in 't Wasdom

antiquariaat Cornelissen & De Jong – Zwolle
maart 5th, 2021 by Igor Cornelissen

Over de studie van oude huizen en andere belangwekkende zaken

Meeloper of niet? Die vraag wordt vaak gesteld bij kunstenaars die de jaren dertig van de massa terreur in de Sovjetunie wisten te overleven. Iemand zei over de periode van Stalin: ‘Alles was toen mogelijk. Zelfs dat je niet gearresteerd werd.’ Zoveel is zeker dat er geen liefde was van Paustovskij voor het communistische regime en het omgekeerde gold ook. Hij werd hooguit geduld. Belangrijker is: kenners van de Russische literatuur noemen hem een meesterverteller. Karel van het Reve vertaalde al in 1935 De baai van Kara Boegas. Vanuit het Duits, want Russisch kende hij toen nog niet.

Men kan instemmen met Paustovskij’s opmerking dat het bestuderen van de geschiedenis van oude huizen zeer de moeite waard is. Huizen bestaan langer dan hun bewoners. Ik ben dat pleidooi al eens eerder bij een schrijver tegengekomen, maar wie was dat ook weer?

Zo maar een zin uit een verhaal van Paustovski: ‘Behalve eigengemaakte brandewijn werden er nu in de kamer van Kroerenda bijzonder intensief valse bankbiljetten vervaardigd.’ Ook afgezien van die naam voel je direct dat je in een ver land zit waar men vreemde gewoonten en gebruiken in ere houdt en er zich in heeft bekwaamd.

Toen Michel Krielaars (chef boeken, NRC) juichend mijn laatste boek besprak vergeleek hij mij niet alleen met Graham Greene, maar ook met Paustovski. Ik heb enkele dagen naast mijn schoenen gelopen, al was het misschien net (iets) te veel eer. Maar u kunt zelf vergelijken; mijn laatste boek (Mijn opa rookte ook een pijp. Deel V van mijn memoires) is nog in de boekhandel te koop, evenals Greene en Paustovsky.

Steun uw boekhandel en koop Paustovski, Cornelissen [gesigneerd] en Graham Greene.


Paustovskij, Konstantin (1967). Begin van een onbekend tijdperk. Herinneringen aan de Russische revolutie.  Amsterdam: De Arbeiderspers. I.g.st., vertaling W. Hartog, gebrocheerd, vlekjes op omslag. Paperback met flappen, 267 pp., 1e druk, privé-domeinreeks, nr. 5. Uit de collectie Igor Cornelissen, met wat potloodaantekeningen en krantenknipsels. € 30,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

maart 4th, 2021 by Jaap de Jong

“Zwerven, zwoegen en zwijgen”. Over Bataljon 423 in vrm. Nederlands Indië

“Hier zwierven, zwoegden, zwiepten, zwamden en zwegen wij.” Dat zijn de woorden bij de kaart van commando-Oost (waarop de plaatsen van legering). In het boekwerk zelf staan verhalen over het commando, incl. dateringen. Verhalen over oorlogshandelingen, acties, ziekte, dood, religie, kameraadschap en wat al niet meer? Alles dat over het soldatenleven gaat, inclusief het verkeer regelen in Jakarta.

Bataljon 423 behoorde tot de laatste bataljons tijdens de politonele acties in voormalig Nederlands Indië. Het boekje werd samengesteld door leden van het korps zelf en opgedragen aan “onze makkers, die het hoogste offer hebben gebracht in de dienst van ons Vaderland”. Dat is niet niks.

Het boekje is vanuit insidersperspectief geschreven en alleen al om die reden een interessant en intrigerend document humaine. Het taalgebruik (gebruik Javaanse woorden) boeide mij, evenals intertekstuele referenties als “waer werd opregter trouw / dan tussen soldaat en soldaat / op een post ooit gevonden”.

Aan het einde zijn alle thuisadressen van de manschappen – “de zonen van 423 Bat.” –  opgenomen. Daarvoor een stichtelijk woord waarin de Dood wordt voorgesteld als het lot dat hen aanwees die Hem moesten volgen.

Het boekje is overigens eerder gezien en niet onopgemerkt gebleven. Zo signaleerde Klooster het al in zijn bekende bibliografie als nr. 5478. Dit alles terzijde.


Reinders, J.H., Den Hollander, P., Hack, P, & Verhoeven, J.L. (samenst.). Dat was 423. Leven en werken van het 423 bataljon in Oost-Java. Heiloo: Kinheim. I.z.g.st., gaaf exemplaar. Gebonden in halflinnen band met stofomslag (enigszins verkleurd). Oblong 8vo., 150 pp. Met embleem van het bataljon op omslag. Met vele foto’s en naam- en adressenlijst (sic!) van alle leden van het bataljon (incl. foto’s en namen der gesneuvelden), kaarten. Met opdracht Jan Reinders (d.d. Almelo, april ’51) die ook onder de samenstellers was en als majoor (wrschl.) actief was binnen het bataljon. Zeer zeldzaam, € 79,50 (incl. pak- en verzendkosten binnen Europa). Interesse? Neem contact met ons op.
Zie ook: Klooster, H.A.J. (1997). Bibliography of the Indonesian revolution. Publications from 1942 to 1994. Leiden: KITLV Press. (Bibliographical series XXI), no. 5478.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

maart 4th, 2021 by Igor Cornelissen

De pen van Podhoretz

Jaren geleden bezocht ik Jacques de Kadt (1897-1988) die mij bij die gelegenheid over zijn vroege jaren vertelde. De jaren dat de drang naar de vrijheid, de menselijke vrijheid, hem naar de keel greep. Hij schreef toen Het fascisme en de nieuwe vrijheid. Toch schakelde hij in dat gesprek vrij snel over naar het heden en noemde mij de naam van Norman Podhoritz als de schrijver ‘die de moeite van het lezen waard is’. En dat is ook zo.

Podhoritz en De Kadt hadden veel gemeen, al was Podhoritz weliswaar links, maar nooit communist geweest. Beiden waren van joodse komaf. maar de ouders van De Kadt waren, anders dan die van Podhoritz, geen immigranten uit het tsaristische Rusland.

Wat ze vooral gemeen hadden was een onbedwingbare behoefte aan lezen, niet alleen de politieke schrijfsels, maar ze zogen ook de pennevruchten op van de moderne literatuur en hielden van een scherpe pen. De Kadt klaagde dat hij het ongeluk had geboren te zijn in een klein land waar schrijvers niet in het buitenland doordrongen. Naar Podhoretz werd wel geluisterd. En hij werd gelezen, ook door verschillende presidenten van de VS.

Norman Podhoritz (1930), geboren in Brooklyn, was hoofdredacteur van het gezaghebbende Commentary. Hij schreef in veel bladen waaronder de New York Review of Books waarin lange artikelen geen uitzondering zijn. Podhoritz wordt gerekend tot de neo-conservatieven. Het ging hem in zijn latere jaren vooral om het belang dat dat Amerika een wereldmacht moet blijven. Hij was in eerste instantie een tegenstander van Trump, maar uiteindelijk werd hij onder de medestanders gerekend. Wat zijn allerlaatste standpunt is is mij niet bekend. Hij schreef over Saul Bellow, Norman Mailer en ook over Bach deed hij zijn zegje, onder meer in de Groene Amsterdammer. Ook toen hij Making it schreef stond Podhoretz zijn mannetje in de wereld der denkers.


Podhoretz, Norman (1967). Making it. New York: Random House. Goed, vergeeld papier en verkleurd omslag. Gebonden in linnen met stofomslag, 360 pp. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 22,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

maart 3rd, 2021 by Igor Cornelissen

Het Polen van Peter Schumacher

Mijn journalistieke reizen naar Polen waren, al kwamen er wel stukken in de krant, geen groot succes. Niet alleen was mijn Pools minimaal, de medewerking van de burgers was evenmin om over te juichen. Overal (communistische) ambtenaren die je ‘morgen’ lieten terug komen waarna er nog niets gebeurde.

Het was de tijd van de staat van beleg. Lech Wałęsa en zijn vakbond Solidarność en de kerk aan de ene kant, de communistische partij aan de andere kant. Het was een bittere tijd en op de menukaarten was bijna alles doorgestreept. Ik riep de hulp in van de telefoniste uit het hotel. Die sprak wat Duits. Zij en haar vriendin gaven fotograaf Hans van den Bogaard en mij een rondleiding door een troosteloos industriestadje. Zo leerde ik de geheimen kennen van de andere handel: niet wit, niet zwart, maar anders. Een vrijwel lege slagerij moest je via een achteringang benaderen en dan schroeven, bouten of andere schaarse middelen bij je hebben waarmee auto’s konden worden gerepareerd. Dán was er wél vlees.

Toen de situatie meer gespannen werd wilde adjunct hoofdredacteur Joop van Tijn dat ik nog een keer ging. Ik wachtte weken op een visum. Geen respons. Joop beweerde dat ik op het vliegveld in Warschau wel het benodigde stempel zou krijgen. Hij had betrouwbare bronnen die dat wisten. Ik zag het somber in, maar vermomde mij als musicus en stapte met een zwarte jas aan en hoed op het vliegtuig in. Ik had mijn  trompet bij mij. In Warschau werd mijn vermomming binnen vijf minuten doorzien. Ik werd uitgelachen en op het vliegtuig naar Kopenhagen gezet. Via die tussenstop was ik dezelfde avond terug in Amsterdam. Een dure reportage.

Ik zeg niet dat een fotograaf het gemakkelijk heeft, maar die vangt sneller wat zonder te hoeven praten. Peter Schumacher maakte schitterende foto’s. Gewone mensen, gewone landschappen. Soms grauw, soms mensen in de zon. Echte Polen. Een oude baas speelt op straat op zijn viool in de hoop op een bijverdienste. Kinderen spelen op straat en vrouwen zitten op een bankje. Net als hier en toch totaal anders. Want dit is Polen, althans het Polen zoals ik mij het herinner.


Schumacher, Peter (z.j.). Polska 1963 - a photo journey | Niezwykla podroz fotofraficzna. Hoofddorp: Dutch Art & Media House. I.z.g.st., zonder gebruikssporen. Hardcover met leeslint. 157 pp., met illustraties. Tweetalig (Engels en Pools). Uit de collectie Igor Cornelissen. € 25,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

maart 2nd, 2021 by Igor Cornelissen

Over een goede Duitser en een fijne zigeunerschnitzel

Toen ik bij het weekblad Vrij Nederland werkte had iedere redacteur een eigen postbakje. Daar kwamen persoonlijk gerichte brieven in terecht; het blad dat al jaren je speciale interesse had, een knipsel van een collega die vond dat het over jouw onderwerp ging of ook wel een artikel met een suggestie van de hoofdredacteur om daar eens op af te gaan. In april 1983 vond ik in dat bakje een knipsel uit de International Herald Tribune. ‘Gypsy writer. From Auschwitz in Fairy Tales. Philomena Franz is an unusual author.’

Zigeuners waren  onbetwist het onderwerp van redacteur Jan Rogier Of die nu ziek was of de krant al had verlaten, weet ik niet meer, maar ik ondernam de reis naar Keulen. Daar in de buurt woonde Philomena in een woonwagen met enkele van haar kinderen. Van het interview met haar herinner ik me weinig en in mijn veelgeprezen archief kan ik het niet terugvinden. Haar ouders waren in Mauthausen vermoord en drie van haar broers in andere kampen. Een familie van musici. Ze was 21 toen ze werd gedeporteerd. Ze was uit een kamp ontvlucht en door een Duitse boer verborgen. Er waren dus ook goede Duitsers.

We aten in een restaurant en toen ik zei dat ik maar geen zigeunerschnitzel zou bestellen, moest ze hartelijk lachen. Dat zou haar allerminst storen. Ze vertelde me iets dat indruk op me maakte. Ze was een keer in Israël geweest voor vakantie. Bij de douane was ze spontaan omhelsd door een meisje van de controle. Die had het brandmerk op haar arm gezien. Ze hadden beiden gehuild. ‘Ik heb me in een land nog nooit zo thuis gevoeld,’ zei Philomena Franz en ze hoefde mij niet uit te leggen waarom.

Philomena Franz (1982). Zigeunermärchen. Bonn: Europa Union Verlag. Gesigneerd door de schrijfster. Met artikel over de auteur uit de International Herald Tribune. Met autograaf van Philomena Franz. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 20,00 (incl. pak- en verzendkosten).

maart 1st, 2021 by Igor Cornelissen

De ontreddering van Stalin

Het is net als met Hitler. Iedere keer dat je denkt de laatste definitieve biografie hebben gelezen, komt er weer een nieuwe op de markt. De vergelijking gaat nauwelijks mank, want in beide gevallen gaat het om bloeddorstige mensen die, zo leek het althans, een heel volk achter zich kregen Dankzij een enorme propagandamachine en uitgebreid onderdrukkingsapparaat. Als ik dit in 1953 tegen een gestaalde communist had verteld, het sterfjaar van Stalin, had mij dat op zijn minst een muilpeer opgeleverd.

Chlevnjoek behoort tot de Russische historici die toegang hadden tot de geheime archieven die begin jaren negentig even open gingen. Als hij zeker is van zaak, zegt hij dat en hij aarzelt niet om bij twijfelgevallen te schrijven dat er onvoldoende bewijsmateriaal is. Hij vond echter zoveel dat zijn conclusie overtuigt: Stalin werd steeds argwanender, die op den duur zelfs zijn allernaaste en trouwste medewerkers niet meer vertrouwde. Er komt veel aan de orde, zoals het liefdesleven van Stalin en zijn verhouding tot zijn familie. Het meest werd ik getroffen door de beschrijving van ‘s mans volkomen ontreddering toen het leger van Hitler in juni 1941 binnenviel. Ondanks het in 1939 niet aanvalspact tussen Molotov en Von Ribbentrop.  Hij was niet in staat het volk toe te spreken. Dat gebeurde pas weken later. Dat het land in oorlog was moest Molotov aan het volk vertellen. Molotov was de minister van Buitenlandse Zaken. Maar ook hij kreeg de volle lading toen Stalin zijn (joodse) vrouw liet arresteren wegens spionage. Er werd in de opperste leiding over gestemd. Allen vóór. Molotov onthield zich van stemming, hetgeen men gezien de omstandigheden als een soort heldendaad zou kunnen aanmerken.

Niet minder geboeid las ik de passages over de speciale dienst die Stalin dag en nacht moest bewaken. Sinds 1952 werd Stalin in zijn werkvertrek of in zijn datsja permanent bewaakt door 335 agenten. En daar kwamen dan nog de 73 specialisten bij die er voor zorgden dat het aan hem aan niets ontbrak. Deze bewakers verdienden tientallen malen zoveel loon als de arbeider. Een boer moest het met nog minder doen. De bewakers was er alles aan gelegen ‘de baas’ ter wille te zijn.

Stalin ging de geschiedenis in als de legeraanvoerder die Hitler heeft verslagen. Chlevnjoek vind het als historicus zijn plicht er op te wijzen dat voordat het Rode Leger in staat was overwinningen te boeken er anderhalf miljoen soldaten waren gesneuveld of krijgsgevangen waren gemaakt. De overwinning kwam niet dankzij Stalin, maar ondanks hem. Hij vertrouwde zijn eigen diplomaten en de in het buitenland werkzame spionnen niet. Zij hadden hem voor de inval gewaarschuwd. Het waren allemaal lasterpraatjes, verhaaltjes om hem op een dwaalspoor te brengen, zo meende hij.

In Nederland loopt ongetwijfeld nog ergens een vereerder van Stalin rond. In het Rusland van Poetin zijn er nog vele. Chlevnjoeks conclusie is helder en duidelijk: uiteindelijk was er één man verantwoordelijk voor de terreur die vele miljoenen het leven kostte. Als hij besliste durfde niemand hem tegen te spreken.


Chlevnjoek, O. (2015). Stalin. De biografie.  Amsterdam: Nieuw Amsterdam. I.z.g.st., hardcover met stofomslag. Met potloodstreepjes. Gebonden, 479 pp., 1e druk. Met illustraties, vertaling Toon Dohmen. Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

 

februari 28th, 2021 by Jaap de Jong

De Parelduiker over tragische liefde en overwonnen droefheid

Het nieuwste nummer van De Parelduiker bevat foto’s in kleur. Het blad vernieuwt zich zoals ook de arend zijn jeugd vernieuwt; eender maar toch anders.

In dit nummer aandacht voor de liefdesperikelen van Bert Schierbeek, Frieda Koch en Lucebert: een ménage à trois, een wrede liefde. Asymmetrisch, kan het anders? Bij het opruimen van zijn atelier vond Michiel Schierbeek de brieven van Frieda Koch en Lucebert in een kartonnen doos. Die vondst levert veel op. Graa Boomsma geeft in zijn artikel een mooi portret van de Vijftigers die regelmatig de Van Eeghenlaan 7 bezochten waar Bert Schierbeek en Frieda Koch hen opving zoals een hen haar kuikens. Ook kompaan Igor Cornelissen woonde er enige tijd. Tekeningen van Lucebert – die er op de grond lagen – herinnerden hem aan “de roemruchte jaren van knarsende liefde en bijbehorend verdriet”.

In Een liefde, een boek, een roeping schrijft Gé Vaartjes naar aanleiding van de brieven van Godfried Bomans over de moeizame vader-zoon relatie. Er is ook veel God in die brieven; goud voor een godsdienstpsycholoog à la William James, vermoed ik, maar ook een mooie aanvulling op wat we al weten over Bomans. Het stuk besluit overigens met een meer dan prachtige zin die ook nog eens waar is: humor is overwonnen droefheid.

Marco Daane schrijft over de spot van Jac van Looy met het socialistische engagement van Herman Heijermans en heeft bovendien aandacht voor het antisemitisme binnen de kringen der Tachtigers. In die kritiek op het engagement wordt ook de consequentie van het credo L’art pour l’art bij de Tachtigers onder de aandacht gebracht.

En dan is er nog het verhaal van Ronald Bos over de relatie tussen Paul Celan en Martin Heidegger. Een relatie die zich onder meer uit in grofheden op een koude kunststoffen achterbank van een Panama-beige VW Kever: in een stilzwijgen mit-einander-sein. Een paar dagen later schrijft Celan zijn beroemde gedicht Todtnauberg. Dat lokte veel speculaties uit over de inhoud van de ontmoeting tussen Celan en Heidegger: veel drassigs.

Het nummer van De Parelduiker bevat natuurlijk nog veel meer lezenswaardigs zoals de uitgebreide aandacht voor privé-drukken en marginale uitgevers in de rubriek van Jan-Paul Hinrichs.

De Parelduiker is een prachtig blad. Abonneer u en koop oudere nummers bij Cornelissen & De Jong of een andere goede boekhandel.

Méér nieuwe oude Parelduikers bij Cornelissen & De Jong

februari 28th, 2021 by Igor Cornelissen

Het Amerika boek van Jacques Presser

Als ik Pressers boek over Amerika lees, is het alsof ik hem weer college hoor geven. Het jaar dat ik hem beluisterde gaf hij voordrachten over Engeland. Hij kwam altijd binnen met een tas vol boeken die hij een voor een uitpakte en behandelde en vertelde daarbij de ene anekdote na de andere. Je moest die boeken niet alleen beslist kopen, maar uiteraard ook lezen. Je kon goedkope uitgaven – Presser bezat natuurlijk de dure gebonden eerste drukken – vinden in de naburige Oudemanhuispoort. Daar lagen de Penguins voor een paar gulden.

Pressers Amerika— hij begon er tijdens zijn onderduik aan – is gebaseerd op secundaire literatuur. Er was, toen al, enorm veel over de geschiedenis van dat land. De historicus lijkt niets over te slaan. Hij begint, uiteraard, met de ontdekker Columbus over wiens origine weinig bekend is. Over het uitmoorden van de Indianen al veel meer.

Wie iets meer weet over Presser zal het niet verbazen dat hij uitgebreid stilstaat bij de positie, zeg maar onderdrukking van alle minderheden die Amerika groot maakten. Niet alleen de Indianen – teruggedrongen in reservaten nadat eerst hun bizons waren uitgeroeid (leuk vermaak: vanuit treinen op die beesten schieten) – ook de negers, de Joden, Ieren en Italianen worden besproken. En dat geldt ook voor Lincoln, Jefferson, Roosevelt; alle beroemde presidenten krijgen hun deel en bij Presser gebeurt dat nooit zonder curiosa. Abraham Lincoln kon nog gewoon het White House uitlopen om een krant te gaan kopen. Zijn opvolger Andrew Johnson was soms dronken (om zijn zenuwen de baas te zijn) en hing in zijn ontvangstkamer de was te drogen.

Er is Presser wel eens verweten dat hij een te grote voorliefde voor de anekdote had. Bij mij werkte dat juist stimulerend: je blijft doorlezen. Over Lincoln vertelt hij dat er toen (in 1949 dus) al een onuitputtelijke rij aan biografieën over de man bestond. Er was er al een die ‘s mans leven van dag tot dag beschreef. Het wachten was, schreef Presser met milde spot, op een uurverslag.  Google laat zien dat er de laatste jaren veel nieuwe biografieën over deze ‘slaven bevrijder’ zijn verschenen.

Wie de laatste jaren de Amerikaanse politiek, dankzij of ondanks Trump, heeft gevolgd, zal bij Presser veel herkennen. Zoals zijn constatering dat veel Amerikanen verwachten dat hun vertegenwoordigers iets uitstralen van de circusartiest, de potsenmaker. En wie wil weten wat de oorsprong is van de Tea Parties komt bij Presser aan zijn trekken. Wat het boek extra aantrekkelijk maakt zijn de vele, zorgvuldig uitgezochte illustraties. Soms aandoenlijk zoals de kromgetrokken handen van een pioniersvrouw, gefotografeerd in 1936 door Russell Lee.

Opgemerkt moet nog worden dat Den Hollander – hoogleraar sociologie die indertijd veel colleges gaf over Amerika – het boek van zijn collega Presser opvallend positief recenseerde in Het Parool. Den Hollander stond bepaald niet bekend om zijn mildheid.

In een Voorbericht schrijft Presser dat de eerste versie van zijn boek tijdens de bezetting bij een nachtelijke overval enkele uren in Duitse handen is geweest. Ze hadden er wel in gebladerd, maar het handschrift niet vernietigd. Pressers boek houdt ons ook de spiegel voor. De man die het zo voor alle minderheden opnam, schrijft voortdurend over negers waar wij – die het allemaal beter weten – het hebben over Afro-Amerikanen. Als Presser laat zien hoe zwarten uitblinken, kiest hij voor een foto van Jesse Owens die in 1936 tot grote woede van de nazi’s drie gouden medailles won. Onder de foto staat dat het de ‘neger-atleet’ Jesse Owens was die tot deze prestaties kwam.


Presser, J. (1949). Amerika. Van kolonie tot wereldmacht. De geschiedenis van de Verenigde Staten. Amsterdam: Elsevier. I.g.st., maar met scheurtje bij schutblad (voor- en achterplat), verder gaaf exemplaar. Gouden belettering op roodzwarte achtergrond. Gebonden in linnen, XII, 619 pp., 1e druk. Met illustraties, bibliografie, noten, verantwoording illustraties en register. Met frontispies van Franklin Delano Roosevelt van S.J. Woolf. Rijkelijk geïllustreerd. Uit de collectie  Igor Cornelissen. € 21,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

februari 27th, 2021 by Igor Cornelissen

Apostel Willem H. Vliegen en het ‘proletarisch sentiment’

Willem Hubertus Vliegen (1862-1947) kwam uit Limburg en was (dus) van roomse afkomst en bovendien arbeider. Daar waren er meer van. Wat hem bijzonder maakte was dat hij socialist werd, eerst aanhanger van het anarchisme van Domela Nieuwenhuis. Hij liep zelfs met een revolver rond in verband met de komende revolutie. Daarna ging hij over naar de ‘parlementairen’ die meenden dat als er maar steeds meer arbeiders op hen zouden stemmen, het socialisme langs geleidelijke weg bereikt kon worden. Vliegen was in Zwolle aanwezig toen daar in het drank- en spijslokaal De Atlas onder de Peperbus op 26 augustus 1894 de SDAP werd opgericht. Hij was een van de twaalf apostelen, zoals de oprichters werden genoemd. Willem Vliegen was een van de echte arbeiders die het beginselprogram ondertekenden en met zijn katholieke achtergrond een bijzonderheid.

Koos Vorrink noemde hem in 1939 tijdens een SDAP congres een ‘geboren reformist’.  Dat wilde Vliegen toch wel even corrigeren. Hij was een echte revolutionair geweest, maar reformist geworden ‘door de feiten’. Die hadden hem ervan overtuigd dat de marxisten voor een groot deel ongelijk hadden. Hun theorie werd door de praktijk gelogenstraft. Vliegen bleef tijdens zijn lange socialistische leven een nuchtere pragmaticus. Wat was behalve wenselijk ook mogelijk? Hij werd langzamerhand de ‘grand old man’ van de parlementairen. Men was trots op de man die jarenlang de beweging had gediend als redacteur van het partij dagblad Het Volk, als wethouder van Amsterdam, als partijvoorzitter en als Kamerlid. Zonder tegenstand was dat niet gegaan. Hij had genoeg tegenstrevers en dat waren niet alleen de marxisten die, mede door hem, geroyeerd werden. Ook met Troelstra lag hij menigmaal overhoop. Politieke meningsverschillen of eerzucht? Meestal beide. Perry schreef een voorbeeldige biografie. Tegenslagen (de Eerste Wereldoorlog) en voorspoed (de groeiende invloed in parlementen en gemeenteraden) krijgen de nodige aandacht. De conflicten binnen het partijbestuur over nu lang vergeten kwesties vervelen door de vlotte schrijfstijl van Perry nooit.

Twee vlekjes in het leven van de man die als typograaf begon en in Luik Frans leerde spreken en schrijven krijgen bij Perry extra ruimte. De SDAP bestond nog maar vijf jaar toen Vliegen naar Parijs werd verbannen waar hij maar als journalist aan de kost moest zien te komen zonder dat hij daar goede contacten had. En anders moest hij maar zien daar als typograaf een baan te vinden. Vliegen had zich schuldig gemaakt aan overspel met de vrouw van een gewaardeerde partijgenoot. Dat kon in de nieuwe partij die openheid en zuiverheid propageerde niet ongestraft blijven. Wat er precies is gebeurd, kon ook Perry niet achterhalen. In ieder geval had Vliegen toegegeven dat er ‘iets’ was gebeurd dat niet door de beugel kon. Het heeft Vliegens latere loopbaan niet geschaad. Hij kon vrij spoedig naar Nederland terugkomen. Het geval zelf werd vooral met de mantel der liefde bedekt. Een methode die binnen en buiten de socialistische wereld tot en met nu veelvuldig wordt toegepast. Ook in kerkelijke kringen wanneer dominee of pastoor al te veel tijd besteedt aan pastorale zorg van weduwen of verdrietige meisjes.

De tweede misstap die Vliegen beging was in mei-juni 1940 toen het de SDAP leden na de Duitse inval niet direct helder was wat ze moesten doen. Kaderleden die Vliegen om advies vroegen kregen wel de mededeling dat de partij niet meer bestond, maar dat men het partijblad Het Volk ondanks de ingestelde censuur moest blijven lezen en dat het lidmaatschap van de VARA niet moest worden opgezegd. Vliegen was zo met de beweging vergroeid dat hij vond dat ‘onze organisaties’ niet in de steek moesten worden gelaten. Het was zelfs zaak, vond hij, om voor het Instituut voor Arbeidersontwikkeling leden te gaan winnen. Hoe Vliegen daar later tegen aankeek is niet helemaal duidelijk. Een collaborateur werd hij beslist niet. Zijn verkeerde adviezen werden hem niet al te zeer kwalijk genomen en hij was dan ook een gewaardeerde gast op het buitengewoon congres in 1946 de SDAP opging in de nieuwe Partij van de Arbeid. Hij was toen de laatste nog levende Apostel van 1894. Hij was het helemaal eens geweest dat de SDAP naar rechts was opgeschoven, maar het ergerde hem wel dat er door partijbestuurders geringschattend werd gesproken over het zogenaamde ‘proletarische sentiment’ dat ze wat te vaak roken. Vliegens herinneringen bleef tot aan zijn dood helder. Hij had dat sentiment niet alleen meegemaakt, hij was er nooit helemaal van losgekomen.


Perry, J. (1994). De voorman. Een biografie van Willem Hubert Vliegen. Amsterdam: De Arbeiderspers. I.g.st., maar met leesvouwtjes in rug. Paperback met flappen, 483 pp., 1e druk. Met illustraties, met bibliografie en noten. Open Domein nr. 29. Met fotokatern. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 22,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

februari 4th, 2021 by Igor Cornelissen

Zionisme in Nederland. Over de man die zijn rechterhand bijna vergat

Voor de oorlog was slechts een minderheid van de Nederlandse joden zionist. De (orthodoxe) rabbijnen zagen het als een afwijking. Zionisten kwamen op voor een eigen land op historische grond: Palestina dus dat na 1918 onder Brits mandaat stond. Joden die erheen trokken waren vooral afkomstig uit Rusland en Polen. Die hadden pogroms meegemaakt. In Nederland waren die vervolgingen onbekend. Althans in de praktijk want er werd wel over geschreven. Theodor Herzl was de baanbreker van het zionisme. Zijn naam wordt geëerd in Israël waar zijn stoffelijk overschot herbegraven is. Herzl wordt nu alom geëerd en de meeste Nederlandse joden beoordelen het zionisme nu positief. Die ommezwaai beschrijft Ludy Giebels niet omdat haar studie eindigt in 1941, het jaar dat de zionistische beweging door de bezetter werd verboden.

De vooroorlogse zionisten waren verdeeld. Begin jaren dertig richtten Sam de Wolff en een handvol medestanders een socialistische zionistische beweging op: de Poale Tsion. Zij vonden de NZB, de grote organisatie burgerlijk en vijandig ten opzichte van arbeiders. Ook mijn grootvader was lid van die beweging. Sam de Wolff bezat een zogenaamd Palestina certificaat dat hem het leven redde. De Britten ruilde Duitse krijgsgevangenen – die in Palestina zaten – uit tegen joden. De laatste konden via Bergen Belsen naar Palestina uitreizen. Dat verhaal staat niet bij Giebels, maar dat doet niets af aan haar baanbrekende studie. Sam de Wolff kwam, na korte tijd in Palestina, terug naar Nederland. Ik leerde hem eind jaren vijftig kennen. Een gemoedelijke, maar soms wat halsstarrige man. Hij bleef een vurig socialist én zionist. Met de dichter uit Psalm 137 vergat hij zijn rechterhand niet, maar naar Israël vertrok hij niet.

Op Sam de Wolff komen we nog wel eens terug.


Giebels, L. (1975). De zionistische beweging in Nederland 1899-1941. Assen: Van Gorcum. I.g.st., kleine schade op achterplat. Gebonden in linnen, 223 pp., 1e druk. Met illustraties, met bibliografie, noten, verantwoording illustraties en register. € 19,95 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 31st, 2021 by Igor Cornelissen

Het Spanje van Octave Aubry: méér dan tapas en servetten

Van de keren dat ik Spanje bezocht waren de laatste de beste. Toen kwam ik echt onder het volk en in de eethuisjes waar zij drinken en snoepen. De laatste keer werd mijn aandacht getrokken in het provinciale blad dat ik af en toe lees en waarin Sevilla ‘de hoofdstad van de tapas’ werd genoemd. Ik ken maar één restaurant in Nederland dat een warme benadering geeft van wat je in Spanje voorgeschoteld kunt krijgen. Die tapasbar staat in Amsterdam vlakbij het Spui. Daar trof ik dan ook Hugh Jans de befaamde receptenschrijver van Vrij Nederland.

In Spanje gaat alles anders. In de eerste plaats wordt er niets voorgeschoteld. Je kiest zelf uit een aanbod dat hier niet wordt vertoond, Visjes, gestoofde niertjes, gebakken levertjes en onvoorstelbaar veel worstsoorten. Of Sevilla nu het allerbeste aanbiedt, weet ik niet, maar de keuze was overweldigend en dat gaat dan de hele dag door. Nog steeds vraag je je af wie er in Spanje ooit televisie kijkt. Het leven speelt er zich – we schrijven over de tijd vóór de Corona ellende –  tot laat op straat af. Men wandelt, flaneert en laat zich af en toe verleiden tot een kopje koffie, een biertje een glas wijn plus wat daar dan allemaal bij hoort. Het Spanje uit de aangeboden boeken bestaat in ieder geval nog: monumenten en kerken inbegrepen.

Ik herinner me een bezoek aan Madrid met in het gezelschap een man die voor zijn firma de hele wereld had bereisd. Ik had geen reden daar aan te twijfelen. Hij zat goed in de slappe was. Toen ik die avond enthousiast verslag deed van een tapasbar vlak naast ons hotel, wees hij die zaak neerbuigend af. Hij had er naar binnen gekeken en overal servetjes op grond gezien: ‘Een smerig zaakje’.  Blijkbaar wist hij met al zijn gereis niet dat iedereen in iedere tapasbar het servetje waarmee je je mond hebt afgeveegd op de grond laat vallen. Veel wereldreizigers blijken niet verder te komen dan hun Hilton hotel of andere logeergelegenheid met veel modern design maar weinig authentieks.

In Sevilla was trouwens in het straatje naast ons appartement een geweldige hoedenzaak. Ik kocht er meteen twee, plus een pet waarvoor ik nog wel eens een compliment krijg. Ik zou graag nog eens naar Sevilla gaan en dan met die pet op de tapas uitkiezen (vooral ook de gefrituurde sprotjes die je met huid en haar opeet) en dan vaak mijn mond afvegen en opnieuw beginnen. Met een fraaie collectie servetjes rondom mij. Maar een kenner van Spanje ben ik niet, al bezocht ik het Alcazar. Er waren toen wel erg veel toeristen die gehoorzaam de gidsen volgden, herkenbaar aan de kleur van hun vlaggetjes.  De boeken van Aubry ademen een zekere rust uit die je in de straten van Madrid, Toledo en Sevilla helaas alleen nog aantreft tijdens de pandemie die ons nu teistert. De kathedralen en paleizen uit de boeken hebben die crisis overleefd. In zijn boeken veel aandacht voor processies, schilderijen, klederdrachten en stierenvechten. Die stierengevechten behoren gelukkig bijna tot het verleden. Ik werd getroffen door een fraaie foto van een zigeunermeisje.

Nu maar hopen dat veel van die tapasbars straks weer open gaan. Niet bij brood alleen. Welzeker, maar met kathedralen alléén, hoe imposant ook, gaat het evenmin.

Octave Aubry (1881-1946) was een Franse romanschrijver met grote belangstelling voor geschiedenis. Hij schreef meerdere boeken over Napoleon. Aubry was lid van de Académie Francaise. Hij was wat men wel noemt een véélschrijver, maar daar hebben wij van het Wasdom geen principieel bezwaar tegen.


Aubrey, Octave (1929). L'Espagne. Les Provinces du Sud. De Séville a Cordoue. [Un volume grand-in-4° orné de aquarelles. Nombreuses héliogravures dans le texte et en hors-texte]. Grenoble: B. Arthaud & J. Rey.  Genummerd exemplaar, 160 [+2] pp. Roodkleurige halflederen band met hoekbescherming (moroccan red leather). Goud op bovensnede. Schitterende schutbladen, heliosfotografie door Anderson, Bertault-Foussemagne, Boissonnas, Darcis, Garzon, Laurent, Ruiz-Vernacci, Serrano. Aquarellen (15) van Marius Hubert-Robert (1885-1966), w.o. als frontispies de zigeunerwijk van Grenade (Le quartier des Gitanes). Zeer zeldzaam.

Aubrey, Octave (1930). L'Espagne. Les Provinces du Nord. De Tolédo a Burgos. [Un volume grand-in-4° orné de aquarelles. Nombreuses héliogravures dans le texte et en hors-texte]. Grenoble: B. Arthaud & J. Rey. Genummerd exemplaar, 195 [+3] pp. Roodkleurige halflederen band met hoekbescherming (moroccan red leather) en vergulde bovensnede. Schitterende schutbladen, heliosfotografie door diversen. Aquarellen (14) van Marius Hubert-Robert, w.o. als frontispies de kathedraal van Burgos. Zeer zeldzaam. Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 30th, 2021 by Igor Cornelissen

Theedrinken met Montgomery

Richard Mac Millan was oorlogscorrespondent van persbureau United Press. Verslagen van oorlogscorrespondenten hebben het voordeel dat de schrijvers ter plekke thee (of wat sterkers) dronken met de soldaten, hun voedsel nuttigden en de realiteit van granaten, loopgraven en bombardementen meemaakten. Ze hoefden zich niet, zoals later geboren historici ‘de sfeer eigen te maken’. Het nadeel is soms dat ze het overzicht misten waarover wij nu wel beschikken.

Field Marshall Montgomery (1887-1976) was de held van de Britten zoals de Amerikanen hun Eisenhower hadden en de Duitsers Rommel.

Ik herinner me curieus voorval van enkele jaren geleden. Er was iets in Tobroek of El Alamein gebeurd. De naam kwam in de krant. Het had niets te maken met WOII. Een oudere vriend die zich net al ik de namen van de veldslagen in Noord Afrika herinnerde, mailde me direct. Wist ik het nog? Dat daar de Duitsers hun eerste klappen hadden gekregen? Ondanks die slimme Rommel. Het is waar. De slag om Stalingrad en later de invasie in Normandië blijven hangen, maar die uitputtende gevechten in een moordende hitte, stof, en enge, altijd aanwezige bijtgrage insecten is wat weggevallen.

Het heldendom van Montgomery heeft later nogal wat deuken opgelopen. Men verwijt hem dat hij de Slag om Arnhem verkeerd heeft ingeschat. Dit boek gaat niet over Arnhem. In de woestijn van Noord Afrika stond hij zijn mannetje. Op een foto werd hem door soldaten een tas thee aangeboden. Zo noemen ze dat in Vlaanderen waar het boek verscheen. Een vriend uit Eindhoven vertelde me dat ze dat woord ook bij hem thuis gebruikten. Dat geheel terzijde. Hier gaat het om de mannen van het 8ste leger. Eisenhower, of was het Churchill, had ook nog wel wat andere kritiek op Monty wiens jas (houtje touwtje) wij nog jaren na 1945 droegen. Hij rookte niet en dronk niet. Behalve die tas thee, die natuurlijk wel.


Mac Millan, Richard (1945). Montgomery rekent met Rommel af. De geschiedenis van het 8ste leger. Brussel: Manteau. Redelijk, gebonden in rood linnen, mooie schutbladen, verkleurde rug. Figuur en tekst in goudopdruk op voorplat. 325 pp., 2e druk. Met als frontispies foto van Montgomery, geïllustreerd. Vertaling Jan van Opstal. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 33,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 28th, 2021 by Igor Cornelissen

Blue Note – Alfred Lion en Francis Wolff. Geraakt door ‘negermuziek’

Jazz is muziek en naar muziek moet je (leren) luisteren om er iets van te begrijpen, het daarna te kunnen waarderen en ten slotte met je gespaarde zakgeld naar de winkel te gaan om de begeerde platen te kopen. Wij begonnen met de breekbare 78-toerental platen, daarna kwam LP en nu, ook al weer verouderd, de CD’s.

Twee joodse jonge mannen, eind jaren dertig nog net op tijd uit nazi- Duitsland naar Amerika gevlucht, zorgden voor een extra dimensie. Misschien is de uitdrukking een gat in de markt wat overtrokken, maar de visuele reclame die ze maakten, sloeg aan. Die beide mannen,  Alfred Lion (1908-1987) en Francis Wolff (1907-1971), hadden in Berlijn al orkesten gehoord die wat toen heette negermuziek speelden. Ze waren er door geraakt.

Eén van hen had de sopraansaxofonist Sidney Bechet (1897-1959) al in Duitsland horen spelen. Bij een weerzien in New York leidde dat tot een contract. De Summertime die Bechet op de plaat zette is naar mijn mening nooit overtroffen. De klassieke jazz (dixieland!) volgde met o.a. de pianist Art Hodes die wars was van de moderne vormen van jazz die zich omstreeks 1942 begon te ontwikkelen. Bebop. Meer techniek en ingewikkelder akkoordenschema’s.  Lion en Wolff begrepen dat ze met hun tijd mee moesten gaan en ze gaven de jonge knapen van de Bebop alle ruimte. Voorspelbaar misschien, maar toch opmerkelijk is dat de oprichters en medewerkers van Blue Note allen behoorden tot het linkse, progressieve deel van de Amerikanen. Een minderheid dus, want de meeste Amerikanen beschouwden de segratie als iets vanzelfsprekend. Bij Blue Note werden de zwarte muzikanten als heren behandeld en overeenkomstig betaald.

Het dikke en loodzware boek over de geschiedenis van Blue Note is uiterst rijk geïllustreerd met foto’s van de kunstzinnige hoezen waarin de LP’s verpakt waren plus de afdrukken van de photo shoots die tijdens en na de opnamen werden gemaakt.

Een stukje onbekende Amerikaanse geschiedenis met namen en afbeeldingen van knapen, altijd cool, die soms al op hun 21ste of nog jonger een kans kregen. Zij grepen die kans bij die twee uit Duitsland gevluchte joden: Wolff en Lion. Zij hadden in elk geval in de States voldoende vrijheid voor hun baanbrekende werk, waarover jazzkenners nog steeds niet zijn uitgepraat.

Havers, Richard (2014). The Finest in Jazz Since 1939. Blue Note. Z.pl.: Lannoo|Terra. I.z.g.st., als nieuw en zonder gebruikssporen, 399 (+ 1) pp, met index, illustraties (foto's in zw./w. en kleur), verantwoording illustraties en discografie. Uit de collectie Igor Cornelissen. Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, wij doen ook aan muziekgeschiedenis.
januari 28th, 2021 by Igor Cornelissen

Jan Vrijman, het journaille en De Waarheid

Journaille was het pseudoniem waaronder Jan Vrijman (1925-1997) tussen 1985 en 1997 zijn frisse en vaak verhelderende rubriek schreef in Het Parool. Vrijman was het pseudoniem van de in de Jordaan geboren Jan Hulsebos die tijdens de bezetting het illegale blad De Waarheid rond bracht. Dat gaf hem een entree tot de legale Waarheid die na de bevrijding onder hoofdredacteur A.J. Koejemans korte tijd de grootste krant van Nederland was. Jan was niet de enige die later elders naam maakten: Gerrit Kouwenaar was chef kunst en Jan Brusse was even correspondent in Parijs, maar ging voor andere kranten en de AVRO werken omdat het communistische blad hem te traag, niet of te weinig betaalde. Jan Spierdijk stapte over naar De Telegraaf waar hij boeken besprak en toneel recenseerde.

Jan Vrijman ging naar Vrij Nederland, maar ging ook daar weg toen hij meende gecensureerd te worden. Inmiddels had hij al wel naam gemaakt met zijn reportages over de vetkuiven op de Nieuwendijk die hij nozems noemde. Hij veroorzaakte landelijk gerucht toen hij een TV-uitzending maakte over de rebellie op de Zeven Provinciën en daarbij een muiter aan het woord liet. Juist in de tijd dat er in Nederland weinig mocht of kon, liet Jan van zich spreken. Hij hield in ieder geval niet van stilte en bleef nieuwsgierig. Ook naar de gewone mensen om hem heen. Jan en ik mochten eens bij de KRO herinneringen aan het verleden ophalen en commentaar geven op het heden. We kregen twee uur. Jan was meer met zijn tijd meegegaan dan ik. We mochten onze lievelingsmuziek draaien. Mijn mooiste jazzmuziek stamde uit de zomer van 1927. Jan liet liederen uit de West Side Story uit de speakers knallen.

Toen ons werd gevraagd hoe oud we ons voelden, kwam ik op dertien jaar uit, Jan op zestien. Maar ook Jan Vrijman ging er onderdoor. Hij stierf aan borstkanker. In ieder geval een bewijs dat ik behoorlijk feministisch ben, grapte hij met de moed der wanhoop kort voor zijn dood tegen mij. In zijn laatste stukje voor Het Parool schreef hij ontroerend over het naderende einde. Als jongen van een jaar of tien was hij bang voor de slaap. Hij staarde dan met wijdopen ogen in het duister loerend naar een denkbeeldige havik. ‘Aan het eind van mijn leven, begin van het sterven, kijk ik naar de grote vogel op de rand van mijn bed. Hij loert niet, hij waakt en wacht tot ik hem roep.’

Uit zijn dagelijkse stukjes bleek dat het verleden hem vaker in de greep had. Hij was in een café in gesprek geraakt met een meisje van  tweeëntwintig. Die studeerde aan twee studierichtingen aan de VU en, had ze hem toevertrouwd, ging alleen met domme topsporters naar bed. Dat was dubbel safe: ze hadden geen enge ziektes en van liefde (van haar kant) zou toch niks komen. Toen ze weg ging, vertelde ze dat ze in de Gerrit van der Veenstraat woonde. Als Jan Vrijman antwoordt dat die straat vroeger de Euterpestraat heette ‘terwijl een vloed van herinneringen opwelde’ bleek ze nooit van Gerrit van der Veen te hebben gehoord. “Ik voelde geen spijt toen ze ten slotte “doei” riep en met een taxi naar huis ging.”


Vrijman, Jan (1998). Journaille. Een keuze uit de Parool-columns. Inleiding Felix Rottenberg, samenstelling en verantwoording Tom Rooduijn. Amsterdam: De Bezige Bij. I.g.st., leesvouwtjes in rug. Paperback, 277 pp., 2e druk. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 13,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 27th, 2021 by Igor Cornelissen

De levenssappigste onder de Tachtigers: Lodewijk van Deyssel

Lodewijk van Deyssel (1864-1952) beschikte over een “naar clowneske neigende deftigheid.” De karakterisering komt van zijn biograaf Harry G.M. Prick (1925-2006) die overigens ook oog had voor zijn humor en veelzijdigheid. Van Deyssel gold als Tachtiger en was zonder meer een van de meest ‘levenssappigste’ onder hen. De man was op een goede manier nieuwsgierig.

Als scholier schreef Prick een brief naar de oude van Deyssel. Dat was in 1942. Het viel de bejaarde schrijver op dat deze jonge knaap zijn werk zo doorgrond had. Toen ze enkele jaren later kennis maakten benoemde Van Deyssel hem tot zijn biograaf. Prick zou onbeperkt toegang krijgen tot Van Deyssels correspondentie en dagboekaantekeningen. Hetgeen geschiedde. Het zou onterecht zijn te schrijven dat de neerlandicus Prick daar zijn hele leven mee heeft gevuld. Prick heeft over ook veel over anderen geschreven (Gerrit Komrij en Boudewijn Buch bijvoorbeeld), maar hij bleef toch voornamelijk verslingerd aan Van Deyssel, de man met dat enorme hoofd en dat altijd maar loensende oog.

Toen de Gedenkschriften verschenen, oordeelde de anonieme recensent van de Nieuwe Rotterdamse Courant: ‘Als geheel zijn de Gedenkschriften een boek dat Van Deyssel ten voeten uitgeeft, in al zijn vele literaire gedaantes. De minutieuze en liefdevolle beschrijver, de heel persoonlijke, intuïtieve kunstbeschouwer, de merkwaardige wijsgeer, de lyricus, de humorist.’

Kom daar nu eens om, is men geneigd te verzuchten.

Sommigen vonden dat Prick wel wat ruim was in zijn belangstelling. Hij schreef in diverse tijdschriften deelstudies over de door hem bewonderde. In een van die bijdragen noteerde hij hoe vaak daags Van Deyssel onaneerde. Lang dus voordat Reve zulks aan het papier toevertrouwde. Het nazaat van Van Deyssel was ontsteld. Die zelfbevlekking deed volgens Prick niets af aan de grootheid van de schrijver. En bovendien: Van Deyssel had hem toch gezegd dat hij alles mocht gebruiken wat er in zijn handschrift boven water kwam? De meester bleef een Meister, ook “ohne Beschränkung.”


Prick, Harry G.M. (red.) (1962). Gedenkschriften voor de eerste maal volledig naar het handschrift [2 dln.]. Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink. Uitgegeven, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Harry G.M. Prick. Met krantenknipsels. Uit de collectie Igor Cornelissen. Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 26th, 2021 by Igor Cornelissen

“Als beste vrienden voortgaan”: Friedericy en “ons Indië”

Herman Jan Friedericy (1900-1962) was in de jaren dertig bestuursambtenaar op Celebes. Het waren, vertelde hij terugblikkend, zijn mooiste jaren. Hij interesseerde zich werkelijk voor de inheemse cultuur. Friedericy was een aanhanger van de zogenaamde ethische politiek die propageerde dat ons Indië uiteindelijk zelfstandig zou moeten worden en dat we daarna als ‘beste vrienden’ zouden voortgaan. Een deel van het bedrijfsleven zag de winsten van hun plantages en andere handel in gevaar komen en richtte in Utrecht een eigen faculteit voor Indische Zaken op, door de tegenstanders spottend de oliefaculteit genoemd.

Friedericy kwam in 1930 terug om in Leiden Indologie te gaan studeren. Daar promoveerde hij op een Makassaars onderwerp. Hij keerde terug naar Celebes en zat drie jaar onder de Japanners gevangen om daarna in diplomatieke dienst te komen. In Washington moest hij de Nederlandse regeringspolitiek verdedigen wat hem zeer moeilijk viel. Hij was tegen de koloniale oorlogen. Maar als diplomaat wordt je niet geacht een eigen mening te hebben.

Toen Friedericy verhalen en romans ging publiceren roemden critici hem om zijn stijl als rasverteller. Toen Gerard Reve hem in Edinburgh tijdens een schrijverscongres ontmoette oogde hij wat vermoeid, maar gelukkig nog net niet cynisch. Het was een man waar Reve niet goed wijs uit kon worden.

In De raadsman blikt de schrijver terug op zijn tijd in Indonesië. Het slot speelt zich af in de bar van het restaurant op het vliegveld in San Francisco. Twee vriendelijke Indonesische studenten en een Nederlander raken in gesprek. De Nederlander denkt aan zijn jaren als bestuursambtenaar op Makassar. En aan de woorden van zijn leraar in Leiden die had gezegd dat als Indonesië onafhankelijk werd de beide landen vrienden moesten blijven. Het was allemaal anders gelopen.

Friedericy moet, zoals Greetje Heemskerk in De Parelduiker schreef, een buitengewoon innemende en erudiete man zijn geweest.


Friedericy, H.J. (1958). De raadsman. Amsterdam: Querido. I.z.g.st., vergeeld papier. Gebonden, 125 pp., 1e druk. Met verklarende woordenlijst. Uit de collectie Igor Cornelissen. Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 25th, 2021 by Igor Cornelissen

De waarheid van de schilder en de beeldhouwster

Albert Carel Willink (1900-1983) was Amsterdammer van geboorte en overleed in die stad. Hij heeft er enkele 19e eeuwse huizen geschilderd die er mysterieus uitzien. Dat werd uiteindelijk zijn stijl, magisch realistisch genoemd. Willink vond dat onzin, want er was niets magisch in zijn werk. Magie deed aan sprookjes denken.

Hij was al op jeugdige leeftijd in Berlijn aan het werk. Dat was in de jaren twintig de stad waar ‘alles’ gebeurde. Hij ontmoette er George Grosz die de decadentie niet uitvond, maar wel in krasse tekeningen uitbeeldde. Daarna kwam Willink in Parijs in aanraking met weer nieuwe schilderstijlen. Hij omarmde het abstracte, daarna het kubisme. Zijn vriend Du Perron ried hem aan het te zoeken in het realisme. Na 1945 leek er geen plaats meer voor alles wat herkenbaar was. De Cobrabeweging eiste en kreeg alle ruimte. Willink verzette zich daartegen in geschrifte met De schilderkunst in een kritiek stadium dat in 1950 voor het eerst verscheen.

Willink was niet gesteld op luxe. Hij had geen rijbewijs en reed dus nooit in patserige auto’s wat veel mensen doen die het ‘gemaakt’ hebben. Maar hij hield wel van lekker eten en kwam graag in de Oesterbar waar als hij binnenkwam de paling al op het vuur werd gezet. Maar dat was pas veel later toen hij als schilder naam had gemaakt.

Bekendheid kwam er ook door zijn derde vrouw, Mathilde die zich om de haverklap kledij gemaakt door Fong Leng liet aanmeten. Deze extravagante Zeeuwse was een willige prooi voor de roddelpers. Oude schilder met veel jongere vrouw. Zulke berichten willen mensen wel lezen die zelf een reproductie van het hertje van Van Meegeren aan de muur hebben hangen. Mathilde werd dood op haar bed gevonden met een schot door haar linkeroor terwijl ze rechtshandig was. Er was sprake van cocaïne en duistere geheimen die ze op schrift bewaarde in een kastje. Over Mathilde is een aantal boeken verschenen. Maar toen ze stierf was Willink al heel gelukkig met de beeldhouwster Sylvia Quiël, ook al veel jonger. Volgens de dagboekaantekeningen van Sylvia kwamen de schilder en de beeldhouwster tot allerhande frivole dingen.

Bij hun huwelijk waren Simon Carmiggelt en diens vrouw aanwezig. Willink was inmiddels erkend als groot schilder en om die dure kleding van Mathilde te kunnen bekostigen was hij, op aanvraag, portretschilder. Hij zag het als een deel van zijn ambacht en schaamde er zich niet voor. Hij liet zijn opdrachtgevers flink betalen. Zijn klanten kwamen uit de zakenwereld of het waren politici. Meestal liberaal of katholiek. Een uitnodiging om de vroegere koningin Wilhelmina te schilderen, wees hij af toen hij de ruimte had gezien waar zijn schilderij zou komen te hangen. Een gele muur. Willink had de pest aan geel.

In Amsterdam is een Willink pleintje met een standbeeld van de schilder gemaakt door zijn laatste geliefde.


Mulder, J. (1983). Willinks waarheid en het dagboek van Sylvia. Baarn: De Fontein. I.g.st.. Paperback, 240 pp., met illustraties (fotokatern (in zw./w). Voorwoord van Simon Carmiggelt en recensies. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 17,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 24th, 2021 by Igor Cornelissen

Sporen van J.B. Charles: wat nagelschraapsel en andere herinneringen

Volg het spoor terug was één van de boeken die ik, nog lang geen twintig, las. Ouders van een vriend bezaten het. Ik mocht het lenen. Het droeg bij tot mijn ‘politieke bewustwording’. J.B. Charles pakte al die oplichters en bedriegers stevig aan: de hele en half collaborateurs. Hij slachtte postuum Colijn en de naoorlogse hele of halve fascisten (zo noemde hij ze) die zich druk maakten over de Nederlandse vlag die op Koninginnedag vijf minuten te laat werd binnengehaald. Zijn latere werk – Van het kleine koude front – maakte niet minder indruk.

Charles, de schrijversnaam van de criminoloog W.H. Nagel (1910-1983) kwam uit Groningen. School met de bijbel, twijfels, opstandig, het verzet in… Het is een lijn die meer Groningers trokken die zich in de literaire wereld een plaats veroverden.  Zijn vrienden uit het verzet bleef hij steunen. Toen uitgever Bert Bakker wegens rijden onder invloed de cel in moest, vond Nagel een weg om hem te helpen. Ze hadden beiden in het verzet gezeten en Bakker had ongetwijfeld last van een oorlogstrauma. Dat Bakker voor de oorlog al stevig dronk en dat Nagel en hij elkaar tijdens de oorlog nog helemaal niet kenden, deed niets af aan de inzet van Nagel.

Toen Aat Veldhoen (1934-2018) in de zomer van 1964 problemen kreeg met justitie omdat hij zinnenprikkelende prenten verkocht, schreef Charles een verontwaardigd artikel in Ratio: Wat heb ik aan mijn zinnen als ze niet meer geprikkeld mogen worden? Hij was en werd geen huiskamergeleerde.

Charles/Nagel was een omstreden man. Daar deed hij zelf veel aan. Hij stelde zich op als iemand van Derde Weg. Iets tussen Moskou en Washington in. Hij verzette zich tegen de Duitse herbewapening en de legering van een Duits troepenonderdeel in Budel (Brabant).  Een foto waarop hij, wadend door de sneeuw, met de joodse schrijfster Marga Minco voorop in de stoet loopt die tegen Budel protesteert, maakte diepe indruk op mij

In zijn vakgebied was hij uiterst deskundig wat, uiteraard kritiek opriep van andere deskundigen. Zijn dissertatie Criminaliteit in Oss (Het Wasdom had het ooit te koop; het was snel verkocht) geldt nog altijd als een belangrijk werk.

Hij raakte nogal wat sympathie kwijt toen hij in de aanval ging tegen het zionisme en de buitenlandse politiek van Israël. Hij noemde minister Golda Meir een typische Duitse jodin, wat ze niet was. Wel joods, maar ze kwam uit Kiev en was in Amerika opgegroeid.

Belangrijker dan Nagels (of Charles’) misstappen is dat zijn biografie de lezer van nu veel leert over het Nederland van voor, tijdens en na de oorlog. Ik word in de tekst een keer genoemd, maar in het personenregister is mijn naam niet te vinden. Als je een boek zo zou recenseren dan deugt er geen biografie. Mijn collega bij Vrij Nederland Martin van Amerongen komt er vaker in voor, Hij haalde Charles bij VN binnen als columnist. Ik vond het niet zo’n succes. Dat kwam niet omdat Charles onvermoeibaar uithaalde tegen onze minister van Buitenlandse Zaken Joseph Luns, maar omdat hij hem steeds ’een hese hufter’ bleef noemen. Anderen vonden dat ongetwijfeld wel erg geestig.


Schuyt, K. (2010). Het spoor terug. J.B. Charles | W.H. Nagel | 1910-1983. Amsterdam: Balans. I.z.g.st.. Paperback, 640 pp., 1e druk. Met illustraties, met bibliografie, noten, verantwoording illustraties en register. € 22,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 23rd, 2021 by Igor Cornelissen

Henry Miller en Brenda Gabrielle Venus in De Hete Brij

De Amerikaanse schrijver Henry Miller (1891-1980) gold bij velen, en dat jaren lang, als een vies mannetje die zijn tijd doorbracht met naaien en zuipen. Bovendien schepte hij er behagen in daar zijn boeken mee te vullen. En wat was er waar van al die verhalen? Hij mengde fantasie en werkelijkheid door elkaar.

Toen Henry Miller in 1930 in Parijs aankwam had hij weinig geld en nauwelijks contacten. Hij bracht zijn tijd inderdaad anders door dan de Parijzenaar die op tijd naar zijn werk moest en hooguit tijd had voor een enkel vluggertje. Millers Parijse jaren leek daarentegen te bestaan uit alléén maar vluggertjes. Maar dat is slechts de halve waarheid. Hij schreef ook over zijn grote liefde voor Parijs en Frankrijk.

In Amerika was je als schrijver alleen maar wat als je beroemd was en bestsellers produceerde. Een onbekende schrijver gold er als een anarchist en dus oplichter. In Parijs maakte hij mee dat de eigenaresse van een restaurant hem krediet verleende, omdat hij vertelde schrijver te zijn. En met iedere jonge kellner kon je praten over Dostojevski. Dat laatste lijkt me een beetje overdreven. Maar misschien was dat in de jaren dertig (een beetje) waar. Bij Miller wist je het nooit.

Een van de kameraden waarmee hij optrok was de in Hongarije geboren, maar in Frankrijk opgegroeide Gilberte Brassaï (1899-1984) die naam zou maken als fotograaf van het Parijse nachtleven. Ook ontmoette hij vele malen Picasso. Hij fotografeerde de Spaanse kunstenaar en schreef over hem.  Toen Miller in Amerika terug was, werden zijn boeken daar verboden. Ze gingen tegen iedere moraal in. Uiteindelijk werd het verbod in 1964 opgeheven en dat droeg volgens kenners bij tot de seksuele revolutie. Een revolutie die verdere gaten sloeg in de door het christendom gepreekte zedenleer.

In zijn laatste jaren, Miller werd 89 jaar, ontwikkelde de nu gevierde schrijver een correspondentie met de zestig jaar jongere Brenda Gabrielle Venus (1947), die alles in huis had om een veelgevraagd model te zijn. Was er méér tussen hen? In ieder geval schreef Miller haar meer dan duizend brieven. Ze schreef terug en sleepte hem door een tijd van aftakeling heen.

Toen ik in mijn Zwolse stamcafé De Hete Brij eens een boek van Miller met foto’s van Brenda liet circuleren, ontstond er een wat broeierige sfeer. Brenda wie? Waar woonde ze?  Kon ze niet met ons in Zwolle het glas komen heffen? Niet alleen wekte Brenda in Zwolle lusten op, ook vond men die Miller een geweldige kerel. Hij had het toch maar voor elkaar gekregen.


Brassai, Gilberte (2011). Henry Miller. The Paris Years. I.z.g.st., hardcover met stofomslag. 224 pp., met illustraties, met bibliografie. € 19.95 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 23rd, 2021 by Jaap de Jong

Henry Miller revisited – uit de dagaantekeningen

Uit de dagaantekeningen van 2019.10.23, 14.15 – “Ik houd van al wat stroomt”

De kreeftskeerling (met vouwtje op pagina 229)

“Ik houd van al wat stroomt” zei de grote blinde dichter John Milton eens. Ik moest er aan denken toen ik zojuist het boek van Henry Miller uit de kast pakte om te beschrijven. Op pagina 229 zit een vouwtje en dat is bijzonder. Ik hou mijn boeken meestal netjes. Zelden maak ik een vouw om iets te onthouden. Dat doen barbaren. Er moest iets bijzonders zijn dat mij tot vouwen heeft gebracht op die dertiende september 1997. Ik geef toe: mij is niets barbaars vreemd.

“Ik houd van al wat stroomt” en zo goed als ik weet u dat er nu iets bijzonder komt, iets smerigs, iets bijzonder smerigs, een enorme lavastroom aan gedachten, een kolkende lavastroom. En dat is ook zo. Ik citeer, maar hou het kort. Moet door met beschrijven. Nog twintig boeken te gaan. Miller was een existentialist en een vitalistische melancholicus of allebei en dat is te merken:

Ik houd van al wat stroomt: rivieren, riolen, lava, sperma, bloed, gal, woorden, zinnen. Ik houd van het vruchtwater als het uit de zak loopt, ik houd van de nier met haar pijnlijke stenen, haar niersteen en wat al niet meer; ik houd van de urine die er kokend heet uitkomt en de gono die eindeloos blijft lopen; ik houd van hysterische woorden en zinnen die als dysenterie steeds blijven doorgaan en alle zieke beelden van de ziel weerspiegelen.

Ik houd van al wat stroomt. Ook van de dynamiek in een boekenkast. Het boek van Henry Miller De kreeftskeerkring (Amsterdam, De Bezige Bij, 1963) was hier te koop, maar staat te pronken in andermans boekenkast. Het was een gaaf exemplaar.

Alleen zit er op pagina 229 een vouwtje.

januari 22nd, 2021 by Igor Cornelissen

Zuinigheid met vlijt. Over de “Navo-professor” Ger Harmsen

Ger Harmsen (1922-2005) werd kort na de oorlog lid van de CPN. Hij was toen nog jong, leek een veelbelovend kameraad en werd al snel leider van de afdeling politieke scholing. Naar eigen zeggen was hij “streng en veeleisend”. Dat ging een aantal jaren goed. Hij wist alles van Lenin en Stalin, maar in de communistische partij ging er altijd wel iets mis. Hij werd afgezet en gedegradeerd. Hij bleek toch ietwat te zelfstandig. Toch bleef Harmsen lid en colporteerde met De Waarheid waarin hij op dat moment werd berispt. Na de opstand in Hongarije bedankte hij voor de partij en werd een dissident, maar wel een communistische dissident. Vervolgens PSP en daarna PvdA. “‘een snelle afloop der wateren”, fluistert de kompaan zacht, maar toch hoorbaar.

Zijn belangstelling voor de communistische beweging behield hij, evenals de liefde en kennis voor planten. Mossen vooral. Bovendien bleef hij volksdansen. Dat laatste vond ik raar. Die andere hobbies niet, want die deelde ik. Nadat Harmsen zijn lidmaatschap van de CPN had opgezegd, waarmee hij “een klassevijand en verrader” werd, zette hij zich aan zijn proefschrift. Hij ondervroeg oudere kameraden over hun ervaringen in de jeugdbeweging. Die stonden hem tijdens zijn CPN-tijd welwillend te woord. Bij de verschijning van zijn dissertatie hadden ze spijt als de haren op hun hoofd, maar dat was inmiddels kaal geworden.

Blauwe en rode jeugd is een uitputtende studie over de jongeren die geheelonthouder en/of socialist/communist/anarchist waren. We komen interessante types tegen zoals de schilder Melle Oldeboerrigter, het latere kamerlid Gerda Brautigam, de geheim agent Daan Goulooze en de christen-socialist  professor Willem Banning. Een weerkerend thema is dat de moederpartij vrijwel altijd de baas wil spelen over de jongeren. Anarchisten hebben geen partij boven zich. Hooguit raadgevers.

De leukste uitspraak is van de latere PvdA minister Ko Suurhoff die in zijn jongere jaren voor het NVV (de socialistische vakbond) het jeugdwerk voor zijn rekening nam De ouderen moesten bij hun opvoeding geheel afzien van hun eigen voorkeur. Het was helemaal niet socialistischer om op een mandoline dan op een mondharmonica te spelen ‘het is alleen maar welluidender’. Inmiddels is dat oordeel ook al weer gewijzigd bij de hedendaagse musicerenden die het vooral bij flink versterkte gitaren en trommels houden. Misschien dat op Urk nog mandoline wordt gespeeld?

Harmsen kreeg veel aandacht voor zijn proefschrift zoals hij voor zijn vele latere boeken en studies de recensenten wist te interesseren. Hij promoveerde bij Jacques Presser en werd hoogleraar in Groningen. Door de jonge communisten (studerend of niet) werd hij voor “NAVO-professor” uitgemaakt. Dat knipte hij allemaal uit De Waarheid en telde het aantal beschuldigingen. Dat kwam dan weer in zijn memoires Herfsttijloos. Toen ik dat boek voor Vrij Nederland besprak, leek het me dat hij mensen en artikelen inventariseerde als de zeldzame mossen die hij in Ierland of Schotland vond.

Ik bezocht hem een enkele maal in zijn Friese boerderij. Te eten kreeg je er niet. Met veel gezucht en pijnlijk vertrokken gezicht kwam er een kop thee. Het leek wel of Ger in de crisisjaren of in die van de zuinige CPN was blijven steken. Veel humor had hij niet. Wel werklust en een niet te stuiten verzamelwoede van boeken, brochures en brieven van oud-strijders.


Harmsen, G.J. (1961). Blauwe en rode jeugd. Een bijdrage tot de geschiedenis van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Assen: Van Gorcum & Comp./H.J. Prakke. Softcover, binnenwerk prima, omslag matig (maar herstelbaar). Disseratie. Met penaantekeningen Igor Cornelissen. Paperback, XIV, 496 pp., 1e druk. Met bibliografie en noten. € 17,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 20th, 2021 by Jaap de Jong

Étienne Gilson, specialist middeleeuwse filosofie & kenner van Descartes

Étienne Henri Gilson (1884–1978) is geen onbekende onder de filosofen. Gilson studeerde o.m. bij Lucien Lévy-Bruhl, Henri Bergson en Emile Durkheim en promoveerde in 1913 op Descartes. Hij staat onder specialisten ook bekend om zijn grondige kennis van de thomistische traditie. Op aanraden van zijn leermeester Lévy-Bruhl verdiepte hij zich na zijn promotie op de doorwerking van de middeleeuwse filosofie op het denken van Descartes. Er kwam evenwel een oorlog tussen.

Gilson diende als tweede luitenant en onderscheidde zich door dapper gedrag. Tijdens en na de oorlog ontwikkelde hij zich tot specialist op het terrein van de Middeleeuwse filosofie. Hij gaf colleges in Lille, Straatsburg, Parijs en de Sorbonne en richtte in 1929 in Toronto een onderzoeksinsitituut op dat nog steeds bekend staat als het Pontifical Institute of Mediaeval Studies. In 1946 werd Gilson verkozen als lid van de Académie Française en later genomineerd voor de Nobelprijs in de literatuur.

Gilson schreef ook een studie over de geschiedenis van Héloïse en Abélard, de lovestory waarmee de enthousiaste docent Leen Dorsman  zijn toehoorders (eind jaren tachtig) verleidde om zich massaal als student geschiedenis in te schrijven aan de Utrechtse Universiteit. Ik was onder hen en kreeg nooit spijt van mijn keuze. Als het even minder gaat en Prediker geen soelaas biedt lees ik Het verhaal van mijn rampspoed van Petrus Abélard en weet ik dat het niets is waarover ik mij zorgen maak. Dat boek en de brieven van Abelard aan en van Héloïse houd ik dus nog even ;-). Ik vermoed dat Gilson in zijn studie Héloïse et Abélard (Paris, 1938) een filosofisch licht op Petrus Abélard laat schijnen (universaliënstrijd). Het gefrutsel met Héloïse zal bij hem hooguit een klein terzijde zijn of als lichte verpozing op een gouden schaal worden aangeboden. Of vergis ik mij?

Het Pontifical Institute in Toronto gaf in 1982 in elk geval een bibliografie uit over het werk van Gilson. Dat overzicht van teksten van en over Gilson werd samengesteld door Margaret McGrath en was natuurlijk erg belangrijk voor de biografie die Laurence K. Shook twee jaar later schreef.

Wij zijn door toeval dat ons toeviel in staat om de bibliografie, de (zeldzame) biografie en een selectie van het werk van Etienne Gilson te leveren. Niet meer leverbaar.


McGrath, Margaret (1982). Etienne Gilson. A Bibliography - Une Bibliographie. Toronto, Pontifical Institute of Mediaeval Studies. Paperback, 124 pp. Goed. 

Shook, Laurence K. (1984). Etienne Gilson. Toronto, Pontifical Institute of Mediaeval Studies, 1984. I.g.st., binnenwerk uitstekend. Vochtvlekken op voor- en achterplat (foto). Zeer zeldzaam. Gebonden in linnen, 412 pp., met illustraties, met bibliografie en noten.  

Gilson, Etienne (1950). Le Philosophe et La Theologie. Paris: Arthème Fayard.  I.g.st., licht verkleurd. Paperback, 259 pp.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 20th, 2021 by Igor Cornelissen

Klinkenberg en de Prins

Ere wie ere toekomt is een stelregel waarmee met name de Nederlandse journalistiek het vaak erg moeilijk mee heeft. Maar het was de communistische journalist Wim Klinkenberg (1923-1995) die als eerste de levensloop van prins Bernhard onder de loep legde. En met die loep keek hij scherp.

Van de verhalen van eerdere biografen, de gereformeerde Jan Waterink (1890-1966) (hoogleraar pedagogiek aan de VU) en de Amerikaanse (ingehuurde?) journalist Alden R. Hatch (1898-1975), bleef weinig over. Waterink zag steeds Gods hand en zegen in de weer bij Bernhards loopbaan en zijn zogenaamd toevallige sprookjeshuwelijk vol wederzijdse liefde met prinses Juliana. En ook Hatch had zaken weggelaten of goedgepraat.

Klinkenberg was de eerste die het nationaal-socialistische milieu waarin Bernhard groot werd – en begon te bloeien – ontrafelde. Klinkenbergs boek werd bij verschijning nauwelijks serieus genomen. Dat kwam ook wel doordat Klinkenberg, als hij iets niet direct bewijzen kon, vaak met formulering kwam als “…het zou wel vreemd zijn als niet…” En zijn veelvuldig gebruik van het woordje ‘waarschijnlijk’.

Wim Klinkenberg zag Bernhard niet als een pion maar als een Hoofdspeler in het machtsspel van grote concerns dat het kapitalisme wilde laten blijven zegevieren. Een Amerikaanse zetbaas van het hoogste niveau en buitengewoon gevaarlijk. Anderen zagen en zien hem als een handige speler die alleen uit was op zijn eigen bed genoegens en dus bijkomend geld dat nodig is ‘reis en verblijf’.

Klinkenberg was niet alleen communist, hij was ook een stalinist in die zin dat hij de nederlaag van Hitler grotendeels aan de geniale militaire leiding van de bloeddorstige dictator toeschreef. Misstappen en wandaden van Stalin waren hooguit kleine fouten die aan zijn grootheid niet afdeden. Van dissidenten moest hij niets hebben. Tenminste niet als ze Russisch waren. Dat ze het land werden uitgezet of achter de tralies kwamen, deerde hem niet. Door deze vreemde vasthoudendheid maakte Klinkenberg het zichzelf moeilijk.

Ik heb Klinkenberg redelijk goed gekend en in zijn boek (althans in een herziene herdruk) citeert hij enkele malen met instemming mijn artikelen uit Vrij Nederland. In zijn verering van Stalin en zijn overtuiging dat de Sovjet Unie de ware vredesmacht was, kon ik niet meegaan. Daarom bleef er een afstand tussen ons bestaan. Maar toen ik het een paar jaar geleden noodzakelijk vond om op te komen voor een gedeeltelijk eerherstel van deze nijvere journalist als eerste Bernhard vorser die archieven doorploegde toen vrijwel iedereen de prins een toffe vent vond, nam het NRC Handelsblad mijn ingezonden brief niet op.


Klinkenberg, W. (1979). Prins Bernhard. Een politieke biografie. Amsterdam: Onze Tijd. Redelijk, met gebruikssporen (potloodaantekeningen van Igor Cornelissen). Paperback, 555 pp., 1e druk. Met illustraties (fotokatern), bibliografie en noten. € 16,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, bijv. biografieën.
januari 18th, 2021 by Igor Cornelissen

Nobelprijswinnaar Rudyard Kipling, dichter en verteller van verhalen

Vandaag, 18 januari 2021, is het precies 85 jaar geleden dat Rudyard Kipling (1865-1936) overleed. Hij ontving in 1907 de Nobelprijs voor de literatuur. Hij was de eerste Brit die deze onderscheiding ontving.  De Nobelprijs zegt niet alles en zorgt zeker niet voor eeuwige roem, want veel van de winnaars zijn vandaag totaal vergeten. Toch schreef hij het prachtige – maar nu vergeten (?) gedicht If dat je alles vertelt over leiderschap. De Engelsen verkozen het in 1995 tot hun favoriete gedicht. Het bevat het advies van een vader aan zijn dochter of zoon. Er staan ware dingen in, zegt de kompaan. Het verhaal The Man who would be King (1975) van Kipling is verfilmd, met Michael Caine en Sean Connery. Kipling kon wel wat.

Rudyard Kipling werd in Bombay geboren, stad in het grote rijk dat vanuit Londen werd bestuurd, zoals een groot deel van de wereld. Kipling was een bewonderaar en verdediger van dat grote rijk. Hij ging er van uit dat East is East and West is West (de zin is van hem) zo hoorde en ook dat dat White Man’s Burden iets van God gegeven was. Een ouderwetse man die koloniale verhoudingen verheerlijkte. Wij gingen in de landen beschaving brengen.

Kipling werd bij zijn leven al bestreden door progressieve schrijvers en politici. Orwell noemde hem een ‘bijna fascist”.  Baden Powell, de stichter van de Boy Scouts, werd beïnvloed door zijn boeken en Mowgli speelde een grote rol in de opbouw van de padvinders. Dat alles wist ik niet toen ik in Zwolle kort na de oorlog welp werd en daarna verkenner. Wie Rudyard Kipling was, kwam ik pas veel later te weten en van Baden Powell wist ik alleen dat hij op hoge leeftijd nog in korte broek liep en een verkennershoed droeg. Dat hij in Zuid Afrika tegen de Boeren had gevochten, hoorde ik later en nog weer veel later las ik ergens dat zelfs Kipling realist kon zijn. Hij begreep uiteindelijk dat het koloniale Britse Rijk er niet voor eeuwig kon zijn. Ondanks alles.

De ooit gepensioneerde dienaren, militair of burger, die in een kolonie hadden gediend kwam ik bij mijn eerste reis naar Engeland nog wel tegen, net zoals soldaten die bij ‘Arnheim’ hadden gevochten. Die zijn nu allemaal dood. De Britten vechten nu onder elkaar over Brussel en de Brexit. Tamelijk onoverzichtelijk.

In de tijd van Kipling ging het over duidelijker zaken: hoe houden we stand in Afghanistan en India. Maar je maakt nog altijd een goede beurt in Engeland als je tenminste weet wie Rudyard Kipling was. Maar niet bij iedereen.

In zijn verhalenbundel Soldiers Tree gebruikte Kipling (al dan niet in samenspraak met zijn uitgever Macmillan (London, 1899) een swastika ofwel het hakenkruis als frontispies. Hetzelfde teken staat op het voorplat van dit boek, maar dan eenachtste naar links gedraaid, zoals dat bij de latere (neo-)nazi’s gebruikelijk was. Het swastikateken had voordien de betekenis van vrede, voorspoed, geluk of zelfs heiligheid. 

Die draai naar links (met eenachtste) is ongebruikelijk bij het hindoeïsme en boeddhisme, waar de swastika eveneens te vinden is. De swastika wordt ook aangetroffen op de vloeren van enkele oude synagogen zoals die in Ein Gedi op de linkeroever van de Dode Zee. Die kun je nu met voeten treden.


Kipling, Rudyard (1899). Soldiers Three. The Story of the Gadsbys in Black & White. London: Macmillan & Co. I.z.g.st., hoekjes voor- en achtplat ietwat gebogen (normale tijdschade). Gebonden in rood linnen met afbeelding van de swastika (in goud) op voorplat (in 3D) en frontispies, gouden belettering van de rugtitel. € 19,95 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 18th, 2021 by Igor Cornelissen

Over de broodschrijver Walter Scott en ‘a vulgar cockney poetaster”

Walter Scott (1771-1832) was een beroemde Schotse schrijver die verhalen en sagen uit zijn geboorteland uitwerkte tot romans. Hij is wat wijdlopig in zijn boeken waarvan Waverley de bekendste werd. Scott had eerder naam gemaakt als dichter.

Waverly was zijn eersteling in het genre van de historische roman. Ook The Bride of Lammermoor droeg bij aan zijn grote populariteit. Hij beïnvloedde een reeks van grote schrijvers onder wie Victor Hugo en Aleksandr Poesjkin. Er is Scott wel verweten dat hij veel zijpaden bewandelde en te uitvoerig was. Een broodschrijver noemde iemand hem smalend.

Misschien moest hij wel – schrijven voor zijn brood – want hij kwam op latere leeftijd in de schulden te zitten. Ik meen dat het Renate Rubinstein was die het voor dat soort schrijvers opnam. Wat is er overigens tegen om voor je brood te schrijven? Men spreekt toch ook niet van broodloodgieter of broodelektricien?

Scott’s Invanhoe is, in Amerika en Engeland, verfilmd. Niet één keer, maar tot vier keer toe. De Britse televisieserie Ivanhoe is ook op de Nederlandse buis vertoond. Het schijnt dat men dan de stem van Willy Alberti kan horen. Ivanhoe is de dappere Saks die het opneemt tegen onbetrouwbare Normandiërs.

Los van dit alles, maar toch nauw verbonden met het voorgaande: wij bieden hierbij de bekende, maar zeldzame biografie van Walter Scott aan. Geschreven en uitgegeven door zijn schoonzoon John Gibson Lockhart. Lockhart werd erom geroemd en geprezen. L. staat er overigens ook om bekend dat hij de dichter John Keats toevoegde dat hij “a vulgar cockney poetaster” zou zijn, een ‘wappie’ dus in het land der dichters. Dit alles terzijde uiteraard.


Scott, Walter (1837-1838). Memoirs of the Life of Sir Walter Scott [in three volumes, later completed by the (scarce) fourth vol.]. By J.G. Lockhart, his son-in-law and literary executor. Paris: Galignani and Co. Good copy, bound in contemporary 1/2 black leather over marbled boards. Gilt-blocked leather labels to spines with gilt-crossed bands. Bands and the edges slighly rubbed by time (specially 3th vol., see photo). Ex Libris 'GvR - Deo Non Fortuna'. € 210,00 (incl. costs for shipping and package within Europe). Interested, contact us.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 17th, 2021 by Igor Cornelissen

Samuel Sarphati, minnaar van mensen

In Amsterdam vernoemde men een straat en een park naar Samuel Sarphati (1813-1866), maar toen Bottenheim zijn boekje in het voorjaar van 1945 schreef was er al een ‘jongere generatie’ die de man met die Portugees joodse naam niet kon plaatsen. Afgezien dan dat het toen de tijd niet was zich met dit soort zaken bezig te houden.

Samuel Sarphati, zoon van een tabakshandelaar, ging na zijn medicijnenstudie als huisarts werken in Amsterdam. Hij werd geconfronteerd met de armen, paupers vaak. Acht procent van de inwoners huisde in kelders. De stad stonk. Sarphati greep in. Het schijnt dat het woord ‘onmogelijk’ niet in zijn woordenboek voorkwam. Hij nam het initiatief voor een abattoir en stichtte een broodfabriek. Het eindproduct kostte bij hem beduidend minder dan dat van de andere fabrikanten. Hij produceerde gezond brood.

Dat van dat brood, zal men nu ook vergeten zijn, maar wat nog recht overeind staat is het glorieuze Amstel Hotel dat zijn initiatief was. Er logeerden koningen en oliesjeiks. Ik heb er eens thee gedronken, maar schrok zo van de prijzen dat ik er geen gebraden patrijzen heb durven bestellen. Je kunt niet alles hebben.

Verdwenen is het eens glorieuze Paleis voor Volksvlijt van glas en ijzer waarvan nog wel foto’s en ansichtkaarten bestaan. Het Paleis was naar Engels voorbeeld gebouwd en bestemd voor tentoonstellingen. Het ging in 1929 in vlammen op. Er voor in de plaats kwam na de oorlog het afzichtelijke gebouw van De Nederlandsche Bank waar ik, ook dat moet gezegd, een document vond dat voor een onthulling zorgde in een boek dat ik aan het schrijven was. Sarphati had daar niets mee te maken.

Bottenheim noemde Sarphati ‘een zielvol denker, een zoon der studie, een gelovige op het gebied van menschenmin en van vooruitgang.’

Gezwollen taal zeggen we nu, maar in de kern juist.

In 1942 verdween, op last van de Duitse bezetter, zijn (joodse) naam uit het straatbeeld. Nu kan men weer door de Sarphatistraat wandelen en, mits voorzien van ruime beurs, uitgebreid gaan dineren in het Amstel Hotel.


Bottenheim, S. (1945). Dr. Samuel Sarphati en zijne betekenis voor Amsterdam. Amsterdam: "Joost van den Vondel". I.g.st., lichte verkleuring, met papieren omslag. 29 pp., 1e druk. Met illustraties. € 17,00. Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 16th, 2021 by Igor Cornelissen

Herman Heijermans Jr., schrijver over het kleine (on)geluk

De toneelschrijver en journalist Herman Heijermans Jr. (Rotterdam, 1864 – Zandvoort, 1924) had al heel wat geschreven voordat hij in 1908 naar Berlijn vertrok. Meestal had hij succes, maar een enkele maal werd een stuk van hem uitgefloten. Zou zoiets nu nog bestaan bij een premiére?  Veel van Heijermans stukken waren al in Berlijn opgevoerd. Hij kreeg er geen cent voor, want Duitsland was niet aangesloten bij de Berner Conventie. Dat werd na zijn Berlijner burgerschap beter, maar de geldelijke zorgen bleven want Heijermans leefde soms luxueus.

In ieder geval waren zijn contacten in de Duitse hoofdstad zo goed dat hij hetzelfde jaar al toegang kreeg tot het Berliner Tageblatt. Die krant drukte dat zijn impressies af, waarna een Nederlandse vertaling verscheen.

Veel Nederlanders kennen de geschiedenis van Berlijn een beetje. Vooral die van de stad tijdens de Weimarrepubliek toen de stad de toon aangaf wat betreft kunst, mode en uitgaan. En daarna kennen de meesten de stad in ruïnes, tenminste van de foto’s, inclusief de ondergang van het Derde Rijk met de lichamen van Hitler en zijn geliefde Eva Braun.

Maar hoe zag het Berlijn er van vóór de Eerste Wereldoorlog uit. Heijermans laat het ons zien. Hij bezocht een daklozencentrum, ging – hij bleef vaak de reizende reporter- in de hele vroege morgen met een bloemenverkoper mee. Bloemen waren altijd gewild. Op bruiloften en begrafenissen. Bij feesten en ‘s avonds laat als een verlept hoertje nog wat kleur tevoorschijn wilde toveren en een late boemelaar een roos in zijn knoopsgat stak. Van de luxe is niets te merken als Heijermans met vrouw en kind een kamer huurt bij een hospita en een schril beeld schetst van de inhalige verhuurster die vriendelijk lijkt, maar al snel een vlek op haar nieuwe tafelkleed ontdekt en schrikbarende prijzen berekent voor armoedige avondmaaltijden. Het aantal suikerklontjes bij de thee wordt van drie naar twee teruggeschroefd.

Heijermans wist uitstekend ‘de andere kant’ te portretteren.

Heijermans Jr., Herman (1908). Een wereldstad. Berlijnsche impressies en schetsen. Amsterdam: H.J.W. Becht. I.g.st., vergeeld papier, enige roestvorming. Gebonden, 199 pp., 1e druk. € 38,50 (incl. pak- en verzendkosten binnen Nederland). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, bijvoorbeeld over en van Heijermans Jr.

januari 15th, 2021 by Jaap de Jong

Gullivers reizen

In het schitterend uitgegeven boek van Jonathan Swift (1667-1745) Gulliver’s Travels is voorin het ex libris van Freeman Clarke Samuel Roper (1820-1896) geplakt: “Spes Mea in Deo” ofwel “mijn hoop is op God”. Freeman C.S. Roper was in de 19e eeuw een bekend natuurwetenschapper en botanist. Hij verzamelde niet alleen werken over microscopen, maar was ook geïnteresseerd in de flora van het Eastbourne & Cuckmere district (waar hij ook woonde). Over beide thema’s stelde hij catalogi samen.

In elk geval was Freeman C.S. Roper ook de bezitter van een zeldzaam mooi exemplaar van Gulliver’s Travels van Jonathan Swift. Dit boek kwam later in de collectie van Igor Cornelissen terecht. Het exemplaar bevat 400 houtgravures van Jean Jacques Grandville (pseudoniem van Jean Ignace Isidore Gérard (1803-1847). Grandville was een dolle liefhebber van satirische humor en daarom buitengewoon geschikt als illustrator van Gullivers Travels. Dit boek van Swift is immers in de eerste plaats een satirisch werk; het drijft de spot met de Europese samenleving, de moraal en de wetenschap.

Ik heb het boek (een moderne variant) als jongetje van tien of twaalf in handen gehad, ook rijkelijk geïllustreerd; ik herinner mij tekeningen van Lemuel Gulliver die ergens aanspoelt op een strand van een of ander eiland en daar – in mijn herinnering – belaagd wordt door monsterlijke wezens. Díe tekeningen heb ik in deze versie niet kunnen terugvinden tussen andere fascinerende gravures van Grandville.

Voor mij is nu wel zeker dat dit het eiland Lilliput geweest moet zijn. De wezens daar zijn minuscule mensen met een lengte van ongeveer 15 centimeter. Op het eiland is er strijd gaande over de ware godsdienst en de politiek (de Tories en de Whigs), gesymboliseerd door de strijd om het eitje en de oorlog om de hakken: aan welke kant maakt met zijn eitje open (aan de bolle of de spitse kant) en draagt men lage dan wel hoge hakken)? Uiterst belangrijke vragen, net zoals de antwoorden natuurlijk.

Lemuel Gulliver raakt ook nog betrokken bij een oorlog tussen Lilliput en het eiland Blefuscu en helpt de Lilliputters totdat hij van verraad wordt beschuldigd en men hem het gezicht dreigt te ontnemen. Maar hij ontsnapt. En daar gaat het om: blijven ontsnappen totdat eens de dood er op volgt. Edoch, Spes Mea in Deo.

En zo zijn er nog drie delen. Wat een genot!


Swift, J. (1840). Travels into Several Remote Nations of the World [by Lemuel Gulliver, first a Surgeon an then a Captain of Several Ships in four parts. Illustrated with upward of four hundred wood-engravings from designis of Grandville. With Copious Notes, A Life of the Author, and An Essay on Satirical Fiction by W.C. Taylor]. London: Hayward and Moore. I.z.g.st., gebonden in kalfslederen band, titel in goudopdruk, geringe roestvorming, prachtige schutbladeren, 508 pp. Zeldzaam. Uit de collectie van Igor Cornelissen. € 225,00 (incl. pak- en verzendkosten, ook binnen Europa). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 15th, 2021 by Igor Cornelissen

Het congres van Wenen en de genoegens van Vita en Harold

Het congres van Wenen vond plaats in 1815, maar Harold Nicolson (1886-1968) pakt het breed aan, zoals hij alles breed aanpakte. Deze diplomaat, schrijver en politicus, werd in 1886 in Teheran geboren waar zijn vader gezant was.

Nicolson vond, toen hij in later jaren terugkeek, zijn leven nogal mislukt. Vreemd want hij schreef 125 boeken was lid van het parlement en werd onderminister. Zijn belangstelling was heel breed. Hij schreef o.a. over Verlaine, en Swinburne en kreeg, hoewel hij kort lid was geweest van een fascistische partij, toegang tot de koninklijke archieven om een biografie over George V te schrijven. Vanaf 1930 woonde hij op kasteel Sissinghurst dat hij met zijn vrouw, de dichteres Vita Sackville-West in oude glorie herstelde. Zijn vrouw maakte van de uitgebreide tuinen een lusthof die nu jaarlijks door tienduizenden toeristen worden bezocht, maar Harold knipte zelf ook wel met zijn rozenschaar. Ik was een van die bezoekers en dacht meer aan de schitterende rozen en altijd groen bemoste muren dan aan het Congres van Wenen.

Het congres van Wenen gaf Nicolson de gelegenheid om de herordening van Europa na de val van Napoleon te voorzien van ruim bemeten steigers. De Heilige Alliantie, een  vaag bondgenootschap tussen het Rusland van tsaar Alexander, Pruisen en Oostenrijk moest een tegenwicht vormen tegen de ideeën van de Franse Revolutie. Vaag was het omdat het stoelde op christendom en begrippen als barmhartigheid en naastenliefde. De tsaar zou bij dat plan beïnvloed zijn door de Baltische mystica barones Barbara Juliana von Krüdener, een naam waarvan je denkt dat hij door een tweederangs romancier is verzonnen. Nicolson vond bronnen waaruit kan blijken dat zij dankzij (of ondanks?) haar mystiek het bed deelde met de tsaar. Een avontuurtje dat niet heel lang duurde, maar genoeg was voor de Heilige Alliantie.

Ondanks mijn aanzwellende hang naar het vegetarisme genoot ik ook van Nicolsons beschrijving van de mondaine genoegens tijdens die maanden durende onderhandelingen. Recepties, bals, banketten, tombola’s, spiegelgevechten… Er leek geen einde aan te komen. Tijdens de jachtpartijen werd, volgens een ooggetuige, een onnoemelijk aantal everzwijnen, herten, hazen en ander wild onder luide bijval der toeschouwers omver geschoten. En dan waren er nog de kleinere avondjes in de huizen van de Weense upper ten.

Nicolson schreef in ieder geval niet saai.

En wat zijn sombere terugblik op zijn eigen leven betreft, misschien dat de verklaring gezocht moet worden in zijn huwelijk. Zijn vrouw was lesbisch (Virginia Woolf was een van haar vriendinnen) en hij homo, beiden ook biseksueel,  en hun verhoudingen dienovereenkomstig. Maar dat moet toch op dat schitterende Sissinghurst een welkome afleiding zijn geweest voor het graven, spitten, zaaien, planten, dichten en boeken schrijven?


Nicolson, Harold (1948. Het congres van Wenen. De samenwerking der geallieerden in de jaren 1812-1822. Amsterdam: Querido Uit het Engels vertaald door E. Lopes Cardozo. I.z.g.st, gebonden in blauw linnen met gouden belettering. Met mooie stofomslag, 344 pp., illustraties en bibliografie, vertaling Lopes Cardoza. Met frontispiece (schilderij naar een tekening van Isabey). Ex Libris van A.J. Blydestein. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 21,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 14th, 2021 by Igor Cornelissen

De Russische reisschetsen van Philip Mechanicus

Bij zijn eerste reis in 1930, georganiseerd door de Nederlandse vertegenwoordiger van het Russische reisbureau Apie Prins, werd Philip Mechanicus vergezeld door architect H.P. Berlage en de kunstenaar Henri Pieck die op dat moment voor de Russische geheime dienst werkte. Pieck schreef een dik boek over de reis die alleen maar lof bevatte. Mechanicus daarentegen was kritisch en noemde de geheime dienst die iedere Rus in de gaten hield en hij wist ook al dat in de Ljoebjanka gevangenis de opgeslotenen onder erbarmelijke omstandigheden moesten leven.

Mechanicus was vooral nieuwsgierig, zoals het een journalist betaamt. Toen hij als jood in Westerbork zat (in afwachting van zijn transport naar en dood in Auschwitz) schreef hij In Depot dat lang na zijn dood werd uitgegeven. Een buitengewoon belangrijk boek.

Philip Mechanicus schreef over de seksuele wetten in Rusland (op de praktijk kon hij natuurlijk geen zicht hebben), de film en de economische toestand. Het jaar 1931 was volgens hem een  kritiek jaar. De hongersnoden in de Oekraïne moesten nog komen. Het grote enthousiasme die merkbaar was bij het begin van het vijfjarenplan was nog niet gedoofd, maar wel aanmerkelijk teruggelopen.

Het is jammer dat we niet meer te weten kunnen komen wie Mechanicus’  bronnen waren. Met wie sprak hij? Kende hij voldoende Russisch of moest hij het doen met (voorgeprogrammeerde? ) tolken?

In deze tijd, waarin Nederland over slavisten en kremlinologen beschikt, is het interessant te lezen hoe Mechanicus zich een weg baant door dat enorme en zelfs deels ondoordringbare land. Dat laatste is nog altijd zo, al weten we nu veel meer dan het Handelsblad toen kon weten. Wat Mechanicus zag, noteerde hij: de onafzienbare stoet van haveloze, dakloze wezen, bedelend langs de straten.

Als terzijde blijve niet onvermeld dat de toenmalige liberale hoofdredacteur van het Handelsblad, Von Balluseck, fel anti-nazi, afstamt van een Russische familie. Hij werd tijdens de bezetting door de Duitsers gearresteerd, kwam later en werd en na 1945 diplomaat.


Mechanicus, Philip (z.j.[ca. 1933]). Russische reisschetsen. [Verzamelde reisbrieven, overgenomen uit het Algemeen Handelblad van 1930, 1931 en 1932, met een voorwoord van D.J. von Balluseck.]. Uitgave van het Algemeen Handelsblad. Redelijk; omslag 'hersteld' (zie foto). Binnenwerk goed. 111 pp., met illustraties. Met ex libris van J. Kortenhorst. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 15,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong