in 't Wasdom

Antiquariaat Cornelissen & De Jong – Zwolle
november 15th, 2020 by Igor Cornelissen

Kunst uit huize Israëls

Jozef Israëls (1824-1911) werd in een joods gezin in de stad Groningen geboren. Zijn vader was een kleine commissionair in effecten. Jozef trok al vroeg naar Amsterdam. Het zou nog jaren duren voor Groningen een kunstzinnig centrum werd. Dat kwam dan vooral, veel later, door de groep van De Ploeg.

Israëls was één van de eerste schilders die, aangetrokken door het impressionisme en modernisme, naar Parijs ging. Van Gogh bewonderde hen. Zelf werd hij beschouwd als één van de grondleggers van de Haagse school. Schilderijen van dat genre worden regelmatig aangeboden op veilingen tegen schappelijke prijzen. Jozef Israëls is veel duurder. En dat was tijdens zijn leven al zo. Wie kon zijn werk betalen? Toen ik de biografie van de communiste en kunstcritica Mathilde Visser schreef, ontdekte ik dat er bij haar ouders rond 1900 al schilderijen van Breitner en vader en zoon (Isaac) Israëls hingen. De ouders van Mathilde waren zeer bemiddeld. Kunst was altijd iets voor de happy few en dat is zo gebleven. Helaas.

Tegelijk is het curieus dat Jozef Israëls, nadat hij zich permanent in Den Haag vestigde, vaak naar Katwijk en Scheveningen trok om daar het (arme) vissersleven uit te beelden. Met enige overdrijving kun je zeggen dat vader Israëls met penseel en doek uitbeeldde wat later Herman Heijermans met de pen beschreef in Op hoop van zegen. Vader Jozef hielp zijn zoon Isaac Israëls in de eerste fase van zijn werkzame periode. Hij schreef ergens dat hij hoopte dat de zoon met hulp van de Heere een betere schilder zou worden dan hij zelf was.

In 1879 werd Jozef Israëls ridder in de Kroonorde van Italië. Die toevoeging is natuurlijk van geen enkel belang, maar het klinkt sierlijk. Of er veel Nederlanders zijn geweest die deze Kroonorde hebben mogen dragen, weet ik niet. De antiquaren in Het Wasdom opteren slechts voor het ridderschap in de Orde van de Kousenband. Dit laatste uiteraard geheel terzijde.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, bijv. over kunst, waaronder het schitterende boek over de schilderkunst van Jozef Israëls, inmiddels een klassieker.

november 13th, 2020 by Igor Cornelissen

Abba Eban geloofde niet in wonderen, maar wel in Israël

De in Zuid Afrika geboren Abba Eban was voordat hij in 1966 minister van Buitenlandse Zaken van Israël werd vele jaren Israëls permanente vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties. Hij was lid van de Mapam, de socialistische arbeiderspartij en werd gerekend tot de ‘duiven’. Het onderhandelen nam hij serieus en dus ook de mogelijkheden om tot vrede met de Arabische staten te komen. Er bleek weinig mogelijk. Eban geloofde niet in wonderen, maar het blijft verbazingwekkend hoe hij de tijd vond deze zeer leesbare geschiedenis in zijn vrije uren te schrijven. Hij schrijft nuchter en begint al met de mededeling dat het ontstaan van zijn volk schemerig is. Feiten en legenden zijn verweven tot een onontwarbaar geheel. Maar als er feiten zijn dan meldt hij die ook. Zo is en blijft voor hem Jezus een jood in woord en daad. Pas geleidelijk werd het christendom een godsdienst voor niet-joden. En zonder Paulus zou dat niet zijn gebeurd.

Bij Eban wisselen zich de hoogtepunten (grote filosofen, historici en andere geleerden) zich af met neergang en afslachtingen waarbij uiteraard de massamoord tussen 1940-1945 de nodige aandacht krijgt. Dat Eban voor de oorlog in Engeland heeft gestudeerd, is duidelijk te merken aan zijn geschiedschrijving: beheerst en duidelijk. Interessant, want vrijwel vergeten, is zijn beschrijving van het wantrouwen dat de overlevende joden na 1945 beheerste. Ze wilden niet in Polen of Duitsland blijven. Dat hun ouders en andere familie massaal was vermoord, kwam omdat ze geen eigen land hadden waarheen ze hadden kunnen vluchten. Daarom ‘moest er een eigen staat komen. Vanaf zijn vroege jeugd was Eban zionist. Zijn talenkennis (o.a. Arabisch) maakte hem tot een gezaghebbend politicus.

Vrijwel vergeten is ook dat in de jaren 1945-1948 de Labour regering misschien niet anti-joods was maar wel tegen de oprichting van die eigen staat. Ernest Bevin, de Britse minister van Buitenlandse Zaken, uitte zich zacht gezegd uiterst onvriendelijk over de plannen voor een eigen staat.  In Nederland was de PvdA heel blij dat er in Londen een zusterpartij de macht van Churchill overnam. Maar hoe er binnenskamers bij de PvdA over Bevin werd gedacht, zou nog eens beschreven moeten worden. Dat laatste terzijde, want daar gaat Ebans boek niet over.

Eban, Abba (1971). Mijn volk. De geschiedenis der joden. Amsterdam/Antwerpen: Keesing. I.g.st., gebonden in blauw linnen met smoezelig stofomslag. Roestvlekjes. Gebonden, 440 pp., met illustraties (fotokatern met o.m. afbeeldingen uit Amsterdam). Uit de collectie Igor Cornelissen € 14,50 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, bijv. judaica

november 12th, 2020 by Jaap de Jong

Geschiedenis van Overijssel

Onlangs werd ik vereerd met het lidmaatschap van de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis (VORG), een eerbiedwaardige vereniging die in 1858 in Zwolle werd opgericht. Vanaf 1860 geeft de VORG een bundel uit met interessante opstellen, de Overijsselse Historische Bijdragen.

In die bijdragen staan opstellen die voor de lokale geschiedenis zeer de moeite waard zijn. Voor Zwolle trof ik bijvoorbeeld eerder opstellen aan over de achtergrond van de schitterende preekstoel in de St. Michaëlskerk, de uitgever-drukker en catechismeermeester Berent Hakvoort, over godsdienstige conflicten in de Reformatietijd en wat al niet meer. Prachtig voor de fijnproever die het naadje van de kous wil weten en/of verder wil breien.

In het nieuwste nummer van de Overijsselse Historische Bijdragen staat onder meer een opstel over de taalgeschiedenis van Overijssel (Harrie Scholtmeijer). Interessant om te lezen hoe de anywheres (de niet-plaatsgebonden elite) in staat waren om het dialect van de somewheres volledig weg te vagen. Aan de andere kant was de elite ook zeer betrokken bij het conserveren van het Overijsselse (en plaatselijke) dialect, zoals bijvoorbeeld Karel Diederik Schönfeld Wichers (1901-1993)  – Karel van ‘n notoaris oet Riessen – en de Hengelose doopsgezinde predikant Anthonie Ballot (1836-1871).

Andere bijdragen gaan over grafveld en de trechtbekercultuur (Henk van der Velde), uitgevers en drukkers (Kees Leeffers, Georg Hartong en Henk Nalis), kaarten en mappen (Clemens Hogenstijn), de inspanningen van Egbert Tobi ten behoeve van de zedelijke verbetering van gevangenen (Cees Houtman), minvermogenden in Kampen (Iet Erdsieck), de textielindustrie (Joan H. Beune) en het boeiende verhaal van twee broers die een leven lang strijd voerden over gemaakte keuzes in de oorlog (Martin van de Linde). Het jaarboek besluit met de literatuursignalementen.

Het lidmaatschap van de vereniging geeft recht op de ontvangst van de Overijsselse Historische Bijdragen. U kunt op de website van de vereniging meer vinden over dat lidmaatschap.

Tot slot kan ik het niet nalaten te wijzen op de overzichtslijst van de Overijsselse Historische Bijdragen (1860-2007). Een aantal van de opgenomen artikelen zijn fulltext beschikbaar op de website van het Historisch Centrum Overijssel (HCO).

Als historicus en antiquaar ben ik natuurlijk zeer geïnteresseerd in materiaal betreffende de  geschiedenis van Overijssel (en Zwolle). Mail ons of neem anderszins contact op bij een geschikt aanbod.

november 12th, 2020 by Igor Cornelissen

Heijermans, het antisemitisme en de sjabbessoep

Vroeger was Jaap Meijer er druk mee: antisemitische passages opsporen bij bekende of minder bekende auteurs. Tijdens een interview verraste hij mij toen hij mij dergelijke passages toonde bij Menno ter Braak. ‘Dat had je niet verwacht, he?’ Nee, dat had ik niet verwacht.

Bij een reeks predikanten-schrijvers uit de 19e eeuw had Jaap ze voor het oprapen. En als de stukjes tekst niet van jodenhaat getuigden dan kwamen de joden er toch wel in voor als opvallend, vreemd sprekend, niet geheel betrouwbaar of (iets milder) uiterst gewiekst in de handel. Je moest in ieder geval altijd een beetje uitkijken met ze.

Tegenwoordig is Ewoud Sanders een bekwaam opvolger van Jaap Meijer, Hij verzamelt en bespreekt christelijke kinderboeken waarin joodse jongens en meisjes zich laten bekeren of dwars blijven liggen. De zending had het er druk mee. Sommige van die boekjes blijken nog in de handel te zijn.

Sabbath van de joodse (dat moet er bij) Herman Heijermans is niet van hetzelfde laken een pak, maar wekt wel bevreemding. In het afstotende  stijltje van de Tachtigers, doorspekt met jiddische woorden, zit een gezin  te genieten van de shabbessoep. Van een soepkip dus. ‘IJvrig op ‘t vlak van de tafel dekte nu Bekkie, handen in rap gebeweeg over schalen.’

Van joodse zelfhaat was bij Heijermans geen sprake: de joodse Esther de Boer – van Rijk liet hij niet voor niets jarenlang de rol van Kniertje met het pannetje soep in Op hoop van zegen spelen.

Eigenlijk wil je als je het leest daar niet tussen zitten. Kenners wisten dat het wel realiteit was in de van armoe walmende buurten waar gebrek aan alles was. Die buurt werd al lang voor de Tweede Wereldoorlog afgebroken. Heijermans schrijft levendig en was en blijft onze beste toneelschrijver.

De vis wordt nog steeds duur betaald. Anders dan vroeger. Het volk heeft nu misschien wel geld voor tarbot en tong, maar heeft het er niet voor over. Dan maar een gezinszak kibbeling: vis van onbekende herkomst in vette olie gebakken. Dit laatste natuurlijk terzijde, maar niet zonder hoop op zegen.

Naar aanleiding van: Heijmerans jr., Herman (1903). Sabbath. Eene studie. Amsterdam: H.J.W. Becht. I.g.st., gaaf exemplaar. Gebonden in linnen, 92 pp., 1e druk. € 19,00 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 11th, 2020 by Igor Cornelissen

Stukje strand met echtpaar. Over Isaak Babel, zijn vrouw Zjenja en andere verhalen

“In Isaak Babel: Brieven naar Brussel (Moussault 1970) staat een foto van de schrijver en zijn vrouw Zjenja (Babel, die onder Boedjonny vocht bij de rode ruiterij, op zijn dertigste al een legende, later door Stalin uitgespuwd, afgevoerd, fijngeknepen) in de zomer van ’28 op het rimpelloze strand van het Belgische Saint-Idesbald, of all places! Naar zo’n foto kijk ik met meer ongeloof en verbazing dan ik kijken zou naar het eigenhandig gesigneerde statieportret van God de Vader zelf.” – Cees Buddingh

Die woorden schreef Buddingh in het literaire tijdschrift Maatstaf (jaargang 20, 1972-1973, p. 200) naar aanleiding van een foto van Isaak Babel en zijn vrouw Zjenja, zittend op het strand in West-Vlaanderen, ergens in de buurt van Saint-Idesbald. Het is een korte biografie, maar raak (even afgezien van het “rimpelloze strand”, maar wie maalt daar om?).

Ik verzamelde boeken van en over Babel. Isaak Babel werd in 1894 geboren in de joodse wijk Moldavanka van de havenstad Odessa. Zijn vader was een kleine handelaar. Op de middelbare school had Babel een uitstekende leraar Frans die hem Flaubert en De Maupassant leerde lezen en waarderen. Zijn eerste verhalen schreef Babel in het Frans. In de jaren twintig werd Babel de bekendste schrijver van het nieuwe Rusland. In 1940 werd hij doodgeschoten als trotskist en spion voor de Fransen. Hij had, na enkele weken verhoor en (dus) marteling alles bekend. Dat hij kort voor zijn executie alles introk werd pas na zijn rehabilitatie (na Stalins dood) bekend.

Toen ik in oktober 1967 voor de eerste (en laatste) keer in Odessa was, kostte het mij dankzij mijn dertig woorden Russisch weinig moeite om de wijk Moldavanka te vinden. En ik ontdekte zowaar het huis waar Isaak Babel had gewoond. In de buitenmuur was een plaquette geplaatst die hem in herinnering bracht. Ik nam er uiteraard een foto van, maar die is tot mijn grote verdriet al jaren zoek. Dat zoek-zijn geldt ook de verhalen waar Babel mee bezig was en die bij zijn arrestatie in beslag werden genomen. Het enige wat zijn nazaten in ontvangst mochten nemen was zijn ziekenfondsbrilletje. Misschien dat zijn onvoltooide werk nog eens uit de kasten van de geheime dienst naar boven komt.

In Nederland heeft Charles B. Timmer, van origine houthandelaar, die zich tijdens zijn verblijf in andere landen (Finland, Estland en Rusland) de daar gesproken talen eigen maakte. Hij zette zich tientallen jaren voor Babel in. Hij vertaalde diens werk en maakte ons westerlingen duidelijk hoe Babel – gevierd vanwege zijn verhalen over de Ruiterarmee – rond 1930 in moeilijkheden kwam toen onder Stalin de censuur strenger werd. In zijn eerste werken kwam Trotski voor als leider van het Rode Leger. Dat klopt ook. Babel had bij de cavallerie dienst genomen om er in 1920 bij te zijn toen het Rode Leger naar Warschau oprukte. Die vermelding van Trotski werd hem aangerekend. In de jaren dertig trad hij nog wel op tijdens schrijverscongressen, maar tijdens een van die bijeenkomsten vertelde hij vooral de stilte te eerbiedigen.

Babel had ondanks de steeds massalere terreur toch de stoutmoedigheid om het huis van Jezjov te bezoeken. Dat was de man die de terreur tot ongekende hoogte opdreef. Babel had eerder een verhouding met een vroegere vrouw van Jezjov. Wat Babel dreef om juist hem te bezoeken blijft raadselachtig. Wellicht was het Babels niet te stuiten nieuwsgierigheid. Hij wilde waarschijnlijk weten wat iemand dreef tot zulke monsterlijke daden. Buitendien was Jezjov een ongeletterde. Ook dat trok Babels nieuwsgierigheid. Toen Jezjov zelf werd gearresteerd, beschuldigde hij, om zichzelf te redden,  Babel ervan een Franse spion te zijn. Dat alles hielp niet. Jezjov én Babel werden vermoord, evenals de vrouw met wie Jezjov op dat moment was getrouwd.

Gruwelijkheden komen veelvuldig voor in het werk van Babel. Maxim Gorki had hem bij de aanvang van zijn schrijversschap aangeraden vooral ‘meer onder de mensen te gaan’. Die raad heeft Babel opgevolgd. Misschien iets te vaak en te veel.

Rest mij nog te vertellen dat ik mij tijdens mijn bezoek aan Odessa ook onder de mensen begaf en in een schitterend hotel met kroonluchters aan een tafel kwam te zitten met drie vrolijke Bulgaarse zeelieden die vergezeld waren van een wonderschone Russin die een weinig Engels sprak, een taal die de Bulgaren niet verstonden. De Russin die mij in het Engels vertelde dat ze aan mij de voorkeur gaf boven de zeelieden, gaf mij de opdracht hen ‘onder de tafel te drinken’. Dat lukte wel. De ober bleef maar schenken. Wodka, Krim champagne en nog meer wodka, maar de gevolgen… Ach, was Isaak Babel er maar bij geweest. Die zou er een schitterend verhaal van hebben gemaakt.


Babel, Isaak (1979). Verhalen & dagboekbladen [deel 1, 590 pp.] Toneelstukken & brieven [deel 2, 545 pp]. Amsterdam: Meulenhoff. Vertaling Charles B. Timmer. Met bibliografie, register, aantekeningen. I.z.g.st., als nieuw en zonder lezerssporen. Zeer gaaf exemplaar van het Verzameld Werk van Babel met de beide delen in één luxe zwarte box! € 42,50

Tirade, 7e jaargang, nr. 83 (november 1963). Special met verhalen over/van Isaak Babel, 737-800 pp. Goed.

Babel, Isaak (1966). Verhalen. Amsterdam: Moussault. Uit het Russisch vertaald door Charles B. Timmer. Matig, met bibliografische notitie, 370 pp., 3e druk.

Babel, Isaac (1964). The Lonely Years 1925-1939.  Unpublished Stories and Private Correspondence. New York: Noonday Press. Edited, and with an Introduction by Nathalie Babel. Translated from the Russian by Andrew R. MacAndrew, XXVIII, 402 pp. Redelijk (titelpagina deels losgescheurd, 2 losse fotopagina's). Halflinnen met omslag, fotokatern [met o.m. bovenstaande foto].

Babel, Isaac (1961). Collected Stories. Translated or revised by Walter Morison with an introduction by Lionel Trilling. Harmondworth: Penguin Books. Goed, vergeeld papier, 332 pp.

Het hele pakket Isaak Babel uit de collectie Igor Cornelissen (bovenstaande 5 titels & 6 boeken) - € 57,50 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.
november 11th, 2020 by Igor Cornelissen

De verbroedering van Nikita Chroesjtsjov en Benny Goodman

Van jazz is niet alleen bijzonder dat het in New Orleans ontstond (een smeltkroes van blank, zwart, bruin, Frans, Italiaans, Joods enz.) maar ook dat het nog altijd wordt gespeeld.

Opmerkelijker nog dat het over de hele wereld navolgers kreeg. Jazzmusici speelden na het verschijnen in 1919 van de eerste grammofoonplaten met die ‘oerwoud muziek’ in Europa en zelfs in het deel van de Sovjetunie dat ten westen van de Oeral ligt. Later bleven musici in Europa (en ook nog Japan) hangen. De zwarte musici hadden minder last van discriminatie, ook er bleken nogal wat liefhebbers en kenners te wonen. Én de gages waren beter.

In het nieuwe Rusland van de communisten traden de saxofonist Sidney Bechet en de trompettist Tommy Ladnier op. Hun concerten werden uiteraard slechts door een kleine groep bezocht. Volgens één bron zat Trotski in de zaal. De jazz was ontstaan door een uiterst gemêleerd gezelschap en kreeg door grammofoonplaat en radio internationale allures. Onder Stalin werd het echter een droeve geschiedenis. De muziek was niet alleen Westers, maar werd ook als imperialistisch bestempeld. Verboden dus, net als in Duitsland onder Hitler. Starr beschrijft indringend de pogingen van Russen om er, toen het nog mocht, wat van te maken. Het lot was de doorzetters, zoals met alle “diversanten” niet goed gezind: het kamp en/of de dood.

Na Stalins dood veranderde er wat in de Sovjetunie. Benny Goodman mocht in de zomer van 1962 met zijn band komen en dat werd een groot succes. De nieuwe partijleider Nikita Chroesjtsjov was niet alleen aanwezig bij een van de concerten, hij nam ook deel aan de staande ovatie. De plaat die toen is opgenomen, heb ik nog en doe ik voorlopig niet weg. Starr weet te melden dat de Amerikaanse musici, ook na afloop van het optreden, doorspeelden met enthousiaste Russische artiesten. Er zal heel wat vodka hebben gevloeid. In ieder geval: jazz verbroedert; als het tenminste mag. Terzijde: veel van die Russische musici waren van joodse origine. Aan Amerikaanse kant was Benny Goodman niet de enige van joodse afkomst.

Frederick Starr (1983). Red & Hot. The Fate of Jazz in the Soviet Union. New York/Oxford: Oxford University Press. I.g.st., enige potloodaant. Uit de collectie van Igor C. (naast journalist, schrijver ook jazzmuzikant). IX, 368 pp., 1e druk. Met illustraties, met bibliografie en noten. € 25,00 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 10th, 2020 by Igor Cornelissen

Portugal als kolonisator: Salazar contra Boxer

Met vakantie naar Portugal. Het blijft hoog op mijn wenslijst staan. Ik was er vaak en vind de Portugezen heel vriendelijk en bescheiden. Toen ik het gesprek eens op hun kijk op vuurland Spanje bracht hoorde ik hetzelfde wat een gemiddelde Nederlander over Duitsland (van vóór Merkel) zou kunnen zeggen. Bij hun is alles groter en beter en ze maken te veel lawaai.

Dictator Salazar maakte niet zo veel lawaai (en hij is in Portugal nog altijd bij grote delen van de bevolking geliefd als een bescheiden heerser, wars van weelde, pracht en praal), maar hij schopte C. R. Boxer tegen het verkeerde been toen hij in een interview verklaarde dat Portugal het rassenonderscheid altijd had gemeden, ook als kolonisator.

Boxer, een veelzijdig historicus die Portugees las en sprak (evenals Nederlands), wist beter. Hij schreef boeken over Portugal als machtige staat met bezittingen in Zuid Amerika, Afrika, India en Oost Indië. Hij corrigeerde Salazar en schreef als reactie op het interview een kleine, maar pittige ‘correctie’. Het kwam hem te staan op een inreisverbod. Hij was niet meer welkom in Portugal. Na Salazar werd dat goedgemaakt.

Aan Boxer moest ik eens denken toen ik in een kroegje in Lissabon met een werkloze ingenieur in gesprek kwam. Het was een vriendelijke Portugees die goed Engels sprak. Hij vertelde me dat hij over enkele weken naar Mozambique ging. Vakantie? Nee, voor werk dat hij in Portugal niet kon vinden. Curieus: de vroegere kolonie verschafte werk aan een burger van zijn vroegere kolonisator. Zo ver is het met ‘ons’ Indië nooit gekomen.

Boxer, C.R. (1963) Race Relations in the Portuguese Colonial Empire (1415-1825). Oxford: Clarendon Press. I.g.st., hardcover. Gebonden, 136 pp., 1e druk. Met illustraties, met bibliografie en noten. € 35,00 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 9th, 2020 by Igor Cornelissen

Onder professoren – Judicus Verstegen en zijn koekoek in de klok

Judicus Verstegen (1933-2015) was een chemicus die promoveerde en werkte aan de universiteit van Amsterdam. Een knap geleerde die ook literatuur wilde schrijven. Het ging hem niet slecht af, maar met De koekoek in de klok kwam hij in moeilijkheden.

De roman speelt aan de Universiteit van Amsterdam en beschrijft de oplichting, het bedrog en de fraude. Een professor laat studenten voor zich werken en strijkt zelf het geld op. Bovendien sjoemelt hij met declaraties. Daar nog bovenop komen foute oorlogsverledens en moffenhoeren die zich in professorale bedden wentelden.

Professor J.A. Ketelaar, hoogleraar in de fysische chemie, meende zich in het boek te herkennen en dwong af dat er geen derde druk zou verschijnen. In diezelfde tijd voerde het communistische dagblad De Waarheid een actie tegen professor Kistemaker die in de oorlog gecollaboreerd zou hebben en bezig zou zijn met het maken van een atoombom. In de verhalen dook ook Ketelaar op als vriend (en beschermer) van Kistemaker. Ketelaar en Kistemaker hadden, dat staat nu wel vast,  tijdens de bezetting in Parijs gewerkt voor Cellastic, een wetenschappelijke spionageorganisatie van de nazi’s.  De actie bloedde dood, zoals veel acties, maar het vrat allemaal aan de schrijver Verstegen die in een psychiatrische inrichting werd opgenomen.

Er kwam een tweede druk, maar toen was het afgelopen. Verstegen werd bedreigd met processen wegens laster en had geen zin in vonnissen met dwangsommen. Het boek werd uit de handel genomen.

Literatuurkenners menen zeker te weten dat Willem Frederik Hermans zich met zijn Onder professoren stevig heeft laten beïnvloeden door Verstegens boek. Er is veel meer over te vinden over deze kwestie, maar die bronnen zijn alleen goed te begrijpen na lezing van dit boek. Verstegens boek wordt intussen een doodgezwegen meesterwerk genoemd. In het nieuwste nummer van De Parelduiker (2020, nr. 4, jaargang 25) is overigens een artikel van Sander Kollaard opgenomen over Judicus Verstegen.

Judicus Verstegen (1969). De koekoek in de klok. Roman over menselijke onmacht en tragiek tegen een achtergrond van twee conflicten aan een universiteit. Amsterdam: Querido. Redelijk [lichte vochtvlekken, leesvouwtjes in rug], paperback, 1e druk, 244 pp., reuzensalamander nr. 83. € 45,00. Uit de handel genomen. Zeer zeldzaam. Bestellen? Mail ons of neem anderszins contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 9th, 2020 by Igor Cornelissen

Het leven van Voline: eender, maar toch anders

Hij schreef onder de naam Voline, maar werd geboren als Vsevelod Michailovitsj Eichenbaum (1882-1945). Zijn beide ouders waren arts. Hij studeerde rechten en kwam al jong onder invloed van het socialisme. Voline belandde bij het anarchistische deel. De rest van zijn leven lijkt op dat van veel Russische revolutionairen: arrestatie, gevangenschap, verbanning, vrijlating en, op de vlucht voor het tsarisme, exil.

Voline kwam eerst in Berljn terecht, daarna Parijs. De Duitse en Franse taal beheerste hij al. Engels zou hij in Amerika leren, het volgende land waar hij actief was zoals tienduizenden Russen die daar woonden. In 1917 kwam hij terug naar Rusland. Hij kreeg het al spoedig aan de stok met de bolsjewiki die hem arresteerden. Zijn boeken over 1917 en de onderdrukte opstand in Kronstad (1921) en de Oekraïne werden klassiekers, wat niet wil zeggen dat ze veel werden gelezen.

Het was Ben Sijes die mij op het boek wees. Sijes was van origine een radencommunist (zoals Herman Gorter, de astronoom prof. Anton Pannekoek en de werkloze metselaar Marinus van der Lubbe). Hij kreeg bekendheid als medewerker van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (en schrijver van een studie over de Februaristaking van 1941). Sijes bespeurde bij mij in de jaren zestig nog een zekere sympathie voor de Russische revolutie door Lenin en Trotsky. Voline zou mij daar wel van af helpen. Het heeft even geduurd, maar anarchist werd ik niet, al schrijf ik dan met veel plezier in hun blad De As.

Dat lijkt natuurlijk allemaal op afdwalen, maar dat is het niet.

De bekende anarchist Rudolf Rocker schreef een inleiding bij Voline’s boek over 1917. Daarin leest men veel meer over diens uiterst avontuurlijke leven dat in 1945 eindigde in Parijs.

Meer nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 8th, 2020 by Igor Cornelissen

Harford Montgomery Hyde – een soort vriend

Zeer waarschijnlijk ben ik de laatste journalist die de advocaat, politicus en schrijver Harford Montgomery Hyde (1907-1989) heeft gesproken. Dat was in 1989 in Kent / Tenderden waar hij een schitterend landhuis bewoonde. Ik bezocht hem om zijn mening te horen over de Nederlands/Britse spion George Blake die tot een zeer lange gevangenisstraf was veroordeeld, maar wist te ontsnappen en in Moskou opdook waar hij met alle egards werd ontvangen.

Douglas Hyde stond in Groot Brittannië toch al bekend om zijn wat men kan noemen afwijkende meningen. Als Parlementslid voerde hij menigmaal het woord ten gunste van homoseksuelen die (mits van het mannelijk geslacht) met zware straffen werden bedreigd. Hij was ook de eerste die een uitgebreide geschiedenis over de homoseksualiteit schreef. Douglas Hyde vond dat Blake een veel te zware straf had gekregen. Ik had hem over veel meer onderwerpen kunnen spreken, want Montgomery Hyde was ooit bij MI6, de Britse geheime dienst die in het buitenland opereert. We deelden een belangstelling voor spionage. Ik was buitenstaander. Hij niet.

Ik heb als journalist vaker Britten geïnterviewd. Ik bleef voor hen altijd een (onbetekenende) foreigner. Iemand van ver weg die er eigenlijk toch niks van begreep. Bij Montgomery Hyde had ik dat gevoel van vervreemding helemaal niet. Hij beschouwde mij als een soort vriend. Hij schonk mij zijn biografie over Oscar Wilde en verontschuldigde zich dat het een Duitse vertaling was. Van de Engelse oerversie had hij alleen nog zijn eigen exemplaar. De opdracht was in een wat bibberig handschrift zodat ik niet precies kan lezen op welke dag van welke maand ik hem bezocht. Ik meen 6 mei. Het was in ieder geval 1989 en op 10 augustus van dat jaar overleed hij betreurd door zijn derde vrouw. Want Hyde was zelf geen homo.

Ik herinner me nog dat ik met de schrijver/politicus door zijn tuin liep. Hij al zichtbaar breekbaar en leunend op een stok.

Nu loop ik zelf met een stok.

George Blake heb ik ook nog eens opgezocht. In Moskou. Het verslag kwam in Vrij Nederland. Blake sprak nog uitstekend Nederland, maar met een licht Rotterdams accent, de plaats waar hij opgroeide. Dit laatste terzijde.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 7th, 2020 by Igor Cornelissen

Briefwisseling tussen Henri Borel en Frederik van Eeden

Over Frederik van Eeden weten de meeste lezers nog wel dat hij in het Gooi een kolonie stichtte. Walden. Idealisten deden er landbouwwerk en het geheel moest zichzelf bedruipen. De gewone Gooiers keken naar die vreemde stadse mensen die wortels verbouwden. Een marxistische essayist maakte het zaakje belachelijk in een nog steeds leesbaar stuk in De Nieuwe Tijd.

Van Eedens Kleine Johannes werd vroeger gelezen op middelbare scholen. Menigeen wist ook nog dat Van Eeden de anarchist Kropotkin bewonderde, met Sigmund Freud correspondeerde, psychiater was en zich op latere leeftijd bekeerde tot de katholieke kerk. Een veelschrijver die ooit invloed uitoefende.

Over Henri Borel, diplomaat en sinoloog, is minder bekend. Op boekenmarkten komt men nog wel zijn Zusje en Broertje tegen. Een boek dat niet zozeer door de inhoud als wel door de fraaie Jugendstil omslagen kopers trekt. Borel was een groot bewonderaar van Couperus.

De vriendschap tussen Borel en van Eeden ging ver. Van Eeden schreef hem in augustus 1897 vanuit Bussum: ’Er zijn hier bijna geen menschen, waar ik zoo op aan kan, als jou.’ De brieven gaan over schrijvers, kunst en God.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, bijv. binnen de categorie literatuur.

november 6th, 2020 by Igor Cornelissen

Over het smakken van Paul de Groot en de platgedrukte bril van de koningin

De meningen of Vestdijk nu nog wel of niet meer wordt gelezen lopen uiteen. In ieder geval werd de biografie die Hans Visser over hem schreef bij voorbaat al neergesabeld. Visser was chemicus van beroep en behoorde niet tot de intieme kring van Vestdijk adepten. In recensies werd Vissers boek weggezet als oppervlakkig en slordig.

Hazeu kreeg meer lof. In ieder geval was Hans Visser heel ijverig en van de tientallen brieven die hij ontving van mensen die Vestdijk goed (of nauwelijks) hadden gekend maakte hij een leuke selectie. Leo Hornstra een radencommunist die als katholieke Friese nationalist eindigde was net als Vestdijk geïnteresseerd in psychologie en ze hadden diepgaande gesprekken over Freud. De dichteres Vasalis had Vestdijk maar eenmaal ontmoet toen ze door koningin Wilhelmina kort na de bevrijding ontvangen werden. De koningin wilde kunstenaars ontmoeten. In groepjes van vier. Vasalis wist nog goed dat de kunstenaars hun lachlust nauwelijks konden bedwingen omdat de koningin steeds op haar bril ging zitten. En ook dat ze hongerig keken naar de schaal met koekjes. Die hadden ze nooit gehad tijdens die laatste bange oorlogsjaren.

De brieven bevatten voor elck wat wils. Ik weet toevallig dat Vestdijk tijdens zijn maaltijd altijd een boek naast zich had liggen. Dat had hij dan gemeen met de communistenleider Paul de Groot die er tijdens het lezen geweldig bij smakte. Maar dat geheel terzijde.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong. Het boek van Visser komt binnenkort in de catalogus. Wie nu wil bestellen, neme contact met ons op.

november 4th, 2020 by Jaap de Jong

Over het Zwols toerisme en de wijn van Frederik van Leenhof

Zojuist viel bij mij het Zwols Historisch Tijdschrift op de deurmat. Dit keer een themanummer over toerisme. Jan van de Wetering beschrijft aan de hand van kranten, kaarten, ansichtkaarten, reis- en wandelgidsen (Elberts, Van der Pot, Van der Loo etc.) de Zwolse bezienswaardigheden (vanaf vroegmoderne tijd tot op heden). De details ontgingen hem daarbij niet, zoals de wandeling van de Tachtigers Willem Kloos en Hein Boeken die het Zwolse nachtleven onveilig maakten. Tegelijkertijd heeft hij oog voor de middenstand die natuurlijk baat had bij het opkomend toerisme (fietshandel, vervoer, hotel- en restaurantwezen).

Kiekès Agterom (ofwel: Wim Coster) pakt een aantal highlights uit het reisverslag van de bibliofiel Zacharias Conrad van Uffenbach (1683-1734) die tijdens zijn bezoek aan Zwolle ook kennismaakt met de illustere voorganger Frederik van Leenhof (1647-1715). Van Leenhof, voor de ene luisteraar een geliefd voorganger, werd door andere tijdgenoten ook wel verafschuwd vanwege zijn spinozistisch getoonzette werk De Hemel op aarde. Het boek werd op de markt gebracht door de eveneens van ketterijen verdachte koster, boekhandelaar en catechismeermeester Barend Hakvoord (1652-1735) (en ook in meerdere talen vertaald). Van Leenhof schreef daarnaast een uitleg over Prediker. Ik neem aan dat hij er eveneens over preekte in de Zwolse St. Michaëlskerk (Grote Kerk); bijv. over het brood dat je met vreugde eet en de wijn die je met een goed hart drinkt en het behagen dat God daarin schept (Prediker 9). In zijn uitleg van het boek Prediker gebruikte Van Leenhof maar liefst 48 keer het woord ‘wijn’. Zegt dat iets? Ja, dat zegt iets.

Het portret van Van Leenhof, geschilderd door de Zwollenaar Hendrick ten Oever (1639-1716), hangt in de consistorie van St. Michaëlskerk, tegenover het bord met de predikanten die in Zwolle dienden, waaronder meerdere “ketters” en dwarsliggers. Van Leenhof, die uiteindelijk werd afgezet onder doorbetaling van het traktement, is de man met de ganzeveer in de hand. Zwolse ironie, ik ben een dolle liefhebber. Ik verwonder mij overigens dat bij het Zwolse Wijnhuis – tegenover de Michaëlskerk – nog steeds geen wijn wordt aangeboden onder het etiket De Hemel op Aarde. Daar zit toch handel in? Ik vraag maar.

Het nieuwste nummer wordt besloten met een recensie van het boek van mijn kompaan in het antiquariaat Cornelissen & De Jong. Memoires die voor een groot deel over Zwolle gaan (Michael Krielaars besprak het onlangs in de NRC). Een “aardige brompot” schrijft Steven ten Veen, “niet alleen geïnteresseerd in (Zwolse) revolutionairen als Henk Sneevliet, maar ook gefascineerd door bevindelijk gereformeerden in Genemuiden en elders, zoals ds. C. Hogchem”. Ik moet dat “brompot” overigens weerspreken. Igor bromt niet, hij komt minstens een keer per week fluitend in ‘t Wasdom op het Dominicanenklooster en gaat fluitend weg. Het vijfde deel van zijn memoires eindigt met de zin dat hij in de boekhandel een nieuwe stralende toekomst tegemoet gaat. En dat is ook zo. Bijna iedere dag een nieuw blog en wat al niet meer. Overigens kunt u zijn boek hier bestellen [gesigneerd exemplaar]. Dit terzijde uiteraard.

Voor het lidmaatschap van de Zwolse Historische Vereniging kunt u zich aanmelden op de website.  U ontvangt dan jaarlijks vier nummers van het tijdschrift.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 4th, 2020 by Igor Cornelissen

Ralph Springer en het fonds Verlag Allert de Lange

Toen ik boeken van en gegevens over de joodse loodgieter Ralph Springer (1886-1942) begon te verzamelen, vond ik in een Amsterdamse antiquariaat ook deze verhandeling over scherts en minnerij uit 1922.

Springer, die in de marxistische Nieuwe Tijd debuteerde, werd fascist. Dat verhinderde niet dat hij later als jood in een concentratiekamp werd vermoord. Hij schreef veel. Of hij daarnaast lood bleef gieten ben ik niet te weten gekomen. Het boek De oude zaak Godefrooi. Boek van scherts en minnarij is goeddeels in een soort Amsterdams dialect geschreven. Hoofdstuk tien van de roman heet Intimiteiten.

Ik verklap verder niets, behalve dan de naam van de uitgever: Allert de Lange (1855-1927). Hij was de vader van Gerard de Lange die in de jaren dertig Duitse exil literatuur uitgaf. Allert de Lange begon in 1880 zijn boekhandel aan het Damrak 62, het pand kocht hij in 1885, mede met het vermogen van zijn vrouw Rijkje. Gerard maakte van de uitgeverij, die later bekend was als Verlag Allert de Lange, een succes. Dat succes dankte hij aan Hilda van Praag-Sanders die bijv. Stefan Zweig, Max Brod en niet te vergeten Joseph Roth bij hem binnen bracht. Zelf zat Gerard het liefst op café, zo las ik ergens.

Ralph Springer wacht intussen op zijn biograaf. Het hoeft geen dik boek te worden, wel een mooi boek. Met gepaste aandacht voor de tragiek van déze man.

Springer, R. (z.j.[1922]). De oude zaak Godefrooi. Boek van Scherts en Minnarij. Amsterdam: Allert de Lange. I.g.st., gebonden in linnen met rode belettering, 206 pp. Zeldzaam. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 27,50 (incl. verzendkosten). Bestellen? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 3rd, 2020 by Igor Cornelissen

The Common People: werken als arbeiders, eten als koningen

De eerste editie van The Common People 1746-1946, een veelgelezen boek, dateert uit 1938. Cole was een sociaal historicus die dikke boeken schreef over de Sovjetunie. Cole had een zekere bewondering voor datgene wat er onder Stalin was opgebouwd. Een agrarisch land industrialiseerde, maar van de communistische dictatuur moest hij niets hebben.

De industrialisatie staat centraal in het boek dat hij met zijn zwager Postgate scheef. Uitvoerig staan de schrijvers stil bij de erbarmelijke levensomstandigheden van het gewone volk dat rond 1800 geen geld had voor vlees. Men at hooguit een stukje spek of een hutspot, maar vooral aardappelen at. Arbeiderskinderen zagen zelden melk. Wie de indruk had dat de Engelse historici vooral aandacht schonken aan de levensverhalen van hun koningen, generaals en admiralen, worden door Cole en Postgate op het goede been gezet. Uitvoerige inventarisatie van de lonen en kosten van levensonderhoud. En dan de industrialisatie en alles wat erbij hoort. In 1846, toen Nederland nog moest beginnen, bezat Engeland al een aardig uitgebreid spoorwegnet. Hun beschrijving van de vroege vakbeweging en de invloed van de coöperatieve beweging is bijzonder helder en boeiend.

Cole heeft, maar dit terzijde, nog een rolletje gespeeld na het overbrengen van een deel van het archief van het IISG naar Engeland toen directeur Posthumus rekening hield met een Duitse bezetting. Cole zorgde voor een veilige plaats van de vele kisten in Oxford.

Postgate is zo mogelijk. Hij schreef, net als zijn zwager, een groot aantal detectives en was bovendien een liefhebber van goede wijn en dito eten dat ver uitsteeg boven het gebruikelijke fish and chips. Postgate schreef over eten een Food Guide en propageerde het idee dat ook de arbeider moest leren goed en smakelijk te eten.

Cole en Postgate bevestigen mijn mening dat de Britten behalve goede historici ook levenskunstenaars hebben voortgebracht. En dat dan vaak in één persoon verenigd. In Nederland blijft het wat moeilijk zoeken naar gelijkwaardigen al weet ik dat dr. Jaap Meijer met zijn vrouw Liesje regelmatig zeetong ging eten in IJmuiden. En bovendien kon ik als gast proeven dat Liesje Meijer-Voet zelf ook uitstekend tong in roomboter kon bakken. Alle verhalen van zoon Ischa over het  ‘concentratiekamp voedsel’ dat hij thuis kreeg voorgezet ten spijt. Maar dat laatste is wel heel erg ver terzijde.

Cole, G.D.C. & Ramond Postgate (1963). The Common People 1746-1946. Londen: Methuen. I.g.st., 1e editie, met bibliografie, registers, illustraties (maps). €19,95 (inc. verzendkosten). Bestellen? Neem contact met ons op.
november 2nd, 2020 by Igor Cornelissen

Charles-Maurice de Talleyrand, “een zijden kous vol stront”.

Napoleon was niet zo gecharmeerd van de ex-geestelijke Charles-Maurice de Talleyrand-Périgord (1754-1838), die ook al door de paus werd geëxcommuniceerd vanwege zijn eed op de grondwet (1791). Toen de onderhandelingen niet liepen als Napoleon – de kleine man met het grote verlangen – wel wilde noemde hij Talleyrand, “een zijden kous vol stront”. Van Talleyrand die in 1754 in Parijs werd geboren, bestaan geen foto’s, maar we weten dat hij een wipneus had, enigszins mank liep en nogal hautain was. De ondertitel van de door de Britse politicus en diplomaat Cooper geschreven biografie geeft al veel aan. Hij wordt ook wel gezien als het prototype van de opportunist.

Hij diende vele koningen en andere heersers onder wie Napoleon. Tijdens het congres van Wenen in 1814 speelde hij zijn laatste rol. De schrijver Duff Cooper (ook hij kreeg zijn biografie, zelf meerdere; maar minder dan Talleyrand) is niet minder interessant. In de jaren dertig was hij een fel tegenstander van het aanpappen met Hitler. Churchill benoemde hem dan ook zijn oorlogskabinet als minister van Informatie. Na de oorlog werd Cooper ambassadeur in Frankrijk, een land dat hij liefhad. Hij was een warme pleitbezorger van goede betrekkingen tussen Frankrijk en Groot Brittannië.

De vertaalster is ook opmerkelijk. Zij was de tweede vrouw van de hoogleraar geschiedenis aan de Utrechtse universiteit: Gerhard Wilhelm Kernkamp, de schrijver die zich bij tijd en wijle meer literator dan historicus wist. Professor Kernkamp was een felle tegenstander van de benoeming van Pieter Geyl als zijn opvolger. Kernkamp moest niets hebben van Geyls Vlaams-nationalistische ideeën. Dat alles terzijde. Maar Talleyrand leidt nu eenmaal tot veel. In 1815 werd ruwweg het Europa geschapen zoals dat tot 1918 heeft bestaan.

Cooper, Duff (1948) Talleyrand. Speler met mensen en machten. Amsterdam: Meulenhoff. I.g.st, bladzijden enigszins verkleurd. Vertaling J. Kernkamp-Muijderman. Gebonden in linnen, 287 pp., 1e druk. Met illustraties, met bibliografie. € 17,00 (incl. verzendkosten). Neem contact met ons op.
november 1st, 2020 by Igor Cornelissen

Waar is Hans Brusse gebleven? Over de CPN en andere doodlopende zijpaden

Dat de CPN als enige als partij direct in het verzet ging, is bijna waar. De veel kleinere RSAP van Henk Sneevliet deed dat ook. Maar het was de CPN die als verzetspartij uit de oorlog kwam. Alleen de gereformeerden konden eveneens bogen op een groot aantal verzetsstrijders die hun dappere houding met een concentratiekamp of de dood moesten bekopen.

Het was een van de redenen dat de CPN bij de eerste naoorlogse verkiezingen tien percent van de stemmen kreeg. Partij in verzet is een eerlijk boek en dat is opmerkelijk omdat eerdere publicaties door partijgenoten vol zaten met omissies of leugens. De vroeger geëerde verzetsstrijder had voor het lidmaatschap bedankt of was ontmaskerd als spion van een buitenlandse inlichtingendienst. In dit boek komt bijvoorbeeld de vroegere voorzitter en lijsttrekker Gerben Wagenaar uitgebreid voor zonder vervalsingen. Dat kon in 1986 want toen was albedil Paul de Groot afgedankt en verdwenen.

Interessant in deze geschiedschrijving is ook dat de schrijfsters de naoorlogse legale edities hebben genoemd met hun redacties zoals in Meppel, Haarlem, Amersfoort, Den Haag en Rotterdam. In Amsterdam waren J. Hulsebos en J.B. Brusse stadsverslaggevers. Hulsebos werd later landelijk bekend als Jan Vrijman en schreef zijn laatste columns in Het Parool. J.B. Brusse is Jan Brusse die maar kort bij het communistische dagblad bleef om daarna vanuit Parijs voor Elsevier en de Groene Amsterdammer te schrijven. Hij was, maar dat geheel terzijde, een neef van Hans Brusse die voor Moskou spioneerde en in 1937, ook vanuit Parijs, spoorloos verdween. Jan Brusse is door de BVD nog even verward met zijn spoorloze neef.

En dat alles is nu volkomen geschiedenis geworden. Met hooguit nog een enkele negentigjarige die het meemaakte. Het boek is verkocht, begrijp ik van de kompaan, maar misschien kan iemand mij vertellen waar Hans Brusse is gebleven? Ik wil het graag weten. Want, met een variant op Erasmus’ non scholae sed vitae discimus: wij schrijven niet voor de verkoop [“niet alleen”, corrigeert de kompaan], maar voor het leven.

Galesloot, Hansje & Susan Legêne (1986). Partij in het verzet. De CPN in de tweede wereldoorlog. Amsterdam: Pegasus. Niet meer leverbaar
oktober 30th, 2020 by Igor Cornelissen

“Binnen drie maanden dood”. Churchill in juni 1940

(Sir) Francis Harry Hinsley werkte tijdens de oorlog als cryptoanalist in Blentchley, een rustiek landelijk dorp waar tientallen dames en heren druk bezig waren met het ontcijferen van de geheime Duitse codes. Het duurde soms weken of maanden voor zo’n geheime boodschap was gekraakt. Hinsley’s hield zich bezig met de boodschappen die vanuit Duitsland naar de schepen werden gestuurd die bijvoorbeeld geallieerde convooien moesten aanvallen. Wist men zo’n code te ontcijferen dan bespaarde dat mensenlevens en materiaal. Na de oorlog werd Hinsley een gewaardeerd historicus.

De hier gebundelde artikelen zullen zeker zijn interesse hebben gehad. Christopher Andrew, specialist in Britse geheime diensten, schreef een boeiend stuk over de communistische mollen die sinds 1931 vanuit Cambridge bezig waren de Russen van geheimen te voorzien. Het waren allemaal spionnen uit de betere (= hogere) klassen Kim Philby, Burgess c.s.

Ik kocht het boek destijds omdat ik er wat aan dacht te hebben voor mijn boek De GPOe op de Overtoom. Spionnen voor Moskou,  Maar in de Essays gaat het vooral over groot Brittannië. Niet over Nederland.

Hoe de Tweede Wereldoorlog op het nippertje door de geallieerden werd gewonnen, valt te lezen in een studie over Churchill en de beslissing om in 1940 als enige de oorlog tegen nazi Duitsland voort te zetten. Als op 12 juni 1940 Churchill met generaal Ismay de vrijwel hopeloze situatie bespreekt zegt zijn militaire rechterhand generaal Hastings Lionel Ismay dat hij blij is dat de Britten de oorlog zullen winnen. Churchill is er minder van overtuigd: ‘Jij en ik zullen binnen drie maanden dood zijn.’

Maar die woorden bleven binnenskamers en voor de radio en in het parlement hield Churchill vol dat de uiteindelijke overwinning aan de democratie zou zijn. Dat zou nog vijf jaar duren en met een ontzagwekkend groot aantal offers: “We shall go on to the end. Never surrender. We shall defend our Island.” Een groot leider twijfelt aan het eigen voortbestaan, maar niet aan de eindoverwinning [video]

Langhorne, Richard (Ed.) (1985). Diplomacy and Intelligence during the Second World War. Essays in honour of F.H. Hinsley. Cambridge: University Press. I.z.g.st., 1e druk, gebonden in rood linnen. Gouden letteropdruk. Met portretfoto F.H. Hinsley. € 30,00. Bestellen? Neem contact met ons op.
oktober 29th, 2020 by Igor Cornelissen

De media en de revolutie: de gouden manchetknopen van Lenin en de sjieke gewaden van zijn vrouw

Het boek waar Stoelinga op promoveerde verscheen in 1967. Het jaar dat de vijftigste verjaardag van de Russische Oktoberrevolutie werd herdacht en gevierd. Het laatste gebeurde in Moskou waar ik op het Rode Plein de marsmuziek hoorde en het defilé inspecteerde. Zo nam ik pas later kennis van Stoelinga’s onderzoek naar de Nederlandse kranten en tijdschriften die hun lezers trachten voor te lichten over de val van het tsarisme, Kerenski die kort aan de macht was en Lenin die met andere bolsjewiki (vooral Trotski werd genoemd) die hem aflosten.

Op de meeste redacties dacht men dat die ‘maximalisten’ maar kort aan het bewind zouden blijven. Over het algemeen waren de kranten slecht geïnformeerd. Alleen De Telegraaf had een medewerker ter plekke. De andere journalisten moesten op hun gevoel (of grote duim) afgaan. Het leverde soms rare stukjes op. Zoals een Lenin die gouden manchetknopen droeg met diamanten erin en een mevrouw Lenin die sjieke gewaden naar de laatste mode droeg. Wie ooit een foto zag van mevrouw Lenin, ofwel Nadezjda Kroepskaja, moet wel in lachen uitbarsten.

Het viel te prijzen dat Stoelinga nauwgezet al die gereformeerde, katholieke en liberale bladen doornam. Nog interessanter werd zijn boek omdat hij de twee uiterst linkse bladen niet vergat: het theoretisch marxistische tijdschrift De Nieuwe Tijd waar Herman Gorter, Willem van Ravesteyn en Anton Pannekoek in schreven en het dagblad De Tribune onder leiding van dezelfde Van Ravesteyn en David Wijnkoop. Met als kritisch medewerker de arbeider B. Luteraan. Zij waren de enigen die begrepen wat er in Rusland gaande was. Wat Stoelinga niet vermeldde (hij wist het niet of vond het niet de moeite waard) is dat Barend Luteraan de ‘maximaalste van de maximalisten’ in Zwitserland Lenin had ontmoet tijdens een internationale conferentie (in 1915). Lenin vroeg bij die gelegenheid naar Gorter: ‘Wie geht’s German Gorter’? want de h kon hij inderdaad niet uitspreken. Lenin had met veel instemming Gorters brochure over het Wereldimperialisme gelezen; een felle aanklacht zowel tegen de Engels-Franse regeringen als tegen de Duitse.

De marxisten spraken dezelfde taal. De Nieuwe Tijd en De Tribune bleven Lenin en Trotski met grote instemming volgen. De barsten in de vriendschap werden al snel zichtbaar, maar dat gebeurde pas na maart 1918.

In de jaren zestig van de vorige eeuw kwam een in Den Haag gestationeerde journalist van het persbureau TASS Luteraan nog eens uithoren over zijn herinneringen aan Lenin. Wat daarvan gekomen is, weet ik niet. Ook dat laatste heeft in het geheel niets te maken met Stoelinga’s werkstuk dat bij mij nog wel een vergelijking oproept met de situatie in Wit Rusland waar we op dezelfde dag dat de oppositie de straten vult de filmpjes kunnen zien en opposanten kunnen horen. Het leven wordt gevuld met terzijdes.

Stoelinga, Th. H. J. (1967). Russische revolutie en vredesverwachtingen in de Nederlandse pers. Maart 1917-Maart 1918. Bussum: Fibula - Van Dishoeck. Redelijk. Paperback, 224 pp., 1e druk. Met bibliografie en noten (€ 12,50, incl. verzendkosten). Mail ons of neem contact met ons op.
oktober 28th, 2020 by Igor Cornelissen

Sint-Petersburg: de passie van Hans Boland

In deze stadsgids staat alles. Bijna alles, dus niet dat ik daar met mijn vriendin Anke jaren geleden de Aurora bezocht, langs het Finland station liep waar ik een flesje koshere vodka kocht om vervolgens op zoek te gaan naar een café. Ik kende er heg noch steg, maar liep mijn neus achterna die mij vaker hielp op mijn zoektochten door onbekende gebieden. Het is nog iets verder, zei ik zelfverzekerd steeds tegen Anke. En waarlijk, daar iets verderop, branden lichtjes. Een echt café, fatsoenlijk en toch Russisch. Ik hoefde mijn flesje niet aan te spreken, want ze hadden daar volop. Door de ramen keek ik naar buiten. Berkenbomen en licht sneeuwval. Ik zat meteen midden in een verhaal van Tsjechov of Poesjkin of welke Russische schrijver dan ook. Ik voelde me ineens heel erg thuis en kwam met mijn dertig Russische woorden een heel eind.

Hans Boland slaat me in alle opzichten. Hij heeft er gewoond, spreekt en schrijft vloeiend Russisch en kreeg prijzen voor zijn vertalingen. Ik doe zijn uitputtende gids weg omdat de kans dat ik nog eens in Leningrad (ik gebruik de oude naam nog maar eens) ook zonder Corona nihil is. Op de achterflap wordt Sint-Petersburg terecht een stad van glorie en gruwel genoemd. Die twee g’s waren er ook tijdens de Tweede Wereldoorlog toen de Duitsers er niet in slaagden de stad te veroveren. De hongersnood kostte honderdduizenden burgers het leven. Er moet zelfs kannibalisme zijn voorgekomen.

Boland schrijft met passie en dat houdt alles in. Liefde en nuchterheid. Over het Kirov ballet, het sovjet paradepaardje  dat ook in het buitenland volle zalen trok, vertoonde eigenlijk meer veredelde acrobatiek dan ware danskunst.

Voor de echte kunst neemt Boland je mee naar de Ermitage. Katherina de Grote kocht meer dan drieduizend schilderijen van Westerse kunstenaars aan. Maar er is veel meer te zien. Alleen voor de Ermitage zou je een paar dagen moeten uittrekken, maar toen ik er was, kregen we meen ik niet meer dan drie uur. De gids was onverbiddelijk. Ik zag er de De verloren zoon van Rembrandt en de tranen schoten me in de ogen.

Bij Boland valt zijn evenwichtigheid op. Hij noemt de door de nazi’s aangerichte verwoesten niet, maar beschrijft eveneens de door de bolsjewiki na 1917 aangerichte en onherstelbare schade aan in musea en aan kunstvoorwerpen. Dichteressen als Achmatova en Tsjoekovskaja die in Leningrad woonden, worden op de huid gevolgd. Waar woonden ze en wat is er van en over hen bewaard gebleven? Op een heel andere plek is het sigarettenpijpje van Dzerjzjinski te zien. Hij was de leider van de Tsjeka die de jacht inzette op alle tegenstanders van Lenin en Trotski. De man was meedogenloos en Boland noemt de Tsjeka dan ook het grote voorbeeld voor Hitlers geheime dienst.

Enkele foto’s zijn van mijn vriend Gerrit Oorthuys die mij vaak opbelt om over ‘de mensen van vroeger’ te praten. Soms komt hij naar Zwolle. Gerrit is door zijn moeder communistisch opgevoed, maar merkte dat de leer niet klopte.

Ik kan u niet verzekeren of u na het lezen in deze uitgebreide gids de ‘Russische ziel’ hebt ontdekt, maar Sint-Petersburg heeft in ieder geval geen geheimen meer voor u.

Boland, H (2005). Sint-Petersburg onderhuids. Een stadsgids. Amsterdam: Athenaeum - Polak & Van Gennep. i.z.g.st., als nieuw. Paperback, 365 pp., 1e druk. Met illustraties. Uit de collectie Igor Cornelissen. Met kaarten, register op straten en overzicht musea. € 22,50 (incl. verzendkosten). Bestellen? Mail of bel ons.