij en andere vormen van huichelarij, de kerken zagen en beschreven hem als de Boze., Een godloochenaar was hij inderdaad en daarvan nam hij nooit iets terug, al komt er in zijn Woutertje Pieterse een aardige pastoor Janssen voor. Weinigen hebben de kleinburgerlijkheid uit de negentiende eeuw, stoelend op een zekere uitleg van de Schrift, zo goed beschreven als hij. Hij werd beroemd door zijn aanval op de uitbuiting van de Javaan. Zijn andere uithalen leverden al evenzeer respons op. Vreemde man die eigenlijk niet tegen het kolonialisme was. Het moest alleen beter georganiseerd worden, zonder smeerlapperij. En het liefst met hem als heerser over Insulinde (het begrip is van hem) en zijn lieve nichtje als keizerin van Sumatra.

Het boek is eigenlijk om één reden zeer hedendaags. Wel veel tekst door deskundigen (Spigt, Resink, Beb Vuyk, Wertheim en G.W. Huygens), maar zo mogelijk nog meer illustraties. De portretten van Douwes Dekker (ze waren in zijn tijd te koop), maar ook van de huizen waar hij woonde, zijn uitgevers (schitterende foto van zijn trouwe  George Lodewijk Funke), vrienden en bewonderaars.

Een portret van Domela Nieuwenhuis ontbreekt niet. Hij bewonderde en correspondeerde met Multatuli, maar schrok zich rot toen hij vernam dat de beroemde schrijver wel van de publicatie van de Max Havelaar had willen afzien, mits men hem resident van Java zou maken en hem de Orde van de Nederlandse Leeuw zou uitreiken. Dat vond Domela zo misselijk dat hij de Havelaar wel in een hoek zou willen trappen. Domela oordeelde direct daarop mild: ieder mens had immers zijn zwakheden.

Maar socialist werd Multatuli niet. En dat doet aan zijn grootheid niets af. Maar dat laatste geheel terzijde. Neen, niets terzijde: hij was een grootheid! De kompaan zou zeggen: “een briesend paard, maar ’t moest eind’lijk sneven.”

Ett, H.A., Haasse, H.S., Huygens, G.W. et al (1970). Genie en wereld Multatuli. Hasselt: Heideland/Orbis. I.z.g.st., gaaf exemplaar, 1e druk, 319 pp., vele illustraties. Prachtig omslag met doorzichtige beschermhoes en leeslint. € 27,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 30th, 2020 by Igor Cornelissen

Het kookboek van Vincent La Chapelle (uit 1742). Koken voor de happy few

De moderne kok. Dat belooft wat. Want elk kookboek dat verschijnt is al weer achterhaald. Nog meer laurierblaadjes, citroensap, vers geplukt woestijngras, en niet te vergeten de achterbout van een angsthaas. Die boeken liggen bijna nog sneller in de ramsj dan dat ze verschijnen.

Kookt Nederland nu beter? Ik heb mijn twijfels en kom al jaren nauwelijks meer in restaurants. Onlangs vroeg ik om een biefstuk (medium dry) zonder sla, tomaten of komkommer. Alleen biefstuk, gebakken in roomboter met twee sneetjes witbrood en de jus. In een extra kommetje. En ja hoor, ik had het kunnen weten, de biefstuk was tegen taai aan en, niet minder erg, de biefstuk was niet gebakken, maar gegrild. De jus zag er niet uit. Het was iets bruinigs, duidelijk afkomstig uit een pakje of tube.

Mijn vriend La Chapelle (1690 of 1703-1745) (het boek is uit 1742) pakte het anders aan. Wilde eenden met oesters. Dat soort werk. Geen boek voor vegetariërs of veganisten of (ook zij rukken op) mensen die alleen dingen eten die van een boom of struik zijn gevallen. Vriend Vincent La Chapelle was dan ook de kok van stadhouder Willem IV (1711-1751) en had eerder zijn kennis van het koken bewezen. Achterin zit een uitklapbare plattegrond voor een tafel met dertig gasten. Merkwaardig: wel borden en schalen, maar het bestek ontbreekt. Aten ze toen nog alleen met de handen?

Voorin staat in een eeuwenoud handschrift de aanwijzing (met pen) hoeveel een pinte volgens de Parijse maat is. Voor de liefhebbers: veel kipgerechten (natuurlijk puur natuur en geen plof; dat bestond toen nog niet) veelal ook al weer met oesters. En vanzelfsprekend téte de beau, kalfskop. Heb ik nog eens gegeten in Trouville-Sur-Mer. Verrukkelijk.

Jammer dat ik nooit door die prins van Oranje ben uitgenodigd. Ik zou, louter uit opportunisme, verzwegen hebben dat ik republikein ben. Ik zou het doen voor mijn grote vriend Vincent la Chapelle.


Chapelle, Vincent La (1742). Le Cuisinier moderne qui apprend à donner à manger toutes sortes de repas, en gras et en maigre, d’une manière délicate que ce qui en a été écrit jusqu’à présent. La Haye, aux depens de l’auteur, secondo edition, revue, corriée & augentée, tome troisieme, 3e vol., 288 pp. + bijlagen. I.g.st., ietwat verweerde band. Met extra kaarten. Enige handgeschreven opmerkingen (zie opmerkingen in blog). Opgedragen aan Le Prince D’ Oranje et du Nassau. Zeer zeldzaam. Interesse? Neem contact met ons op. Niet meer leverbaar.

Andere nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, ook kookboeken

november 29th, 2020 by Jaap de Jong

De waarheid is dat het leven je naakt aan de dijk zet

Gisteren liep ik op mijn tocht door de Broerenkerk langs de afdeling filosofie & theologie en zag de heruitgave van De bijbel als schepping van Friedrich Weinreb liggen. Ik las het boek nooit. Na kennisname van de Weinrebaffaire voelde ik daar geen enkele behoefte toe, al intrigeerde mij die profetenbaard van Weinreb wel. De slogan waarmee de heruitgave van het boek wordt aangeprezen – “biedt een diepgaand en tijdloos inzicht in de structuur en zin van het leven” – doet mij glimlachen. Typisch de woordkeus van een goeroe. Een goed boek legt zichzelf uit.

Bij de afdeling literatuur lag meer dan ik aan kan, zoals een heruitgave van Een vriend keert weer van Arnold Zweig (over Jacob Israël de Haan, afkomstig uit de collectie van Vic van de Reijt). Wel nam ik het boek van Renate Rubinstein mee: Bange mensen stellen geen vragen (samensteller & inleider Ronit Palache, op 10 december a.s. bij Cornelissen & De Jong). Renate Rubinstein trad tot het bittere einde op als de verdediger van Weinreb. Een mens maakt keuzes in wat hij wel of niet toelaat en die keuzes zijn niet altijd rationeel. Bijna nooit. Renate Rubinstein had daar weet van. In het opstel De waarheid vertellen schrijft ze dat wij ons niet graag laat desillusioneren: “Het onbewuste, waarvan het bestaan zo vaak aangevochten wordt, is er immers, ik heb dat zelf ervaren. Als een hemelse moeder beschermt het je tegen een harde klap, zelfs de grofste moderne uitdeler van de volle mep waarheid kan daar niet tegenop.” Althans, niet meteen.

Nochtans staat er een hoop waarheid in de stukken van Rubinstein. Of beter; er staan dingen in die soms tegendraads, dan weer meegaand zijn. Of ze neemt je mee in haar denkproces. Grappig en actueel is bijvoorbeeld een stuk uit september 1965 waarin ze schrijft over het omverwerpen van beelden. In dit geval het beeld van Van Heutsz in Coevorden: “Maar daarmee is het nog niet nodig gevonden de standbeelden van voorbije helden omver te werpen (…). Dat zou verkeerd zijn, niet omdat het de voorvaderen zou onteren, maar omdat het voor ons te veel eer zou zijn. Wij zijn nu eenmaal niet een volk dat door de eeuwen heen het militarisme heeft geschuwd en de dappere maar kleine man heeft geëerd. Het zou geschiedvervalsing zijn om het anders voor te stellen.” Tot zover Rubinstein.

Het was overigens de latere minister van Defensie Relus ter Beek (1944-2008), aanhanger van Nieuw Links bij de PvdA, die in 1965 een bord plaatste bij het standbeeld van Van Heutsz met de tekst: “Ontslapen onder het hakenkruis; gesneuveld bij het uitmoorden van het 39ste Atjehse dorp; bij het verkrachten van de 79ste Atjehse vrouw; om het geschokte vertrouwen van het Ned.-Indische bestuur opnieuw te funderen.” Die actie leverde hem en zijn medestander Alard van Lenthe een aanklacht op van de dochter van Van Heutsz waarop ze werden veroordeeld tot het betalen van een boete van 50 gulden. Ter Beek was later als minister de eerstverantwoordelijke voor de Nederlandse deelname aan de Golfoorlog van 1990/’91 en voor de uitzending van Nederlandse militairen naar Bosnië (Srebenica).

De waarheid is dat het leven je kaal en naakt aan de dijk zet. Telkens opnieuw.


Rubinstein, R. (2020). Bange mensen stellen geen vragen. Samengesteld en ingeleid door Ronit Palache. Amsterdam/Antwerpen: De Arbeiderspers Paperback met flappen, privé-domeinreeks, 521 pp. Interesse? U kunt zich hier van een gesigneerd exemplaar verzekeren, evt. met opdracht.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 29th, 2020 by Igor Cornelissen

Under Milkwood – Lieu de mémoire. Dylan Thomas en het vrijersbos

Over de uit Wales afkomstige schrijver Dylan Thomas (1914-1953) zou volstaan kunnen worden met de mededeling dat hij een groot dichter was, als drinker hoog scoorde en dus niet oud werd. Zijn vader was leraar en volgens de biograaf een miskende dichter. Dat zou zijn zoon beter doen. Met Under Milkwood werd hij beroemd. Die bundel werd vertaald door Hugo Claus die meer werk van de dichter in het Nederlands overzette.

Ik stuitte voor het eerst op de naam Dylan toen ik eind jaren vijftig aan het werk was aan de vriendschaps weg door Servië. Zwaar werk en het was er bloedheet. ‘s Avonds was er verkoeling. Met de Engelse kameraden van wie velen een Oxford (university) accent hadden,  werden  zware politieke gesprekken gevoerd. We waren allemaal trotskist (of het aan het worden), maar er waren toch ernstige meningsverschillen. Een van de discussianten was een aantrekkelijke vrouw die een zoontje bij zich had. Dat knaapje heette Dylan en was genoemd naar de dichter uit Wales. Zo raakte ik, in de binnenland van de nog steeds woeste Balkan,  bekend met de poëet. Met de moeder van Dylan (haar naam ben ik vergeten, of heette ze toch Betty?) heb ik uiterst plezierige avonden doorgebracht. Het knaapje moest op tijd naar bed, maar wij nog lang niet. De moeder was getrouwd (of geweest) met Ken Coates die van mijnwerker opklom tot professor. Voor de Labour Party heeft hij nog in het Europese Parlement gezeten. Ik heb hem later in Engeland ontmoet. Het onderwerp voor Vrij Nederland, waarvoor ik toen bezig was, is me ontschoten. De moeder van de  Dylan zag ik bij die gelegenheid niet en de kleine Dylan moet, als hij nog leeft moet nu ook al in de zestig zijn.

Dylan Thomas, die mij tot deze zijdelingse ontboezemingen bracht, is begraven in het kustdorp Laugharne waar hij jarenlang met vrouw en kinderen in een krakkemikkig Boathouse woonde. Het huis is tegen de rotsen gebouwd. Laugharne ligt onderaan de Sir Johnsheuvel waar de grazende melkkoeien zijn en de bossen, vandaar de associatie met ‘melk’ in zijn bundel Under Milkwood. Gezien de reputatie van het bos als trefpunt voor vrijers en vrijages, kan men ook denken aan ‘mannenmelk’, met name vanwege de verbinding met ‘wood’, sinds de middeleeuwen een elegant Engels eufemisme voor het rijzend lid met lange ij.

Dylan stierf in New York waar hij eerder was geweest om met lezingen en radiovoordrachten geld te verdienen. Hij had geld nodig voor drank. Zijn laatste bezoek aan een kroeg in die stad rondde hij af met twelve whiskey’s straight, wat hij meende wel een record te zijn. De volgende dag was hij dood. In Laugharne bestaat een pub die naar hem is genoemd en er zijn andere bezienswaardigheden die aan hem herinneren. Gevoel voor traditie en smaak zijn in het Verenigd Koninkrijk gelukkig nog niet helemaal verdwenen.

Fitzgibbon, C. (1965). The Life of Dylan Thomas. London: J.M. Dent & Sons. I.g.st., hardcover. Gebonden met stofomslag, 422 pp., 2e druk. Met foto’s en diverse bijlagen (filmscripts en broadcasts). Uit de collectie Igor Cornelissen. € 19,95 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 27th, 2020 by Igor Cornelissen

Het huilen van oom Soes en een ernstig woord aan mijn rooms katholieke medeburgers

Lizzy Sara May begon als balletdanseres, werd daarna mimespeelster om naam te maken als schrijfster. Ze trouwde met de student rechten, later mr. M. D. Proper, die als communist jarenlang lid was van de Provinciale Staten van Noord Holland. Proper had in het verzet gezeten.

Eén van hun kinderen was Rogier Proper, redacteur Propria Cures, stukjesschrijver in Vrij Nederland en al decennia schrijver van GTST. Haar tweede huwelijk met de uitgever Oscar Timmers (die zelf schreef onder de naam Ritzerfeld) leidde tot meer contacten met schrijverswereld, maar brachten haar geen grote roem. Merkwaardig, want veel van haar boeken – vaak over een moeizame vader-dochter relatie – werden uiterst  positief besproken.

May kreeg geen groot publiek, las ik ergens. Dat overkomt veel schrijvers, Waarom zij niet? Misschien had ze te weinig ellebogen of beschikte ze niet over een goed ‘netwerk’.  Ik heb haar eens gesproken. Waarom of waarvoor weet ik niet meer. Ik herinner me een zachte, lieve vrouw.

Er zit een mooie band om het boek. Van de illustrator Charles Boost (1907-1990), die ook films recenseerde. Maar dat is een ander verhaal.

May, L.S. (1961). Oom Soes heeft gehuild. Amsterdam/Antwerpen: Wereldbibliotheek. Goed. Paperback, 95 pp., 1e druk. Bandontwerp Ch. Boost. € 9,50 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong


Een pleidooi en een ernstig woord aan mijn rooms katholieke medeburgers

Een curieus boekje omdat het ons veel leert over het zoekende (katholieke) Nederland van de jaren zestig en over de schrijver.

Jan Rogier was mijn collega op de redactie van Vrij Nederland. Een goede makker die evenwel boordevol problemen zat. Hij was de zoon van de grote katholieke historicus prof. dr. L.J. Rogier (die hij nooit zou kunnen overtreffen). Hij was homoseksueel wat in Amsterdam in die tijd wel acceptabel was maar in het ‘donkere zuiden’ beslist nog niet en Jan wilde bovendien, vaak aangewakkerd door heftig innemen, méér zijn dan redacteur van een weekblad.

Jan wilde de katholieken van de KVP wakker schudden en de weg wijzen naar… Ja waarheen? Hij was bevriend met en onder de invloed geraakt van de bejaarde anarcho-syndicalist Arthur Lehning. Daar kon Jan Rogier met zijn oproep aan de KVP’ers om ‘modern’ te zijn natuurlijk niet mee aankomen. Volgens Jan had de KVP twee vleugels, een conservatieve (De Quay was zijn aartsvijand) en een progressieve die op de vakbeweging steunde. Iemand die KVP stemde, wist nooit wie de toon zou aangeven.

De zwaartillende Jan Rogier is niet meer onder ons, evenmin als de door hem beschreven politieke leiders. In zijn boekje ligt een al even curieuze losse brief van VN redacteur Martin van Amerongen aan zijn collega Igor Cornelissen. Beiden zagen blijkbaar niet veel in de al te hoge verlangens en bekeringsdrift van Jan.

Rogier, J. (1976). Een ernstig woord aan mijn rooms katholieke medeburgers. Pleidooi voor een volwassen politieke keuze van katholieke Nederlanders. Amsterdam: Paul Brand/Polak & Van Gennep. Goed. Titel- en lege vervolgpagina ontbreekt. 76 pp., 1e druk. Uit de collectie Igor Cornelissen. Met brief van Martin van Amerongen aan Igor Cornelissen over dit boekje. € 19,95 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Wij zijn inclusief en verkopen ook boeken aan niet katholieke medeburgers. Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong
november 26th, 2020 by Igor Cornelissen

Een evacuatie is nog geen overwinning. Duinkerken 1940

Dit boek beschrijft de wonderbaarlijke ontsnapping van het in het nauw gedreven Britse leger bij Duinkerken. Honderden grote en kleine boten werden ingezet om ze in veiligheid te brengen terwijl de Duitse vliegtuigen al schietend over vlogen. Nog altijd is niet duidelijk waarom de Wehrmacht de Britten lieten ontsnappen. Was het als ‘goede daad’ bedoeld van Hitler om zo de Britse regering alsnog over te halen vrede te sluiten of kwam het omdat de Führer niet naar zijn generaals wilde luisteren.

In ieder geval sprak Winston Churchill wijze woorden toen hij zei dat een geslaagde evacuatie nog geen overwinning is.

Drie jaar geleden kwam de film over Duinkerken in roulatie. Ik was getuige van een klein detail in de wording van dat massa spektakel. We zaten gemoedelijk in het Zwolse café De Hete Brij toen daar een man naar binnen stormde op zoek naar figuranten. Een deel van de film werd opgenomen in het naburige Urk. Het zou een dag of vier duren. Mijn vriend Roy van Roeden, docent Nederlands aan het Zwolse Thorbeckecollege, stelde zich beschikbaar. Hij had de juiste lengte en zijn achterhoofd had ook de juiste proporties. Hij zou in een wankel bootje de dubbelganger zijn van de hoofdrolspeler. Later kregen we in De Hete Brij enkele details te horen, maar veel bleef in mysterie gehuld want Van Roeden had een geheimhoudingsverklaring moeten tekenen. In de eindversie was hij inderdaad te zien als je niet net op dat moment met je ogen knipperde.

Een passage in het boek is inmiddels achterhaald. Het gaat om de massamoord door de Duitsers in het Noord Franse dorpje Wormhoudt. Daar werden tachtig Britse en Franse krijgsgevangenen in een schuur naar binnen gedreven en met handgranaten afgemaakt door de Leibstandarte SS Adolf Hitler. Van geallieerde zijde is (toen) kapitein Wilhelm Mohnke verantwoordelijk gesteld. In de film Der Untergang speelt Mohnke een rol als generaal die Berlijn moet verdedigen. Mohnke werd door de Russen gevangen genomen en zat tien jaar vast. In 1955 bevrijd, probeerden de Britten hem alsnog voor het gerecht te slepen. Dat mislukte. Mohnke ontkende iedere betrokkenheid en het Westduitse gerecht vond onvoldoende bewijs van het tegendeel. Mohnke ging in auto’s handelen en werd negentig jaar. Toen Atkins zijn boek schreef waren die pogingen hem alsnog te veroordelen nog aan de gang.

Atkin, R. (1990). Pillar of Fire. Dunkirk 1940. Londen: Sidgwick and Jackson. I.g.st., hardcover. Gebonden, 256 pp., 1e druk. Met illustraties (fotokatern), bibliografie en noten. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 12,50 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 25th, 2020 by Igor Cornelissen

Robert van Genechten en de zaak der Vlamingen

Robert van Genechten was van oorsprong een Vlaming die in Utrecht als jurist afstudeerde en promoveerde. Een echte geleerde die in 1918 naar Holland was gevlucht (niet als enige) omdat hem wegens collaboratie met de Duitsers een zware straf te wachten stond. In de Tweede Wereldoorlog collaboreerde hij opnieuw. Als NSB’er kreeg hij van Mussert hoge posten in het op Duitse leest geschoeide onderwijs.

Het boekje dat hij in 1925 schreef is rustig van toon en maakt duidelijk dat de Vlamingen in heel veel opzichten door de Frans sprekende Walen werden gediscrimineerd. Het waren (en zijn nog) eigenlijk twee apart levende gemeenschappen, samen gedreven in één land. Van Genechten verweet de Vlamingen wel karaktervastheid. Ik meen daar nog iets van te proeven (meer niet) als ik met mijn vriendin in het Vlaamse land een vakantie door breng. Maar misschien ben ik wat te veel beïnvloed door de Antwerpse schrijver Willem Elsschot bij wie dat in zijn werk (en in zijn eigen leven als zakenman) doorsijpelt. Er waren veel Nederlanders die sympathie voelden voor de Vlamingen die voor hun eigen taal (dialecten soms) en universiteiten streden.

Van Genechten was een van de eersten die eind 1945 tot de doodstraf werd veroordeeld. Dat wachtte hij in zijn cel niet af. Een dag nadat Mussert was geëxecuteerd, hing hij zich in zijn cel op. Hij had ingezien dat hij helemaal verkeerd had gehandeld en betuigde in een brief spijt. Hij voltrok dus zelf zijn vonnis.

Genechten, R. van (1925. Wat willen de Vlamingen? Amsterdam: Elsevier. Goed, 1e druk, gebonden in linnen, 142 pp., met potloodaantekeningen. Uit de collectie van Igor Cornelissen. Zeer zeldzaam, € 29,50 (incl. verzendkosten) Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 25th, 2020 by Jaap de Jong

De weg van alle vlees: Robert van Genechten op Soestduinen

Igor Cornelissen schreef onlangs een blog over Robert van Genechten en de zaak der Vlamingen. Ik herinner mij het graf van Van Genechten op Soestduinen. Ik schreef indertijd een aantal blogs over dat prachtige kerkhof, ongeveer 200 stappen gaans van mijn toenmalige huis in Utrecht.


Uit mijn dagaantekeningen van 2014.02.18

Geschiedenis leeft en zeker op het kerkhof. Ik liep vanmiddag op Soestbergen tegen het graf van Robert van Genechten aan. Hij ligt er – sinds zijn herbegrafenis in 1958 – samen met zijn zoon Frits die eind oktober 1949 een sierijzer tegen zijn hoofd kreeg en aan de gevolgen daarvan overleed. Het grafmonument maakte in eerste instantie op mij de indruk van een Boeddhabeeld. Het zit echter anders. Al in 1943 gaf Van Genechten opdracht aan de beeldhouwer en sierkunstenaar Chris Agterberg tot het ontwerp van het beeld op het graaf: een barende vrouw met een eikentak in haar hand. Germaanse symboliek.Genechten In dat jaar leed Van Genechten overigens aan een depressie en werd hij door de nazi’s op een zijspoor gezet. Robert van Genechten was een vooraanstaande NSB-er – naast Mussert en Van Geelkerken – en werd in oktober 1945 ter dood veroordeeld. In een laatste brief aan de griffier van het Bijzonder Gerechtshof betuigde hij schuld over zijn daden: ‘het is alsof ik uit een droom ontwaakt ben’ (RIOD, [1946])

Van Genechten wilde geen gratieverzoek indienen omdat zijn schuldbekentenis daardoor zijn betekenis zou verliezen en ook ‘omdat overigens de dood mij liever is dan het leven’. Hij ontliep het vuurpeloton door zich op te hangen aan de broekband van een onderbroek aan de buis van de centrale verwarming in zijn cel in Scheveningen, zo meldt het rapport van het RIOD.

Wat de geschiedenis nog interessanter maakt is het gegeven dat de uit Vlaanderen afkomstige Van Genechten ooit bevriend was met de dichter / dadaïst Paul van Ostaijen en hem rond 1919, tijdens zijn Berlijnse periode, brieven stuurde waarmee hij Van Ostaijen mogelijk op een politiek spoor zette. Die brieven waren in het bezit van Gerrit Borgers, maar zijn onlangs uitgegeven.

De brieven kan ik nog deze week bij de UB ophalen (Macht moet zijn in handen van de menschen met ethos : 5 brieven over macht en revolutie van Robert van Genechten aan Paul van Ostaijen (januari-maart 1919). Geschiedenis ligt op straat of in elk geval op het kerkhof.

november 25th, 2020 by Igor Cornelissen

Een rest keert weer….

Die drie puntjes achter de titel zeggen veel. Er kon van alles gebeuren met die rest en er was het verleden. Die kleine rest had zijn leven voor een deel te danken aan dappere Nederlanders die de Geuzenmoed (het woord is van Spitz) niet kwijt waren geraakt. Er maar was iets dat bleef en wij joden moesten vooral niet luchtig over doen. ‘Wij weten, uit duizend kleinigheden, dat het venijn doorwerkt, in de breedte en in de diepte’.

In de Engelse ontspanningsliteratuur, schreef Spitz,  bestond 90% van de woekeraars uit joden. Ongunstig volk dus. In Nederland lag het misschien wat milder, minder fel, maar toch. Uiteraard doelde Spitz (over wie ik weinig te weten ben gekomen, hij was meen ik leraar) op het virulente antisemitisme waarvan sommige historici menen dat het na de bevrijding, mede door de Duitse propaganda, sterker was dan voor de oorlog.

Spitz had zijn joods optimisme niet verloren getuige zijn motto uit Ezechiël XVI:6: ‘Ik ging aan uw voorbij, en ik zag u, wentelend in uw bloed, en ik zeide tot u: in uw bloed, leef! Ik zeide tot u: in uw bloed leef!

Een rest keert weer… Keert zich als het ware ook tegen Presser voordat die zijn standwerk over de joden en de oorlog schreef. Want Presser schreef over de ondergang van de Nederlandse joden. Maar een rest keert weer, is er nog. En laat bij tijd en wijle van zich horen. Met of zonder Ezechiël.

Het boekje dat ik jaren geleden in een Zwols antiquariaat kocht, komt uit de bibliotheek van Max Hes, ook een overlevende, die na de oorlog in textiel handelde en daarvoor een pand in de voorname Diezerstraat huurde dat van mijn oom was. Ik heb hem en een zoon vagelijk gekend. Maar dat laatste geheel terzijde.  De zoon vertelde mij een paar jaar geleden bij een lewaje (joodse begrafenis) dat hij ook had geprobeerd trompet te spelen nadat hij gemerkt had dat ik daar in Zwolle bij de dames zo’n succes mee had. De zoon heeft zijn geld ergens anders mee verdiend. Waarmee ben ik vergeten.

Spitz, J. (1946). Een rest keert weer... Aspecten van na-oorlogsch jodendom. Amsterdam: Joachimsthal. Verkleurd, matige rug. Binnenwerk prima. 85 pp., 1e druk. € 14,00 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 24th, 2020 by Igor Cornelissen

De man die geen miljoen bezat

De joodse Eduard Veterman (1901-1946) werd als beeldend kunstenaar opgeleid aan de Haagse Academie. Hij was een veelkunner, schreef vijftien romans en dertig toneelstukken. Hij was een bekende figuur die zich – hij had een groot talent, namelijk fantasie – populair maakte in de vooroorlogse artiestenwereld.

Bekend werd hij door zijn werk als illegaal. In zijn huis maakte hij voor onderduikers en verzetsmensen valse persoonsbewijzen. Hij werd met zijn groep in oktober 1943 verraden en kreeg de doodstraf. Die niet voltrokken werd. In mei 1945 werd hij door de Amerikanen in een Duits concentratiekamp bevrijd.

Van prins Bernhard kreeg hij de opdracht een toneelstuk te schrijven over de Binnenlandse Strijdkrachten. Terwijl hij daar mee bezig was, liet hij weten ook te zullen onthullen welke foute Nederlanders toch weer belangrijke baantjes kregen. De minister van Oorlog Fiévez liet weten dat hij maar met het schrijven van het stuk moest stoppen. Over zijn eigen oorlogservaringen schreef hij Keizersgracht 763, het huis dat hij tijdens de bezetting bewoonde. Loe de Jong heeft in zijn geschiedwerk uitgebreid gebruik gemaakt van Vetermans herinneringen aan de Nederlandse gevangenissen waar hij zat opgesloten.

Zijn toneelstuk Oranjehotel, genoemd naar de bajes waar veel verzetsmensen gevangen zaten, werd een groot succes. In 1946 kwam Veterman met zijn vrouw om bij een verkeersongeluk. Zijn auto werd geramd door een militaire truck. Geruchten over boze opzet gingen een eigen en lang leven leiden. Zijn biograaf Degenhardt kwam er ook niet uit, maar ontdekte wel dat Veterman in zijn roman over de man die geen millioen bezat, zijn eigen dood had voorspeld: door een auto ongeluk.

Veterman, E. (1929. De man die geen miljoen bezat. Amsterdam: Em. Querido. Binnenwerk goed, met roestvlekjes. Voor- en achterplat omslag matig, omslagillustratie Eduard Veterman, 246 pp., 1e druk. Uit de collectie Cornelissen. Zeer zeldzaam. Prijs afgestemd op kwaliteit voor- en achterplat € 20,00 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 23rd, 2020 by Igor Cornelissen

Gerard Reve en de klompen van Angus Wilson

Angus Wilson die in 1991 op 77-jarige leeftijd overleed was een productief en succesvol schrijver. Hij kon sarcastisch schrijven over de middle class waaruit hij voortkwam. Hij kon als een van de weinige schrijvers zeggen dat er nooit een manuscript van hem was geweigerd. Ook zijn eerste pennenvruchten niet. Hij was homoseksueel en kwam daar met zijn uitbundige, kleurrijke kleding al voor uit toen hij tijdens WO II in Blentchley Park met vele anderen de geheime codes van de vijand moest breken. Zijn werk was het ontcijferen van de Italiaanse marine codes.

In 1953 logeerde Gerard Reve bij hem. Of Reve hem toen heeft geopenbaard dat ook hij van de Griekse liefde was, weet ik niet. Een paar jaar leidde hun vriendschap tot een schitterende interview in Tirade. Angus Wilson woonde in een klein huisje op  platteland. Modderige streek met veel wilgenbomen. Reve had voor zijn vriend een paar klompen meegenomen die daar goed van pas kwamen. Reve wilde zijn lezers ook nog wel laten weten dat hij die klompen op de Albert Cuypstraat had gekocht. Onvermeld mocht evenmin worden dat Wilson in de oorlog een zenuwinzinking had gehad en nu nog af en toe een zenuwtrek vertoonde.

Voor de rest was het vraaggesprek uiterst lezenswaard. De liefhebber kwam veel aan de weet over zijn schrijverschap en hobbies. Wilson tuinierde graag en kon met zijn buren uren spreken over zaden en planten en alles wat de natuur aan schoons te bieden had. Dat gaf de schrijver voldoende afleiding om daarna weer een paar uur aan de slag te gaan met schrijven. Hoe hij dat deed vertelde hij graag aan Reve. De interviewer werd gastvrij ontvangen met sherry. Helaas had Wilson geen oude jenever in huis die hij in Holland had leren waarderen. Wilson was een van de eerste Britse schrijvers die zich nadrukkelijk als gay manifesteerde. Het heeft hem (net als Reve) in zijn loopbaan geen kwaad gedaan.

Michael Ayrton, die het fraaie omslag maakte, werd ook een bekende kunstenaar. Hij ontving vele prijzen en maakte behalve boekomslagen ook toneeldecors en theaterkostuums. Zijn werk hangt o.a. in de Tate Gallery en de National Portrait Gallery.

Angus Wilson (1958). The Middle Age of Mrs. Eliot. London: Secker & Warburg. I.g.st., roestvlekjes. Gebonden in linnen met stofomslag, 430 pp., 1e druk met stofomslag van Michael Ayrton. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 19,95 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 22nd, 2020 by Jaap de Jong

Bange mensen stellen geen vragen. Ronit Palache in gesprek met Cornelissen & De Jong

“De stem van Renate Rubinstein hoort bij ons land, al was ze dan Duitse van geboorte”, stelt Ronit Palache in het NRC-interview van vrijdag 21 november. Waarom dit zo is? In de podcast hoort u daar meer over.

Dat vertelt Ronit Palache op 10 december tijdens een gesprek met Igor Cornelissen en Jaap de Jong in ’t Wasdom.

In dat gesprek schuwen wij de terzijdes niet. U krijgt toegang tot de podcast die van dit gesprek wordt gemaakt.

Bestelt u de bundel bij ons, dan ontvangt u twee dagen na het gesprek een gesigneerd exemplaar van Bange mensen stellen geen vragen. U kunt zich hier van een gesigneerd exemplaar verzekeren, evt. met opdracht (aan te geven bij de bestelling).

Ronit Palache is journaliste & schrijfster en volgt daarnaast een PhD-traject. Zij stelde onlangs een bundel samen met het werk van Renate Rubinstein (1929-1990). De bundel verscheen afgelopen week in de privé-domeinreeks. In haar onderzoek (als PhD-er) is Ronit geïnteresseerd in het losmakingsproces bij mensen die opgroeiden in gesloten religieuze gemeenschappen en hoe taboes daarin een rol spelen.


Interview met Ronit Palache – Koelewijn, J. (2020) ‘Je te vroeg uitspreken is de valkuil van mijn generatie’, NRC Handelsblad, 19 november 2020

november 22nd, 2020 by Igor Cornelissen

Ritter Jr.: “Reeds het openslaan van dit boek was mij een waar genoegen.”

Beiden waren het bekende figuren in de jaren dertig: Ritter en Wijnkoop. David Joseph Wijnkoop (1876-1941) als kamerlid voor de communisten en Pierre Henri Ritter jr. (1882-1962) als radiospreker voor de AVRO zender over literatuur. Naar Ritter werd meer geluisterd dan naar Wijnkoop. De laatste was in de radiolokalen natuurlijk persona non grata en moest het hebben van vergaderlokalen.

Ritter gold als gezaghebbend in het televisieloze tijdperk. Ritter was veel meer. Hoofdredacteur van het Utrechtsch Nieuwsblad en veelspreker op volksuniversiteiten en andere instellingen die het volk wilden verheffen. Over films hield hij ook lezingen. Hij was meestal zeer mild, vond hij zelf. Tijdens de oorlog zat hij als gijzelaar een paar keer gevangen en na de bevrijding kon hij tot 1957 doorgaan met zijn radiopraatjes. In de weergave van zijn gesprek met David Wijnkoop (die deze gelegenheid aanpakt om een legende de kop in te drukken: hij studeerde nooit voor rabbijn, wel Nederlands) laat Ritter enkele malen duidelijk blijken het met de geïnterviewde niet eens te zijn. Wel is duidelijk dat hij diens intelligentie bewondert. Eerder had Ritter al een boekje geschreven over Mussert in de serie Radicale figuren. Ook van Mussert moest Ritter niets hebben. Hij liet ze aan het woord.

Uitgever Geert van Oorschot heeft Ritter eens een door en door corrupte figuur genoemd. Waarop hij dat baseerde, is niet geheel duidelijk. Mogelijk op het verhaal dat een schrijver zijn roman aan Ritter stuurde met daarin een bankbiljet van 25 gulden en dat Ritter voor de radio zou hebben gezegd: “Reeds het openslaan van dit boek was mij een waar genoegen.” Voor één ding steek in mijn hand in het vuur. Wijnkoop, hoe vurig stalinist ook, zal zeker niet met een bankbiljet hebben gezwaaid.

Over Ritter is na zijn dood vrij veel geschreven. Er is zelfs een dissertatie over hem. Wijnkoop kreeg helaas slechts een hagiografische biografie door A.J. Koejemans, na de oorlog enkele jaren hoofdredacteur van De Waarheid. Het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam bewaart een uitgebreid archief van Wijnkoop. Ik heb er wel eens in rondgesprokkeld. Voor zover ik weet is nog niemand bezig met een serieuze biografie van Wijnkoop. Vreemd. Maar dat geheel terzijde.

Ritter Jr., P.H. (z.j.). Over Wijnkoop. Baarn: Hollandia Drukkerij. Redelijk/goed, 47 pp., € 10,00 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, bijv. een autobiografie?

november 21st, 2020 by Igor Cornelissen

De vlotte pen van krantenman Sem Davids

Clemenceau, bekend als Le Tigre. Hij was een bekend Frans staatsman die roem verwierf omdat hij als regeringsleider in 1918 de definitieve overwinning op de Duitse troepen mag vieren. Ik heb eens in zijn museum in Parijs rondgewandeld. Wat me vooral bijbleef is zijn enorme hoefijzervormige bureau. Ik ben ook eens bij Drees thuis geweest aan de Beeklaan in Den Haag. Daar was alles veel nederiger.

Sem Davids (1867-1969) was de zoon van een Amsterdamse juwelier. Na een studie rechten begon hij zijn loopbaan als journalist bij Het Vaderland maar ging in 1922 naar de buitenlandredactie van De Telegraaf. Tot hij daar in 1940 als jood werd ontslagen. Hij schreef vlot en dat is aan zijn boek over Clemenceau te merken. Davids ging door met schrijven toen hij ondergedoken zat in Grouw. In juli 1942 schreef hij onder de schuilnaam De Bruin een gedicht ‘Afscheid der Joden van Nederland’ dat Jaap Meijer nadien nog eens onder de aandacht bracht.

In 1945 werd hij redacteur van de Groene Amsterdammer. Was Davids communist? In ieder geval schreef hij voor de oorlog onder pseudoniem in Politiek & Cultuur, het theoretisch orgaan van de CPN. Het is moeilijk voorstelbaar dat er een buitenstaander tot de kolommen zou zijn toegelaten. Zeker niet tijdens het leven van Stalin, die de status van heilige had. De Groene Amsterdammer is na de oorlog uitgemaakt voor een blad van fellow travellers, sympathisanten van het communisme. In ieder geval waarschuwde prof. J. Barents bij wie ik college liep tegen het blad. Maar Barents was, zo kwam ik veel later te weten, talent scout voor de BVD.

Terug naar Clemenceau die boeken schreef en graag reisde, zoals naar de Verenigde Staten en zijn geliefde Griekenland. In zijn jonge jaren legde hij zichzelf een ijzeren discipline op; om vijf uur opstaan, een uur gymnastiek en daarna lezen, zonder ophouden. Hij was eigenlijk al een groot man zonder de loopgraven van de eerste Wereldoorlog.

Davids was en bleef een krantenman. Toch jammer dat Davids niet meer boeken heeft geschreven.

Davids, S. (z.j.). Clemenceau. Kopstukken uit de twintigste eeuw. Den Haag: Kruseman. i.z.g.st., 93 pp., met bibliografie. € 9,95 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, bijvoorbeeld over geschiedenis.

november 20th, 2020 by Jaap de Jong

God in Veenendaal: de Koksiaanse en de Kersteniaanse God – Op bergen en in dalen

Gisteren sprak ik mijn oude schoolmeester Wim Kok, eind jaren zestig onderwijzer aan de Johannes Calvijnschool in Veenendaal. Daarna was hij nog lang docent aan het Ichthuscollege. Hij gaf les in de vakken geschiedenis, Engels en biologie. Wim Kok was altijd aan het leren en gaf ook na zijn pensioen de pijp niet aan Maarten. In de jaren zestig was hij vóór het Nieuwe Leren (de natuur in, dia’s tonen, interviews met oud-verzetslieden in de klas). Hij was een buitenbeentje op de Johannes Calvijnschool. In de jaren negentig was hij tegen het Nieuwe Leren: “Ik ben geen coach, maar cultuuroverdrager”, zei hij tegen mij. Hij studeert op dit moment theologie in Apeldoorn. Bij onze ontmoeting stond Wim Kok in zijn tuin te werken, prees intussen God en maakte het woord van Voltaire waar: een man moet zijn tuin onderhouden. Ik stopte, stapte uit en vroeg hem hoe het hem verging. Hij begon te spreken en hield niet meer op.

Wim Kok is de kleinzoon van de predikant Reinier Kok (1890-1982) die – vanwege de plaatselijke scheuringen – mede aan de basis stond van dertien keer gereformeerd in Veenendaal. Hij was een rechtvaardig man die Joden verborg en ds. G.H. Kersten (1882-1948) tegensprak. Onder de preekstoel en op andere plekken in het dorp liet hij Joden onderduiken. Henri Kersten – de Kuyper van de kleinere luyden – liep ooit mokkend van hem weg na een conflict over het Joodse meisje Mirjam de Groot. Kok wilde haar – verhuld als Nederlandse – op de Veenendaalse Johannes Calvijnschool laten leren. Volgens Kersten kon ze wel naar Westerbork. Reinier Kok werd na een langlopend conflict in 1950 afgezet. Tussen 1950 en 1956 vormde Kok met zijn getrouwen een Gereformeerde Gemeente buiten verband en kerkte in een apart gebouw (Pniëlkerk). In 1956 sloot de gemeente van Reinier Kok zich aan bij het verband van de Christelijke Gereformeerde Kerk. Er bestond plaatselijk al een Christelijke Gereformeerde Kerk (Bethelkerk), maar die was qua ligging ‘lichter’ en kwam – anders dan de Pniëlkerk – voort uit de landelijke afscheidingsbeweging (1934) onder De Cock. Voordat een kerkganger van Bethel tot Pniël kwam, moest er wel wat gebeuren. Dat ging niet zonder slag en stoot. De Gereformeerde Gemeente scheurde in 1953 nogmaals in tweeën en in december 1980 nog eens. Met Mirjam de Groot liep het beter af. Mijn schoolvriend Gerard van Deelen vertelde mij in 1973 onder de Veenendaalse kastanjeboom aan de Kerkewijk (tegenover Prummel Optiek) hoe zijn vader Barend als jongetje de oorlogsdagen doorbracht met de ondergedoken Mirjam de Groot. In 1979 zou Mirjam, die inmiddels in Israël woonde, Barend van Deelen nog eens bezoeken.

De SGP-voorman en predikant Henri Kersten meende dat het Duitse gezag na de overgave de nieuwe, van God gegeven, orde vormde. Zijn woning stond in mei 1940, na het bombardement op Rotterdam, op instorten, maar toch vond hij het “een goddelijke genade dat hij voor Gods recht buigen mocht en Hem te midden van de oordelen aanbidden kon”. God zou zich tegen Nederland hebben gekeerd. Na de inval van de Duitsers was Juliana op zondag het land ontvlucht en dat gegeven viel volgens de opvattingen van Kersten ook onder de ontheiliging van de zondagsrust.

Henri Kersten was de man van het korte geheugen. In 1932 had hij zijn eigen zondagswet overtreden en dat was uitgekomen door de oplettendheid van de lutherse predikant ds. B. E. J. Bik. Bik las in de krant dat Kersten zondagmiddag om vijf uur zou preken in Gouda en ’s avonds om halfacht in Stolwijk. Hij vroeg zich af of zijn collega te voet van Gouda naar Stolwijk zou gaan. Bik kon dat nauwelijks geloven, want Kersten preekte lang en de wandeling duurde wel anderhalf uur. Hij besloot de predikant te volgen en ontdekte dat deze na afloop van de middagdienst naar een donker hoekje in de Goudse binnenstad liep. Daar stond de auto met chauffeur Jan Gerrit Deelen (1899-1971) te wachten, die hem naar Stolwijk reed. Mijn vriend Willem Bouwman – die deze geschiedenis beschreef – liet mij jaren geleden de foto zien van de auto waarin Kersten zijn zondagsrit maakte [zie update, hieronder].

Toen ik in 1969 op de Johannes Calvijnschool op de Duivenwal kwam was er nog een duidelijk verschil tussen de Kersteniaanse en de Koksiaanse God. De Kersteniaanse God had 1001 ogen en volgde je overal. Hij ging tot op het bot en er was geen ontkomen aan: je voelde, neen, je wist je een worm, geen mens. De Kersteniaanse God had op de Calvijnschool verschillende meesters en juffen in dienst. Maar er was ook een Koksiaanse God bij wie Wim Kok en juffrouw Schot dienden. Juffrouw Schot gaf enorm hoge cijfers en zij leerde ons het lied Op bergen en in dalen. Het is als lied VII opgenomen in de gezangbundel van de Hervormde Kerk, De Evangelische Gezangen (1806). Vooral het tweede couplet zong ik uit volle borst (“Hij hoort de jonge raven/Hij heeft voor ’t groot heelal/Heeft zelfs voor wormen gaven/en bloemen voor het dal”). Die regels over de wormen en de bloemen gaven mij veel lucht en ook zag ik mijzelf wel zitten als een jonge raaf.

Het lied Op bergen en in dalen was gecomponeerd en bewerkt door Christoph Christian Sturm (1740-1786), theoloog en gepromoveerd filosoof. Het lied werd vertaald door Ahasuerus van den Berg (1733-1807). Sturm was beroemd vanwege zijn Reflections on the Works of God in Nature. Dat werk behoort tot de zogenaamde fysicotheologie, een vorm van theologie die in de achttiende eeuw populair was, bijvoorbeeld bij de doopsgezinde predikantenopleiding waar ook een zgn. fysisch kabinet of natuurkundig laboratorium aanwezig was. Het godsbestaan werd bewezen vanuit de pracht & harmonie van de natuur. Het is nooit als zodanig benoemd, maar ik vermoed dat het godsbeeld van de aanhangers van de fysicotheologie een weinig verschilt van het pantheïsme. Ludwig Beethoven, wiens spiritualiteit als pantheïstisch wordt getypeerd, had een exemplaar van de Reflections on the Works of God in Nature dat door hem zwaar was geannoteerd. Het boek van Sturm inspireerde Beethoven ook bij het schrijven van de Zesde Symfonie (Pastorale). Die Zesde Symfonie was overigens mijn eerste eigen muzikale aanschaf. In mijn ouderlijk huis doorbrak ik daarmee het monopolie van de man die altijd vol op het orgel ging: Feike Asma (1912-1984), ook al weer jaren dood.

De revolutionaire predikant L.G.C. Ledeboer (1808-1863), stichter van de Ledeboeriaanse gemeenten (één van de bloedgroepen van de huidige Gereformeerde Gemeenten), wierp in 1840 in jeugdige overmoed de bundel Evangelische Gezangen en de bestuursreglementen van de kansel. Daarna begroef hij de bundels in de tuin van de pastorie in Benthuizen en verliet net als de eerder afgescheiden Hendrik de Cock (1801-1842) uit Ulrum de Hervormde Kerk. Ik kwam niet lang geleden langs het huis van Ledeboer en moest de neiging onderdrukken in de tuin te gaan graven om de gezangenbundel te vinden. Ondanks de afkeer van Ledeboer bleef de bundel Evangelische Gezangen in gebruik, ook bij afgescheiden Cocksianen en Ledeboerianen in al hun varianten (waaronder dus de 20e eeuwse Koksiaanse en Kersteniaanse navolgers)

Als jongetje kon ik het niet onder woorden brengen, maar nu weet ik dat de Cocksiaanse & Koksiaanse God mij dankzij juffrouw Schot van de Veenendaalse Johannes Calvijnschool beter beviel dan de Ledeboeriaanse & Kersteniaanse God. Hij was op de bergen en in dalen, in de bloemen, bij raven en zelfs bij de wormen. Overal, behalve dan begraven in zwarte grond. Een jaar later verruilde ik gedwongen de Johannes Calvijnschool voor de dr. C. Steenblokschool. Het was de tijd van de ayatollah’s en haviken als Khomeini waren er ook in Veenendaal. Het kon niet streng genoeg. Er moest en zou een nieuwe school komen, gereformeerder dan Johannes Calvijn. Op de in 1972 gestichte dr. C. Steenblokschool bleef het heel stil. Er klonk geen lied. Er klonk niets meer: niet op de bergen en niet in de dalen. Nergens meer.

Dit alles terzijde uiteraard.

Evangelische Gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbare godsdienst in de Nederlands Hervormde Gemeenten gebruikt te worden op uitdrukkelijke last van alle de Synoden der voornoemde gemeenten bijeen verzameld en in orde gebragt in de jaren 1803, 1804 en 1805 (1806). Amsterdam: Johannes Allart. Niet meer beschikbaar, behalve digitaal.

Wèl bij ons te koop: nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, ook over godsdienstwetenschap en theologie.


Update 22 en 26.11.2020: De kleinzoon van de chauffeur Jan Gerrit Deelen [naam aangevuld in tekst], die Henri Kersten van Gouda naar Stolwijk vervoerde, liet mij weten dat hij het verhaal uit familiekring kende. Hij was benieuwd naar de foto met Henri Kersten en zijn grootvader Jan Gerrit Deelen (1899-1971).

Willem Bouwman schreef mij zojuist dat het hoogstwaarschijnlijk om een samenvoeging van twee afzonderlijke gebeurtenissen gaat. Er is géén foto van de zondagsrit, maar wel eentje van Henri Kersten naast een auto tijdens zijn reis naar Amerika.

Kleinzoon Cees Deelen stuurde mij op 26 november de foto waarop Jan Gerrit Deelen, handelaar in vleeswaren, naast zijn auto staat. De auto stamt uit de dertiger jaren en is hoogstwaarschijnlijk de auto waarmee hij op bewuste zondag Henri Kersten van Gouda naar Stolwijk reed. Uit een krantenbericht over de kwestie komt nog naar voren dat de auto van Deelen om 19.20 het tol passeerde zonder te betalen. Volgens de tolbaas klopt dat wel, want die “meneer Van Deelen is Christelijk, die betaalt niet op Zondag, maar op Maandag.” (De Vrije Westfries, 7 april).

Hoe men de kiezers voorlicht. Friesch Dagblad, 24 juni 1933. Geraadpleegd op 20 november 2020 op de krantendatabank Delpher


november 20th, 2020 by Igor Cornelissen

Men had beter kunnen weten ofwel de tocht der dwaasheid

Barbara Tuchman was geen historica, maar ze schreef zo boeiend dat ze erg veel lezers kreeg. Erkenning kreeg ze vanwege de Pulitzerprijs. Ze is in veel talen vertaald. Het eerste boek dat ik van haar las ging over de Amerikaanse generaal Joseph Stillwell die in China opereerde.  Het speelde zich af in de jaren dat nog niet duidelijk wie als overwinnaar uit de strijd zou komen: de communist Mao Tse Toeng of zijn tegenstander Tsjiang Kai Sjek die van de Amerikanen financiële en militaire hulp kreeg. Stillwell, die Chinees sprak (al konden veel Chinezen hem moeilijk verstaan), zag het mis gaan. Het regiem van Tsjiang Kai Sjek was vergeven van en leunde op corruptie. Stillwell, die omdat hij vaak nogal zuur keek Vinegar Joe werd genoemd, rapporteerde dat aan zijn regering die er weinig mee deed. De strijd tegen de communisten had de voorrang.

Ook in the March of Folly is het thema: men had beter kunnen weten. In Troje had men het houten paard beter moeten bekloppen en in Vietnam, dat weet nu iedereen, stortten de Amerikanen zich in een heilloos avontuur. Ze hadden van de Fransen kunnen en moeten leren: die hadden ervaring in Indo China.

Niet minder lezenswaard is de bijgevoegde recensie door André Spoor uit  de NRC Handelsblad. Spoor, afgestudeerd theoloog, maar als journalist opgeklommen tot hoofdredacteur van NRC Handelsblad had nogal wat kritiek op Tuchman. Volgens hem maakte ze niet duidelijk waarom politieke leiders volharden in hun hoogmoed. In zijn recensie heeft hij tussen haakjes (…) een opmerkelijke passage opgenomen. Spoor vertelt dat op zijn bureau een penning staat ter ere van de Nederlandse legercommandant in Nederlands Indië tussen 1945 en 1949. Op de penning staat een Nederlandse soldaat afgebeeld die vreedzaam op het land werkende inlanders beschermt. Wat heeft dat met Tuchman te maken? Niets. Maar die legercommandant was generaal Spoor, de vader van de journalist. Ik heb André Spoor slechts enkele malen ontmoet. Tijdens een van die gesprekken vertelde hij mij dat hij van plan was geweest de biografie van zijn vader te schrijven. Hij zag ervan af daar hij vreesde dat hij onvoldoende objectief zou zijn. Een verstandig besluit.

Tuchman, Barbara W. (1984). The March of Folly. From Troy to Vietnam. New York: Albert A. Knopf, 1984. I.g.st.. Gebonden, XIV, 448 pp., 1e druk. Met illustraties, met bibliografie en noten. Uit de collectie Igor Cornelissen. Met krantenknipsels. € 17,50 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 19th, 2020 by Igor Cornelissen

Een mislukt diplomaat, maar een uitstekend schrijver: Lord Vansittart

Robert Gilbert Vansittart (1861-1957) – inderdaad met Nederlandse voorouders – kwam al jong op Foreign Office van Great Britain (Buitenlandse Zaken) terecht. Daar maakte hij een glanzende carrière door. Zijn grote liefde voor Frankrijk (hij was o.a. gestationeerd in Parijs) was mede door oorzaak van een sprankelende hantering van het Frans. Iets dat van weinig hoge Britse diplomaten kon worden gezegd.

Vansittart diende vele heren. Niet altijd tot zijn genoegen. Ze luisterden wel altijd naar hem, maar deden er weinig of niets mee. Hij was in de jaren dertig een fel tegenstander van dat deel van de bourgeoisie dat met Hitler aanpapte, hem althans tevreden wilde stellen. Neville Chamberlain, de baas van het Foreign Office stond daar absoluut niet alleen in. Vansittart had al vroeg door dat de nazi’s op gebiedsuitbreiding uit waren. Ten koste van alles. De Labour aanhang stond niet alleen toen ze tegen opvoering van de bewapening was.

Vansittart bestempelde zijn professionele leven als een mislukking. Gelukkig schreef hij een uitmuntende autobiografie die een helder licht werpt op de manier van denken en handelen toen Groot-Brittannië nog een wereldrijk was. De Union Jack wapperde in alle werelddelen en het leek erop alsof dat altijd zo zou blijven. Het wereldrijk had, alsdus de schrijver, twee wereldoorlogen kunnen voorkomen als het zich eerder had bewapend. Vansittart beschrijft dat met een buitengewoon rijk taalgebruik en dat verbaast niet als men weet dat hij ook romans, gedichten en toneelstukken schreef. Hij was een groot vriend van Alexander Korda, de van origine Joods-Hongaarse filmregisseur Alexander Korda, die op het landgoed van Vansittart niet alleen zijn gang kon gaan maar ook door hem financieel werd gesteund (de schrijver noemt hem slechts eenmaal terloops).

Ik kwam slechts één misser tegen. Als Vansittart het over de Rijksdagbrand van 1933 heeft noemt hij Marinus van der Lubbe een perverse halve dwaas en de brand een opzetje van de nazi’s. Maar misschien mag men zelfs van zo’n hoge diplomaat niet verwachten dat hij wist dat de werkloze Leidse metselaar een radencommunist was die een (mislukte) poging deed de Duitse arbeiders tot massaal verzet tegen Hitler aan te zetten.

Bij het boek een tweetal Nederlandse recensies. Eén uit de NRC, de ander door H.A. Lunshof, hoofdredacteur van Elsevier die het betreurt dat Vansittart ook na 1945 nog fel anti-Duits bleef. Inderdaad zou Vansittart er zich over hebben verbaasd dat Duitsland nu de meest betrouwbare, democratische en sterkste staat van Europa is.

Vansittart, Robert (1958). The Mist Procession. Autobiography. Londen: Hutchinson. I.g.st., gebonden in linnen met stofomslag, 568 pp., 1e druk. Gaaf exemplaar. Niet meer beschikbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 18th, 2020 by Igor Cornelissen

“U denkt toch wel aan het instituut, meneer Cornelissen”. Over het IISG en het anarchisme

Al droeg hij dan de titel van prins, als een heilige is Peter Kropotkin (1842-1921) door de anarchisten nooit geëerd. Niet als heilige, maar wel als voorman. In de hoogtijdagen van het Nederlandse anarchisme, ruwweg 1870-1900, werd hij veel gelezen en aangehaald. Anarchisten (en communisten, socialisten) vereren wel mensen, maar tot een bijna goddelijke status kunnen ze het onmogelijk brengen. De beweging was in origine nu eenmaal sterk anti-kerkelijk zoals ze ook tegen Kroeg en Kapitaal was. Drie keer K dus.

Kropotkins vader  was de eigenaar van 1200 mannelijke lijfeigenen en ongeveer evenveel vrouwen. Zoon Peter, van beroep geoloog en geograaf, was tegen lijfeigenschap. Via een nichtje kwam prins Peter Kropotkin in aanraking met democratisch geschriften, zoals die van Alexander Herzen.

Wie over zijn leven meer wil weten leze zijn boeiende gedenkschriften. Vele malen zat hij gevangen. Hij was een echte doener en niet alleen theoreticus. Tijdens een bezoek van een week aan Zwitserland in 1872 bezocht hij een vergadering van horlogemakers. Hij leerde er anarchisten kennen.  ‘En toen ik uit de bergen kwam na een week bij de horlogemakers te zijn geweest, had ik mijn mening gevestigd. Ik was anarchist.’ Weinigen weten nog dat Zwitserland ooit een broeinest was van revolutionaire arbeiders en sympathisanten. Ook zonder die koeienbellen en koekoeksklok is het land historisch van belang. Toen Kropotkin een paar jaar later vastzat in een vochtige cel in de Petrus en Paulsvesting dreigde hij er onder door te gaan. Een arts wist te bewerkstelligen dat hij af en toe een wandeling mocht maken op de binnenplaats. Kropotkin zag dat af en toe de poort open ging om hout binnen te brengen. Via een ingenieus plan wist hij te ontsnappen. Daar was een violist voor ingehuurd die buiten de poort zou spelen. Als hij met zijn spel stopte was de kust veilig. Buiten stond een rijtuig klaar. Kropotkin ontsnapte. Dat waren de tijden dat de (plannen tot) revolutie nog een romantisch tintje hadden. Drones hebben inmiddels de plaats van violen ingenomen. Kropotkin stierf in communistisch Rusland en de heersers van toen hadden nog net genoeg eerbied voor deze voorganger dat ze hem een staatsbegrafenis gunden. De familie van Kropotkin, die een fel tegenstander van Lenin c.s. was, weigerde dit. Zijn begrafenis was de laatste gelegenheid waarbij anarchistische en anti-bolsjewistische leuzen werden meegedragen. Er bestaat een filmpje over die gebeurtenis dat op Youtube te zien is. Indrukwekkend.

Ik kreeg het boek van een oude revolutionair. Het was in slechte staat. In die tijd (1963, denk ik) bezocht ik voor het eerst het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. Maria Hunink, afkomstig uit een katholiek fabrikantengeslacht uit Wijhe (vleesverwerking), was er de gedreven bibliothecaresse die mij, toen ik haar vertelde van mijn correspondentie met oude socialisten op nogal dwingende toon vroeg: “U denkt toch wel aan het Instituut, meneer Cornelissen.’

Daar dacht ik aan en toen ik enkele brieven had geschonken, vroeg ze heel lief of het Instituut iets voor mij kon doen. Ik bracht enkele gehavende boeken en brochures en die werden uitstekend gerestaureerd. Ze hadden op het IISG voortreffelijke boekbinders in dienst.

Toen Maria Hunink overleed ben ik naar haar begrafenis in Wijhe geweest. Op de r.k. begraafplaats. Arthur Lehning (ze had hem jarenlang gediend bij zijn uitgave van  werken over Bakoenin, de andere grote anarchist) sprak een gedenkrede uit. Er was weinig van te verstaan want een onbarmhartige regenbui kletterde op paraplu’s, maar ik hoorde wel steeds het woord Oeuvre, Oeuvre, want Arthur had het vooral over zijn eigen werk. Voor de uitgave van de wetenschappelijke uitgave was Maria Hunink onmisbaar geweest.

Ik dacht daar in Wijhe even aan Kropotkin en aan zijn, dankzij Maria, vakkundig gerepareerde  Gedenkschriften.

Kropotkin, P. (z.j. [ca.1902]). Gedenkschriften van een revolutionair. Met een voorrede van George Branders. Utrecht: W. Leijdenroth van Boekhoven. Redelijk, verkleurd omslag & papier, herstelde titelpagina en band. X, 387 pp., 1e druk. Met illustraties, vertaling Annette Dyserinck (uit het Engels). Uit de collectie Igor Cornelissen. Met portretfoto's. 2 delen in een band. Zeldzaam exemplaar (in deze uitgave). € 33,00 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 17th, 2020 by Igor Cornelissen

Thomas Fats Waller: “Hij kon het spelen niet laten”

Thomas ‘Fats’ Waller (1904-1943) was in de jaren dertig een van de beste, bekendste en meest geliefde jazzpianisten in Amerika. Hij was met zijn leermeester James P. Johnson één van de uitvinders van de stride stijl. De rechterhand speelt eerst de melodie en improviseert daarop, terwijl de linkerhand op een soort hoempa manier het ritme aangeeft. Zijn vader was predikant en de zoon begeleidde hem. Op het orgel. Daar leerde hij muziek spelen. Als het er niet al is, zit er een mooi boek in de jazzpianisten die hun eerste muziek in de kerk speelden.

Fats Waller was populair met zijn liedjes die wereldwijd over de radio te horen waren. En wie geld had bezocht een club waar hij met zijn bolhoed en een fles whiskey het publiek door de sombere  crisisjaren na 1929 wist heen te slepen. Op een paar filmpjes op Youtube is nog altijd te zien hoe de altijd vrolijke man met muziek, ogen en forse wenkbrauwen het publiek in vervoering brengt. Waller was een begenadigd componist; Honeysuckle Rose, Black and Blue, Ain’t Misbehavin’ staan nog steeds op het repertoire van iedere zichzelf respecterende jazzband. Een ode aan zijn jeugd of aan zijn vader? Af en toe speelde Waller nog op het orgel. Er zijn platen van.

Soms verkocht hij zijn composities voor een paar tientjes. Een ander streek dan met de eer, maar Waller had vaak geld nodig. Niet alleen voor de enorme porties eten die hij aan kon en de gin die naar binnen gleed, maar ook voor zijn alimentaties.

Een vriend vertelde mij hoe hij als jonge knaap door een oudere dame was verleid en niet alleen met geschonken wijn en het draaien van plaatjes van Fats Waller. Al kom je zo wel in een goede stemming. Thomas Fats Waller zou het verhaal schitterend hebben gevonden. Helaas werd hij niet oud. Zijn arts had hem gewaarschuwd. Hij kon het eten en drinken niet matigen, net zo min als het spelen. Een van zijn nummers heet dan ook Handful of Keys.

Joel Vance (1979). Fats Waller. His Life and Times. London: Robson Books. I.g.st., hardcover. Gebonden, 179 pp., 1e druk. Met illustraties en bibliografie. € 15,50 (incl. verzending). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 16th, 2020 by Igor Cornelissen

Een dochter eert haar vader: Sarah over Churchill

De literatuur over de grote staatsman Winston S. Churchill is onuitputtelijk. De man was over een zeer lange periode politiek actief en velen hebben hem geportretteerd. Tot zelfs zijn vaste arts toe, die er moeilijkheden mee kreeg omdat het als ‘te privé’ werd beschouwd. De boeken over Churchill als politicus (niet allemaal positief) zijn legio, maar Sarah beschrijft hem als vader. Ze lagen nogal eens dwars.

Sarah was toneelspeelster en ze dronk erg veel. Dat deed vader Winston ook, al waarschuwde hij zijn dochter wel: zorg er voor dat jij de baas blijft over de alcohol en niet omgekeerd. Die goede raad werd niet altijd opgevolgd. Ik herinner me een foto dat Sarah staande wordt gehouden door een agent omdat ze in dronken staat een auto bestuurde. Die foto staat uiteraard niet in dit boekje. Wel een mij onbekende foto van Churchill en president Roosevelt in Yalta, vergezeld door hun dochters. Sarah draagt een militair uniform. En Sarah is er ook bij als die staatslieden met Stalin vergaderen.

Uit het boekje spreekt veel liefde voor haar vader en moeder. Aan haar moeder droeg ze deze bijdrage aan een meer volledig beeld van haar vader op.

Churchill, S. (1967). A Thread in the Tapestry. Londen: Andre Deutsch. I.g.st., hardcover. 101 pp., 1e druk. Met illustraties, prima exemplaar € 13,50 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, ook over Churchill.

november 15th, 2020 by Igor Cornelissen

Kunst uit huize Israëls

Jozef Israëls (1824-1911) werd in een joods gezin in de stad Groningen geboren. Zijn vader was een kleine commissionair in effecten. Jozef trok al vroeg naar Amsterdam. Het zou nog jaren duren voor Groningen een kunstzinnig centrum werd. Dat kwam dan vooral, veel later, door de groep van De Ploeg.

Israëls was één van de eerste schilders die, aangetrokken door het impressionisme en modernisme, naar Parijs ging. Van Gogh bewonderde hen. Zelf werd hij beschouwd als één van de grondleggers van de Haagse school. Schilderijen van dat genre worden regelmatig aangeboden op veilingen tegen schappelijke prijzen. Jozef Israëls is veel duurder. En dat was tijdens zijn leven al zo. Wie kon zijn werk betalen? Toen ik de biografie van de communiste en kunstcritica Mathilde Visser schreef, ontdekte ik dat er bij haar ouders rond 1900 al schilderijen van Breitner en vader en zoon (Isaac) Israëls hingen. De ouders van Mathilde waren zeer bemiddeld. Kunst was altijd iets voor de happy few en dat is zo gebleven. Helaas.

Tegelijk is het curieus dat Jozef Israëls, nadat hij zich permanent in Den Haag vestigde, vaak naar Katwijk en Scheveningen trok om daar het (arme) vissersleven uit te beelden. Met enige overdrijving kun je zeggen dat vader Israëls met penseel en doek uitbeeldde wat later Herman Heijermans met de pen beschreef in Op hoop van zegen. Vader Jozef hielp zijn zoon Isaac Israëls in de eerste fase van zijn werkzame periode. Hij schreef ergens dat hij hoopte dat de zoon met hulp van de Heere een betere schilder zou worden dan hij zelf was.

In 1879 werd Jozef Israëls ridder in de Kroonorde van Italië. Die toevoeging is natuurlijk van geen enkel belang, maar het klinkt sierlijk. Of er veel Nederlanders zijn geweest die deze Kroonorde hebben mogen dragen, weet ik niet. De antiquaren in Het Wasdom opteren slechts voor het ridderschap in de Orde van de Kousenband. Dit laatste uiteraard geheel terzijde.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, bijv. over kunst, waaronder het schitterende boek over de schilderkunst van Jozef Israëls, inmiddels een klassieker.

november 13th, 2020 by Igor Cornelissen

Abba Eban geloofde niet in wonderen, maar wel in Israël

De in Zuid Afrika geboren Abba Eban was voordat hij in 1966 minister van Buitenlandse Zaken van Israël werd vele jaren Israëls permanente vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties. Hij was lid van de Mapam, de socialistische arbeiderspartij en werd gerekend tot de ‘duiven’. Het onderhandelen nam hij serieus en dus ook de mogelijkheden om tot vrede met de Arabische staten te komen. Er bleek weinig mogelijk. Eban geloofde niet in wonderen, maar het blijft verbazingwekkend hoe hij de tijd vond deze zeer leesbare geschiedenis in zijn vrije uren te schrijven. Hij schrijft nuchter en begint al met de mededeling dat het ontstaan van zijn volk schemerig is. Feiten en legenden zijn verweven tot een onontwarbaar geheel. Maar als er feiten zijn dan meldt hij die ook. Zo is en blijft voor hem Jezus een jood in woord en daad. Pas geleidelijk werd het christendom een godsdienst voor niet-joden. En zonder Paulus zou dat niet zijn gebeurd.

Bij Eban wisselen zich de hoogtepunten (grote filosofen, historici en andere geleerden) zich af met neergang en afslachtingen waarbij uiteraard de massamoord tussen 1940-1945 de nodige aandacht krijgt. Dat Eban voor de oorlog in Engeland heeft gestudeerd, is duidelijk te merken aan zijn geschiedschrijving: beheerst en duidelijk. Interessant, want vrijwel vergeten, is zijn beschrijving van het wantrouwen dat de overlevende joden na 1945 beheerste. Ze wilden niet in Polen of Duitsland blijven. Dat hun ouders en andere familie massaal was vermoord, kwam omdat ze geen eigen land hadden waarheen ze hadden kunnen vluchten. Daarom ‘moest er een eigen staat komen. Vanaf zijn vroege jeugd was Eban zionist. Zijn talenkennis (o.a. Arabisch) maakte hem tot een gezaghebbend politicus.

Vrijwel vergeten is ook dat in de jaren 1945-1948 de Labour regering misschien niet anti-joods was maar wel tegen de oprichting van die eigen staat. Ernest Bevin, de Britse minister van Buitenlandse Zaken, uitte zich zacht gezegd uiterst onvriendelijk over de plannen voor een eigen staat.  In Nederland was de PvdA heel blij dat er in Londen een zusterpartij de macht van Churchill overnam. Maar hoe er binnenskamers bij de PvdA over Bevin werd gedacht, zou nog eens beschreven moeten worden. Dat laatste terzijde, want daar gaat Ebans boek niet over.

Eban, Abba (1971). Mijn volk. De geschiedenis der joden. Amsterdam/Antwerpen: Keesing. I.g.st., gebonden in blauw linnen met smoezelig stofomslag. Roestvlekjes. Gebonden, 440 pp., met illustraties (fotokatern met o.m. afbeeldingen uit Amsterdam). Uit de collectie Igor Cornelissen € 14,50 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, bijv. judaica

november 12th, 2020 by Jaap de Jong

Geschiedenis van Overijssel

Onlangs werd ik vereerd met het lidmaatschap van de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis (VORG), een eerbiedwaardige vereniging die in 1858 in Zwolle werd opgericht. Vanaf 1860 geeft de VORG een bundel uit met interessante opstellen, de Overijsselse Historische Bijdragen.

In die bijdragen staan opstellen die voor de lokale geschiedenis zeer de moeite waard zijn. Voor Zwolle trof ik bijvoorbeeld eerder opstellen aan over de achtergrond van de schitterende preekstoel in de St. Michaëlskerk, de uitgever-drukker en catechismeermeester Berent Hakvoort, over godsdienstige conflicten in de Reformatietijd en wat al niet meer. Prachtig voor de fijnproever die het naadje van de kous wil weten en/of verder wil breien.

In het nieuwste nummer van de Overijsselse Historische Bijdragen staat onder meer een opstel over de taalgeschiedenis van Overijssel (Harrie Scholtmeijer). Interessant om te lezen hoe de anywheres (de niet-plaatsgebonden elite) in staat waren om het dialect van de somewheres volledig weg te vagen. Aan de andere kant was de elite ook zeer betrokken bij het conserveren van het Overijsselse (en plaatselijke) dialect, zoals bijvoorbeeld Karel Diederik Schönfeld Wichers (1901-1993)  – Karel van ’n notoaris oet Riessen – en de Hengelose doopsgezinde predikant Anthonie Ballot (1836-1871).

Andere bijdragen gaan over grafveld en de trechtbekercultuur (Henk van der Velde), uitgevers en drukkers (Kees Leeffers, Georg Hartong en Henk Nalis), kaarten en mappen (Clemens Hogenstijn), de inspanningen van Egbert Tobi ten behoeve van de zedelijke verbetering van gevangenen (Cees Houtman), minvermogenden in Kampen (Iet Erdsieck), de textielindustrie (Joan H. Beune) en het boeiende verhaal van twee broers die een leven lang strijd voerden over gemaakte keuzes in de oorlog (Martin van de Linde). Het jaarboek besluit met de literatuursignalementen.

Het lidmaatschap van de vereniging geeft recht op de ontvangst van de Overijsselse Historische Bijdragen. U kunt op de website van de vereniging meer vinden over dat lidmaatschap.

Tot slot kan ik het niet nalaten te wijzen op de overzichtslijst van de Overijsselse Historische Bijdragen (1860-2007). Een aantal van de opgenomen artikelen zijn fulltext beschikbaar op de website van het Historisch Centrum Overijssel (HCO).

Als historicus en antiquaar ben ik natuurlijk zeer geïnteresseerd in materiaal betreffende de  geschiedenis van Overijssel (en Zwolle). Mail ons of neem anderszins contact op bij een geschikt aanbod.

november 12th, 2020 by Igor Cornelissen

Heijermans, het antisemitisme en de sjabbessoep

Vroeger was Jaap Meijer er druk mee: antisemitische passages opsporen bij bekende of minder bekende auteurs. Tijdens een interview verraste hij mij toen hij mij dergelijke passages toonde bij Menno ter Braak. ‘Dat had je niet verwacht, he?’ Nee, dat had ik niet verwacht.

Bij een reeks predikanten-schrijvers uit de 19e eeuw had Jaap ze voor het oprapen. En als de stukjes tekst niet van jodenhaat getuigden dan kwamen de joden er toch wel in voor als opvallend, vreemd sprekend, niet geheel betrouwbaar of (iets milder) uiterst gewiekst in de handel. Je moest in ieder geval altijd een beetje uitkijken met ze.

Tegenwoordig is Ewoud Sanders een bekwaam opvolger van Jaap Meijer, Hij verzamelt en bespreekt christelijke kinderboeken waarin joodse jongens en meisjes zich laten bekeren of dwars blijven liggen. De zending had het er druk mee. Sommige van die boekjes blijken nog in de handel te zijn.

Sabbath van de joodse (dat moet er bij) Herman Heijermans is niet van hetzelfde laken een pak, maar wekt wel bevreemding. In het afstotende  stijltje van de Tachtigers, doorspekt met jiddische woorden, zit een gezin  te genieten van de shabbessoep. Van een soepkip dus. ‘IJvrig op ‘t vlak van de tafel dekte nu Bekkie, handen in rap gebeweeg over schalen.’

Van joodse zelfhaat was bij Heijermans geen sprake: de joodse Esther de Boer – van Rijk liet hij niet voor niets jarenlang de rol van Kniertje met het pannetje soep in Op hoop van zegen spelen.

Eigenlijk wil je als je het leest daar niet tussen zitten. Kenners wisten dat het wel realiteit was in de van armoe walmende buurten waar gebrek aan alles was. Die buurt werd al lang voor de Tweede Wereldoorlog afgebroken. Heijermans schrijft levendig en was en blijft onze beste toneelschrijver.

De vis wordt nog steeds duur betaald. Anders dan vroeger. Het volk heeft nu misschien wel geld voor tarbot en tong, maar heeft het er niet voor over. Dan maar een gezinszak kibbeling: vis van onbekende herkomst in vette olie gebakken. Dit laatste natuurlijk terzijde, maar niet zonder hoop op zegen.

Naar aanleiding van: Heijmerans jr., Herman (1903). Sabbath. Eene studie. Amsterdam: H.J.W. Becht. I.g.st., gaaf exemplaar. Gebonden in linnen, 92 pp., 1e druk. € 19,00 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 11th, 2020 by Igor Cornelissen

Stukje strand met echtpaar. Over Isaak Babel, zijn vrouw Zjenja en andere verhalen

“In Isaak Babel: Brieven naar Brussel (Moussault 1970) staat een foto van de schrijver en zijn vrouw Zjenja (Babel, die onder Boedjonny vocht bij de rode ruiterij, op zijn dertigste al een legende, later door Stalin uitgespuwd, afgevoerd, fijngeknepen) in de zomer van ’28 op het rimpelloze strand van het Belgische Saint-Idesbald, of all places! Naar zo’n foto kijk ik met meer ongeloof en verbazing dan ik kijken zou naar het eigenhandig gesigneerde statieportret van God de Vader zelf.” – Cees Buddingh

Die woorden schreef Buddingh in het literaire tijdschrift Maatstaf (jaargang 20, 1972-1973, p. 200) naar aanleiding van een foto van Isaak Babel en zijn vrouw Zjenja, zittend op het strand in West-Vlaanderen, ergens in de buurt van Saint-Idesbald. Het is een korte biografie, maar raak (even afgezien van het “rimpelloze strand”, maar wie maalt daar om?).

Ik verzamelde boeken van en over Babel. Isaak Babel werd in 1894 geboren in de joodse wijk Moldavanka van de havenstad Odessa. Zijn vader was een kleine handelaar. Op de middelbare school had Babel een uitstekende leraar Frans die hem Flaubert en De Maupassant leerde lezen en waarderen. Zijn eerste verhalen schreef Babel in het Frans. In de jaren twintig werd Babel de bekendste schrijver van het nieuwe Rusland. In 1940 werd hij doodgeschoten als trotskist en spion voor de Fransen. Hij had, na enkele weken verhoor en (dus) marteling alles bekend. Dat hij kort voor zijn executie alles introk werd pas na zijn rehabilitatie (na Stalins dood) bekend.

Toen ik in oktober 1967 voor de eerste (en laatste) keer in Odessa was, kostte het mij dankzij mijn dertig woorden Russisch weinig moeite om de wijk Moldavanka te vinden. En ik ontdekte zowaar het huis waar Isaak Babel had gewoond. In de buitenmuur was een plaquette geplaatst die hem in herinnering bracht. Ik nam er uiteraard een foto van, maar die is tot mijn grote verdriet al jaren zoek. Dat zoek-zijn geldt ook de verhalen waar Babel mee bezig was en die bij zijn arrestatie in beslag werden genomen. Het enige wat zijn nazaten in ontvangst mochten nemen was zijn ziekenfondsbrilletje. Misschien dat zijn onvoltooide werk nog eens uit de kasten van de geheime dienst naar boven komt.

In Nederland heeft Charles B. Timmer, van origine houthandelaar, die zich tijdens zijn verblijf in andere landen (Finland, Estland en Rusland) de daar gesproken talen eigen maakte. Hij zette zich tientallen jaren voor Babel in. Hij vertaalde diens werk en maakte ons westerlingen duidelijk hoe Babel – gevierd vanwege zijn verhalen over de Ruiterarmee – rond 1930 in moeilijkheden kwam toen onder Stalin de censuur strenger werd. In zijn eerste werken kwam Trotski voor als leider van het Rode Leger. Dat klopt ook. Babel had bij de cavallerie dienst genomen om er in 1920 bij te zijn toen het Rode Leger naar Warschau oprukte. Die vermelding van Trotski werd hem aangerekend. In de jaren dertig trad hij nog wel op tijdens schrijverscongressen, maar tijdens een van die bijeenkomsten vertelde hij vooral de stilte te eerbiedigen.

Babel had ondanks de steeds massalere terreur toch de stoutmoedigheid om het huis van Jezjov te bezoeken. Dat was de man die de terreur tot ongekende hoogte opdreef. Babel had eerder een verhouding met een vroegere vrouw van Jezjov. Wat Babel dreef om juist hem te bezoeken blijft raadselachtig. Wellicht was het Babels niet te stuiten nieuwsgierigheid. Hij wilde waarschijnlijk weten wat iemand dreef tot zulke monsterlijke daden. Buitendien was Jezjov een ongeletterde. Ook dat trok Babels nieuwsgierigheid. Toen Jezjov zelf werd gearresteerd, beschuldigde hij, om zichzelf te redden,  Babel ervan een Franse spion te zijn. Dat alles hielp niet. Jezjov én Babel werden vermoord, evenals de vrouw met wie Jezjov op dat moment was getrouwd.

Gruwelijkheden komen veelvuldig voor in het werk van Babel. Maxim Gorki had hem bij de aanvang van zijn schrijversschap aangeraden vooral ‘meer onder de mensen te gaan’. Die raad heeft Babel opgevolgd. Misschien iets te vaak en te veel.

Rest mij nog te vertellen dat ik mij tijdens mijn bezoek aan Odessa ook onder de mensen begaf en in een schitterend hotel met kroonluchters aan een tafel kwam te zitten met drie vrolijke Bulgaarse zeelieden die vergezeld waren van een wonderschone Russin die een weinig Engels sprak, een taal die de Bulgaren niet verstonden. De Russin die mij in het Engels vertelde dat ze aan mij de voorkeur gaf boven de zeelieden, gaf mij de opdracht hen ‘onder de tafel te drinken’. Dat lukte wel. De ober bleef maar schenken. Wodka, Krim champagne en nog meer wodka, maar de gevolgen… Ach, was Isaak Babel er maar bij geweest. Die zou er een schitterend verhaal van hebben gemaakt.


Babel, Isaak (1979). Verhalen & dagboekbladen [deel 1, 590 pp.] Toneelstukken & brieven [deel 2, 545 pp]. Amsterdam: Meulenhoff. Vertaling Charles B. Timmer. Met bibliografie, register, aantekeningen. I.z.g.st., als nieuw en zonder lezerssporen. Zeer gaaf exemplaar van het Verzameld Werk van Babel met de beide delen in één luxe zwarte box! € 42,50

Tirade, 7e jaargang, nr. 83 (november 1963). Special met verhalen over/van Isaak Babel, 737-800 pp. Goed.

Babel, Isaak (1966). Verhalen. Amsterdam: Moussault. Uit het Russisch vertaald door Charles B. Timmer. Matig, met bibliografische notitie, 370 pp., 3e druk.

Babel, Isaac (1964). The Lonely Years 1925-1939.  Unpublished Stories and Private Correspondence. New York: Noonday Press. Edited, and with an Introduction by Nathalie Babel. Translated from the Russian by Andrew R. MacAndrew, XXVIII, 402 pp. Redelijk (titelpagina deels losgescheurd, 2 losse fotopagina's). Halflinnen met omslag, fotokatern [met o.m. bovenstaande foto].

Babel, Isaac (1961). Collected Stories. Translated or revised by Walter Morison with an introduction by Lionel Trilling. Harmondworth: Penguin Books. Goed, vergeeld papier, 332 pp.

Het hele pakket Isaak Babel uit de collectie Igor Cornelissen (bovenstaande 5 titels & 6 boeken) - € 57,50 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.
november 11th, 2020 by Igor Cornelissen

De verbroedering van Nikita Chroesjtsjov en Benny Goodman

Van jazz is niet alleen bijzonder dat het in New Orleans ontstond (een smeltkroes van blank, zwart, bruin, Frans, Italiaans, Joods enz.) maar ook dat het nog altijd wordt gespeeld.

Opmerkelijker nog dat het over de hele wereld navolgers kreeg. Jazzmusici speelden na het verschijnen in 1919 van de eerste grammofoonplaten met die ‘oerwoud muziek’ in Europa en zelfs in het deel van de Sovjetunie dat ten westen van de Oeral ligt. Later bleven musici in Europa (en ook nog Japan) hangen. De zwarte musici hadden minder last van discriminatie, ook er bleken nogal wat liefhebbers en kenners te wonen. Én de gages waren beter.

In het nieuwe Rusland van de communisten traden de saxofonist Sidney Bechet en de trompettist Tommy Ladnier op. Hun concerten werden uiteraard slechts door een kleine groep bezocht. Volgens één bron zat Trotski in de zaal. De jazz was ontstaan door een uiterst gemêleerd gezelschap en kreeg door grammofoonplaat en radio internationale allures. Onder Stalin werd het echter een droeve geschiedenis. De muziek was niet alleen Westers, maar werd ook als imperialistisch bestempeld. Verboden dus, net als in Duitsland onder Hitler. Starr beschrijft indringend de pogingen van Russen om er, toen het nog mocht, wat van te maken. Het lot was de doorzetters, zoals met alle “diversanten” niet goed gezind: het kamp en/of de dood.

Na Stalins dood veranderde er wat in de Sovjetunie. Benny Goodman mocht in de zomer van 1962 met zijn band komen en dat werd een groot succes. De nieuwe partijleider Nikita Chroesjtsjov was niet alleen aanwezig bij een van de concerten, hij nam ook deel aan de staande ovatie. De plaat die toen is opgenomen, heb ik nog en doe ik voorlopig niet weg. Starr weet te melden dat de Amerikaanse musici, ook na afloop van het optreden, doorspeelden met enthousiaste Russische artiesten. Er zal heel wat vodka hebben gevloeid. In ieder geval: jazz verbroedert; als het tenminste mag. Terzijde: veel van die Russische musici waren van joodse origine. Aan Amerikaanse kant was Benny Goodman niet de enige van joodse afkomst.

Frederick Starr (1983). Red & Hot. The Fate of Jazz in the Soviet Union. New York/Oxford: Oxford University Press. I.g.st., enige potloodaant. Uit de collectie van Igor C. (naast journalist, schrijver ook jazzmuzikant). IX, 368 pp., 1e druk. Met illustraties, met bibliografie en noten. € 25,00 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 10th, 2020 by Igor Cornelissen

Portugal als kolonisator: Salazar contra Boxer

Met vakantie naar Portugal. Het blijft hoog op mijn wenslijst staan. Ik was er vaak en vind de Portugezen heel vriendelijk en bescheiden. Toen ik het gesprek eens op hun kijk op vuurland Spanje bracht hoorde ik hetzelfde wat een gemiddelde Nederlander over Duitsland (van vóór Merkel) zou kunnen zeggen. Bij hun is alles groter en beter en ze maken te veel lawaai.

Dictator Salazar maakte niet zo veel lawaai (en hij is in Portugal nog altijd bij grote delen van de bevolking geliefd als een bescheiden heerser, wars van weelde, pracht en praal), maar hij schopte C. R. Boxer tegen het verkeerde been toen hij in een interview verklaarde dat Portugal het rassenonderscheid altijd had gemeden, ook als kolonisator.

Boxer, een veelzijdig historicus die Portugees las en sprak (evenals Nederlands), wist beter. Hij schreef boeken over Portugal als machtige staat met bezittingen in Zuid Amerika, Afrika, India en Oost Indië. Hij corrigeerde Salazar en schreef als reactie op het interview een kleine, maar pittige ‘correctie’. Het kwam hem te staan op een inreisverbod. Hij was niet meer welkom in Portugal. Na Salazar werd dat goedgemaakt.

Aan Boxer moest ik eens denken toen ik in een kroegje in Lissabon met een werkloze ingenieur in gesprek kwam. Het was een vriendelijke Portugees die goed Engels sprak. Hij vertelde me dat hij over enkele weken naar Mozambique ging. Vakantie? Nee, voor werk dat hij in Portugal niet kon vinden. Curieus: de vroegere kolonie verschafte werk aan een burger van zijn vroegere kolonisator. Zo ver is het met ‘ons’ Indië nooit gekomen.

Boxer, C.R. (1963) Race Relations in the Portuguese Colonial Empire (1415-1825). Oxford: Clarendon Press. I.g.st., hardcover. Gebonden, 136 pp., 1e druk. Met illustraties, met bibliografie en noten. € 35,00 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 9th, 2020 by Igor Cornelissen

Onder professoren – Judicus Verstegen en zijn koekoek in de klok

Judicus Verstegen (1933-2015) was een chemicus die promoveerde en werkte aan de universiteit van Amsterdam. Een knap geleerde die ook literatuur wilde schrijven. Het ging hem niet slecht af, maar met De koekoek in de klok kwam hij in moeilijkheden.

De roman speelt aan de Universiteit van Amsterdam en beschrijft de oplichting, het bedrog en de fraude. Een professor laat studenten voor zich werken en strijkt zelf het geld op. Bovendien sjoemelt hij met declaraties. Daar nog bovenop komen foute oorlogsverledens en moffenhoeren die zich in professorale bedden wentelden.

Professor J.A. Ketelaar, hoogleraar in de fysische chemie, meende zich in het boek te herkennen en dwong af dat er geen derde druk zou verschijnen. In diezelfde tijd voerde het communistische dagblad De Waarheid een actie tegen professor Kistemaker die in de oorlog gecollaboreerd zou hebben en bezig zou zijn met het maken van een atoombom. In de verhalen dook ook Ketelaar op als vriend (en beschermer) van Kistemaker. Ketelaar en Kistemaker hadden, dat staat nu wel vast,  tijdens de bezetting in Parijs gewerkt voor Cellastic, een wetenschappelijke spionageorganisatie van de nazi’s.  De actie bloedde dood, zoals veel acties, maar het vrat allemaal aan de schrijver Verstegen die in een psychiatrische inrichting werd opgenomen.

Er kwam een tweede druk, maar toen was het afgelopen. Verstegen werd bedreigd met processen wegens laster en had geen zin in vonnissen met dwangsommen. Het boek werd uit de handel genomen.

Literatuurkenners menen zeker te weten dat Willem Frederik Hermans zich met zijn Onder professoren stevig heeft laten beïnvloeden door Verstegens boek. Er is veel meer over te vinden over deze kwestie, maar die bronnen zijn alleen goed te begrijpen na lezing van dit boek. Verstegens boek wordt intussen een doodgezwegen meesterwerk genoemd. In het nieuwste nummer van De Parelduiker (2020, nr. 4, jaargang 25) is overigens een artikel van Sander Kollaard opgenomen over Judicus Verstegen.

Judicus Verstegen (1969). De koekoek in de klok. Roman over menselijke onmacht en tragiek tegen een achtergrond van twee conflicten aan een universiteit. Amsterdam: Querido. Redelijk [lichte vochtvlekken, leesvouwtjes in rug], paperback, 1e druk, 244 pp., reuzensalamander nr. 83. € 45,00. Uit de handel genomen. Zeer zeldzaam. Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 9th, 2020 by Igor Cornelissen

Het leven van Voline: eender, maar toch anders

Hij schreef onder de naam Voline, maar werd geboren als Vsevelod Michailovitsj Eichenbaum (1882-1945). Zijn beide ouders waren arts. Hij studeerde rechten en kwam al jong onder invloed van het socialisme. Voline belandde bij het anarchistische deel. De rest van zijn leven lijkt op dat van veel Russische revolutionairen: arrestatie, gevangenschap, verbanning, vrijlating en, op de vlucht voor het tsarisme, exil.

Voline kwam eerst in Berljn terecht, daarna Parijs. De Duitse en Franse taal beheerste hij al. Engels zou hij in Amerika leren, het volgende land waar hij actief was zoals tienduizenden Russen die daar woonden. In 1917 kwam hij terug naar Rusland. Hij kreeg het al spoedig aan de stok met de bolsjewiki die hem arresteerden. Zijn boeken over 1917 en de onderdrukte opstand in Kronstad (1921) en de Oekraïne werden klassiekers, wat niet wil zeggen dat ze veel werden gelezen.

Het was Ben Sijes die mij op het boek wees. Sijes was van origine een radencommunist (zoals Herman Gorter, de astronoom prof. Anton Pannekoek en de werkloze metselaar Marinus van der Lubbe). Hij kreeg bekendheid als medewerker van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (en schrijver van een studie over de Februaristaking van 1941). Sijes bespeurde bij mij in de jaren zestig nog een zekere sympathie voor de Russische revolutie door Lenin en Trotsky. Voline zou mij daar wel van af helpen. Het heeft even geduurd, maar anarchist werd ik niet, al schrijf ik dan met veel plezier in hun blad De As.

Dat lijkt natuurlijk allemaal op afdwalen, maar dat is het niet.

De bekende anarchist Rudolf Rocker schreef een inleiding bij Voline’s boek over 1917. Daarin leest men veel meer over diens uiterst avontuurlijke leven dat in 1945 eindigde in Parijs.

Meer nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 8th, 2020 by Igor Cornelissen

Harford Montgomery Hyde – een soort vriend

Zeer waarschijnlijk ben ik de laatste journalist die de advocaat, politicus en schrijver Harford Montgomery Hyde (1907-1989) heeft gesproken. Dat was in 1989 in Kent / Tenderden waar hij een schitterend landhuis bewoonde. Ik bezocht hem om zijn mening te horen over de Nederlands/Britse spion George Blake die tot een zeer lange gevangenisstraf was veroordeeld, maar wist te ontsnappen en in Moskou opdook waar hij met alle egards werd ontvangen.

Douglas Hyde stond in Groot Brittannië toch al bekend om zijn wat men kan noemen afwijkende meningen. Als Parlementslid voerde hij menigmaal het woord ten gunste van homoseksuelen die (mits van het mannelijk geslacht) met zware straffen werden bedreigd. Hij was ook de eerste die een uitgebreide geschiedenis over de homoseksualiteit schreef. Douglas Hyde vond dat Blake een veel te zware straf had gekregen. Ik had hem over veel meer onderwerpen kunnen spreken, want Montgomery Hyde was ooit bij MI6, de Britse geheime dienst die in het buitenland opereert. We deelden een belangstelling voor spionage. Ik was buitenstaander. Hij niet.

Ik heb als journalist vaker Britten geïnterviewd. Ik bleef voor hen altijd een (onbetekenende) foreigner. Iemand van ver weg die er eigenlijk toch niks van begreep. Bij Montgomery Hyde had ik dat gevoel van vervreemding helemaal niet. Hij beschouwde mij als een soort vriend. Hij schonk mij zijn biografie over Oscar Wilde en verontschuldigde zich dat het een Duitse vertaling was. Van de Engelse oerversie had hij alleen nog zijn eigen exemplaar. De opdracht was in een wat bibberig handschrift zodat ik niet precies kan lezen op welke dag van welke maand ik hem bezocht. Ik meen 6 mei. Het was in ieder geval 1989 en op 10 augustus van dat jaar overleed hij betreurd door zijn derde vrouw. Want Hyde was zelf geen homo.

Ik herinner me nog dat ik met de schrijver/politicus door zijn tuin liep. Hij al zichtbaar breekbaar en leunend op een stok.

Nu loop ik zelf met een stok.

George Blake heb ik ook nog eens opgezocht. In Moskou. Het verslag kwam in Vrij Nederland. Blake sprak nog uitstekend Nederland, maar met een licht Rotterdams accent, de plaats waar hij opgroeide. Dit laatste terzijde.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 7th, 2020 by Igor Cornelissen

Briefwisseling tussen Henri Borel en Frederik van Eeden

Over Frederik van Eeden weten de meeste lezers nog wel dat hij in het Gooi een kolonie stichtte. Walden. Idealisten deden er landbouwwerk en het geheel moest zichzelf bedruipen. De gewone Gooiers keken naar die vreemde stadse mensen die wortels verbouwden. Een marxistische essayist maakte het zaakje belachelijk in een nog steeds leesbaar stuk in De Nieuwe Tijd.

Van Eedens Kleine Johannes werd vroeger gelezen op middelbare scholen. Menigeen wist ook nog dat Van Eeden de anarchist Kropotkin bewonderde, met Sigmund Freud correspondeerde, psychiater was en zich op latere leeftijd bekeerde tot de katholieke kerk. Een veelschrijver die ooit invloed uitoefende.

Over Henri Borel, diplomaat en sinoloog, is minder bekend. Op boekenmarkten komt men nog wel zijn Zusje en Broertje tegen. Een boek dat niet zozeer door de inhoud als wel door de fraaie Jugendstil omslagen kopers trekt. Borel was een groot bewonderaar van Couperus.

De vriendschap tussen Borel en van Eeden ging ver. Van Eeden schreef hem in augustus 1897 vanuit Bussum: ’Er zijn hier bijna geen menschen, waar ik zoo op aan kan, als jou.’ De brieven gaan over schrijvers, kunst en God.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, bijv. binnen de categorie literatuur.

november 6th, 2020 by Igor Cornelissen

Over het smakken van Paul de Groot en de platgedrukte bril van de koningin

De meningen of Vestdijk nu nog wel of niet meer wordt gelezen lopen uiteen. In ieder geval werd de biografie die Hans Visser over hem schreef bij voorbaat al neergesabeld. Visser was chemicus van beroep en behoorde niet tot de intieme kring van Vestdijk adepten. In recensies werd Vissers boek weggezet als oppervlakkig en slordig.

Hazeu kreeg meer lof. In ieder geval was Hans Visser heel ijverig en van de tientallen brieven die hij ontving van mensen die Vestdijk goed (of nauwelijks) hadden gekend maakte hij een leuke selectie. Leo Hornstra een radencommunist die als katholieke Friese nationalist eindigde was net als Vestdijk geïnteresseerd in psychologie en ze hadden diepgaande gesprekken over Freud. De dichteres Vasalis had Vestdijk maar eenmaal ontmoet toen ze door koningin Wilhelmina kort na de bevrijding ontvangen werden. De koningin wilde kunstenaars ontmoeten. In groepjes van vier. Vasalis wist nog goed dat de kunstenaars hun lachlust nauwelijks konden bedwingen omdat de koningin steeds op haar bril ging zitten. En ook dat ze hongerig keken naar de schaal met koekjes. Die hadden ze nooit gehad tijdens die laatste bange oorlogsjaren.

De brieven bevatten voor elck wat wils. Ik weet toevallig dat Vestdijk tijdens zijn maaltijd altijd een boek naast zich had liggen. Dat had hij dan gemeen met de communistenleider Paul de Groot die er tijdens het lezen geweldig bij smakte. Maar dat geheel terzijde.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong. Het boek van Visser komt binnenkort in de catalogus. Wie nu wil bestellen, neme contact met ons op.

november 4th, 2020 by Jaap de Jong

Over het Zwols toerisme en de wijn van Frederik van Leenhof

Zojuist viel bij mij het Zwols Historisch Tijdschrift op de deurmat. Dit keer een themanummer over toerisme. Jan van de Wetering beschrijft aan de hand van kranten, kaarten, ansichtkaarten, reis- en wandelgidsen (Elberts, Van der Pot, Van der Loo etc.) de Zwolse bezienswaardigheden (vanaf vroegmoderne tijd tot op heden). De details ontgingen hem daarbij niet, zoals de wandeling van de Tachtigers Willem Kloos en Hein Boeken die het Zwolse nachtleven onveilig maakten. Tegelijkertijd heeft hij oog voor de middenstand die natuurlijk baat had bij het opkomend toerisme (fietshandel, vervoer, hotel- en restaurantwezen).

Kiekès Agterom (ofwel: Wim Coster) pakt een aantal highlights uit het reisverslag van de bibliofiel Zacharias Conrad van Uffenbach (1683-1734) die tijdens zijn bezoek aan Zwolle ook kennismaakt met de illustere voorganger Frederik van Leenhof (1647-1715). Van Leenhof, voor de ene luisteraar een geliefd voorganger, werd door andere tijdgenoten ook wel verafschuwd vanwege zijn spinozistisch getoonzette werk De Hemel op aarde. Het boek werd op de markt gebracht door de eveneens van ketterijen verdachte koster, boekhandelaar en catechismeermeester Barend Hakvoord (1652-1735) (en ook in meerdere talen vertaald). Van Leenhof schreef daarnaast een uitleg over Prediker. Ik neem aan dat hij er eveneens over preekte in de Zwolse St. Michaëlskerk (Grote Kerk); bijv. over het brood dat je met vreugde eet en de wijn die je met een goed hart drinkt en het behagen dat God daarin schept (Prediker 9). In zijn uitleg van het boek Prediker gebruikte Van Leenhof maar liefst 48 keer het woord ‘wijn’. Zegt dat iets? Ja, dat zegt iets.

Het portret van Van Leenhof, geschilderd door de Zwollenaar Hendrick ten Oever (1639-1716), hangt in de consistorie van St. Michaëlskerk, tegenover het bord met de predikanten die in Zwolle dienden, waaronder meerdere “ketters” en dwarsliggers. Van Leenhof, die uiteindelijk werd afgezet onder doorbetaling van het traktement, is de man met de ganzeveer in de hand. Zwolse ironie, ik ben een dolle liefhebber. Ik verwonder mij overigens dat bij het Zwolse Wijnhuis – tegenover de Michaëlskerk – nog steeds geen wijn wordt aangeboden onder het etiket De Hemel op Aarde. Daar zit toch handel in? Ik vraag maar.

Het nieuwste nummer wordt besloten met een recensie van het boek van mijn kompaan in het antiquariaat Cornelissen & De Jong. Memoires die voor een groot deel over Zwolle gaan (Michael Krielaars besprak het onlangs in de NRC). Een “aardige brompot” schrijft Steven ten Veen, “niet alleen geïnteresseerd in (Zwolse) revolutionairen als Henk Sneevliet, maar ook gefascineerd door bevindelijk gereformeerden in Genemuiden en elders, zoals ds. C. Hogchem”. Ik moet dat “brompot” overigens weerspreken. Igor bromt niet, hij komt minstens een keer per week fluitend in ’t Wasdom op het Dominicanenklooster en gaat fluitend weg. Het vijfde deel van zijn memoires eindigt met de zin dat hij in de boekhandel een nieuwe stralende toekomst tegemoet gaat. En dat is ook zo. Bijna iedere dag een nieuw blog en wat al niet meer. Overigens kunt u zijn boek hier bestellen [gesigneerd exemplaar]. Dit terzijde uiteraard.

Voor het lidmaatschap van de Zwolse Historische Vereniging kunt u zich aanmelden op de website.  U ontvangt dan jaarlijks vier nummers van het tijdschrift.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 4th, 2020 by Igor Cornelissen

Ralph Springer en het fonds Verlag Allert de Lange

Toen ik boeken van en gegevens over de joodse loodgieter Ralph Springer (1886-1942) begon te verzamelen, vond ik in een Amsterdamse antiquariaat ook deze verhandeling over scherts en minnerij uit 1922.

Springer, die in de marxistische Nieuwe Tijd debuteerde, werd fascist. Dat verhinderde niet dat hij later als jood in een concentratiekamp werd vermoord. Hij schreef veel. Of hij daarnaast lood bleef gieten ben ik niet te weten gekomen. Het boek De oude zaak Godefrooi. Boek van scherts en minnarij is goeddeels in een soort Amsterdams dialect geschreven. Hoofdstuk tien van de roman heet Intimiteiten.

Ik verklap verder niets, behalve dan de naam van de uitgever: Allert de Lange (1855-1927). Hij was de vader van Gerard de Lange die in de jaren dertig Duitse exil literatuur uitgaf. Allert de Lange begon in 1880 zijn boekhandel aan het Damrak 62, het pand kocht hij in 1885, mede met het vermogen van zijn vrouw Rijkje. Gerard maakte van de uitgeverij, die later bekend was als Verlag Allert de Lange, een succes. Dat succes dankte hij aan Hilda van Praag-Sanders die bijv. Stefan Zweig, Max Brod en niet te vergeten Joseph Roth bij hem binnen bracht. Zelf zat Gerard het liefst op café, zo las ik ergens.

Ralph Springer wacht intussen op zijn biograaf. Het hoeft geen dik boek te worden, wel een mooi boek. Met gepaste aandacht voor de tragiek van déze man.

Springer, R. (z.j.[1922]). De oude zaak Godefrooi. Boek van Scherts en Minnarij. Amsterdam: Allert de Lange. I.g.st., gebonden in linnen met rode belettering, 206 pp. Zeldzaam. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 35,50 (incl. verzendkosten). Bestellen? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 3rd, 2020 by Igor Cornelissen

The Common People: werken als arbeiders, eten als koningen

De eerste editie van The Common People 1746-1946, een veelgelezen boek, dateert uit 1938. Cole was een sociaal historicus die dikke boeken schreef over de Sovjetunie. Cole had een zekere bewondering voor datgene wat er onder Stalin was opgebouwd. Een agrarisch land industrialiseerde, maar van de communistische dictatuur moest hij niets hebben.

De industrialisatie staat centraal in het boek dat hij met zijn zwager Postgate scheef. Uitvoerig staan de schrijvers stil bij de erbarmelijke levensomstandigheden van het gewone volk dat rond 1800 geen geld had voor vlees. Men at hooguit een stukje spek of een hutspot, maar vooral aardappelen at. Arbeiderskinderen zagen zelden melk. Wie de indruk had dat de Engelse historici vooral aandacht schonken aan de levensverhalen van hun koningen, generaals en admiralen, worden door Cole en Postgate op het goede been gezet. Uitvoerige inventarisatie van de lonen en kosten van levensonderhoud. En dan de industrialisatie en alles wat erbij hoort. In 1846, toen Nederland nog moest beginnen, bezat Engeland al een aardig uitgebreid spoorwegnet. Hun beschrijving van de vroege vakbeweging en de invloed van de coöperatieve beweging is bijzonder helder en boeiend.

Cole heeft, maar dit terzijde, nog een rolletje gespeeld na het overbrengen van een deel van het archief van het IISG naar Engeland toen directeur Posthumus rekening hield met een Duitse bezetting. Cole zorgde voor een veilige plaats van de vele kisten in Oxford.

Postgate is zo mogelijk. Hij schreef, net als zijn zwager, een groot aantal detectives en was bovendien een liefhebber van goede wijn en dito eten dat ver uitsteeg boven het gebruikelijke fish and chips. Postgate schreef over eten een Food Guide en propageerde het idee dat ook de arbeider moest leren goed en smakelijk te eten.

Cole en Postgate bevestigen mijn mening dat de Britten behalve goede historici ook levenskunstenaars hebben voortgebracht. En dat dan vaak in één persoon verenigd. In Nederland blijft het wat moeilijk zoeken naar gelijkwaardigen al weet ik dat dr. Jaap Meijer met zijn vrouw Liesje regelmatig zeetong ging eten in IJmuiden. En bovendien kon ik als gast proeven dat Liesje Meijer-Voet zelf ook uitstekend tong in roomboter kon bakken. Alle verhalen van zoon Ischa over het  ‘concentratiekamp voedsel’ dat hij thuis kreeg voorgezet ten spijt. Maar dat laatste is wel heel erg ver terzijde.

Cole, G.D.C. & Ramond Postgate (1963). The Common People 1746-1946. Londen: Methuen. I.g.st., 1e editie, met bibliografie, registers, illustraties (maps). €19,95 (inc. verzendkosten). Bestellen? Neem contact met ons op.
november 2nd, 2020 by Igor Cornelissen

Charles-Maurice de Talleyrand, “een zijden kous vol stront”.

Napoleon was niet zo gecharmeerd van de ex-geestelijke Charles-Maurice de Talleyrand-Périgord (1754-1838), die ook al door de paus werd geëxcommuniceerd vanwege zijn eed op de grondwet (1791). Toen de onderhandelingen niet liepen als Napoleon – de kleine man met het grote verlangen – wel wilde noemde hij Talleyrand, “een zijden kous vol stront”. Van Talleyrand die in 1754 in Parijs werd geboren, bestaan geen foto’s, maar we weten dat hij een wipneus had, enigszins mank liep en nogal hautain was. De ondertitel van de door de Britse politicus en diplomaat Cooper geschreven biografie geeft al veel aan. Hij wordt ook wel gezien als het prototype van de opportunist.

Hij diende vele koningen en andere heersers onder wie Napoleon. Tijdens het congres van Wenen in 1814 speelde hij zijn laatste rol. De schrijver Duff Cooper (ook hij kreeg zijn biografie, zelf meerdere; maar minder dan Talleyrand) is niet minder interessant. In de jaren dertig was hij een fel tegenstander van het aanpappen met Hitler. Churchill benoemde hem dan ook zijn oorlogskabinet als minister van Informatie. Na de oorlog werd Cooper ambassadeur in Frankrijk, een land dat hij liefhad. Hij was een warme pleitbezorger van goede betrekkingen tussen Frankrijk en Groot Brittannië.

De vertaalster is ook opmerkelijk. Zij was de tweede vrouw van de hoogleraar geschiedenis aan de Utrechtse universiteit: Gerhard Wilhelm Kernkamp, de schrijver die zich bij tijd en wijle meer literator dan historicus wist. Professor Kernkamp was een felle tegenstander van de benoeming van Pieter Geyl als zijn opvolger. Kernkamp moest niets hebben van Geyls Vlaams-nationalistische ideeën. Dat alles terzijde. Maar Talleyrand leidt nu eenmaal tot veel. In 1815 werd ruwweg het Europa geschapen zoals dat tot 1918 heeft bestaan.

Cooper, Duff (1948) Talleyrand. Speler met mensen en machten. Amsterdam: Meulenhoff. I.g.st, bladzijden enigszins verkleurd. Vertaling J. Kernkamp-Muijderman. Gebonden in linnen, 287 pp., 1e druk. Met illustraties, met bibliografie. € 17,00 (incl. verzendkosten). Neem contact met ons op.
november 1st, 2020 by Igor Cornelissen

Waar is Hans Brusse gebleven? Over de CPN en andere doodlopende zijpaden

Dat de CPN als enige als partij direct in het verzet ging, is bijna waar. De veel kleinere RSAP van Henk Sneevliet deed dat ook. Maar het was de CPN die als verzetspartij uit de oorlog kwam. Alleen de gereformeerden konden eveneens bogen op een groot aantal verzetsstrijders die hun dappere houding met een concentratiekamp of de dood moesten bekopen.

Het was een van de redenen dat de CPN bij de eerste naoorlogse verkiezingen tien percent van de stemmen kreeg. Partij in verzet is een eerlijk boek en dat is opmerkelijk omdat eerdere publicaties door partijgenoten vol zaten met omissies of leugens. De vroeger geëerde verzetsstrijder had voor het lidmaatschap bedankt of was ontmaskerd als spion van een buitenlandse inlichtingendienst. In dit boek komt bijvoorbeeld de vroegere voorzitter en lijsttrekker Gerben Wagenaar uitgebreid voor zonder vervalsingen. Dat kon in 1986 want toen was albedil Paul de Groot afgedankt en verdwenen.

Interessant in deze geschiedschrijving is ook dat de schrijfsters de naoorlogse legale edities hebben genoemd met hun redacties zoals in Meppel, Haarlem, Amersfoort, Den Haag en Rotterdam. In Amsterdam waren J. Hulsebos en J.B. Brusse stadsverslaggevers. Hulsebos werd later landelijk bekend als Jan Vrijman en schreef zijn laatste columns in Het Parool. J.B. Brusse is Jan Brusse die maar kort bij het communistische dagblad bleef om daarna vanuit Parijs voor Elsevier en de Groene Amsterdammer te schrijven. Hij was, maar dat geheel terzijde, een neef van Hans Brusse die voor Moskou spioneerde en in 1937, ook vanuit Parijs, spoorloos verdween. Jan Brusse is door de BVD nog even verward met zijn spoorloze neef.

En dat alles is nu volkomen geschiedenis geworden. Met hooguit nog een enkele negentigjarige die het meemaakte. Het boek is verkocht, begrijp ik van de kompaan, maar misschien kan iemand mij vertellen waar Hans Brusse is gebleven? Ik wil het graag weten. Want, met een variant op Erasmus’ non scholae sed vitae discimus: wij schrijven niet voor de verkoop [“niet alleen”, corrigeert de kompaan], maar voor het leven.

Galesloot, Hansje & Susan Legêne (1986). Partij in het verzet. De CPN in de tweede wereldoorlog. Amsterdam: Pegasus. Niet meer leverbaar
oktober 30th, 2020 by Igor Cornelissen

“Binnen drie maanden dood”. Churchill in juni 1940

(Sir) Francis Harry Hinsley werkte tijdens de oorlog als cryptoanalist in Blentchley, een rustiek landelijk dorp waar tientallen dames en heren druk bezig waren met het ontcijferen van de geheime Duitse codes. Het duurde soms weken of maanden voor zo’n geheime boodschap was gekraakt. Hinsley’s hield zich bezig met de boodschappen die vanuit Duitsland naar de schepen werden gestuurd die bijvoorbeeld geallieerde convooien moesten aanvallen. Wist men zo’n code te ontcijferen dan bespaarde dat mensenlevens en materiaal. Na de oorlog werd Hinsley een gewaardeerd historicus.

De hier gebundelde artikelen zullen zeker zijn interesse hebben gehad. Christopher Andrew, specialist in Britse geheime diensten, schreef een boeiend stuk over de communistische mollen die sinds 1931 vanuit Cambridge bezig waren de Russen van geheimen te voorzien. Het waren allemaal spionnen uit de betere (= hogere) klassen Kim Philby, Burgess c.s.

Ik kocht het boek destijds omdat ik er wat aan dacht te hebben voor mijn boek De GPOe op de Overtoom. Spionnen voor Moskou,  Maar in de Essays gaat het vooral over groot Brittannië. Niet over Nederland.

Hoe de Tweede Wereldoorlog op het nippertje door de geallieerden werd gewonnen, valt te lezen in een studie over Churchill en de beslissing om in 1940 als enige de oorlog tegen nazi Duitsland voort te zetten. Als op 12 juni 1940 Churchill met generaal Ismay de vrijwel hopeloze situatie bespreekt zegt zijn militaire rechterhand generaal Hastings Lionel Ismay dat hij blij is dat de Britten de oorlog zullen winnen. Churchill is er minder van overtuigd: ‘Jij en ik zullen binnen drie maanden dood zijn.’

Maar die woorden bleven binnenskamers en voor de radio en in het parlement hield Churchill vol dat de uiteindelijke overwinning aan de democratie zou zijn. Dat zou nog vijf jaar duren en met een ontzagwekkend groot aantal offers: “We shall go on to the end. Never surrender. We shall defend our Island.” Een groot leider twijfelt aan het eigen voortbestaan, maar niet aan de eindoverwinning [video]

Langhorne, Richard (Ed.) (1985). Diplomacy and Intelligence during the Second World War. Essays in honour of F.H. Hinsley. Cambridge: University Press. I.z.g.st., 1e druk, gebonden in rood linnen. Gouden letteropdruk. Met portretfoto F.H. Hinsley. € 30,00. Bestellen? Neem contact met ons op.
oktober 29th, 2020 by Igor Cornelissen

De media en de revolutie: de gouden manchetknopen van Lenin en de sjieke gewaden van zijn vrouw

Het boek waar Stoelinga op promoveerde verscheen in 1967. Het jaar dat de vijftigste verjaardag van de Russische Oktoberrevolutie werd herdacht en gevierd. Het laatste gebeurde in Moskou waar ik op het Rode Plein de marsmuziek hoorde en het defilé inspecteerde. Zo nam ik pas later kennis van Stoelinga’s onderzoek naar de Nederlandse kranten en tijdschriften die hun lezers trachten voor te lichten over de val van het tsarisme, Kerenski die kort aan de macht was en Lenin die met andere bolsjewiki (vooral Trotski werd genoemd) die hem aflosten.

Op de meeste redacties dacht men dat die ‘maximalisten’ maar kort aan het bewind zouden blijven. Over het algemeen waren de kranten slecht geïnformeerd. Alleen De Telegraaf had een medewerker ter plekke. De andere journalisten moesten op hun gevoel (of grote duim) afgaan. Het leverde soms rare stukjes op. Zoals een Lenin die gouden manchetknopen droeg met diamanten erin en een mevrouw Lenin die sjieke gewaden naar de laatste mode droeg. Wie ooit een foto zag van mevrouw Lenin, ofwel Nadezjda Kroepskaja, moet wel in lachen uitbarsten.

Het viel te prijzen dat Stoelinga nauwgezet al die gereformeerde, katholieke en liberale bladen doornam. Nog interessanter werd zijn boek omdat hij de twee uiterst linkse bladen niet vergat: het theoretisch marxistische tijdschrift De Nieuwe Tijd waar Herman Gorter, Willem van Ravesteyn en Anton Pannekoek in schreven en het dagblad De Tribune onder leiding van dezelfde Van Ravesteyn en David Wijnkoop. Met als kritisch medewerker de arbeider B. Luteraan. Zij waren de enigen die begrepen wat er in Rusland gaande was. Wat Stoelinga niet vermeldde (hij wist het niet of vond het niet de moeite waard) is dat Barend Luteraan de ‘maximaalste van de maximalisten’ in Zwitserland Lenin had ontmoet tijdens een internationale conferentie (in 1915). Lenin vroeg bij die gelegenheid naar Gorter: ‘Wie geht’s German Gorter’? want de h kon hij inderdaad niet uitspreken. Lenin had met veel instemming Gorters brochure over het Wereldimperialisme gelezen; een felle aanklacht zowel tegen de Engels-Franse regeringen als tegen de Duitse.

De marxisten spraken dezelfde taal. De Nieuwe Tijd en De Tribune bleven Lenin en Trotski met grote instemming volgen. De barsten in de vriendschap werden al snel zichtbaar, maar dat gebeurde pas na maart 1918.

In de jaren zestig van de vorige eeuw kwam een in Den Haag gestationeerde journalist van het persbureau TASS Luteraan nog eens uithoren over zijn herinneringen aan Lenin. Wat daarvan gekomen is, weet ik niet. Ook dat laatste heeft in het geheel niets te maken met Stoelinga’s werkstuk dat bij mij nog wel een vergelijking oproept met de situatie in Wit Rusland waar we op dezelfde dag dat de oppositie de straten vult de filmpjes kunnen zien en opposanten kunnen horen. Het leven wordt gevuld met terzijdes.

Stoelinga, Th. H. J. (1967). Russische revolutie en vredesverwachtingen in de Nederlandse pers. Maart 1917-Maart 1918. Bussum: Fibula - Van Dishoeck. Redelijk. Paperback, 224 pp., 1e druk. Met bibliografie en noten (€ 12,50, incl. verzendkosten). Mail ons of neem contact met ons op.
oktober 28th, 2020 by Igor Cornelissen

Sint-Petersburg: de passie van Hans Boland

In deze stadsgids staat alles. Bijna alles, dus niet dat ik daar met mijn vriendin Anke jaren geleden de Aurora bezocht, langs het Finland station liep waar ik een flesje koshere vodka kocht om vervolgens op zoek te gaan naar een café. Ik kende er heg noch steg, maar liep mijn neus achterna die mij vaker hielp op mijn zoektochten door onbekende gebieden. Het is nog iets verder, zei ik zelfverzekerd steeds tegen Anke. En waarlijk, daar iets verderop, branden lichtjes. Een echt café, fatsoenlijk en toch Russisch. Ik hoefde mijn flesje niet aan te spreken, want ze hadden daar volop. Door de ramen keek ik naar buiten. Berkenbomen en licht sneeuwval. Ik zat meteen midden in een verhaal van Tsjechov of Poesjkin of welke Russische schrijver dan ook. Ik voelde me ineens heel erg thuis en kwam met mijn dertig Russische woorden een heel eind.

Hans Boland slaat me in alle opzichten. Hij heeft er gewoond, spreekt en schrijft vloeiend Russisch en kreeg prijzen voor zijn vertalingen. Ik doe zijn uitputtende gids weg omdat de kans dat ik nog eens in Leningrad (ik gebruik de oude naam nog maar eens) ook zonder Corona nihil is. Op de achterflap wordt Sint-Petersburg terecht een stad van glorie en gruwel genoemd. Die twee g’s waren er ook tijdens de Tweede Wereldoorlog toen de Duitsers er niet in slaagden de stad te veroveren. De hongersnood kostte honderdduizenden burgers het leven. Er moet zelfs kannibalisme zijn voorgekomen.

Boland schrijft met passie en dat houdt alles in. Liefde en nuchterheid. Over het Kirov ballet, het sovjet paradepaardje  dat ook in het buitenland volle zalen trok, vertoonde eigenlijk meer veredelde acrobatiek dan ware danskunst.

Voor de echte kunst neemt Boland je mee naar de Ermitage. Katherina de Grote kocht meer dan drieduizend schilderijen van Westerse kunstenaars aan. Maar er is veel meer te zien. Alleen voor de Ermitage zou je een paar dagen moeten uittrekken, maar toen ik er was, kregen we meen ik niet meer dan drie uur. De gids was onverbiddelijk. Ik zag er de De verloren zoon van Rembrandt en de tranen schoten me in de ogen.

Bij Boland valt zijn evenwichtigheid op. Hij noemt de door de nazi’s aangerichte verwoesten niet, maar beschrijft eveneens de door de bolsjewiki na 1917 aangerichte en onherstelbare schade aan in musea en aan kunstvoorwerpen. Dichteressen als Achmatova en Tsjoekovskaja die in Leningrad woonden, worden op de huid gevolgd. Waar woonden ze en wat is er van en over hen bewaard gebleven? Op een heel andere plek is het sigarettenpijpje van Dzerjzjinski te zien. Hij was de leider van de Tsjeka die de jacht inzette op alle tegenstanders van Lenin en Trotski. De man was meedogenloos en Boland noemt de Tsjeka dan ook het grote voorbeeld voor Hitlers geheime dienst.

Enkele foto’s zijn van mijn vriend Gerrit Oorthuys die mij vaak opbelt om over ‘de mensen van vroeger’ te praten. Soms komt hij naar Zwolle. Gerrit is door zijn moeder communistisch opgevoed, maar merkte dat de leer niet klopte.

Ik kan u niet verzekeren of u na het lezen in deze uitgebreide gids de ‘Russische ziel’ hebt ontdekt, maar Sint-Petersburg heeft in ieder geval geen geheimen meer voor u.

Boland, H (2005). Sint-Petersburg onderhuids. Een stadsgids. Amsterdam: Athenaeum - Polak & Van Gennep. i.z.g.st., als nieuw. Paperback, 365 pp., 1e druk. Met illustraties. Uit de collectie Igor Cornelissen. Met kaarten, register op straten en overzicht musea. € 22,50 (incl. verzendkosten). Bestellen? Mail of bel ons.
oktober 27th, 2020 by Igor Cornelissen

De gang van Eichmann tot aan de galg

Eichmann. Een stipte bureaucraat (zoals Hannah Arendt en vele anderen dachten en schreven) of een fanatieke antisemiet?

David Cesarani schetst het beeld van de man als antisemitische bureaucraat die beide aspecten verenigde. Het accent ligt op de man die zonder enige aarzeling miljoenen joden de dood injoeg. Met op het laatste nog een massale slachting onder de Hongaarse joden. Adolf Eichmann was van het begin af aan een jodenhater.

Een gruwelijk en tegelijkertijd spannend boek. Cesarani, hoogleraar joodse cultuur en geschiedenis en directeur van de beroemde Wiener Library in Londen, schreef misschien niet de definitieve biografie (zoiets kan niet bestaan) maar wel een uitputtend levensverhaal. Inclusief dus het verhaal hoe hij zich na het einde van de oorlog (hij besefte ineens dat hij het ‘zonder leider ’moest doen) schuil wist te houden, kon ontsnappen naar Argentinië (waar veel andere nazi’s heentrokken, niet zelden geholpen door de katholieke clerus) en hoe de Mossad hem op het spoor kwam en ontvoerde.

Het proces van berechting was mij bekend door de krantenverslagen en boeken (en filmfragmenten op Youtube). Zijn terechtstelling en executie was voor mij nieuw. Israël had geen ervaring met de doodstraf en de uitvoering daarvan zodat in allerijl een kamer in de gevangenis moest worden verbouwd tot executieplek. Eichmann had een fles wijn gedronken en liep lichtelijk aangeschoten naar de galg. Een kap weigerde hij. In zijn laatste woorden prees hij Duitsland, Oostenrijk en Argentinië. Hij liet ook nog weten te sterven in de overtuiging dat God bestaat.

Meer nieuwe oude boeken in onze catalogus.

Naar aanleiding van: Cesarani, D. (2005). Eichmann. De definitieve biografie. Amsterdam: Anthos/Manteau. I.g.st., enkele leesvouwtjes in rug. Paperback, 431 pp., 1e druk. Vertaling Servaas Goddijn. Met bibliografie, notenapparaat, register en verantwoording van de illustraties. € 24,00 (incl. verzendkosten). Bestellen? Mail ons of neem anderszins contact met ons op.
oktober 26th, 2020 by Jaap de Jong

Coornhert in de Sassenstraat: eeuwigh gaet voor oogenblick

Afgelopen vrijdag reed ik door de Sassenstraat om af te stappen bij nummer 5 waar een gevelopschrift naast een ietwat uitstekende gevelklok hangt. De klok lijkt op die uit een film van Ingmar Bergman (Wild Strawberries), maar mist niet – zoals in deze existentialistische film – de klokwijzers. Wel staat de klok stil: het is voor eeuwig drie voor drie in de Zwolse Sassenstraat.

In het alleraardigst boekje Zwolse mijmeringen wijst Catharina Magdalena van Hille-Gaerthé (1881-1958) op het gevelopschrift in de Sassenstraat: Hy weet niet wat hy verliest/Die het tidelyck voor het geestelyck kiest. Hille-Gaerthé, die op aanstekelijke wijze tal van details uit het negentiende eeuwse Zwolle opdist, was niet de eerste die de regels op het pand aan de Sassenstraat 5 aanhaalt. Ook Willem Anthonie Elberts (1820-1903) citeert het gedicht in zijn bekende Historische wandelingen in en om Zwolle (Elbers, 1890). Elberts is vollediger en minder luchtig. Hij neemt ook de laatste twee regels over: Als het komt op een scheyden / Soo heeft hy geen van beyden.

Een meer volledige beschrijving over de voorgevel van de toenmalige bewoner, de horlogemaker G.A.J. Voetelink (1839-ca. 1914), levert C.J. van der Loo in zijn Geïllustreerde gids voor Zwolle en omstreken. Hij schrijft in 1895 dat er naast de vermanende versregels ook nog een onduidelijk wapen te zien is. Zo onduidelijk is dat wapen niet: het gaat zonder enige twijfel om het familiewapen van Van Rechteren. De historicus J.C. Streng stelt dat de ziekentrooster Zeger (of Seyger) van Rechteren (1600-1645) het wapen in zijn gevel heeft laten aanbrengen. Het familiewapen is echter gedateerd op 1738 en alleen al om die reden zal de bastaardzoon Zeger (of Seyger) van Rechteren het niet hebben kunnen plaatsen. De huidige gevel stamt overigens uit de negentiende eeuw (na 1815). De beide gevelstenen alsmede het familiewapen zijn bij die verbouwing waarschijnlijk herplaatst.

De versregels, waarvan een variant op de twee Zwolse gevelstenen staat, stammen tenminste uit de vroege zestiende eeuw. Dirck Volkertsz. Coornhert (1522-1590) nam ze over in het zesde hoofdstuk (van dwaasheyd) van zijn Zedekunst (Wellevenskunste) dat in 1586/’7 werd gedrukt. Hij heeft het over “het ouden rymken” en citeert:

Zy zyn zot ende gheheel onvroed / Die hier verkiezen ’t verganckelyck voort eeuwighe ghoed / want alst ghaat op een scheyden / En hebben zy gheen van beyden (Coornhert, 1586, p. 205)

Het levensgevoel dat hieruit spreekt is matigheid. Dat geldt voor het consumptiepatroon en voor het getoonde temperament, zoals in tijden van droefheid. Kinder-lyck, het prachtige rouwgedicht dat Vondel schreef bij de dood van zijn zoontje Constantijn komt voort uit datzelfde levensgevoel. Getemperde droefheid is de beste droefheid: eeuwigh gaat voor oogenblick.

Over de Zwolse ziekentrooster en latere gevangenisdirecteur Seyger van Rechteren – waarschijnlijk een van de eerste bezitters van het pand aan de Sassenstraat 5 – die samen met zijn eerste vrouw Anneke Heimans naar Indië reisde en bij die gelegenheid bijna werd opgepeuzeld door Zuidafrikaanse inlanders valt veel te verhalen. Net zoals over het pand aan de Sassenstraat 5 zelf, “but that’s another story”. De ietwat uitstekende stilstaande klok (zie hierboven) is overigens niet opgehangen door de eerder genoemde horlogemaker Voetelink, maar dateert waarschijnlijk uit de laatste helft van de twintigste eeuw. Na de oorlog zat de parfumeriezaak Wolff in het pand en hing er geen klok.

Het Malteser kruis op het wapenschild, aangebracht op advies van de Zwolse schilder, illustrator en tekenaar Han Prins (1925-1987), komt niet overeen met de historische details. Ook dit terzijde, ’t is immers maar tidelyck.

Geraadpleegde bronnen [opgemaakt met APA-tool van BOLAS -> ingekorte versie van het klikbare projectoverzicht]

Coornhert, D.V. (1586).  Zedekunst dat is wellevenskunste [editie B. Becker, 1942]. Leiden: E.J. Brill.

Elberts, W.A. (1890).  Historische wandelingen in en om Zwolle. Zwolle: Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant.

Goutbeek, A. (2014). Seyger van Rechteren in: Wie Is Wie In Overijssel. Geraadpleegd op 27 oktober 2020 van https://www.wieiswieinoverijssel.nl/

Inventaris Huis Almelo, toegang 214, archief HCO [genealogie] 

Loo, C.J. van der (1895).  Geïllustreerde gids voor Zwolle en Omstreken. Zwolle: La Riviera & Voorhoeve.

Streng, J.C. (2001).  Vrijheid, gelijkheid, broederschap en gezelligheid. Het Zwolse Sint Nicolaasgilde tijdens het ancien régime. Hilversum: Verloren.
oktober 26th, 2020 by Igor Cornelissen

Een kruis met rozen is ‘s menschen lot

Ik leerde Kader Abdolah in Zwolle kennen waar hij in het plaatselijk archief dozen moest aanslepen voor bezoekers. De directie van het archief gaf hem veel vrijheid en tijd om zich in zijn eigen ruimte verder te bekwamen in het schrijven. Een enkele keer gingen we lunchen, maar dat was niet echt gezellig. Hij overstelpte mij met vragen: Hoe zat dit en wat betekende dat?

Toen hij mij thuis opzocht viel zijn oog op het houten schildje dat mijn ouders vroeger boven hun bed hadden hangen. ’Een kruis met rozen is ‘s menschen lot,‘ staat er op geschreven. Mijn kompaan wist me te vertellen dat het een citaat uit een gedicht van De Génestet (1829-1861) komt, uit oktober 1859, het jaar dat zijn vrouw en kind aan tbc overleden. Over Peter August de Génestet ging overigens het gerucht dat hij een bastaardzoon van koning Willem II zou zijn. Dit terzijde. Ook over dat kruis moest Kader het fijne van weten. Dat was nog niet zo makkelijk…’s menschen lot… en dan ook nog met die inmiddels verdwenen sch. 

Ik maakte zijn debuut mee in het inmiddels helaas verdwenen Zwolse literaire café In de Sinnepoppen waar hij een verhaal voorlas met zijn toen nog zeer nadrukkelijke, hakkelende dictie.

Hij bleef vechten met de hem vreemde taal. Hij overwon en werd een gevierd schrijver. Ik droeg daar wat aan bij toen ik zijn eersteling in Het Parool uiterst positief besprak. Kader Abdolah pakt je bij je kraag en hij laat je niet meer los, schreef ik en dat zinnetje kwam op de flapteksten van zijn volgende boeken.

Hij pakte niet alleen mij in, maar ook het lezende publiek.

Hij vertaalde De Koran hoewel een schrijver van een ingezonden brief beweerde dat Abdolah helemaal geen Arabisch kende. Hoe dan ook Abdolah hertaalde of her-vertelde de Koran op zijn manier. Maar dat doen zo veel dominees en theologen met de Bijbel ook. Iedereen heeft zijn eigen uitleg. Waarom Kader Abdolah niet? In ieder geval is over hem van orthodox islamitische zijde geen fatwah uitgesproken. Tenminste voor zover ik weet. Ons contact is wat verwaterd sinds hij Zwolle inruilde voor Delft waar een van zijn dochters ging studeren. Zijn dochters werden door hem ingeschakeld als hij er zeker van wilde zijn of zijn Nederlands wel correct was. Abdolah is een strijder die zijn doel bereikte. Hij veroverde de Nederlandse taal en bereikt veel lezers.

Meer nieuwe oude boeken, bijv. literatuur

oktober 25th, 2020 by Igor Cornelissen

Het Frankrijk van Zeldin

De historicus en filosoof Theodore Zeldin werd in 1933 uit Russische ouders geboren aan de voet van de berg Carmel in het toenmalige Palestina. Zijn ouders emigreerden naar Engeland en daar ging Zeldin studeren. Hij werd een beroemd en veel geprezen man. Hij publiceerde veel, maar werd het meest geroemd om zijn indringende studie over het moderne Frankrijk. Zijn belangstelling was veelomvattend en niet te remmen. Het ging hem om de gewone Fransman. Wat dachten zij en hij? Hoe leefden ze. Wat lazen ze en wat aten ze? En hoe had zich dat ontwikkeld?

Ik herinner me van zijn onderzoek naar de Franse voeding dat eeuwenlang de beroemde Franse keuken helemaal niet bestond. De Fransen, voor het merendeel boeren, aten eenvoudige eenpansgerechten die in een ketel boven het houtvuur werd klaargemaakt. De boerenvrouwen hadden geen tijd en geen geld voor specialiteiten. De verfijnde Franse keuken kwam pas later op gang, niet in de laatste plaats in gang gezet door de vraag van buitenlandse toeristen.

Zeldine behandelt uiteraard de politieke voorkeuren van de Fransen, maar hij kwam tot de conclusie dat hun gezindte weinig invloed had op hun dagelijkse leven. Als zodanig bestond Frankrijk niet, wel Fransen en Francaises. Je kunt het zo gek niet bedenken of Zeldine onderzocht en beschrijft het. Zeden en gewoonten, de pers, religie (en dus antisemitisme), seksgedrag en het intellectuelendom, huwelijk en moraal, de kinderen en hun ouders. Wie zijn en waren republikeinen en waarom werden ze het?  Wie was trouwens een intellectueel? In statistieken werd daar bijvoorbeeld niet alleen toegerekend iedere officier in het leger, maar ook typistes en onderwijzers. Zo kom je een eind. Zeldine bestreed ook het gevoel dat iedere Fransman heeft die vindt dat hij en zijn landgenoten intelligent zijn. Toen de Franse ambassadeur in Londen Zeldine prees, vertelde hij dat hij niet alleen zijn land maar ook zichzelf door de boeken van Zeldine pas goed had  leren kennen.

Zeldine woont, als hij nog leeft (ik kwam zijn In Memoriam nog niet tegen), in de buurt van Oxford en hij houdt van schilderen en tuinieren. Over dat laatste zou ik met hem kunnen praten –  “Il faut cultiver son jardin” –  maar Frankrijk ken ik veel minder goed dan hij.

Theodor Zeldin (1973/'77). France 1848-1945. Ambition, Love and Politics & Intellect, Taste and Anxiety [2 dln.]. Oxford: Clarendon Press. I.z.g.st., resp. 823/1202 pp., hardcovers met stofomslag, 1e druk. Met bibliografie, notenapparaat. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 35,00. Mail of bel ons voor de bestelling.

oktober 24th, 2020 by Igor Cornelissen

De dertien levens van Jef Last

Jef Last (1898-1972) was ongetwijfeld een van de meest kleurrijke en veelzijdigste strijders ter linkerzijde. Hij was het voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Zijn beroepen vullen al een pagina, matroos, filmoperateur, spreker, dichter, romancier, schilder enz enz. Hij studeerde in Leiden Chinees maar brak die studie af om de klassenstrijd te voeren. Niet ten behoeve van zichzelf, want hij was geen arbeider en veel geld leverde het hem niet op.

Hij heeft met vrouw en kinderen jarenlang armoedig in de Amsterdamse Jordaan gehokt. Hij was op reis. Tijdens de Spaanse burgeroorlog was hij daar kapitein. Aan het front. Daar kwamen gedichten over. Hij was socialist, lid van Sneevliets partij (die tegen Trotski aan leunde), daarna van de communistische partij wat hem, nadat hij met André Gide door de Sovjetunie was gereisd, op woedende aanvallen kwam te staan. Last was een afvallige, een renegaat, vijand van de arbeidersklasse. Hoe dat kwam? Gide had zich na zijn reis uiterst kritisch over het Beloofde Land uitgelaten en Last was hem niet onmiddellijk afgevallen zoals de partij eiste. Last kon zich in vele talen redden. In Noorwegen (of was het Zweden?) sprak hij zijn toehoorders in hun taal aan. Gide, dat moet er toch bij, was homoseksueel. Last was biseksueel, hij scheidde van zijn vrouw, maar hertrouwde later met haar.

Er is Last wel verweten dat hij op te veel terreinen te veel deed. Niks was echt goed. Behalve dan zijn nooit versagende strijd voor een onafhankelijk Indonesië. Het leverde hem na de oorlog een uitnodiging van Soekarno op om in onze voormalige kolonie les te gaan geven. In het weekblad De Vlam (1945-1952) staan veel artikelen van Last die een tijd in de redactie zat. Hij had aan de illegale voorloper van De Vlam meegewerkt.

Harry Poeze ken ik als biograaf van de (half trotskistische) Indonesische revolutionair Tan Malakka die in Nederland voor onderwijzer studeerde en daarna een vooral illegaal leven leidde. Het moet een uiterst beminnelijke man zijn geweest, want Jacques de Kadt, nooit scheutig met aardigheden over de medemens, schreef in zijn memoires dat je wel een nurks mens moest zijn om niet van hem te houden. De gedichten van Last over de geknechte inboorling sprake Poeze aan. Het werd een leuk, geannoteerd boekje met een kostelijke omslag die een geschilderd portret van Last laat zien uit omstreeks 1930 door P.A. Begeer.

De annotaties zijn niet overbodig. Wie zou anders weten dat met de Beul van Buitenzorg de gouverneur-generaal jhr. De Graeff werd bedoeld? Hij was de man in wiens naam doodvonnissen tegen communistische opstandelingen werden uitgevoerd.

Ik heb Jef Last in zijn latere jaren nog gekend. Het begon met vijandschap en ging over in een halve vriendschap. En dat leidde er weer toe dat hij mij vroeg een voorwoord te schrijven bij zijn boek over Marinus van der Lubbe. Benieuwd wat ik daarover te lezen krijg in Rudi Westers biografie van Last, een studie die al jaren wordt aangekondigd. In Poeze’s eerste voetnoot (uit 1994 dus) lees ik dat die biografie ‘naar verwachting’ in 1995 zal verschijnen.

Mijn advies in het algemeen en voor een ieder is: kondig je publicatie pas aan als je je manuscript hebt ingeleverd en van de uitgever een waterdicht contract in handen hebt waarin alles staat geregeld. Niet alleen de datum verschijning, de omvang, de prijs, de rechten op eventuele verfilming, maar ook het aantal op te nemen illustraties. U kunt natuurlijk dat alles omzeilen door niets te schrijven. Maar antiquariaten moeten ook doorstromend materiaal hebben. Over dat soort zaken maakte Jef Last zich nooit druk. Hij had zijn hele leven wat te zeggen en schreef het op.

(Laatste nieuws: Rudi Wester laat zojuist (10 oktober 2020) weten dat haar biografie in januari 2021 zal verschijnen. Het wordt een dik boek van minstens 500 blz.)

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong? U kunt hier zoeken.

oktober 23rd, 2020 by Igor Cornelissen

Sterren aan het firmament van Anton Pannekoek

Anton Pannekoek (1873-1960), astronoom en radencommunist, werd door Lenin in 1920 zo gevaarlijk geacht dat de leider van de kersverse Sovjetunie de brochure De linkse stroming. Een kinderziekte van het communisme tegen hem en zijn ideeën schreef. Vooral in Duitsland hadden de radencommunisten, die zich keerden tegen vakbonden en deelname aan parlementen, nogal wat aanhang. Ook zagen ze al heel snel dat er een dictatuur was ontstaan die oppositie onmogelijk maakte.

In Nederland noemden maar weinigen zich een radencommunist, al waren er wel beroemde namen bij. Ik noem Herman Gorter, de criticus van Lenin die de Russische verhoudingen op het geïndustrialiseerde Europa dacht over te kunnen brengen. En dan was er, weer tien jaar later, een jonge, werkloze metselaar die door Pannekoek en Gorter werd beïnvloed: Marinus van der Lubbe. Hij stak in 1933 de Rijksdag in brand. Het was bedoeld als oproep om de Duitse arbeiders in verzet te laten komen tegen Hitler. Een verhaal apart. De brandstichting had een averechts effect. Een drama en een verhaal apart. Anton Pannekoek, die intussen de sterren bleef bestuderen (en er het veel gelezen boek De groei van ons wereldbeeld over schreef) bleef de arbeiders in geschriften raad geven. Zijn verhandelingen werden tot in Amerika en Australië vertaald en gelezen.

Dat beide boeken in het begin van de jaren zeventig verschenen, is geen toeval. In die tijd begonnen veel studenten de oervaders van het marxisme en anarchisme te ontdekken. Er was een markt voor.

Pannekoek zelf was een licht hinkende, wat droge man die van de natuur hield en ondanks zijn lichamelijke handicap bergen bleef beklimmen. De journalist Cajo Brendel, bij zijn dood de laatste radencommunist in Nederland genoemd, beperkte zich tot de politieke opvattingen van Zijn Grote Voorbeeld. Veel smeuïge anekdotes waren er niet op te dissen, want de man was vrij saai. Ik geloof dat er slechts één echtelijke ruzie is geweest toen Anna Nassau Noordewier, Pannekoeks vrouw, de ergerlijke fout maakte bonbons te presenteren waarin een weinig alcohol was verwerkt. Pannekoeks archief ging grotendeels verloren bij de slag om Arnhem.

Zonder volledig te zijn toch nog enkele namen van mensen die Pannekoekiaan waren en soms bleven: Barend Luteraan die in 1902 een aanbod afwees om Troelstra’s secretaris te worden, Ben Sijes, jarenlang een van de grote mannen op het Rijksinstitiuut voor Oorlogsdocumentatie en een opmerkelijke studie schreef over de Februaristaking van 1941, de beeldhouwster Greet van Amstel, prof. Frits Grewel (vader van de veelvuldig voorzitster van Forums en radicaal feministe Annemarie) en de vrouw van de Amsterdamse schrijver Maurits Dekker.

Jaap Kloosterman heeft een aantal belangwekkende teksten van Pannekoek bijeengebracht en van een nawoord voorzien met enkele (eigen) thesen, In de eerste leest men dat Pannekoek alleen juist kan worden beoordeeld als men hem situeert binnen het proces van de Eerste naar de Tweede Internationale. In zijn gehele ontwikkeling trad Pannekoek op als de meest radicale vertegenwoordiger van het ‘wetenschappelijk socialisme’ uit zijn tijd.

Als ik ‘s avonds in mijn tuin sta en bij een heldere lucht naar het firmament staar, denk ik vaak: Wat wist Anton Pannekoek dáár veel van. Op de maan is een krater naar hem genoemd en de asteroïde 2378 draagt eveneens zijn naam. Zo blijft zijn naam althans door cirkelen in het heelal terwijl in Rusland de discussie maar voortgaat over de vraag wat er met het gebalsemde lichaam van Lenin moet gebeuren.

Pannekoek had overigens geen goed woord over voor de daad van Marinus van der Lubbe: je moest nooit op het bewustzijn van de massa vooruitlopen.

Meer nieuwe oude boeken in ’t Wasdom, over Anton Pannekoek bijvoorbeeld

oktober 22nd, 2020 by Igor Cornelissen

De inktlinten van Ferdinand Langen (1918-2016)

Hoewel hij net geen 98 jaar werd, heb ik Ferdinand Langen (1918-2016) nooit ontmoet. Erg jammer want als vriend van Bert Schierbeek, Gerrit Kouwenaar en Gerard Reve (e.v.a.) moet hij een vat vol anekdotes zijn geweest over de jaren dat deze later beroemde dichters en schrijvers nog op hun eerste literaire prijs wachten. Het was vooral armoede. Voor Langen duurde de schaarste te lang en hij dook de reclamewereld die hem dan weliswaar geen literaire roem bracht, maar wel een veel ruimer inkomen. Behalve voor reclamebureaus, werkte hij voor de Unilever.

Zijn vader was wethouder voor de ARP in Coevorden, ging in het verzet (Trouw groep) en stierf in het kamp Mauthausen. Of Langen daar ooit over schreef, weet ik niet. Zijn biograaf (is die er?) zal het ons vertellen.

Ferdinand Langen die als Egbert Pannekoek werd geboren (hij veranderde zijn naam wettelijk) debuteerde in Opwaartsche Wegen, een christelijk literair blad, waar meer Groninger schrijvers voor de oorlog in  begonnen.

Langen werkte op een schrijfmachine, wel een elektrische. Toen in zijn woonplaats Laren een schrijfmachine winkel stopte, kocht hij alle linten op. Maar het kwam er helaas niet van om zijn herinneringen op te schrijven.

Meer nieuwe oude boeken bij ’t Wasdom, bijv. literatuur

oktober 21st, 2020 by Igor Cornelissen

Over Hartogh Heys van Zouteveen – Darwin en de projectietheorie

Over Charles Darwin (1809-1882) is en wordt nog altijd veel geschreven. Ook contra hem, want gereformeerden en evangelische christenen blijven op dit punt waakzaam. Zeker zo interessant is, althans voor de Nederlandse geschiedenis van de 19e eeuw, de vertaler van Darwin: Hermanus Hartogh Heys van Zouteveen (1841-1891). Hartogh Heys studeerde rechten en promoveerde op de statistieken van de provincie Drenthe. Hij had veel meer belangstelling voor de natuurwetenschappen en werd een warm pleitbezorger voor de onderzoekingen en conclusies van Darwin met wie hij jarenlang correspondeerde.

Hartogh Heys van Zouteveen werd vrijdenker en actief in de vereniging De Dageraad die hij financieel steunde. Hij raakte onder meer bevriend met de ex-predikant Domela Nieuwenhuis. Over Hartogh Heys is een uitgebreid lemma te vinden in het Biografisch Woordenboek van de Nederlandse Arbeidersbeweging.

In dat lemma wordt overigens geen aandacht geschonken aan de verbinding die Hartogh Heys legt tussen Darwin’s evolutietheorie en de godsdienstwetenschap. Meer specifiek: de aanpassing van het fenomeen van de waarneming & de denkbeelden aan wat nodig is voor overleving van de soort (Over den oorsprong der Godsdienstige denkbeelden van een evolutionistisch standpunt (Amsterdam 1883). In dit verband wees Hartogh Heys op het werk van de Italiaan Tito Vignoli, een vroege voorloper van de projectietheorie die later in Nederland door Fokke Sierksma werd opgepakt. Tito Vignoli was op dit terrein erg origineel. Dit terzijde, het thema komt misschien nog eens hier terug bij de bespreking van de Nederlandse vertaling van Mythe e Scienza van Vignoli uit 2017 (vertaling Gerrit Drost (1946-2011) en Maggy Wishaupt), zo schreef mij de kompaan.

In de vertaling van dit werk van Darwin is een uitgebreide inleiding van Hartogh Heys van Zouteveen opgenomen. Het boek is uitgegeven bij E & M. Cohen die een geheel eigen plek innam binnen de Nederlandse uitgeverswereld, maar ook dit terzijde.

Darwin, C. (1884). De afstamming van de mensch en de seksuele teeltkeus. Arnhem/Nijmegen: Gebr. E. & M. Cohen. Goed, maar mist een tweetal afbeeldingen (uitgeknipt door 'n barbaar of Homo rudolfensis). VIII, 513 pp., VI, 3e druk. Met illustraties vertaling en inleiding door H. Hartogh Heys van Zouteveen. Uit de collectie Igor Cornelissen, incl. krantenknipsels. € 21,00 (incl. verzendkosten). Bestellen? Mail ons of neem contact met ons op.

Meer nieuwe oude boeken bij ’t Wasdom

oktober 20th, 2020 by Igor Cornelissen

De lange weg naar Moskou

Ben Knapen studeerde geschiedenis aan de katholieke universiteit van Nijmegen. In de journalistiek bouwde hij een goede naam op als buitenlandse correspondent van de NRC en van 1990 tot 1996 hoofdredacteur van dat blad. Wat wil een mens, tenminste als stukjesschrijver, nog meer?

Knapen veroverde een doctorstitel met een proefschrift over de (moeizame) betrekkingen tussen de Sovjet-Unie en Nederland. De communisten in het parlement (eerst David Wijnkoop en dr. Willem van Ravesteyn) ijverden voor handelsbetrekkingen en ook het Nederlandse bedrijfsleven deed wat schuchtere pogingen, maar de politieke afstand was te groot. Bovendien lag koningin Wilhelmina dwars. Een van haar grootmoeders was een Romanov, telg uit het door de bolsjewiki in 1918 vermoorde tsarengeslacht. Pas in 1942 gaf Wilhelmina toe. Moskou was mede-geallieerde geworden. Dat alles heeft Knapen vlot en nauwgezet beschreven. Ik schreef er indertijd een zeer positieve recensie over in Vrij Nederland.

Met Knapen zelf verliep het wat brokkeliger. Hij ging voor het CDA de politiek en was twee jaar staatssecretaris voor Europese Zaken, liet zich daarna opnemen in de Raad van Bestuur van de PCM, dat wanbestuur werd verweten, maar kon vertrekken met anderhalf miljoen vertrekpremie. Daarover was veel te doen. Het deed zijn naam geen goed. Een week na de oprichting verliet hij het Republikeins Genootschap. Dat was volgens hem trouwens toch al opgezet als scherts club.

Datzelfde zal hij niet zeggen van de Eerste Kamer, want daar zit Knapen nu in als senator voor het CDA. Maar dat alles laat onverlet dat Knapen over de de lange weg naar Moskou een uitstekend boek schreef. En daar letten wij op in ’t Wasdom.

Ben Knapen (1985). De lange weg naar Moskou. De Nederlandse relatie tot de Sovjet-Unie, 1917-1942. Amsterdam/Brussel: Elsevier

Meer nieuwe oude boeken, bijv. over geschiedenis

PHP Code Snippets Powered By : XYZScripts.com