in 't Wasdom

antiquariaat Cornelissen & De Jong – Zwolle
november 30th, 2021 by Jaap de Jong

H.N. Werkman – de meester die geen vazal was

Vanavond pakte ik in het voorbijgaan een boek van een hele hoge stapel. Het is het egodocument van H.N. Werkman met de brieven die hij tussen december 1940 en april 1945 schreef.

Werkman was een expressionistisch kunstenaar en grafisch vormgever die voortgedreven werd door besef van onvolmaaktheid. Iets dat vaker voorkomt en wat hij deelde met de dichter Gerrit Achterberg: “Met dit gedicht vervalt het vorige / ik blijf mij eigen onderhorige.” En het blijft maar doorgaan. Ja, pas in ’t einde blijkt, zo schrijft Achterberg, “wie meester is en wie vazal.”

Ook Werkman schrijft in een van zijn brieven dat hij denkt dat het beste werk nog voor hem ligt: “Maar altijd denk ik dat ik mijn beste werk nog moet maken. En dat is wat mij tegenhoudt om te zeggen: ik ben een kunstenaar.” Wessel ten Boom (1959-2021) – hij was de eigenaar van het boek – zette er met potlood een streepje bij. Dat deed hij vaker: “woeste potloodstrepen, want een balpen is in een boek volstrekt taboe”, zo schrijft hij (Vestdijk II, p. 173).

Na de titelpagina van dit boekje, dat als nr. 10 deel uitmaakt van de privé-domeinreeks, staat een prachtig citaat. Het is een notitie van Werkman, gevonden tussen zijn nagelaten papieren. Als ik niet zo sterk was als dat ik ben zou ik wenen, immers: it’s nice enough to make a little man weep / But I don’t weep, do you? (Charles Bukowski, ja).

“De verborgen wegen zijn het mooist, op de onopengesneden bladen, als het stil gedragene dat niemand weet, dat niemand ziet, dan na de dood.”

Op 10 april werd Werkman met negen anderen door de SD-er Peter Schaap vermoord in de bossen bij Bakkeveen. Hij werd, denk ik, herkend als een kunstenaar die dingen maakt die de woede opwekt omdat het stem geeft aan dat wat men in zichzelf niet erkennen kan of wil. Werkman kon dat! Als geen ander gaf hij er vorm aan. En ook in dat einde bleek wie hij was: meester, géén vazal.

Het boekje met de brieven maakt deel uit van de collectie van dr. Wessel ten Boom, dienaar van het woord (en kenner van het werk van Vestdijk, Rilke, Bob Dylan en wat al niet meer) die in oktober j.l. overleed. Vooralsnog blijft het deeltje met de brieven van Werkman op onze schoorsteenmantel liggen.

Hier kunt u de boeken vinden die al wel beschikbaar zijn: collectie Ten Boom

november 23rd, 2021 by Jaap de Jong

De apen van mijnheer Revers

Vanmorgen keek ik tevreden naar de omslagtekening De apen van mijnheer Pimpermeijer, een boek voor de jeugd van G. Revers [= G.J.M. van het Reve, 1892-1975)], vader van Gerard Reve. Het boek staat boordevol tekeningen van de hand van Harry van Kruiningen (1906-1996)

Als ik, zoals nu, aan vader en zoon Van het Reve word herinnerd moet ik vaak denken aan de passage uit De Avonden waarin Frits mijmert over zijn vader en moeder.

Het lijkt mij waarlijk goed en passend die passage nog eens voor het voetlicht te brengen. Het is tenslotte bijna december. Tijd voor De Avonden en voor het moment dat Frits de voordeur opent en zijn ouderlijk huis binnentreedt.

Frits denkt na zijn slentertocht over de Amsterdamse straten niet alleen aan de onmetelijke goedheid van zijn moeder, maar ziet ook de uitpuilende buik van zijn vader. Hij observeert zijn vader die met zijn rug naar hem toe staat. Daar staat hij: in zijn hansop, en Frits ziet niets anders dan een lang verticale streep die wijdopen staat. En er is niets dan deernis en hij mompelt of bidt in zichzelf ‘o almachtige God, zie deze man. Hij is mijn vader. Behoed hem. Bescherm hem en leid hem in vrede. Hij is uw kind.’

De Avonden is natuurlijk niet persé een voluit autobiografisch boek, maar toch. Deze passage is mooi en genadig en ik doe Gerard Reve beslist onrecht als ik – wat ik wel deed – mijn vrienden zeg dat ik die roman alleen maar herlees om in slaap te kunnen vallen.

Zijn vader maakte begin jaren dertig dit boek voor de jeugd en natuurlijk niet in het minst voor zijn zonen Karel en Gerard, zo veronderstel ik.

De apen van mijnheer Pimpermeijer van G.J.M. van het Reve werd rond het begin van de jaren dertig (einde 1932) door de firma Mulder & Co op de markt gebracht. Heel bekend werd het boek niet. Het is geïllustreerd door Harrie van Kruiningen, pseudoniem van Henri Adelbert Janssen die een geestverwant was van G.J.M. van het Reve. In de oorlog maakte Janssen deel uit van het (communistische) verzet en de rest van zijn leven was hij actief als docent en vrij kunstenaar. Eind jaren twintig had Janssen al zijn eerste tentoonstelling in het Stedelijk Museum (als lid van De Onafhankelijken).

G. Revers [ca. 1932]. De apen van mijnheer Pimpermeijer. Amsterdam: Mulder en Co. Uit de collectie van Igor Cornelissen, bandtekening en alle andere illustraties van Harry van Kruiningen [pseud. van H.A. Janssen]. Goed. De boekband is bij de randen en hoeken ietwat sleets, bovenscharnier gerepareerd met passend kozo naturel papier, bij een eerdere reparatie werden de schutbladen 'vernieuwd', incl. verzending als postpakket € 47,00. 

Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, ook Reviana.
november 18th, 2021 by Jaap de Jong

Reve als kerkhistoricus

Het was iets over vijven toen ik gistermiddag in het statige Zwolse hotel Wientjes bij een gezelschap van drie heren aanschoof: “Men of letters”, zou Igor zeggen. Eén van hen at die avond bij ons, een ander gaf ik bij aankomst een hint. Dat deed ik met een dichtregel en was bedoeld om hem bij het aanstaande vertrek mild te stemmen: “De Drenten o, het zal hun een zorg zijn of de wereld vergaat / als om zes uur het eten maar op tafel staat”.

Het gesprek ging over dichters. Over Reve, Revius, Achterberg, het gereformeerde schuldgevoel en nog veel meer: “’t Zijn de joden niet Heer Jesus die u kruisten” schalde het door de grote eetzaal van Wientjes en “eigenlijk geloof ik helemaal niets, en twijfel ik aan alles, zelfs aan U. / Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft / dan denk ik dat Gij liefde zijt en eenzaam.” Ja, eenzaam als die jongen in Woudsend en wat al niet meer. God weet het.

Nog eentje dan: hoe dichter bij Hattem / hoe minder van dattem

Het werd die middag later dan zes uur en de wereld is ook al niet vergaan. Nu is het morgen geweest, een nieuwe dag en lees ik een artikel van Van As die zich in het Reviusjaar (1986) in Gods eigen krant afvroeg “of er nog ongeletterden rondlopen die de dichter-schrijver Revius in verband brengen met ene Gerard Reve”.

Wat H.H.J. van As toen niet wist is dat ook Gerard Reve zich onder die “ongeletterden” bevond. In een brief aan Geert van Oorschot schrijft Reve dat hij een rechtstreekse afstammeling is van Jacobus Revius en geeft hij Van Oorschot de hint om die Revius onmiddellijk in zijn fonds op te nemen. Hij is minstens van het niveau van Vondel, schrijft Reve. Bladzijde na bladzijde oreert Reve over Jacobus Revius, de Reformaatsie, de realis presentia en de Mariaverering. Bovendien geeft hij in het voorbijgaan ook nog een definitie van het Ware Geloof. De rest immers is sentimentalisme, ethies gelul en dergelijke meer, zo schrijft hij: “Je bent katholiek omdat je dan met Haar naar bed gaat, en Zijn Lichaam en Bloed nuttigt. Rome is dus eten en drinken, plus nog dat andere.”

Het is goed dat Van Dis dit alles niet meer hoeft te beleven. Intussen ben ik wel voor een grondig onderzoek naar Gerard Reve en zijn plaats in de Nederlandse religiegeschiedenis. De historica Enny de Bruijn schreef eerder een gewaardeerde biografie over Jacobus Revius, maar ik denk niet dat zij aandacht besteedt aan de connectie tussen Reve en Revius.

Ik geef toe dat het thema nog wat vaag is, maar bij Cornelissen & De Jong is inmiddels een aardige collectie Reviana en kunt u zich oriënteren. Alles is te koop bij ons. Hoewel, niet alles, want vanmorgen verkocht ik het laatste exemplaar van de bundel van Lévi Weemoedt. Wel nam ik gisteravond uit Wientjes een enveloppe mee die aan de heer Izaäk van Wijk uit Assen is gericht. Die voeg ik bij de collectie parafernalia. Dit alles geheel terzijde.

Reviana bij ’t Wasdom. Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat t’ Wasdom van Cornelissen & De Jong

november 10th, 2021 by Jaap de Jong

Der Wanderer und sein Schatten: Nietzsche, Schopenhauer en Connie Palmen

Dromen zijn een interessant fenomeen. Zeker als ze raken aan de dagelijkse werkelijkheid of die zelfs “voorspellen”. Over dat laatste las ik onlangs iets bij Van Oudshoorn. Hij vertelt in Het onuitsprekelijke over een droom waarin hij wandelt, een plas doet en desondanks onbekommerd verder loopt. Dat was dus de droom: vooral nat. De volgende ochtend ging Van Oudshoorn op weg naar kantoor en vestigde een man hem discreet op het gegeven dat zijn kleding ‘niet geheel in orde was’. Dat wat in zijn droom ten onrechte gesloten gebleven was, stond in de nieuwe dag al even ten onrechte open. Het was hem in het publiek nooit eerder overkomen, schrijft Van Oudshoorn.

Dat de droom door veel bezigheid komt is mij wel duidelijk en wat daarin naar voren komt is ook al niet willekeurig. Freud wijdde er een deel van zijn werk aan. Dromen kun je uitlokken door lang, veel en laat door te werken. Zo liet ik mij gisteravond door een tweet van Ruben Endendijk verleiden om in de database met het volledige werk van Nietzsche – de digitale versie – te kijken om daar snel een passage over het medelijden te vinden. Nu weet ik wel dat N. ergens in een prachtige zin iets over het lijden opmerkt: het lijden is het snelste dier dat je tot volmaaktheid  brengt (hij jatte de zin van Eckhart, maar zonder bronvermelding). Over het medelijden vond ik echter niet wat ik zocht. Dit alles leidde afgelopen nacht tot een droom waarin ik met Nietzsche over de bergtoppen wandelde en over dalen uitkeek. Plots zag ik Schopenhauer en Connie Palmen innig verstrengelt uit het dal opkomen. Ik hoefde ze niet eens op te roepen zoals de heks van Endor dat deed bij Samuel. Ze kwamen als vanzelf naar boven.

Daarna keek ik gefascineerd toe hoe Connie Palmen, Schopenhauer en Nietzsche rond een hoog opgestookt vuur dansten, terwijl ze zongen. “Zakdoekje leggen, niemand zeggen”. Zelf danste ik niet, ik kéék alleen. Daarna nam Palmen het woord en sprak met droef gezicht: ‘Nietzsche keurt het medelijden af, voor Schopenhauer is alle liefde medelijden, wat moet je dan in vredesnaam. Is het nu goed of is het slecht om medelijden te hebben?’

In 1991 las ik De Wetten van Connie Palmen en de hierboven geciteerde zin is mij altijd bijgebleven. Zo’n zin komt naar boven als het moment daar is: in een droom, in het volle daglicht of wanneer ik haar naam hoor. Sommige vrienden keurden het lezen van Palmen indertijd ernstiger af dan ouderlingen de romans van Maarten ’t Hart. Hoewel ik mij de figuur van Marie uit De Wetten herinner als een bakvis, herken ik de vraag wel: de vraag van een mens in verwarring die het kleed van de traditie aflegt en denkt iets beters te vinden.

Op een dag zie je in dat je uit dezelfde lap bent gescheurd als alle anderen en dat het hebben van medelijden goed noch slecht is, maar ís (of niet is): je maakt deel uit van iets dat groter is dan je eigen navel. Ik geef toe dat ik dat laatste ook wel eens vergeet. Bovendien moet die wereld om je heen ook weer niet te groot worden, anders rest niets meer dan erin te verdrinken. Medelijden is concreet en je doet wat je kunt als je iemand met open gulp over het terrein ziet wandelen. Discreet, dat wel.


Wij verkopen nieuwe oude boeken, dus ook van Nietzsche, Schopenhauer en andere filosofen. Literatuur doen we ook, eveneens  handelen we in theologie en biografieën. Kortom, eigenlijk alles ofwel het woeden der gehele wereld.

november 1st, 2021 by Jaap de Jong

De nieuwste parels van De Parelduiker: Oscar Jespers, De Kom en Hellema

Vorige week lag het nieuwste nummer van De Parelduiker op de deurmat. Als omslagillustratie van dit nummer een nooit eerder vertoond ontwerp van Oscar Jespers (1887-1970). Jespers was bevriend met de dichter Paul van Ostaijen en co-auteur van het modernistische meesterwerk Bezette Stad.

Het tijdschrift opent met een groot gedegen en geannoteerd interview met Jose Boyens (90) die “in natuurlijk isolement in een gehucht in Nederland woont”. Dat alleen al is natuurlijk fantastisch, maar Boyens vertelt in het gesprek met de journaliste (en Elsschotkenner) Martine Cuyt vooral veel zinnige en nieuwe dingen. Bovendien zijn er innige documenten in het artikel opgenomen, zoals de aangrijpende condoleancebrief die Paul van Ostaijen schreef bij de dood van het vijfjarige dochtertje Hella van zijn vrienden Oscar en Mia Jespers. Ik ga daar niet uit citeren. Leest u het vooral zelf.

Rob Luckerhof schrijft over Hellema (pseudoniem voor Lex van Praag) en de oorlog waarin de naoorlogse tijd van de schrijver Hellema centraal staat. Hellema schrijft geëngageerde literatuur en verwerkte daarin zijn persoonlijke verhaal; zijn esthetische voorkeur en geloofsopvattingen.

Engagement is er ook in het artikel van Henna Goudzand Nahar waarin het handschrift van Wij slaven van Suriname (Anton de Kom) wordt besproken. De inhoud van dat artikel is de bijvangst uit een project dat dit jaar nog moet leiden tot een editie van Wij slaven voor middelbare scholieren. Zo’n titel spreekt ook mij aan in mijn existentie als oudere witte man die iedere dag zijn roeping om het dagelijks brood op tafel te toveren moet waarmaken.

In een ander omvangrijk artikel staat Louis Lehmann (1920-2012) centraal. Jaap van der Bent werpt nieuw licht op de auteur aan de hand van twee nooit eerder gepubliceerde romans van Lehmanns. In elk geval beargumenteert hij de nauwe relatie tussen de mens (lees: auteur) en zijn werk. Een relatie die wat mij betreft als vanzelf spreekt, maar ook deels het bestaansrecht vormt voor dit prachtige literair-historische tijdschrift dat sinds afgelopen januari in kleur verschijnt.

Naast de rubriek Laagwater (aandacht voor Barbarber & Gerard Stigter) vertelt Jan Paul Hinrichs in Schoon & Haaks [mooi zetwerk!] ditmaal een verhaal over zanger-cabaretier J.H. Speenhoff en de fotograaf C.C.S. Crone. Tenslotte is er de rubriek De laatste pagina (met de necrologie van Leo van Maris (1934-2021). Zolang u niet als onderwerp wordt besproken is er reden tot hoop.

Terzijde: een vriend zag eens een nummer van De Parelduiker in de librije van de minister-president liggen. Wie beweert nog dat Rutte geen (historisch-literaire) visie heeft? Ik vraag maar.

U kunt zich abonneren op de website van De Parelduiker.

Méér nieuwe oude boeken & tijdschriften bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, waaronder Speenhoff, De Parelduiker en Paul van Ostaijen

oktober 31st, 2021 by Jaap de Jong

“Tussen het scylla van de dood en het charybdis van het zinnelijke”: over Van Oudshoorn

Toen Willem Frederik Hermans in april 1951 de zieke schrijver J.K. Feijlbrief (1876-1951) ofwel J. van Oudshoorn (pseud.) opzocht, begroette Van Oudshoorn hem met de woorden: ‘Zo. Ik ben aan het eind van mijn schrijversloopbaan en u aan het begin. Dat lijkt me allebei even onaangenaam.’ Die toon was tekenend voor de wat minder vrolijke aard van Van Oudshoorn.

Een paar maanden na het eerste bezoek van Hermans stierf Van Oudshoorn. De uitgever Geert van Oorschot en Hermans bezochten de begrafenis op 3 augustus 1951 en Hermans sprak bij het graf. WFH schreef het In Memorium: J. van Oudshoorn, eenzaam schrijver. Het werd diezelfde dag nog gepubliceerd in Het Vaderland. Van Oorschot en Hermans dronken daarna samen nog een biertje bij café De Posthoorn op De Lange Voorhout en haalden de krant op bij het kantoor van Het Vaderland dat op loopafstand van het café lag.

Op het moment dat Van Oorschot zonder te betalen met de krant wegliep riep een meisje hem tot de orde: “meneer, ik krijg 10 cent van u.” Dat verbaasde Van Oorschot: “ik dacht dat het gratis was. Want wij (sic) hebben een stuk in deze krant geschreven.” Jaren later herinnert WFH zich het voorval: “Wie zou destijds hebben durven hopen dat deze zelfde uitgever vijfentwintig jaar later, geheel zonder mijn bijstand, een echte bestseller [mijn tante Coleta, JdJ] schrijven zou? ‘s Werelds loop heeft soms de wonderlijkste verrassingen in petto.”

Biograaf W.A.M. de Moor vatte het werk van Van Oudshoorn in een kernthema samen: bestaansrechtvaardiging. Het is “de worsteling van de mens, die, vanaf zijn vroegste jeugd in een isolement geraakt, een bestaansrechtvaardiging tracht te vinden door, tussen de scylla van de dood en de charybdis van het zinnelijke door, een veilige haven te bereiken, die hij als ‘het Andere’ aanduidt.” Hermans heeft slechts zeven woorden nodig: angst, schuld, walging, verlatenheid, sexualiteit en dood.

De eenzaamheid van Van Oudshoorn ging samen met een verlangen naar gemeenschap, een verlangen dat hij nooit opgaf. De personages uit zijn romans worden als door en door afstotelijk neergezet: een weerzinwekkend innerlijk dat zijn uitwerking op het uiterlijk niet mistte. Publicatie van zijn portret liet hij niet toe. Niet alleen uit bescheidenheid of discretie. Hij beschouwde zichzelf vlg. Hermans als afstotelijk en had zich, heel Sartriaans, als verworpeling gekozen, maar was toch niet zo lelijk als hij deed voorkomen: “zijn gestalte was wel geproportioneerd, niet zeer groot, slank. Hij had opvallend blauwe ogen die achter zijn sterke bril zeer groot en kwetsbaar leken, wijs en treurig tegelijk”, schrijft WFH. Bij het bezoek van Hermans plaatste Van Oudshoorn zich met de rug tegen het licht.

Er is een foto waarop hij met zijn vrouw Marie Elise Teichner, een mannequin uit Berlijn, op de Scheveningse boulevard wandelt. W.A.M de Moor gebruikte de afbeelding uit 1928 als omslag voor zijn tweedelige biografie. Dat huwelijk van Oudshoorn was ook al niet heel vrolijk. Toen De Moor haar (toen achtenzeventig jaar oud) bezocht vertelde zij dat haar man haar geen kinderen had willen geven. Dat was nu niet erg meer, want zij had haar katten die overal mochten kakken. In de Berlijnse tijd had zij haar man, die tussen 1905 tot 1933 ambtenaar bij de rijkskanselarij in Berlijn was geweest, eens door een rechercheur laten volgen. Hij zou haar bedriegen. In werkelijkheid was hij naar het café gegaan waar hij zijn “Jandoedel” dronk. Verder had hij het ijzeren ritme van een ambtenarenbestaan, een bestaan dat hij overigens verfoeide. Hij leidde overigens wel degelijk een dubbelleven: dat van de schrijver Van Oudshoorn en dat van de ambtenaar J.K. Feijlbrief en in de oorlog was het de schrijver Van Oudshoorn die fout was geweest.

In de film Beeldspraak (Erik van Zuylen, 1981) over de schrijver Van Oudshoorn vertelt een adellijke achternicht niets dan kwaad over Marie Elise Gertrud Teichner. Zo ook over een ruzie tussen het echtpaar. Een ruzie die was ontstaan naar aanleiding van de brand in de Rijksdag. Marie Elise begon te schelden op de joden en verliet al schreeuwend en vol woede het huis van de achternicht. Kort na het vertrek van zijn vrouw, ging Van Oudshoorn haar achterna: verbaasd, maar toch gedwee. Tijdens het bezoek van Hermans was Marie Elise veel aan het woord en vertelde dat ze uitstekend kon zingen en daarom ook meezong in het kerkkoor. Van Oudshoorn vond het beter dat zijn vrouw maar naar de keuken zou gaan: “Enkele ogenblikken later zei Van Oudshoorn tegen zijn vrouw: ‘Als jij nou eens naar de keuken ging, om thee te zetten of iets anders te doen. Want als jij hier nog lang blijft zitten, valt meneer Hermans nog in slaap.’”

Met de Haagse predikant, ds. A.J. Wormgoor (1890-1973), was Marie Elise zeer bevriend. Anders dan Van Oudshoorn was zij gelovig. Van die vriendschap met de dominee was de schrijver volgens Hermans niet zo gediend. Hermans vertelt dat hij in het huis van Van Oudshoorn op de overloop een kaartje in een groene clivia aantrof met daarop de tekst: de Heer is waarlijk opgestaan.

Dat laatste gold enige weken later niet meer voor Van Oudshoorn. Op 31 juli 1951 kreeg hij, zittend aan zijn schrijftafel, een hartaanval. Nog voordat zijn echtgenote uit de keuken kwam aangesneld, hing hij levenloos in zijn bureaustoel (Oudshoorn, 1969, p. 165).

De predikant Wormgoor kreeg het laatste woord bij zijn begrafenis. Wormgoor begon zijn toespraak vlg. Hermans als volgt: ‘Beminde broeders en zusters. Naar men zegt is de dezer dagen ontslapen heer Feylbrief, die wij hier naar zijn laatste rustplaats begeleiden, de schrijver geweest van vele boeken. Welaan, mijne geliefde broeders en zusters, als ik dat woord boek hoor, dan moet ik ogenblikkelijk denken aan dit Boek!’ Daarop haalde Wormgoor een klein zwart bijbeltje tevoorschijn. Dat had de dominee met opzet verborgen gehouden onder de lessenaar. Dat bijbeltje stak hij omhoog aldus Hermans. Over de schrijver van die andere boeken werd vlg. Hermans met geen woord gerept. Uitgangspunt van de preek van Wormgoor was Jesaja 53. De preek kan onmogelijk beter zijn geweest dan de bijbeltekst. Ik vermoed dat de ambtenaar J.K. Feijlbrief het origineel gewaardeerd zou hebben; de tekst handelt over hem voor wie men het gezicht verbergt. 

Na het overlijden van haar man wilde Marie Elise Teichner het archief (brieven, manuscripten en boeken) niet verkopen dan voor veel geld. De bestorven weduwe zat op de nalatenschap als een broedende kip op haar eieren. Na de dood van zijn vrouw (in 1960) werd het archief van Van Oudshoorn bij het vuilnis gezet, inclusief een aantal manuscripten. Op het nippertje gered kwam het in handen van de latere biograaf W.A.M. de Moor. Die schreef de dubbelbiografie en werkte mee aan de (her)uitgave van zijn werk.

De schrijvers Hermans, Van Oorschot en Van Oudshoorn kunt u bij Cornelissen & De Jong aanschaffen. Wij zetten niets bij het vuilnis en zeker geen boeken. Igor Cornelissen bewonderde Van Oudshoorn. Hij kocht zijn boeken als twintiger en bleef een verzamelaar. Dat Van Oudshoorn als ambtenaar de door Van der Lubbe aangestoken Rijksdagbrand in Berlijn meemaakte, zal hem hebben aangesproken. De Verzamelde Werken van Van Oudshoorn stonden tussen andere kleinodiën in een bruin boekenkastje in de woonkamer. Dit laatste geheel terzijde.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, van Van Oudshoorn, Hermans en daarnaast ook nog de bestseller Mijn tante Coleta van Geert van Oorschot. 

 

oktober 23rd, 2021 by Jaap de Jong

Op het Spui: tussen genieën en gefnuikte talenten

Gisteren bezocht ik de Amsterdamse boekenmarkt op het Spui. Het was aangenaam toeven bij de boekhandelaren, tussen genieën en gefnuikte talenten. Ik kocht het privé-domein deeltje Memoires van Boontje, vooral vanwege de herinneringen van Louis Paul Boon aan Nico Rost (1897-1967). Die leerde hem hoe je een reportage moet schrijven. Boon, wiens dood voorkwam dat hij de Nobelprijs ontving, tekent Rost treffend: “zwaar, breed, en als hij zijn hand uitstrekte, was het als een bijl waarmee men bomen uithakt”.

Rost verzette zich tegen het fascisme, maar werd later door zijn voormalige communistische vrienden genegeerd en uit de partij gezet. Naast dat verlies werd hem tot drie keer toe zijn zorgvuldig opgebouwde bibliotheek ontnomen.

Het was Nico Rost die Boon in contact bracht met een dorpsmeisje uit Dochamps, die tijdens de oorlog een Duits lief had, met de komst van de Amerikanen een Amerikaans lief en met het Ardennenoffensief nog eens een dubbele wissel. Nu keek haar geen enkele jongen uit de streek meer aan. Eenzaam, door iedereen vergeten en door niemand meer bekeken dwaalde ze door stukgeschoten dorpen. “Reportage nummer twee”, zei Nico Rost tegen Louis Paul Boon.

Bezag Rost zichzelf misschien een beetje als was hij het dorpsmeisje uit Dochamps die door niemand meer ten dans werd gevraagd?

Na het bezoek van de boekenmarkt liep ik met een vriend naar De Ysbreeker. Daar kwamen vroeger veel ontheemden en ventende profeten als Wijnkoop en Wibaut. Misschien bezocht Joseph Roth tijdens zijn Amsterdamse jaren dit café ook wel, zo mijmerde ik, onderwijl kijkend naar het fijne lijnenspel op een van de muren van De Ysbreeker: Jugenstil, waarmee men de sfeer uit de jaren twintig en dertig probeert na te bootsen. Ik trakteerde, want had juist een roman van Joseph Roth verkocht. Het was immers passend en juist en in de geest van Roth om het verdiende direct in alcohol om te zetten.

Aan de overkant verdwijnt een mager zonnetje achter het linkertorentje in de Pijp. Daar, in de Pijp, in een van de twee torentjes woonde eerder de gewaardeerde columnist Stephan Sanders. Misschien woont hij er nog steeds, zegt mijn vriend, die bijna alles weet: “want wie verhuist immers vrijwillig van een plek waar je de zon, als hij schijnt, in de Amstel kunt zien schijnen?”

Nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, ook van Louis Paul Boon, Nico Rost en de schrijvers Roth.

oktober 21st, 2021 by Jaap de Jong

Goede buren zijn: een nieuwjaarswens uit 2016

Op de vloer van mijn studeerkamer ligt een kaartje met een afbeelding van een evenwichtskunstenaar. Ik weet dat het uit een boek van Igor Cornelissen komt, maar ben niet meer zeker uit welk boek. Het is een nieuwjaarswens, afkomstig van buurvrouw Ina: “opdat wij ook in 2016 goede buren zullen zijn! Lieve groet, Ina.”

Buren zijn – goede buren zijn – is een kwestie van evenwichtskunst. Dat was vroeger zo, dat is nu zo en het zal ook morgen zo zijn.

Heel grappig vind ik de losse aantekening van Igor C. op de achterkant van het kaartje van buurvrouw Ina: “Gans komt in oktober ’31 in Berlijn aan”. Ik ben er zeker van dat Igor die aantekening maakte omdat hij het kaartje van buurvrouw Ina voor eeuwig wilde bewaren.

Toch leuk dat ik nu weet dat Jacques Gans al in oktober 1931 naar Berlijn verhuisde. Over Jacques Gans – die niet alleen een uitvreter was, maar ook veel meer dan dat – schreef ik eerder stukjes. Dit niet geheel terzijde.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, ook van Jacques Gans.

oktober 17th, 2021 by Jaap de Jong

De top van mijnheer Grönloh

“Je hebt de top bereikt en nu is het tijd voor het mooie uitzicht”, zo hoorde ik deze week iemand zeggen tijdens een diploma-uitreiking. Ik hoorde het alles aan en dacht aan Nescio die ook eens op de top van de berg zat en in het dal keek. Hij meldde er weinig vrolijks over. De mensen die er liepen waren wanstaltig, verwelkt en ze keken niet naar omhoog.

“Na eenigen tijd sterven zij allen, toch zie ik niet dat hun aantal mindert, het dal ziet er steeds eender uit. Verdienen zij beter?”

Er moet veel zijn omgegaan zijn in Nescio, in het burgerheertje dat geen burgerheertje wilde zijn, maar zichzelf een toren wilde oprichten tot in de blauwe lucht om te staan in eeuwigheid. Daarom ook rekte hij zich uit en keek hij op, denk ik: “langs mijn armen naar de blauwe lucht.”

Mijn kompaan Igor Cornelissen had alles van Nescio, en dus ook het Verzameld Werk, en daarenboven hing op zijn studeerkamer het schitterende portret waarop mijnheer Grönloh een beetje weemoedig-dromerig kijk. Hij heeft een hoed op en het is vast zomer. Vermoedelijk heeft hij net nagedacht over het onbekende dat hij wel ziet, maar hem niet deert. En het is wel zeker dat hij op dat moment geen burgerheertje meer is, noch wenst te zijn. Ja, ik denk dat hij zelfs niets meer wenst. En terwijl hij over de eigen schaduw heenstapt en boven zichzelf uittorent knikt hij:

“maar eens tegen de schoone vrouwen, die de bloemen plukken in mijn tuinen en hoor den wind ruischen door de hooge dennen, door de wouden der zekerheid, dat dit alles bestaat, omdat ik ’t zoo verkies te denken. En ik ben dankbaar dat mij dit gegeven is. En in ootmoed pijp ik nog eens aan en voel mij God, de oneindigheid zelf.

Doelloos zit ik, Gods doel is de doelloosheid. Maar voor geen mensch is het weggelegd dit bij voortduring te beseffen.”

Nee, dat is heel iets anders dan zogenaamd de top bereiken en van het schone uitzicht genieten. Dat is de top zelf, ook al is het in het dal.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, ook van en over Nescio / mijnheer Grönloh.

oktober 13th, 2021 by Jaap de Jong

De zon in het water en een boek in de hand

Eerder schreef Igor Cornelissen over Henry Miller en Brenda Venus. Brenda leeft nog, maar is tot op heden niet in het Zwolse café De Hete Brei gesignaleerd.

Ik vind het moeilijk de stijl van Henry Miller te karakteriseren. Het is ritmisch proza dat je de adem beneemt, semi-autobiografisch, reflectief, existentieel en vloeiend. Zijn brieven aan Brenda (met foto’s) staan in onze winkel.

Elisa de Deern, de Nederlandse vertaling van La fille Elisa van Edmond de Goncourt, broer van Jules die beiden bekend stonden om scherpe, zo niet allesvernietigende oordelen. Het dagboek van de gebroeders is briljant, maar ik las bij hen nooit een regel over de schoonheid die je ervaart als de zon in het water schijnt.

Andries de Rosa vertaalde de roman van Edmond de Goncourt, die in 1920 bij Em. Querido uitkwam. In zijn voorwoord vertelt hij dat het boek de diepe menselijkheid van een trottoirvrouw weergeeft. Het gaat om een zogenaamd ‘document humain’, maar ook om maatschappijkritiek wat betreft de omgang met prostitutie. Zowel De Rosa als zijn uitgever Querido werden in de lente en zomer van 1943 in Sobibor vermoord. Maar dat is een ander verhaal.

En dan is er nog een boekje van de jonge Cees Nooteboom (1933), een eerste druk van De verliefde gevangene (1958), Hermans met Mandarijnen op Zwavelzuur en wat al niet meer. Ja, ik vergeet bijna om Flauberts pagegaai te noemen met daarin een grapje over de een na laatste zin die Gustave Flaubert uitsprak (komt voor in het hoofdstuk Flaubert voor treinspotters): “Ik geloof dat ik een soort flauwte krijg. Maar goed dat het vandaag gebeurt; morgen in de trein zou het ontzettend lastig zijn geweest.”

Ik wens u een fijne dag vandaag. Met soep voor het middagmaal. Als het kan met spekjes er in, verwarmd door de zon die ook nog eens in het water schijnt.

Al deze nieuwe oude boeken en meer kunt u vinden bij het antiquariaat Cornelissen & De Jong.

oktober 4th, 2021 by Jaap de Jong

Dierendag & wachtend op de verlossing

Het is vandaag dierendag. Op die dag denk ik altijd aan Gerard Reve, aan Paulus en aan het zuchten van de gehele schepping, maar ook aan George Orwell. Dat komt omdat ik vanmiddag bij toeval – maar dat is niet anders dan dat het ons toevalt – de omslagen van allerlei varianten van Animal Farm scande èn omdat het daarin om de beestenstal gaat van George Orwell.

Orwell schreef de  wereldberoemde roman Animal Farm in 1945. Hij demonstreerde daarmee ook de machtsmechanismen van ideologische staten uit de laat-moderne tijd zoals Machiavelli dat deed voor de laat-middeleeuwse samenleving. De werking van die macht was eender, maar toch anders. Op de omslagen van de roman van Orwell staan niet zelden dieren, met name varkens: zachte, zielige, aardige, lieve en agressieve varkens, “but – of course – all equal”. De associatie met dierendag ligt voor de hand, als ook die met het beest in ons.

Ik weet niet of George Orwell met Animal Farm zijn doel bereikte – analyseren, ontmaskeren om te kunnen verbeteren (?) – maar hij probeerde het tenminste. Hij schreef het op en deed dat goed. 

De roman is in veel talen beschikbaar. Ik vind dat de varianten van dit item uit de Orwellcollectie best weg mogen geraken voor elf euro per stuk (incl. pak- en verzendkosten). Misschien dat ik dan los raak van Animal Farm. Ik hou van het woordje ‘losraken’, ja ik hecht er aan. Mijn vader was bakker en het ‘los geraken’ van de handelswaar was – naast de verlossing zelve – zijn hoogste dagdoel. Ik wil dat ook.

De Hebreeuwse versie van Animal Farm ben ik overigens al kwijt, die heb ik vergeven: All animals are equal, but some pigs are more equal than other pigs.

Rest mij nu bijna niets meer dan de wens dat u zich vanavond samen met de dieren in het veld in alle rust terneder legt. En ook dat het woud daarna niets dan stilte ademt en dat van de stenen het binnenste wordt geroerd. Houdt u daarbij wel de deur op slot? Zodoende denken ze, als ze aan de deur komen, dat u niet thuis bent. Het is wat Reve zegt: het is waarlijk goed en passend dat ze denken dat u vanavond niet thuis bent. En hoe mooi is het als u op zo’n moment los bent van alle dingen.

Dan kan er immers een wachten zijn, “een wachten op u, een wachten zijn.”

En vanaf vandaag denk ik op dierendag niet alleen aan Reve, Paulus en Orwell, maar ook aan u. Alleen u kunt mij verlossen van Animal Farm.

Interesse in een Nederlandse, Duitse, Italiaanse, Hebreeuwse vertaling dan wel een andere variant of vertaling van Animal Farm van George Orwell? Alle items zijn afkomstig uit de Orwellcollectie van Igor Cornelissen. Interesse? Neem contact met ons op.

oktober 1st, 2021 by Jaap de Jong

De ruige duivelbokspoot van tante Alida

Vanmorgen kwam ik tussen de boeken een bundel met de herinneringen van een eenzelvig man tegen: de memoires van de dichter Jan van Nijlen (1884-1965), een man die in gezelschap een hartstochtelijk zwijger was en behalve E. du Perron, Jan Greshoff en Arthur van Schendel, weinig vrienden in het literaire milieu had. In gezelschap van zijn vrienden lurkte Van Nijlen aan zijn onafscheidelijke pijp en verder schreef hij af en toe een gedicht, maar wel genoeg om verzameld te worden.

Ik zocht in zijn Verzamelde gedichten die, anders dan veel moderne dichtsels, wel leesbaar zijn en ook nog eens te begrijpen voor een eenvoudige geest als ik ben. Eigenlijk was ik op zoek naar een gedicht over zijn familie. Liefst was ik iets tegen gekomen over tante Alida, de tante met de wonderschone naam, getrouwd met zijn oom Frans. Zij werd na de geboorte van haar eerste kind getroffen door een kwaal die haar het lopen belette. Daarna was zij “nooit meer in de lucht geweest” en bracht het grootste deel van de dag op de divan door. Tante Alida werd vroom, maar niet alleen vroom, ze leed ook nog eens aan een, wat van Nijlen noemt, “zachtzinnige godsdienstwaanzin” en deed bovendien aan voorspellingen. Die dingen houden vaak verband met elkaar, zo meen ik te weten. Ik ben overigens dol op verhalen over wat in de volksmond “godsdienstwaanzin” heet en al helemaal als het om de zachtzinnige variant gaat.

Ondanks de kwaal met haar voet kreeg Alida nadien nog zes kinderen. Een van hen, haar zoon Pascal, werd door de docenten aan de tekenacademie als een wonderkind beschouwd. Op een dag kwam Pascal thuis met door hem nagetekende naakten, reproducties van Italiaanse kunstenaars. Ze werden door moeder Alida verscheurd en in de kachel geworpen. Bij het zien van de prenten sloeg haar de schrik om het hart. De Heer had haar zoon weliswaar met een bijzondere gave begunstigd, maar dit ging toch wel erg ver. Pascal kon voortaan maar beter bloemstukken schilderen.

Ik bladerde wat in de Verzamelde gedichten van Jan van Nijlen, maar vond niet wat ik zocht. Wel iets anders. Het is bijna altijd prettig iets te vinden dat je niet zocht. In mijn geval vond ik het gedicht Wulpsheid. Misschien handelt dit gedicht toch over tante Alida. De laatste regel kan een aanwijzing zijn. Met nadruk op kan wat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid betekent dat het niet zo is. Maar het is wel een aardig gedicht en je ziet het gebeuren. En zeg nu zelf: die ruige duivelbokspoot is toch echt het einde!

Wulpsheid

In slanke naaktheid rijst zij voor de spiegel op, / omwolkt met gitten krans van losgewoelde haren; / haar ogen zijn als vreemde bloemen waar zij staren / waaruit bij elke blik ‘t vergif leekt, drop na drop.

En sidderend van koel en ongewenst genot, / spant zij uitdagend juichend haar volronde borsten, / wier marmerschoonheid niet een duivel, niet een god / noch mensen in aanbidding ooit aanstaren dorsten.

Haar naakt en ijskoud lichaam kan het hart niet warmen / van wie omhelsde die versteven schoonheidslijn – / Zie nu: ze lacht! En heffend lelieblanke armen

snoert zij met rode strik haar zwarte haren vast, / en treedt voorzichtig in een gulden schoen, zo klein / dat net haar ruige duivelbokspoot er in past.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, waaronder literatuur en poëzie.

september 22nd, 2021 by Jaap de Jong

Hip Berlijn. Een droom

Ik droomde vannacht dat ik in hip Berlijn was. Niet het huidige Berlijn, maar dat uit de jaren twintig. Er zijn extravagante feesten met veel bloot, jazz en het eten is buitengewoon smakelijk. Obers buigen als knipmessen en ik heb het geld om uit te geven, draai de hand niet om voor een grootse fooi.

Is er bij mij een hang naar feodale verhoudingen en naar andere zaken? In de droom en ook buiten de droom?

Dan verschuiven de droombeelden zich door de tijd heen. De stad Berlijn is ineens het tafereel van fascisten die met communisten op de vuist gaan. Tussen de vechtende massa ontwaar ik de nog ongekroonde prins Bernhard met zijn gesabelde vriend Erik Hazelhoff Roelfzema die beiden op de journalisten Jacques Gans en Nico Rost inhakken. Het is een chaos van bloed, kapotte brillen en sneuvelend glaswerk.

Zelf sta ik inmiddels verscholen achter een boom. Ik schuw het bloed en pas op mijn bril, want die werd tijdens mijn jonge jaren zo vaak van mijn neus geslagen dat ik er nu voor kies mij niet in het gewoel te begeven. Een echte man wacht tijd en gelegenheid af. Wraak smaakt het best als koud gerecht, zo droom ik verder terwijl kille wind mij de adem beneemt. Dat blijkt, na plots ontwaken, een weigerend CPAP-apparaat te zijn.

Dat ik in mijn droom Nico Rost, Jacques Gans en Prins Bernhard met elkaar in verband breng is niet ver bezijden de werkelijkheid. Rost had Gans – toen nog links – beginjaren dertig overgehaald naar Berlijn te komen. Jacques Gans schreef er zijn Berlijnsch Dagboek en Nico Rost vertaalde tal van schrijvers voor de Nederlandse lezersmarkt. Onder hen was de sterreporter Egon Erwin Kisch (1885-1948), wiens verhalen overigens zeer leesbaar zijn. En dat Bernhard onder de vechtenden had kunnen zijn, dàt komt naar voren tijdens een ontmoeting in de oorlog tussen de prins en Jacques Gans.

De journalist Egon Erwin Kisch was populair in die dagen. Rost vertelt dat zijn huis open staat voor iedereen en dat er in de Berlijnse Güntzelstrasse altijd bezoek is. Men treft er bekende politici, ontslagen gevangenen, letterkundigen, arbeiders, professoren en jonge meisjes en steeds weer moet Fräulein Gisl nieuwe koffie zetten en “zoekt Kisch in zijn bibliotheek van 4000 werken over processen en gevangenissen, hoe hij een collega helpen kan, die een reeks artikelen moet schrijven over de sexuele nood onder strafgevangenen, spreken in een hoek van de kamer een paar communisten over het Russische vijfjarenplan, discutereeren proletarische literatoren over het werk van Döblin.”

En wat al niet meer. Zelf zou ik het nog geen vijf minuten volhouden in die drukte bij Kisch. Dan maar liever naar het bos om achter een boom de glazen van mijn bril te poetsen. Maar dit geheel terzijde.

Igor Cornelissen, eerder eigenaar van het boek, schrijft een aardig ironisch commentaar bij de lyrische inleiding van Nico Rost. Uiteraard met potlood: “heel erg veel. Hoe komt ie aan schrijven toe”? Dat zou ik ook wel willen weten.


Kisch, Egon Erwin & Nico Rost (inl.) (1931). Tijdopnamen. Een bundel reportages. Den Haag: De Baanbreker / Servire. I.z.g.st., met originele boekenlegger van De Baanbreker. Enige potl.aant. van I.C., zeer zeldzaam, 49,50 (incl. pak- en verzendkosten).

Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, ook van Egon Erwin Kisch en/of Jacques Gans.
september 21st, 2021 by Jaap de Jong

Zwart op wit en wit over het zwart. De linosneden van Sam Herciger

De linosneden van Sam Herciger (1917-1981) zijn indrukwekkend. In de bundel Redebruchstücke worden gedichten van András Mezei (1930-2008) gecombineerd met (kubistische) linosneden van Herciger.

Sam Herciger werkt met zwarte lijnen op een witte achtergrond of met witte lijnen op een zwarte achtergrond. In het eerste geval (zwart op wit) gaat het om gebeurtenissen van een meer vrolijk-ingetogen aard, zoals de viering van joodse feestdagen. In deze bundel zijn alleen linosneden opgenomen met witte lijnen op een zwarte achtergrond.

András Mezei overleefde als jongen de verschrikkingen van het Joodse getto in Budapest en schreef herdenkingspoëzie. Titels als Die Wahl, Deportation, Einsatzgruppe spreken voor zich, maar er zijn ook andere titels: Fürchte dich nicht, Jakob. Anders dan Paul Celan dronk András Mezei de melk niet altijd zwart.

De biografie van Sam Herciger is eender, maar toch anders. Hij werd in 1917 in het dorp Zawiercie geboren en groeide op in een orthodox joods milieu, brak daarmee en raakte in Rusland verzeild waar hij beschuldigd werd van spionage. Hij leerde Russisch in de gevangenis en keerde terug naar Polen waar hij opnieuw werd gearresteerd. Ditmaal, zo luidde de beschuldiging, zou hij een spion voor Rusland zijn. Na de oorlog – hij overleefde Auschwitz – studeerde Herciger in Antwerpen aan de academie van Schone Kunsten en bleef ook in die stad wonen.

In het voorjaar van 1974 opende Abel Herzberg in Hilversum een tentoonstelling met zijn werk, maar heel bekend werd hij niet in Nederland. Later verhuist Herciger met zijn derde vrouw Edith Beck naar Israël. Zij schreef in 1985 een boek over het dramatische leven van Sam Herciger.

De linosnede met de vioolspeler vind ik mooi. De witte lijnen zijn hier op het allerbreedst. Ik houd het erop dat de vioolspeler het Kol Nidrei van Max Bruch speelt. Dat heeft iets te doen met het wit over het zwart.

Mezei, András (1999). Redebruchstücke oder Stille Zwiesprache miet Adorno. Jüdisch-Ungarische & Ungarisch-Jüdische Gedichte. Übertragen von Paul Kárpáti. Budapest/Berlin: City Verlag & Oberbaum Verlag. I.z.g.st., hardcover. Zeldzaam. Met dertien lino's van Sam Herciger. € 59,50 (incl. pak- en verzendkosten binnen Nederland).

Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong

september 17th, 2021 by Jaap de Jong

Prijs de dag voor het avond is

De naam Jan Gommert Elburg (1919-1992) zal weinig lezers nog iets zeggen. Elburg is nu een vergeten schrijver, dichter en beeldend kunstenaar uit de literaire stroming der Vijftigers. Remco Campert is de enig overgeblevene van de groep Vijftigers. Het spreekt vanzelf dat dit komt omdat hij het leven zo vurrukkulluk vindt. Ook Gerrit Kouwenaar (1923-2014) – die nog eenmaal de kamer wit wilde maken, nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik – is niet meer.

Maar ik moest vanmorgen aan Jan G. Elburg denken toen mij iemand zei dat ik de dag niet moet prijzen voordat het avond is. Ik dacht dat dit woord afkomstig was uit de Heilige Schrift en wel uit het boek Prediker dat ik nog het meest waardeer. Maar dat klopt niet, het is een vermaledijd Nederlands spreekwoord dat wel afkomstig moet zijn van een dungelipte kruidenier die de godganse dag zijn koperen centen telt. Het is natuurlijk helemaal niet des bijbels om de dag pas te prijzen als het avond is.

De dichter Jan G. Elburg schreef een schoon gedicht over het prijzen van de dag. Oók of juist voordat het avond is. Toevallig ken ik het vers uit mijn hoofd. Om die reden gooide ik het direct in de groep, voor de voeten van degene die mij zei dat de dag niet geprezen moet worden voordat het avond is. Dat doe je juist wel als je het leven verrukkelijk vindt.

Jan G. Elburg maakte behalve gedichten, ook collages. Een van die collages kreeg als titel: collage naar Titiaans ‘Venus van Urbino’. Ik denk dat de collage van Jan Gommert zijn eigen gezicht heeft gekregen. Hij gebruikte de collage als boekillustratie in Geen letterheren. Ik vind de Venus van Titiaan verleidelijker, maar die van Jan G. Elburg grappiger. Dit alles terzijde uiteraard.

Gelovig soms

Prijs de dag voor het avond is / voor je gouden verloofde het uitmaakt / voor het donkere deksel het donker maakt

prijs de dag en vertel voor het avond is / hoe het was wat er was dat het goed was / vertel het nog half gelovige oren

prijs de dag prijs de rotzooi / van ronkend blik het lawaai en de schrik / prijs de wind om de lekkende vuilniszak / prijs het licht op de stront de lonk van de lelijke / vrouw en de lik van de hond zonder haar prijs / de lucht van heet asfalt van zweet van patat

prijs een godganselijk godvergeten / goed lullig niet te vervangen leven / voor je leuterend strompelend uitgejoeld afgaat

prijs het

terwijl de nacht nadert / de duim nadrukkelijk je strot nadert

Jan G. Elburg 

Wij verkopen ook boeken van Jan G. Elburg, waaronder de titel Geen letterheren met als illustratie de collage naar Titiaans Venus. U kunt ze aanschaffen nog voordat het avond is, maar morgen mag ook. Als God het geeft uiteraard.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, ook van Jan G. Elburg

september 16th, 2021 by Jaap de Jong

Storm die uit het paradijs waait

Vanmiddag verwerkte ik een aantal titels van Willem Frederik Hermans. Het is mij onmogelijk niet in die boeken te kijken. De bundel Naar Magnitogorsk kende ik niet. Nu ben ik geen Hermanskenner en op dat punt, net zoals op de meeste andere terreinen, dus een onbesneden Filistijn. Dat niet-kennen en niet-weten is mij gegeven als mijn dagelijks brood.

Wel bracht het verhaal mij twee dingen. Hermans zette mij stil bij de huiveringwekkende herinnering aan een afbeelding die ik als kind zag. Ik was twaalf jaar toen ik de foto zag waarop een Engelse soldaat met zijn bulldozer lijken in een massagraf schuift. Zesenveertig jaar later is die herinnering er nog steeds, maar de huiver voor het onbestaanbare niet meer, niet meer zo sterk als toen.

Eeltvorming op mijn ziel. Is dat vooruitgang?

Het tweede ding is interessant omdat het iets over Hermans zegt, maar ook over de fascinatie voor het onbekende en de drang te testen. Uitproberen.

Is het ook waar? De vraag van de slang, nog juist voordat de vloek hem treft en zijn pad in een kronkelweg verkeert.

Toen de broer van Hermans – die hij niet had – hem met magneten zag spelen vertelde hij hem om zijn horloge buiten het bereik van de magneten te houden. De kwetsbare spiraalveer zou door de magneet als “met onzichtbare vingers worden verfrommeld tot een miserabel knoopje van staaldraad.”

Het weerhield WFH niet om de bewering van zijn broer te testen. En die broer had gelijk. Het horloge bleef stilstaan, ja was voorgoed opgehouden te tikken. Hij verborg het horloge en vertelde thuis dat hij verloor. Hij was gewaarschuwd, maar deed toch het ding dat hij niet laten kon.

Dat is maar goed ook. Of beter: het ìs en dat heet cultuur; storm die uit het paradijs waait.

Revisiting Paradise, The Lost One.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, ook van Willem Frederik Hermans.

september 13th, 2021 by Jaap de Jong

Zwolse faction – het bombardement op Bollebieste

Op 15 december 2019 werd in Zwolle voor het eerst het bombardement op de wijk Bollebieste (Dieze-West) herdacht. Bij dat oorlogsgeweld, waarbij de Engelsen het op de gasfabriek hadden gemunt, kwamen vijf mensen om en raakten er velen gewond. De uit Zwolle afkomstige dichter, schrijver en hoorspelauteur Wim Gijsen (1933-1990) was op dat moment elf jaar oud. In 1974 beschrijft hij in Bollebieste het bombardement op de wijk.

De roman van Gijsen is afkomstig uit de collectie van Igor Cornelissen. Achterin het boek maakte Igor wat potloodaantekeningen, m.n. vermeldt hij de pagina’s rond het bombardement op Bollebieste en de verhalen rond ene mijnheer Van Lith. Ik denk dat deze Van Lith – vlg de roman van Gijsen afkomstig uit Zwolle, ook werkelijk een links leven had. En ik weet ook wel bijna zeker dat er een mapje Gijsen & Van Lith bovenkomt na de herordening van het archief Cornelissen.

Dat mapje heb ik trouwens niet perse nodig voor dit verhaal. Igor wijdde bij het overlijden van Wim Gijsen een Voetnoot aan de arbeiderszoon uit Zwolle: “de man met het alpinopetje” (Het Parool, 17 november 1990). Hij bespreekt het autobiografische element in het werk van Gijsen. Niet alleen schrijft hij over de erotische passages bij Gijsen, maar gaat ook in op het (Zwolse) linkse arbeidersmilieu rond de oorlog. De vader van Wim Gijsen was het enige Zwolse communistische raadslid. Het is duidelijk. het lezen was voor Igor lust, maar ook werk. Veel beter kun je het niet hebben.

Naast het bombardement (pag. 14-21) beschrijft Wim Gijsen de gesprekken die hij als jongen opving tussen zijn vader, Van Lith en de onderduiker Jo: “Arbeidersklasse … het onderdrukte proletariaat… na de oorlog de kapitalisten de voet dwars zetten… de koloniale Nederlandse regering (…) Hij begreep er niet zoveel van maar wel dat er na de oorlog heel wat zou veranderen als Jo en meneer van Lith en zijn vader het voor het zeggen kregen.”

Faction – de combinatie van feit met (literaire) fictie – vind ik best een mooie vorm van literatuur.

Of Wim Gijsen in zijn politieke loopbaan als PSP-er nog voor roering in het Zwolse heeft gezorgd weet ik niet. Wel publiceerde hij in de jaren zestig met regelmaat in het tijdschrift Maatstaf. Hij werd bekend als S.F.-schrijver, daarmee brak hij zelfs internationaal door. L.G. Maas schreef een interessante masterscriptie over Gijsen.

Naar aanleiding van: Gijsen, Wim (1974). Bollebieste. Bussum: Agathon. Paperback, in redelijke staat met een ietwat beschadigde rug. Uit de collectie Igor Cornelissen. Roman met biografische aspecten uit oorlog (speelt in Zwolle, uit notities I.C [bijgevoegd]). € 17,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, ook van Marcellus Emants, Hans van Straten en anderen. Binnenkort ook meer van en over de “honderdjarige” Willem Frederik Hermans. 

september 11th, 2021 by Jaap de Jong

“Wie fürchtsam wankten meine Schritten.” Alleen op hele noten

Gisteravond en vanavond beluisterde ik alle voor mij vindbare versies van BWV 33 (Allein zu dir, Herr Jesu Christ). Ik ben het eens met Maarten ’t Hart: zeldzaam mooi en inderdaad, “de aria uit dit stuk kan niet langzaam genoeg worden uitgevoerd”.

Maar er zitten ook uitvoeringen bij  (bereikbaar via Youtube) waaruit een totaal onbegrip voor tekst, context en theologie spreekt: t’ Is alsof men springend en dansend ter bruiloft gaat. Hoezo “wie fürchtsam wankten meine Schritten”? De uitvoering van Nathalie Stutzmann is echter prachtig en dat geldt ook voor de uitvoeringen onder leiding van Ton Koopman en Philippe Herreweghe. Die mogen er zijn, maar zijn dan ook van het hele langzame.

Goed gebak slik je ook niet in een hap naar binnen en als ik psalmen zing, dan alleen op hele lange noten.

Toen ik rond mijn twintigste voor het eerst (sic!) met de cantates van Bach kennismaakte werd ik met Paulus van het paard geslingerd. Weliswaar zag ik het licht ook toen al niet, maar ‘k hoorde wel de stem van de alt-sopraan. Dat was genoeg.

Igor en ik waren het over meer dan één ding eens. Ook dat het in ons antiquariaat (met 19e eeuwse winkelbel) stil zou zijn. Geen paardendievenmuziek, wel ruimte voor een goed gesprek. Als er muziek zou klinken, dan alleen Bach en (vroege) jazz. Oké, ik verruim het ietwat: alléén barokmuziek en jazz.

Ik moet nog eens uitzoeken waarom Lars von Trier in Nymphomaniac een indrukwekkende passage uit BWV 33 opnam (orgelspel). Dit uiteraard geheel terzijde.

P.S. Het door Lars von Trier opgenomen stuk is een andere (dan ik eerder dacht), t.w. “Ich ruf zu dir. Herr Jesu Christ” (BWV 177). Ik lees overigens graag een stuk dat de invoeging door Von Trier van dat stuk verheldert. Lijkt mij buitengewoon interessant!

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, ook over muziekgeschiedenis

september 9th, 2021 by Jaap de Jong

Op weg naar het einde, maar gestoken door een kwal. Evelyn Waugh en zijn (literaire) erfenis

Toen ik in het vroege voorjaar 2021 de rode boekenkasten van Igor Cornelissen nauwkeurig inspecteerde zag ik een goedgevulde plank met boeken van en over Evelyn Waugh (1903-1966). Daaronder ook de tweedelige biografie van Martin Stannard en de eerste druk van de roman Brideshead Revisited die ooit onder homoseksuelen de cultstatus bereikte. Zelf zag ik alleen de film waarvan ik mij de melancholie en de vergeefsheid van alle streven – ook die naar de staat van een gerechtvaardigd zondaar – herinner. Weliswaar zal ik mijn hand niet in het vuur te steken voor de feitelijke juistheid van die herinnering, maar de herinnering aan de herinnering is authentiek. Dat is zeker.

De roman Brideshead Revisited gaat, zo lees ik op wikipedia, over de inwerking van de goddelijke genade op het leven van een familie. Ik weet niet of Waugh op dit punt Graham Greene’s meesterwerk The Power and the Glory overtreft. Volgens een vriend is de roman buitengewoon. Nu behoort de genade Gods niet tot de geringste zaken in de wereld en dat heeft effect op een roman die dit, mits geloofwaardig, thematiseert. In Brideshead Revisited schijnt dit het geval te zijn. Zoals gezegd heb ik dat “van horen zeggen” en daar moet ik het mee doen. Vooralsnog.

Evelyn Waugh leidde, zo is de indruk, een moeizaam leven met veel angst, veel drank en een weinig vrolijkheid. Het leven is maar een tragisch misverstand en aan het einde  wacht ons ook nog eens de dood.

Ik vond het ietwat humoristisch dat Evelyn Waugh als twintiger een zelfmoordpoging ondernam door de zee in te zwemmen. Op weg naar de oneindigheid werd hij echter gestoken door een kwal waarop hij besloot terug te keren. De literatuur is die kwal veel dank verschuldigd. Tijdens het niet zo erg lange leven van Waugh veranderde zo’n beetje alles. En het ging niet de kant op die hij als conservatief wenste: De adel was niet meer wat het was, de hemel van de katholieke kerk viel aan scherven en ook de belastingen werden steeds hoger.

Waugh ging gebukt onder angsten. De angst om gek te worden en de angst om zijn geloof te verliezen. Het vervulde hem met vrees. Met zijn tweede echtgenote kon hij het beter vinden dan met zijn eerste, maar vrolijk werd het nooit in zijn omgeving. Enfin, hij kreeg het isolement dat hij wilde en verdiende. Hij at alleen en hij dronk alleen. En hij zat alleen: op zijn studeerkamer waar hij op het woord wachtte of waar hem het woord wachtte.

Aan het einde stierf hij alleen: in de morgen van Eerste Paasdag 1966 legde hij het af en stierf op de wc. In die meest nederige houding vertrok hij van een reddeloze wereld, schrijft Kees Fens in zijn recensie van de tweedelige biografie van Martin Stannard. Hij (zijn doen en vooral zijn laten) liet een erfenis na in de familie. Zijn zoon werd ook schrijver en was het in één ding wel met Evelyn Waugh eens: de onverdraaglijke Mickey Mouse-cultuur van de nieuwe liturgie in de oude kerk. Maar dat is een ander verhaal.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, ook van en over Evelyn Waugh. Interesse? Neem contact met ons op.

augustus 30th, 2021 by Jaap de Jong

“De mens moet naakt!” Over Ralph Springer en Hans Borrebach

Het tragische leven van Ralph Springer (1886-1942) is hier eerder besproken. De voormalige loodgieter schreef tussen 1917 en 1932 meerdere werken, waarvan er vier bij ons worden aangeboden. Onder het pseudoniem Marinus Gijzen Sr. schreef hij ook nog een drietal brochures (Een literatuur-dictator, Het antisemitisme en Bonzen). Hij was ooit communist, maar keerde zich tot het fascisme. Dat voorkwam niet dat hij in 1942 in Auschwitz werd vermoord.

’t Brokkenhuis is een intrigerende politieke ideeënroman waarin de hoofdpersoon Louis Barrèl als lijder aan een ‘gebroken hart’ wordt opgenomen in het sanatorium ‘t Brokkenhuis. Zijn vrouw Pia verlangt een huwelijk dat vrij was van seks, maar dat vermag Barrèl niet op te brengen. Hij ondergaat een behandeling – in drie fasen – die hem uiteindelijk tot de herboren Nieuwe Mens moet brengen. In de laatste fase krijgen de patiënten visioenen met beelden van de nieuwe wereld en is men genezen. Barrèl verlaat het sanatorium echter voortijdig en wordt op weg naar huis ogenblikkelijk verliefd op het eerste meisje dat hij ziet.

Dat laatste is ietwat ironisch, ook al omdat Springer zelf ook nogal snel “verliefd” raakte op de eerste de beste nieuwe beweging die zich aandiende. Hij baande zich een kronkelende weg door het politieke landschap uit de eerste helft van de twintigste eeuw waarbij hij de ene beweging inruilde voor de andere en ten lange leste wordt opgeslokt en vernietigt door het fascisme.

Het bandontwerp en de drie kleurenillustraties zijn van Hans Borrebach (1903-1991), fotograaf en illustrator, die onder meer de boeken van Cissy van Marxveldt illustreerde. Borrebach was aanhanger en propagandist van het nudisme; de opvatting dat er niets in de weg moet staan tussen mens en de natuur, zelfs geen dun linnen: “de mens moet naakt”. Het is misschien een wat merkwaardige combinatie, maar ik vermoed dat het Ralph Springer vooral om de naakte waarheid over mens en maatschappij ging. Hans Borrebach publiceerde enkele pornografische romans en werkte aan een seksencyclopedie.

Volgens Borrebach was er geen uitgever die deze encyclopedie durfde uit te geven. Een saillant detail is dat Hans Borrebach, blijkbaar toch een wat schimmige figuur, tijdens de oorlog het affiche voor de nazistische propagandafilm Jud Süss zou hebben ontworpen.

Robin Arntz schreef in 2019 een interessante bachelorscriptie over dit werk van Springer waarin hij de roman op verschillende niveaus analyseert (op verhaalniveau, lezersniveau, incl. intertekstuele elementen). Het gaat om: De Mensch moet naakt! Een normatieve analyse van ’t Brokkenhuis door Ralph Springer

Het boek van Springer is, net zoals de andere hier aangeboden romans van Springer, afkomstig uit de collectie van Igor Cornelissen. Niet verwonderlijk, want mensen als Ralph Springer – met hun (al dan niet dramatische) ideologische keuzes en levensloop – hadden altijd zijn volle aandacht.


Ralph Springer (1932). 't Brokkenhuis. Een sanatorium voor lijders aan een "gebroken hart". Leiden: Algemene Boek en Handelsmaatschappij v.h. Batteljee & Terpstra. I.g.st., vergeeld papier, 347 pp. Voorwoord ("woord van waardering" van dr. Frans Dülberg. Bandontwerp op voorplat en twee illustraties (in kleur) van Hans Borrebach (de eerste (van drie) illustratie mist, en is hierboven afgebeeld). Uit de collectie van Igor Cornelissen. Zeer zeldzaam. € 67,50, incl. pak- en verzendkosten. Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, ook van Ralph Springer.

augustus 25th, 2021 by Jaap de Jong

De Jas van Komrij

Vanmiddag zag ik bij de twitteraar Frans Linmans een foto van een boekenhoek waarop uitsluitend boeken van Gerrit Komrij (1944-2012) staan. Ik kreeg ter plekke last van allerlei ingevingen en herinneringen. Vroeger, toen ik nog in Utrecht woonde, zag ik Komrij wel eens lopen. Als ik hem zag, dan was dat steevast bij de stadhuisbrug. Hij kwam dan net uit de grote – toen nog academische – boekhandel van Broese Kemink en was op weg naar Aleph om daarna nog even naar Hinderickx & Winderickx te gaan.

Komrij had altijd een boek in zijn hand of een uitpuilend plastic tasje, soms zelfs een rugzakje. Ik zie tegenwoordig nooit meer mannen met plastic tasjes. Het tasje van Martin Ros is er niet meer en dat van Gerrit Komrij is er niet minder niet meer. En Hinderickx is ook al dood of was dat Winderickx?

Maar ik wilde alleen iets zeggen over de Jas van Komrij. Op de website van de KB staat een foto van Komrij die de jas van Herman Gorter (1864-1927) draagt. Een beetje een nar, maar wel grappig. Het is die jas met de bontkraag. Een foute Jas, dat is wel zeker. De Jas van de uitgedichte dichter met het kraagje die babbelt over het werk der Raden. Het is een gruwel, de gruwel die alles verwoest.

‘O God, ik sta aan de verkeerde kant / mijn liefde gaat verloren,’ dichtte Gorter eerder. Dat was in de jaren dat hij nog geen jas droeg met een bontje. Dat had hij goed gedicht en goed gezien. Hij was niet alleen dichter, hij was ook Ziener. Was.

Net zoals Rilke hou ik wel van de lyrische Gorter; van de dichter van de Mei. Het voorjaarsgedicht over de lente in het stadje Balk waar zijn grootvader Douwe Simons Gorter (1811-1876) doopsgezind predikant werd, kort nadat alle orthodoxe doopsgezinden uit Balk naar Amerika waren vertrokken en zich bij de Amish voegden. Daar weet ik toevallig ook wat van. Een nieuwe lente en een nieuw geluid. Wie wil dat nu niet?

Ja, ik hou wel van de lyrische Gorter

Zie je ik hou van je / ik vin je zoo lief en zoo licht — / je oogen zijn zoo vol licht, / ik hou van je, / ik hou van je

Ik hou niet zoveel van de Gorter met de bontjas, niet van de radencommunist. Enfin, ik moest eraan denken toen ik Gerrit Komrij zag met de Jas van Gorter. En ik vroeg mij af of Komrij in al die boeken die hij schreef misschien ook iets heeft geschreven over J.C. van Schagen en de bundel Narrenwijsheid van wie en waarvan ik nu weer heel veel hou:

Zo span ik dagelijks weer de boog mijner krachten, tot de neerbraak / Zo tart ik dagelijks weer mijn onmacht, tot de wanhoop.

Ik zal niets ontwijken, ik zal niets zoeken / ik zal bij niets stilstaan

Ik zal maar gaan en zijn.

Dus staat er in al die boeken van Komrij ook iets over de dichter J.C. van Schagen? En wat dan wel?


Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong, ook over en van Herman Gorter

augustus 23rd, 2021 by Jaap de Jong

Uit de bibliotheek van Arnold Saalborn

Arnold Saalborn (1888-1973) was een interessant docent. Het zijn niet mijn woorden – al wil ik ze best nazeggen – maar die van zijn leerling Jacques Gans (1907-1972). Saalborn was socialist, bevriend met Jacob Israël de Haan (1881-1924) – die door zijn openlijk beleden homoseksualiteit toch een ietwat controversiële positie innam in de toenmalige Nederlandse letteren – en joods. Geen alledaagse figuur, al stond hij zeker niet aan de zelfkant. De belangstelling van Saalborn in het socialisme uitte zich onder meer in de keuze van zijn proefschrift dat over het ontwaken van het sociale bewustzijn in de literatuur handelt. Maar bovenal was hij een humanist, overtuigd van de zin van een brede en diepe historisch-culturele vorming. Men geloofde nog in de emancipatoire werking van de ‘verheffing’ van de arbeidersklasse.

Mooi is hoe Saalborn zijn leerling Jacques Gans bijkans de adem benam toen hij zwijgend het klaslokaal inkwam, voor de lessenaar ging staan en de eerste zin van De Uitvreter (van Nescio) de klas in slingerde. Met die daad, dat verhaal en die eerste zin trof hij doel als was hij David die met zijn kleine gladde steen de reus Goliath neer maaide. En daarmee bepaalde hij goeddeels ook het verdere leven van Jacques Gans, ook “een uitvreter” (zijn eigen woorden), maar dat is een ander verhaal.

Vandaag werd mij even de adem benomen toen ik het exlibris van dr. Arnold Saalborn tegenkwam: een middeleeuwse monnik, zittend op een krukje, bezig met het beschrijven van een foliant. Op de linkerpagina staat de S, op de rechterpagina een stralende zon. Volgens het handboek over de exlibriscultuur van Aarts & Kooyman (2017, p. 772) illustreert het exlibris zowel de studiezin van Saalborn, als zijn interesse in de middeleeuwen. Hij verzorgde inderdaad een uitgave van Mariken van Nieumeghen. Nu had Saalborn een nogal brede belangstelling en die ging zeker uit naar de moderne tijd (o.a. de Tachtigers en de moderne Duitse literatuur). Onder zijn leerlingen aan het Barlaeus gymnasium zat nogal wat talent: Ik noem naast Jacques Gans, Willem Frederik Hermans, Reina Prinsen Geerlings en Eli Asser. Maar misschien staat de S. uit het exlibris wel voor het socialisme en de zon voor het heilbrengende licht dat zij zou brengen over het volk dat in het duister ligt, gebonden in kluisters. De dichter Herman Gorter maakt in zijn poëzie graag gebruik van dit type, aan de natuur ontleende, metaforen.

In de collectie van Igor Cornelissen zitten tenminste twee boeken met zijn exlibris en eentje waarvan hij de vertaling verzorgde (De twee Tuinen van Salamon Dembitzer (1888-1964) [vertaald vanuit het Jiddisj]). De vader van Arnold Saalborn kwam uit St. Petersburg en wellicht stimuleerde dit de belangstelling voor de Russische letterkunde. Arnold Saalborn vertaalde uit het Duits, Frans, Russisch en Jiddisj. De belangstelling voor het toneel die Arnold en zijn broer Louis van huis uit meekregen – moeder Jeanette de Groot was toneelspeelster, vader Alexander Saalborn was regisseur – zette zich ook voort na hun generatie. Arnold is de oom van de toneelspeelster Liane Saalborn (1923-1989), bekend door haar filmrol in Pastorale 1943 en Kort Amerikaans.

Dit alles geheel terzijde van de oogst van vandaag, waaronder de boeken uit de bibliotheek van Arnold Saalborn.

augustus 22nd, 2021 by Jaap de Jong

“Daer heb ick eerst om honingh uit gevloghen.” De vervondeling van B.H. Molkenboer

Je kunt je bibliotheek uit vrije wil verkopen, maar je kunt haar ook verliezen: door roof, diefstal, brand of oorlog.

Bernard Molkenboer (1879-1948) verloor zijn Vondelverzameling toen op 18 september 1944 het huizenblok Batavierenweg-Barbarossastraat in Nijmegen werd gebombardeerd. Daar woonde hij met 8 medebroeders tot de dag waarop de verwoesting werd aangericht. Toen hij de Ooijpolder invluchtte zag hij van daaruit hoe huis en bibliotheek in vlammen opgingen.

De kunsthistoricus Molkenboer behoorde tot de orde der Dominicanen. Hij werd in 1933 benoemd tot buitengewoon hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Hij ademde en zweette Vondel en zijn enorme Vondelkennis deed studenten duizelen. “Nooit molk ’n boer een koe zo goed/ Als Molkenboer het Vondel doet”, zo grapte men.

Molkenboer kwam er niet meer bovenop: “Onze enorme aldaar opgestapelde boekenschat van duizenden deelen ging verloren en daaronder mijn gansche collectie Vondeliana, die ik in vele jaren met zorg verzameld had, die mijn leven met arbeid en vreugde vervulde en de onontbeerlijke bronnen bevatte voor het groote werk ter eere van Nederlands eersten dichter, waar ik mij met geestdrift op geworpen had.”

Toen ’t Wasdom (antiquariaat Cornelissen & De Jong met BOLAS) nog in het Dominanenklooster was gevestigd bezocht ik de daar gevestigde bibliotheek geregeld. In die bibliotheek stond ook een replica van de Vondelbuste die Molkenboer in 1933 was aangeboden ter gelegenheid van zijn benoeming tot bijzonder hoogleraar (specialisatie Vondelkunde). Ik maakte er indertijd een foto van (zie afbeelding). De buste is ontworpen en gemaakt door de beeldhouwer August Falise (1875-1936).

Molkenboer gaf in het vooroorlogse Zwolle geregeld lezingen over Vondel en andere onderwerpen. Dat gebeurde in Odeon, maar ook wel in het Dominicanenklooster. Tot voor kort was er een kleine collectie Molkenboer aanwezig in de kloosterbibliotheek, maar die verzameling boeken & essays (m.n. kunstgeschiedenis) is na de overname van het klooster door projectontwikkelaars geheel uiteengevallen.

Er is een prachtig verhaal verbonden aan de vlucht van Molkenboer. Het speelt in januari 1945. Hij beschrijft hoe hij na allerlei omzwervingen in Tilburg terechtkomt in het Moederhuis der Tilburgse Zusters aan de Oude Dijk. Daar valt hij in de handen van zijn grote jeugdliefde Marie Ides. De herinnering aan die liefde in de kleuterbank weet hij, zoals Ed Schilders ergens zegt, mooi te vervondelen.

“Daer heb ick eerst om honingh uit gevloghen.”

Tja, het is dus waar: Nooit molk een boer zijn koe zo goed / Als Molkenboer het Vondel doet. Zijn jeugdliefde Marie Ides was inmiddels tot overste benoemd van de Tilburgse Congregatie en stond daar bekend als moeder Leonie.

De grote Vondelbiografie die Molkenboer voor ogen stond (maar liefst zes delen) is er niet meer gekomen, althans niet van zijn hand. Wel verscheen een paar jaar geleden de Vondelbiografie van Piet Calis, maar die is bij ons niet te koop. De autobiografische overdenkingen van Molkenboer staan online en zijn voor iedereen toegankelijk.

Niet verbrand, noch geroofd zijn de boeken uit het antiquariaat Cornelissen & De Jong. Interesse? Neem contact met ons op.

augustus 16th, 2021 by Jaap de Jong

De Golem van Meyrink – leven dat iets wordt als er geest bijkomt

“Het maanlicht valt op het voeteinde van mijn bed en ligt daar als een grote, glanzende, platte steen.” Het is de eerste zin uit de roman De Golem van Gustav Meyrink (1868-1932). De illustrator Jaap Nieuwenhuis (1927) maakte er de tekeningen bij, ook bij deze zin.

Het Hebreeuwse woord golem komt in de psalmen voor en staat voor “ongevormde klomp”, ofwel leven dat iets wordt als er geest bij komt. Een meer moderne vertaling van het woord golem is ‘vormeloos begin’. Wel begin dat wordt gezien: “Mij, vormeloos nog, zagen uw ogen” (Naardense bijbel, psalm 139:16)

Het verhaal van de golem dateert uit de zestiende eeuw. Daarin legt rabbijn Löw (ca. 1512-1609) de golem, een levenloze lemen pop, in de morgen een briefje in de mond. Met die handeling komt de pop tot leven en treedt op als beschermer van de Praagse bewoners van het getto. De bevolking behoeft die dag niets te vrezen. In de avond wordt het briefje weer door de rabbijn verwijderd. Zoiets moet je niet vergeten, want dan roep je rampen over jezelf en de stad af. En dat gebeurt dan ook.

Naast de golem komt ook het beeld van de steen in de symbolistische roman van Meyrink steeds terug. Eerst is er de kraai die erop afvliegt. De steen ziet er namelijk uit als een stuk spek, als een belofte. De kraai hoopt iets lekkers te vinden, maar vliegt al snel teleurgesteld weg.

De steen blijft dus liggen, maar is vooralsnog onvindbaar voor de hoofdpersoon. Hij poogt in de schemertoestand tussen slapen en waken grip te krijgen op zijn leven. Hij zoekt de steen, symbool voor de identiteit (en misschien ook wel het nog onbewuste deel dat invloed heeft op het handelen en daarmee de voorgegeven identiteit bepaalt), om daarmee de mogelijkheid te verkrijgen zijn bewustzijn uit te breiden en te verrijken. Hij wil, zo interpreteert Andreas Burnier in een essay (NRC, 13 november 1988), naast het aardse, ook het hemelse kennen en genieten. Niet dus, zoals de mystici, afzien van het aardse, maar beiden in het hier en nu bezitten. Ziedaar de mens: rupsje-nooit-genoeg. Intussen neemt de steen monsterachtige afmetingen aan voor de hoofdpersoon, die vanuit het Ik-perspectief spreekt:

“Ik loop door een uitgedroogde rivierbedding en raap gladde kiezelstenen op. Grijsblauwe met glinsterende stof dooraderd, die mijn gedachten maar blijven bezighouden zonder dat zij er iets mee weten te beginnen, dan zwarte met zwavelgele vlekken, als een versteende kinderlijke poging om plompe, gespikkelde salamanders na te bootsen. En ik wil ze ver af werpen, deze kiezelstenen, maar steeds vallen ze uit mijn hand, en ik kan ze niet uit mijn gezichtsveld bannen. Al die stenen, die ooit in mijn leven een rol hebben gespeeld duiken rond mij op. Vele trachten zich moeizaam uit het zand naar boven, naar het licht te werken – als grote leigrauwe zeekrabben bij aflopende vloed, en als wilden zij alles in het werk stellen om mijn aandacht te trekken, teneinde mij dingen van ontzaglijk belang te vertellen. Andere vallen – uitgeput – machteloos terug in hun gaten en zien er van af zich ooit in woorden uit te drukken. Soms schrik ik op uit de schemer van deze waakdromen en zie een ogenblik lang weer de maneschijn op het opgebolde voeteneind van mijn deken liggen als een grote, glanzende, platte steen, om daarna opnieuw blindelings achter mijn vervagend bewustzijn aan te strompelen, rusteloos naar de steen zoekend, die mij kwelt, die ergens in het puin van mijn herinnering verborgen moet liggen en er uitziet als een stuk spek.”

Het verhaal van de golem is in de afgelopen vijftig jaar door onder meer Isaac Bashevis Singer, Chaim Potok en Harry Mulisch verteld. Anders dan bij de uit Praag afkomstige journalist Egon Erwin Kisch (1885-1948) – die in 1920 de door rabbi Löw afgesloten zolder van de Altneuschul onderzocht op de resten van de golem – valt er in het verhaal van Harry Mulisch (De procedure, 1998) wel een dode bij dat onderzoek. Die papieren doden behoeven de geest niet terug te geven.

Cornelissen & De Jong beschikt, naast twee vertalingen in het Nederlands (1916, 1959), ook over de oorspronkelijke Duitse versie (Meyrink, 1915, 1e druk) met een achttal litho’s van de kunstenaar Hugo Steiner-Prag (1880-1945). Een jaar later kwam Meyrink met de versie van De golem met 25 litho’s van Steiner-Prag, waaronder de acht afbeeldingen uit 1915. Ook is er een verhalenbundel van Gustav Meyrink. Hieronder staan de exacte gegevens.


Meyrink, Gustav (1915). Der Golem [mit acht Lithographien von Hugo Steiner-Prag]. Leipzig: Kurt Wolff Verlag. De litho's werden apart gedrukt bij Meissner & Buch (Leipzig), 343 pp., groene schutbladen, platten en rug (gouden belettering) in Jugenstil. Afbeelding met de golem als frontispies. I.g.st., maar met onderstrepingen en aantekeningen. Uit de collectie Igor Cornelissen, € 115,00 (incl. pak- en verzendkosten). Zeldzaam. 

Meyrink, Gustav (z.j. [1916]). De golem. Utrecht: De Haan. Rug beschadigd, binnenwerk goed. Zeldzaam. 259 pp., 1e druk. Vertaling J. Lourens (geautoriseerde vert.). Uit de collectie Igor Cornelissen, € 25,00 (incl. pak- en verzendkosten). 

Meyrink, Gustav (1959). De golem. Amsterdam: Uitgeverij de Driehoek. Goed, paperback met beschadigd stofomslag, geïllustreerd (naar pentekeningen van Jaap Nieuwenhuis(1927)), vertaling E.Th. van der Veer-Bertels. Met krantenknipsels, o.a. NRC-artikel van Andreas Burnier (13 nov. 1988). Uit de collectie Igor Cornelissen, € 29,50 (incl. pak- en verzendkosten).

Meyrink, Gustav (1972). Het wassenbeeldenspel en 16 andere verhalen. Amsterdam: Meulenhoff. Vertaling: Wouter Donath Tiegen. Omslagtekening: Josephine van der Hout, 157 pp. Uit de collectie Igor Cornelissen, € 13.00 (incl. pak- en verzendkosten).

Alle vier hierboven genoemde titels in één pakket: € 170,00 (incl. pak- en verzendkosten binnen Europa). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong

augustus 12th, 2021 by Jaap de Jong

Het diepzinnige naast het poëtische en het grove naast het scabreuze

In de boeken van Igor Cornelissen (1935-2021) tref ik regelmatig briefjes aan met verwijzingen en aantekeningen. Vanaf 1973 (misschien eerder) schrijft hij enkel nog met potlood in boeken, soms maakt hij achterin wat korte notities. Na je veertigste weet je dat jij gaat, maar dat het schrift en het boek blijft. Die notities zijn overigens erg interessant, zoals die bij boeken van en over de historicus Jacques Presser (1899-1970).

Als student geschiedenis las ik alles van Presser en zeker ook zijn autobiografie met de poëtische titel Louter verwachting. Dat boek – verschenen in de privé-domeinreeks – ging over zijn jaren als jonge opgroeiende knaap (1899-1919). En natuurlijk vrat ik ook ook de vlot geschreven biografie van Nanda van der Zee. Ja, ik verslond die biografie. De details die Igor noteerde was ik echter vergeten, als ze mij indertijd al zijn opgevallen. Wel herinner ik mij uit haar biografie dat Deborah Appel, de eerste vrouw van Jacques Presser, op 18 maart 1943 op het station Ede-Wageningen werd opgepakt. Nog geen twee weken later werd ze in Sobibor vergast. Vaak als mijn trein daar stopte en ik uitstapte dacht ik ook aan dìe ondergang.

Op één zo’n briefje van Cornelissen staat “geen harde porno… (p. 236)”. Het is de passage waar Nanda van der Zee beschrijft dat Presser het diepzinnige combineert met het poëtische. En dat bij hem het grove naast het scabreuze lag en wel in een voortdurende afwisseling. Dat verbaast niet bij zo’n spirituele en sensuele man, maar voor het schrijven van harde porno was hij te geremd, zo voegt Van der Zee er aan toe. Jacques Presser schreef overigens naast erotische verzen detectives en deed ook verder waar hij zin in had in een wereldje waar men op elkaar let en de ander weinig gunt. Verstandig.

Igor Cornelissen was benieuwd wat Nanda van der Zee over de Weinreb-affaire schrijft die Presser aanzwengelde en door hem en Renate Rubinstein werd voortgezet. Hij vroeg zich af “wat daarover bij Nanda van der Zee?”, staat,  zo lees ik op een bijgevoegde notitie in de biografie van Presser. “Pagina 255, 285, 286, drie pagina’s slechts en inhoudelijk zeer mager. Renate R. komt er helemaal niet in voor.”

Igor was een leerling van Jacques Presser en volgde als student zijn colleges. Ik weet dat hij een groot liefhebber was van zijn stijl. En een navolger. Presser was geen theoreticus, maar documenteerde zich heel precies en ging daarbij uiterst systematisch te werk. Hij bezat het vermogen, zo schrijft Van der Zee, om “daar een eenheid in te brengen en er een bepaalde visie aan te ontlenen.” De anekdotes die hij als verteller inlaste, hadden een didactisch doel, zij vormden het cement van een ingemetseld raamwerk.

Maar alles gaat voorbij. Toen Igor in De Hete Brei tegenover een jonge historica zat, werd zijn interesse gewekt. Wat was haar specialisme, vroeg hij haar. Het was de eerste helft van de twintigste eeuw: de Russische revolutie, twee wereldoorlogen en de massamoord op de joden. Wat vond ze van Ondergang van Presser, was zijn vervolgvraag. Presser? Wie? Professor Jacques Presser? Ze had nooit van de man gehoord, zo schrijft Igor in Mijn opa rookt ook een pijp (Cornelissen, 2020, p. 62). Ik zat er toevallig bij en meen dat de betreffende historica ook docente geschiedenis was. Althans, ik heb daar een actieve herinnering aan.

Er is natuurlijk genoeg Presser over om die schade in te halen. Van Ondergang zijn er indertijd bijvoorbeeld meer dan honderdveertigduizend exemplaren over de toonbank gegaan.


Verder lezen? Voor méér nieuwe oude boeken, ook van en over Presser kunt u terecht bij antiquariaat Cornelissen & De Jong

augustus 12th, 2021 by Jaap de Jong

De dood, het meisje en de dichter: Eros en Thanatos

Ik sloeg vanmorgen het brievenboek van Alfred Döblin (1878-1957) op een willekeurige plaats open. Het was direct raak: de dood, het meisje en de dichter. Eros en Thanatos. Op 7 maart 1950 condoleert Döblin Claire Goll (1890-1977) met het verlies van haar man: Yvan Goll (1891-1950). Hij herinnert haar aan het ziekenhuisbezoek dat hij aan Ivan bracht. Het was een mooi bezoek geweest, schrijft hij. Goll was opgewekt, levendig en volledig bij de dag. Hij had niet de indruk dat hij met iemand sprak die in de schaduw van de dood leefde.

De expressionistische dichter Goll leed vanaf 1947 aan leukemie en kreeg in zijn laatste jaren zo’n zestien bloedtransfusies van bevriende schilders en dichters toegediend en bovendien schoof men hem ook nog allerlei toe. Hij verliet het leven, zo schrijft Goll in haar autobiografie Alles is ijdelheid, “met een Frans hart, een Duitse geest, Joods bloed en een Amerikaans paspoort.”

Alfred Döblin stelt dat hij vredig heen zou zijn gegaan, zonder veel pijn, zo meende hij. Tijdens zijn bezoek vertelde Goll aan Alfred Döblin dat het hem verging als Hokusai, de grootste schilder van Japan, die, toen hij negentig was, op zijn sterfbed verzuchtte: “Als ik nog tien, of zelfs vijf jaar te leven had zou ik mijn kunst eindelijk volmaakt hebben beheerst.

Iedereen kent toch die prent van Hokusai waarop de dronken dichter staat afgebeeld die zijn gedichten door de wind laat meevoeren? Ik ben de dronken dichter die zijn gedichten in alle richtingen verspreidt, ik, Yvan Goll, op wie de dood voor de deur staat te wachten.”

Bij het naderen van zijn dood telt iedere resterende minuut als een extra gegeven jaar. Verzet. Hij wilde niet verscheiden en ook de medici hielden de mythe van hun almacht zo lang als mogelijk in leven. Op het laatst restte er niets meer dan open vlees onder een zuurstoftent. De vredigheid en de rust die Döblin hem toedichtte was vergaan, althans dat is wat duidelijk wordt uit de autobiografie Alles is ijdelheid van zijn vrouw Claire Goll.

Claire Goll overleefde haar man nog zeventwintig jaar en stierf niet voordat zij, op zesenzeventigjarige leeftijd, haar eerste orgasme beleefde met een twintigjarige Fransman. Blijkbaar was Rainer Maria Rilke noch Yvan Goll in staat geweest haar seksueel te bevredigen. Rilke en Goll maakten een droomprinses van Claire Goll die voor hen als in een luchtbel boven de aarde zweefde, zo schrijft ze ergens.

Of het allemaal waar is wat Goll opschreef weet ik niet. De waarheid van haar beschuldiging aan het adres van Paul Celan – die de gedichten van haar man zou hebben geplagieerd – wordt door velen betwijfeld en ze leverde geen bewijs. Er zal veel ijdelheid bij zitten, maar haar autobiografie leest als een (literair) boulevardblaadje. Sinds ik haar las, en dat is al een paar jaar geleden, denk ik bij het lezen van een gedicht van Rilke ook met regelmaat aan Claire Goll. Men kan mij dan betrappen op een lichte gniffel.


De nieuwe oogst bij Cornelissen & De Jong, waaronder de boeken van Döblin. Interesse? Neem contact met ons op.

augustus 10th, 2021 by Jaap de Jong

Zij was lichtblauw, nabij en “met een koele adem, een ochtend in de middag”

De wereldoorlog is begonnen in Sarajevo. Op een hete zomerdag in 1914, zo schrijft Joseph Roth (1894-1939) ergens. Hij herinnert zich ook de exacte dag en het tijdstip. Hij was 22 jaar, in de lente van zijn leven, student en zat – dat is bijna zeker – ergens op een terras bij het café. Toen kwam zij: het meisje met de grote gele strohoed in haar hand, “die was als de zomer en deed denken aan hooi, krekels en papavers”. Maar in die hoed lag het telegram, “gekreukeld, schrikwekkend, een bliksemstraal van papier.”

De ernst van haar vader, die uit het café naar huis was gekomen, kan Roth op dat moment niet opbrengen, maar hij weet zich dertien jaar later wel te herinneren dat hij met het meisje met de strohoed in de tram stond, op het balkon. Er was een weg waar de tram langs de jasmijn streek. Je reed “ting-ting, het was een soort sledevaart voor de zomerdag. Het meisje was lichtblauw, nabij, met een koele adem, een ochtend in de middag. Ze had mij een bericht gebracht uit Sarajevo, de naam stond er boven, van donkerrode rook, als een brand boven een nietsvermoedend kind.”

Anderhalf jaar later, in 1916, was zij er ook weer. Op de dag dat Joseph Roth op mars ging met zijn compagnie. Waarschijnlijk dachten ze beiden aan die zondag, het telegram. Sarajevo, zo schrijft Roth. Haar vader ging nooit meer naar het café, hij lag al in een massagraf.

Roth suggereert in zijn artikel in de Frankfurter Zeitung (3 juli 1927) een verliefdheid en zette mij daarmee even op het verkeerde been. Ik dacht dat het om de mooie Friederike Reichlen (1900-1940) ging, maar dat kan niet zo zijn. Haar ontmoette hij pas in Wenen, na de grote catastrofe, in 1919. Friederike was toen met een ander verloofd. Een verloving die ze verbrak om met Roth verder te gaan. Haar wachtte meer catastrofes, maar dat wist zij toen nog niet. Gelukkig maar.

Ik wens u intussen een mooie dag met een goed boek. Geniet van de jasmijn die zich om schutting, boom en heg slingert. En neem het blauw in u op, als ook de twinkeling in de ogen van de verliefde en bedenk dan wat u hebt: een koele adem, een ochtend in de middag.


Naar aanleiding van: Waar de wereldoorlog begon. Frankfurter Zeitung 3 juli 1927 in: Joseph Roth: waarnemer van zijn tijd. Een keuze uit zijn journalistieke werk (Amsterdam, Allert de Lange, 1981).

Nog meer Roth in ’t Wasdom.

augustus 6th, 2021 by Jaap de Jong

De krachtige kop van mijnheer Ludwik: “een geprononceerde neus en een wilskrachtige kin”

In 1989 verscheen De GPOe op de Overtoom van Igor Cornelissen. Het betreft de zoektocht naar en de reconstructie van het leven van geheim agent Ignace Reiss (1899-1937) die in juni 1937 met Henk Sneevliet over zijn voorgenomen breuk met Moskou sprak. In dat boek beschrijft Igor C. ook het leven van Hildo Krop (1884-1970) die in Amsterdam en elders een spoor trok met zijn beeldhouwwerk. Hildo Krop sympathiseerde met het communisme en ontwierp in de jaren dertig een buste van Ignace Reiss, alias mijnheer Ludwik. Naar dat beeldje was Igor naarstig op zoek.

Gerard Reve noemde de bakkerszoon Krop een ‘koekebakker van geslachtloze beelden’ en hij ergerde zich mateloos aan het werk van Krop in betondorp en elders op de Amsterdamse bruggen en gevels. De gehele stad gaat er onder gebogen en niemand kan meer om de stadsbeeldhouwer Hildo Krop heen. Niet alleen in Amsterdam, maar ook niet in Moskou waar zich nog ergens een door Krop gemaakt beeld van Stalin zou bevinden. De vader van de gebroeders Van het Reve, de schrijver Gerard Vanter, bewonderde Hildo Krop niet alleen om zijn lichamelijke kracht, maar ook om zijn kunstzinnigheid. En hij betrok hem bij het ontwerp van een van zijn boekomslagen.

Hildo Krop kwam uit het Overijsselse Steenwijk, waar zijn vader bakker was. Hij leerde van zijn vader de beginselen van het bakkersvak en volgde boetseerlessen om marsepijnfiguren te maken. Alles, dus ook de beeldhouwkunst, begint met het kneden en er gaat niets boven het kneden van deeg. Ik kan dat weten, want ook ik ben een bakkerszoon en weet van het begin en van het einde van het gerezen deeg: is er iets dat verleidelijker is dan de geur van versgebakken brood – eindsel van het geknede deeg –  in de morgenstond? In Steenwijk is er ook een museum dat het werk van Hildo Krop tentoonstelt. Dit geheel terzijde.

In 1984 kwam Igor Cornelissen in contact met mevr. E.J. Lagerweij-Polak die toevallig –  dat wat ons toevalt –  met Igor het ontbrekende puzzelstukje legde en het door Krop gesmede beeld thuisbracht. Een week later lag de foto van de buste van Ignace Reiss (mijnheer Ludwik) op de deurmat van de Vondelkade in Zwolle: “een schok van ontroering maakte zich van mij meester. Een halve eeuw nadat Ludwik met Stalin brak en daarom werd vermoord, zie ik zijn krachtige kop met een breed en hoog voorhoofd, een geprononceerde neus en een wilskrachtige kin. Geen geslachtsloos beeld door een koekebakker. Wel de scherpe en nobele trekken van een beginselvaste man die de moed had een moordzuchtige dictator aan te klagen.”

Het exemplaar van De GPOe op de Overtoom, speciaal voor Igor C. gebonden bij de Zwolse handboekbinderij H. Habes wordt natuurlijk niet verkocht. Wel de monografie van mevr. E.J. Lagerweij-Polak over Hildo Krop (Den Haag, 1992). Lagerweij-Polak maakt daarin ook melding van De GPOe en geeft de afbeelding van “mijnheer Ludwik” (Lagerweij-Polak, 1992, p. 74).


Lagerweij-Polak, E.J. (1992). Hildo Krop. Den Haag: SDU. I.g.st., mooi gaaf exemplaar uit de collectie van Igor Cornelissen. Gebonden in geel linnen met stofomslag en rijkelijk geïllustreerd met foto's (in kleur en zwart-wit). Met register/index en bibliografie, 144 pp. Incl. pak- en verzendkosten binnen Europa € 67,50. Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong

juli 25th, 2021 by Jaap de Jong

Gediskwalificeerd als heilige: Thomas a Kempis

Ik moest vandaag denken aan de verdwenen kaak van Thomas a Kempis (ca. 1480-1571). Aanleiding is de 550e sterfdag van de man van de Agnietenberg die door de stad Zwolle heilig is verklaard. De katholieke kerk bevestigde dat nooit en die gaat echt over de heiligverklaring, zo is mij verteld. De sterfdag van Thomas is vandaag groots gevierd: op de hoek van de Sassenstraat-Goudsteeg werd zijn portret onthuld.

Ooit wilde men Thomas dus heilig verklaren. In die gang tot ‘de eer van de altaren’ werden de stoffelijke resten onderzocht op wondertekenen. Stel, zo schrijft Pieter van der Ven, in een artikel in Trouw “dat de hand waarmee hij zoveel had geschreven gaaf was gebleven. Dan was daarmee overtuigend het bewijs van heiligheid geleverd”

Het mocht niet zo zijn. Het graf ging open en daar lag hij zonder gave hand en zelfs op de zij gedraaid. Wat was er gebeurd? Het verhaal gaat dat de broeders van de Agnietenberg de oude Thomas levend in de kist hadden gestopt en dat hij een poging had gedaan zich daaruit te bevrijden. En daarmee zou hij zich tegen Gods wil hebben verzet en zich diskwalificeren voor de heiligverklaring. Die laatste poging maakt Thomas sympathiek voor mij: de mens in opstand en tegenspraak maakt de mens tot mens.

Tien jaar geleden, in 2011, is de schrijn in de Peperbuskerk opnieuw geopend om, zo was het idee, met de overblijfselen van de schedel het gezicht van Thomas te reconstrueren. Toen bleek dat de kaak ontbrak, naast nog wat andere onderdelen. Er is dus nogal wat gerommeld in de schrijn van Thomas. Zo zou in 1847 de kaak als relikwie naar een klooster in Frankrijk zijn gebracht en bevinden zich andere resten in Keulen. De Zwolse historica Lydie van Dijk vond het bewijs en checkte het in de archieven van de abdij van Solemnes.

Het portret van Thomas a Kempis is gemaakt door de kunstenaar Donovan Spaanstra. De Thomas die ik uit andere portretten ken ziet er een beetje tobberig uit. Zo iemand schopt het niet tot influencer van en voor Zwolle. De Thomas van Donovan Spaanstra heeft een meer jeugdig uiterlijk, ietwat wulpse lippen ook. Ten laatste zijn er door Spaanstra nog wat denkrimpels aan het gezicht van Thomas toegevoegd, de finishing touch: alles voor de stadsmarketing en de god van het toerisme.

Schone schijn.

Zelf had Thomas niet zoveel met Zwolle en ook niet met de eeuwige roem. Lucht en ledigheid, ja louter ijdelheid was dat wat zich daar in de stad afspeelde. Thomas zat op de berg en keek in het dal, kopieerde de bijbel tot vijf keer toe en beschreef met onontkoombare regelmaat het afgeleefde leven van een uitgeleefde broeder. En natuurlijk de bestseller die hem wereldberoemd maakte: de Navolging.

Thomas a Kempis was de schrijver van de Navolging van Christus waarvan de titel in elk geval meer gelezen werd dan de bijbel. Ik denk niet dat het opnieuw een bestseller wordt. In mijn adolescentiejaren las ik een protestantse, dus gekuisde versie van de Navolging. Ook schijnt er een versie te zijn die als handboek bij een cursus voor managers werd gebruikt. Zelf heb ik nooit een manager ontmoet die de Navolging na die cursus ook werkelijk praktiseerde. Dit terzijde.

Het laatste woord aan Thomas a Kempis. Het is niet de meest praktische, wel een meer mystieke uitspraak – en misschien de uitkomst van een leefwijze – en het zou ook wel een citaat van Eckhart of Lao Tse kunnen zijn.

“Hij, voor wie alle dingen één zijn, die alle ding op dat ene betrekt, en alles in dat ene ziet, hij kan vast staan in zijn hart, en in God een ongestoorde vrede bezitten.”

En hier nog eentje vanaf de top van de Agnietenberg: “Vraag niet wie iets gezegd heeft, maar geef acht op wat er gezegd wordt. Mensen gaan voorbij, maar het woord van de Heer blijft een eeuwigheid.”

De papieren uitgave van de Navolging van Christus is niet te koop, althans niet bij ons. Er staat wel een digitale versie van de vertaling van Is. van Dijk op de onvolprezen website van de DBNL.


Wilt u toch “met een boekske in een hoekske” dan zijn er altijd nieuwe oude boeken bij het antiquariaat Cornelissen & De Jong

juli 8th, 2021 by Jaap de Jong

De stinkvoeten van de dochter en de bekoring van Klaas Schilder

In het kerkblad De Reformatie van 15 januari 1926 wijdt de gereformeerde hoogleraar Klaas Schilder (1890-1952) positieve woorden aan een boek van F.J.G.W.C. Engelberts (1880-1929). Zij schreef in 1925 een biografische roman over de politicus en dichter Onno Zwier van Haren (1713-1779) die door een onfris gebeuren in de belangstelling kwam. 

Klaas Schilder haalt in zijn recensie wel uit naar de uitgeefster G.J.A. Ruys die het aan hem geschonken exemplaar uit zuinigheid van een aantal stempels voorzag. Was de uitgeefster misschien bang dat Schilder zijn recensie-exemplaar aan de plaatselijke boekhandel zou slijten? Schilder schrijft:

“De uitgave is uitnemend verzorgd; mijn exemplaar bekoort me tenminste. En iedere kooper krijgt nog iets beters in bezit dan ik; want de uitgeefster heeft mijn ingenaaid exemplaar (evenals van het hierboven besproken boek) voorzien van heel dikke en heel leelijke stempels, ook in den tekst. Precies als de bibliothecarissen doen, die bang zijn, dat hun boeken door vreemden gestolen zullen worden.”

Klaas Schilder was boekenliefhebber, veelweter en een gevreesd polemist. Hij was tevens één van de hoofdrolspelers bij de scheuring van de Gereformeerde Kerken in 1944. Schilder schreef over alles; uiteraard ook over de hemel. Ik las bij Buskes – in Hoera voor het leven, als ik mij niet vergis – dat zijn veelweterij hem definitief ontroofde van zijn plaats in de hemel. Die plek werd hem door kerkelijke tegenstanders betwist. Een student schrijft bij zijn dood het grafdicht: Hier ligt professor Schilder / heel eenzaam in zijn kist / Hij mocht niet naar de hemel / omdat hij alles al wist. Dit terzijde.

De hier aangeboden biografische roman van Engelberts gaat over de Friese politicus en dichter Onno Zwier van Haren. Aan zijn glanzende politieke carrière komt abrupt een einde als hij in het openbaar door zijn aanstaande schoonzoon Van Hogendorp van incest wordt beschuldigd. Eerder was hij onder druk gezet, gaf hij de beschuldiging toe, tekende een zwijgcontract en zocht hij de politieke luwte op. Maar iets later weerspreekt Onno Zwier van Haren de beschuldigingen. Dat doet hij door in zijn Deductie op de onaantrekkelijkheid van zijn dochters te wijzen: “de één verschrikkelijk door de kinderziekte aangetast, met bloeddoorlopen ogen en stinkvoeten, de ander ziekelijk, zelfs nog niet huwbaar en sinds 11 jaar lijdend aan een zwaar ongeluk.” De door de dichter-politicus gekozen “strategie” – eerder een soort prisoner’s dilemma – leidde er mede toe dat het nooit meer goed kwam tussen hem en zijn dochters Betje en Carolina. Het heeft er veel van weg dat de beschuldigingen niet los staan van politieke intriges en machtsspelletjes.

Anders dan het exemplaar van Klaas Schilder bevat het door Cornelissen & De Jong aangeboden exemplaar géén stempels.

L.E. [Engelberts, F.J.G.W.C.] (1925). Een vergeten proces. Utrecht: G.J.A. Ruys. I.z.g.st., hardcover, mooi exemplaar, maar met wat vlekjes op het voorplat. Omslagillustratie en band van R. Mijnssen. Zeer zeldzaam. Uit de collectie van Igor Cornelissen. € 95,00

Interesse? Neem contact met ons op. Méér nieuwe oude boeken bij antiquariaat Cornelissen & De Jong

PHP Code Snippets Powered By : XYZScripts.com