in 't Wasdom

Antiquariaat Cornelissen & De Jong
juli 10th, 2020 by Igor Cornelissen

Rinkelende bellen en klinkende cimbalen – over ‘t vooroorlogse antisemitisme

De bundel Anti-semitisme en jodendom met daarin een aantal thematische opstellen heeft als ondertitel ‘Een bundel studies over een actueel vraagstuk’.

Die ondertitel heeft bijna eeuwigheidswaarde. Het boek verscheen in 1939 toen de jodendiscriminatie in Duitsland al heftige vormen had aangenomen en Nederland werd ‘opgescheept’ met joodse vluchtelingen.

Jacques Presser opent de rij van bijdragen met Het antisemitisme als historisch verschijnsel. Zoals we van hem gewend zijn, dook hij diep in de geschiedenis en kon (en wilde) hij de christelijke wortels van de jodenhaat niet overslaan. De joden waren een ander, vreemd volk, en misoogsten, epidemieën, overstromingen, oorlogen, aardbevingen economische en sociale crises werden toegeschreven aan dat andere volk. Van enkele andere schrijvers, zoals Van Oijen en Joh. van der Spek weet ik niets. Voor wie Menno ter Braak, prof, mr. B.M. Telders (een liberaal die in een Duits concentratiekamp overleed) en de socioloog dr. J. P. Kruijt nog wel een rinkelende bel of klinkende cimbaal is, is dit boek een aardig aanvulling op de collectie.

Er zijn een paar regels in Pressers studie die het overdenken met commentaar waard zijn: Over joodse hoogmoed.

Ik kom er niet meer aan toe.


Fritz Bernstein was geboren in Duitsland maar kwam naar Nederland waar hij een gezaghebbend man werd in de zionistische beweging. Hij vertrok naar Palestina en was in 1948 een van de ondertekenaars van de onafhankelijkheidsverklaring van de staat Israël. Daarna tweemaal minister van Industrie en Handel.

Zijn boekje Over Joodsche Problematiek uit 1935 begint herkenbaar: “Men heeft den Jood weer ontdekt. Boeken over Joden zijn altijd verschenen. Thans [1935 dus] worden wij overstroomd met boeken over Joden.” Uiteraard waren daar voor een deel recente gebeurtenissen de oorzaak van, het aan de macht komen van Hitler.

Die machtsovername van Hitler veranderde veel, maar niet alles, Eigenlijk was het volgens Bernstein altijd zo: ’Het land, waaraan de Jood,  met de sterkste gevoelens van thuis te zijn is gebonden, is het land van een ander volk.’ Vandaar zijn pro-zionisme. Mét de blauw-witte vlag.

En nu? Er verschijnen, lijkt het, steeds meer boeken over joden en vooral over wat hen is aangedaan. Hadden we maar, zullen veel zionisten verzuchten, in 1933 een eigen staat gehad waar we, althans binnenlands, verschoond waren geweest van het antisemitisme dat altijd aanwezig is. Virulent of bedekt.


Boris Raptschinsky was een Russische jood. Toen hij in Amsterdam in 1983 overleed, was hij 96 jaar. Het grootste deel van zijn leven woonde hij in Nederland. Hij promoveerde op de tijd van Peter de Grote in Nederland. Hij had veel leerlingen die Russisch van hem leerden. Hij schreef woordenboeken.

Het joodsche wereldprobleem behandelt mogelijke oplossingen voor de overal onwelkome joden. De Guyanas was er een van. Na de oorlog zette hij zich in voor emigratie van joden naar Suriname. Hij correspondeerde er over met minister Logeman en besprak het met premier Willem Schermerhorn Daar kwam, zoals we weten niets van terecht, want het werd Israël. Het jaartal van publicatie van het boekje is vreemd (1941), maar het kon nog net. Jaap Meijer – de vader van Ischa – promoveerde nog op 2 oktober 1941. Daarover schreef ik eerder in De Parelduiker.

Met overlijdensadvertentie van zijn tweede vrouw (uit: NRC Handelsblad).

Méér judaica

juli 9th, 2020 by Igor Cornelissen

Van Oldenbarneveldt, pion op een veranderend krachtenveld

In vergelijking met de Franse, Italiaanse en zelfs (kleine) Britse communistische partij, beschikte de CPN over weinig aanhang onder de schrijvers. Eigenlijk was Theun de Vries de enige met landelijke bekendheid die ook door niet-communisten werd gelezen. Hij schreef goed, vlot en veel en kreeg zo’n beetje alle juryprijzen uitgereikt.

Theun was een aardige man die mij af en toe wel wat wilde vertellen over zijn vroegere partijgenoten. Partijleider Paul de Groot had hem gevraagd hoe je dat deed: Je memoires schrijven. De Vries had geantwoord: opschrijven wat je je herinnert uit je jeugd, je ouders, je schooltijd. De Groot was eigenwijs, wilde een ‘leerboek’ schrijven en dat werd dus onleesbaar. De Vries wilde pas praten nadat hij in 1971 voor het partijlidmaatschap had bedankt.

De Vries was van vele markten thuis en greep graag een paar eeuwen terug. Met zijn biografie van Johan van Oldenbarneveldt, waarvan de meeste Nederlanders niet veel meer weten dat hij werd onthoofd, waagde De Vries zich op glad ijs. Waarom werd de grondlegger van de Nederlandse staat geëxecuteerd? Voor zijn boek kreeg hij raad van de historici Jan en Annie Romein, Van Oldenbarneveldt werd bij de Vries een pion op het veld der maatschappelijke krachten.

Voor dit boek kreeg hij lof van gerenommeerde historici als De Pater, Colenbrander en zelfs Geyl. Die laatste wetenschap ontleen ik aan Jos Perry die een uitstekende biografie over Theun de Vries schreef.

De hier aangeboden biografie over Johan van Oldenbarneveldt was ooit eigendom van Henk Dienske (1907-1945) [met ex libris] één van de rechtvaardigen onder de volkeren (Yad Vashem onderscheiding, 2 februari 1971). Hij werd in 1944 gearresteerd en was tot dat moment provinciaal leider van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (Noord-Holland en Amsterdam).

juli 8th, 2020 by Igor Cornelissen

Flitslicht op New York

Over Bernard Verduin, de radencommunist en volgeling van Herman Gorter, schreef ik eerder. Bernard Verduin was bevriend met Maurits Dekker schrijver van de revolutieroman Brood! en van het Roodboek.

In laatstgenoemd boek nam hij het op voor de vrijwel door iedereen belasterde Marinus van der Lubbe die in 1933 de Rijksdag in brand stak.

In 1925 begon Verduin een zaak in kunstverlichting. Het werd een succes, vooral door de neonbuizen die uit Amerika kwamen. Toen zijn zaak 35 jaar bestond schreef Verduin een boekje Flitslicht op New York. Een relatiegeschenk en niet in de handel. Manhattan door Nederlandse ogen.

Méér nieuw oude boeken

juli 7th, 2020 by Igor Cornelissen

Gerrit Kastein (1910-1943) en het rassenvraagstuk

Gerrit Kastein was een arts en neuroloog die communist werd en in Spanje tijdens de burgeroorlog tegen Franco streed. In 1937 promoveerde hij op het proefschrift Eine Kritik der Ganzheitstheorien. Zijn dissertatie werd uitgegeven in Leiden, bij Jacob Ginsberg, de kleurrijke bohemien & antiquaar in Leiden over wie mijn kompaan eerder schreef en die ook andere wetenschappelijk werk over de rassenleer uitgaf (zie bijv.: Sigmund Feist als biologisch antropoloog).

In Het Rassenvraagstuk (1938) analyseert Kastein de rassentheorieën zoals die in zijn tijd de ronde deden. In het voorwoord wordt in dit verband op de NSB en de nationaal-socialistische arbeiderspartij van majoor Kruyt gewezen. Een merkwaardige figuur, man van de omvolking, die de Caribische eilanden wilde laten ontruimen en de bevolking vervangen door Nederlanders.

Toen Nederland in mei 1940 werd bezet, was Gerrit Kastein een van de eersten die in het verzet ging. Een moedige man, keihard. Toen hij gevangen werd genomen en werd verhoord, wist hij, geboeid en al, op het Buitenhof uit een raam te springen. Zelfmoord omdat hij wilde voorkomen dat hij bij nog zwaardere verhoren namen zou prijs geven.

Dat van die zelfmoord mocht niet in De Waarheid toen hij na 1945 werd herdacht. Men maakte ervan dat hij er op rekende een been te breken en dan, later, uit een ziekenhuis zou kunnen ontsnappen. De SGP, die een vergaderkamer betrok in de ruimte waar Kastein werd verhoord, liet enkele jaren geleden ter ere van hem op die plaats een maquette aanbrengen. Een sympathiek gebaar van de SGP die, maar dit terzijde, meer aardige kanten heeft. Ik vermoed dat de SGP de communist Gerrit Kastein meer als een Simson eert, dan dat ze hem zijn ‘zelfmoord’ aanrekent. Bij de herdenking was een kleindochter van Kastein aanwezig.

Naar aanleiding van: G.W. Kastein(1938). Het rassenvraagstuk. Amsterdam: Pegasus. 

Gaaf exemplaar. Kunstleren omslag. Meerdere foto's in de traditie van de biologische antropologie uit de jaren dertig.

Meer nieuwe oude boeken – in ‘t Wasdom, waar anders?

juli 6th, 2020 by Igor Cornelissen

Willem Wittkampf: “Het moet allemaal echt zijn, echt gebeurd.”

Willem Wittkampf werkte tijdens de bezetting als jongeman in Zutphen voor het illegale Parool. Bij die krant was hij jarenlang sterverslaggever of beter: interviewer. Hij was de uitvinder van het apostrof vraaggesprek. Zijn vragen las je niet. Het verhaal begon en eindigde met een aanhalingsteken. Vaak gingen die verhalen over de oorlog. Jaren later kreeg Willem navolgers zoals Ischa Meijer en Gerard van Westerloo. Ik heb Willem Wittkampf eenmaal gezien. Dat was op de kunstenaarssociëteit De Kring waar hij veel verbleef. Willem stond aan de bar, dronk in hoog tempo, voerde het hoogste woord en liep op gymnastiekschoenen. Dat laatste vond ik zeer merkwaardig. Het hoorde, nam ik aan, bij het vrije leven van een verslaggever in de hoofdstad waar andere normen golden.

Zijn boekje Het Kanon gaat weliswaar over de oorlog, maar is erg geestig. De enige bezetter is een Duitser die een kanon beheert dat alleen afgaat als je er met een hamer op slaat. Dat het vol humor zit zou ook niet anders kunnen, want de befaamde Fiep Westendorp maakte de tekeningen.

Willem Wittkampf kreeg bij Het Parool een jaar vrijaf om de roman te schrijven die alle andere romans overbodig zou maken. Het vrije jaar liep erg uit en de roman is nooit afgekomen. Het liep verdrietig met de journalist/romancier af. Hij kwam zijn huis in de Pijp bijna niet meer uit en leefde op blikjes sardientjes. Ik heb hem nog eens gebeld over die roman, maar veel verstandigs kwam er niet uit. Het leek me dat hij uitgekeken was op de wereld. Hij had zijn brievenbus dichtgespijkerd, vertelde hij mij. Na zijn dood hebben vrienden in dozen vol met aantekeningen voor De Grote Roman gekeken. Er viel niks van te maken.

Het Kanon blijft gelukkig recht overeind staan.

De roman (tweede druk) is uit 1951. Fiep tekende o.a. voor Het Parool. Wat dat blad een talent in huis had! Ik heb er ook gewerkt. Slechts een half jaar. Ik had een chef op de redactie binnenland die ronduit een secreet was. Ik nam ontslag. Dat was beter dan ontslag krijgen. Hoofdredacteur was toen P. J. Koets die ik leerde kennen toen ik tien jaar lang een rubriek had in de krant en hij mij soms opbelde om zijn instemming te betuigen. Van dat ontslag wist hij niets. Jammer dat ik hem toen niet naar Wittkampf heb gevraagd. Maar als je zo doorgaat, bestaat het leven uit gemiste kansen. Maar dit laatste geheel terzijde.

En dan nog een van Wittkampf onder de naam Willem zoals zijn stukken in Het Parool kwamen. Veertig interviews met mensen die echt iets te vertellen hebben. Vaak joden die de kampen of de onderduik hadden overleefd en daarna weer aan de slag gingen.

In een vooraf vertelt Wittkampf hoe hij te werk ging. Soms sprak hij uren met mensen. maar gebruikte toch de tekst niet. Dan twijfelde hij aan het waarheidsgehalte. Het moest allemaal echt zijn, echt gebeurd.

Een enkele keer had hij een bandopname apparaat bij zich. Dat beviel toch niet echt want als dat ding aanstond dacht hij: ouwehoer maar door, ik luister morgen wel wat je allemaal te vertellen had. Dat klikte niet, want als hij niet echt luisterde (en een vraag kon stellen) dan werd het niet echt, dan verwaterde het.

Hij sprak vrijwel alleen met onbekende mensen. Nooit met ministers, politici of beroemdheden. Simon Wiesenthal was een uitzondering. Uit zo’n vraaggesprek kwam je niet altijd te weet met wie hij had gesproken, meestal kleine mannen. Van de markt of uit een groentenzaakje. Maar altijd met een bijzondere belevenis. Sociologisch een buitengewoon interessant boek omdat deze veertig mensen over onherhaalbare ervaringen vertellen. Willem zegt dat zijn collega’s zijn stukken graag monologen noemden. Hij zelf gebruikt liever het woord proces-verbaal. Alleen dat wat er toe doet. En in zijn geval voor de krantenlezer. Daar waren er toen meer van dan nu.

Die smulden, en dat doe ik nog steeds als ik het intervíew lees dat zo begint:

“Ja maar hoor es- als u vraagt waarom ik als ‘een-vou-di-ge kokkin wél onmiddellijk begreep dat het mis was toen Hitler aan de macht kwam…ten eerste onderschat u geloof ik het vak van kokkin. ‘t Is de leiding hebben van de keuken en (…)”

Dan lees je door want je wilt alles weten over die kokkin.

Méér boeken

juli 5th, 2020 by Igor Cornelissen

Wij leven niet van maartse wind alleen …

De Russen beschouwen Poesjkin nog altijd als hun grootste schrijver. Hij wordt ‘de zon van onze literatuur’ genoemd. Hans Boland beschrijft zijn leven op een aanstekelijke manier. Poesjkin, de man van Jevgeni Onegin, maar ook van De Kapiteinsdochter dat, als ik mij goed herinner, in de jaren dertig door de jonge Karel van het Reve werd vertaald. Maar Karel kende toen nog helemaal geen Russisch. Hij vertaalde uit het Duits zoals vele Russische klassieken toen uit het Duits werden vertaald. Het aantal slavisten was dun gezaaid. Nu is er een klein legertje met Boland als onbetwiste aanvoerder.

Poesjkin is voor ons westerlingen interessant omdat men door hem de Russische ziel leert begrijpen. Boland zegt het zo: ‘Misschien is de ontdekking van Rusland via Dostojevski in plaats van Poesjkin te vergelijken met de ontdekking van de westerse kunst door de Japanners via Van Gogh en niet via Rembrandt.


Anna Achmatova (1898-1966) geldt nog altijd als een van de grote Russische dichteressen. Haar eerste gedicht in deze bundel stamt uit 1909. Ze maakte alle ellende mee die zich de vorige eeuw uitstortte over de bewust levende Rus. Pas na 1953 (Stalins dood) kon ze iets ruimer ademhalen.

Hans Boland, die terecht prijzen kreeg voor zijn Russische vertalingen, schreef voor de keuze uit haar werk, een korte, heldere inleiding over haar leven. De Noten aan het slot zijn onmisbaar om haar te begrijpen. Want wie weet er hier nou dat de ’Chinese brug’ zich bevindt in Tsarskoje Selo, het ‘tsarendorp’.  Die brug komt voor in haar gedicht:

Voor een geliefde

Je hoeft me niets te zeggen met een duif / Je hoeft me geen bezorgde brief te sturen / Blaas niet in mijn gezicht met maartse wind / Ik ben sinds gisteren in de groene Hof / Onder een schaduwplek van populieren / Alwaar  men rust voor ziel en lichaam vindt.

Wie de rest van het gedicht wil lezen, kan zich de bundel aanschaffen. Of een ander boek. Wíj leven niet van maartse wind alléén.

Meer boeken

juli 4th, 2020 by Jaap de Jong

Willem Elsschot digitaal

Onlangs startte ik met een project over Alfons de Ridder (pseudoniem: Willem Elsschot). Ik ben geïnteresseerd in de ins en outs rond de ontvangst van de roman Kaas van Willem Elsschot, m.n. de uitgave uit 1933 (uitgave Forum). Zo is er bijvoorbeeld de correspondentie met Menno ter Braak over Kaas die mij boeit. Maar hoe kom je nu aan de juiste bronnen om daar iets zinnigs over te kunnen zeggen?

Mits je de weg weet is het niet enorm ingewikkeld om hoogwaardige en dus relevante digitale bronnen te vinden. Maar je kunt zo iets ook leren. Geleidelijk. Het project – opgezet met de projecttool bolas – demonstreert de mogelijkheden en functionaliteiten van de tool voor het (literatuur)onderwijs in het voortgezet en hoger onderwijs. Voor leerlingen en studenten is het niet eenvoudig om zich een weg door het doolhof te banen. De handleiding bij de onderzoekstool BOLAS (Jong & Avest, 2020) helpt hen daarbij. Hier staat (als voorbeeld) een selectie uit het klikbare projectoverzicht van gebruikte bronnen en databanken.

Via het Biografisch Portaal vond ik materiaal in de DBNL (o.a. de briefwisseling met Menno Ter Braak over Kaas). De krantencatalogus van Delpher geeft toegang tot meerdere recensies. Voor de secundaire literatuur, primaire bronnen en recensies maak ik gebruik van Laelaps, de Online Bibliotheek en de databanken Literom en de Uittrekselbank. De projecttool helpt ook nog eens bij het verwijzen naar bronnen en het opzetten van de literatuurlijst.

Voor biografische details van Willem Elsschot volstaat de biografie van Van de Reijt. De uittrekselbank van NBD Biblion en Literom bieden toegang tot recente recensies, terwijl het zoeken in Delpher vooral oudere recensies (vanaf 1933) van Kaas opleverde.

De projecttool BOLAS – die ik rond 2015 met mijn zoon Thomas opzette en verder ontwikkelde – voldoet nog steeds om snel en effectief een antwoord te geven op dit soort oprispende vragen. Ik ben daar blij mee en dat deel ik.

Antiquariaat Cornelissen & De Jong geeft in samenwerking met BOLAS toegang tot een prachtige onderzoeks- en projectomgeving. Gebruikers zoeken, vinden, delen in die omgeving hoogwaardige bronnen die ze simpel, met één enkele muisklik, kunnen opslaan (vlg. APA-richtlijnen).

Wat wil een levend mens nog meer?

Méér over de handleiding voor BOLAS en méér over de collectie Van de Reijt

Geraadpleegde literatuur [zie BOLAS-rapport voor de klikbare versie (incl. selectie van databanken]

Briefwisseling tussen Menno ter Braak en Willem Elsschot 1933-1938 (2010). Geraadpleegd van https://www.dbnl.org/titels/titel.php?id=braa002brie23

Dossier Willem Elsschot (2020). Geraadpleegd van https://uittrekselbank-nbdbiblion-nl.kb.idm.oclc.org/auteur-titel?q=willem elsschot

Elsschot, W. (1933). Kaas.  Forum, 2, 497-793.

Faneker, S. (2020). Willem Elsschot & Kaas. Geraadpleegd op 4 juli 2020 van https://uittrekselbank-nbdbiblion-nl.kb.idm.oclc.org/detail/622417/kaas

Jong, J. de & R.J. ter Avest (2020). Handleiding bij het opzetten en uitvoeren van (praktijk)onderzoek. Zwolle: 't Wasdom

Overzicht Willem Elsschot in de DBNL (primaire en secundaire bronnen) (2020). Geraadpleegd van https://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=elss001

Reijt, Vic van de (2012).  Elsschot. Leven en werk van Alfons de Ridder. Amsterdam: Athenaeum - Polak & Van Gennep.

Rinckhout, E. (2011, 4 maart). "Elsschot schreef 'Kaas' als boetedoening".  De Morgen. Geraadpleegd op https://literom-nbdbiblion-nl.kb.idm.oclc.org/

Willem Elsschot (2020). In Biografisch Portaal. Geraadpleegd op http://www.biografischportaal.nl/
juli 3rd, 2020 by Igor Cornelissen

Doorn in het vlees

Wat gebeurde er met de collaborateurs en landverraders die na 1945 niet werden doodgeschoten? Ismee Tames van Oorlogsdocumentatie zocht het uit. Sommigen kwamen pas na tien, twaalf of vijftien jaar vrij. Dat waren de zware gevallen.

Ik stuitte in haar boek op Piet Cieraad die Zwolle tot een paar dagen voor de bevrijding van de stad op jacht was naar ondergedoken joden en verzetsstrijders. Ook was hij de lijfwacht van Anton Mussert. Hij werd ter dood veroordeeld, kreeg gratie (hij was een ‘ware christen’ geworden) en mocht zich na vele jaren weer bij zijn gezin voegen. Een dochter vertelde aan Ismee Tames dat hij eigenlijk niet was veranderd. Nog altijd diezelfde autoritaire man die zijn dochter van het gymnasium haalde, want dat onderwijs had hij zelf ook nooit gehad.

Ik kon de gegevens over Cieraad gebruiken voor mijn eigen boekje over de maanden rondom de bevrijding van Zwolle dat in 2015 verscheen. Opmerkelijk hoe de gedetineerde Cieraad predikanten en christelijke kamerleden om de tuin wist te leiden.

Méér nieuwe oude boeken

juli 2nd, 2020 by Igor Cornelissen

Grote tijdgenoten: Churchill over Boris Savinkov

In Grote tijdgenoten beschrijft Churchill niet alleen nu nog bekende staatslieden als Clemenceau, Hitler, Trotsky en Hindenburg, maar ook vrijwel vergeten figuren als John, Morley, maarschalk Foch en de graaf van Rosebery. Churchill schreef, het is bekend, goed en ter zake.

De leukste biografie vond ik die van Boris Savinkov, een Russische revolutionair en anarchist die zich tegen ieder overheersend regiem keerde. En dat met de wapens in de hand. Dus eerst tegen de tsaar en daarna tegen de bolsjewiki van Lenin. Churchill kreeg met hem te maken toen de Britten met een interventie legertje  probeerden de Roden te verslaan. Dat liep op een geweldige mislukking uit. Savinkov keerde op uitnodiging van Kamenjev en Trotsky naar Rusland terug. Zijn verleden zou hem worden vergeven. Wat er daarna met hem is gebeurd, werd nimmer duidelijk. Savenkov stierf kort daarna. Werd hij doodgeschoten of was het zelfmoord? Over zijn ontmoeting met Savinkov schrijft Churchill: ‘Ik had, behalve op het toneel,  nooit een Russische Nihilist gezien en mijn eerste indruk indruk was, dat hij buitengewoon voor de rol geschikt was.’ Nihilist was toen een synoniem voor een anarchist van de daad.

Meer nieuwe oude boeken

juli 1st, 2020 by Igor Cornelissen

Bernard Verduin, volgeling van Herman Gorter

Ik weet dat Bernard Verduin (1900-?) tot de groep van radencommunisten behoorde, een volgeling dus van de dichter Herman Gorter en de astronoom prof. Anton Pannekoek die het met Lenin aan de stok kregen, maar marxist bleven. Verduin ging in de handel en stichtte het eerste Nederlandse bedrijf dat in neon verlichting deed. Hij was jood en zijn boek draagt daar duidelijk sporen van, al is dat wat te zwak uitgedrukt. Frits, de zoon van Bernard, en zijn neef Herman komen in het boek voor als Rob en Leendert die in de onderduik gaan bij een contact onder de radencommunisten op de Kloveniersburgwal 91. Het loopt niet goed met hen af.

Zekere Kalmeyer komt in het boek voor bij wie je een bewijs kunt krijgen dat je géén jood bent. Bedoeld is natuurlijk Hans Calmeyer. Wellicht wist de schrijver van het boek, dat kort na de bevrijding werd geschreven de juiste spelling van deze Duitse ambtenaar en jurist niet. De hoofdfiguren in het boek behoren tot de familie Leonards; de pater familias was een fabrikant. Het autobiografische boek is duidelijk een sleutelroman. Gerrit Kouwenaar (de dichter) schreef in juni 1946 een recensie van de roman in De Waarheid. Hij vond niet alles goed.

Het boek is overigens uiterst zeldzaam. Interessant voor iemand met belangstelling voor de joodse kant van WOII om uit te zoeken. Ik heb er helaas nooit tijd voor gehad. Een uitdaging voor een jonge historicus. Historica mag ook, maar dat geheel terzijde.


Update: 8 juli 2020 – Historicus Bart de Cort wees ons op enkele aanvullende gegevens over de zonen en neef van Bernard Verduin. Voor meer gegevens, zie: Rinus Pelgrom 1902-1970 beroepsrevolutionair, of Het belang van directe actie van Bart de Cort (verschijnt in 2020).

Meer nieuwe oude boeken

juni 30th, 2020 by Igor Cornelissen

De Rijksdagbrand

Nog decennia nadat de vlammen waren gedoofd laaide de discussie over brand en Berlijn (1933) op. Herhaaldelijk. Dat de jonge, werkloze metselaar Marinus van der Lubbe de brand had gesticht, moest men wel aannemen. Hij had het bij zijn verhoren en tijdens de rechtszaak herhaaldelijk verklaard: HIJ en hij alleen had de brand gesticht. Het was bedoeld als oproep aan de Duitse arbeiders om in verzet te komen tegen Hitler.

De nazi’s wilden bewijzen dat hier sprake was van een communistisch complot. De communisten wisten zeker dat Van der Lubbe in handen was gevallen van de nazi’s. Hij had zich door hen laten misbruiken. Zo werd de goudeerlijke Leidse arbeider het slachtoffer van een gewetenloze ideologische strijd waarbij leugens, valse verklaringen en meineden niet van de lucht waren. Op een gegeven moment hield die oorlog op. Men nam wel aan dat Van der Lubbe uit eerlijke motieven de brand had gesticht. Toch bleven er vraagtekens. Kon de slechtziende Marinus de brand met zijn beperkte middelen alleen hebben gesticht. Had hij misschien, zonder dat hij het zelf wist, hulp gekregen van de nazi’s die van zijn plannen hadden gehoord?

De Canadese jurist en historicus Benjamin Hett acht het laatste mogelijk en hij gebruikt er materiaal voor dat in 790 voetnoten is terug te vinden. Maar bewijs voor zij vermoeden levert ook Hett niet. Intussen zijn alle tijdgenoten van Marinus van der Lubbe en het proces overleden. Onwaarschijnlijk dat Hett de laatste is die over de Rijksdagbrand schrijft. Het blijft voor velen onbegrijpelijk dat een eenling iets bedenkt en het uitvoert. Daar moet toch een beweging met een financier achter zitten?

Meer nieuwe oude boeken

juni 27th, 2020 by Jaap de Jong

“Waarheid is ons enig anker”. Carolus Verhulst en Mahatma Gandhi

In wat restte van wat ooit een grootse theologisch-filosofische bibliotheek was vond ik onlangs het boek De profeet van Kahlil Gibran (1883-1931), een Libanese dichter, schilder en verhalenverteller. Ik was sceptisch, maar mijn nieuwsgierigheid werd geprikkeld toen ik zag dat Carolus Verhulst (1900-1985) het werk van Gibran had vertaald en uitgaf. Verhulst gaf tot aan zijn dood in 1985 leiding aan de uitgeverij Mirananda (eerder uitgeverij Servire (1921-1977)) en gaf voornamelijk mystiek-religieuze werken taal uit. Zo gaf Servire ook werken van Carl Gustav Jung uit waarvoor ik mij in de jaren tachtig interesseerde. Minder bekend, maar belangwekkend was zijn contact met James Joyce en de door hem ontwikkelde huisstijl van Servire. Die was gebaseerd op de “Nieuwe Typografie” (Theo van Doesburg en De Stijl). Doel was om de ideale harmonie vorm te geven door het precieze gebruik van de basiselementen van de kunst: kleur, vorm, verdeling en lijn (zie ook de foto van het omslag van De Profeet).

Carolus Verhulst groeit op in een gereformeerd gezin in Middelburg. Hij doorloopt de mulo en kweekschool, neemt afscheid van het orthodox gereformeerde milieu uit zijn jeugd en ontmoet als jonge student Kees Boeke (1884-1966) met wie hij rond 1918 door de straten van Utrecht loopt. Onder de schoenen dragen beide mannen rubber stempels met de tekst: “Nooit meer oorlog”. Onder invloed van Kees Boeke bekeert Verhulst zich tot de geweldloosheid – zit om die reden enige maanden opgesloten in de militaire strafgevangenis van Scheveningen – en correspondeert met Mahatma Gandhi (1869-1948). India, de oosterse mystiek en het pacifisme zou hem blijvend interesseren. Met Henriette Roland Holst – wier overtuiging zich ontwikkelde in de richting van het pacifisme – richt hij de Vereniging van Vrienden van India. Met Henriette redigeert Verhulst het tweemaandelijkse bulletin van de vereniging die op het hoogtepunt zo’n 500 leden telt.

Als Gandhi in 1931 in Londen komt wordt hij door Verhulst voor De Groene Amsterdammer geïnterviewd. Verhulst beschrijft hem in het interview in De Groene: ”’n Kleine magere gestalte, gehuld in lendendoek en sjaal. In rust, een van vele groeven doorploegd, melancholiek gelaat, waarin geconcentreerd al de zorgen en moeiten van vele jaren. Maar glimlachend een zielenadel onthullend als in weinig gezichten tot uitdrukking komt.” Gandhi woont tijdens zijn verblijf in Engeland in East End in een tehuis voor daklozen waar Verhulst hem samen met de Javaanse nationalist, dichter en activist Noto Soeroto (1888-1951) bezoekt. Bij een derde bezoek komt Verhulst vanwege de mist te laat aan en treft Gandhi in zijn kantoortje in Knightbridge mediterend aan. Hij is te laat voor een gedachtenwisseling, niet voor meditatie. Bij het spinnenwiel brengen de beide mannen samen een uur zwijgend door. Bij het afscheid krabbelt Gandhi op de achterzijde van zijn foto de tekst die Verhulst een leven lang koestert: “Truth is our only sheet-achor”. Waarheid – ons enig anker.


Geraadpleegde literatuur [zie BOLAS-rapport voor de klikbare versie]

Boon, C. & Harmsen, G. (1992). Schalk, Henriette Goverdine Anna van der. In Biografische Woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland (vol. 5, pp. 241-256). Amsterdam: IISG.

Het Aristo-democratische stelsel. Een onderhoud met Gandhi (1931, 3 december). Het Vaderland: staat- en letterkundig nieuwsblad [Avondblad A].

Ruijter, F.G. de (1983, 10 maart). 'Gandhi was een man van liefde, het enige cement dat mensen bindt' [interview met Carolus Verhulst]. NRC Handelsblad, p.2.

Thuring, L. (1983, 19 maart). Carolus Verhulst houdt zijn bedrukte eenmanskruistocht al 82 jaar vol.  Leidse courant [finale], p.16.

Verhulst, C. (1931). Een interview met Mahatma Gandhi. De Groene Amsterdammer, 2843, 2.

Voogd, P. de (2005). Modernisme in de boekdrukkunst: transition en Carolus Verhulst. In J. Baetens, S. Houppermans, A. Langeveld & P. Liebregts (red.), Modernisme(n) in de Europese letterkunde. Een ander meervoud (pp. 77-92). Leuven: Peeters.
juni 24th, 2020 by Igor Cornelissen

Enten, stekken en snoeien

Tuinrubrieken en boeken over meer kleur achter (of voor) je huis zijn niet meer weg te denken. Of het helpt? In de tuincentra verdringen de mensen zich in het voorjaar om veel en vooral bloeiende viooltjes en andere ‘bekende’ bloemen in te slaan. Het liefst spul dat het hele jaar bloeit. Triest, want er komt geen bij of vlinder op af. Allemaal zielloze troep.

De Engelsen waren er al vroeg bij met hun tips en aanwijzingen voor Practical Amateur Gardening. Dat amateur klinkt bescheiden en zo is vast bedoeld, maar zo makkelijk is dat enten en stekken nog niet. Ik heb het wel eens geprobeerd. Het lukte niet, hoewel de tekeningen in dit boek heel duidelijk zijn. Snoeien is eveneens een kunst als je het goed wilt doen. Maar dat geldt (open deur) voor alles.

Bij de bestrijding van insecten en andere pesten staan enkele aantekeningen van de vorige bezitter die ik niet kon lezen. Maar ik spuit toch nooit. Sowieso is dit boek goed om je Engels op te halen. Dus: Met boek (en woordenboek) de tuin. U slaat dan twee vliegen in één klap. Minstens. De foto van de met rozen begroeide pergola (voorblad) gaf me een geweldige kick.

De Plantenwereld is een kruidkundige reis om de wereld en gepubliceerd in 1859.  Er zal dus, is ons sombere commentaar, inmiddels wel veel voorgoed verdwenen zijn. Op de vele houtgravures kan men nog zien hoe het was toen het er nog was. Er zal nog wel suikeroogst op Guadeloupe zijn, maar veel handenarbeid is ongetwijfeld vervangen door machines.

En zou die gigantische drakenbloedboom nog op Orotava (Tenerife) staan? Dat zou ter plekke gecontroleerd moeten worden met dit boek in de rugzak. De ontdekkingsreiziger Alexander von Humboldt mat hem in 1799 nog.

Meer hobby?

juni 23rd, 2020 by Jaap de Jong

Lokkend liefelijk zwart

Alleen in mijn kloosterkamer waar ik mij onnoemelijk verveel. Zit in een elektronisch spreekuur voor studenten, maar uit het digitale heelal komt geluid noch gezicht of anderszins iets dat licht geeft.

Ik besluit een stukje te schrijven over de serie met beste debuutromans (20 delen, compleet en als nieuw, 2011). Gisteren in Dalfsen opgehaald. Daartussen ook het debuut van Arthur Japin (De zwarte met het witte hart). Ik moet bij zo’n titel direct denken aan het Hooglied waarin de bruid haar bruidegom lokt met een zwartheid donkerder dan de woestijntenten van Kedar en de tentkleden van Salomo. U moet weten dat die ontzettend zwart waren. Lokkend liefelijk zwart. Ik geloof het. Ieder woord.

Alsof het niet genoeg is, telt de serie ook titels van Brouwers (Joris Oekeloen en het wachten), Mutsaers (De markiezin), De Jong (Opwaaiende zomerjurken), Mulisch (Archibald Strohalm), Nooteboom (Philip en de anderen). Palmen (De wetten). Dat boek van Palmen vond ik erg prachtig. Er zijn er onder mijn vrinden die suggereerden dat ik mij zou moeten schamen voor dat enthousiasme. Ik weiger dat.

Er zitten ook kunst- en architectuurboeken bij de vracht die ik gisteren ophaalde. Ook veel prachtigs zoals de Rembrandt van de Amsterdamse museumdirecteur B. Haak (met ingeplakte afbeeldingen in kleur). Ik vraag mij af wie degene was die al deze boeken bezat. Hij of zij die bij elkaar hield wat nu uiteen is gevallen: verzamelaar en noodzakelijk verband van datgene wat nu contingentie heet.

Het spreekuur is over en het stukje uit. Ik ga boeken beschrijven. Veel liefs voor nu en ook later. Oh ja, wilt u de serie van 20 debuutromans kopen? U kunt mij bellen (085 30 30 721).

juni 13th, 2020 by Igor Cornelissen

Jacques van Tol, het lied en de roman Een meisje duikt onder

Hoe nu? Een boek met (lichte) waterschade toch in de verkoop. Maar Een meisje duikt onder is dan ook een roman van de geniale liedjesschrijver Jacques van Tol (1897-1969) die voor de oorlog alle succesnummers van Louis Davids schreef. De olieman, Naar de bollen, De kleine man en nog veel meer. In 1939 werd Van Tol lid van de NSB en schreef tijdens de oorlog voor de radio vunzige antisemitische teksten. In 1944 bedankte hij voor de NSB en herbergde zelfs een joodse onderduiker. Bij zijn strafmaat (drie jaar gevangenis) werd er rekening mee gehouden.

Toen hij nog vastzat stonden de zangers bij het prikkeldraad te dringen om teksten van hem. Ome Thijs was niet van Sonneveld zelf (zoals hij beweerde) maar van Van Tol. Hij bleef liedjes schrijven maar die werden heimelijk onder een andere naam uitgebracht. Hij bleef een meester, ook als opportunist. Tegen het einde van de oorlog schreef Van Tol Als op het Leidseplein de lichtjes weer branden gaan. Dat werd tijdens de bezetting als hoopvol ervaren.

De aangeboden roman van Jacques van Tol uit 1937 betreft Een meisje duikt onder. Met voorwoord van Louis Davids en opdracht en sign. van Van Tol aan Max Muchet (Amsterdam, 14 januari 1937, “van den schrijver” die ik in vooroorlogse advertenties tegenkwam als een humorist en iemand die optrad bij de revue (Asta-theater Amsterdam). Een pseudoniem?

Uniek boek, uitgegeven door Literbo. Uit de collectie Igor Cornelissen en niet op de markt. Met enige waterschade (omslag en schutblad, binnenwerk goed). Tegen elk aannemelijk bod.

mei 29th, 2020 by Igor Cornelissen

Zonder trommels of trompetten. De bestsellers van Ab Visser

Ab Visser was een veelschrijver, maar geen slechte. Hij had een nare ziekte waardoor hij steeds krommer ging lopen. Op het laatst hing de neus bijna op zijn navel. Het belemmerde niet het succes bij de vrouwen, noch belette het hem de borrel. Hij wist zich uitstekend te vermaken op feesten. Eén ding bleef hem wel hinderen: Zijn werk verkocht voor geen meter. Jarenlang wachtte hij op ‘het sellertje’. Lag het aan zijn titels? Iemand vroeg hem of er in zijn nieuwe boek trommels of trompetten voorkwamen. Dat moest Visser ontkennen. ‘Dan gaat je nieuwe boek Zonder trommels of trompetten heten.’ Ook dat verkocht niet.

Zijn vriend Hans van Straten zorgde ervoor dat hij in Het Vrije Volk misdaadromans  mocht recenseren. Een paar jaar later deed hij dat in De Telegraaf. Het verhaal gaat dat Visser, gezeten achter een glaasje op het terras van Americain in Amsterdam,  werd aangesproken door een dame die zei dat ze zijn recensies in De Telegraaf altijd met groot plezier las. ‘Mevrouw, ik praat niet met mensen die De Telegraaf lezen,’ zou Visser haar in onvervalst Gronings geantwoord hebben.

In zijn boek Onder de gordel, Erotiek en geweld in de misdaadroman gaat ie niet alleen van jetje (of is het Jetje?). Visser analyseert scherp en legt uit waarom Simenon (Maigret) zo goed valt bij de gemiddelde burger. Commissaris Maigret is niet alleen een gemoedelijke vaderfiguur, hij had zelf ook iets dubbelhartigs, anders zou hij die gedeformeerde misdadigers nooit zo goed kunnen beschrijven. Dat klopt als een bus. En ook Simenon had in de oorlog bedenkelijke sympathieën.

En verder krijgen Havank, John Le Carre en Ian Fleming ook allemaal een beurt.  Binnenkort in onze winkel.

mei 4th, 2020 by Jaap de Jong

Kafka en de enge poort

Ik droomde vannacht dat ik in een verhaal van Kafka was verdwaald. Een wachter vertelde mij dat de dag aanbrak, maar ook de nacht. Het was een lucide droom die mij benauwde. Ik had minder adem dan zonder dromen en dat is al niet veel.

Het was een miezerige, regenachtige ochtend met zwevende slierten grijze mist. Eerst dacht ik dat die slierten witte wieven waren. Ze schonken geen aandacht aan mij en dat kon ik nauwelijks verkroppen. Het zullen daarom waarschijnlijk wel slierten zijn geweest. Geen witte wieven. Ja, slierten dus. Ik ging door een tunnel. Aan het einde zou er licht zijn, zo was mij verteld. En heus, in de verte zag ik flakkerend licht van een lantaarn. Niet het daglicht dat mij was toegezegd. Zo’n zes, misschien zeven meter achter de lantaarn rezen drie poorten op met hetzelfde opschrift. “Velen zijn geroepen”. Bij het lezen van die tekst geraakte ik in een lichte paniek. Althans, het had iets weg van angst. In mijn wakend leven noem ik zoiets een existentiële crisis. Zover wil ik toch niet gaan. In mijn droom had ik alleen wat maagpijn. Lichtzinnig.

Op zondag ben ik een thuislezer en gisteravond las ik Voor de wet van Kafka. In dat verhaal is er maar één poort met een strenge wachter die je – zo meende ik gisteravond – moest verschalken wilde je niet voor eeuwig het bos te worden ingestuurd. Je moet wel iets leren van de Grote Literatuur. Maar nu had ik te maken met maar liefst drie poorten en geen enkel begin of iets in handen om de wachters te verbidden mij toe te laten. En die wachters gaven geen krimp. Plots wakker en een tong van leer. Er is honger. Er is dorst.

Bovendien ook nog een paar dingen die wachten: een antiquariaat, een webapplicatie en online lessen. Dromen hebben tenminste iets dat op diepzinnigheid lijkt. maar het Echte Leven begint nu. Opgestaan, eten en verhaaltje schrijven. Eén poort door, een hele enge, en de wachter is spoorloos. Wachter, wachter wat is er van de nacht?

Vandaag geen Kafka in de aanbieding. Wel een boek van Martin van Amerongen met de titel Don Juan hield niet van vrouwen: controversen en contrasten. Een bundel essays, onder meer over Kafka.

En nog veel meer andere Grote Literatuur. Om van te leren, zeg maar: essays

april 17th, 2020 by Igor Cornelissen

Zonder Goebbels geen Hitler

De Tsechische historicus Zbyněk Anthony Bohuslav Zeman vluchtte in 1948 naar Engeland. Het was het jaar dat Tsjechoslowakije communistisch werd. Zeman beschreef nauwkeurig hoe de nazi-propaganda begon en na 1933 overheersend werd met Goebbels, minister van Propaganda, als de grote én deskundige man.

Zonder Goebbels geen Hitler, is mijn stelling, maar Zeman zou het geschreven kunnen hebben, Onder Goebbels leiding werden de kranten, de radio en de filmindustrie gemodelleerd en gemoderniseerd. Dat Goebbels tot het laatst in zijn waanideeën bleef geloven weet iedereen. In de film Der Untergang wordt dat nog eens sterk geaccentueerd.

Peter Rijser, medewerker van het NIOD, schreef een uitvoerig hoofdstuk over de nazi-propaganda in Nederland, even giftig, maar met minder succes. Rijser laat zien wat de Nederlandse radio op drie dagen in 1941, 1942 en 1943 aan propaganda uitzond. Er werd, geen wonder, meer op de Engelse zender afgestemd. Ik was op bezoek op het NIOD kort nadat daar het bericht doorkwam dat de nogal stille Rijser een einde aan zijn leven had gemaakt. Niemand wist toen waarom. Er was grote verslagenheid. Hij werd als medewerker zeer gewaardeerd.

april 16th, 2020 by Igor Cornelissen

Bouwmeester Berlage

Toen Amsterdam, al weer jaren geleden, uitgeroepen werd tot de Culturele hoofdstad van Europa, vond mijn vriend Eduard Groeneveld, bibliothecaris van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie dat hoogst misplaatst. Hij woonde er en vond het De Pisbak van Europa geworden. Niet alleen dromden hasjrokers en bierdrinkers uit alle delen van het continent er tesamen, ook lag zijn woning midden in de zone waar krakers een verwoestende slag toebrachten aan wonigen en het gezag.

Is het er nu nog erger? In ieder geval is er veel bewaard van wat eens mooi was en wat bleef. Ik doel op de architectonische nalatenschap van de grote H. P. Berlage en niet alleen zijn Beurs. Overal in de hoofdstad staan zijn merktekens in Een bouwmeester in beeld mooi gefotografeerd. Berlage bouwde niet alleen in Amsterdam, maar ook in Bilthoven, Laren, Groningen en Den Haag. Berlage was links, tegen het communisme aan, ging in 1929 zelfs mee op reis naar het nieuwe Rusland en schreef in het kritiekloze boek dat Henri Pieck over die tocht schreef een soort loflied in rijmvorm. Zijn bouwkunst heeft daar gelukkig niets mee te maken. Berlage, een man waar Nederland trots op mag zijn.

Nog meer Berlage in het boek van Marien van der Heijden. Wie nooit in de Burcht van Berlage is geweest, heeft een belangrijk Amsterdams monument gemist. Het was vele jaren het hoofdkwartier van de eens machtige Algemene Nederlandse Diamantbewerkers Bond.

De leider van de ANDB, Henri Polak, had voor de joodse arbeiders het gezag wat voordien de rabbijnen hadden gehad. De ANDB bestaat niet meer. De joodse diamantbewerkers werden voor het overgrote deel vermoord. Nu is het een vakbondsmuseum. Ik gaf er eens een lezing en was onder de indruk van het vakmanschap van H.P. Berlage, vele jaren de toonaangevende architect van de hoofdstad.

Méér architectuur

april 15th, 2020 by Igor Cornelissen

Twee tuinen

Salamon Dembitzer (1888-1964) werd geboren in Krakow en woonde in Berlijn, Lissabon, Amsterdam en Amerika. Vaak op de vlucht zoals voor een jood niet ongebruikelijk. In Nederland schreef hij voor het Algemeen Handelsblad en Het Volk. Dat was in de jaren van de Eerste Wereldoorlog, toen van zijn hand ook meerdere boeken verschenen.

De Twee Tuinen (ca. 1919) werd uit het Jiddisch vertaald door Arnold Saalborn, neerlandicus en zoon van een Russische jood. Saalborn was een geliefd leraar. Onder zijn leerlingen waren Jacques Gans, Willem Frederik Hermans, de verzetsstrijdster Reina Prinsen Geerligs en de dit jaar overleden Eli Asser. Arnold Saalborn zelf zou al een studie waard zijn. Na zijn pensioen ging hij nog les geven op de Kees Boeke School.

Niet minder interessant is de geschiedenis van de uitgeverij Cohen en Zonen die veel uitgaf, maar financieel nooit erg hoog scoorde. Uiteindelijk wint het boek van de centen.

Méér judaica