in 't Wasdom

Antiquariaat Cornelissen & De Jong – Zwolle
november 22nd, 2020 by Jaap de Jong

Bange mensen stellen geen vragen. Ronit Palache in gesprek met Cornelissen & De Jong

“De stem van Renate Rubinstein hoort bij ons land, al was ze dan Duitse van geboorte”, stelt Ronit Palache in het NRC-interview van vrijdag 21 november. Waarom dit zo is?

Dat vertelt Ronit Palache op 10 december om 19.30 tijdens een gesprek met Igor Cornelissen en Jaap de Jong in ’t Wasdom.

In dat gesprek schuwen zij de terzijdes niet. U kunt er bij zijn op 10 december 2020. Online en achter het scherm.

Bestelt u de bundel bij ons, dan ontvangt u twee dagen na het gesprek een gesigneerd exemplaar van Bange mensen stellen geen vragen. Voorafgaande aan het gesprek krijgt u de toegangscode toegestuurd. Daarmee heeft u online toegang tot het gesprek. U kunt zich hier van toegangscode & gesigneerd exemplaar verzekeren, evt. met opdracht.

Als u niet bang bent, kunt u donderdagavond 10 december ook vragen stellen.

Ronit Palache is journaliste & schrijfster en volgt daarnaast een PhD-traject. Zij stelde onlangs een bundel samen met het werk van Renate Rubinstein (1929-1990). De bundel verscheen afgelopen week in de privé-domeinreeks. In haar onderzoek (als PhD-er) is Ronit geïnteresseerd in het losmakingsproces bij mensen die opgroeiden in gesloten religieuze gemeenschappen en hoe taboes daarin een rol spelen.


Interview met Ronit Palache – Koelewijn, J. (2020) ‘Je te vroeg uitspreken is de valkuil van mijn generatie’, NRC Handelsblad, 19 november 2020

december 2nd, 2020 by Jaap de Jong

Zo meen ik dat ook jij bent – Carola Kloos over Victor van Vriesland en Jan Hanlo

Druk doende om een paar prachtboeken in de database van het antiquaraat Cornelissen & De Jong in te voeren, zoals: Maäsiejoht (Gomperts), Ondergang (De Jong) Oproerige krabbels (Kleerekoper), Onderzoek en Vertoog (Van Vriesland), de Brieven van Jan Hanlo en nog veel meer.

Die laatste combinatie – Victor van Vriesland (1892-1974) en de schrijver-dichter Jan Hanlo (1912-1969) – triggert iets bij mij. Een vriendin, Carola Kloos, stuurde mij een paar maanden terug haar herinneringen aan Jan Hanlo. Met hem wisselde zij vele brieven (alle opgenomen in de tweedelige brievenuitgave van Van Oorschot, Amsterdam, 1989). Carola leerde Hanlo kennen door plannen binnen het klassieke dispuut aan de Leidse universiteit, het Collegium Classicum cui nomen MF. De betekenis van de letters MF ken ik niet en degene die dit aan een buitenstaander vertelt is gewaarschuwd: hij of zij haalt bij verraad de vloek over zich. Carola Kloos, classicus en theologe, zegt geheel van God los te zijn, maar vreest desalniettemin de vervloeking. Dit geheel terzijde. In het dispuut ontstaat beginjaren zestig het plan tot uitgave van een nieuw werk. Men zoekt bijdragen van verschillende mensen en er wordt contact gelegd met de literatuurpaus Victor van Vriesland.

Het gaat mij hier om haar prachtige sfeerbeschrijving rond de eerste ontmoeting met Van Vriesland. In verband met de uitgave van een nieuw werk wendde Carola zich rond 1961 met twee van haar vrienden tot Victor van Vriesland. Hij was tot in de jaren zestig een invloedrijk man in de literaire scene; de literatuurpaus. Over Van Vriesland ging in de undergroundscene, ondanks zijn status, een toch wel wat oneerbiedig rijmdicht de rondte. Ik verklap het hier, maar u moet het niet verder vertellen: “Stik zei de pik van Victor van Vriesland / en schoot met een plof van de naai- in de piesstand”.

Terug naar Amsterdam, het bureau van Van Vriesland en het bezoek van Carola Kloos met haar twee vrienden: “Ons bezoek aan VvV, bij hem thuis in Amsterdam, was zo hilarisch dat we na afloop, op de stoep voor de deur, een langdurige aanval kregen van de slappe lach. We waren om vier uur ’s middags ontboden. `Toen was hij zeker net op,’ zei onze hoogleraar Van Groningen. Inderdaad, las ik later over zijn leefwijze. Ook de vertaler E.S was uitgenodigd. VvV zat aan zijn bureau, met een uitgeschoven plankje waarop een fles jenever. Wij om het bureau heen. De drie heren dronken non-stop door, ik kreeg tijdens het twee uur durende bezoek twee glaasjes (gender-discriminatie, zogezegd). VvV nam met E.S. de ledenlijst van de Pen-Club door. Hun vernietigende commentaren maakten dat M. en ik elkaar geregeld zaten te schoppen. `Maar dat en dat heeft ze toch heel aardig gedaan’ – over iemand die eerst in de grond was geboord.  Dit laatste zinnetje deed natuurlijk de deur dicht. We gingen naar huis met een lijst met namen, die we onderling verdeelden. Tot mijn groep behoorde Jan Hanlo, de tot de Vijftigers gerekende dichter, bekend geworden door experimentele gedichten als Oote boe (`Oote oote oote/ Boe/ Oote oote/ Oote oote oote boe’, etc.).”

Na deze gebeurtenis rond het bureau van Van Vriesland begint het brievenavontuur tussen Carola Kloos en Jan Hanlo, wellicht later meer daarover. Nu alleen nog het gedicht dat mij in het hoofd schoot toen ik de naam van Jan Hanlo zag. Dat is niet Oote boe. Zeker niet, maar wel: Zo meen ik dat ook jij bent. Ik word daar vreselijk melancholiek van, sentimenteel ook en alles wat ik niet moet zijn; volgens sommigen dan, waaronder ook één van mijn eigen ik-ken.

Zo meen ik dat ook jij bent

zoals de koelte ‘s nachts langs lelies
en langs rozen
als wit koraal en parels diep in zee
zoals wat schoon is rustig schuilt
maar straalt wanneer ik schouwen wil
zo meen ik dat ook jij bent

als melk
als leem
en ‘t bleke rood van vaal gesteent
of porselein
zoals wat ver is en gering
en lang vergeten voor het oud is

zoals een waskaars en een koekoek
en een oud boek en een glimlach
en wat onverwacht en zacht is en het eerste
en wat schuchter en verlangend en vrijgevig
gaaf maar broos is
zo meen ik dat ook jij bent

Jan Hanlo
uit: Verzamelde Gedichten
G.A. van Oorschot, Amsterdam 1970

Vriesland, V. van (1958). Verzameld critisch en essayistisch proza. Onderzoek en vertoog [2 delen]. Amsterdam: Querido. I.z.g.st., resp. 710 en 697 pp. Gebonden in linnen met stofomslag, 1e druk. Uit de collectie Igor Cornelissen, € 24,50. Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 2nd, 2020 by Igor Cornelissen

Schreib das auf Kisch! Egon Erwin Kisch als prozaïst van de ballade

Egon Erwin Kisch (1885-1948) werd geboren in Praag, maar schreef in het Duits. Hij wordt gerekend tot de beroemdste reporters van voor 1940. Schreib das auf Kisch! werd een beroemde kreet onder vooroorlogse verslaggevers, want Kisch, een overtuigd communist, was overal in Europa. Hij schreef een boek onder die titel. Voor voetbalverslagen ging ‘der rasende Reporter’ niet aan de kant. En ook nog in Australië waar hem eerst de toegang werd ontzegd. Allert de Lange was een uitgever die Duitse en Oostenrijkse schrijvers onder zijn hoede nam nadat Hitler in 1933 aan de macht was gekomen. Joodse schrijvers dus of communisten. Of, zoals in het geval van Kisch, beide. Uiteindelijk kwam hij in Mexico terecht. Na de oorlog keerde hij terug naar zijn geliefde Praag, maar hij stierf in 1948 tijdens de machtsovername van de communisten. Misschien was zijn dood net op tijd. Immers, tijdens de stalinistische schijnprocessen was niemand zijn leven meer zeker en Kisch kon door zijn vele contacten gemakkelijk van spionage worden beschuldigd. Nu kreeg hij nog een staatsbegrafenis. In de jaren zestig kwam de ‘nieuwe journalistiek’ in de mode. Het moest persoonlijker. Kenners wisten dat er dat voor de oorlog al was geweest. Met flitsende details. Persoonlijke waarnemingen zoals ‘de kelner brengt de biefstuk niet’.

Ook schreef hij zijn memoires, maar verder dan 1914 kwam hij niet. De verslaggever moest, meldde hij, de prozaïst van de ballade zijn, ‘iemand met een tomeloos nieuwsgierig karakter die anekdotes vertelt, een chroniqueur en daarom, ja, ook een soort literator.’ Ik had het zelf kunnen zeggen, maar het gebeurt vaker dat iemand mij net voor is.

Over de uit Beieren afkomstige tekenaar Paul Ludwig Urban zou meer te vertellen zijn. Ik heb het zelf geprobeerd toen ik hem tegenkwam bij mijn zoektocht naar de spionnen die voorkomen in mijn boek De GPOe op de Overtoom. Hij was één van die spionnen, maar hij liet weinig sporen na. De toneelspeelster Mary Dresselhuys had hem ontmoet, maar wist me niet meer dan dat Urban een hoogst aantrekkelijke persoon was. In 1936 vertrok hij naar de Sovjetunie. Daarna heeft niemand meer iets van hem gehoord.

Kisch, Egon Erwin (1934). Geschichten aus sieben Ghettos. Amsterdam: Allert de Lange Verlag. Binnenwerk i.g.st., maar met roestvlekjes. Bandomslag beschadigd en vlekjes (zie foto). Paperback met flappen, 216 pp., 1e druk. Bandontwerp en tekeningen van P..L. Urban. € 24,50 (incl. pak- en verzendkosten). Uit de collectie Cornelissen. Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 1st, 2020 by Igor Cornelissen

De keuze van Multatuli – Resident van Java of schrijver van Max Havelaar?

Onder leiding van Garmt Stuiveling schreven een aantal Noord- en Zuid-Nederlandse letterkundigen hun visie op de man die zich met zijn Max Havelaar een plaats in de wereldliteratuur veroverde. Wie alles wil weten over Eduard Douwes Dekker leest natuurlijk de uitmuntende biografie van Dik van der Meulen. Dat boek doe ik niet weg, net zo min als de Volledige Werken van de man die soms irriteert, maar nooit verveelt.

Een hele generatie van (vroege) socialisten en anarchisten is mede door Multatuli gevormd. En al verklaarde hij nog kort voor zijn dood dat hij het met de socialisten wat betreft de oplossing van de maatschappelijke vraagstukken niet eens was, in de linkse kring bleef men volhouden dat Multatuli één van ons is.

Multatuli keerde zich niet alleen tegen de mooischrijverij en andere vormen van huichelarij, de kerken zagen en beschreven hem als de Boze., Een godloochenaar was hij inderdaad en daarvan nam hij nooit iets terug, al komt er in zijn Woutertje Pieterse een aardige pastoor Janssen voor. Weinigen hebben de kleinburgerlijkheid uit de negentiende eeuw, stoelend op een zekere uitleg van de Schrift, zo goed beschreven als hij. Hij werd beroemd door zijn aanval op de uitbuiting van de Javaan. Zijn andere uithalen leverden al evenzeer respons op. Vreemde man die eigenlijk niet tegen het kolonialisme was. Het moest alleen beter georganiseerd worden, zonder smeerlapperij. En het liefst met hem als heerser over Insulinde (het begrip is van hem) en zijn lieve nichtje als keizerin van Sumatra.

Het boek is eigenlijk om één reden zeer hedendaags. Wel veel tekst door deskundigen (Spigt, Resink, Beb Vuyk, Wertheim en G.W. Huygens), maar zo mogelijk nog meer illustraties. De portretten van Douwes Dekker (ze waren in zijn tijd te koop), maar ook van de huizen waar hij woonde, zijn uitgevers (schitterende foto van zijn trouwe  George Lodewijk Funke), vrienden en bewonderaars.

Een portret van Domela Nieuwenhuis ontbreekt niet. Hij bewonderde en correspondeerde met Multatuli, maar schrok zich rot toen hij vernam dat de beroemde schrijver wel van de publicatie van de Max Havelaar had willen afzien, mits men hem resident van Java zou maken en hem de Orde van de Nederlandse Leeuw zou uitreiken. Dat vond Domela zo misselijk dat hij de Havelaar wel in een hoek zou willen trappen. Domela oordeelde direct daarop mild: ieder mens had immers zijn zwakheden.

Maar socialist werd Multatuli niet. En dat doet aan zijn grootheid niets af. Maar dat laatste geheel terzijde. Neen, niets terzijde: hij was een grootheid! De kompaan zou zeggen: “een briesend paard, maar ‘t moest eind’lijk sneven.”

Ett, H.A., Haasse, H.S., Huygens, G.W. et al (1970). Genie en wereld Multatuli. Hasselt: Heideland/Orbis. I.z.g.st., gaaf exemplaar, 1e druk, 319 pp., vele illustraties. Prachtig omslag met doorzichtige beschermhoes en leeslint. € 27,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 30th, 2020 by Igor Cornelissen

Het kookboek van Vincent La Chapelle (uit 1742). Koken voor de happy few

De moderne kok. Dat belooft wat. Want elk kookboek dat verschijnt is al weer achterhaald. Nog meer laurierblaadjes, citroensap, vers geplukt woestijngras, en niet te vergeten de achterbout van een angsthaas. Die boeken liggen bijna nog sneller in de ramsj dan dat ze verschijnen.

Kookt Nederland nu beter? Ik heb mijn twijfels en kom al jaren nauwelijks meer in restaurants. Onlangs vroeg ik om een biefstuk (medium dry) zonder sla, tomaten of komkommer. Alleen biefstuk, gebakken in roomboter met twee sneetjes witbrood en de jus. In een extra kommetje. En ja hoor, ik had het kunnen weten, de biefstuk was tegen taai aan en, niet minder erg, de biefstuk was niet gebakken, maar gegrild. De jus zag er niet uit. Het was iets bruinigs, duidelijk afkomstig uit een pakje of tube.

Mijn vriend La Chapelle (1690 of 1703-1745) (het boek is uit 1742) pakte het anders aan. Wilde eenden met oesters. Dat soort werk. Geen boek voor vegetariërs of veganisten of (ook zij rukken op) mensen die alleen dingen eten die van een boom of struik zijn gevallen. Vriend Vincent La Chapelle was dan ook de kok van stadhouder Willem IV (1711-1751) en had eerder zijn kennis van het koken bewezen. Achterin zit een uitklapbare plattegrond voor een tafel met dertig gasten. Merkwaardig: wel borden en schalen, maar het bestek ontbreekt. Aten ze toen nog alleen met de handen?

Voorin staat in een eeuwenoud handschrift de aanwijzing (met pen) hoeveel een pinte volgens de Parijse maat is. Voor de liefhebbers: veel kipgerechten (natuurlijk puur natuur en geen plof; dat bestond toen nog niet) veelal ook al weer met oesters. En vanzelfsprekend téte de beau, kalfskop. Heb ik nog eens gegeten in Trouville-Sur-Mer. Verrukkelijk.

Jammer dat ik nooit door die prins van Oranje ben uitgenodigd. Ik zou, louter uit opportunisme, verzwegen hebben dat ik republikein ben. Ik zou het doen voor mijn grote vriend Vincent la Chapelle.


Chapelle, Vincent La (1742). Le Cuisinier moderne qui apprend à donner à manger toutes sortes de repas, en gras et en maigre, d’une manière délicate que ce qui en a été écrit jusqu’à présent. La Haye, aux depens de l’auteur, secondo edition, revue, corriée & augentée, tome troisieme, 3e vol., 288 pp. + bijlagen. I.g.st., ietwat verweerde band. Met extra kaarten. Enige handgeschreven opmerkingen (zie opmerkingen in blog). Opgedragen aan Le Prince D’ Oranje et du Nassau. Zeer zeldzaam. Interesse? Neem contact met ons op. Niet meer leverbaar.

Andere nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, ook kookboeken

november 29th, 2020 by Jaap de Jong

De waarheid is dat het leven je naakt aan de dijk zet

Gisteren liep ik op mijn tocht door de Broerenkerk langs de afdeling filosofie & theologie en zag de heruitgave van De bijbel als schepping van Friedrich Weinreb liggen. Ik las het boek nooit. Na kennisname van de Weinrebaffaire voelde ik daar geen enkele behoefte toe, al intrigeerde mij die profetenbaard van Weinreb wel. De slogan waarmee de heruitgave van het boek wordt aangeprezen – “biedt een diepgaand en tijdloos inzicht in de structuur en zin van het leven” – doet mij glimlachen. Typisch de woordkeus van een goeroe. Een goed boek legt zichzelf uit.

Bij de afdeling literatuur lag meer dan ik aan kan, zoals een heruitgave van Een vriend keert weer van Arnold Zweig (over Jacob Israël de Haan, afkomstig uit de collectie van Vic van de Reijt). Wel nam ik het boek van Renate Rubinstein mee: Bange mensen stellen geen vragen (samensteller & inleider Ronit Palache, op 10 december a.s. bij Cornelissen & De Jong). Renate Rubinstein trad tot het bittere einde op als de verdediger van Weinreb. Een mens maakt keuzes in wat hij wel of niet toelaat en die keuzes zijn niet altijd rationeel. Bijna nooit. Renate Rubinstein had daar weet van. In het opstel De waarheid vertellen schrijft ze dat wij ons niet graag laat desillusioneren: “Het onbewuste, waarvan het bestaan zo vaak aangevochten wordt, is er immers, ik heb dat zelf ervaren. Als een hemelse moeder beschermt het je tegen een harde klap, zelfs de grofste moderne uitdeler van de volle mep waarheid kan daar niet tegenop.” Althans, niet meteen.

Nochtans staat er een hoop waarheid in de stukken van Rubinstein. Of beter; er staan dingen in die soms tegendraads, dan weer meegaand zijn. Of ze neemt je mee in haar denkproces. Grappig en actueel is bijvoorbeeld een stuk uit september 1965 waarin ze schrijft over het omverwerpen van beelden. In dit geval het beeld van Van Heutsz in Coevorden: “Maar daarmee is het nog niet nodig gevonden de standbeelden van voorbije helden omver te werpen (…). Dat zou verkeerd zijn, niet omdat het de voorvaderen zou onteren, maar omdat het voor ons te veel eer zou zijn. Wij zijn nu eenmaal niet een volk dat door de eeuwen heen het militarisme heeft geschuwd en de dappere maar kleine man heeft geëerd. Het zou geschiedvervalsing zijn om het anders voor te stellen.” Tot zover Rubinstein.

Het was overigens de latere minister van Defensie Relus ter Beek (1944-2008), aanhanger van Nieuw Links bij de PvdA, die in 1965 een bord plaatste bij het standbeeld van Van Heutsz met de tekst: “Ontslapen onder het hakenkruis; gesneuveld bij het uitmoorden van het 39ste Atjehse dorp; bij het verkrachten van de 79ste Atjehse vrouw; om het geschokte vertrouwen van het Ned.-Indische bestuur opnieuw te funderen.” Die actie leverde hem en zijn medestander Alard van Lenthe een aanklacht op van de dochter van Van Heutsz waarop ze werden veroordeeld tot het betalen van een boete van 50 gulden. Ter Beek was later als minister de eerstverantwoordelijke voor de Nederlandse deelname aan de Golfoorlog van 1990/’91 en voor de uitzending van Nederlandse militairen naar Bosnië (Srebenica).

De waarheid is dat het leven je kaal en naakt aan de dijk zet. Telkens opnieuw.


Rubinstein, R. (2020). Bange mensen stellen geen vragen. Samengesteld en ingeleid door Ronit Palache. Amsterdam/Antwerpen: De Arbeiderspers Paperback met flappen, privé-domeinreeks, 521 pp. Interesse? U kunt zich hier van een gesigneerd exemplaar verzekeren, evt. met opdracht.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 29th, 2020 by Igor Cornelissen

Under Milkwood – Lieu de mémoire. Dylan Thomas en het vrijersbos

Over de uit Wales afkomstige schrijver Dylan Thomas (1914-1953) zou volstaan kunnen worden met de mededeling dat hij een groot dichter was, als drinker hoog scoorde en dus niet oud werd. Zijn vader was leraar en volgens de biograaf een miskende dichter. Dat zou zijn zoon beter doen. Met Under Milkwood werd hij beroemd. Die bundel werd vertaald door Hugo Claus die meer werk van de dichter in het Nederlands overzette.

Ik stuitte voor het eerst op de naam Dylan toen ik eind jaren vijftig aan het werk was aan de vriendschaps weg door Servië. Zwaar werk en het was er bloedheet. ‘s Avonds was er verkoeling. Met de Engelse kameraden van wie velen een Oxford (university) accent hadden,  werden  zware politieke gesprekken gevoerd. We waren allemaal trotskist (of het aan het worden), maar er waren toch ernstige meningsverschillen. Een van de discussianten was een aantrekkelijke vrouw die een zoontje bij zich had. Dat knaapje heette Dylan en was genoemd naar de dichter uit Wales. Zo raakte ik, in de binnenland van de nog steeds woeste Balkan,  bekend met de poëet. Met de moeder van Dylan (haar naam ben ik vergeten, of heette ze toch Betty?) heb ik uiterst plezierige avonden doorgebracht. Het knaapje moest op tijd naar bed, maar wij nog lang niet. De moeder was getrouwd (of geweest) met Ken Coates die van mijnwerker opklom tot professor. Voor de Labour Party heeft hij nog in het Europese Parlement gezeten. Ik heb hem later in Engeland ontmoet. Het onderwerp voor Vrij Nederland, waarvoor ik toen bezig was, is me ontschoten. De moeder van de  Dylan zag ik bij die gelegenheid niet en de kleine Dylan moet, als hij nog leeft moet nu ook al in de zestig zijn.

Dylan Thomas, die mij tot deze zijdelingse ontboezemingen bracht, is begraven in het kustdorp Laugharne waar hij jarenlang met vrouw en kinderen in een krakkemikkig Boathouse woonde. Het huis is tegen de rotsen gebouwd. Laugharne ligt onderaan de Sir Johnsheuvel waar de grazende melkkoeien zijn en de bossen, vandaar de associatie met ‘melk’ in zijn bundel Under Milkwood. Gezien de reputatie van het bos als trefpunt voor vrijers en vrijages, kan men ook denken aan ‘mannenmelk’, met name vanwege de verbinding met ‘wood’, sinds de middeleeuwen een elegant Engels eufemisme voor het rijzend lid met lange ij.

Dylan stierf in New York waar hij eerder was geweest om met lezingen en radiovoordrachten geld te verdienen. Hij had geld nodig voor drank. Zijn laatste bezoek aan een kroeg in die stad rondde hij af met twelve whiskey’s straight, wat hij meende wel een record te zijn. De volgende dag was hij dood. In Laugharne bestaat een pub die naar hem is genoemd en er zijn andere bezienswaardigheden die aan hem herinneren. Gevoel voor traditie en smaak zijn in het Verenigd Koninkrijk gelukkig nog niet helemaal verdwenen.

Fitzgibbon, C. (1965). The Life of Dylan Thomas. London: J.M. Dent & Sons. I.g.st., hardcover. Gebonden met stofomslag, 422 pp., 2e druk. Met foto’s en diverse bijlagen (filmscripts en broadcasts). Uit de collectie Igor Cornelissen. € 19,95 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 27th, 2020 by Igor Cornelissen

Het huilen van oom Soes en een ernstig woord aan mijn rooms katholieke medeburgers

Lizzy Sara May begon als balletdanseres, werd daarna mimespeelster om naam te maken als schrijfster. Ze trouwde met de student rechten, later mr. M. D. Proper, die als communist jarenlang lid was van de Provinciale Staten van Noord Holland. Proper had in het verzet gezeten.

Eén van hun kinderen was Rogier Proper, redacteur Propria Cures, stukjesschrijver in Vrij Nederland en al decennia schrijver van GTST. Haar tweede huwelijk met de uitgever Oscar Timmers (die zelf schreef onder de naam Ritzerfeld) leidde tot meer contacten met schrijverswereld, maar brachten haar geen grote roem. Merkwaardig, want veel van haar boeken – vaak over een moeizame vader-dochter relatie – werden uiterst  positief besproken.

May kreeg geen groot publiek, las ik ergens. Dat overkomt veel schrijvers, Waarom zij niet? Misschien had ze te weinig ellebogen of beschikte ze niet over een goed ‘netwerk’.  Ik heb haar eens gesproken. Waarom of waarvoor weet ik niet meer. Ik herinner me een zachte, lieve vrouw.

Er zit een mooie band om het boek. Van de illustrator Charles Boost (1907-1990), die ook films recenseerde. Maar dat is een ander verhaal.

May, L.S. (1961). Oom Soes heeft gehuild. Amsterdam/Antwerpen: Wereldbibliotheek. Goed. Paperback, 95 pp., 1e druk. Bandontwerp Ch. Boost. € 9,50 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong


Een pleidooi en een ernstig woord aan mijn rooms katholieke medeburgers

Een curieus boekje omdat het ons veel leert over het zoekende (katholieke) Nederland van de jaren zestig en over de schrijver.

Jan Rogier was mijn collega op de redactie van Vrij Nederland. Een goede makker die evenwel boordevol problemen zat. Hij was de zoon van de grote katholieke historicus prof. dr. L.J. Rogier (die hij nooit zou kunnen overtreffen). Hij was homoseksueel wat in Amsterdam in die tijd wel acceptabel was maar in het ‘donkere zuiden’ beslist nog niet en Jan wilde bovendien, vaak aangewakkerd door heftig innemen, méér zijn dan redacteur van een weekblad.

Jan wilde de katholieken van de KVP wakker schudden en de weg wijzen naar… Ja waarheen? Hij was bevriend met en onder de invloed geraakt van de bejaarde anarcho-syndicalist Arthur Lehning. Daar kon Jan Rogier met zijn oproep aan de KVP’ers om ‘modern’ te zijn natuurlijk niet mee aankomen. Volgens Jan had de KVP twee vleugels, een conservatieve (De Quay was zijn aartsvijand) en een progressieve die op de vakbeweging steunde. Iemand die KVP stemde, wist nooit wie de toon zou aangeven.

De zwaartillende Jan Rogier is niet meer onder ons, evenmin als de door hem beschreven politieke leiders. In zijn boekje ligt een al even curieuze losse brief van VN redacteur Martin van Amerongen aan zijn collega Igor Cornelissen. Beiden zagen blijkbaar niet veel in de al te hoge verlangens en bekeringsdrift van Jan.

Rogier, J. (1976). Een ernstig woord aan mijn rooms katholieke medeburgers. Pleidooi voor een volwassen politieke keuze van katholieke Nederlanders. Amsterdam: Paul Brand/Polak & Van Gennep. Goed. Titel- en lege vervolgpagina ontbreekt. 76 pp., 1e druk. Uit de collectie Igor Cornelissen. Met brief van Martin van Amerongen aan Igor Cornelissen over dit boekje. € 19,95 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Wij zijn inclusief en verkopen ook boeken aan niet katholieke medeburgers. Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong
november 26th, 2020 by Igor Cornelissen

Een evacuatie is nog geen overwinning. Duinkerken 1940

Dit boek beschrijft de wonderbaarlijke ontsnapping van het in het nauw gedreven Britse leger bij Duinkerken. Honderden grote en kleine boten werden ingezet om ze in veiligheid te brengen terwijl de Duitse vliegtuigen al schietend over vlogen. Nog altijd is niet duidelijk waarom de Wehrmacht de Britten lieten ontsnappen. Was het als ‘goede daad’ bedoeld van Hitler om zo de Britse regering alsnog over te halen vrede te sluiten of kwam het omdat de Führer niet naar zijn generaals wilde luisteren.

In ieder geval sprak Winston Churchill wijze woorden toen hij zei dat een geslaagde evacuatie nog geen overwinning is.

Drie jaar geleden kwam de film over Duinkerken in roulatie. Ik was getuige van een klein detail in de wording van dat massa spektakel. We zaten gemoedelijk in het Zwolse café De Hete Brij toen daar een man naar binnen stormde op zoek naar figuranten. Een deel van de film werd opgenomen in het naburige Urk. Het zou een dag of vier duren. Mijn vriend Roy van Roeden, docent Nederlands aan het Zwolse Thorbeckecollege, stelde zich beschikbaar. Hij had de juiste lengte en zijn achterhoofd had ook de juiste proporties. Hij zou in een wankel bootje de dubbelganger zijn van de hoofdrolspeler. Later kregen we in De Hete Brij enkele details te horen, maar veel bleef in mysterie gehuld want Van Roeden had een geheimhoudingsverklaring moeten tekenen. In de eindversie was hij inderdaad te zien als je niet net op dat moment met je ogen knipperde.

Een passage in het boek is inmiddels achterhaald. Het gaat om de massamoord door de Duitsers in het Noord Franse dorpje Wormhoudt. Daar werden tachtig Britse en Franse krijgsgevangenen in een schuur naar binnen gedreven en met handgranaten afgemaakt door de Leibstandarte SS Adolf Hitler. Van geallieerde zijde is (toen) kapitein Wilhelm Mohnke verantwoordelijk gesteld. In de film Der Untergang speelt Mohnke een rol als generaal die Berlijn moet verdedigen. Mohnke werd door de Russen gevangen genomen en zat tien jaar vast. In 1955 bevrijd, probeerden de Britten hem alsnog voor het gerecht te slepen. Dat mislukte. Mohnke ontkende iedere betrokkenheid en het Westduitse gerecht vond onvoldoende bewijs van het tegendeel. Mohnke ging in auto’s handelen en werd negentig jaar. Toen Atkins zijn boek schreef waren die pogingen hem alsnog te veroordelen nog aan de gang.

Atkin, R. (1990). Pillar of Fire. Dunkirk 1940. Londen: Sidgwick and Jackson. I.g.st., hardcover. Gebonden, 256 pp., 1e druk. Met illustraties (fotokatern), bibliografie en noten. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 12,50 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 25th, 2020 by Igor Cornelissen

Robert van Genechten en de zaak der Vlamingen

Robert van Genechten was van oorsprong een Vlaming die in Utrecht als jurist afstudeerde en promoveerde. Een echte geleerde die in 1918 naar Holland was gevlucht (niet als enige) omdat hem wegens collaboratie met de Duitsers een zware straf te wachten stond. In de Tweede Wereldoorlog collaboreerde hij opnieuw. Als NSB’er kreeg hij van Mussert hoge posten in het op Duitse leest geschoeide onderwijs.

Het boekje dat hij in 1925 schreef is rustig van toon en maakt duidelijk dat de Vlamingen in heel veel opzichten door de Frans sprekende Walen werden gediscrimineerd. Het waren (en zijn nog) eigenlijk twee apart levende gemeenschappen, samen gedreven in één land. Van Genechten verweet de Vlamingen wel karaktervastheid. Ik meen daar nog iets van te proeven (meer niet) als ik met mijn vriendin in het Vlaamse land een vakantie door breng. Maar misschien ben ik wat te veel beïnvloed door de Antwerpse schrijver Willem Elsschot bij wie dat in zijn werk (en in zijn eigen leven als zakenman) doorsijpelt. Er waren veel Nederlanders die sympathie voelden voor de Vlamingen die voor hun eigen taal (dialecten soms) en universiteiten streden.

Van Genechten was een van de eersten die eind 1945 tot de doodstraf werd veroordeeld. Dat wachtte hij in zijn cel niet af. Een dag nadat Mussert was geëxecuteerd, hing hij zich in zijn cel op. Hij had ingezien dat hij helemaal verkeerd had gehandeld en betuigde in een brief spijt. Hij voltrok dus zelf zijn vonnis.

Genechten, R. van (1925. Wat willen de Vlamingen? Amsterdam: Elsevier. Goed, 1e druk, gebonden in linnen, 142 pp., met potloodaantekeningen. Uit de collectie van Igor Cornelissen. Zeer zeldzaam, € 29,50 (incl. verzendkosten) Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 25th, 2020 by Jaap de Jong

De weg van alle vlees: Robert van Genechten op Soestduinen

Igor Cornelissen schreef onlangs een blog over Robert van Genechten en de zaak der Vlamingen. Ik herinner mij het graf van Van Genechten op Soestduinen. Ik schreef indertijd een aantal blogs over dat prachtige kerkhof, ongeveer 200 stappen gaans van mijn toenmalige huis in Utrecht.


Uit mijn dagaantekeningen van 2014.02.18

Geschiedenis leeft en zeker op het kerkhof. Ik liep vanmiddag op Soestbergen tegen het graf van Robert van Genechten aan. Hij ligt er – sinds zijn herbegrafenis in 1958 – samen met zijn zoon Frits die eind oktober 1949 een sierijzer tegen zijn hoofd kreeg en aan de gevolgen daarvan overleed. Het grafmonument maakte in eerste instantie op mij de indruk van een Boeddhabeeld. Het zit echter anders. Al in 1943 gaf Van Genechten opdracht aan de beeldhouwer en sierkunstenaar Chris Agterberg tot het ontwerp van het beeld op het graaf: een barende vrouw met een eikentak in haar hand. Germaanse symboliek.Genechten In dat jaar leed Van Genechten overigens aan een depressie en werd hij door de nazi’s op een zijspoor gezet. Robert van Genechten was een vooraanstaande NSB-er – naast Mussert en Van Geelkerken – en werd in oktober 1945 ter dood veroordeeld. In een laatste brief aan de griffier van het Bijzonder Gerechtshof betuigde hij schuld over zijn daden: ‘het is alsof ik uit een droom ontwaakt ben’ (RIOD, [1946])

Van Genechten wilde geen gratieverzoek indienen omdat zijn schuldbekentenis daardoor zijn betekenis zou verliezen en ook ‘omdat overigens de dood mij liever is dan het leven’. Hij ontliep het vuurpeloton door zich op te hangen aan de broekband van een onderbroek aan de buis van de centrale verwarming in zijn cel in Scheveningen, zo meldt het rapport van het RIOD.

Wat de geschiedenis nog interessanter maakt is het gegeven dat de uit Vlaanderen afkomstige Van Genechten ooit bevriend was met de dichter / dadaïst Paul van Ostaijen en hem rond 1919, tijdens zijn Berlijnse periode, brieven stuurde waarmee hij Van Ostaijen mogelijk op een politiek spoor zette. Die brieven waren in het bezit van Gerrit Borgers, maar zijn onlangs uitgegeven.

De brieven kan ik nog deze week bij de UB ophalen (Macht moet zijn in handen van de menschen met ethos : 5 brieven over macht en revolutie van Robert van Genechten aan Paul van Ostaijen (januari-maart 1919). Geschiedenis ligt op straat of in elk geval op het kerkhof.

november 25th, 2020 by Igor Cornelissen

Een rest keert weer….

Die drie puntjes achter de titel zeggen veel. Er kon van alles gebeuren met die rest en er was het verleden. Die kleine rest had zijn leven voor een deel te danken aan dappere Nederlanders die de Geuzenmoed (het woord is van Spitz) niet kwijt waren geraakt. Er maar was iets dat bleef en wij joden moesten vooral niet luchtig over doen. ‘Wij weten, uit duizend kleinigheden, dat het venijn doorwerkt, in de breedte en in de diepte’.

In de Engelse ontspanningsliteratuur, schreef Spitz,  bestond 90% van de woekeraars uit joden. Ongunstig volk dus. In Nederland lag het misschien wat milder, minder fel, maar toch. Uiteraard doelde Spitz (over wie ik weinig te weten ben gekomen, hij was meen ik leraar) op het virulente antisemitisme waarvan sommige historici menen dat het na de bevrijding, mede door de Duitse propaganda, sterker was dan voor de oorlog.

Spitz had zijn joods optimisme niet verloren getuige zijn motto uit Ezechiël XVI:6: ‘Ik ging aan uw voorbij, en ik zag u, wentelend in uw bloed, en ik zeide tot u: in uw bloed, leef! Ik zeide tot u: in uw bloed leef!

Een rest keert weer… Keert zich als het ware ook tegen Presser voordat die zijn standwerk over de joden en de oorlog schreef. Want Presser schreef over de ondergang van de Nederlandse joden. Maar een rest keert weer, is er nog. En laat bij tijd en wijle van zich horen. Met of zonder Ezechiël.

Het boekje dat ik jaren geleden in een Zwols antiquariaat kocht, komt uit de bibliotheek van Max Hes, ook een overlevende, die na de oorlog in textiel handelde en daarvoor een pand in de voorname Diezerstraat huurde dat van mijn oom was. Ik heb hem en een zoon vagelijk gekend. Maar dat laatste geheel terzijde.  De zoon vertelde mij een paar jaar geleden bij een lewaje (joodse begrafenis) dat hij ook had geprobeerd trompet te spelen nadat hij gemerkt had dat ik daar in Zwolle bij de dames zo’n succes mee had. De zoon heeft zijn geld ergens anders mee verdiend. Waarmee ben ik vergeten.

Spitz, J. (1946). Een rest keert weer... Aspecten van na-oorlogsch jodendom. Amsterdam: Joachimsthal. Verkleurd, matige rug. Binnenwerk prima. 85 pp., 1e druk. € 14,00 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 24th, 2020 by Igor Cornelissen

De man die geen miljoen bezat

De joodse Eduard Veterman (1901-1946) werd als beeldend kunstenaar opgeleid aan de Haagse Academie. Hij was een veelkunner, schreef vijftien romans en dertig toneelstukken. Hij was een bekende figuur die zich – hij had een groot talent, namelijk fantasie – populair maakte in de vooroorlogse artiestenwereld.

Bekend werd hij door zijn werk als illegaal. In zijn huis maakte hij voor onderduikers en verzetsmensen valse persoonsbewijzen. Hij werd met zijn groep in oktober 1943 verraden en kreeg de doodstraf. Die niet voltrokken werd. In mei 1945 werd hij door de Amerikanen in een Duits concentratiekamp bevrijd.

Van prins Bernhard kreeg hij de opdracht een toneelstuk te schrijven over de Binnenlandse Strijdkrachten. Terwijl hij daar mee bezig was, liet hij weten ook te zullen onthullen welke foute Nederlanders toch weer belangrijke baantjes kregen. De minister van Oorlog Fiévez liet weten dat hij maar met het schrijven van het stuk moest stoppen. Over zijn eigen oorlogservaringen schreef hij Keizersgracht 763, het huis dat hij tijdens de bezetting bewoonde. Loe de Jong heeft in zijn geschiedwerk uitgebreid gebruik gemaakt van Vetermans herinneringen aan de Nederlandse gevangenissen waar hij zat opgesloten.

Zijn toneelstuk Oranjehotel, genoemd naar de bajes waar veel verzetsmensen gevangen zaten, werd een groot succes. In 1946 kwam Veterman met zijn vrouw om bij een verkeersongeluk. Zijn auto werd geramd door een militaire truck. Geruchten over boze opzet gingen een eigen en lang leven leiden. Zijn biograaf Degenhardt kwam er ook niet uit, maar ontdekte wel dat Veterman in zijn roman over de man die geen millioen bezat, zijn eigen dood had voorspeld: door een auto ongeluk.

Veterman, E. (1929. De man die geen miljoen bezat. Amsterdam: Em. Querido. Binnenwerk goed, met roestvlekjes. Voor- en achterplat omslag matig, omslagillustratie Eduard Veterman, 246 pp., 1e druk. Uit de collectie Cornelissen. Zeer zeldzaam. Prijs afgestemd op kwaliteit voor- en achterplat € 20,00 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 23rd, 2020 by Igor Cornelissen

Gerard Reve en de klompen van Angus Wilson

Angus Wilson die in 1991 op 77-jarige leeftijd overleed was een productief en succesvol schrijver. Hij kon sarcastisch schrijven over de middle class waaruit hij voortkwam. Hij kon als een van de weinige schrijvers zeggen dat er nooit een manuscript van hem was geweigerd. Ook zijn eerste pennenvruchten niet. Hij was homoseksueel en kwam daar met zijn uitbundige, kleurrijke kleding al voor uit toen hij tijdens WO II in Blentchley Park met vele anderen de geheime codes van de vijand moest breken. Zijn werk was het ontcijferen van de Italiaanse marine codes.

In 1953 logeerde Gerard Reve bij hem. Of Reve hem toen heeft geopenbaard dat ook hij van de Griekse liefde was, weet ik niet. Een paar jaar leidde hun vriendschap tot een schitterende interview in Tirade. Angus Wilson woonde in een klein huisje op  platteland. Modderige streek met veel wilgenbomen. Reve had voor zijn vriend een paar klompen meegenomen die daar goed van pas kwamen. Reve wilde zijn lezers ook nog wel laten weten dat hij die klompen op de Albert Cuypstraat had gekocht. Onvermeld mocht evenmin worden dat Wilson in de oorlog een zenuwinzinking had gehad en nu nog af en toe een zenuwtrek vertoonde.

Voor de rest was het vraaggesprek uiterst lezenswaard. De liefhebber kwam veel aan de weet over zijn schrijverschap en hobbies. Wilson tuinierde graag en kon met zijn buren uren spreken over zaden en planten en alles wat de natuur aan schoons te bieden had. Dat gaf de schrijver voldoende afleiding om daarna weer een paar uur aan de slag te gaan met schrijven. Hoe hij dat deed vertelde hij graag aan Reve. De interviewer werd gastvrij ontvangen met sherry. Helaas had Wilson geen oude jenever in huis die hij in Holland had leren waarderen. Wilson was een van de eerste Britse schrijvers die zich nadrukkelijk als gay manifesteerde. Het heeft hem (net als Reve) in zijn loopbaan geen kwaad gedaan.

Michael Ayrton, die het fraaie omslag maakte, werd ook een bekende kunstenaar. Hij ontving vele prijzen en maakte behalve boekomslagen ook toneeldecors en theaterkostuums. Zijn werk hangt o.a. in de Tate Gallery en de National Portrait Gallery.

Angus Wilson (1958). The Middle Age of Mrs. Eliot. London: Secker & Warburg. I.g.st., roestvlekjes. Gebonden in linnen met stofomslag, 430 pp., 1e druk met stofomslag van Michael Ayrton. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 19,95 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 22nd, 2020 by Igor Cornelissen

Ritter Jr.: “Reeds het openslaan van dit boek was mij een waar genoegen.”

Beiden waren het bekende figuren in de jaren dertig: Ritter en Wijnkoop. David Joseph Wijnkoop (1876-1941) als kamerlid voor de communisten en Pierre Henri Ritter jr. (1882-1962) als radiospreker voor de AVRO zender over literatuur. Naar Ritter werd meer geluisterd dan naar Wijnkoop. De laatste was in de radiolokalen natuurlijk persona non grata en moest het hebben van vergaderlokalen.

Ritter gold als gezaghebbend in het televisieloze tijdperk. Ritter was veel meer. Hoofdredacteur van het Utrechtsch Nieuwsblad en veelspreker op volksuniversiteiten en andere instellingen die het volk wilden verheffen. Over films hield hij ook lezingen. Hij was meestal zeer mild, vond hij zelf. Tijdens de oorlog zat hij als gijzelaar een paar keer gevangen en na de bevrijding kon hij tot 1957 doorgaan met zijn radiopraatjes. In de weergave van zijn gesprek met David Wijnkoop (die deze gelegenheid aanpakt om een legende de kop in te drukken: hij studeerde nooit voor rabbijn, wel Nederlands) laat Ritter enkele malen duidelijk blijken het met de geïnterviewde niet eens te zijn. Wel is duidelijk dat hij diens intelligentie bewondert. Eerder had Ritter al een boekje geschreven over Mussert in de serie Radicale figuren. Ook van Mussert moest Ritter niets hebben. Hij liet ze aan het woord.

Uitgever Geert van Oorschot heeft Ritter eens een door en door corrupte figuur genoemd. Waarop hij dat baseerde, is niet geheel duidelijk. Mogelijk op het verhaal dat een schrijver zijn roman aan Ritter stuurde met daarin een bankbiljet van 25 gulden en dat Ritter voor de radio zou hebben gezegd: “Reeds het openslaan van dit boek was mij een waar genoegen.” Voor één ding steek in mijn hand in het vuur. Wijnkoop, hoe vurig stalinist ook, zal zeker niet met een bankbiljet hebben gezwaaid.

Over Ritter is na zijn dood vrij veel geschreven. Er is zelfs een dissertatie over hem. Wijnkoop kreeg helaas slechts een hagiografische biografie door A.J. Koejemans, na de oorlog enkele jaren hoofdredacteur van De Waarheid. Het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam bewaart een uitgebreid archief van Wijnkoop. Ik heb er wel eens in rondgesprokkeld. Voor zover ik weet is nog niemand bezig met een serieuze biografie van Wijnkoop. Vreemd. Maar dat geheel terzijde.

Ritter Jr., P.H. (z.j.). Over Wijnkoop. Baarn: Hollandia Drukkerij. Redelijk/goed, 47 pp., € 10,00 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, bijv. een autobiografie?

november 21st, 2020 by Igor Cornelissen

De vlotte pen van krantenman Sem Davids

Clemenceau, bekend als Le Tigre. Hij was een bekend Frans staatsman die roem verwierf omdat hij als regeringsleider in 1918 de definitieve overwinning op de Duitse troepen mag vieren. Ik heb eens in zijn museum in Parijs rondgewandeld. Wat me vooral bijbleef is zijn enorme hoefijzervormige bureau. Ik ben ook eens bij Drees thuis geweest aan de Beeklaan in Den Haag. Daar was alles veel nederiger.

Sem Davids (1867-1969) was de zoon van een Amsterdamse juwelier. Na een studie rechten begon hij zijn loopbaan als journalist bij Het Vaderland maar ging in 1922 naar de buitenlandredactie van De Telegraaf. Tot hij daar in 1940 als jood werd ontslagen. Hij schreef vlot en dat is aan zijn boek over Clemenceau te merken. Davids ging door met schrijven toen hij ondergedoken zat in Grouw. In juli 1942 schreef hij onder de schuilnaam De Bruin een gedicht ‘Afscheid der Joden van Nederland’ dat Jaap Meijer nadien nog eens onder de aandacht bracht.

In 1945 werd hij redacteur van de Groene Amsterdammer. Was Davids communist? In ieder geval schreef hij voor de oorlog onder pseudoniem in Politiek & Cultuur, het theoretisch orgaan van de CPN. Het is moeilijk voorstelbaar dat er een buitenstaander tot de kolommen zou zijn toegelaten. Zeker niet tijdens het leven van Stalin, die de status van heilige had. De Groene Amsterdammer is na de oorlog uitgemaakt voor een blad van fellow travellers, sympathisanten van het communisme. In ieder geval waarschuwde prof. J. Barents bij wie ik college liep tegen het blad. Maar Barents was, zo kwam ik veel later te weten, talent scout voor de BVD.

Terug naar Clemenceau die boeken schreef en graag reisde, zoals naar de Verenigde Staten en zijn geliefde Griekenland. In zijn jonge jaren legde hij zichzelf een ijzeren discipline op; om vijf uur opstaan, een uur gymnastiek en daarna lezen, zonder ophouden. Hij was eigenlijk al een groot man zonder de loopgraven van de eerste Wereldoorlog.

Davids was en bleef een krantenman. Toch jammer dat Davids niet meer boeken heeft geschreven.

Davids, S. (z.j.). Clemenceau. Kopstukken uit de twintigste eeuw. Den Haag: Kruseman. i.z.g.st., 93 pp., met bibliografie. € 9,95 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, bijvoorbeeld over geschiedenis.

november 20th, 2020 by Jaap de Jong

God in Veenendaal: de Koksiaanse en de Kersteniaanse God – Op bergen en in dalen

Gisteren sprak ik mijn oude schoolmeester Wim Kok, eind jaren zestig onderwijzer aan de Johannes Calvijnschool in Veenendaal. Daarna was hij nog lang docent aan het Ichthuscollege. Hij gaf les in de vakken geschiedenis, Engels en biologie. Wim Kok was altijd aan het leren en gaf ook na zijn pensioen de pijp niet aan Maarten. In de jaren zestig was hij vóór het Nieuwe Leren (de natuur in, dia’s tonen, interviews met oud-verzetslieden in de klas). Hij was een buitenbeentje op de Johannes Calvijnschool. In de jaren negentig was hij tegen het Nieuwe Leren: “Ik ben geen coach, maar cultuuroverdrager”, zei hij tegen mij. Hij studeert op dit moment theologie in Apeldoorn. Bij onze ontmoeting stond Wim Kok in zijn tuin te werken, prees intussen God en maakte het woord van Voltaire waar: een man moet zijn tuin onderhouden. Ik stopte, stapte uit en vroeg hem hoe het hem verging. Hij begon te spreken en hield niet meer op.

Wim Kok is de kleinzoon van de predikant Reinier Kok (1890-1982) die – vanwege de plaatselijke scheuringen – mede aan de basis stond van dertien keer gereformeerd in Veenendaal. Hij was een rechtvaardig man die Joden verborg en ds. G.H. Kersten (1882-1948) tegensprak. Onder de preekstoel en op andere plekken in het dorp liet hij Joden onderduiken. Henri Kersten – de Kuyper van de kleinere luyden – liep ooit mokkend van hem weg na een conflict over het Joodse meisje Mirjam de Groot. Kok wilde haar – verhuld als Nederlandse – op de Veenendaalse Johannes Calvijnschool laten leren. Volgens Kersten kon ze wel naar Westerbork. Reinier Kok werd na een langlopend conflict in 1950 afgezet. Tussen 1950 en 1956 vormde Kok met zijn getrouwen een Gereformeerde Gemeente buiten verband en kerkte in een apart gebouw (Pniëlkerk). In 1956 sloot de gemeente van Reinier Kok zich aan bij het verband van de Christelijke Gereformeerde Kerk. Er bestond plaatselijk al een Christelijke Gereformeerde Kerk (Bethelkerk), maar die was qua ligging ‘lichter’ en kwam – anders dan de Pniëlkerk – voort uit de landelijke afscheidingsbeweging (1934) onder De Cock. Voordat een kerkganger van Bethel tot Pniël kwam, moest er wel wat gebeuren. Dat ging niet zonder slag en stoot. De Gereformeerde Gemeente scheurde in 1953 nogmaals in tweeën en in december 1980 nog eens. Met Mirjam de Groot liep het beter af. Mijn schoolvriend Gerard van Deelen vertelde mij in 1973 onder de Veenendaalse kastanjeboom aan de Kerkewijk (tegenover Prummel Optiek) hoe zijn vader Barend als jongetje de oorlogsdagen doorbracht met de ondergedoken Mirjam de Groot. In 1979 zou Mirjam, die inmiddels in Israël woonde, Barend van Deelen nog eens bezoeken.

De SGP-voorman en predikant Henri Kersten meende dat het Duitse gezag na de overgave de nieuwe, van God gegeven, orde vormde. Zijn woning stond in mei 1940, na het bombardement op Rotterdam, op instorten, maar toch vond hij het “een goddelijke genade dat hij voor Gods recht buigen mocht en Hem te midden van de oordelen aanbidden kon”. God zou zich tegen Nederland hebben gekeerd. Na de inval van de Duitsers was Juliana op zondag het land ontvlucht en dat gegeven viel volgens de opvattingen van Kersten ook onder de ontheiliging van de zondagsrust.

Henri Kersten was de man van het korte geheugen. In 1932 had hij zijn eigen zondagswet overtreden en dat was uitgekomen door de oplettendheid van de lutherse predikant ds. B. E. J. Bik. Bik las in de krant dat Kersten zondagmiddag om vijf uur zou preken in Gouda en ’s avonds om halfacht in Stolwijk. Hij vroeg zich af of zijn collega te voet van Gouda naar Stolwijk zou gaan. Bik kon dat nauwelijks geloven, want Kersten preekte lang en de wandeling duurde wel anderhalf uur. Hij besloot de predikant te volgen en ontdekte dat deze na afloop van de middagdienst naar een donker hoekje in de Goudse binnenstad liep. Daar stond de auto met chauffeur Jan Gerrit Deelen (1899-1971) te wachten, die hem naar Stolwijk reed. Mijn vriend Willem Bouwman – die deze geschiedenis beschreef – liet mij jaren geleden de foto zien van de auto waarin Kersten zijn zondagsrit maakte [zie update, hieronder].

Toen ik in 1969 op de Johannes Calvijnschool op de Duivenwal kwam was er nog een duidelijk verschil tussen de Kersteniaanse en de Koksiaanse God. De Kersteniaanse God had 1001 ogen en volgde je overal. Hij ging tot op het bot en er was geen ontkomen aan: je voelde, neen, je wist je een worm, geen mens. De Kersteniaanse God had op de Calvijnschool verschillende meesters en juffen in dienst. Maar er was ook een Koksiaanse God bij wie Wim Kok en juffrouw Schot dienden. Juffrouw Schot gaf enorm hoge cijfers en zij leerde ons het lied Op bergen en in dalen. Het is als lied VII opgenomen in de gezangbundel van de Hervormde Kerk, De Evangelische Gezangen (1806). Vooral het tweede couplet zong ik uit volle borst (“Hij hoort de jonge raven/Hij heeft voor ’t groot heelal/Heeft zelfs voor wormen gaven/en bloemen voor het dal”). Die regels over de wormen en de bloemen gaven mij veel lucht en ook zag ik mijzelf wel zitten als een jonge raaf.

Het lied Op bergen en in dalen was gecomponeerd en bewerkt door Christoph Christian Sturm (1740-1786), theoloog en gepromoveerd filosoof. Het lied werd vertaald door Ahasuerus van den Berg (1733-1807). Sturm was beroemd vanwege zijn Reflections on the Works of God in Nature. Dat werk behoort tot de zogenaamde fysicotheologie, een vorm van theologie die in de achttiende eeuw populair was, bijvoorbeeld bij de doopsgezinde predikantenopleiding waar ook een zgn. fysisch kabinet of natuurkundig laboratorium aanwezig was. Het godsbestaan werd bewezen vanuit de pracht & harmonie van de natuur. Het is nooit als zodanig benoemd, maar ik vermoed dat het godsbeeld van de aanhangers van de fysicotheologie een weinig verschilt van het pantheïsme. Ludwig Beethoven, wiens spiritualiteit als pantheïstisch wordt getypeerd, had een exemplaar van de Reflections on the Works of God in Nature dat door hem zwaar was geannoteerd. Het boek van Sturm inspireerde Beethoven ook bij het schrijven van de Zesde Symfonie (Pastorale). Die Zesde Symfonie was overigens mijn eerste eigen muzikale aanschaf. In mijn ouderlijk huis doorbrak ik daarmee het monopolie van de man die altijd vol op het orgel ging: Feike Asma (1912-1984), ook al weer jaren dood.

De revolutionaire predikant L.G.C. Ledeboer (1808-1863), stichter van de Ledeboeriaanse gemeenten (één van de bloedgroepen van de huidige Gereformeerde Gemeenten), wierp in 1840 in jeugdige overmoed de bundel Evangelische Gezangen en de bestuursreglementen van de kansel. Daarna begroef hij de bundels in de tuin van de pastorie in Benthuizen en verliet net als de eerder afgescheiden Hendrik de Cock (1801-1842) uit Ulrum de Hervormde Kerk. Ik kwam niet lang geleden langs het huis van Ledeboer en moest de neiging onderdrukken in de tuin te gaan graven om de gezangenbundel te vinden. Ondanks de afkeer van Ledeboer bleef de bundel Evangelische Gezangen in gebruik, ook bij afgescheiden Cocksianen en Ledeboerianen in al hun varianten (waaronder dus de 20e eeuwse Koksiaanse en Kersteniaanse navolgers)

Als jongetje kon ik het niet onder woorden brengen, maar nu weet ik dat de Cocksiaanse & Koksiaanse God mij dankzij juffrouw Schot van de Veenendaalse Johannes Calvijnschool beter beviel dan de Ledeboeriaanse & Kersteniaanse God. Hij was op de bergen en in dalen, in de bloemen, bij raven en zelfs bij de wormen. Overal, behalve dan begraven in zwarte grond. Een jaar later verruilde ik gedwongen de Johannes Calvijnschool voor de dr. C. Steenblokschool. Het was de tijd van de ayatollah’s en haviken als Khomeini waren er ook in Veenendaal. Het kon niet streng genoeg. Er moest en zou een nieuwe school komen, gereformeerder dan Johannes Calvijn. Op de in 1972 gestichte dr. C. Steenblokschool bleef het heel stil. Er klonk geen lied. Er klonk niets meer: niet op de bergen en niet in de dalen. Nergens meer.

Dit alles terzijde uiteraard.

Evangelische Gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbare godsdienst in de Nederlands Hervormde Gemeenten gebruikt te worden op uitdrukkelijke last van alle de Synoden der voornoemde gemeenten bijeen verzameld en in orde gebragt in de jaren 1803, 1804 en 1805 (1806). Amsterdam: Johannes Allart. Niet meer beschikbaar, behalve digitaal.

Wèl bij ons te koop: nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, ook over godsdienstwetenschap en theologie.


Update 22 en 26.11.2020: De kleinzoon van de chauffeur Jan Gerrit Deelen [naam aangevuld in tekst], die Henri Kersten van Gouda naar Stolwijk vervoerde, liet mij weten dat hij het verhaal uit familiekring kende. Hij was benieuwd naar de foto met Henri Kersten en zijn grootvader Jan Gerrit Deelen (1899-1971).

Willem Bouwman schreef mij zojuist dat het hoogstwaarschijnlijk om een samenvoeging van twee afzonderlijke gebeurtenissen gaat. Er is géén foto van de zondagsrit, maar wel eentje van Henri Kersten naast een auto tijdens zijn reis naar Amerika.

Kleinzoon Cees Deelen stuurde mij op 26 november de foto waarop Jan Gerrit Deelen, handelaar in vleeswaren, naast zijn auto staat. De auto stamt uit de dertiger jaren en is hoogstwaarschijnlijk de auto waarmee hij op bewuste zondag Henri Kersten van Gouda naar Stolwijk reed. Uit een krantenbericht over de kwestie komt nog naar voren dat de auto van Deelen om 19.20 het tol passeerde zonder te betalen. Volgens de tolbaas klopt dat wel, want die “meneer Van Deelen is Christelijk, die betaalt niet op Zondag, maar op Maandag.” (De Vrije Westfries, 7 april).

Hoe men de kiezers voorlicht. Friesch Dagblad, 24 juni 1933. Geraadpleegd op 20 november 2020 op de krantendatabank Delpher


november 20th, 2020 by Igor Cornelissen

Men had beter kunnen weten ofwel de tocht der dwaasheid

Barbara Tuchman was geen historica, maar ze schreef zo boeiend dat ze erg veel lezers kreeg. Erkenning kreeg ze vanwege de Pulitzerprijs. Ze is in veel talen vertaald. Het eerste boek dat ik van haar las ging over de Amerikaanse generaal Joseph Stillwell die in China opereerde.  Het speelde zich af in de jaren dat nog niet duidelijk wie als overwinnaar uit de strijd zou komen: de communist Mao Tse Toeng of zijn tegenstander Tsjiang Kai Sjek die van de Amerikanen financiële en militaire hulp kreeg. Stillwell, die Chinees sprak (al konden veel Chinezen hem moeilijk verstaan), zag het mis gaan. Het regiem van Tsjiang Kai Sjek was vergeven van en leunde op corruptie. Stillwell, die omdat hij vaak nogal zuur keek Vinegar Joe werd genoemd, rapporteerde dat aan zijn regering die er weinig mee deed. De strijd tegen de communisten had de voorrang.

Ook in the March of Folly is het thema: men had beter kunnen weten. In Troje had men het houten paard beter moeten bekloppen en in Vietnam, dat weet nu iedereen, stortten de Amerikanen zich in een heilloos avontuur. Ze hadden van de Fransen kunnen en moeten leren: die hadden ervaring in Indo China.

Niet minder lezenswaard is de bijgevoegde recensie door André Spoor uit  de NRC Handelsblad. Spoor, afgestudeerd theoloog, maar als journalist opgeklommen tot hoofdredacteur van NRC Handelsblad had nogal wat kritiek op Tuchman. Volgens hem maakte ze niet duidelijk waarom politieke leiders volharden in hun hoogmoed. In zijn recensie heeft hij tussen haakjes (…) een opmerkelijke passage opgenomen. Spoor vertelt dat op zijn bureau een penning staat ter ere van de Nederlandse legercommandant in Nederlands Indië tussen 1945 en 1949. Op de penning staat een Nederlandse soldaat afgebeeld die vreedzaam op het land werkende inlanders beschermt. Wat heeft dat met Tuchman te maken? Niets. Maar die legercommandant was generaal Spoor, de vader van de journalist. Ik heb André Spoor slechts enkele malen ontmoet. Tijdens een van die gesprekken vertelde hij mij dat hij van plan was geweest de biografie van zijn vader te schrijven. Hij zag ervan af daar hij vreesde dat hij onvoldoende objectief zou zijn. Een verstandig besluit.

Tuchman, Barbara W. (1984). The March of Folly. From Troy to Vietnam. New York: Albert A. Knopf, 1984. I.g.st.. Gebonden, XIV, 448 pp., 1e druk. Met illustraties, met bibliografie en noten. Uit de collectie Igor Cornelissen. Met krantenknipsels. € 17,50 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 19th, 2020 by Igor Cornelissen

Een mislukt diplomaat, maar een uitstekend schrijver: Lord Vansittart

Robert Gilbert Vansittart (1861-1957) – inderdaad met Nederlandse voorouders – kwam al jong op Foreign Office van Great Britain (Buitenlandse Zaken) terecht. Daar maakte hij een glanzende carrière door. Zijn grote liefde voor Frankrijk (hij was o.a. gestationeerd in Parijs) was mede door oorzaak van een sprankelende hantering van het Frans. Iets dat van weinig hoge Britse diplomaten kon worden gezegd.

Vansittart diende vele heren. Niet altijd tot zijn genoegen. Ze luisterden wel altijd naar hem, maar deden er weinig of niets mee. Hij was in de jaren dertig een fel tegenstander van dat deel van de bourgeoisie dat met Hitler aanpapte, hem althans tevreden wilde stellen. Neville Chamberlain, de baas van het Foreign Office stond daar absoluut niet alleen in. Vansittart had al vroeg door dat de nazi’s op gebiedsuitbreiding uit waren. Ten koste van alles. De Labour aanhang stond niet alleen toen ze tegen opvoering van de bewapening was.

Vansittart bestempelde zijn professionele leven als een mislukking. Gelukkig schreef hij een uitmuntende autobiografie die een helder licht werpt op de manier van denken en handelen toen Groot-Brittannië nog een wereldrijk was. De Union Jack wapperde in alle werelddelen en het leek erop alsof dat altijd zo zou blijven. Het wereldrijk had, alsdus de schrijver, twee wereldoorlogen kunnen voorkomen als het zich eerder had bewapend. Vansittart beschrijft dat met een buitengewoon rijk taalgebruik en dat verbaast niet als men weet dat hij ook romans, gedichten en toneelstukken schreef. Hij was een groot vriend van Alexander Korda, de van origine Joods-Hongaarse filmregisseur Alexander Korda, die op het landgoed van Vansittart niet alleen zijn gang kon gaan maar ook door hem financieel werd gesteund (de schrijver noemt hem slechts eenmaal terloops).

Ik kwam slechts één misser tegen. Als Vansittart het over de Rijksdagbrand van 1933 heeft noemt hij Marinus van der Lubbe een perverse halve dwaas en de brand een opzetje van de nazi’s. Maar misschien mag men zelfs van zo’n hoge diplomaat niet verwachten dat hij wist dat de werkloze Leidse metselaar een radencommunist was die een (mislukte) poging deed de Duitse arbeiders tot massaal verzet tegen Hitler aan te zetten.

Bij het boek een tweetal Nederlandse recensies. Eén uit de NRC, de ander door H.A. Lunshof, hoofdredacteur van Elsevier die het betreurt dat Vansittart ook na 1945 nog fel anti-Duits bleef. Inderdaad zou Vansittart er zich over hebben verbaasd dat Duitsland nu de meest betrouwbare, democratische en sterkste staat van Europa is.

Vansittart, Robert (1958). The Mist Procession. Autobiography. Londen: Hutchinson. I.g.st., gebonden in linnen met stofomslag, 568 pp., 1e druk. Gaaf exemplaar. Niet meer beschikbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 18th, 2020 by Igor Cornelissen

“U denkt toch wel aan het instituut, meneer Cornelissen”. Over het IISG en het anarchisme

Al droeg hij dan de titel van prins, als een heilige is Peter Kropotkin (1842-1921) door de anarchisten nooit geëerd. Niet als heilige, maar wel als voorman. In de hoogtijdagen van het Nederlandse anarchisme, ruwweg 1870-1900, werd hij veel gelezen en aangehaald. Anarchisten (en communisten, socialisten) vereren wel mensen, maar tot een bijna goddelijke status kunnen ze het onmogelijk brengen. De beweging was in origine nu eenmaal sterk anti-kerkelijk zoals ze ook tegen Kroeg en Kapitaal was. Drie keer K dus.

Kropotkins vader  was de eigenaar van 1200 mannelijke lijfeigenen en ongeveer evenveel vrouwen. Zoon Peter, van beroep geoloog en geograaf, was tegen lijfeigenschap. Via een nichtje kwam prins Peter Kropotkin in aanraking met democratisch geschriften, zoals die van Alexander Herzen.

Wie over zijn leven meer wil weten leze zijn boeiende gedenkschriften. Vele malen zat hij gevangen. Hij was een echte doener en niet alleen theoreticus. Tijdens een bezoek van een week aan Zwitserland in 1872 bezocht hij een vergadering van horlogemakers. Hij leerde er anarchisten kennen.  ‘En toen ik uit de bergen kwam na een week bij de horlogemakers te zijn geweest, had ik mijn mening gevestigd. Ik was anarchist.’ Weinigen weten nog dat Zwitserland ooit een broeinest was van revolutionaire arbeiders en sympathisanten. Ook zonder die koeienbellen en koekoeksklok is het land historisch van belang. Toen Kropotkin een paar jaar later vastzat in een vochtige cel in de Petrus en Paulsvesting dreigde hij er onder door te gaan. Een arts wist te bewerkstelligen dat hij af en toe een wandeling mocht maken op de binnenplaats. Kropotkin zag dat af en toe de poort open ging om hout binnen te brengen. Via een ingenieus plan wist hij te ontsnappen. Daar was een violist voor ingehuurd die buiten de poort zou spelen. Als hij met zijn spel stopte was de kust veilig. Buiten stond een rijtuig klaar. Kropotkin ontsnapte. Dat waren de tijden dat de (plannen tot) revolutie nog een romantisch tintje hadden. Drones hebben inmiddels de plaats van violen ingenomen. Kropotkin stierf in communistisch Rusland en de heersers van toen hadden nog net genoeg eerbied voor deze voorganger dat ze hem een staatsbegrafenis gunden. De familie van Kropotkin, die een fel tegenstander van Lenin c.s. was, weigerde dit. Zijn begrafenis was de laatste gelegenheid waarbij anarchistische en anti-bolsjewistische leuzen werden meegedragen. Er bestaat een filmpje over die gebeurtenis dat op Youtube te zien is. Indrukwekkend.

Ik kreeg het boek van een oude revolutionair. Het was in slechte staat. In die tijd (1963, denk ik) bezocht ik voor het eerst het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. Maria Hunink, afkomstig uit een katholiek fabrikantengeslacht uit Wijhe (vleesverwerking), was er de gedreven bibliothecaresse die mij, toen ik haar vertelde van mijn correspondentie met oude socialisten op nogal dwingende toon vroeg: “U denkt toch wel aan het Instituut, meneer Cornelissen.’

Daar dacht ik aan en toen ik enkele brieven had geschonken, vroeg ze heel lief of het Instituut iets voor mij kon doen. Ik bracht enkele gehavende boeken en brochures en die werden uitstekend gerestaureerd. Ze hadden op het IISG voortreffelijke boekbinders in dienst.

Toen Maria Hunink overleed ben ik naar haar begrafenis in Wijhe geweest. Op de r.k. begraafplaats. Arthur Lehning (ze had hem jarenlang gediend bij zijn uitgave van  werken over Bakoenin, de andere grote anarchist) sprak een gedenkrede uit. Er was weinig van te verstaan want een onbarmhartige regenbui kletterde op paraplu’s, maar ik hoorde wel steeds het woord Oeuvre, Oeuvre, want Arthur had het vooral over zijn eigen werk. Voor de uitgave van de wetenschappelijke uitgave was Maria Hunink onmisbaar geweest.

Ik dacht daar in Wijhe even aan Kropotkin en aan zijn, dankzij Maria, vakkundig gerepareerde  Gedenkschriften.

Kropotkin, P. (z.j. [ca.1902]). Gedenkschriften van een revolutionair. Met een voorrede van George Branders. Utrecht: W. Leijdenroth van Boekhoven. Redelijk, verkleurd omslag & papier, herstelde titelpagina en band. X, 387 pp., 1e druk. Met illustraties, vertaling Annette Dyserinck (uit het Engels). Uit de collectie Igor Cornelissen. Met portretfoto's. 2 delen in een band. Zeldzaam exemplaar (in deze uitgave). € 33,00 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong