in 't Wasdom

Antiquariaat Cornelissen & De Jong
augustus 6th, 2020 by Jaap de Jong

Deel V van de memoires van de oudste antiquaar van Overijssel

Igor Cornelissen, de doyen van de Nederlandse journalistiek en 85 inmiddels, blijft nieuwsgierig en doet daarvan verslag in het vijfde deel van zijn memoires: Mijn opa rookte ook een pijp. Joodse wortels en ander (on)gemak.

Met groot gevoel voor anekdotiek beschrijft hij de boeiende en zonderlinge figuren die zijn levenspad kruisten en kruisen. Een zoektocht naar de zenuwarts/spion Hans Grelinger wordt afgewisseld met bezoeken aan de horeca in Dalfsen, Berlijn en Lissabon. Cornelissen onthult hoe vaak (vaak leugenachtige) In Memoriams tot stand komen en wat het geheim is van het bijna verdwenen joods Zwolle. Bovendien gaat hij in op zijn nieuwste bezigheden: het verkopen van boeken bij ‘t Wasdom & antiquariaat Cornelissen & De Jong.

Cornelissen, die schreef voor Het Vrije Volk, Het Parool en het langst voor het weekblad Vrij Nederland (1962-1996) schetst van zijn geboortestad Zwolle trouwens een heel ander beeld dan de bestuurders graag zien. Niet voor niets weigerde hij de fel begeerde Bartjensprijs….

Te koop bij Cornelissen & De Jong – gesigneerd

augustus 6th, 2020 by Jaap de Jong

Ritselingen van nieuw leven

“Ritselingen van nieuw leven”. Kent u die uitdrukking? Ik moest er aan denken toen ik de interesse van Igor Cornelissen opmerkte. De belangstelling in de dichter en de dominee: Achterberg en Doornenbal. Om ook wat indruk te maken citeerde ik ooit een paar gedichten van Achterberg achter elkaar. Maar niet nadat Igor even tevoren de gehele Faust al uit het hoofd had opgezegd. Vanaf dat moment ging het over de dichter, de dominee, de frik en het vlees van de Oenese slager.

We deden dat vaker. Praten over dichters, dominees en denkers. In de Hete Brij of in de studeerkamer. Zingend ook: Igor de Internationele – wij hebben wapenen om hen te raken / Die dorstig schijnen naar ons bloed – en ik de tweeënveertigste psalm. Immers, eenmaal aangeraakt door begeerte ontkomt men niet aan de jacht.

In Oene kent iedereen de slager, maar ook de dominee. Doornenbal spreekt er nog steeds, ook al tuiniert hij al decennia lang in het hemels paradijs. Igor las alles van Doornenbal wat er was te krijgen: de biografie van Bart Jan Spruyt, Jeannette Donkersteeg – mooie bevindelijke naam trouwens – en de biografie van Doornenbal over Wulfert Floor. Het kon niet op. Igor at mijn ganse bevindelijke boekenkast leeg en het spijt hem nog steeds dat deel V van zijn memoires al gedrukt was, terwijl het proefschrift en de preken van dr. C. Steenblok niet gelezen, noch verwerkt zijn.

Ritselingen van nieuw leven. Kent u dat?

Het begon allemaal na het interview in Wapenveld. Igor kreeg de uitnodiging van ds. C. Hogchem voor een gesprek van man tot man. De predikant C. Hoghem had het interview uit Wapenveld gelezen en minstens een passage was hem bijgebleven: “Op een dag – dat zit nog in het vat – ga ik naar Genemuiden en wil ik het weten van een predikant van de grootste kerk: de Gereformeerde Gemeente. Of er nog meer is dan nood aan parkeerplaatsen en wat die nood dan is?”

Ik bracht Igor naar Hogchem in Genemuiden, maar weet niet wat besproken werd. Wel dat het over meer ging dan over nood aan parkeerplaatsen bij de Ger. Gemeente. En, zo weet ik uit betrouwbare bron, aan het gesprek hield Igor een wens over: signeren bij een boekhandel in Genemuiden. Signeren dus voor de lezers, al is het maar voor één lezer. Zoiets moet toch te regelen zijn. En bovendien: er zal toch wel meer dan één rechtvaardige zijn in het Genemuiden van Hocghem? Ik vraag maar.

Inmiddels is Waanders goed voorzien van boeken, zo zag ik vanmiddag. Nu Genemuiden nog. Mocht u t.z.t. niet naar Genemuiden kunnen gaan, dan kunt u ook bij het antiquariaat Cornelissen [sic] & De Jong bestellen en ontvangt u een genummerd en gesigneerd exemplaar. Dit terzijde natuurlijk

augustus 6th, 2020 by Igor Cornelissen

De buitenissigheden van Jan Greshoff

Jan Greshoff (1888-1971) was dichter en criticus. Voor de oorlog een man met gezag. Hij schreef voor kranten en was o.a. kunstredacteur van De Telegraaf, een heel andere krant toen dan nu.

In een van zijn essays karakteriseert hij één van zijn afwijkingen die tegelijkertijd zijn normaliteit onderstreept: “mijn voorliefde voor rariteiten, voor buitenissigheden en buitensporigheden: toestellen die niemand weet te behandelen, voorwerpen waarvan geen levend mensenkind het nut bevroedt, heeft mij ten allen tijde ook belangstelling bijgebracht voor boeken, welke een rechtschapen lezer niet ter hand zal nemen”.

Naast essayist was Greshoff ook dichter. Ik denk niet dat zijn gedichten nog gelezen worden, maar zijn meningen als criticus blijven interessant. Hij was de man die Willem Elsschot pousseerde. Niet voor niets droeg Elsschot zijn boek Kaas aan hem op. Elsschot woonde vele jaren in Brussel en was bevriend met de dichters J.C. Bloem en Slauerhoff. Al voor de oorlog verhuisde hij naar Zuid Afrika. Daar stierf hij in 1971 in Kaapstad.

In Rariteiten staat een buitengewoon amusant stuk over de Belgische schilder Edgar Tytgat (‘t essay Kinderen), een expressionist die ook boekomslagen maakte. Tytgat was een Vlaming met afschuw voor platheid, een unieke eenling. De man was meer dan een talent, hij was een karakter, schrijft Greshoff. In De Fundatie, hier in Zwolle, hebben ze een paar werken van Tytgat. Misschien moeten ze deze grootheid uit België eens naar Zwolle halen.

Greshoffs erudiete bespiegelingen (ook over journalisten van toen) konden niet meer in Nederland verschijnen. Wel in het nog niet door de Japanners bezette Batavia, dat nu ook al weer jaren anders heet. Rariteiten is opgedragen aan de dichter Leo Vroman. Men kende elkaar. Misschien waren er toen wel minder schrijvers.

Meer nieuwe oude boeken

augustus 5th, 2020 by Igor Cornelissen

Een ander tragisch leven: Ralph Springer (1886-1942)

Ralph Springer (1886-1942) kan de meest opmerkelijke en tragische vooroorlogse schrijver worden genoemd. Hij was een joodse loodgieter, op zich al een unicum, die debuteerde in het marxistische tijdschrift De Nieuwe Stem waarvan Henriette Roland Holst redactrice was. In 1917 kwam zijn eerste boek uit: De gezellige staking. Optimistisch-realistische roman. Wie hem bij De Nieuwe Stem binnenbracht is onbekend, maar de uitgever Willy Brusse waarschuwde al direct tegen hem: de man deugt niet.

Dat bleek al snel toen van Springer in 1931 een vuistdik boek Om de macht verscheen waarin de ‘bonzen’ van de SDAP en de moderne vakbeweging werden afgebrand. Oudegeest, Troelstra, Albarda… allemaal oplichters en bedriegers. In het fascistische blad De Bezem, redacteur Jan Baars, verscheen een lovende recensie. Volgens de jonge Garmt Stuiveling was het een schandalig slecht boek. Springer voelde zich bij de fascisten thuis. Mussolini was een groot mens.

In de oorlog werd Springer, hoewel gemengd gehuwd, opgeroepen om te gaan graven. Hij meldde zich en werd doorgestuurd naar Auschwitz waar hij in 1942 de dood vond. Zijn weduwe Janna Antje van der Wal herbergde onderduikers, werd verraden en zat een jaar vast in Vught. Ralph Springer behoort tot de vergeten schrijvers, maar zijn werk is grotendeels gedigitaliseerd. Dat laatste geldt (nog) niet voor zijn, toch wel wat kritische, analyse van het anti-semitisme en de toen omgaande rassentheorieën.

Naar aanleiding van: Ralph Springer (1928). Het wondere avontuur van den heer Herman Lobbes. Teunmeubelenfabrikant. Amsterdam: Nederlandsche Uitgevers-maatschap. Boekbandontwerp van Wybo Meijer (1885-1942).

Méér oude boeken

augustus 4th, 2020 by Igor Cornelissen

Charles Ralph Boxer – kenner van het kolonialisme

C.R. Boxer was een van die Britse historici met een brede kennis, avontuurlijk leven en hoge productie. Hij sprak veel talen waaronder Portugees en Nederlands, maar dan de versie uit de zeventiende eeuw. Die kennis had hij nodig om zijn boeken over zeevarend Nederland te kunnen schrijven. Hij schreef ook over de korte periode van de Hollanders in Brazilië.

In de oorlog raakte hij in Japanse krijgsgevangenschap. Volgens Frank Lequin overleefde hij die dankzij “zijn ijzeren lichamelijke en geestelijke constitutie, zijn kennis van de condition humaine en van Marcus Aurelius, de stoïsche wijsgeer, die hij zijn leven lang trouw bleef.” Overigens namen de Japanners zijn bibliotheek in beslag en die collectie bevatte veel items over de Portugese en Nederlandse koloniale geschiedenis. Na de oorlog zag hij kans die bibliotheek terug te krijgen. Zijn boeken, handschriften en prenten waren middelen om tot kennis te komen. Hij bekommerde zich nauwelijks om hun geldelijke waarde, indachtig aan de uitspraak van Isaac Titsingh (over wie hij schreef): “ik veragt het geld, wyl het myn weetlust niet kan voldoen.”

Zijn Portugees kwam hem te pas toen er in Lissabon een artikel verscheen waarin werd beweerd dat de Portugezen in hun koloniën niet aan rassendiscriminatie deden. Salazar probeerde er goede sier mee te maken. Boxer wist beter en schreef een boekje waarin hij het tegendeel aantoonde. Prompt werd hij niet meer in Portugal toegelaten.

Boxer weigerde tweemaal de onderscheiding C.B.E., Commander of the British Empire. De eerste keer omdat hij vond dat een andere (gekleurde) wetenschapper de prijs toekwam. De tweede keer omdat er volgens hem geen Empire meer was.

Een Nederlandse journalist werd ‘s morgens vroeg al uiterst beleefd ontvangen met  een keuze uit whiskey, bier of oude jenever. Helaas was ik dit niet. Het boek van Boxer is overigens vertaald door Zwollenaar, schrijver-psychiater, sinoloog en nog veel meer: Johan W. Schotman (1892-1976), maar ook dit terzijde.

Méér boeken over geschiedenis. Het boek van Boxer staat overigens ook op boekwinkeltjes.nl

augustus 3rd, 2020 by Igor Cornelissen

Multatuli: koning van Insulinde

Over Multatuli, Eduard Douwes Dekker was zijn echte naam, is ongelooflijk veel geschreven. Al tijdens zijn leven. Pro en contra. Stof genoeg, want hij was een vreemd heer. Zijn Max Havelaar was een felle aanklacht tegen de uitbuiting van de Javaan, maar tegen het kolonialisme was hij niet. Hij wilde zelf Koning van Insulinde worden en zijn nichtje Sietske, waar hij ‘íets mee had’, zou dan keizerin van Sumatra zijn. Hij werd dan ook al vroeg uitgemaakt voor vrouwengek. Hij zou het in een MeToo tijdperk moeilijk hebben gehad. Hij was verder gokverslaafd en gaf graag geld weg dat hij van anderen geleend had. Hij kon het niet aanzien dat in Groningen een paard werd afgeranseld door een lompe boer. Hij kocht het paard dat nog een paar jaren zonder zweepslagen heeft geleefd.

Belangrijker was dat hij door zijn aanklacht met de Max Havelaar een rilling door het land deed gaan. Wie de dikke biografie van Dik van der Meulen over Multatuli heeft gelezen weet (bijna) alles over deze van origine Amsterdamse schrijver die het geloof en de predikanten fel aanviel. Hij nam nooit een blad voor de mand. Hij is en blijft onze belangrijkste schrijver van de negentiende eeuw. Misschien wel ook nog van ver daarna. In Anekdoten gaf uitgeverij van Oorschot tientallen merkwaardige belevenissen van deze man in druk uit. Geert van Oorschot was ook de man die er in slaagde het Volledige Werk van Multatuli uit te geven. Inclusief onbeduidende briefjes en de schaakpartij per brief die hij speelde. Maar ook met de Ideeën en het ontroerende en geestige Woutertje Pieterse.

Van Oorschot was ook de man die er voor zorgde dat er een standbeeld van Douwes Dekker in Amsterdam kwam. En nu maar hopen dat dat niet wordt beklad.

Méér nieuwe oude boeken

augustus 2nd, 2020 by Jaap de Jong

Freud en Multatuli: seks, religie en het oceanische gevoel

In de inleiding tot zijn vuistdikke biografie merkt Dik van der Meulen op dat Freud, Mahler en Lenin het werk van Multatuli waardeerden. Bij toeval – maar wat is dat anders dan dat het mij toevalt? – ligt het werk van Freud en Multatuli op mijn werktafel. Freud las ik eind jaren tachtig, tijdens mijn reis door Europa (Wenen, Budapest, Venetië, Rome, Parijs) en ik deed dat vooral omdat ik dacht wijzer te worden van de man. In Wenen bezocht ik Bergasse 19, dronk bier bij de Stephansdom met vrouwen wier lelijkheid mijn begeerte uitdoofde en las ik Freud: De grap en haar relatie met het onbewuste en Die Zukunft einer Illusion en jawel: Das Unbehagen in der Kultur.

Freud had geen gevoel voor religie en Romain Roland kon hem ook niet overtuigen van de realiteit van het oceanische gevoel – die Empfindung der “Ewigkeit” (…). Ein Gefühl wie von etwas Unbegrenztem, Schrankenlosen, gleichsam “Ocenanischem”. Freud kon het bij zichzelf niet ontdekken en legt zelfs een verband tussen de ontdekking van de psychoanalyse en zijn godloosheid: “Overigens, waarom schiep eigenlijk geen godvrezende de psychoananalyse? Waarom moest men wachten op een volstrekt goddeloze jood? (Sigmund Freud aan Oskar Pfister, 9 oktober 1918). Ik betwijfel of het antwoord van Peter Gay in Een goddeloze Jood voldoende bevredigend is, maar dat hangt natuurlijk samen met de definitie van religie.

Met Multatuli kwam ik in aanraking via zijn Ideeën. Die zijn sprankelend. Nog steeds. Later ontdekte ik dat zijn broer Pieter student was aan het Doopsgezind Seminarium en doopsgezind predikant werd. Als zodanig veroverde hij een plek in mijn onderzoeksdatabase over de beroepsontwikkeling van doopsgezinde predikanten (1675-1865). Pieter Douwes Dekker is de broer die als enig familielid een plek veroverde in het oeuvre van Multatuli. Aan Dik van de Meulen, die diep dook in het doopsgezinde milieu van Douwes Dekker, dank ik veel interessante gegevens.

Maar waren komen die twee samen: Freud en Multatuli?

De schitterende index op het werk van Freud brengt uitkomst (deel 11, Boom, 2006). Freud schatte Multatuli hoog. Hij noemt hem “de grote denker en mensenvriend”. Als hem gevraagd wordt naar een lijst van tien ‘goede’ boeken geeft hij de brieven van Multatuli als eerste op. Freud schrijft in een open brief aan zijn collega dr. M. Fürst waarderende woorden over Multatuli. Freud citeert hem uitvoerig in een brief aan Tine (28 okt. 1845) over seksuele opvoeding: “men doet wél de verbeelding der kinderen rein te houden maar die reinheid wordt niet bewaard door onwetendheid. Ik geloof eerder dat het bedekken van iets, den knaap en het meisje te meer naar de waarheid doen gissen. Men spoort uit nieuwsgierigheid zaken na, die ons zonder moeite medegedeeld zijnde, weinig of geen belang zouden inboezemen. Ware die onwetendheid nog te bewaren dan had ik er vrede mee maar dat kan niet: het kind komt in aanraking met andere kinderen, het krijgt boeken in handen, die het tot nadenken brengen; juist de geheimzinnigheid, waarmede het toch begrepene, door de ouders is behandeld, verhoogt het verlangen meer te weten; dat verlangen, slechts gedeeltelijk bevredigd, slechts ter sluik voldaan, verhit het hart en bederft de verbeelding. Het kind zondigt reeds en de ouders meenen nog dat het niet weet wat zonde is!”

Daar is geen woord Frans bij.

Er is nog iets waar de beide schrijvers het eens zijn en dat is het lot in relatie tot rede en noodzakelijkheid. In het geval van Freud en Multatuli komt dat neer op de bevestiging van hun beider atheïsme. Zo schrijft Freud: “Als de Nederlandse schrijver Multatuli het lot van de Grieken vervangt door rede en noodzakelijkheid, valt daar weinig tegen in te brengen. Maar ieder die de leiding van het wereldgebeuren overdraagt aan de voorzienigheid, God of God en de natuur, laadt de verdenking op zich dat hij deze opperste en meest ongrijpbare machten nog steeds – mythologisch – als een ouderpaar ervaart en zich door libidineuze bindingen met hen verbonden waant.”

Inmiddels is de psychoanalyse op sterven na dood, behalve in België.

Voor mijn Vlaamse en Nederlandse vrienden en boekenliefhebbers derhalve onderstaand aanbod. Vier boeken voor €47,50, inclusief verzendkosten.

Freud, Sigmund (1988). De grap en haar relatie met het onbewuste. De humor. Meppel/Amsterdam: Boom. Goed, gebonden in linnen met stofomslag. Vertaling: Thomas Graftdijk & redactie: Wilfred Oranje, 310 pp. Met registers (van namen & grappen) en bibliografie. Met naam en aanschafdatum op schutblad (JJ, augustus '89). 

Freud, Sigmund (1982). Massenpsychologie und Ich-Analyse / Die Zukunft einer Illusion. Frankfurt am Main: Fischer Taschenbuch Verlag. Redelijk. 134 pp. Met naam en aanschafdatum op schutblad (JJ, mei 1989). 

Freud, Sigmund (1974). Abriss der Psychoanalyse / Das Unbehagen in der Kultur. Frankfurt am Main: Fischer Taschenbuch Verlag. Redelijk. 150 pp. Met een rede van Thomas Mann als nawoord. Naam en aanschafdatum op schutblad (JJ, 6 mei 1989). 

Horsman, Annet (1960). Anekdoten over Multatuli. Uit authentieke bronnen bijeengebracht. Amsterdam: G.A. van Oorschot. Redelijk. 173 pp. Met kartonnen omslag.

Méér nieuwe oude boeken

juli 31st, 2020 by Jaap de Jong

Acht jaar om de slaap gebracht. Arnold Zweig over De Vriendt keert weer

In het najaar (november 2020) brengt Uitgeverij Cossee een nieuwe vertaling op de markt van De Vriendt keert terug. Deze roman van Arnold Zweig, de minder bekende broer van Stefan, is eerder vertaald door Nico Rost. De eerste druk (uit 1933), waarvan een gedeelte in 1939 opnieuw in de handel werd gebracht als titeluitgave in De Salamander-reeks, verschijnt bij de uitgever Em. Querido te Amsterdam. Tussen februari en augustus 1940 wordt De Vriendt keert weer uit de handel genomen. Oorspronkelijke titel: De Vriendt kehrt heim.

In het hier aangeboden exemplaar, schrijft Arnold Zweig in september 1933 een nawoord waarin hij – speciaal voor de Nederlandse lezer – verdichting en werkelijkheid uiteenzet. Zweig vertelt hoe de ongelukkige geleerde, dichter en onzalige politicius Jacob Israël de Haan, die in 1924 in Jeruzalem werd vermoord, hem vanaf het moment van zijn dood acht jaar lang om de slaap bracht. Door zijn ongeremde hartstochtelijkheid, stelt Zweig, “was hij de juiste persoon om de grote figuur van de tegenspeler in mij te doen geboren worden. Ik wist dat hij mij in de diepste diepten van de joodse en menselijke problemen zou duwen, alleen vermoedde ik nog niet, hoe diep”.

Wie is de dader van de moordaanslag op de geleerde jurist en schrijver Jitschak Jozef de Vriendt [Jacob Israël de Haan] die in Jeruzalem op een zomeravond in Jeruzalem wordt vermoord? Dat is de inzet van de buitengewoon interessante roman die de wereld van fanatisme en politieke intriges blootlegt in Israël  & Palestina. Een wereld die sinds de beschrijving van Zweig ogenschijnlijk niet veel veranderde.


Jacob Israël de Haan was afkomstig uit een orthodox Joods milieu. Hij was de zoon van een Joodse voorzanger uit Drenthe en broer van Carry van Bruggen. De Haan werd opgeleid als onderwijzer, geraakte in de journalistiek, schreef de roman Pijppelijntjes die vanwege de homoseksuele thematiek opzien baarde. Na zijn promotie (1918) emigreerde hij naar Palestina. Hij was daar werkzaam als correspondent voor het Algemeen Handelsblad en werd in 1924 vermoord.

Arnold Zweig (1939). De Vriendt keert weer. Amsterdam: Querido. In goede staat, ingenaaid. Titeluitgave van de 1e druk uit 1933 die als nr. 49 uit de Salamanderreeks in 1939 opnieuw werd uitgebracht. In augustus 1940 uit de handel genomen. Omslag van Jan Bertus Heukelom. Vertaling Nico Rost. Niet in de handel/Zeer zeldzaam. Samen met 'Een vriend komt thuis. Jacob Israël de Haan-nummer' Special van Uitgelezen Boeken (jrg. 13, nr. 2, september 2009) € 69,00 (incl. verzendkosten). Belangstelling? Bel of mail ons.

juli 29th, 2020 by Igor Cornelissen

Het slotakkoord van Adriaan Venema

Adriaan Venema, die met aankondiging en al, een eind aan zijn leven maakte, heeft als schrijver en kunsthandelaar zijn sporen nagelaten. Zijn boeken over de Bergense school, de Amsterdamse juffers en de Nederlandse schilders die naar Frankrijk (Parijs vooral) trokken en daar beroemd werden, werden goed ontvangen. Venema kon de dingen tot het bot uitzoeken. Lof oogstte hij voor zijn speurzin toen hij het gedrag tijdens de oorlog van schrijvers, uitgevers en kunsthandelaren onder de loep legde in een omvangrijk oeuvre. Menigeen vond dat hij wat ruim omging met zout op slakken.

Ook aan het toneel waagde hij zich. Zijn Mussert, een Nederlands Koningsdrama, werd in 1973 opgevoerd onder regie van Peter Oosthoek. Het idee vond men aardig, gedurfd zelfs, maar de uitwerking trof geen doel. Hans van den Bergh stelde in Het Parool dat het allesbehalve een koningsdrama was. Seyss Inquart werd neergezet als een wat knerpend sprekend mannetje, dat leek echt nergens op. Dat Mussert een landverrader was, wisten we. Daarvoor is hij geëxecuteerd. Mijn vroegere collega bij Vrij Nederland Tessel Pollmann vond inmiddels veel meer: Mussert verrijkte zich royaal met in beslag genomen joods bezit. Hij was iets erger dan Loe de Jong hem had neergezet. Helemaal geen burgermannetje dat nog wel iets van Nederlands onafhankelijkheid wilde behouden, maar tegen Hitler geen schijn van kans had.

Enfin, dat kon Venema allemaal niet weten. In de kunstwereld was en bleef hij het beste thuis. En daarover ging ook het laatste gesprek dat hij bij mij thuis in Zwolle voerde. Dat was enkele weken voor zijn zelfgekozen dood, een gebeuren waarmee zijn laatste boek, Het dilemma, opent en ik citeer uit het hoofd: als u dit leest, ben ik er niet meer. In het boek is ook het bekende interview van Ischa Meier met Venema opgenomen.

Méér nieuwe oude boeken

juli 26th, 2020 by Jaap de Jong

Dit is mijn boek. Joodse exlibriscultuur in Nederland

Het leven speelt zich af binnen de dimensies ruimte en tijd; wordt gestuurd door hen die je ontmoet en hen die je ontwijkt. Er is geen ontkomen aan. Godlof dat er boeken zijn, boeken die je nooit meer kwijt wilt, ook al ben je boekhandelaar geworden. Of juist omdat je op weg bent om er één te worden. Boeken die je begeleiden, je weg verbreden, je helpen om je een weg te banen door een oerwoud dat grotendeels wel oerwoud zal blijven. Of boeken die als merkstenen zijn. Merkstenen en gedenktekens. Wie zal het zeggen?

Vorige week zag ik een titel in de boekenkast van mijn kompaan Igor Cornelissen. Ik vertelde er over en mijn geliefde zag begeerte in mijn ogen branden. Nu ligt het voor mij op tafel: Dit is mijn boek. Joodse exlibriscultuur in Nederland (Amsterdam, 2017). Het is een lijvig boekwerk dat 1492 pagina’s telt. Het zal wel toeval zijn dat dit aantal samenvalt met het jaar van de verdrijving van de Sefardim, die zich na dit Edict van Isabelle en Ferdinand over Europa verspreidden. Met in het kielzog het Boek en de boeken: woord, wet en gebod.

In het begin van de twintigste eeuw ontstaat er een apart genre: het (joodse) exlibris, waarin zo’n beetje alles tot uiting komt wat voor de ontwerper, bedenker en/of uitvoerder tot de essentie behoort. Jan Aarts en Chris Kooyman geven een interessante historisch-sociologische inleiding bij het handboek voor de boekcultuur. Ook hier aandacht voor de sporen die vluchtelingen nalieten. Zo wijzen zij op eerdere publicaties die het internationale aspect van de exlibriscultuur accentueren. Zo was er in 2011 een publicatie over de Exlibris in Exil: Duits-joodse vluchtelingen in Nederland 1933-1940. Uit de bespreking van die Duitse exlibriscultuur wordt bijvoorbeeld de “spanning” helder tussen assimilatie, emancipatie en persistentie. Een spanning die zich ook wel openbaart in de gebruikte afbeeldingen. Naast de lemmata over bijna 1400 titularissen en 600 kunstenaars zijn er essays opgenomen waaruit methodologische en sociologische aspecten helder worden. Erg jammer dat de namen van de beschreven titularissen (boekeigenaren) met hun exlibrissen (en paginaverwijzing) niet zijn opgenomen in het personenregister. Dat bemoeilijkt het snelle zoeken.

Het handboek van Aarts en Kooyman beperkt zich tot de Joodse exlibriscultuur in Nederland en daarover is al heel veel te vertellen. De inleiders doen zelf een poging tot samenvatting. Het gaat over “de trots van de Sefardische Joden op hun aristocratische afstamming, het streven naar emancipatie, de bijzondere gehechtheid aan het boek, de intellectuele voorkeur, de religieuze overtuiging, het zionistisch ideaal of het lijden onder discriminatie en vervolging.” Voor veel titularissen en ontwerpers is het exlibris het enig overgebleven teken van hun existentie: hun leven eindigt in Sobibor, Auschwitz en andere oorden van verderf.

Dit doet mij denken aan een verhaal van historicus Jaap Meijer, of beter de glashelder schrijvende dichter Samuel van Messel. In zijn bundel Het eeuwige leven (1972) geeft hij de dialoog weer tussen een vrijdenker en de drager van een naam: te weten de naam Gebiha, zoon van Pesisa: “een vrijdenker zei tot gebiha de zoon van pesisa / gij dwazen die aan een opstanding gelooft / alles wat leeft sterft en het gestorvene zou weder leven? Gebiha antwoordde / gij dwaas die de opstanding loochent / ik zeg u dat wanneer reeds iets kan leven dat voordien niet bestond. Waarom zou dan niet opnieuw kunnen leven iets dat reeds heeft bestaan” [naar de babylonische talmud, tractaat sanhedrin, folio 91].

Boeken die wij wèl verkopen

juli 23rd, 2020 by Igor Cornelissen

Het huis met de bloedvlekken. Over Amsterdamse burgemeesters

De burgemeesters van Amsterdam. Wie kent ze niet? Ik bedoel niet alleen Femke Halsema en Eberhard van der Laan, maar ook nog Schelto Patijn, Job Cohen (die van de polonaise en het theedrinken), Ivo Samkalden en Gijsbert van Hall. Drie van hen heb ik gekend en zelfs geïnterviewd, waaronder van Hall na zijn gedwongen aftreden.

Maar nu die grote gezagsdragers uit de zeventiende en achttiende eeuw. Soms met geld achter de hand, van adel of een beetje patriciaat. Die hadden, er waren geen echte verkiezingen, echt macht en invloed. En waarschijnlijk zullen activisten van nu zeggen, bloed aan hun handen. Nicolaas Tulp, kennen we nog een beetje als (ook) heelmeester, naar Bicker is het Bickerseiland genoemd en Hooft zegt ons ook nog wat.

Maar wie waren Joan Corver, Reynier Pauw, Coenraad van Beuningen en Willem Backer?

De laatste was van eenvoudige komaf. Zijn vader was haringkoper. Hij wordt ons door de schrijver Balbian de Verster beschreven als een beschaafd en kundig man. Voor een functie bij de VOC bedankte hij na enkele maanden omdat daar ongure zaken (mijn woorden) gebeurden. Hij had grote bemoeienis met het herstel van de Nieuwe Kerk na een brand. In 1646 werd de eerste heipaal ingeslagen. Balbian Verster beschrijft nauwkeurig hoeveel palen nog volgden want wij allen weten dat Amsterdam nu eenmaal op palen is gebouwd.

Over het tragische einde van Coenraad van Beuningen zijn veel verhalen in omloop. Hij leed grote verliezen in de handel, belandde in een ongelukkig huwelijk en zocht troost in de godsdienst. Van Beuningen schreef een verward geschrift waarin hij konde deed van het Duizendjarig Rijk dat aanstaande was. Het verhaal gaat dat Van Beuningen zijn gevel bekladde met zijn eigen bloed. Het gaat om tekeningen, onheilspellende woorden en meetkundige figuren. Mijn kompaan vertelde me dat in zijn huis (Amstel 216) nog steeds de bloedvlekken te zien zouden zijn. Hij sneed zich en besmeurde er de muren mee.

Bij Van Beuningen en veel anderen van die burgemeesters dacht ik: Interessante kerels, ik zou meer over hen willen weten. Een korte literatuur opgaaf achter in het boek kan daar daar bij helpen.

Jan François Leopold de Balbian Verster (1861-1939) was een journalist met brede belangstelling. Hij had relaties in de kunstwereld en schreef voor de oorlog o.a. voor het Algemeen Handelsblad en De Telegraaf. Zijn boek over de Amsterdamse burgemeesters is opgenomen in onze catalogus. Over die bloedvlekken heeft hij het niet. Híj niet!

Meer nieuwe oude boeken

juli 22nd, 2020 by Igor Cornelissen

Alles al ontdekt. Over Sven Hedin

Kort na de bevrijding nam mijn vader mij mee naar de bioscoop in Zwolle waar op zondagmorgen natuurfilms werden gedraaid. De binnenlanden van Brazilië. Apen en levensgrote slangen.  Ook stammen die nog nooit een blanke hadden gezien. Toen ik in die tijd bij de padvinders kwam moest ik als welp een opstel schrijven: Wat wil je later worden?

Eerst dacht ik aan bankdirecteur omdat ik meende dat dat zo’n directeur over al het bankgeld kon beschikken. Daarna dacht ik aan ontdekkingsreiziger vanwege die film over Brazilië en de ontdekkingsreiziger Sven Hedin (1865-1952) waarover mijn vader mij vertelde. Ook die laatste optie moest ik schrappen toen ik las dat alles al ontdekt was.

De Zweed Sven Hedin was een van degenen die mij was voorgegaan. In zijn jeugd had hij Perzisch geleerd. Dat kwam van pas toen hij de hoogvlakte van Pamir verkende. Later trok hij verder naar Tibet waar hij de laatste ‘witte plekken’ in kaart bracht. Hij had er wat voor over, want hij vermomde zich soms als boeddhistische monnik. Hij werd met zijn boeken en lezingen wereldberoemd. Hij liep een forse smet op door zijn bewondering voor Hitler die hij in 1935 ontmoette. Na de oorlog verdedigde hij zich met de bewering dat hij veel joden en verzetsstrijders het leven had kunnen redden.

Zijn foto’s van kamelen, gebergtes en Kirgizische vrouwen in klederdracht staan als een huis overeind. Ze zijn opgenomen in deze tweedelige serie over Azië, net zoals de kaarten.

Kleine toevoeging: de werkloze metselaar Marinus van der Lubbe, ja die van de Rijksdagbrand, las in de bibliotheek in Leiden niet alleen Karl Marx, maar ook Sven Hedin.

Sven Hedin (1919) Durch Asiens Wüsten: drei Jahre auf neuen Wegen in Pamir, Lop-nor, Tibet und China. 2 Bände. Mit 107 Abbildingen und 5 Karten [incompleet: 4]. Leipzig : F.A. Brockhaus, 1919. 6th edition. Originele linnen banden. XII, 236 [1]; VI, 245,[2] pp. Met register. Redelijk tot goede staat. € 17,50
juli 20th, 2020 by Igor Cornelissen

“An a goj, der jiddisch redt.” Over Hartog Beem en de Joden van Leeuwarden

In de zomer van 1974 interviewde ik Hartog Beem (1892-1987), oud-leraar Duits, over de resten van het jiddisch, dat in Nederland toen nog door slechts enkele tientallen werd gesproken. Van Beems hand was eerder een boekje over die taal verschenen [Jerosche (1959), zie Joodse bibliotheek, JON] De resten van die taal waren overal zichtbaar en zelfs na de oorlog  hoorbaar. Sommige waren zelfs in de dikke Van Dale doorgedrongen. Gein, goochem, lef, sjofel, chotspe en stiekem. Wie gebruikt die woorden niet? Slechts weinigen weten dat ze uit het jiddisch komen.

Boven het VN artikel stond de kop: An a goj, der jiddisch redt, dou ist kaan brooche an. In het Nederlands: Aan een niet-jood die jiddisch spreekt, daar rust geen zegen op. Beem verduidelijkte dat met een mooie anekdote uit Twente waar een joodse veekoopman met een niet-joodse boer onderhandelde over de prijs van een paard. De koopman bood honderd gulden wat de boer te weinig vond. Ze zouden het laten beslissen door de zoon van de koopman die er net aan kwam. ‘Meie zoof, wat moet dat peerd kosten?’ vroeg de koopman aan zijn zoon, die direct antwoordde: dat paard is met honderd gulden dik betaald.’ Als men weet dat “meie” honderd is en zoof in het jiddisch gulden betekent, begrijpt men het antwoord van de zoon. Of de boer het voor die prijs verkocht heeft, is niet bekend. Veel veehandelaren in het oosten en Noorden van Nederland kenden die woorden en uitdrukkingen. Vandaar de kop boven het artikel.

De in Harderwijk geboren Beem had met zijn vrouw door onder te duiken de oorlog overleefd. Reden tot vreugde was er niet. Voor de oorlog hadden ze al een kind verloren door een verkeersongeluk. Een ander zoontje en een dochtertje waren tijdens de bezetting verraden en vermoord. Beem stortte zich niet alleen op de resten van een taal, maar ook op de geschiedenis. Van het joodse leven in Leeuwarden waar hij lang leraar Duits was geweest, was veel materiaal bewaard. Beem was direct na de bevrijding aangesteld om het joods leven in de Friese hoofdstad voor zover mogelijk op gang te brengen. Het resultaat van zijn diepgravende onderzoek was een rijke studie over een ooit levendige gemeente en cultuurcentrum.

Nog even een mooie uitdrukking in het jiddisch die ik van Hartog Beem leerde: E jonge maad is besser wie ‘n alte tefille. Oftewel: een jonge meid is beter dan een oud gebedenboek. De humor is alleen te begrijpen als men weet dat het een oude gewoonte was uit eerbied het gebedenboek voor en na gebruik te kussen.

Naar aanleiding van: H. Beem (1974). De Joden van Leeuwarden. Geschiedenis van een Joods cultuurcentrum. Assen: Van Gorcum

In goede staat. Gebonden in zwart linnen met nette stofomslag. Met bibliografie, register, noten, XII, 368 pp. Meerdere illustraties zw/w. (€ 39,50, incl. verzendkosten). Méér judaica. Dit exemplaar bestellen? Bel of mail ons
juli 17th, 2020 by Jaap de Jong

De mooiste paradijstuin is niet meer dan wat zwarte sintels in droge aarde

Denkend aan Cornelis Steenblok (1894-1966) zie ik een zwarte T-Ford in een achterkamer staan, terwijl hij met zijn huishoudster in de voorkamer de maaltijd geniet. Niet veel later gaat Steenblok te snel door de bocht en belandt de T-Ford in een sloot. De dominee wordt wonderbaarlijk gered. Met zwarte hoed en al wordt hij uit het water gevist. Of ik sla hem gade terwijl hij de hostie weigert in een katholieke kerk en hoor zijn reactie op de boze blik van de priester die hem vraagt wat hij daar doet. Terwijl zijn “aangezicht verandert als in een keisteen”, zegt Cornelis Steenblok: “dit is toch een publieke plaats?” Deze en andere verhalen staan in het boekje Leven en leer van dr. C. Steenblok. Maar er is meer.

Ik herinner mij ook de verwondering toen ik als jonge student zijn proefschrift Voetius over de sabbath doorbladerde (met hardkartonnen blauwe omslag) en daarin de stellingen las. Een van die stellingen vond ik heel bijzonder: “de logische denkfunctie is door de zondeval niet aangetast geworden”. Eensklaps begreep ik de oorsprong van de conflicten en zijn wat onverzettelijke opstelling bij geschillen. Hij meende het gewoon altijd bij het rechte eind te hebben met de logica aan zijn zijde. Niet echt, maar toch wel bijna een God in het diepst van zijn gedachten. En waarschijnlijk heel eenzaam. Ik vond die stelling wel wat merkwaardig. Mij was altijd bijgebracht dat alles onder de ban van het kwaad lag en dat zelfs de mooiste paradijstuin niet meer is dan wat zwarte sintels in droge aarde.

Toen ik dit blog afrondde ontdekte ik dat P.L. Rouwendal een boek over Steenblok schreef waarin die stelling een belangrijke rol speelt, ook in de leergeschillen en -conflicten. Hij poneert daarnaast dat Steenblok het syndroom van Asperger had. Dat weet ik allemaal niet, maar de gedachtegang kan ik wel begrijpen, zeker nu ik het boekje over Steenblok opnieuw doorblader en over zijn ervaringen lees. In een als apologie bedoelde bespreking van de leer van Steenblok redeneert L.M.P. Scholten op soms bijna identieke wijze. Het blijft bijzonder, die logicistische omgang met heilige schrift.

In 1975 kreeg ik het boekje over Steenblok cadeau. Een presentje toen ik als leerling de dr. C. Steenblokschool verliet met als advies om de ambachtschool te volgen; ik mocht eventueel de Mavo proberen. Uit woede over dat advies verscheurde ik alle rapporten van de dr. C. Steenblokschool, maar het boekje hield ik en ik zal niet spugen in de bron waaruit ik dronk. Met dr. C. Steenblok heb ik niet veel, maar ik laat mij nooit de herinnering ontnemen aan de beschrijving van het overlijden van de predikant Pannekoek, een leerling van Steenblok. Er werd geschreven dat op het moment van zijn sterven, “de wind plotseling ging liggen en er (…) een stilte in de valley [kwam].” Ik geloof dat.

Je moet goed luisteren om windstilte te horen.

Boeken die ik wèl verkoop

juli 17th, 2020 by Igor Cornelissen

Puien in Londen

Als jongen had ik weinig belangstelling voor architectuur. Op school werd er niets over verteld en mijn familie telde geen ontwerpers. Het enige wat me een beetje boeide waren zeventiende eeuwse huizen met klokgevels.

Die belangstelling kwam door de boeken die ik las over de gouden eeuw met ontdekkingsreizigers en dappere vechters tegen woeste inboorlingen. In dat soort boeken stonden tekeningen van de havens waar die schepen uitvoeren. Steden met straten vol met klokgevels. Ik keek mijn ogen uit toen ik, kort na de oorlog, voor het eerst in Amsterdam kwam. Overal gevels. Je kon met een beetje fantasie Paddeltje of de scheepsjongens van Bontekoe zien lopen. Dat kostte mij geen moeite.

Alain Powers laat in Shop Fronts een heel andere architectuur zien. Winkelpuien in het 19e eeuwse Engeland en Schotland, ontworpen voor trotse winkeliers met smaak. Zij hadden er, en dat moet erbij, het geld voor over om hun goede naam accent bij te zetten. Zelfs een slager had er centen voor over om klanten te lokken. Veel Art Deco en Jugendstil.

Het zou leuk zijn om in Londen met dit boekje in de hand te bekijken wat er nog resteert. Het boekje is uit 1989 en men moet vrezen dat de modernisering sindsdien niet is stopgezet. Je kunt natuurlijk ook de plaatjes bekijken in de illusie dat alles er nog is zoals het was. In ieder geval heeft men in Engeland meer gevoel voor traditie dan in Alkmaar of Goes. In Zwolle werd er in de jaren zestig onder leiding van burgemeester Roelen een hele punt uit de oude binnenstad gehakt. Het is een wonder dat de Sassenpoort er nog staat. Dit alles terzijde.

Méér nieuwe oude boeken

juli 16th, 2020 by Igor Cornelissen

“Zwalkend door de Kalverstraat”. De Tachtigers: onmaatschappelijke mooischrijvers

Dr. G. W. Huygens was één van de recensenten die mij in de jaren vijftig en zestig op weg hielp door het doolhof van de Nederlandse letterkunde. Hij schreef doorwrochte en toch heldere recensies in de NRC. Die knipte en bewaarde ik. Hij was het die mij met J. van Oudshoorn en anderen liet kennis maken. De pessimisten van rond 1900.

Mijn Praagse vriendin Petra Schürova die Duits en Nederlands studeerde, sprak en las, zei mij jaren geleden dat er geen schrijvers waren die zo somber schreven als de Nederlanders in die tijd. Hoorde Multatuli daarbij? In ieder geval was de docent Nederlands een kenner van zijn werk. Hij gaf, soms samen met zijn vriend Garmt Stuiveling, werk van Douwes Dekker opnieuw uit. Vaak geannoteerd. Huygens was een goede leraar die er op zijn terrein veel ‘bij deed’.

Dat Van Oorschot zijn dissertatie De Nederlandse auteur en zijn publiek als gewoon boek uitgaf staat waarschijnlijk niet los van het feit dat Huygens meewerkte aan Van Oorschots blad De Baanbreker (1945-1946). Ook zal het Van Oorschot plezier hebben gedaan dat Huygens enkele malen Jacques de Kadt instemmend aanhaalt die bleef hameren op vrijheid en democratie. De Kadt en diens vriend Sal Tas schreven voor De Baanbreker.

Huygens wilde in zijn boek, anders dan gewoon was, de schrijver in zijn tijd plaatsen. Het werd dus een sociologisch-literaire studie over de ontwikkeling van het literaire leven vanaf de 18e eeuw. Wie had ooit aandacht gegeven aan het relatief kleine publiek van de toen opererende auteurs? De meeste mensen hadden geen geld voor boeken en al helemaal niet voor fraai ingebonden werken. Fraai (vind ik tenminste) dat hij Van Deyssel typeert als ‘een vrij onmaatschappelijke mooischrijver’. Hij en die andere Tachtigers die dagenlang wat mijmerend (en zwalkend) door de Kalverstraat rondlopen. Er is vooruitgang. Althans verandering. Ik denk niet dat er nu nog een schrijver die bij zinnen is, die om indrukken op te willen doen door de Kalverstraat gaat lopen met alle die trendy winkels die nare muziek naar buiten strooien.

Vreemd dat Huygens Bernard Canters meesterwerk Kalverstraat niet noemt dat de moordende concurrentie tussen de oude winkels en de opkomende grotere bedrijven beschrijft. Kalverstraat werd enkele malen herdrukt. Ik heb een eerste druk. Maar die doe ik nog niet weg. Ik heb Canter jaren gekoesterd en schreef een groot stuk over hem in Vrij Nederland. Dat kon, het was toen een echt ruim weekblad, waar redacteuren hun gang konden gaan. Dit terzijde uiteraard.

juli 14th, 2020 by Igor Cornelissen

Lucebert: een gemankeerd saxofonist

Of Lucebert beter saxofonist had kunnen worden dan dichter en schilder? Dat kan ik niet beoordelen. Wel krijg ik de indruk dat de dichtregels Alles van waarde is weerloos / wordt van aanraakbaarheid rijk / en aan alles gelijk wat minder vaak in overlijdensadvertenties verschijnen.

Dat zal dan wel komen door de onthullingen in de biografie van Wim Hazeu. Lucebert was in zijn jonge jaren een vurige bewonderaar was van Adolf Hitler.

Ik bezocht Lucebert in zijn atelier omdat hij in gedichten zijn grote jazz voorbeelden vereerde. Ik schreef er een stukje over in Vrij Nederland. Het kwam in deze verzamelbundel terecht. Hij draaide tijdens ons bezoek de goede jazzplaten van Coleman Hawkins en Lester Young.

Omdat ik, zoals zijn beste vrienden, niets wist van zijn vroegere Hitlerverering kon ik hem niet confronteren met het feit dat de nazi’s de jazz verboden in hun Derde Rijk. Entartete Kunst. Muziek van joden en negers. Pete Felleman zou er aan toegevoegd hebben: En van Italianen.

Achterin het boek een opsomming van de jazzplaten die Lucebert bezat. Een mooie collectie die getuigt van goede smaak. Jammer dat… enz…enz.

Ben IJpma & Ben van Melick (red.) (2013). Ik ben een gemankeerde saxofonist. Amsterdam: Uitgeverij Huis Clos & Rimburg.

In beschermhoes. Met 2 CD's, gedichten, tekeningen, gouaches, olieverf op doek, foto's en essays. Oplage 750 ex. Best verzorgde boek 2013 - Ehrendiplom (Schönste Bücher aus aller Welt 2014). Als nieuw. Uitverkocht & zeldzaam. Tegen ieder aannemelijk bod of samen met de biografie van Wim Hazeu voor € 75,00 (incl. verzendkosten NL). Zie contactpagina voor mail/telnr.
juli 14th, 2020 by Igor Cornelissen

Kijken over de Atlantische oceaan: beter wordt het niet

Joseph Luns (1911-2002) was langer, ook langer minister van Buitenlandse Zaken dan Eelco van Kleffens (1894-1983), maar Kleffens, de uit Heerenveen stammende diplomaat, kende zijn dossiers zeker zo goed als Luns. Bovendien was hij nooit lid van de NSB. Van Kleffens was en bleef partijloos. Dat hielp hem bij zijn benoeming als minister in 1939.

Zijn memoires kwamen bij De Slegte terecht wat een beetje onrechtvaardig was. Ik denk dat het publiek gehoopt had op onthullingen. Hij was ten slotte de man die in Londen moest bemiddelen als de twee stijfkoppen, Gerbrandy en Wilhelmina, tegenover elkaar stonden. Van Kleffens laat wel doorschemeren die hij het daarbij niet makkelijk had. De vorstin was weliswaar niet dom, maar van de echte wereld had ze geen kaas gegeten. Het kostte Van Kleffens in Londen veel moeite haar te overtuigen dat Nederland diplomatieke banden moest aanknopen met de Sovjet Unie nadat dat land was aangevallen door Hitler en dus onze bondgenoot was geworden.

Van Kleffens, die in Leiden had gestudeerd, kon terugkijken op een prachtige loopbaan. Eerst als ambtenaar op het ministerie waar hij verdragen voorbereidde waarvan de namen goeddeels vergeten zijn, daarna als minister. Na de oorlog werd hij ambassadeur in Londen en Washington. Zware posten. Toen en nu.

Toen ik zijn herinneringen herlas, vond ik ze boeiender dan bij aanschaf, al blijft het achterste van zijn tong onzichtbaar. Aan het slot van zijn boek beschrijft hij een tochtje naar Bolsward, volgens hem de mooiste van de Friese steden. Een mooie reden om die stad aan te doen bij mijn jaarlijkse ontdekkingsreis door die provincie. Uit het stadhuis en andere gebouwen sprak een voornaamheid van geest. Die voornaamheid straalde ook Van Kleffens wel uit en hij kwam ook wel eens wat hautain over. Volgens intimi was hij warm en hartelijk tegenover goede vrienden, maar kribbig als hij zijn zin niet kreeg.

Zijn laatste jaren sleet hij in een fraaie villa in Portugal waar Salazar aan de macht was. Ik denk dat het dictatorschap van Salazar voor Van Kleffens ondergeschikt was aan het feit dat Portugal lid was van de NAVO. Misschien was het belangrijkste wel dat hij vanuit zijn huis, zittend in een prachtige tuin, over de zee kon uitkijken.

Naar aanleiding van Kleffens, E.N. van (198). Belevenissen I en II [2 delen]. Alphen aan den Rijn: A.W. Sijthoff.  € 19,95 (incl. verzendkosten).
juli 13th, 2020 by Igor Cornelissen

De passie van Wagenvoort, analyse van een gemoedstoestand

Maurits Wagenvoort (1859-1944) was reisredacteur van het Algemeen Handelsblad en gold lange tijd als vergeten. Daar zijn er meer van. Voor die tijd schreef hij gewaagd. Hij bekende zich met deze roman tot het naturalisme. Émile Zola’s roman Thérèse Raquin geldt als het grote voorbeeld voor deze stroming. Wagenvoort schreef veel, sommige boeken onder het pseudoniem Vosmeer de Spie. Zoals de hier aangeboden zeldzame eerste druk uit 1891. Met opdracht aan de bankier G.J. de Clercq (1828-1896), een verre nakomeling van de Réveilman Willem de Clercq.

Twee titels uit zijn naturalistische periode hebben als ondertitel Analyse van een gemoedstoestand waarmee Wagenvoort aangeeft de menselijke natuur op realistische of misschien zelfs wetenschappelijke wijze te willen beschrijven. Als men weet dat Wagenvoort homoseksueel was en bevriend met Louis Couperus, dan moet dat de interesse wekken. Met dit boek liep hij eerst zonder succes zes uitgevers af. Schijters in dat vak had je toen blijkbaar ook al. Trouwens de dochter van Herman Heijermans beweerde dat haar vader met Kamertjeszonde pas bij de 41ste uitgever succes had. Baas boven baas.

‘t Schijnt dat Wagenvoort nu weer in de belangstelling is. Reden is dat Gerrit Komrij hem uit het stof op diepte. Komrij had ontegenzeggelijk smaak, kennis en was tegendraads. Nogal scherp tegen het schreeuwerige feminisme. Ik lees hem nog altijd graag. Of is Komrij ook vergeten? Ik vraag maar.

Méér nieuwe oude boeken

juli 12th, 2020 by Igor Cornelissen

“Gouden jaren, maar ik proefde ook brons, erts en roest.”

John Jansen van Galen werkte vele jaren voor de Haagse Post en schreef de geschiedenis van de grote (en betere?) concurrent Vrij Nederland. De jaren dus dat er nog werd gelezen. Ik werkte voor VN van 1962 tot 1996 en wist er dus veel van. John kwam enkele malen naar Zwolle om me te bevragen. Hoewel ik al veel over die jaren had geschreven, kon ik hem toch helpen. John sprak met vele tientallen redacteuren en medewerkers van het weekblad. Een mooi uitgebalanceerd eindresultaat kwam in de winkels. Daar heb ik het gekocht want John kon natuurlijk niet al zijn zegslieden een gratis exemplaar toesturen.

De gouden jaren van het linkse levensgevoel, noemde hij zijn boek. Dat goud heb ik gewogen en uiteindelijk te licht bevonden. Dat geldt niet voor het boek. Maar ik proefde er ook het brons, ijzererts en roest. Voor mij was het genoeg geweest.

Nu is een andere lezer aan de beurt die het allemaal niet heeft meegemaakt. En toch wil weten waarom het zo’n mooi weekblad was waar alles kon en alles mocht. En ook alles gebeurde. Ze schitterden: Al die ooit glorieuze figuren zoals Martin van Amerongen, Rinus Ferdinandusse, Mathieu Smedts, Jan Rogier, Joop van Tijn, Renate Rubinstein. Den Haag (en de rest van het land) sidderde of genoot als zij de pen ter hand namen. Al die namen, nu vrijwel vergeten. Net als ik, maar ik schrijf nog.

Méér nieuwe oude boeken